Rouwverwerking

Artikelen over de pastorale aspecten van verlies- en rouwverwerking




Op een dag loop je vast. Wij hebben allemaal eens ervaren dat God op een beslissend moment Zijn engelen uitzendt om ons te helpen (Ps.91). Alsof we Hem ná konden rekenen. Net zovaak hebben we meegemaakt dat wij dingen niet op een rijtje krijgen. God verhoort niet of grijpt niet in.

Worstelen met of sámen met God



Op een luisterende novemberdag volgde ik de meanderende beek in de levenslooptuin. Het water was traag in beweging, een neerdwarrelend blad liet zich zoetjes meevoeren. Ik keek naar de handen: de handen in vertwijfeling, de gebalde handen, de gevouwen handen. Nadenkend schoof ik op de bank en keek naar eigen handen; ze leken de gebaren te herkennen.

De troost van de levenslooptuin





Iemand heeft pijn omdat de naam van haar dierbare nooit genoemd wordt. 'Laten we zelf het initiatief nemen en de naam van onze geliefde noemen', vindt een deelneemster. Zelf noemt zij regelmatig zijn naam, voor mensen die hem nooit ontmoet hebben, heeft hij een gezicht gekregen. Mensen die open staan voor de naam, zij zijn als graspollen waaraan we ons optrekken om de berg te kunnen beklimmen. Anderen doen niet meer terzake.

Glansloos zijn de dagen



Tijdens een herdenkingsbijeenkomst werden de namen van de overledenen werden genoemd en geplaatst in het licht, door het ontsteken van de Paaskaars en de Gedenkkaars. Voor iedere naam was er een roos. Er werd gevoelige muziek gespeeld op dwarsfluit en piano, waarna een verhaal werd verteld. Het verhaal heet 'de droom'. Het is een bewerking van een stukje uit een kinderboek, waarin een oma een gesprek heeft met haar kleinzoon.

Als een droom



"Wek onze kracht, vuur onze hartstocht aan, heradem ons dat wij in U volharden. Doe lichten over ons Uw lieve naam..."

Gebeden in tijden van verdriet



De makers van 'Ik mis je' zijn dit moment het zesde seizoen aan het voorbereiden en doen een omroep aan mensen om zich aan te melden. Ik weet dat deze serie voor veel mensen troostrijk is, zeker voor hen, die iemand verloren hebben...

Oproep televisieprogramma Ik mis je



Ter afsluiting van de serie over rouw en rouwverwerking wil ik nog een preek toevoegen, die ik 10 jaar geleden gehouden heb bij de begrafenis van mijn overbuurman Piet Brugmans in Wilhelminadorp.

In Memoriam



Voor veel mensen is het kerkhof iets lugubers. Ze durven er geen stap te ztten. Het is dezelfde angst, die de mensen weerhoudt om in een ziekenhuis, een psychiatrische inrichting of verpleeghuis op bezoek te gaan. Ik denk dat je je tegen die angst sterk moet verzetten. Want je kunt je hoofd niet in het zand steken en net doen alsof dat niet bestaat.

Bezoek op het kerkhof



Soms staat er op de rouwkaart: "Geen bloemen, geen bezoek”. Waarom men dit doet, kan heel verschillend zijn. Misschien hield de overledene niet van bloemen of vindt met bloemen niet passen bij het grote verdriet, dat in het leven gekomen is. Soms ook heeft men het idee, dat met bloemen de ernst van de dood "verbloemd” wordt.

Bloemen



Een crematorium doet wat koud en zakelijk aan. De tijd voor een crematie is ook zeer beperkt. Als predikant krijg je nauwelijks tien minuten om wat te zeggen. Daarna kun je de formule uitspreken onder handoplegging, waarna de kist zakt. De mensen gaan daarbij staan. Dat is wel een plechtig moment.

Crematie



In principe geldt voor crematie hetzelfde als wat gezegd is over de rouwdienst en de begrafenis. Alleen, bij een crematie gebeuren beide, rouwdienst en begrafenis, ineen. In één ruimte en in één samenkomst, ook de condoleance kun je daarbij betrekken, want die gebeurt direct daarna in hetzelfde gebouw. Het is als 't ware één vloeiend gebeuren. En daar zit zeker ook iets moois in, het is in ieder geval erg praktisch.

Gebruiken bij crematie



Het was vroeger de gewoonte, dat men een bepaalde tijd "in de rouw" liep. In sommige gebieden van ons land doet men dat nog. De rouwtijd bedraagt voor de naaste familieleden een jaar en zes weken. Zo kon het gebeuren, vroeger, toen kinderen jong stierven, dat ouders nooit uit de rouw kwamen.

Rouwgebruiken II



In de bijbel wordt verteld, dat men de doden begroef. Dat was niet vanzelfsprekend, want in de omliggende landen werden de doden verbrand. Begraven betekende voor de Joden, dat men tot "zijn vaderen vergaderd" werd. Begraven was daarom een diep gevoelde plicht van piëteit. Men stelde daar een eer in!

Rouwgebruiken



De klassieke begrafenisformule is: "Daar het dan de almachtige God behaagd heeft..." Er is gezegd, dat we tegenwoordige met dit "behagen" van God veel moeite hebben. Er wordt dan ook gezocht naar andere formuleringen, die beter passen bij het gevoel en de denkwereld van deze tijd.

De begrafenis II



Op de begraafplaats bevangt je een gevoel van rust en dankbaarheid. Dat zal wel voor iedereen verschillend zijn, maar ik zelf krijg meestal dat gevoel. Het is de rustplaats van de doden. Zelf mag ik er ook eens rusten van al mijn werken en zorgen. Die rust heeft ook te maken met gerustheid. Dat je er gerust op kunt zijn, dat alles goed met je komt.

De begrafenis



"Ik weet niet of er een hemel is. Maar mijn moeder leeft voort in mijn herinneringen. Het hiernamaals zit in mijn hoofd." Dat zegt een van de geïnterviewden in het boek van Kalien Blonden.

Boek: De hemel in mijn hoofd



De rouwdienst is over het algemeen wat korter dan een gewone kerkdienst. Meestal niet langer dan een half uur. We zien de volgende onderdelen: Votum en Groet; Gebed van verootmoediging en schuldbelijdenis; Schriftlezing(en); Overdenking; Gebeden; Zegen.

De liturgie van de rouwdienst



Het is zinvol, wanneer de overledene vanuit het huis van geloof en gebed wordt uitgedragen. Voor de nabestaanden kunnen de geloofsliederen tot steun en troost zijn in hun grote verdriet. Er wordt beleden, dat de dood niet het laatste woord heeft. Dit mag een klein lichtpuntje zijn in de verschrikkingen van de dood. Het wordt er niet minder erg door, maar het is toch goed om te horen dat er een Herder is die met je meegaat door het dal van de verschrikkingen des doods.

De rouwdienst



We houden tegenwoordig veel rekening met elkaar, en dat is goed. Maar soms gaat het te ver. Soms verkeert het goed in zijn tegendeel. Zeker is dat - denk ik - bij sommige hedendaagse gewoonten van begraven en cremeren. Neem bijvoorbeeld het zinnetje, dat je nogal eens tegenkomt in rouwadvertenties: "De begrafenis heeft in stilte plaatsgevonden." of "Daar wij overtuigd zijn van uw meeleven, is er geen gelegenheid tot condoleren". Wie heeft nou zoiets bedacht?

In stilte



We leven thuis, waarom zouden we ook niet thuis sterven? Veel mensen hebben daar moeite mee. Vroeger gebeurde dat wel. Het was een goed gebruik. De overledene werd thuis opgebaard en iedereen kwam afscheid nemen. En uit het huis werd men naar de laatste rustplaats gebracht. Nu hoor je mensen zeggen: "Ja maar, het is bij mij thuis veel te klein en in het ziekenhuis heb je de beste verzorging".

Thuis of in het ziekenhuis



Een vraag die dikwijls gesteld wordt. Het antwoord hangt helemaal af van je persoonlijke instelling. Welke waarde je bijv. toekent aan de hygiëne: het lichaam verteert, een onsmakelijke gedachte! Ook speelt het milieu wel eens een rol: begraafplaatsen belasten het milieu, er is eigenlijk geen ruimte meer voor de dodenakkers. En de lichamelijkheid speelt ook wel eens door ons hoofd: als een lichaam begraven wordt, kan het ook gemakkelijker opstaan. Soms denkt men ook aan later. Zal er dan nog een plek zijn om naar de overledene toe te kunnen? Een graf kan nog bezocht en verzorgd worden. Een urn in een wand vol urnen is wat dat betreft veel onpersoonlijker. Dat zijn allemaal gedachten, die door je heengaan en die het antwoord op voornoemde vraag bepalen.

Cremeren of begraven



Veel mensen zitten met de vraag: begraven of cremeren? Jongeren hebben daar meestal geen moeite mee. De meesten kiezen uit praktische overwegingen voor cremeren. Bij ouderen ligt dat anders. Wat moet er straks met mij gebeuren? De kinderen vragen er naar. En zelf wil je ook graag de dingen zo goed mogelijk regelen. Maar hoe moet het nu met de begrafenis? Of wordt het een crematie?

Cremeren



In de Bijbel komen we dit woord "voorzienigheid van God" niet tegen. Heel merkwaardig! In Genesis 22, waar Abraham zijn zoon moet offeren, lezen we wel de bekende tekst: "En Abraham noemde die plaats: de Here zal er in voorzien". Maar deze tekst laat al duidelijk horen, dat waarin God voorziet, niet het kwade is, maar het goede voor de mens!

Gods voorzienigheid III



Hoe komen de schrijvers van de Heidelbergse Catechismus er toch bij om Gods almacht zo sterk te benadrukken, dat Hij zelfs in het kwaad 'voorziet'? Dat heeft te maken met een bepaalde denkwijze, die al vanaf het ontstaan van het christendom het Christelijk geloof beïnvloed heeft, namelijk de leer van de Stoïcijnse filosofen. Die leer ging uit van het Fatum, je levenslot. Daar kon een mens niets tegen of aan doen. Dat werd door de goden bepaald. Dit "fatalistische" denken heeft zich doorgezet, zelfs tot nu toe. Het Christelijke geloof heeft daar een behoorlijke tik van meegekregen.

Gods voorzienigheid II



Ons is vroeger altijd voorgehouden, dat niets zo maar gebeurt. Daar zit een bedoeling achter: van God. Dat komt door Gods voorzienigheid. Wat er gebeurt, is niet toevallig, onverwacht en onvoorspelbaar.

Gods voorzienigheid



Is er leven ná de dood? Veel mensen vragen zich dat af. En hoe zal dat leven er dan uitzien? Vroeger stelde men zich die vraag niet zo. Men geloofde eenvoudig, dat God de Zijnen bij Zich nam, in Zijn heerlijkheid. Dat gebeurde dan direct na het sterven of later bij de opstanding uit de doden, op de dag van Christus' wederkomst. Hooguit haalde men de schouders op en zei: "Er is nog nooit iemand na de dood terug gekomen."

Het leven na de dood



Troostende bijbelteksten bij ziekte, verdriet en overlijden, o.a. uit de Psalmen. Waar anders halen we de kracht om te troosten vandaan?

Troostwoorden uit de Bijbel



Een mens doet z'n best er over heen te komen, als er verdriet en rouw in zijn leven gekomen is. Maar het is net alsof het steeds erger wordt. Al te gemakkelijk wordt wel eens gezegd, dat tijd alle wonden heelt. Maar de wond, die geslagen is door het verlies van je geliefde, lijkt wel nooit meer te helen.

Houdt het dan nooit op?



Hoe vaak hoor je dit niet? Als mensen elkaar willen troosten, wordt gauw zoiets gezegd, alsof daar troost in te vinden is! Wie het je ook aandoet, het blijft altijd even erg. We moeten dan zeker ook niet te gauw met de Bijbel aankomen! Dat kan heel verkeerd vallen.

Het wordt je niet door mensen aangedaan



Mensen sterven zeer verschillend. Ten eerste maakt het verschil of je na een lang ziekbed sterft of plotseling door een acute hartstilstand. Ook is de situatie totaal anders, als een jong iemand sterft of iemand, die na een lang en vruchtbaar leven zijn moede hoofd neerlegt. Wij weten allen, dat de dood volkomen onverwacht kan komen, zó, dat er geen enkele voorbereiding op mogelijk is. Veel mensen zeggen dan, dat dát de mooiste dood is, die men zich wensen kan, maar anderen zouden er toch liever wat voorbereid op willen zijn.

Het stervensproces



Ik vraag me wel eens af of er één mens bestaat, die niet vroeg of laat door angst voor de dood getroffen wordt. Het blijkt wel alsof deze uit ons eigen lichaam opkomt. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het ingeboren verlangen om te leven.

De angst voor de dood



Enkele weken geleden hebben we gesproken over de rouwdienst en de laatste weken stonden we stil bij rouw, wat het betekent in iemands leven. We spraken over de troost van het laatste afscheid. Nu moeten we echt van elkaar afscheid nemen.

Hoe moet het nu verder?



Je weet eigenlijk niet goed, wat je doen moet, als je in de rouw bent. Doe je gewoon, dan zeggen de mensen: "Nou moet je eens zien, je kunt helemaal niet merken dat zij (hij) iemand verloren heeft." Blijf je thuis en ben je verdrietig, dan zeggen de mensen: "Kom op, je moet er eens uitgaan, dat is goed voor je!" Je voelt je zo vreselijk alleen staan, zeker als je geen kinderen of vertrouwde mensen om je heen hebt staan.

In de rouw (vervolg)



Rouw betekent een crisis in je leven. Er wordt iets van je afgenomen, wat tot nu toe bij je hoorde. Je raakt daardoor je 'identiteit' kwijt. Ik bedoel: zoals je was en zoals men je zag. En je vraagt je af: wie ben ik nu nog? En wat heeft het leven nou nog voor zin?

In de rouw



Van een begrafenis of crematie kan ondanks de pijn van het definitieve afscheid toch troost uitgaan. Soms is dat niet het geval. Dan hoor je mensen zeggen: "Het was zo kil... gewoon akelig." Maar ook is wel eens de reactie van mensen: "Het was goed zo, het heeft me goed gedaan." Ieder zal dat ook op eigen wijze beleven.

De troost van het laatste afscheid



Ik heb al eens geschreven, hoe belangrijk het is om in je verdriet niet alleen te staan.

Helpende handen



In de afgelopen week hebben velen verdriet gehad, terugdenkend aan hen die nu niet meer onder ons zijn. In de eerste plaats natuurlijk dachten we aan de vele oorlogsslachtoffers en de vaak jonge mensen die hun leven ook daarna gegeven hebben voor een goede zaak. Tegelijk ook moesten we denken aan anderen, die ons lief en dierbaar waren en die er nu niet meer zijn. Misschien ouders of broers of zussen of een kind, een kleinkind, een lieve vriend of vriendin.

Een leeg huis



Als je wilt troosten, is het heel belangrijk, dat je de ander niet alleen laat. Het franse woord “consolation” laat dat ook heel goed zien. Het betekent zoiets als “zorgen, dat iemand niet alleen is”. Iemand, die in de rouw is of ander leed met zich mee draagt, voelt zich vaak zo alleen, zo verlaten en verworpen, uitgesloten, helemaal op jezelf teruggeworpen. “Je staat er toch eigenlijk helemaal alleen voor, je moet ’t toch allemaal zelf verwerken”, hoor je dan iemand zeggen. Natuurlijk, er komen best veel mensen bij je op bezoek, maar je kunt je dan toch nog erg alleen voelen. Al heb je een hele kamer vol mensen… is er wel één bij die echt naar je luistert, die invoelt wat jij moet doormaken? Hoeveel mensen laten we eigenlijk niet in de steek? Ook als je zeggen kunt: “Ik ben er toch geweest?” Echt bij iemand zijn is een moeilijke opgave. Je moet je zelf wegcijferen, oor en oog hebben voor die ander, mee-huilen, mee-lijden. Ook gewoon samen stil zijn hoort daarbij. En zeker niet komen met je eigen verhaal! Dat kan altijd nog, als de ander er naar vraagt. Eerst moeten we bij die ander blijven en luisteren naar zijn of haar verhaal. Vaak gebeurt dit niet, is men te druk bezig met zichzelf, met eigen problemen. Is het dan een wonder, dat die ander zich niet gehoord en begrepen voelt? Een  echt gesprek komt dan niet tot stand, integendeel: het gesprek strandt en je gaat met een kater naar huis. Het is soms ook niet gemakkelijk om te horen wat die ander zegt. Iemand, die verdriet heeft of pijn, komt daar vaak niet recht voor uit. Hij zegt dan : “’t Gaat wel”. Soms moet je er doorheen horen en alleen maar knikken of met een vraagje de ander uitnodigen verder te vertellen, bijvoorbeeld “Gaat het een beetje…”  Je gezicht is dan denk ik belangrijker dan je woorden. Je drukt er mee uit, dat je met aandacht luistert. Je zit zelfs iets voorovergebogen naar die ander toe, om maar geen enkel woord te hoeven missen… Luisteren en nog eens luisteren! Niet bang zijn als ’t gesprek stil valt. De stilten spreken soms boekdelen. In het samen-stil-zijn sta je wellicht dichter bij elkaar dan wanneer je samen honderduit spreekt. De vrienden van Job hielden, toen ze bij Job op bezoek kwamen, zeven dagen hun mond. Als ze toen weggegaan waren, zouden ze voortreffelijke troosters geweest zijn. Ze hadden Job de gelegenheid gegeven uit te razen tegen God. De boosheid om het onrecht, je aangedaan, het gemis dat je niet dragen kunt, de ellende die je niet verdient… Heel de agressie om je bittere lot moet er soms uit, vóór je verder kunt. En de stroom van bittere tranen… Wanneer iemand getroffen wordt door een groot verlies, dan overkomt hem een ijzige kilte. Hij slaat dicht, leeft in een soort verdoving, net alsof z’n gevoelens zijn uitgedoofd. Omstanders begrijpen dat soms niet. “Wat gek, dat vader (moeder) er zo koud onder blijft, hij (zij) huilt helemaal niet, net alsof het allemaal langs hem (haar) heengaat”. Zo hoor je kinderen wel eens zeggen bij de begrafenis van een van de ouders. Tenslotte: kan een mens in diep leed wel getroost worden? Wil hij dat eigenlijk wel? Soms wil je liever bij je verdriet blijven. En ben je bang dat het je afgenomen wordt. Mensen praten het zo gemakkelijk weg of kleineren  het. Zou het niet daardoor komen, dat mensen zich soms toesluiten voor troost? Maar waar mensen echt mee-lijden en proberen het verdriet sámen te dragen, daar kan getroost worden. Sámen is niet alleen! Een trooster zal vooral met warmte en tederheid moeten komen, met een lieve mond, een zachte hand, een kloppend hart. En met respect voor die ander, zodat hij of zij toch ook zichzelf kan zijn en  bij zijn of haar verdriet kan blijven. Het verdriet moet je niet afgenomen worden, maar je moet geholpen worden het te dragen, er doorheen te komen, het te verwerken, het een plaats te geven in je leven, waardoor je met je leven weer verder kunt, de toekomst tegemoet.

Samen is niet alleen



1 Tessalonicenzen 4, 13 Rouwen is een proces waarin de emoties los komen. Verlies roept heel diepe gevoelens op: pijn, woede, teleurstelling, verlatenheid. Die gevoelens moet je leren kennen en onder ogen durven te zien. Je mag ze ook uiten. Pas dan leer je je verlies te aanvaarden. Je kunt er verder mee leven. Pas dan kun je ook weer aan  de toekomst denken en nieuwe relaties aangaan. De Kerk heeft daar niet altijd oog voor. Misschien wordt al te gemakkelijk gesuggereerd, dat je niet zo verdrietig hoeft te zijn, vanuit je geloof. We hebben toch Gods belofte van het eeuwige leven? De doden hebben ’t nu toch beter, in Gods paradijs? Waarom dan zo getreurd? En dan wordt wel eens bovengenoemde tekst aangehaald: “Jullie moeten niet bedroefd zijn als andere mensen die geen hoop hebben.” Alsof je in het geloof geen verdriet hoeft te hebben! Een heel ongelukkige tegenstelling. Rouw en geloof kun je zo niet tegenover elkaar plaatsen. Dat bedoelt onze tekst ook helemaal niet. Het gaat daar niet om rouwen en niet rouwen (=geloven). Maar de schrijver spreekt over “rouwen in de hoop en rouwen zonder hoop”. Als wij rouwen, dan doen wij dat in de hoop op de opstanding! ’t Is niet hopeloos, maar daarom niet minder erg. Je lijdt er net zo onder, het is hartverscheurend. Dat dát zo is, wordt in de Bijbel ook nergens ontkend. Integendeel. Jezus rouwde om zijn vriend Lazarus en Hij weende over Jeruzalem. En hoor hoe Job bitter klaagt en lees de Klaagliederen van Jeremia. Weeklagen over een verlies. God zelfs verwijten maken. Dat alles is niet on-Bijbels, maar juist echt Bijbels. De Psalmen en de profeten staan er vol van. Dat alles is zo heel menselijk. Net zoals bij ons. Tegen wie richt zich de klacht in ons eigen leven? Vaak reageren wij af op degenen, die naast ons staan: man, vrouw, kinderen, ouders… Zo reageren de gelovigen af op hun God. Zo erg, dat ze van God helemaal niets meer willen weten. Zij zijn hun geloof kwijt, de God op Wie zij altijd zo gesteund hebben. Ja, dat is ook een manier van afreageren. Psychologisch heel begrijpelijk. ’t Zou eerder gek zijn als dat anders was. Zulke gevoelens van bitterheid, agressie, ontkenning en van-God-verlaten-zijn passen echt bij het rouwproces. We hebben vanuit de Griekse cultuur meegekregen, dat je je gevoelens beheersen moet. De zgn. Stoïcijnse levenshouding. In alles matigheid en beheersing. En dat speelt ons vaak parten bij de rouwverwerking. Ons is altijd geleerd dat je flink moet zijn. En dat hoor je dan ook wel eens in een situatie van rouw en verdriet: “Hij (zij) is nog zo flink!” Het zou beter zijn, wanneer een verdrietig mens zich niet zo flink hield, maar het verdriet kon laten zien. Gelovige mensen moeten vanuit de Bijbel opnieuw leren, wat het betekent rouw te dragen en in rouw elkaar troostend nabij te zijn. We hebben geen klaagzangen meer in de kerk, jammer eigenlijk. Maar we hebben nog wel tranen, die we mee kunnen vergieten met degenen die lijden aan een groot verlies. Condoleren betekent “meelijden”. Met de ander bewogen zijn, de diepte ingaan. En dat kan soms een hele moeilijke en lange weg zijn. De diepste troost mag je van God verlangen. Daarom mag een mens ook zijn klacht tegen God uiten: “Wat doet u nu met me? Waaraan heb ik dat nou verdiend?” Dat is geen teken van ongeloof, maar juist van geloof! Want het laat zien, dat je een relatie met God hebt. Soms moet je met Hem vechten net als Jacob bij de Jabbok. Maar de hoop overwint: dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Jezus Christus. Het is die hoop, die de verdrietige mens troost geeft en aan de menselijke troosters de kracht om vol te houden.  

Troost van God





Het meeste leed in de mens komt voort uit het afstand moeten doen van allerlei dingen in je leven, waaraan je gehecht bent. Vooral het moeten verliezen van mensen, die je lief en dierbaar zijn, veroorzaakt veel verdriet. Het verlies van een huwelijkspartner, met wie je zovele jaren lief en leed hebt mogen delen, of het verlies van je ouders of van een kind… Het veroorzaakt schrijnende wonden, die wellicht nooit meer zullen helen. In het verpleeghuis te Goes, waar ik 16 jaar als geestelijk verzorger gewerkt heb, heb ik het vaak van bewoners, die een kind verloren hebben, gehoord: “Waarom mijn kind, waarom niet ik?” Een mens hecht zich aan mensen en dingen. Een mens is geboren om lief te hebben en te verzorgen en samen bezig te zijn. Dat zie je bij kinderen, die de dingen naar zich toe halen en koesteren. Mijn kleinzoon, die net twee jaar geworden is, sjouwt de hele dag met zijn Pandy (een Pandabeertje) en Lala (van Teletubbies). Je ziet het ook bij volwassenen, die scheppend, zorgend en ordenend bezig zijn. Het verlangen om lief te hebben en datgene, wat je lief hebt, te koesteren en vast te houden is de mens zó eigen. Trouwens, het omgekeerde is ook het geval: je wilt ook gekoesterd worden. En dat brengt altijd verlies met zich mee. De dreiging om iets te moeten afstaan is altijd aanwezig. En dat brengt mensen in paniek, maakt mensen boos en verdrietig. Precies datgene, wat gebeurt, als mensen in de rouw zijn. Wat kan een kind verdrietig zijn, als ze zijn/haar troetelbeest kwijt is of wanneer de poes of het konijn gestorven is. Moederpoes gaat van ellende ook overal zoeken, als er één  van haar kleintjes uit het nest gepakt is. Lijden aan een verlies is heel erg en moeilijk te troosten, tenzij je zo’n verlies zelf hebt meegemaakt of nóg meemaakt. Als je materiële zaken verliest, een baan of een huis, dan kan dat hard aankomen. Maar zo’n verlies is niet onherstelbaar, je kunt gaan werken aan een nieuw huis, op zoek gaan naar een nieuwe baan. Wanneer je de relatie verliest met iemand die je lief was geworden, dan is dat heel pijnlijk. Er is onder de mensen veel scheidingspijn. Het meeste treft dat de kinderen, die hun veilige tehuis met twee ouders kwijt zijn. Gescheiden mensen en hun kinderen dragen daarvan nog heel lang de sporen. Maar het kan overgaan, al is het ook na zeer lange tijd. Het verlies van een vriend of vriendin, een huisdier dat zoek is geraakt, een verslechterende gezondheid, dat alles kan een groot verlies zijn, dat veel pijn doet. Maar het ergste is, als de dood je geliefde wegneemt. Dat is onherstelbaar. Die ander komt nooit meer terug, en het leven zal nooit meer zijn als voorheen. Geen wonder, dat de achterblijvende partner soms boos en opstandig is! Een andere vorm van verlies is, dat je iets van je zelf verliest. Dat noemen we ‘intrapsychisch’ verlies. Je raakt b.v. een ideaal kwijt, waaraan je je zo lang had opgetrokken. Iemand, die je bewonderde en van wie je veel verwachtte, heeft je bijvoorbeeld diep teleurgesteld. Een droom, die je voor jezelf of voor je kinderen hebt gekoesterd, is in rook opgegaan. Je werk, je functie in het leven is afgelopen, je bent uitgeschakeld, je kunt ‘oprotten’. Daarmee raak je iets van jezelf kwijt, zeg maar je ‘identiteit’: wie je bent en wat je voorstelt. En dat doet van binnen pijn. Datzelfde gevoel heb je ook, wanneer je gehandicapt raakt, een of meer ledematen moet missen, je lichaam je eigenlijk in de steek laat. Bejaarde mensen hebben daar veel last van. Je kunt niet meer uit de voeten, je handen willen niet meer zo, je gaat trillen en laat alles vallen, soms ga je ook zelf vallen. Je gehoor neemt af en je kunt niet meer zo goed zien. Het ergste is nog, wanneer je gedachten verward raken en je heel onzeker wordt. Soms raakt een mens halfzijdig of helemaal verlamd door een ongeluk of slopende tumor, een hersenbloeding. Dan kan het zijn dat je helemaal niet meer kunt spreken of je gedachten kunt formuleren. Wat betekent zo’n verlies veel in iemands leven, ja zeg maar gerust: alles. Je bent alles kwijt wat je vroeger had, soms ben je ook God kwijt. In het verpleeghuis zei eens een oude vrouw, die er werkelijk erg aan toe was, tegen mij: “Dominee, het ergst vind ik nog dat ik niet meer kan zingen, het zingt ook niet meer in mij, ik ben God ook nog kwijt.” Je lichaam, je relaties, je zelf verliezen. Een mens, die dat moet meemaken, is diep in de rouw. Wie kan hier nog troosten? Ik denk: EEN alleen! De volgende keer zullen we daar over spreken: troost van God en troost van mensen.

Lijden aan een verlies