Waar blijft de tijd XIV – Het eschaton

De eindtijd, het einde der tijden, de laatste dagen, armageddon en eschaton is een voorstelling van het einde van alle menselijke geschiedenis.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Dat de zienswijze op het eschaton in het oerkerugma in vele punten voortbouwt op de Joodse apocalyptiek is ons in het voorgaande reeds verschillende keren gebleken. De tijd na het eschaton wordt in de apocalyptiek niet verschillend gedacht van de tijd er voor. Ook in de profetische prediking over het eschaton blijf de tijd op zich voor en na het einde van deze aeon dezelfde, alleen de inhoud van die tijd verandert: de huidige aeon met al zijn noden en onvolmaaktheden gaat over in een geheel nieuwe tijd, waarin alles volkomen en heerlijk zal zijn. Dit gans andere, het volmaakte en heerlijke, stond menigeen in Jezus’ tijd voor ogen, die in gespannen verwachting naar de “laatste dag”uitzag. Hierbij geldt: de inhoud, de vulling van Godswege met Zijn heil, is belangrijker dan de tijd op zich, wanneer het in vervulling zal gaan. Hier ligt duidelijk verwantschap tussen de opvatting van de Oudtestamentische profeten en die van de oerchristelijke prediking over het eschaton. Over de tijd na het eschaton wordt niet zo zeer gesproken; wel hierover, dat het komt, dat God op ons toekomt met de gaven van Zijn heil. In het oudchristelijke kerugma wordt dit komen reeds als werkelijkheid beleefd. Daar staat centraal niet meer het uitzicht, de gespannen verwachting, maar de vervulling, de komst van God tot ons in de Immanuël. “Jesus Christus Selbst ist die Antizipation des Eschaton” (Pannenberg: Offenbarung als Geschichte, 142). Dan kan het ook niet anders of de tijd na Christus, dus onze tijd, wordt reeds als eschatologische heilstijd ervaren, hetgeen Paulus zo treffend weergeeft met zijn “nun(i)”en “ho nun kairos” (2 Kor.6,2).

Toch is deze tijd na het eschaton voor velen een discutabel punt gebleken. De jonge Karl Barth ziet bijvoorbeeld in het eschaton niet meer iets “zeitlichs” (als behorend tot de scheppingsorde), maar iets transcendents, dat loodrecht van Boven op de tijd neerdaalt, zonder in haar op te gaan, eerder haar verslindend, zodat de tijd daarmee opgeheven is. Het kan dan ook niet anders of de eeuwigheid wordt hier in ruimtelijke “Platonische” zin tegenover de tijd gesteld. Zij is dan ook tegenover elk tijdsmoment even ver en dichtbij. Later corrigeert Barth zijn mening en spreekt hij uitdrukkelijk over de “Zeitlichkeit” van de eeuwigheid, hoewel God blijft “Den, Der VOR der Zeit, IN der Zeit und wiederum NACH der Zeit ist und herscht, als Den, Der DURCH die Zeit nicht bedingt, aber eben in dieser Freiheit ganz und gar Ihre Bedingung ist ( KD II/1, 698v). Deze opvatting berust hoofdzakelijk op zijn vertaling van openbaring 10 vers 6: “hoti chronos ouketi estai”(dat de tijd niet meer zijn zal). Hij vertaalt: “daar zal geen tijd meer zijn”. Andere Nieuwtestamentici zijn eerder geneigd te vertalen: “daar zal geen uitstel meer zijn”. De zin wordt namelijk ingeleid door “alla”( =maar). Daarmee wordt de voorwaarde aangegeven voor het aflopen van een tijdperk. Het einde komt, het geheim is voltooid en darmee het tijdperk afgelopen. Ook in een verdere ontwikkeling van het kerugma, in Eph.3, 5 en 1 Petr.1, 20, wordt over het einde der tijden gesproken. Gemakkelijk zou dit tot de opvatting kunnen leiden, dat in Christus de tijd overwonnen is. Gods eeuwigheid zou bij Christus’ komst op aarde de tijd geabsorbeerd hebben, zoals we bij de jonge Barth reeds zagen. Zo zou je in de woorden “plerôma tou chronou” (=volheid van de tijd) (Marc.1,15 en Gal.4, 4) de overwinning van de tijd kunnen zien. Dit kan een troost zijn voor de Christen! Want zijn leven is losgekomen van de verschrikkelijke tijd en staat nu onder “het eeuwige leven”. Sprekend hiervoor is ook 1 Kor.15, 28: “Opdat God zij alles in allen “. Maar het zou ook kunnen zijn, dat deze woorden het einde van de Bijbelse openbaringsgeschiedenis betekenen en niet dat er dan geen tijd meer is.

Het eschaton is zuiver “zeitlich”, het staat midden in de tijd, is keerpunt der tijden, niet van tijd naar tijdloosheid, maar van de “oude” naar de “nieuwe”, van de “slechte” naar de “heerlijke”. Zoals Christus’ komst aan de tijd een gekwalificeerde zin heeft gegeven door hem te “vervullen”, dat is te vullen met “Gods heil”, in proleptische zin vooruitlopend op het grote gebeuren van de ‘laatste dag”, het als ’t ware reeds proleptisch in zich dragend. Zo zal bij de parousie van Christus de “aiôn mellôn”ten volle openbaar worden . Daarmee wordt de “Zeitlichkeit”niet opgeheven, maar structureel anders voortgezet. Dit is te vergelijken met wat Paulus over het opstandingslichaam zegt in 1 Kor.15, 35-49: het blijft lichaam, maar zal wel “anders” zijn.

Waar blijft de tijd X – De gnostische tijds- en geschiedsbeschouwing

De gnostiek is een stroming in het begin van het Christendom, die uitging van “gnosis” (=kennis), waarmee bedoeld wordt de mystieke kennis over de aard en het wezen van mens en wereld. In 1945 werden, bij Nag Hammadi in Egypte 52 gnostische geschriften gevonden uit de begintijd van het christendom, waardoor we over die stroming veel te weten zijn gekomen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De gnostiek is een stroming in het begin van het Christendom, die uitging van “gnosis” (=kennis), waarmee bedoeld wordt de mystieke kennis over de aard en het wezen van mens en wereld. In 1945 werden, bij Nag Hammadi in Egypte 52 gnostische geschriften gevonden uit de begintijd van het christendom, waardoor we over die stroming veel te weten zijn gekomen. De syncretistische, uit Oosterse en Griekse elementen opgebouwde gnostische systemen uit de Hellenistische wereld van Jezus’ tijd zijn geworteld in een mythologisch wereld- en  mensbeeld, dat dualistisch is van structuur: God en wereld staan als geest en stof tegenover elkaar. Het eigenlijke “zelf” van de mens is van huis uit “geest”, goed en licht, maar het is in de donkere, boze, stoffelijke wereld gevangen en dient daaruit dan ook verlost te worden om weer EEN te worden met de lichtbron: God. Dit is echter alleen mogelijk, wanneer de mens “gnosis” krijgt van de transcendente goddelijke lichtbron en daarmee ook van zijn eigen geestelijke “innerlijke zelf” en zijn gevangen zijn in deze wereld. Wat bevrijdt is de kennis van wat wij waren en wat wij werden, waar wij waren en waarin wij geworpen zijn, waarheen wij ons spoeden en waarvan wij verlost zijn, wat geboorte is en wat wedergeboorte. Deze kennis kan de mens uit zichzelf niet verkrijgen, verduisterd als hij is in deze donkere wereld, maar moet hij van God ontvangen. Hier biedt de “mythe van de Verlosser” uitkomst: God stuurt de Verlosser naar de wereld om aan de mensen die kennis te openbaren, waardoor de mens bevrijd wordt uit de stoffelijke verduistering en gelijktijdig zich zelf en God hervindt. De zending van deze transcendente Verlosser begint reeds voor de schepping van de wereld, aangezien de oerval van het goddelijke lichtelement aan de schepping vooraf was gegaan. In een langdurig proces, parallel lopend aan de geschiedenis van de wereld, brengt de Verlosser door de “wekroep van de gnosis” de verloren gegane goddelijke deeltjes weer terug bij de oerbron, totdat het goddelijke geheel weer “vol” is. Na de voltooiing van dit proces zal, volgens sommige systemen, de kosmos, van al zijn lichtelementen beroofd, als van zelf tot een einde zijn gekomen.

Wat de tijdsbeleving betreft, moeten we in de eerste plaats vaststellen, dat in de verschillende vormen van het gnosticisme meer ruimtelijke dan tijdsvoorstellingen een rol spelen. Het ENE centrale beleven is dat van de wereld als een ommuurde gevangenis. Wij bevinden ons hier in de typische Griekse sfeer van ruimtelijke beleving, vermengd met dualistische elementen van oosterse origine, welke overigens ook aan het oude Griekse denken niet vreemd waren (vgl. de dualistische visie op de wereld bij Plato en Aristoteles). Van enige lijnrechte voortgang in tijd en geschiedenis als opeenvolging van gebeurtenissen is geen sprake, of het moest zijn het einde van de wereld, wanneer alle lichtdelen zijn verzameld in de goddelijke lichtbron. Maar dit laatste is meer een theoretische kwestie, welke ter sprake komt in het geheel van de kosmologie. Door de mensen beleefd, in een verwachten en hoopvol uitzien naar, wordt dit einde niet. Het is derhalve niet zo, dat hier toch een teleologische tendens omtrent het lot van de aarde om de hoek komt kijken. Het tegendeel is het geval: het lot van de aarde is geenszins iets om zich druk over te maken, stoffelijk en verduisterd als zij is! Hoop op een “nieuwe” aarde komt daardoor helemaal niet in het gezichtsveld. Wel hoop op een keer in het lot van de “ziel”, die door het Licht dat in deze wereld gekomen is, eens zal worden weggeroepen uit de aardse woning. Het wonen hier op aarde is immers een tijdelijke toestand, waar de ziel zo snel mogelijk vanaf dient te komen. Dit is het enige tijdsaspect wat we in het gnosticisme tegen komen: het tijdelijke en voorbijgaande karakter van ons verblijf hier op aarde. Veelvuldig voorkomende uitdrukkingen, die ook ons bij het lezen van Paulus vertrouwd in de oren klinken, zoals “bijwoners en vreemdelingen in deze wereld” , de “aardse woning  en “het lichaam is een tent” of “kleding” (het voorbijgaande omhulsel) onderstrepen dit tijdelijke karakter van het aardse verblijf der ziel. In menig opzicht heeft het gnostische denken in de geschriften van het Nieuwe testament doorgewerkt, waarbij niet alleen aan het Johannes-Evangelie gedacht hoeft te worden, maar zeker ook aan de werken van Paulus en  de secundaire Paulinische Kolossenzen- en Epheze-brief.  Het verdient in ieder geval aanbeveling te onderzoeken, in hoeverre ook het tijdsbeleven bij Paulus door het gnostische denken is beïnvloed. Zeker kunnen sporen van de gnostische Verlossermythe teruggevonden worden in de Paulinische leer van de val der schepping (Romeinen 8,19-22), van Adam’s val (Romeinen 5,12-17), het gebruik van het beeld van de hemelse Verlosser (1 Kor.2,8; 2 Kor.8,9 en Phil.2,6-11) en de heilsgemeenschap met de Verlosser in het “lichaam van Christus” (1 Kor.12 en Rom.12), waarbij echter bedacht moet worden dat Paulus hier de taal van zijn tegenstanders overneemt.

Waar blijft de tijd IX – Tijdsbegrip en geschiedenisbeschouwing in Qumran

De levensbeschouwing van Qumran wordt gedragen door de centrale gedachte, dat het einde van de wereld met de daarmee samenhangende “apocalyptische” gebeurtenissen ieder ogenblik verwacht kan worden. Er zijn zelfs tekstgedeelten, waarin zo sterk in het einde van de wereld geloofd wordt, dat het als ’t ware als reeds aangebroken wordt gezien.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

“QUMRAN” is een kloostergemeenschap, een aftakking van de zgn. Essenen. Zij leefden vlak bij de Dode Zee. Bekend zijn zij geworden door de “Dode Zee rollen”, die daar gevonden zijn en grote gedeelten van het Oude Testament bevatten. In die rollen komen ook de kloosterregels voor zoals de “gemeenschapsregel” en de “regel van de Zegenspreuken”. De teksten van Qumran zijn echt apocalyptisch. Toch is het goed er nog eens kritisch naar te kijken, omdat naar veler overtuiging daardoor een beter verstaan van het Nieuwe testament mogelijk wordt. Er liggen namelijk verbindingen tussen de gemeenschap in Qumran, de Essenen, Johannes de Doper en dus ook Jezus.

De levensbeschouwing van Qumran wordt gedragen door de centrale gedachte, dat het einde van de wereld met de daarmee samenhangende “apocalyptische” gebeurtenissen ieder ogenblik verwacht kan worden. Er zijn zelfs tekstgedeelten, waarin zo sterk in het einde van de wereld geloofd wordt, dat het als ’t ware als reeds aangebroken wordt gezien. De Gemeenschap van Qumran vindt daarbij, dat zij de laatste Gemeente van God op aarde zijn. Zo wordt door de “leraar der gerechtigheid” de Gemeente zelfs vergeleken met een onneembare stad, die er uit ziet als het eschatologische Jeruzalem. Die deel uitmaken van deze Gemeente vormen de laatste generatie. Het einde wordt niet alleen maar verwacht, het IS er al. Weliswaar heeft het zich nog niet helemaal voltrokken en is het allerlaatste nog niet definitief aangebroken, maar de levende generatie van NU zal dat zeker nog meemaken. Het verlangen naar het einde is zo sterk, dat men allerlei berekeningen daarvan gemaakt heeft, welke men – toen het einde uitbleef- steeds weer heeft herzien. Ja, zelfs worden er pogingen in het werk gesteld om het einde te bespoedigen door middel van leugenprofeten. Wanneer de eindtijd zal zijn aangebroken, zal de echte brenger van het heil naar voren komen: de LERAAR DER GERECHTIGHEID.

Uit dit alles blijkt, hoe de Qumraanse visie op het einde van de wereld veel algemeen Joodse apocalyptische trekken heeft. Alleen is de toekomstgerichtheid zo allesbeheersend, dat het verleden met het reeds gebrachte heil van God helemaal uit het vizier verdwenen is. Wel kan gesteld worden, dat het tijdsverstaan van Qumran met zijn eschatologische gerichtheid en de daarin centraal staande “reeds – nog niet” dialectiek sterk aan dat van het Nieuwe Testament verwant is.

Waar blijft de tijd VIII – Apocalyptische tijdsvoorstellingen

Apocalyptiek is een verzamelnaam voor joodse en christelijke literatuur met onthullingen over de verborgen dingen, d.w.z. over het einde van de wereld en het komende eeuwige rijk Gods. De zgn “apocalypsen” ontstaan in de 2e eeuw v.C tot de 2e eeuw n.C. In de Bijbel heb je alleen de “Openbaring van Johannes”. Centraal thema is “Het einde der tijden is nabij”.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Apocalyptiek is een verzamelnaam voor joodse en christelijke literatuur met onthullingen over de verborgen dingen, d.w.z. over het einde van de wereld en het komende eeuwige rijk Gods. De zgn “apocalypsen” ontstaan in de 2e eeuw v.C tot de 2e eeuw n.C. In de Bijbel heb je alleen de “Openbaring van Johannes”. Centraal thema is “Het einde der tijden is nabij”. De oorzaak van het verschijnsel der apocalyptiek moet worden gezocht in de teleurstelling, welke spoedig na de ballingschap ontstond, toen de aanvankelijk hooggestemde verwachtingen niet uitkwamen. Wat vaker in de geschiedenis van de mensheid is voorgekomen gebeurt ook hier: nu het goddelijke kennelijk op aarde geen verwerkelijking kan vinden , wordt het in een andere wereld overgeplaatst. Zo ontstaat er een scheiding tussen de wereld van God, die Boven is, en de aardse werkelijkheid hier beneden, die slecht is en daarom ook verdoemd om verloren te gaan: na de “aioon houtos” (=deze wereld) komt de “aioon melloon” (de toekomstige wereld). Op deze dualistische denkwijze heeft ook het contact met de Perzische wereld uit de ballingschap invloed gehad. God en het kwade, licht en duisternis, staan tegenover elkaar! Het kwade wordt gepersonifieerd in een duivelsfiguur, die op demonische wijze deze wereld beheerst. Maar aan deze macht van de duivel zal een eind komen, want op het einde der tijden, wanneer de tijd “vol” zal zijn, zal er een strijd plaats vinden tussen de werelddemon en de Messias, die God zendt. Hoor bv. de “Apocalyps van Baruch”: “O Heer, U roept het komen der tijden, en zij staan voor U; U laat de heerschappij van de werelden “(48,2). Het zal een vreselijke strijd worden, vergaan, en zij streven U niet tegen; U ordent de loop der jaargetijden en zij gehoorzamen U “. Een strijd, die zal eindigen met de algehele overwinning van God. We lezen in 4 Ezra: “Want Hij heeft op Zijn weegschaal de AEON afgewogen. Hij heeft de uren met Zijn maat gemeten en volgens het getal der tijden geteld. Hij stoort ze niet en wekt ze niet op, totdat de vastgestelde maat vol is… Zie, de dagen zullen komen, wanneer Ik naderbij kom… ten tijde, dat Sions vernedering vol is en de aflopende AEON verzegeld (=voleindigd)… Toen bezag de Hoogste Zijn tijden: zie, zij waren ten einde, en zijn AEONEN, zij waren vol.” Na die strijd zal de heilstijd van God aanbreken. De Messiaanse heilsfiguur zien we ook dikwijls als de “ZOON DES MENSEN” optreden: in Henoch, in 4 Ezra en vooral in Daniël, de Apocalyps uit de 2e eeuw v.C., die van grote invloed is geweest op de gedachtewereld van het Nieuwe Testament.
Laten we de tijdsvoorstellingen van de apocalyptiek nader bekijken.

Typerend zijn:

  1. De eindstrijd van de volken vóór de definitieve doorbraak van het heil.
  2. De berekening van de “volheid der tijden”, d.i. het moment van de vervulling der heilsverwachting. Wij kennen dit het best uit Daniël 9, gebaseerd op getallenspeculaties. De komst van de Messias valt daarbij niet altijd samen met het begin van de nieuwe AEON. In sommige geschriften brengt de Messias al direct het toekomstige heil, in andere gelden de dagen van de Messias als voorbijgaande tussentijd, waarna pas de nieuwe AEON zal aanbreken. De tussentijd wordt daarin meestal op 400 of 1000 jaar gesteld.
  3. De leer van de “Zoon des mensen” en de “Jôm Jahwe” (Dag des Heren). Deze ligt duidelijk in het verlengde van de profetische geschiedbeschouwing, waarin de wereld het oordeel op de “Dag des Heren” tegemoet ging om daarna totaal vernieuwd te worden. Het ligt voor de hand, dat met name de moeilijke situatie van het Joodse volk in de Hellenistische tijd onder de Seleuciden, van wie vooral Antiochus IV genoemd moet worden, aanleiding is geweest terug te grijpen op de profetieën van de door het oordeel heen naderende heilstijd. Zo ontstonden verschillende apocalypsen, waaronder Daniël, als visionaire handreikingen ter bemoediging van het volk om gelovig vol te houden.
  4. De periodisering en het determinisme. De zo sterk op het einde gerichte tijdsbeschouwing van de apocalyptici leidde tot de tendens de tijden te gaan berekenen. De wereldtijd werd in het algemeen op 6.000, 7.000 0f 12.000 berekend, en de periodisering kwam tot stand via verschillende systemen van  symbolische getalwaarde, zoals 3, 3,5, 4, 7, 10, 12 en 70. Dit periodesysteem is naderhand verkort tot de leer van de twee AEONEN. De komende AEON is een totaal nieuwe wereld, het absoluut laatste, waarachter niets meer komt noch komen kan. Die wereld kan worden gekwalificeerd als “eeuwig” = “buiten de tijd”. Duidelijk wordt hier een verschuiving zichtbaar van “tijd” naar “ruimte”. In de komende AEON zijn geen jaren, geen dagen en geen uren meer. Het geheel zal verlopen volgens een eeuwig plan van God, een vast plan, die de apocalyptische tijd- en geschiedbeschouwing de neiging geeft tot determinisme: de loop van de wereld gaat onverbiddelijk het in Gods raadsbesluit vastgestelde doel tegemoet. Alles heeft zo z’n door God bepaalde tijd en behoort tot het plan van God met deze wereld, als een teken van het naderende einde.
  5. De eenheid van plaats, tijd en handeling is verbroken. Was bij de profeten het toekomstbeeld nog vastgelegd in categorieën behorende tot deze wereld en tot deze tijd en tot de handeling van de Messiaanse heilsfiguur hier op aarde, in de apocalypsen is dat geheel anders. Het nieuwe rijk komt niet op DEZE  wereld, want DEZE wereld wordt vernietigd en er komt een andere, een geheel nieuwe, van God. Ook de tijd is een andere, zij is niet meer, want wij treden de eeuwigheid binnen en de aan deze AEON klevende tijd is opgeheven. En ook de handeling is verschoven: God handelt niet meer alleen door de Messias, maar er zijn talrijke heilsfiguren, die optreden, al is het ook met voorbereidend werk op de komst van  de Messias, Die Zelf de heilstijd ten volle meebrengt. De Messias heeft Zijn oerbeeld in de geïdealiseerde figuur van koning David, ook wel de “mythische mens”(Zoon des mensen)  genoemd, of de priester- en paradijskoning (zie Test.Lev.18,8-11). Soms wordt Hij geïdentificeerd met de profeet, die als terugkerende Mozes, Elia of Henoch verwacht wordt. Als “voorloper”ontmoeten we meestal Elia, die de Godsheerschappij naderbij brengt; in Qumran is dat de “leraar der gerechtigheid”.

Zo is de apocalyptiek een bloemrijk geheel van syncretische heilsverwachtingen, doch geënt op het onuitroeibare Joodse Godsvertrouwen, dat God de tijden in handen heeft. De apocalyptiek kan daardoor ondanks zijn vreemdsoortige uitwassen toch de brug genoemd worden, die het Oude en Nieuwe Testament in de eschatologische tijdsbeleving met elkaar verbindt.

 

Waar blijft de tijd VII – Hoe beleven de profeten de tijd?

De profeten gaan uit van de toekomst. Verleden en heden zijn daarbij vergeleken maar bijzaak! Ook de geschiedenis buiten Israël wordt in het goddelijke heilshandelen opgenomen. Hoe kwamen de profeten tot deze ommekeer, die van zo grote invloed geweest is op de Nieuw-Testamentische theologie? Het is de zekerheid, dat volk Zijn volk niet zou loslaten, sterker nog: dat Hij iets geheel nieuws zou brengen!

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De profeten gaan uit van de toekomst. Verleden en heden zijn daarbij vergeleken maar bijzaak! Ook de geschiedenis buiten Israël wordt in het goddelijke heilshandelen opgenomen. Hoe kwamen de profeten tot deze ommekeer, die van zo grote invloed geweest is op de Nieuw-Testamentische theologie? Het is de zekerheid, dat God Zijn volk niet zou loslaten, sterker nog: dat Hij iets geheel nieuws zou brengen! Deze “eschatologische” (het Griekse “eschaton” betekent “uiteinde”) visie merken we al op in de ballingschap en in de ellendige tijd daarvoor. Niet dat daarmee iets vreemds in het tijdsbewustzijn van Israël wordt binnengebracht. Het heilshistorische denken slaat in zekere zin eigenlijk alleen maar om, omdat het niet meer zo gericht is op wat geweest is, maar meer op wat nog komen moet. Het is ook  niet nieuw in deze zin, dat het een gevolg zou zijn van nationaal optimisme, een wensdroom van het volk, dat op zij cultus uitgekeken was. Het is wel te verklaren vanuit een versterkte beleving van Gods werkelijkheid, en wel van die God, Die als heilig God van het Verbond van meet af aan het volk was verkondigd: “Ik zal u tot een God zijn en gij zult tot een volk zijn”.  Uit dit geloof alleen is de profetische toekomstverwachting geboren. Tot op de dag van vandaag staat deze functie van het geloof met betrekking tot de geschiedenis en het verstaan van de tijd in het Joodse denken nog centraal. De geschiedenis is een functie van het geloof en niet omgekeerd!

Wij kunnen in de ontwikkeling van de heilsgedachte in het Oude Testament een viertal perioden onderscheiden:

  1. De prae-eschatologische: de tijd voor de klassieke profeten, waarin de tijd van de “Jôm Jahwe” (de dag des Heren) vooral wordt gezien vanuit de terugkeer van het Davidische koningshuis (Vgl.Gen.49; Num.23 en Dt.33). “Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn! (2 Sam.7,14). De toekomst wordt nog sterk in het licht van het verleden gezien, overeenkomstig de Deuteronomische heilsverwachting. Toch zitten in de periode al elementen, die de volgende eschatologische periode van Jesaja tot Amos en Jeremia funderen.
  2. De proto-eschatologische: het tijdperk van de klassieke profeten, waarin de wending van de blikrichting plaats vindt van verleden naar toekomst, van het nationale Israël naar de universele wereld. In visionaire blikken wordt een nieuw volk en een nieuw rijk gezien, dat de wereld gaat omspannen en dat gedragen wordt door de geest van God. Dit toekomstige nieuwe rijk is een “acharît”, een “eschaton” (vgl.Jes.2, 10-18; 11, 6vv, 11vv.).
  3. De nabij- (of zich realiserende)-eschatologische: de periode van Deutero-Jesaja  (Jes.40-55) en Ezechiël. Het Godsrijk wordt door hen niet alleen als toekomstig gezien, maar reeds als aanwezig ervaren. De wereld staat aan de drempel van veranderingen. Vandaar dat tot Israël nu profetische oproepen komen om een licht der wereld te zijn, terwijl ook de volken worden uitgenodigd deel te hebben aan de heerlijkheid van Sion (vgl.Jes.42,49; 55 en 56).  Deutero-Jesaja ziet het doorbreken van de laatste dag in een zeer nabije toekomst (vgl.Jes.41,20; 43,7;  44,24;  45,8;  46,9;  48,6). Het betekent voor hem het einde van de periode van het oordeel over zijn volk (Jes.40, 1v; 51,17v) en het begin van de grote heilsperiode van God (Jes.40,3v; 52,14v). In het geheel van dit nabije toekomstperspectief neemt de “Ebed Jahwe”(Zoon van God) een belangrijke plaats in: Hij is als ’t ware in het verzoenend lijden de Middelaar van oordeel naar heil, van verleden naar toekomst, van uiterlijke naar innerlijke vernieuwing (vgl.Jes.43, 1-7;  49,1-7;  50,4-11 en vooral 52,13-53,12).
  4. De De transcendent-eschatologische: de tijd na de ballingschap, die de ontwikkeling weergeeft naar de apocalyptiek. Direct na de ballingschap is er een enthousiaste verwachting geweest, dat het heil NU zou gaan doorbreken, nu de staat van Israël werd herbouwd (vgl.Haggaï 2, 21vv; Zach.3v en Trito-Jesaja 60-65). In deze jong-profetische periode wordt naderhand het kosmische element meer benadrukt (Joël 3), waarnaast het persoonlijke heil meer en meer wordt getranscendeerd. Dit moet waarschijnlijk toegeschreven worden na een zekere bekoeling na het eerste enthousiasme (vgl. Ezra 3,12vv en Maleachi 1,2;  2,17 en 3,6-12). Een vergelijking is te maken met de tijd na onze bevrijding in 1945 en volgende jaren! Tezamen heeft dit met beïnvloeding vanuit het Parsisme en Hellenisme tot de apocalyptiek geleid. Daarover in het volgende hoofdstuk meer.

Duidelijk blijkt, hoe ook in deze indeling van perioden de tijdsbeleving in het Joodse denken voortkomt uit Godservaring. Dat de ervaring van Gods heerschappij en de vervulling van Zijn beloften aan schommelingen onderhevig is, al naar gelang de positie van Israël in correspondentie met de wereldgeschiedenis, lijkt mij vanzelfsprekend. Ook in onze huidige tijd is dat het geval. Toch zal het eerder moeten worden toegeschreven aan de hierdoor ontstane blikverruiming cq. -vernauwing dan aan verandering van geloofsinstelling. Centraal blijft immers in de wisseling der tijden de diepgevoelde beleving van Gods almacht over de tijd en de geschiedenis, individueel en universeel.

Gera Kroes

Grootvader Philip had een gezin met zes kinderen, die hij stuk voor stuk stimuleerde een goede opleiding te volgen. ”Hij was een prima slager, iemand met een vooruitziende blik en zakelijk inzicht.” Philip gaf de liefde voor het ambacht door aan zijn zoon Willem, die het bedrijf later voortzette.
Gera: ”En met Flip was ’t hetzelfde. Ongelooflijk om te zien hoe hij van een mooi stukje vlees kon genieten.” Haar man was de derde boreling in het gezin met vier zonen en twee dochters.

Rund- en varkensslagerij Ph. Kroes

Ambachtelijke rookworst volgens familierecept
De tweede editie na de oorlog van de Slagers Vaktentoonstelling in Utrecht leverde in 1947 voor de Nieuw-Vennepse slager Willem Kroes de eerste Slavakto onderscheiding op vanwege zijn voortreffelijk gevulde kalfsborst en salami. Gera Kroes, weduwe van zijn zoon Flip, heeft de oorkonde al die jaren ingelijst bewaard. Haar man zette de traditie voort met bekroonde zelfgemaakte worsten en de heerlijkste hammen. De ambachtelijke rookworst volgens familierecept is nog steeds te vinden bij slagerij Kroes aan de Hoofdweg 1336, inmiddels onder supervisie van André van Duivenvoorde.
Slagersvrouw Gera Kroes-den Breejen (1946, Bennebroekerdijk, Cruquius) heeft moeten leren van het vak te houden. ”Ik vond het eerlijk gezegd in het begin helemaal niets.” Niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat deze telg uit een bekend transportbedrijf in een heel andere omgeving was opgegroeid. Toen ze de Nieuw-Vennepse slager in 1971 op de bruiloft van zijn zus Ank met Herman Roos leerde kennen, had ze een baan als adjunct directrice van bejaardenhuis Aar en Amstel in Nieuwkoop.

Haar deelneming aan het arbeidsproces was zij indertijd begonnen als verkoopster in een Haarlemse modezaak. Na een paar jaar had ze het in die branche wel gezien en koos ze voor de bejaardenzorg. Ze werkte zeven maanden in een tehuis in Zuid-Engeland en kwam vervolgens, terug in Nederland, in een particulier verpleeghuis in Driebergen terecht. De volgende stap was Nieuwkoop.
In Flip Kroes (1939) ontmoette ze de derde generatie van een bekende Vennepse slagersfamilie. Zijn grootvader Philip, naar wie hij is vernoemd, liet in 1890 aan de Hoofdweg een pand bouwen voor zijn slachterij annex winkel en woonhuis. ”Hij was daarmee de eerste in het dorp”, weet Gera. Uit die tijd dateert ook de fraaie gevelaanduiding met de familienaam, vervaardigd van puur marmer. ”De trots van de familie.”

Grootvader Philip had een gezin met zes kinderen, die hij stuk voor stuk stimuleerde een goede opleiding te volgen. ”Hij was een prima slager, iemand met een vooruitziende blik en zakelijk inzicht.” Philip gaf de liefde voor het ambacht door aan zijn zoon Willem, die het bedrijf later voortzette.
Gera: ”En met Flip was ’t hetzelfde. Ongelooflijk om te zien hoe hij van een mooi stukje vlees kon genieten.” Haar man was de derde boreling in het gezin met vier zonen en twee dochters. Al jong raakte hij bij het slagersbedrijf betrokken. ”Flip werd van de ulo gehaald om in de winkel te helpen. Hij was vijftien toen hij zijn eerste koe slachtte. Dat gebeurde terwijl zijn vader een middagdutje deed. Hoewel het prima was gegaan, was vader Willem er achteraf niet blij mee.”
Flips oudere broer Arie zat ook in het vak, maar werkte in Lisse bij een slager. Al snel begon hij een eigen zaak in Woubrugge. Zijn broer Cees was eerst slager en is daarna keurmeester geworden.

Overgang
Voor Gera was de overgang van de zorgsector naar dit milieu erg groot. ”Het ging ook allemaal nogal abrupt. Je moet je voorstellen dat we op woensdag waren getrouwd. Dan kreeg ik die donderdag vrij, maar op vrijdag stond ik in de winkel en moest ik slavinken bereiden. Dat deed ik natuurlijk niet goed. Wist ik veel. Ik deed trouwens heel veel niet goed in het begin.”
Van het slagersvak had ze geen kaas gegeten, maar ze was gek op haar Flip en deed haar best er iets van te maken. Dat is ten slotte aardig gelukt, getuige haar jarenlange bijdrage aan de bedrijvigheden. Gera was aanvankelijk vooral ‘van de uitbreng’. ”Op dinsdag, donderdag en vrijdag gaf de klant per telefoon ’s morgens bestellingen op en dan ging ik de spullen ’s middags afleveren. Aanvankelijk bracht Flip zelf op vrijdag het vlees en op zaterdag de vleeswaren bij de mensen thuis.”
Ze memoreert dat haar man soms op zaterdagavond maar meestal op zondag de rekeningen uitschreef om die op maandagmiddag te gaan innen. ”Daar kwamen we best wel eens aan te kort, want niet iedereen had geld klaarliggen en dan moest je er steeds weer achteraan.” Dit was duidelijk niet haar favoriete bezigheid.
”Ik heb wel eens meegemaakt dat ik aanbelde met de bestelde vleeswaren en er niet werd opengedaan, terwijl mevrouw op het balkon in het zonnetje zat. Na een paar keer roepen en nog eens bellen, ben ik rechtsomkeert gegaan. Bekijk het maar, dacht ik.” Ze pauzeert even. ”Kwam die klant later zelf de boodschappen halen, hartstikke kwaad. Ik heb ‘r toen verteld hoe ik erover dacht. Belachelijk toch!”

Slachtvee
Naast woongedeelte en winkel aan de straatkant, bevond zich een poort die naar de slachtplaats leidde. “Elke maandagmorgen werd er geslacht. Dat heeft Flip tot eind jaren 90 gedaan. Het ging om varkens en koeien. Het vee kwam van Klaas van der Spek uit Abbenes, de man van Flips zus Bep. Hij leverde varkens die lekker in de modder hadden liggen woelen en prachtige dikbillen, bij wijze van spreken zó uit de wei vandaan.”
Het gebeurde wel dat hij op jonge leeftijd samen met zijn zus Bep lopend naar Abbenes ging om een koe op te halen. Dat kon rustig want veel verkeer was er nog niet. Toen Flip op een dag een koe uit de veewagen haalde, trok het dier hem hard richting de Hoofdvaart. “Flip was niet erg groot en werd meegesleept. Bij de vaart aangekomen stopte de koe abrupt met het gevolg dat Flip over haar heen het water in schoot.”
Het kwam herhaaldelijk voor dat een koe in de buurt van de slachtplaats wild in de kop werd en losbrak. “Op een ochtend kwam een koe de winkel binnen. Iedereen schoot weg, maar Flip was er niet bang van en heeft haar de gang in kunnen krijgen. Daar liep ze vast en toen moest hij het dier te plekke afschieten met gebruik van een masker en daarna verder afmaken.”
Gera herinnert zich dat het nog een heel gedoe was om de dode koe weg te slepen en alles weer schoon te krijgen. Ze praat er vrij nuchter over. “Dat leer je wel”, reageert ze laconiek. Een andere keer liep een rund met een noodgang de veewagen uit, door de poort, zo richting achterdeur en daar bleef het dier met de hoorns in het glas hangen.
De schutting van de buurman moest het ook eens ontgelden. Ook toen werd een rund ‘opstandig’ en stortte zich zó op het houtwerk. “Achteraf kwam het mooi uit, want de boel moest toch worden gesloopt. Maar dat wisten wij niet.”
Waar zowat het halve dorp bij betrokken raakte, was bij een uitgebroken koe die de straat opging. “Je moet je voorstellen. Iemand sloeg een stofdoek uit het raam en zag een koe voorbij draven. Er zat een man op een bankje, toen het rusteloze dier achter hem langs schoof… Een slapstick film was er niets bij.”
Gera vertelt het lachend, als een anekdote. “Maar toen had je toch wel schrik. Uiteindelijk hebben Flip en medewerker Piet van der Knijff het dier weten te vangen. Piet was onze man in de worstenmakerij. Hij werkt er trouwens nog steeds. Toen wij ermee stopten en de zaak in 2004 konden overdoen aan Van Duivenvoorde, is Piet gebleven.”

Veranderingen
In 1975 werden diverse veranderingen doorgevoerd. In dat jaar stierf Willem Kroes. Hij was al eerder weduwnaar geworden. ”Mijn schoonmoeder Bep heb ik nooit gekend”, aldus Gera, die in 1971 met Flip trouwde. Het jonge stel ging wonen in het gedeelte naast de winkel. Op de eerste verdieping huisde vader Willem.
Ze kregen drie kinderen, achtereenvolgens dochter Elma (1972), zoon Remco (1974) en dochter Willy (1977). Remco hielp vanaf zijn veertiende en tijdens zijn universitaire studie geregeld mee in de zaak, maar het bedrijf voorzetten was niets voor hem. ”Elma was altijd op zaterdag in de winkel te vinden om de boel schoon te houden en vooral plakjes worst uit te delen. Dat was haar wel toevertrouwd.”
Na het overlijden van Willem Kroes besloten Flip en Gera het pand te verbouwen. ”De winkel werd uitgebreid met ons vroegere woongedeelte en daarnaast kwam er een deur, met een opgang naar boven waar we toen zijn gaan wonen. Vóór die tijd moesten wij altijd door de winkel naar ons privévertrek en dat was natuurlijk knap lastig.”
Al eerder was besloten met het bestelwerk te stoppen, tot vreugde van Gera. ”In het begin werd er wel gemopperd, kregen we boze reacties, vooral van klanten buiten het dorp, maar het wende snel hoor. Ik was er blij mee, want nu kwamen de klanten naar de winkel en dat vond ik veel gezelliger.”
De slagersvrouw beseft dat ze haar werk naar behoren kon doen dankzij assistentie van buitenaf. ”Ik heb jarenlang een hulp in huis gehad. Henny Duwêl. Zij kwam in 1978 in ons gezin en is gebleven totdat we stopten met de zaak. Dat gaf grote steun.” In de winkel kreeg ze haar handen meer vrij nadat de zusjes Lia en Lenie van Saase uit Hillegom kwamen helpen.

Hofleverancie
Een jaar met een gouden randje is 1991. Toen vierden Flip en Gera samen met familie en zo’n achthonderd trouwe klanten in een zaal van Treslong in Hillegom het honderdjarig bestaan van het slagersbedrijf. Bij die gelegenheid werden zij vereerd met het predicaat Hofleverancier. Het fraaie schild sierde tot voor kort de gevel van het pand aan de Hoofdweg.
Het was burgemeester Van Dulst die de onderscheiding uitreikte. ”Dat deed hij toen voor het eerst”, weet Gera. ”Hofleverancier betekent trouwens niet dat je letterlijk aan het Koninklijk Huis levert. Het gaat erom dat je een familiebedrijf bent dat al generaties lang ‘van onbesproken gedrag’ op een ambachtelijke manier werkzaam is.”
Het echtpaar had het Westlands Mannenkoor uitgenodigd voor de muzikale omlijsting. Het koor bracht onder meer een lied op de wijs van de herkenningsmelodie van de toen populaire televisieserie De Glazen Stad, met een aangepaste tekst voor de feestelingen.
Wat bijdroeg tot de sfeer was het feit dat familieleden zich hadden gehuld in kleding van honderd jaar geleden. ”Alles bij elkaar was het een fantastische avond”, aldus Gera, die niet onvermeld wil laten dat ze een rekening hadden geopend in plaats van cadeaus. ”En daar kwam ruim 12.000 gulden op. Dat bedrag werd besteed aan een video apparaat met toebehoren voor de school van onze oudste dochter en een til lift voor de Cruquiushoeve.”

Kerkenwerk
Drie jaar nadat de bedrijvigheden waren beëindigd, overleed Flip Kroes. ”We waren toen al weg van de Hoofdweg en verhuisd naar Getsewoud. ” Gera bewoont intussen een appartement boven het winkelcentrum de Symfonie. Vervelen komt in haar woordenboek niet voor. Ze is actief met kerkenwerk, was gedurende acht jaar diaken van de Nederlands hervormde kerk en vervult er de functie van scriba, wat wil zeggen dat ze onder meer het secretariaat verzorgt van de Kerkenraad.

Via creatieve websites ontdekt ze steeds meer ‘leuke dingen om te maken’, zoals de sieraden waarvoor ze oude koffiecupjes gebruikt. De spulletjes worden verkocht ten gunste van de restauratie van het ‘witte kerkje’ dat dezer dagen letterlijk is ingepakt door grotere sponsors.
In haar flatwoning is volop ruimte om de hobby’s te beoefenen. Daar tref je op de vide verschillende schildersezels aan en kleurrijke werkstukken, in aquarel, olieverf en acrylverf.
Inspiratie voor haar schilderwerk haalt ze uit de natuur, veelal in haar directe omgeving. Aan het schilderen van een koe is ze nog niet toegekomen.

Auteur: Geertje Bos
juli 2012
(uitgegeven in Leven in Nieuwvennep)

Leermeester

Het was een koude winterdag. Voortdurende sneeuwval had niet alleen de straten in Kampen, maar ook de toegang naar het Ikonenmuseum glibberig gemaakt. Ze kwam binnen achter een rollator. Zat het in haar verschijning, groot en statig, gekleed in smaakvol zwart?

Het was een koude winterdag. Voortdurende sneeuwval had niet alleen de straten in Kampen, maar ook de toegang naar het Ikonenmuseum glibberig gemaakt. Ze kwam binnen achter een rollator. Zat het in haar verschijning, groot en statig, gekleed in smaakvol zwart? Er leek, buiten de beschrijving om, méér binnen te komen. Soms zit er in de menselijke stem een ‘lichtje’. Haar stem viel onder deze categorie. Ik wees haar een kluis voor de forse handtas, vertelde iets over de indeling van het museum en trok me terug.

Ondanks de weersomstandigheden trok ook deze middag de bijzondere expositie ‘Bezieling’ veel bezoekers. Opnieuw viel ze me op en nu door haar grote bescheidenheid. Bezoekers waren in gesprek met de huismeester en versperden de looproute. Ze wachtte. Wachtte, heel gewoon en bedankte toen men eindelijk opzij week. Oosters-Orthodoxe achtergrondmuziek klonk zacht, er kwamen opnieuw bezoekers binnen. Ik wandelde door één van de benedenzalen. De bijzondere bezoekster was alleen en bezig met haar camera. ‘Weet u dat fotograferen niet is toegestaan?’, vroeg ik een tikkeltje streng, hoewel ik die strengheid van binnen niet voelde. Ze schrok en zei dat ze dit niet wist en slechts een tekst van Helmantel wilde vastleggen. Voor alle duidelijkheid: citaten en gedachten van de schilder zijn op ingenieuze wijze op de muren aangebracht, zodat de bezoeker niet alleen mag delen in zijn schilderkunst maar ook in zijn diepe gedachten. We keken elkaar aan, een klein moment, ik zag de hunkering en zei: ‘Neem deze nog maar, we zeggen niets.’ Haar antwoord was resoluut: ‘Het mag niet en daar moet ik me aan houden. Overigens moet ik bekennen dat ik al een paar teksten heb gefotografeerd.’ Er ontspon zich een prachtig gesprek, met stiltes, met aanvullingen, met even een glimp mogen zien van de binnenkant. We stonden voor ‘Open raam in het middeleeuws Steinhaus’ en ze beschreef haar gevoel. Van het ene moment in het andere werd zij mijn leermeester. ‘Kijk eens naar die verstilde ruimte, niets stoort. Het rood in het balkenplafond, de vloer met de beschadigingen, de vuile plekken op de muur. Dat rood is bijzonder, heel anders dan het Rembrandt-rood. Ooit nam ik deel aan een workshop bij Helmantel, ik schilder zelf. Hij vertelde dat in alle kleuren grijs zit; door grijs toe te voegen zijn alle kleuren te maken. Wonderlijk niet? Ik heb het geprobeerd en het klopte.’ Ze wees naar het hierbij aangebracht citaat van Helmantel. ‘Dit is voor mij een beeld van hoop. Eigenlijk is dit een beeld van het Evangelie.’ Ze snoot haar neus, verschoof de rollator. ‘Zo voel ik het ook. Ik kan er wel bij huilen, zo mooi vind ik het. Kent u dat gevoel? Soms heb ik dat ook bij prachtige muziek.’ Ik keek naar het half geopende ruitraam in de kleine nis met zicht op een heerlijk landschap. Een blik op het Evangelie?

Ze wilde foto’s maken van een Anton Pieckachtig Kampen en vertrok tussen aarzelende sneeuwvlokken. In het gastenboek schreef ze niet; ze schreef in mijn hart…

Aly Brug 

Waar blijft de tijd VI – De tijdsbeleving in het OudeTestament

De ritmische oerbeleving van de tijd. Hiermee wordt de subjectieve tijdservaring bedoeld, als ’t ware op de polsslag van de tijd, in de twee tempora van voltooide en onvoltooide handeling. In het Oude Testament wordt niet nagedacht over wat tijd eigenlijk is. Men is alleen aan de tijd geïnteresseerd, voor zover daarin iets gebeurt.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Na het bestuderen van verschillende studies over dit onderwerp blijkt in grote trekken overeenstemming te bestaan over het volgende oudtestamentische tijdsconcept:

1. de ritmische oerbeleving van de tijd;
2. de tijdsbeleving in het licht van de heilsgeschiedenis;
3. de eschatologisering van het tijdsdenken door de profeten.

1. De ritmische oerbeleving van de tijd. Hiermee wordt de subjectieve tijdservaring bedoeld, als ’t ware op de polsslag van de tijd, in de twee tempora van voltooide en onvoltooide handeling. In het Oude Testament wordt niet nagedacht over wat tijd eigenlijk is. Men is alleen aan de tijd geïnteresseerd, voor zover daarin iets gebeurt. Wat er gebeurt heeft een vaste en natuurlijke ordening, omdat het door het levensritme van de aarde en de sterren, de afwisseling der seizoenen, van dag en nacht, bepaald is. Dit geldt tot in het persoonlijke leven. Zo zegt de Psalmdichter (31,16): “Mijn tijden zijn in Uw hand“.

Dit ritmische tijdsgevoel komt bijzonder naar voren in de cultische feesttijden: “de dagen, die Jahwe gemaakt had” (Ps.118,24). Eerst waren het de landbouwfeesten, die voor dit tijdsritme zorgden, nadat het volk zich in Kanaän gevestigd had. Maar al spoedig werden deze verbonden met de gedenkwaardige gebeurtenissen uit het verleden. Door de Semitische aard van synthetisch denken werden de feestgangers van vandaag geïdentificeerd met de generaties van vroeger, in wier midden die heilsgebeurtenissen hadden plaatsgevonden. De “gelijktijdigheid”  berust dan ook niet op representatie van vroegere gebeurtenissen in het heden, maar op het typische verschijnsel, dat latere generaties  door het feestelijk gedenken als ’t ware in de tijd van de vaderen werden teruggeplaatst. De oorspronkelijk Kanaänitische landbouwfeesten werden “gevuld” met eigen heilsgebeurtenissen uit vroegere tijden men dat geeft aan de tijdsbeleving een nieuwe grondslag: niet meer het natuurlijke ritme, maar de Heer God, die de tijd tot “gevulde” heilstijd maakt. Aan het verleden, waarin God Zich geopenbaard heeft, wordt daardoor ook de specifieke betekenis van het heden en de toekomst zichtbaar. Dit verklaart het typisch gericht zijn naar het verleden, zo kenmerkend voor de Oudtestamentische tijdsbeleving. Voor de Hebreeër ligt de verleden tijd “vóór” en de toekomst komt “ná”. Voor ons westerse mensen mag dit de omgekeerde wereld lijken, maar zuiver subjectief-psychologisch bezien is dit de juiste tijdsbeleving: het verleden is ons immers voorgegaan en de toekomst komt na ons.

2. De tijdsbeleving in het licht van de heilsgeschiedenis. De beleving van de tijd als “Gods tijd” wordt steeds sterker in het oude Testament. De aaneenschakeling van heilsgebeurtenissen uit het verleden geeft aan het Joodse volk een eerste bewustzijn van “in een geschiedenis opgenomen te zijn“, de geschiedenis van God en Zijn volk. Toen dit bewustzijn ontwaakt was, werden steeds meer gebeurtenissen als heilsdaden van God daaraan toegevoegd. Dit is ook te zien aan de tijdsduur, die de verschillende geschiedeniswerken in het Oude testament bestrijken. Het Oude Testament is opgebouwd uit “boeken”, die we een voor hen kenmerkende naam hebben gegeven: de Jahwist (vanwege het gebruik van Jahwe voor de naam van God), de Elohist (vanwege het gebruik van de naam Elohiem voor God), de Deuteronmist (die het boek Deuteronomium geschreven heeft), de Chronist ( de schrijver van de Kronieken). Al die schrijvers beschrijven een bepaalde periode in Israëls geschiedenis: De Jahwist begint bij de schepping en eindigt bij de intocht in Kanaän, de Elohist begint bij de aartsvaders en eindigt bij de intocht, de Deuteronmist begint bij Mozes en eindigt bij de ballingschap in 587 v.C.

Toch is hiermee nog niet het ons vertrouwde beeld van de tijdslijn gegeven: een lege lijn op te vullen door gebeurtenissen, waarbij de tijd aan de gebeurtenissen zelf voorafgaat. Dit is voor de Jood ook een onmogelijke voorstelling, daar het voor hem steeds Gods daden zijn, die aan de tijd vooraf gaan. Alleen de ervaring, ook in het persoonlijke leven, dat deze daden van God zich aaneenrijgen, geven hem het bewustzijn van “geschiedenis” en daarmee ook van een tijdsverloop.  Het blijft daarom ook een subjectief, vanuit de inhoud van de tijdsmomenten doorleefd tijdsverstaan, wat ten grondslag ligt aan de schijnbaar zo objectieve chronologische geschiedopvatting.

Het kon echter niet uitblijven, dat deze reflectie op de tijd als min of meer lineaire heilstijd in conflict kwam met het oorspronkelijke ritmische tijdsgevoel. Alleen het erkennen, dat God vandaag nog zo is als Hij vroeger was en dat Hij steeds weer nieuwe gebeurtenissen aan de oude rij toevoegt, heeft Israël die spanning doen overwinnen. Interessant is de bemiddelende functie, die Deuteronomium daarin heeft gehad. Aan zijn eigen generatie in de 7e eeuw v.C., die de heilsdaden van vroeger dreigt te vergeten, doet de Deuteronmist opnieuw Gods heilsaanbod horen, en wel op zo’n indringende wijze, dat het Verbond als ’t ware opnieuw wordt geactualiseerd: “De Here heeft met ons een Verbond gesloten op de Horeb! Niet met onze vaderen heeft de Here dit Verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn (5,2)“. Met dit “heden” is de latere koningstijd, waarin de schrijver leefde, bedoeld. Fictief spreekt Mozes hier tot het Israël van de woestijntijd, maar feitelijk wordt het Israël uit de 7e eeuw v.C. aangesproken! Het hele tijdsconcept wordt hier dienstbaar gemaakt aan de prediking, dat Jahwe Israël heeft uitverkoren en de vaderen land en nakroost beloofd heeft. Zulk een geschiedenis verplicht! Maar het opent ook een toekomst, als Israël de kans grijpt, die God nu aanbiedt: “opdat gij leeft en opdat gij het land binnengaat en in bezit neemt, dat de Heer u geven zal (4,1).  De toekomst voor Mozes’ generatie is voor het volk van de latere koningstijd “heden” geworden. Daarom geldt het: NU wordt de belofte vervuld, NU moet het volk het ook waar maken!

Door zo sterk de nadruk te leggen op het kwaliteitsaanbod van Gods heil in het heden heeft de Deuteronomist een brug geslagen tussen het oude ritmische tijdsverstaan met zijn gevaar van “afglijden” in een voortdurend herhaald patroon en de opkomende beleving van de in zekere zin “lineaire” heilsgeschiedenis. Hoewel we hier nog niet de profetische blik in de toekomst tegenkomen vinden we toch al de basis aanwezig, waarop de profeten hebben voortgebouwd: het meenemen van het heilsverleden in het heden, waardoor het heden heilstijd wordt, en het vooruitgrijpen op de toekomst in het zogenaamde “perfectum profeticum”. In de spanning van het reeds en het nog-niet blijft het goddelijke heilsaanbod van kracht.

Teruggeven of niet?

Van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao ontving ik een brief, waarin een actueel onderwerp wordt besproken: Teruggeven of niet? Is het geen fout als er geen straf op staat?

Van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao ontving ik een brief, waarin een actueel onderwerp wordt besproken: Teruggeven of niet? Is het geen fout als er geen straf op staat?

Brief aan mijn dochter Iris,
 
Nog even terugkomend op wat ik gisteren vertelde, jeweetwel ‘over het te veel ontvangen wisselgeld wel of niet teruggeven aan die Chinees’.
 
Gewoonlijk kijk ik niet zo erg of het wisselgeld wel klopt, maar gisterochtend zag ik toch uit mijn ooghoek dat ik waarschijnlijk te veel terug kreeg. In eerste instantie sprong mijn hart op met deze meevaller. Een beetje te gehaast vertrok ik uit de winkel bang dat ze erachter zouden komen.
Hoewel ik mij schaamde, was mijn hebzucht op dat moment sterker. Ik was van plan het thuis na te rekenen en benieuwd hoeveel geld het was.
En ja hoor er was inderdaad € 50,- te veel in mijn voordeel verrekend. Wat te doen? Nou niks natuurlijk. Een meevallertje immers. Op mijn schouders had ik aan elke zijde een engeltje. Zij gaven ongevraagd ‘goede raad’.
 
Het ene zegt: ”Geef dat geld terug anders krijgt die cassiere misschien haar ontslag onder verdenking van diefstal als de kassa niet klopt”.
 
Het andere zegt: ”Ben je mal. Die cassiere is verantwoordelijk voor wat zij doet. Het is niet jouw schuld”.
 
Het ene zegt: ”Schaam je Martie, heeft God je niet rijkelijk gezegend in je leven zodat je nu, als dank, iemand in de moeilijkheden helpt brengen om die luizige € 50,-?”
 
Het andere zegt: ”Maar als je niet in God geloofd die dan dus toch niet ziet wat je doet, waarom zou je dan braver dan de Paus willen zijn?”
 
Het ene zegt: ”Ja maar als zou ik dan niet in God kunnen geloven dan is het toch ook zo dat als je de wereld wilt verbeteren je bij jezelf moet beginnen?”
 
Het andere zegt: ”Als dat zo was dan waren er inmiddels allang geen oorlogen en ellende meer in deze wereld”.
 
Het ene zegt: ”Maar ergens moet een mens toch beginnen met het goede voorbeeld?”
 
Het andere zegt:” Dat ‘goede voorbeeld’ van jou is hoogmoed en nog een fosiel restant uit grootmoeders tijd. Ga met je tijd mee en pluk en pik en overleef zo hard en snel je kan”.
 
Het ene zegt: ”Dus als ik de moderne mens goed begrijp dan is er geen hoop meer op menselijkheid. En is het ‘ieder voor zich’.”
 
Het andere zegt: ”Inderdaad. Bovendien zijn die stink Chinezen alhier steenrijk en dat heus niet met een blank blazoen”. Waarom zou jij dan ‘so to speak’ brood naar bakkerkinderen brengen?. Er was toch iemand die tegen je zei ”je moet jezelf eens wat meer in de watten leggen”. Dus ga er lekker van uit eten of koop een nieuwe blouse”.
 
Het ene zegt: ” Maar ik weet uit mijn jeugd dat ik verdacht werd door mijn werkgever van diefstal van € 7,50. Later, veel later bleek dit door de werkster te zijn ontvreemd. In die tussentijd was ik heel ongelukikig door die beschuldiging. En toen het uitkwam wie de dader was, mij geen verontschuldiging werd aangeboden. Wie weet dus wat voor gevolgen die niet kloppende kassa voor dat meisje kan hebben.”
 
Het andere zegt: ”Hoor eens dat is niet JOUW pakkie an. Daaruit moet ZIJ leren beter op te letten. Met vallen en opstaan weet je wel? Als jij haar dat geld teruggeeft dan help je haar gemakzucht en geef je haar het gevoel dat wel iedereen het te veel aan wisselgeld zal komen terugbrengen. Toch???”
 
Het ene zegt: ”Ja maar als wij allemaal zo gaan denken dan wordt het toch hard tegen hard?”
 
Het andere zegt: ”Beste kind hoevaak ben JIJ niet bestolen in je leven. Hoe vaak liep men niet weg met het onrecht jou aangedaan. Zonder te worden gestraft en wel nooit zullen worden gestraft want door wie? Er is immers geen God die alles ziet?”
 
Het ene zegt: ”Martie jij bent toch zo goed in het maken van wijsgerige spreuken? Dan moet je toch weten dat het leven als een wip is.
Ja schrijf maar weer op in je boekjes: ”Het Leven is een wip. De een zit aan de grond en de ander hoog in de lucht”. Daarmee zeg je al dat dankzij de een de ander hoog of laag komt te zitten. Jij zit nu hoog want je hebt het ontslag van een Chinees in je handen. Dat kan je niets schelen omdat je haar niet kent en Chinezen toch niet integreren en toch de krenten hier uit het brood hebben weten te halen. Dus een Nederlands paspoort hebben. Maar je toch met dit dilemma zit”.
 
Het andere zegt: ”Zie je nu wel? Je zegt het zelf al. Dus waarom maak je je druk. Waarom de auto pakken en daar je tijd en benzine in steken voor een Chinees die (en dat weet ik wel zeker) niet eens dankjewel zal zeggen. Heus uit menslievendheid hoef je het niet te doen want wat doet men voor jou als het er op aan komt? Heb je niet genoeg in het zand gebeten met valse vrienden…. en in ze willen geloven? Niet die vrienden zijn dwaas maar jij. Je leeft op een andere planeet. Je hebt geen aanpassingstalent. Kijk naar ‘je vrienden’. Het komt ze allemaal aanwaaien omdat ze geen scrupules kennen. The fittist servive. Toch???”
 
Het ene zegt: ”Als ik doe wat die ander zegt dan heb ik wel € 50,- en compenseert dat de gratis te geven bundel ‘Warwaru’ die ik aan de A.D. ga overhandigen, maar ik voel mij dan toch een beetje boel ellendig”.
 
Het andere zegt: ”O dus je wilt een schoon geweten? Het is dus om je eigen gemoedsrust te doen? Ongeacht die ander waarvan je voorwent ‘bang te zijn voor het ontslag van die cassiere’. Je bent helemaal niet bang daarvoor. Alleen voor je eigen gemoedsrust”. Maar niemand weet het immers zolang jij het niet gaat aankaarten. En bovendien is het geen wetsovertreding als je het geld niet teruggeeft. ”Het was gewoon de kat bij het spek zetten” en meer niet zal de rechter zeggen”.
 
 De ene zegt: ”Ik ben geen kat maar ben wel behebt met alle zwakheden die men zo graag voor ‘menselijk’wil laten doorgaan. Dat houdt eigenlijk een soort vergoeielijking in voor je misstappen. En in dat onkruid wordt zelden gewied. Waardoor het onkruid het snoeimes overwoekerd en het kwaad ongemerkt groter en groter wordt. Want wat met kleine beetjes gebeurd valt niet zo snel op. Maar op den duur is alles verstikt en gestorven”.

Het andere zegt: ”Nou zeg zo te horen ben jij te goed voor deze wereld. Nou begrijp ik ook waarom jij jezelf niet in de watten legt. Je bent Jezus niet die al onze zonden draagt. Kom ga met ons en doe als wij, niet moeilijk doen. Dans en geniet want morgen sterven wij toch.”
 
Het ene zegt: ”Niet denken maar doen. Dus…? Waar is mijn autosleutel. Ben zo terug. Even naar die Chinees”.
 
Mamsje


Martie Genger

Waar blijft de tijd V – Het tijdsprobleem in de Griekse filosofie

Typerend voor het Griekse denken is niet zo zeer het tijds- als wel het ruimte-aspect. Het Griekse denken is immers niet zo zeer op het “worden” gericht, maar op het “zijn”. Het gaat daarbij niet om de “geschiedenis” van de dingen, maar om de logica van de eeuwige dingen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Typerend voor het Griekse denken is niet zo zeer het tijds- als wel het ruimte-aspect. Het Griekse denken is immers niet zo zeer op het “worden” gericht, maar op het “zijn”. Het gaat daarbij niet om de “geschiedenis” van de dingen, maar om de logica van de eeuwige dingen.

Vanuit de praktische levenservaring werd de tijd al heel vroeg als vorm van beweging gezien. Reeds Thales, 624-546 v.C., hanteerde het water in zijn bewegelijkheid als oerprincipe van het al, een idee, dat door Heraclitus, 540-484 v.C., verder zou worden uitgewerkt. En Anaximander, die iets later leefde, werd getroffen door de “kinosis” in de natuurelementen, waardoor hij tot de filosofische grondstelling kwam, dat er een oerstof moest bestaan, waarin de door de beweging veroorzaakte tegenstellingen ongescheiden dooreen liggen: het “apeiron”. Met behulp van dit “apeiron” wordt derhalve aan het eeuwig ontstaan en vergaan in het reversibele natuurproces een rationele metafysische oorzaak gegeven. Liefde en haat veroorzaken zo een soort vooruitgaande en achteruitlopende beweging van het al, waardoor de verschillende wereldperioden ontstaan.

Het was aan de grote filosofen voorbehouden de in deze beginperiode gerezen vragen te beantwoorden:
– Is de tijd oneindig of onbegrensd?
– Is met de denkbare vergankelijkheid van het al ook de vergankelijkheid van de tijd gegeven?
– Is de tijd ook aan de beweging van het al gebonden?
– Is de tijd eigenlijk wel een werkelijk gegeven of is hij alleen maar schijnwerkelijkheid?

1. PLATO

Was tot dusver het uitgangspunt van het denken over de tijd “de bewegelijkheid van de materie”, bij Plato (427-348 v.C.) zien we een beslissende wending optreden. Uitgaande van het beginsel “denken is zijn” bedacht hij de hoogste werkelijkheid in de “idea”, de goddelijke wereld van de ideeën. Elke realiteit heeft als oerbeginsel het idee, waarvan het een zwakke afbeelding is, en het wekt ook herinneringen op aan dat idee, gezien vóór dit leven. Zo is ook de tijd slechts een afbeelding van de eeuwigheid, waarbij “eeuwigheid”voor Plato niet de oneindig astronomische tijd is, maar de levensvorm van de goddelijke wereld der ideeën. In Timaeüs 37d en 38, de klassieke tekst van Plato’s tijdsbeschouwing, lezen we hoe de goddelijke “logos” bij de schepping van de wereld tegelijkertijd de tijd maakte als een in getal voortgaand beeld van de eeuwigheid, te verdelen in dagen en nachten, maanden en jaren. De goddelijke eeuwigheid, zelf onbewegelijk en in volkomen rust, geeft in deze natuurwereld het bewegelijke beeld van de tijd, die in een vast cyclisch patroon steeds weer dezelfde “meetbare”elementen van dagen en nachten, maanden en jaren, voortbrengt. Verleden, heden en toekomst kunnen in dit licht slechts als “subjectieve”vormen van de tijd beschouwd worden. In deze Platonische visie op de tijd komen een aantal uitgangspunten voor, welke in vergelijking met andere tijdsbeschouwingen, zeker met die van de Bijbel, als zeer typerend aangemerkt kunnen worden. Typisch voor deze zogenaamde “idealistische” tijdsbeschouwing zijn:

a. Het onderscheid tussen fysische en psychologische tijd, oftewel tussen objectieve en subjectieve tijd. De deelbare tijd, die “objectief” in het natuurgebeuren waargenomen kan worden, de indeling in dag en nacht, maand en jaar, wordt geplaatst tegenover de subjectief-psychologische tijdsbevindingen van verleden, heden en toekomst.

b. Het verschil in tijdskwaliteiten: het goddelijke oerbeeld van de eeuwigheid is superieur aan het aardse afgietsel van de tijd.

c. Het ruimtelijke aspect van het Platonische denken: de categorieën van tijd en eeuwigheid zijn ruimtelijk gedacht, in zoverre zij strikt gebonden zijn aan de beide werelden van de ideeën en de natuur, waartoe zij behoren. De tijd is daardoor even onbegrensd als de wereld, maar ook even eindig als deze.

d. Het ordeningsprincipe van deze fysische wereld: de tijd, volgens de maatstaf van het getal voortgaande, eeuwige, altijddurende afbeelding van de “mundus intelligibilis”, houdt al het wordende in de eenheid met de wereldrede. Zo zorgt de tijd, als volstrekt ordeningsprincipe , voor de eenheid van goddelijk-zijn en aards-worden. Deze tijd is met getallen meetbaar, omdat zij verloopt in de cyclus van de kosmische beweging. Maar het oerbeeld is eeuwig-zijnd en ongrijpbaar.

2. ARISTOTELES

De bekendste leerling van Plato, Aristoteles (384-322 v.C.), is wat zijn tijdsvisie betreft niet in het spoor van zijn meester gebleven. Alleen zijn stelling, dat de vorm de expressie is van de in de stof werkzame idee, herinnert nog aan Plato. Maar dit is al niet relevant meer voor zijn tijdsbegrip, omdat hij zich ter beoordeling van de tijd uitsluitend richt op de natuur. Hij filosofeert niet over de goddelijke eeuwigheid, maar probeert weer te geven wat hij ziet, en dat is: een stoffelijke wereld in beweging. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles dan tot een viertal metafysische principes: de stof, de vorm, de bewegende oorzaak en het doel. Er moet aan dat alles een “onbewogen” beweger vooraf gaan.Deze wordt door Aristoteles “God”genoemd: Hij is het de orde van het heelal vóórdenkende, zichzelf denkende verstand. Maar voor de rest houdt Aristoteles zich aan het zichtbare en fysisch-grijpbare. Dit bepaalt ook zijn definitie van tijd als “getal der beweging in betrekking tot vroeger en later”.

Beweging, ruimte en tijd, zij behoren bij elkaar en definiëren wederkerig elkaar. Tijd is ook meetbaar en deelbaar, maar als een continuüm, niet als een optelsom van tijdspunten. In dit continuüm is het tijdstip van het heden de grens tussen nog-niet en niet-meer in de steeds voortgaande tijdstroom. Tijdsduur kan dan ook niets anders zijn dan “duur van beweging”. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles er toe de tijdsmaat neer te leggen in de steeds terugkerende omwenteling van de hemel, voor de mens zichtbaar in jaren, dagen en uren. Eigenlijk heeft het tijdsbegrip van Aristoteles hierdoor iets mistroostigs: alle dingen zijn in beweging en zij vergaan. Alles wordt oud onder de dwang van de tijd, maar niets wordt mooi en vol. Dat wat eeuwig existeert, zoals de geometrische stellingen, behoort dan ook niet tot de tijd. Evenals bij Plato zien wij ook bij Aristoteles, dat de ruimte prevaleert boven de tijd. Tijd immers betekent vergankelijkheid en verandering, zichtbaar aan de ruimtelijke vormen, terwijl de “goddelijke wereld” in principe onvergankelijk en onveranderlijk is, eeuwig “in ruste” blijft. Maar wat de Aristotelische visie ten diepste van de Platonische opvatting onderscheidt is de negatieve zin, die hier aan het tijdsfenomeen gegeven wordt. Konden we bij Plato nog een positief spreken over de tijd als weliswaar aards spiegelbeeld van de goddelijke eeuwigheid ontdekken, bij Aristoteles resteert niets anders dan een zekere geringschatting voor de tijd als aan het stof gebonden vergankelijkheid.

De vrouw in het geloof VI

Als je op Internet gaat kijken, kom je verschillende artikelen tegen over de Vrouw in de Islam.
Een beroemde passage uit de Koran is de volgende:
De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de oprechte mannen en vrouwen, de geduldige volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, …

Als je op Internet gaat kijken, kom je verschillende artikelen tegen over de Vrouw in de Islam.

Een beroemde passage uit de Koran is de volgende:
De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de oprechte mannen en vrouwen, de geduldige volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, de mannen en vrouwen die hun schaamstreek kuis bedekt houden, de mannen en vrouwen die God veel gedenken, voor hen heeft God vergeving en een geweldig loon klaargemaakt. (Koran 33:35)

Een mooi overzicht geeft: “De plaats van de Vrouw in pure Islam” door M. Rafiqul-Haqq en P. Newton.
In dit artikel wordt sterk de autonomie van de man benadrukt. De man is in velerlei opzicht superieur aan de vrouw! Ga het zelf maar lezen!

In een ander artikel op de website van “Risallah.com”: “De positie van de Vrouw in de Islam” las ik het volgende:
De positie van de vrouw neemt een waardevolle plaats in de Islam. Haar aanwezigheid zal vaak een rol spelen in het dagelijkse leven van elke moslim. De moslimvrouw is immers de helft van de maatschappij, zij voedt haar kinderen op, die later een verantwoordelijke taak met zich mee zullen dragen en die later een grote rol zullen hebben in deze maatschappij. Zij is voor haar kinderen de eerste leerschool. Hij maakte haar de baas over haar kinderen.

Ook een mooi artikel is: “Hoe behandel je je vrouw in de Islam?”
De goede behandeling van vrouwen is een sleutel tot het Paradijs. Aboe Hoerairah (radiAllahoe  ´anhoe) vertelde dat de Profeet (vzmh) zei: “De besten onder jullie zijn degenen die het beste voor hun vrouwen zijn.” (Soeyoeti in “Djaami ´oes- Saghier” en Tirmidhi)Anas (radiAllahoe  ´anhoe) overleverde van de Profeet (vzmh): “Zal ik jullie vertellen wie de besten onder jullie zijn? De vriendelijke man en degene met een goed karakter die zijn vrouw eervol behandelt wanneer hij ertoe in staat is.”(Daylami)

Nog een goed artikel is: “Gelijkwaardigheid van man en vrouw in de Islam“.
Het gegeven dat moslimvrouwen zich tot kort geleden niet of nauwelijks bezighielden met koranexegese (tafsir) is waarschijnlijk een belangrijke oorzaak van het aanhoudende beeld dat in de islam de vrouw ondergeschikt is aan de man. De afgelopen decennia hebben verschillende vrouwelijke moslimintellectuelen aangetoond dat meer aandacht voor vrouwelijke aspecten in de openbaringsteksten en ruimte voor de stem van vrouwen bij de interpretatie daarvan, belangrijk zijn om recht te doen aan de feitelijke koranische boodschap van rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid. Culturele aspecten hebben overigens waarschijnlijk nog meer invloed op het halsstarrige beeld van de ondergeschikte moslimvrouw. Vooralsnog blijken namelijk vooral cultuurgebonden opvattingen en praktijken behoorlijk resistent te zijn tegen de zich snel verspreidende nieuwe religieuze inzichten.
Door: Ceylan Weber.

Ga zelf naar Internet en lees dit artikel uit, het is zeker de moeite waard!

Waar blijft de tijd IV – Objectieve en subjectieve tijd

Objectieve tijdsvoorstellingen, zoals we die kennen uit de klok en de kalender, de levensjaren en jaargetijden in de natuur, corresponderen met ruimtelijke begrippen. Zo spreken we over een “lange” en een “korte” tijd.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Objectieve tijdsvoorstellingen, zoals we die kennen uit de klok en de kalender, de levensjaren en jaargetijden in de natuur, corresponderen met ruimtelijke begrippen. Zo spreken we over een “lange” en een “korte” tijd. Ditzelfde verschijnsel ontmoeten we bij de bestudering van de tijdsfunctie in de taal. Vanwege deze ruimtelijke voorstelling zijn we niet in staat precies de tijd en de tijdsvormen te preciseren. Ieder mens heeft trouwens zijn eigen tijdsbeleving, die we subjectief beleefde tijd kunnen noemen. De eigenlijke tijdsbeleving komt van binnenuit en niet van buiten af. Terecht heeft kerkvader Augustinus daarop gewezen: “Noli foras ire, in teïpsum redi!” (niet naar buiten gaan, maar in je zelf terugkeren!).

De beleefde tijd, van binnen uit, is niet eendimensionaal, maar meerdimensionaal, waar hij “verleden”, “heden” en “toekomst ” tegelijk kan omvatten. Hij is ook inhomogeen, doordat hij de karakters van duur en stroom in wederzijdse doordringing in zich bergt. Nu eens verschijnt hij als lang, uitgebreid, dan weer als kort; nu weer als snelstromend, dan weer als dralend en traag. Een angstige nacht wil geen einde nemen; een week met vakantie met veel nieuwe indrukken lijkt soms langer te duren dan een normale werkweek. Daarbij is de indruk van “lang” en “kort” niet dezelfde in het heden en in het verleden: de dag van vandaag, die niet wil eindigen, kan later in de herinnering als bijna ongemerkt voorbijgegaan zijn. Er ligt ook geen vast verband tussen de duur van de beleefde tijd en wat daarin beleefd wordt. Hierbij immers spelen heel andere, dieper in het bewustzijn liggende , factoren een rol: die van het transcendentaal-psychologische veld.

In de moderne psychologie worden achter de factoren van herinnering en verwachting, die zo belangrijk zijn voor onze tijdservaring, de volgende drie vooronderstellingen aangenomen: 1. De retentie, dat is de functie van het behouden; 2. De presentatie, dat is de psychische zingeving, waardoor iets “tegenwoordig” wordt; en 3. De protentie: een vooruitgrijpen naar de toekomst.

Ik zoek op internet (in google) naar “tijd” en lees: “Tijd bestaat niet. Het is een schepping van de geest. Het heden heeft geen betekenis.” Zo begint professor Maarten van Buuren zijn lezing over “tijd” in het bomvolle Utrechts Academiegebouw.

De ziel schept de tijd, aldus kerkvader Augustinus (354-430 n. Chr.), die in zijn beroemde boek Confessiones worstelt met het tijdsbegrip. Hij stelt dat er alleen een heden is, waarbinnen drie tijden bestaan: het verleden, heden en de toekomst. Tijd is een distentio animi. Een uitgestrektheid van de geest die bij de mens ontstaat door herinneringen aan het verleden, de aanschouwing van het heden en de verwachtingen voor de toekomst.

De twintigste-eeuwse filosoof Husserl borduurt verder op Augustinus. De grondlegger van de fenomenologie meent dat tijd een bewustzijnsverschijnsel is. Dat bewustzijn is intentioneel. Een soort actieradius waarbij de mens terugreikt naar het verleden en vooruitreikt naar de toekomst. Het heden is hiermee een uitrekking van het nu.

Keller noemt in zijn “Die Zeit des Bewustseins” een paar voorbeelden. Een eenvoudige toon klinkt, maar wordt ook nog in het wegsterven vastgehouden en er is een verwachtingsintentie op de volgende toon (een voorbeeld, dat ook Augustinus al heeft aangehaald). Terwijl ik spreek is de vorige zin nog bij mij en denk ik ook al vooruit aan de volgende zin. Zonder retentie wist ik niet waarover ik praat en zonder protentie zou ik die zin niet zinvol kunnen afmaken in een volgende zin.

Retentie is de voedingsbodem van het in-herinnering-behouden. En protentie fundeert het vooruitgrijpen van de toekomst in het fantaseren en plannen maken. Dit verklaart ook het merkwaardige verschijnsel, dat mijn eigen ik in herinnering en anticipatie steeds “present” is. Mijn “ik” is als ’t ware over de tijd heen als identiek met mij en wordt als het NU actuele “Ik” ervaren. Retentie en protentie veroorzaken een identiteitscontinuïteit in de “presentatie”, waardoor tijdsverschillen wegvallen. Verleden, heden en toekomst worden als gelijktijdig ervaren! Retentie en protentie zijn echter niet altijd met elkaar in evenwicht, het is zelfs mogelijk dat een van beide in bepaalde gevallen overheerst. Hierdoor ontstaan de kwalitatieve verschillen in het tijdskarakter van beleefde tijdsafstanden, zoals tijdsverkorting en tijdsuitbreiding. Wanneer bij een grote hoeveelheid indrukken de tijd als ’t ware verlengd wordt, dan schijnt dit op een gelijktijdig versterkte retentie te berusten. Doch wanneer deze uitbreiding van de tijd ontstaat bij juist een tekort aan indrukken, zoals wanneer men zich verveelt, dan is dit een gevolg van gelijktijdig geïntensiveerde protentie, dat wil zeggen een overschot aan “verwachting”. In overeenstemming hiermee moet verkorting van de tijd bij een overmaat van indrukken gezien worden in het licht van een gelijktijdig ontstane zwakte van retentie, zoals bij opgewekte kortstondige gesprekken. Tijdsverkorting bij een tekort aan indrukken berust dan op gelijktijdig verminderde protentie: bij zo veel “leegte” is er geen “verwachting” meer!

Interessant zou zijn eens na te gaan in hoeverre het sterk “presentische” tijdsgevoel in “disclosure” situaties te herleiden is tot gelijktijdig geïntensiveerde retentie en/of protentie. Het begrip “disclosure situation” is ontleend aan I.T.Ramsey, Religious Language: an Empirical Placing of Theological Phrases, London, 1957. In bedoelde situaties heeft op een bepaald historisch moment de ontdekking plaats van een betekenis, een zin, die de mens drijft tot een antwoord, tot het erkennen van een verplichting, tot de overgave aan een plan, dat hem geheel voor zich opeist. Het is als zodanig een belevingsmoment, dat boven het direct “momentele” uitgaat, doordat het als in flitslicht “verleden” en “toekomst” als zeer nabij, ja zelfs als direct aanwezig ervaren laat. Bij de behandeling van de Paulinische tijdsbeleving met zijn sterke gerichtheid op het “NU” vanuit het spanningsvolle “REEDS” en “NOG NIET” zullen wij op deze moderne benadering terugkomen.

Sterfelijkheid doet onvergankelijkheid aan

Door mijn handicap kan ik niet meer naar de kerk gaan, heel jammer. Maar ik put inspiratie en geestelijke verdieping uit al het moois, dat Nederland-2 mij biedt. Graag doe ik onderstaand hiervan verslag.
Het begon gisteren tegen negenen met “Het hoge woord voor de zondag”, dat dit keer kwam van schrijver Jan Siebelink.

Door mijn handicap kan ik niet meer naar de kerk gaan, heel jammer. Maar ik put inspiratie en geestelijke verdieping uit al het moois, dat Nederland-2 mij biedt. Graag doe ik onderstaand hiervan verslag.
Het begon gisteren tegen negenen met “Het hoge woord voor de zondag”, dat dit keer kwam van schrijver Jan Siebelink. Hij werd getroffen door een woord van Paulus uit 1 Korintiërs 15, 53:

“Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen”.

Deze tekst is hem bij gebleven uit zijn jeugd, het was een vaste uitspraak van zijn vader. Hiermee werd diens geloof bevestigd in een tijd, waarin alles heel moeilijk was. Het was bittere armoede in een dagelijkse strijd met de elementen op die kleine kwekerij, waar Jan Siebelink met zijn broers is opgegroeid. Hij heeft daar in 2004 verslag van gedaan in zijn meesterlijke boek “Knielen op een bed violen”, dat in 2005 terecht de AKO litteratuurprijs heeft ontvangen. De schrijver vertelde, hoe hij nog dagelijks het gezicht van zijn vader voor zich ziet en herinnerd wordt aan die Bijbeltekst. Naarmate hij ouder wordt voelt hij zich meer en meer verweesd en krijgt die tekst grotere betekenis.

Hierna heb ik gekeken naar “Nederland zingt op zondag”. Het gesprek was met Arno, die in zijn jonge jaren aan drugs verslaafd was geraakt. Toen hij het helemaal niet meer zag zitten en zelfs er aan dacht zich om te brengen, kreeg hij een ernstig auto-ongeluk. Vrienden van hem namen hem mee naar de kerk en het doen van een “alfacursus”. Daardoor kwam hij van lieverlede tot zich zelf. Belangrijk in dit proces was ook Jezus’ gelijkenis van de verloren zoon.

Toen kwam het geloofsgesprek van Leo Fijen. Dit keer met Michiel Peters, studentenpastor aan de Universiteit van Tilburg. Deze nog jonge man had al een rijk leven achter de rug: van goede Rooms-Katholieke huize, Russisch gestudeerd in Leiden, Theologie in Rome, voor de missie uitgezonden naar Siberië, en tenslotte in Tilburg terecht gekomen. Centraal in het gesprek stond de uitspraak “Het leven is de moeite waard!” Het, gaat altijd om te zoeken naar de zin van het leven. Marcus 10: 15 ” Ik verzeker jullie, wie het koninkrijk van God niet aanneemt als een kind, komt er beslist niet in… vader, kinderen of landerijen heeft achtergelaten omwille van Mij en omwille van de goede boodschap”, 30: “of hij krijgt nu in deze tijd een honderdvoud aan huizen, broers, zusters, moeders”.

Je moet je hart laten spreken. Iedereen heeft een hart, dat belangrijker is dan de 5 boxen, waarvan men tegenwoordige denkt dat men die nodig heeft om gelukkig te worden. Ik bedoel: geld, carrière, een huis, een vrouw, een auto. De aansluitende Eucharistieviering kwam uit de St.Martinus-kerk te Oedenrode, uit de Oda-parochie. In de dienst ging voor pastoor Vincent Blom, geassisteerd door een pater uit India. Het hoofdthema van de dienst was natuurlijk na carnaval de 40-dagen tijd (vasten) om te beginnen met de verzoeking in de woestijn (Mattheüs 4). Jezus werd hier voor een keuze gesteld door Satan. Opmerkelijk is dat hij in de drie keuzemogelijkheden steeds weer koos voor God. Dat moesten wij ook doen, zei de pastoor, in ons huidige leven, waarin wij vaak voor keuzes gesteld worden. Meer denken aan elkaar, vooral aan de minder bedeelde en zwakkere, maar aan barmhartigheid dan aan geld verdienen. Paus Franciscus geeft hiervoor het goede voorbeeld! Heel mooi vond ik het antwoord van de Gemeente na iedere voorbede: “Heer, onze God, wij bidden U, verhoor ons!” Wij konden het meezingen, want bij ons in de Protestantse Dorpskerk van Barendrecht zingen we het precies zo!

Toen was de ZVK aan de beurt, met een dienst uit Kiev in de Oekraïne. De dienst was doorspekt met beelden van het Maidanplein, waar de laatste drie maanden zoveel verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. We zagen foto’s van de mensen, die zijn omgekomen en filmbeelden van de oproerpolitie en de branden in tenten en gebouwen.
De dominee preekte uit Marcus 4, 35-41:

35  Aan het eind van die dag, toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.”
36  Ze stuurden de menigte weg en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.
37  Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan.
38  Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: “Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?”
39  Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: “Zwijg! Wees stil!” De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust.
40  Hij zei tegen hen: “Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?”
41  Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: “Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?”

Dat Jezus sliep betekent, dat Hij alles onder controle heeft. De mensen erkenden dat ook door te zeggen: ” Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?” Dat moet ook ons troost geven! Wij leven in een angstige tijd. Elk uur kan er iets verschrikkelijks gebeuren, kijk maar naar de Krim! Zelf weet ik ook niet, waar en wanneer ik zal omkomen. Aldus de dominee. De dienst werd besloten met een volkslied, met steeds weer het mooie refrein “Eer aan Jezus, klinkt het lied langs de oever van de Dnepr!”.

De vrouw in het geloof V

Kenmerkend voor de Islamitische vrouw is het dragen van een sluier. Maar in de Joodse traditie was dat ook gebruikelijk. Een Rabbijnse uitspraak is bijvoorbeeld: “Het is niets voor de dochters van Israël om onbedekt naar buiten te gaan” en “vervloekt zij de man, die het toestaat dat het hoofdhaar van zijn vrouw gezien wordt… een vrouw, die haar hoofdhaar toont om zichzelf te tooien, brengt armoede.”

Kenmerkend voor de Islamitische vrouw is het dragen van een sluier. Maar in de Joodse traditie was dat ook gebruikelijk. Een Rabbijnse uitspraak is bijvoorbeeld: “Het is niets voor de dochters van Israël om onbedekt naar buiten te gaan” en “vervloekt zij de man, die het toestaat dat het hoofdhaar van zijn vrouw gezien wordt… een vrouw, die haar hoofdhaar toont om zichzelf te tooien, brengt armoede.” Het niet bedekken van het haar van de vrouw wordt gezien als “naaktheid”. Maar soms ook gaf het de vrouw een bepaalde luxe en statigheid. Het drukte ook wel de superioriteit van edele vrouwen uit. Het liet meestal de ontoegankelijkheid van een getrouwde vrouw zien. Joodse vrouwen bleven een sluier dragen tot de negentiende eeuw. Vandaag dragen Joodse vrouwen een sluier alleen nog in de synagoge.

Hoe is het in de Christelijke traditie? Bekend is de uitspraak van de apostel Paulus in 1 Korinthiërs 11,3-10: “Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. Iedere man, die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande, wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies als een kaalgeschoren vrouw. Een vrouw, die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken… Een man mag zijn hoofd niet bedekken, omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben.” Ook in de huidige Rooms Katholieke Kerk is het wettelijk geboden, dat vrouwen hun hoofd bedekken. En in de orthodoxe Protestantse Kerken is het ook geboden, dat vrouwen met bedekten hoofde ter kerke gaan. Bij de Amish en Mennonieten zijn vrouwen altijd nog gesluierd, als teken van de afhankelijkheid van de vrouw van de man en van God.

De Islam heeft wat dit betreft duidelijke regels: “Zeg tegen de gelovige mannen, dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken, dat is reiner voor hen. Voorwaar, Allah is Alwetend over wat zij bedrijven. En zeg tegen de gelovige vrouwen, dat zij haar ogen neerslaan en haar kuisheid bewaken, en haar sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En zij moeten de sluiers over haar boezem dragen… “(24,30-31). Kuisheid is heel belangrijk! “O Profeet, zeg tot jouw echtgenotes en tot jouw dochters en tot jouw vrouwen van de gelovigen, dat zij haar overkleden (Djilbab) over zich heen laten hangen. Op die manier is het makkelijk haar te herkennen en worden zij niet lastig gevallen” (33,59). Het enige doel van de sluier in de Islam is dus bescherming. Het is geen teken van mannelijke autoriteit over de vrouw of vrouwelijke onderwerping aan de man (zoals in het Christendom). De Islamitische filosofie gaat altijd uit van: het is beter te voorkomen dan te genezen! Door de sluier wordt de vrouw beschermd. In onze wereld wordt dit meestal een beetje belachelijk gemaakt. Dan wordt gezegd, dat de beste bescherming van de vrouw haar opvoeding, beschaafd gedrag en zelfbedwang is. Maar waarom is het dan tegenwoordig heel gevaarlijk voor een vrouw om ‘s-avonds alleen over straat te lopen? En waarom laat het spotje van “Slachtoffer Hulp” de aanranding van een jonge vrouw zien? Om over de seksuele intimidatie op de werkvloer maar niet te spreken! In Canada bijvoorbeeld wordt er iedere 6 minuten een vrouw aangerand. Wat is er toch aan de hand met onze maatschappij? Hoe kan het, dat een hoofddoek gedragen door Rooms Katholieke nonnen als “heilig” wordt beschouwd (terwijl het eigenlijk een teken van de autonomie van God en de man is), en, wanneer het gedragen wordt door Moslim-vrouwen, voor haar bescherming, als teken van onderdrukking wordt beschouwd?

HET BOEKJE EINDIGT MET EEN EPILOOG

Ontvangen alle Moslimvrouwen nu de respectvolle behandeling, zoals in het boekje beschreven? Helaas, nee! Er zijn vandaag aan de dag veel verschillende houdingen ten opzichte van vrouwen in de Moslimwereld. Bijna alle Moslim -maatschappijen zijn afgeweken van de idealen van de Islam ten opzichte van vrouwen. Er is een grote tegenstelling tussen de conservatieve door traditie gevormde en de meer Westerse liberale richting. De eerste berooft de vrouwen van veel rechten, die door de Islam aan haar zijn gegeven. De autonomie van de man speelt hier de hoofdrol en de vrouw wordt echt gediscrimineerd. Bij de geboorte al wordt zij met minder vreugde ontvangen dan een jongen . Zij krijgt minder kans op scholing, geen erfdeel, staat voortdurend onder toezicht, zodat zij zich niet onbeschaafd kan gedragen (terwijl haar broer dat wel mag!). Zij kan zelfs worden gedood, als zij datgene doet, waar haar mannelijke familieleden altijd over opscheppen. En zij krijgt pas een betere positie, als zij het geluk heeft moeder te worden van (vele) zonen!

Aan de andere kant heb je de meer liberale Moslims, die de Westerse manier van leven hebben overgenomen. Dat betekent, dat vrouwen geen sluier meer dragen en meer om haar uiterlijk bekommerd zijn dan om haar geestelijk welzijn. Zij besteed haar leven aan het realiseren van haar vrouwelijkheid in plaats van het vervullen van haar menselijkheid! Er ligt een groot gat tussen wat Moslims dienen te geloven en wat ze daadwerkelijk in praktijk brengen. Dit is niet van de laatste tijd, het is er al eeuwen lang. Dit heeft grote gevolgen op allerlei gebied: in de politiek, de economie, het maatschappelijk leven, de wetenschap enz. Wat de vrouw overkomt is slechts een symptoom van een ergere ziekte. De Islam is van haar oorsprong afgedwaald. Er moet nodig een herbezinning en herbeleving komen!

Wat er gezegd is over de positie van de vrouw in het Joodse en Christelijke geloof moet ook bezien worden vanuit de context. Zo leefden de oude Joodse stammen in een vrouwonvriendelijke Arabische wereld. Hetzelfde geldt voor de Grieks-Romeinse cultuur, waardoor de grote kerkvaders beïnvloed werden. In dit licht bezien is de Islam een correctie van het Joodse en Christelijke geloof. De Islam moet niet worden gezien als een concurrent, maar meer als een soort vervulling van het Joden- en Christendom.

Tenslotte nog een advies aan de gehele Moslimgemeenschap. Van veel vrouwen zijn haar fundamentele rechten afgenomen. Dat dient hersteld te worden! De Moslimgemeenschap moet wereldwijd een verordening uitgeven, waarin de rechten van de vrouw beschreven staan. Verder moeten we de moed hebben om cultuurgebonden tradities van onze voorvaderen, die van de Islam afwijken, te verwerpen. Dat deed Mohammed ook in zijn tijd. Wij moeten ook kritisch staan tegenover de invloeden van het Westerse leven. Er moet zinvolle interactie komen tussen de verschillende leefwijzen. Het is toch van de gekke, dat de godsdienst, die de status van vrouwen radicaal heft veranderd, ja verbeterd, nu wordt beschuldigd van vrouwenonderdrukking. De niet-Moslims moeten zich realiseren, dat er een groot gat bestaat tussen het geloof en de praktijken van de Moslims. Precies zoals dat ook bij Joden en Christenen het geval is! Laat daar een dialoog over komen! De Islam zou moeten worden erkend als een godsdienst, die de vrouw vele rechten heeft gegeven, vele eeuwen geleden, die onze wereld pas nu heeft toegekend. Geen wonder dus, dat van de mensen die voor de Islam kiezen verreweg de meesten vrouwen zijn!

Wie oren heeft, die hore!

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft.

Mattheüs 13, 1-9
1 Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. 2 Er kwam een grote mensenmassa om hem heen staan, en daarom ging hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. 3 Hij sprak hen uitvoerig toe en vertelde gelijkenissen: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. 6 Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. 8 Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Laat wie oren heeft goed luisteren!’

Met onze tekst eindigt Jezus de gelijkenis van de zaaier, die we ook in Marcus 4 en Lukas 8 vinden. De drie versies wijken niet veel van elkaar af. Alleen bij Lukas wordt direct na het vertellen van de gelijkenis door Jezus ook de uitleg gegeven, terwijl bij Marcus en Mattheüs die uitleg pas komt, nadat Jezus uitvoerig over het spreken in gelijkenissen en het juiste horen van de discipelen gesproken heeft. U weet wel het “ziende niet zien en het horende niet horen” (vs.13). Dit brengt ons meteen al op de vraag of die uitleg van Jezus, die we al zo vaak gehoord hebben, wel oorspronkelijk is. Ik bedoel: is de gelijkenis oorspronkelijk wel zo bedoeld? Of is de uitleg er pas later aan gegeven? Veel Schriftonderzoekers denken, dat dit laatste het geval is. Hoe het dan moet zijn? Ik zal proberen het u uit te leggen.

In de eerste tijd na Jezus’ dood en opstanding, toen met Pinksteren de eerste Gemeente ontstaan was, had men nog niet de Bijbel zoals wij die nu kennen, ook niet het Nieuwe testament in de huidige vorm. De meeste boeken en brieven moesten immers nog geschreven worden. Wel kende men verhalen over Jezus en wist men te vertellen, wat Jezus allemaal gezegd had. Zeker die verhalen en woorden, die indruk gemaakt hadden, gingen van mond tot mond. Men trok daar lering uit en ging er over preken. Heel begrijpelijk, dat al doende hele reeksen van verhalen en woorden ontstonden, bijvoorbeeld van gelijkenissen en wonderen, genezingen, de lijdensgeschiedenis en van woorden zoals de Bergrede en de uitzendingsrede.  Er worden dus in de oerkerk al stukken samengevoegd nog voordat zij zijn opgeschreven. Later werden die stukken uit de mondelinge overlevering opgepikt en door de Evangelisten in hun Evangeliën verwerkt. Nu lijkt het voor de hand te liggen, dat Jezus onze gelijkenis van de zaaier gesproken heeft om te wijzen op de komst van Gods Koninkrijk. In hetzelfde hoofdstuk staan immers nog drie andere gelijkenissen, die hetzelfde beogen: “Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in de akker… En toen kwam zijn vijand”; en de tweede: “het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje”; en de derde: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem”. In alle drie gelijkenissen gaat het over het Koninkrijk der hemelen, dat zeker komt, niets kan het tegenhouden, zelfs de ergste vijand niet. In het begin is het nog erg klein, bijna onzichtbaar, maar het wordt groter en groter, net als het mosterdzaadje en het zuurdesem, “gist” zouden we nu zeggen. We noemen die gelijkenissen wel “contrastgelijkenissen”of “groeigelijkenissen”. In die lijn -denk ik-  moeten we ook onze gelijkenis zien. Jezus laat horen en zien! Door het beeld van de gelijkenis zie je als ’t ware voor je, dat het Koninkrijk komt, overvloedig en zeker, niets en niemand kan het tegenhouden! Het is daarom de vraag, of we die gelijkenis wel die van de zaaier moeten noemen. Zou het niet beter zijn hier van de akker of van het zaad te spreken? Bijvoorbeeld: de gelijkenis van de verschillende akkergrond.

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft. Het drievoud van de getallen 30-6-100 wijst ook op de goddelijke overvloed, die met Gods Koninkrijk op het eind der tijden geschonken zal worden. Een deel van het zaad valt langs de weg, een deel op steenachtige plaatsen, een deel tussen de dorens en de distels en een deel in goed aarde. Voor ons Nederlanders, die alleen goede aarde gewend zijn, is het maar een vreemd gedoe. Wie zaait er nou op de weg en op steenachtige bodem? Zou Jezus dat niet geweten hebben? Natuurlijk wel! Als klein kind al zwierf Hij door de velden rondom Nazareth en praatte Hij met de vissers aan het meer van Galilea. Juist daarom gebruikt Hij in Zijn spreken ook zo dikwijls het beeld van zaaien en vissen. Juist omdat Hij er zo veel van wist! Maar wij moeten bij de gelijkenis niet denken aan onze mooie vlakke polders met oerdegelijke klei, dat lekker diep gespit en geploegd kan worden. Nee, de velden rondom Nazareth in het Galilese heuvellandschap waren maar klein, uitgespaard tussen rotsen en onvruchtbare bosjes, in geaccidenteerd terrein, dus heel moeilijk te bewerken. Geen wonder dat er wel eens wat naast ging! Daar komt nog bij, dat we de weg niet moeten zien als onze wegen. Het is gewoon een voetpad, dat dwars door de braakliggende akker is ontstaan, omdat mensen de kortste weg uitzochten. Er kan dan zaad op het pad vallen, omdat er nog niet geploegd is. In tegenstelling tot onze gewoonte ging men toen namelijk pas ploegen, nadat er gezaaid was. Het is dus niet te wijten aan onachtzaamheid van de zaaier, dat er nogal wat zaad verloren gaat. Hij zou dat zelf ook vervelend hebben gevonden. Iedere boer is toch heel zuinig op zijn zaad. Maar de omstandigheden waren daar en toen niet anders.

Nu is het wonder, dat ondanks die tegenstrevende en dwarsliggende omstandigheden er toch een geweldige oogst komt! Een mens denkt wel eens net als de Prediker: “Waarvoor doe ik het allemaal? Want wat heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?”(Prediker 2,18). Ook de mensen, die bij Jezus waren, zijn sceptisch: “Ik zie nog niets van het Koninkrijk, zou het nog wel komen? Ach, al dat bidden en hopen heeft toch geen zin! Zeg nou zelf, rabbi…” En rabbi Jezus zegt het, Hij laat het zien aan duidelijk herkenbare beelden: zaad, oogst, akkers, de mosterdboom en het gistende gist. Tegenover de geringheid van alle begin en de moeiten en zorgen, die daarmee gepaard gaan, staat een overweldigend einde. Alle begin is moeilijk, maar het einde moet je in zicht houden! In het ritme van zaaien en oogsten, dat de landbouwers zo in het bloed zit, mag ook ons geloven zijn beslag rijgen. Daaraan is bovendien de goddelijke belofte verbonden: “Zo lang de aarde bestaat, zullen zaaien en oogsten niet ophouden” (Genesis 8,22). Onze gelijkenis wijst ook daarheen: naar Gods onbegrijpelijke goedheid. Het is die goedheid, die de garantie is voor Jezus’ getuigenis: “Eind goed, al goed!”

Wanneer we de gelijkenis zo verstaan, wat is het dan een geweldige bemoediging voor ons in ons geloven en gelovend bezig zijn. Voor ons werken, voor onze dagbesteding, voor de hulp die we anderen mogen geven en van anderen mogen ontvangen, voor de hoop die we mogen koesteren als ’t gaat over het einde van ons leven en het deel krijgen aan de heerlijke eeuwige dingen. De goedheid, waarmee God de wereld geschapen heeft en door zaaiing en oogst onderhoudt, die goedheid geeft ons de zekerheid dat het eens alles goed zal zijn, als het Koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar zal zijn geworden. “Hij laat nog dagelijks de zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5,45). Daardoor schenkt Hij ons het dagelijkse brood. Daardoor krijg ik houvast: dat Hij niet zal laten varen de werken van Zijn handen!

Zo bezien krijgt de gelijkenis een heel andere strekking  dan de gangbare, die helemaal op het horen is toegespitst: het horen en aannemen en verstaan van het woord over het Koninkrijk. De hoorder van het Evangelie komt in een aantal gevarenzones terecht, die hem van het geloof afbrengen. Heel begrijpelijk, dat de predikers in de oerkerk daarop gewezen hebben. Want het is heel reëel, zeker ook vandaag! Het gaat om de praktijk van het Christelijk geloof, de zwakte, de geringe diepgang, het gaat bovenal ook om de slimheid van Satan, die de mens het zo juist gehoorde Evangelie uit het hoofd slaat. De mens, die het Woord gehoord heeft is inderdaad onderhevig aan allerlei gevaren: aanvechting, bezorgdheid, onderdrukking, vervolging, gemakzucht. Al die gevaren moet een mens overwinnen, anders kan hij niet de goede akker zijn, waarin het zaad van het Woord van God honderdvoudig vrucht draagt. Zo uitgelegd is de gelijkenis heel leerzaam voor de gelovigen. Het is dan ook niet vreemd, dat deze uitleg al heel vroeg in de oerkerk is ontstaan. De gelijkenis is tezamen met deze uitleg overgeleverd en opgenomen in het Evangelie als een vermaning, een waarschuwing en aansporing aan de gelovigen om het Woord goed te horen en daarna ook in praktijk te brengen, zodat het Woord vrucht draagt. Dit laat ook de apostel Jacobus horen in zijn brief, waarin hij schrijft over “hoorders of daders” (1,19-25).

Toch denk ik, dat het beter is de gelijkenis te horen zonder die traditionele uitleg, maar gewoon als Koninkrijksgelijkenis, gesproken in een heel actuele situatie, namelijk de twijfel van de discipelen. Zij twijfelden aan Jezus’ zending en volmacht (dat Hij van God gezonden zou zijn!). Zij zagen Zijn armoedige volgelingen, Zijn geringe succes en zelfs afwijzing, zoals in Nazareth (Marcus 6), de verbitterde tegenstand van de Farizeeën, de toenemende afval van Hem, omdat Hij in Zijn woorden aanstoot gaf (Johannes 6, 60v). Betekende dit alles niet een weerlegging van Zijn goddelijke aanspraken? “Kijk naar de landman” zegt Jezus . Die had ook wel kunnen ophouden vanwege de vele weerstand, die zijn werk ondervond en waardoor zijn zaad bedreigd en vernietigd wordt!  Toch gaat hij door, volhardend, in een vast vertrouwen, dat een rijke oogst niet zal uitblijven. “Jullie kleingelovigen! Nou zo is het ook met het Koninkrijk der hemelen: God gaat stug door, het begin is o zo klein en onaanzienlijk, maar de uitkomst zal overweldigend zijn, reken maar!”  In Zijn leven heeft Jezus dat laten zien: een mens als wij, niets bijzonders, maar door God opgewekt en aangesteld om te regeren naast Hem in Zijn Koninkrijk (lees Philippenzen 2, 5-11!). Zou het in Gods Koninkrijk niet juist het kleine en onaanzienlijke zijn, dat ‘t  ‘m doet?

In onze tijd zijn wij een steeds kleiner wordende kerkgemeenschap, in een grote hulpbehoevende wereld, die steeds groter wordt. Wat kan werelddiakonaat dan nog betekenen? Een druppel op een gloeiende plaat? Nee, zaad in de goede akker! Het bergt in zich, hoe klein ook, de belofte van een geweldige oogst! Daarom volhouden! En je niet laten afschrikken door allerlei influisteringen van de Satanische tegenstrever: “Er komt toch niets van terecht, het meeste blijft aan de strijkstok hangen, het is gekkenwerk, geen beginnen aan!” Weet ie veel, die Satan. Het IS toch al begonnen, wij hoeven het alleen maar voort te zetten!

WIE OREN HEEFT, DIE HORE !

De vrouw in het geloof IV

Pas als er geen zoon is kunnen de dochters erven. De moeder kan helemaal niet erven van haar man. Geen wonder dus, dat weduwen en weesmeisjes het meest behoeftig waren in de Joodse maatschappij. In het Christelijke westen is dit heel lang zo gebleven, tot laat in de 19e eeuw!

Een groot verschil tussen de Bijbel en de Islam betreft het erfrecht. In de Bijbel kunnen vrouwen niet erven, omdat zij zelf tot het erfgoed behoren. Zij zijn het eigendom eerst van de vader en daarna van de echtgenoot. Zo lezen we in Numeri 27, 1-11:

1-2  De dochters van Selofchad, die tot een geslacht behoorden dat van Jozefs zoon Manasse afstamde – Selofchad was een zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse – kwamen naar de ingang van de ontmoetingstent en wendden zich tot Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Deze vrouwen, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa genaamd, legden hun het volgende voor:
2 [1–2] 3  “Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij behoorde niet tot de aanhangers van Korach, die tegen de HEER in opstand kwamen, maar is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen.
4  Moet de naam van onze vader nu uit de familie verdwijnen omdat hij geen zoon heeft nagelaten? Wijst u ons, net als de broers van onze vader, een stuk grond toe.”
5  Mozes legde hun zaak aan de HEER voor,
6  en de HEER zei tegen Mozes:
7  “Selofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan.
8  En zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand sterft zonder een zoon na te laten, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter.
9  Heeft hij geen dochter, dan moet zijn bezit aan zijn broers gegeven worden.
10  Heeft hij geen broers, dan moet zijn bezit aan de broers van zijn vader gegeven worden.
11  Heeft zijn vader geen broers, dan moet zijn bezit aan zijn naaste bloedverwant gegeven worden; dat is dan zijn erfgenaam. Dit is een wettelijke bepaling voor alle Israëlieten, door de HEER aan Mozes gegeven.” “

Pas als er geen zoon is kunnen de dochters erven. De moeder kan helemaal niet erven van haar man. Geen wonder dus, dat weduwen en weesmeisjes het meest behoeftig waren in de Joodse maatschappij. In het Christelijke westen is dit heel lang zo gebleven, tot laat in de 19e eeuw!

In het oude Arabië was het ook zo, maar Mohammed heeft daar een abrupt einde aan gemaakt. “Voor de mannen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten, en voor de vrouwen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten, of het weinig of veel is: een vastgesteld aandeel.”(4,7). De algemene regel is dat het vrouwelijk deel de helft van het mannelijk deel is. Dit lijkt onrechtvaardig, maar men dient ook rekening te houden, dat de financiële verantwoordelijkheid van de man veel groter is dan die van de vrouw. Zo heeft hij te zorgen voor zijn vrouw en kinderen, terwijl de vrouw haar eigen bezit (bruidsschat en zo) voor zich zelf mag gebruiken.

Zoals gezegd had de weduwe in het Joodse geloof het erg moeilijk. Zo was het verplicht, dat een kinderloze weduwe de broer van haar overleden man trouwde, om kinderen te verkrijgen (het zogenaamde zwager-huwelijk). Dit staat beschreven in Genesis 38,8: “Toen zei Juda tegen Onan: Vervul je zwagerplicht: trouw met de vrouw van je broer en verwek voor je broer nakomelingen bij haar”. Bij de Arabieren in de tijd van Mohammed was het ook zo. Maar de profeet kreeg een visioen dat het anders moest. Er moest voor de weduwen gezorgd worden, zonder verplichting dat zij moest hertrouwen met een familielid.

We willen het nu hebben over de kwestie van de polygamie. In de Bijbel wordt dit niet veroordeeld. Er staat zelfs dat koning Salomo 700 vrouwen had! De enige beperking is het verbod op het trouwen met de zus van je vrouw (Leviticus 18,18). De Talmud adviseert verder een maximum van 4 vrouwen. Tot in de 16e eeuw bleef dit een Joods gebruik. In het N.T. is polygamie ook niet verboden, maar in het Romeinse Rijk was het niet toegestaan. In de Koran staat het volgende: “En indien jullie vrezen de (vrouwelijke) wezen niet rechtvaardig (in haar recht op een bruidsschat) te behandelen, trouwt dan met de vrouwen (niet de vrouwelijke wezen) die jullie aanstaan, twee, drie of vier. Als jullie vrezen haar niet rechtvaardig te kunnen verzorgen, dan (alleen) één” (4,3). We zien hier, dat de Koran de polygamie niet zo zeer aanmoedig, maar wel in noodgevallen tolereert.

Het heeft ook te maken met het vrouwenoverschot in de wereld. In Guinee bijvoorbeeld zijn er 122 vrouwen tegenover 100 mannen! Wat gebeurt er in zo’n geval? Sommige landen zijn voorstanders van het celibataire leven, in andere landen worden meisjes gedood, wat nu nog gebeurt. Weer anderen zien een oplossing in het tolereren van prostitutie, homoseksualiteit, en het hebben van buitenechtelijke relaties. Voor de Afrikaanse landen van vandaag geldt het toestaan van het polygame huwelijk als de meest eerbare oplossing. Iets, wat in de Westerse landen vaak gezien wordt als vernedering van de vrouw. Het is zelfs zo, dat Afrikaanse vrouwen er bij hun mannen op aandringen een tweede vrouw te nemen, zodat zij zich niet eenzaam hoeven te voelen! Bij een onderzoek in Kenia bleek maar liefst 76% van de vrouwen positief aan te kijken tegen polygamie.

Natuurlijk speelt zo’n vrouwenoverschot in tijden van oorlog een grote rol. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de Amerikaanse Indiaanse stammen en dichterbij in Duitsland na de 2e wereldoorlog. De bezetters van Duitsland konden tegen een paar sigaretten of een stuk chocolade iedere vrouw krijgen! Je kunt de vraag stellen: wat geeft de vrouw meer waardigheid: een gerespecteerde tweede vrouw zoals in Afrika en bij de Indianen of feitelijk een prostituee zoals bij de zogenaamde beschaafde “bondgenoten”?

In de huidige wereld met de massavernietigingswapenen zou polygamie een noodzakelijke manier van overleven kunnen worden. In Amerika is er nu al, vooral bij de jonge zwarte vrouwen, een groot vrouwenoverschot. Er zijn ook veel scheidingen. Er wordt wel gezegd, dat kinderen er bij gebaat zouden zijn, wanneer er in plaats van scheiding een tweede vrouw bij kwam in het gezin. In Mormoonse kringen wordt de polygamie nog gepraktiseerd. Daar wordt geloofd, dat polygamie een ideale manier is voor de vrouw om zowel carrière te maken als kinderen te krijgen, omdat de vrouwen elkaar helpen bij het verzorgen van de kinderen. In de Islam is de vrouw vrij om een reeds getrouwde man te trouwen. Zij kan er niet toe worden gedwongen. Ook kan een vrouw in het huwelijkscontract laten bepalen, dat haar man geen tweede vrouw mag trouwen. In de huidige tijd wordt polygamie in Islamitische landen niet veel meer toegepast, omdat de aantallen mannen en vrouwen elkaar aardig in evenwicht houden. Misschien is polygamie daar wel zeldzamer dan buitenechtelijke affaires in Westerse landen! De beroemde Evangelist Billy Graham heeft eens gezegd: “De Christelijke landen maken een grote show van monogamie, maar in feite praktiseren zij polygamie!” Er moet nog gezegd worden, dat in de meeste zowel Islamitische als niet-islamitische landen polygamie verboden is.

De vrouw in het geloof III

Er ligt een belangrijk verschil tussen de drie grote geloven op het punt van de echtscheiding. In het Joodse geloof is het zonder meer toegestaan, bij de Christenen is het verboden. Dat heeft te maken met het woord van Jezus: “En Ik zeg jullie: wie zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten (gescheiden) vrouw, pleegt overspel”.

Er ligt een belangrijk verschil tussen de drie grote geloven op het punt van de echtscheiding. In het Joodse geloof is het zonder meer toegestaan, bij de Christenen is het verboden. Dat heeft te maken met het woord van Jezus: “En Ik zeg jullie: wie zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten (gescheiden) vrouw, pleegt overspel”. In het Oude Testament ligt het heel anders: “Het volgende kan zich voordoen: iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om de een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij bij haar vertrek aan haar meegeeft. Ze gaat bij hem weg en wordt de vrouw van een ander. Maar dan krijgt die tweede man een afkeer van haar, en ook hij schrijft een scheidingsbrief en geeft haar die bij haar vertrek mee; of de man die als tweede met haar getrouwd is, komt te overlijden. In zo’n geval mag de eerste man, die van haar gescheiden is, haar niet opnieuw tot vrouw nemen, nu zij voor hem onrein geworden is”.(Deuteronomium 24,1-4).

De vraag is natuurlijk, wanneer een man “ontevreden” is over zijn vrouw. Hele discussies zijn daarover losgebarsten. De één zegt: seksueel wangedrag, de ander: ze kan niet koken, een derde gewoon: ik vind haar niet meer lief of mooi. In het Nieuwe Testament wordt meestal uitgegaan van het eerste, terwijl in de Joodse wet elke man vrij is om zonder meer te scheiden. He Oude Testament verplicht de man zelfs om te scheiden van een “slechte vrouw”: “Een slechte vrouw brengt vernedering, een treurig gezicht en pijn in het hart. Bij een vrouw is de zonde begonnen, door haar moeten wij allen sterven… Als ze je niet gehoorzaamt, ban haar dan uit je leven.”(Prediker 25,23-26). De Joodse Talmud heeft zelfs verplicht gesteld van een onvruchtbare vrouw te scheiden. Maar vrouwen zelf kunnen geen scheiding starten. Wel kan een vrouw bij het Joodse Hof een scheiding eisen, als haar man bijvoorbeeld lichamelijk beperkt is of zijn echtelijke verplichting niet kan nakomen. Het Hof kan de vrouw dan in het gelijk stellen, maar alleen de man zelf kan de scheidingsbrief meegeven. De man kan hiertoe niet gedwongen worden. Hij kan haar zelfs ongescheiden verlaten en een andere vrouw trouwen. Maar de verlaten vrouw kan geen andere man trouwen, omdat zij volgens de wet nog getrouwd is. Zo’n vrouw wordt een “geketende”(agunah) genoemd. Dat zouden er in Israël zo’n 16.000 zijn!

In de Islam wordt een middenweg bewandeld: je mag wel scheiden, maar liever niet! Voordat het zo ver komt, moeten er allerlei bemiddelingspogingen worden gedaan. Ook de vrouw heeft het recht om te scheiden. Maar dan moet zij wel de bruidsschat teruggeven, als eerlijke compensatie voor de man, die zijn vrouw kwijt raakt! Door dit recht van de Islamitische vrouw probeerden ook Joodse vrouwen in de Islamitische gemeenschappen van de 7e eeuw scheidingsbrieven te krijgen bij Islamitische gerechtshoven. De Rabbijnen verklaarden deze brieven onwettig.

In de Islam wordt de vrouw met respect behandeld. Moslims kunnen niet zo maar van hun vrouw scheiden, omdat zij haar niet meer aantrekkelijk vinden. “Een gelovige man dient een gelovige vrouw niet te haten. Wanneer hij zich stoort aan een van haar (karakter)eigenschappen, dan zal hij tevreden zijn met een andere”. (Muslim). Maar ja, soms is een huwelijk niet meer te redden! Dan geeft de Koran de volgende adviezen: “En wat betreft haar (echtgenotes) waarvan jullie ongehoorzaamheid vrezen : 1. vermaant haar, en als dat niet helpt: 2. Negeert haar in bed, en als dat niet helpt: 3. Slaat haar (licht); tenslotte 4. En als jullie een breuk tussen hen beiden vrezen, stuurt dan een bemiddelaar van zijn familie en een bemiddelaar van haar familie, indien zij een verzoening wille, zal Allah tussen hen beiden een verzoening bewerkstelligen”(Koran 4,34-35). Het slaan van vrouwen blijft een probleem! In de Islam is het een lichte straf om vrouwen te corrigeren, maar in de Talmud mag een man zijn vrouw al slaan, als zij haar huishoudelijke taken niet goed vervult. Hij mag hierbij zelfs gebruik maken van de zweep!

En dan nu de houding tegenover de ouders. In het Oude Testament staat bv: “Wie een vloek uitspreekt over zijn vader of zijn moeder (hen uitscheldt), moet ter dood gebracht worden (Leviticus 20,9) en “Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde, een dwaas veracht zijn moeder “(Spreuken 15,20).  Over de moeders apart wordt niet gesproken. Bovendien erven moeders niets van hun kinderen, terwijl vaders dit wel doen. In het Nieuwe Testament is het al niet anders. Daar wordt zelfs gepleit om te breken met de ouders: “Wie Mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen en ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet Mijn leerling zijn”(Lukas 14,26). Toen Zijn moeder en broers Hem zochten en de menigte om Hem heen Hem daarop attendeerde, zei Hij: “Wie zijn Mijn moeder en mijn broers? Jullie zijn Mijn moeder en Mijn broers, want iedereen die de wil van God naleeft is Mijn broer en zuster en moeder” (Marcus 3,31-35).  Je kunt daaruit concluderen, dat de moeder niet echt met liefde en respect wordt behandeld in het Christendom, ondanks de verering van de maagd Maria in het Rooms Katholicisme. Binnen de Islam is het heel anders! Daar staan de ouders en zeker de moeder op een voetstuk. “En jullie Heer heeft bepaald, dat jullie niets dan Hem alleen aanbidden, en goedheid betrachten tegenover de ouders. Als een van de twee of beiden de ouderdom bereiken in jouw aanwezigheid, zeg dan nooit “foei” tegen hen, snauw hen niet af en spreek tot hen een vriendelijk woord. En wees zachtmoedig voor beiden, en nederig en liefdevol, en zeg: “O mijn Heer, schenk hun genade, zoals zij mij opvoedden toen ik klein was”(17,23-24). De moeder heeft een heel speciale plaats in de Koran: Een man vroeg aan de Profeet: wie moet ik het meest eren? De Profeet antwoordde: je moeder. En wie komt er daarna? vroeg de man. De profeet antwoordde: Je moeder! En wie komt er daarna? vroeg de man. De profeet antwoordde: Je moeder! En wie komt er dáárna? vroeg de man opnieuw. De profeet antwoordde: Je vader.”(Bukhari en Muslim). Tot op de dag van vandaag is de liefde voor de moeder zichtbaar in de Mohammedaanse huisgezinnen, iets waarop anderen jaloers kunnen zijn!

De vrouw in het geloof II

We willen het nu hebben over “overspel”. Hier ligt een verschil tussen de Koran en de Bijbel. In de Koran staat, dat overspel betrekking heeft op de buitenechtelijke verhouding van beide, zowel een getrouwde man als een getrouwde vrouw. De Bijbel beschouwt alleen de buitenechtelijke verhouding van een getrouwde vrouw als overspel.

We willen het nu hebben over “overspel”. Hier ligt een verschil tussen de Koran en de Bijbel. In de Koran staat, dat overspel betrekking heeft op de buitenechtelijke verhouding van beide, zowel een getrouwde man als een getrouwde vrouw. De Bijbel beschouwt alleen de buitenechtelijke verhouding van een getrouwde vrouw als overspel. “Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood.”(Leviticus 20, 10).

Cruciaal zijn de bepalingen in Deuteronomium 22, 22-29: Ongeoorloofde betrekkingen.

22 Wanneer ergens een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een andere man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.

23 Wanneer een meisje nog maagd is, maar wel in ondertrouw met een man, en een andere man treft haar binnen de stad aan en slaapt met haar,

24 dan moet u hen beiden naar buiten brengen, naar de poort van die stad, en moet u hen met stenen stenigen totdat zij sterven; het meisje vanwege het feit dat zij binnen de stad niet om hulp geroepen heeft, en de man vanwege het feit dat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

25 Maar als de man het ondertrouwde meisje in het open veld aantreft, en de man haar vastgrijpt en met haar slaapt, dan moet alleen de man die met haar geslapen heeft, sterven.

26 Het meisje mag u niets doen, want het meisje heeft geen zonde begaan die de dood verdient. Deze zaak komt immers overeen met het geval dat een man zijn naaste aanvalt en deze om het leven brengt.

27 Hij trof haar namelijk aan in het open veld, en het ondertrouwde meisje riep, maar er was niemand die haar verloste.

28 Wanneer een man een meisje aantreft, een maagd die niet in ondertrouw is, en hij grijpt haar en slaapt met haar, en zij worden ontdekt,

29 dan moet de man die met haar geslapen heeft, aan de vader van het meisje vijftig zilverstukken geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar vernederd heeft. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen.

Het wordt blijkbaar niet als een misdaad beschouwd, wanneer een getrouwde man slaapt met een ongetrouwde vrouw. Overspel is alleen een misdaad, wanneer een man, getrouwd of ongetrouwd, slaapt met een getrouwde vrouw. In dit geval zijn beide echtbrekers. De getrouwde vrouw is dus bepalend voor de echtbreuk. Hoe komt het, dat hier toch met twee maten gemeten wordt? Het wordt wel zo uitgelegd: de vrouw is het bezit van haar man, dus is overspel schending van het exclusieve recht van de echtgenoot op haar. Maar de vrouw had, als bezit van de man, geen dergelijk recht op hem. De Koran beschouwt een vrouw nooit als het bezit van een man. “En het behoort tot Zijn tekenen, dat Hij voor jullie van jullie eigen soort echtgenotes heeft geschapen, opdat jullie rust bij haar vinden, en Hij bracht tussen jullie liefde en barmhartigheid. Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor een volk dat nadenkt”(30,21). Liefde, barmhartigheid en rust, dat zijn de uitgangspunten voor een goed huwelijk in de Koran. Geen sprake van bezit van de een door de ander en van dubbele normen!

Nu de kwestie van de “geloften”. In de Bijbel wordt met twee maten gemeten. De man moet altijd zijn geloften nakomen. Voor de vrouw zijn die geloften niet noodzakelijk bindend. Die moeten namelijk eerst door haar man of vader goedgekeurd worden. “Maar als haar vader bezwaar maakt, zodra hij er van hoort, verliezen al haar geloften en verplichtingen die ze op zich genomen heeft hun geldigheid… Maar verklaart hij ze nadrukkelijk ongeldig als hij er van hoort, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid” (Numeri 30,2-15). Het woord van een vrouw is niet bindend, omdat zij eigendom is van de vader of van haar man. Dit heeft ook in onze Westerse cultuur doorgewerkt tot in het midden van de 19e eeuw, dus twee duizend jaar! Een getrouwde vrouw had geen wettige status. Zij mochten geen juridische handelingen verrichten, contracten sluiten en dergelijke. Binnen de Islam is de gelofte van man of vrouw bindend. “(Bij het verbreken van jullie eden) geldt Kaffarah hiervoor: het voeden van tien armen, zoals jullie gemiddeld jullie families voeden; of het hen kleden; of het vrijlaten van een slaaf. En wie dat niet vindt: het vasten van drie dagen. Dat is de Kaffarah voor het verbreken van jullie eden, die jullie zwoeren. Maar wees jullie eden getrouw!”(5,89). Voor zijn dochter of vrouw kan een man geen eed afleggen. Ook kan een man een eed, afgelegd door één van de vrouwelijke familieleden verwerpen. Een eed blijft altijd persoonlijk, of je man bent of vrouw.

Wie heeft de leiding in het gezin? De drie godsdiensten zijn het er over eens, dat dat de man is. Toch is er verschil in opvatting. De Joodse traditie gaat er van uit, dat de vrouw het bezit van de man is. Hierdoor kreeg je die dubbele maatstaven van overspel, het afleggen van geloften en ook het hebben van bezit. Zodra een Joodse vrouw trouwde, verloor ze de macht over haar bezit aan haar man. Uitspraak van Joodse Rabbijnen: “Is het niet logisch dat, aangezien hij de vrouw is gaan bezitten, hij ook haar bezittingen gaat bezitten?” In de praktijk ging het zo, dat een deel van het familiebezit aan de huwbare dochter werd geschonken om een partner aan te trekken. Een meisje was in een Joodse familie dus geen voordeel, alleen maar een last! Zodoende werd de geboorte van een dochter ook niet met blijdschap gevierd. De bruidsschat kwam de man, met wie ze trouwde, toe. En als ze na het huwelijk nog ging werken, wat ook van haar verwacht werd, het verdiende geld ging allemaal naar de man. Zij kon haar bezit slechts in twee gevallen terug krijgen: door echtscheiding of door de dood van de man. In het laatste geval kreeg zij alleen haar bruidsschat terug en niet ook een deel van de erfenis van de man.
Christenen volgden tot voor kort dezelfde traditie. Onder het Canoniek recht had een vrouw recht op de teruggave van haar bruidschat, als het tot scheiding was gekomen, tenzij zij schuldig was bevonden aan overspel. (Het canoniek recht is het kerkrecht dat door de Katholieke Kerk, de Anglicaanse Kerk en de Orthodoxe Kerk wordt vastgelegd en toegepast in de kerkelijke rechtbanken. Het is gebaseerd op de Bijbel, de apostolische traditie, de geschriften van de kerkvaders en de bevindingen van kerkleraren (de zogeheten doctores ecclesiae)- Wikipedia). In het Engelse recht staat bijvoorbeeld  “Datgene wat de man bezit is zijn bezit. Datgene wat de echtgenote bezit is het bezit van de echtgenoot.”(16,32). Een getrouwde vrouw werd behandeld als een kind, omdat zij aan haar man toebehoorde en daarom haar identiteit en bezit en ook familienaam verloor.

In de Islam gaat het er anders aan toe. Geen bruidsschat of enige betalingsverplichting van de vrouw. Het is de bruidegom, die een huwelijksgeschenk moet geven. Dit geschenk wordt eigendom van de vrouw en niemand kan het haar afnemen, ook niet als het tot een scheiding komt. “En geeft de vrouwen hun bruidsschatten als een schenking, maar wanneer zij zo goed voor jullie zijn iets van de bruidsschat terug te geven: eet er dan met plezier en welbehagen van…”(4,4). Ook wat zij gaat verdienen, is haar bezit. De man zorgt voor het levensonderhoud van het gezin. Beide echtgenoten erven van elkaar. Een getrouwde vrouw houdt ook haar eigen persoonlijkheid voor de wet en haar familienaam.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 50

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking.

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking. Is dat niet merkwaardig? Dat eerst het dagelijkse brood genoemd wordt? Ja, dat is het. Wie bidt er nu om brood? Als je in de problemen bent en je bidt dan tot God, dat zou begrijpelijk zijn. Maar om brood bidden? Geen wonder, dat in veel gezinnen het gebed bij de maaltijd is afgeschaft! En waar het nog wel gedaan wordt, gebeurt het meestal achteloos. Het zal u ook wel eens overkomen zijn, dat u gebeden had voor de maaltijd, maar toen iemand vroeg “hebben we al gebeden?”, dat u het toen niet meer wist. U moest er eerst even over denken! Bidden om het dagelijkse brood is er toch niet meer bij. Dat hebben we toch ook echt niet meer nodig, in deze tijden van overvloed!

En toch staat het brood voorop in de menselijke dingen. Jezus heeft het goed begrepen, dat brood voor de mens onmisbaar is. Want de mens is een stoffelijk wezen. En zo staat hij ook voor God, ook in het gebed, als een stoffelijk wezen. Hij wordt niet ineens een ander geestelijk mens, als hij bidt. Hij blijft wie hij is: een eenvoudig stoffelijk mensenkind. Als teken daarvan wordt het brood genoemd. Maar u zult begrijpen, dat hiermee niet alleen het brood van de bakker bedoeld is. Het gaat hier om het hele lichamelijke en maatschappelijk-menselijke leven. Dit alles brengen wij in het gebed voor Gods Aangezicht. Ook het belastingbiljet en de doktersrekening, heel het armetierige en ook dure leven zoals wij dat kennen. We moeten het niet gering achten, dat we “aardse” wezens zijn. Zo heeft God ons immers bedoeld! Hij heeft ons uit de aarde genomen. Daarom zegt Hij ook tot ons: “Stof zijt gij en tot stof zult gij weer worden; uit de aarde zijt gij genomen en tot de aarde zult gij wederkeren.” En zo is het ook. Stof zijn wij, wij horen thuis op de aarde en in al deze stoffelijkheid hebben wij een verhouding met God.

Dat is het eerste, wat wij moeten weten. Dat het gaat om “alle nooddruft”, zoals de Heidelberger dat zo treffend zegt. Alle aardse zaken, zonder uitzondering, moeten in ons gebed onder de aandacht van God gebracht worden, omdat wij door Gods bestemming aardse mensen zijn. En als wij dat doen, gaan we automatisch ontdekken dat God de enige oorsprong van alle goed is. Al onze arbeid en zorg kunnen niet zonder Zijn zegen. Dat brengt ons er als vanzelf toe ons vertrouwen alleen op Hem te stellen. Zo legt de Catechismus deze vierde bede van het Onze Vader uit. Er wordt hier heel eenvoudig over “brood’ gesproken. Dat heeft ons welvaartsmensen iets te leren: soberheid. Wat wij het meest nodig hebben is “brood’. Daar kunnen wij niet buiten, net als “water”. He gaat er om, dat we in stand blijven. Daar bidden we om. De levensdrift, the struggle for life, is ook uit God. Daar ligt natuurlijk nog heel wat omheen, vooral tegenwoordig in ons rijke en overvloedige leven. Een auto wordt dikwijls belangrijker geacht dan brood. We willen heel wat meer dan het strikt eenvoudige. We willen een menswaardig bestaan en dat is ons recht. Ook dat wordt ons door de Bijbel geleerd: de weelde en de leefbaarheid van het leven, zo dat de mens zich in zijn bestaan kan verheugen. Maar daarin moeten we toch altijd iets van de royaliteit van God blijven voelen. Immers Zijn zegen is het alleen, die de meest sobere zaken tot weelde, tot iets verheugends maakt. “Zie de leliën des velds…” Niet onze zorg en onze arbeid! De middelen, waarmee we ons brood verdienen; het zijn de gaven uit Zijn hand! Met daarbij ook de opdracht aan ons te werken “in het zweet van ons aangezicht”. Bidden en werken. “Ora et labora”. Het werk en de vlijt behoren onmiskenbaar tot de godsdienst. Maar zonder Gods zegen zou het zinloos zijn. De mooiste dingen zouden verkeren in hun tegendeel. En daarom bidden wij tegelijk met het dagelijkse brood ook voor ons werk, de arbeid van vandaag, die ons morgen weer te eten zal geven. God moet onze arbeid gebruiken en zegenen, dan hebben we ook zeker te eten en al de dingen die daarbij horen. Daarbij hoeven we ons geen zorgen te maken! Bidden en werken is onze opdracht, maar zorgen… dat kunnen we aan God over laten. Hij doet het voor ons. Bezorgd zijn en tobbe(re)n hoeven wij ons zelf niet aan te doen. We moeten niet zo zwaar aan het leven dragen, want dan treden we in de rechten van God. Hij heeft in onze plaats zwaar aan het leven gedragen, Hij droeg de last van het kruis. En dat doet Hij, van het begin tot het einde, nu nog, voor een ieder die op Hem vertrouwt. Hij, Die dat deed en nog doet, is het ook Die ons het Onze Vader geleerd heeft, en daarom mogen wij er ook gerust op zijn. Dat is bidden: wij werken voor het brood en de zorg dragen wij over aan God. Daarom zeggen wij: “geef GIJ ons heden het dagelijks brood”. “Heden”, dat is het element van de tegenwoordigheid. Wij beperken ons tot vandaag, de toekomst is van God, en daar is ie veilig geborgen. Wij hebben ons bezig te houden met het “heden”, vandaag, en daar moeten we vrede mee hebben! Elke dag, die God ons geeft, moeten we uitbuiten en liefhebben en daarin gelukkig zijn. Jezus leert ons in het gebed niet meer te willen dragen dan één dag tegelijk. Meer zou voor ons mensen te veel zijn. Dat kunnen we niet aan!

Tenslotte nog dit: wij bidden om ONS brood. Daar zit solidariteit in, gemeenschappelijkheid. Wij bidden gemeenschappelijk en voor elkaar. Alle gebed is in wezen voorbede! Bij onze bede hebben wij ook het brood van onze medemensen op het oog. We denken daarbij in het bijzonder aan het brood van onze hongerlijdende medemensen. He gaat dan om gewoon brood ter stilling van de honger. Overal in de wereld wordt er nog echt honger geleden. Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, waar het brood bij ons vaak in de vuilnisbakken te vinden is. Toch hebben we het zelf ervaren, nu 70 jaar geleden, in de Hongerwinter van 1944/45,  wat het betekent: brood te hebben, elke dag brood te hebben. Wat een weldaad! Wat heerlijk zou het zijn, wanneer alle mensen in de wereld dit brood hadden. Deze gedachte, dit innerlijk verlangen, maakt dat wij vanuit dit bidden om brood ook metterdaad gaan werken voor dat brood voor de gehele wereld. Het gaat er dan niet meer om, dat wij veel hebben, maar dat iedereen dat ontvangt wat hij broodnodig heeft: zijn dagelijkse voedsel, een leefbaar bestaan. God zegene ons bij het werk en de ijver die we daaraan besteden! Laten we steeds weer een beroep doen op de trouw en macht van Hem, Die met Zijn zegen het mogelijk kan maken, zoals Hij dat in het verleden gedaan heeft met het manna in de woestijn en met de raven, die de hongerende Elia brood brachten, en met Zijn Zoon Jezus Christus, het Brood des Levens. Ons vertrouwen moeten we op Hem stellen, op Hem alleen, maar we mogen daarbij niet stil blijven zitten en toekijken. Bid daarom: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ora et labora! Bid en werk!

Amen.

De vrouw in het geloof I

Van een Moslimvriendin in het Maasstad-Ziekenhuis ontving ik een boekje “Vrouwen binnen de Islam”, geschreven door een Amerikaanse professor Sherif Abdel Azim. Ik was wel benieuwd, wat daar in stond, en begon direct te lezen. Misschien zou het negatieve beeld, wat wij in ons land van de Islam hebben, wat bijgesteld kunnen worden!

Van een Moslimvriendin in het Maasstad-Ziekenhuis ontving ik een boekje “Vrouwen binnen de Islam”, geschreven door een Amerikaanse professor Sherif Abdel Azim. Ik was wel benieuwd, wat daar in stond, en begon direct te lezen. Misschien zou het negatieve beeld, wat wij in ons land van de Islam hebben, wat bijgesteld kunnen worden! Ik herinner bijvoorbeeld aan het zogenaamde “kopvoddendebat” (wie heeft zo’n denigrerend woord nou bedacht?) in de 2e Kamer.

De schrijver richtte zich op de geloofsboeken van zowel de Islam als ook het Joden- en het Christendom: de Koran, de Thora (de eerste 5 boeken van het Oude Testament: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium). Dat deed hij, omdat je zo bij de zuivere vorm van het desbetreffende geloof komt. In de praktijk immers is dit geloof gemengd met allerlei overleveringen uit de cultuur. Zo heb je in verschillende Afrikaanse Mohammedaanse landen nog de vrouwenbesnijdenis, terwijl deze in Marokko en Turkije al lang verboden is.

Ik wil de bevindingen van het boekje graag aan u doorgeven, in mijn eigen woorden. Vooreerst moet gezegd worden, dat de schrijver tot opmerkelijke uitspraken komt. Centraal staat de kwestie van Eva en de zondeval, wat in het Joodse en Christelijke geloof zo’n geweldige impact heeft gekregen. Hierdoor is de vrouw blijvend in een zwart daglicht komen staan. Ik citeer uit het Bijbelboek Prediker enkele verzen: “En ik vond iets bitterder dan de dood: de vrouw, zelf een strik, haar hart een net, haar armen ketenen. Wie bij God in de gunst staat ontkomt haar, maar de zondaar wordt door haar gevangen. Zie, zo heb ik het gevonden, zegt de Prediker, het een bij het ander nemend om een eindoordeel op te maken. Wat ik voorts vurig gezocht maar niet gevonden heb: Op duizend heb ik een rechtschapen man gevonden, maar een rechtschapen vrouw heb ik onder zovelen niet gevonden”(Prediker 7, 26-28). Ook in Prediker 25 komt de vrouw er niet al te best af: “Alle kwaad valt in het niet bij het kwaad van een vrouw…  Bij een vrouw is de zonde begonnen, door haar moeten wij allen sterven”(vs.19 en 24). In veel Joodse gebedenboeken heb je het volgende gebed: “Geprezen zij God dat Hij mij niet als een heiden heeft geschapen. Geprezen zij God dat Hij mij niet als een vrouw heeft geschapen. Geprezen zij God dat Hij mij niet als een domkop heeft geschapen.”

In het Christendom worden de gevolgen van Eva’s zondeval nog erger gevoeld dan in het Jodendom. Immers voor de zonden der wereld, die daarvan een gevolg waren, is JEZUS Christus gestorven. Eva verleidde Adam, zo kwam de “erfzonde” tot stand en moest Christus sterven. Dit bracht de apostel Paulus er toe te schrijven in 1 Timotheüs 2: “De vrouw ontvangt zwijgend onderricht, in alle onderdanigheid. Onderricht te geven of zich boven de man te verheffen sta ik een vrouw niet toe; zij moet zich stil houden. Immers Adam is het eerst geschapen, daarna Eva. En niet Adam werd verleid, maar de vrouw liet zich verleiden en kwam ten val”(vs.11-14). Ook de kerkvaders gingen mee in dit spoor. Zo lees ik, dat de bekende Augustinus (4e eeuw) gezegd zou hebben: “Wat is het verschil of het in een vrouw of een moeder is, het blijft Eva, de verleidster, waarvoor we moeten uitkijken in iedere vrouw… Ik zie niet in wat er nuttig kan zijn voor een man in een vrouw, behalve het baren van kinderen”. Zelfs de grote Hervormer Maarten Luther kon geen enkel voordeel in de vrouw zien, behalve het in de wereld brengen van zoveel mogelijk kinderen: “Wanneer zij vermoeid raken of zelfs sterven, dat maakt niet uit. Laat haar sterven tijdens te bevalling, dat is waarom zij hier zijn”. Ik kan dit niet begrijpen, want volgens mij was Luther heel gelukkig getrouwd met zijn Katharina van Bora ( zie mijn artikelen over Luther op mijn website, deel VII).

De Koran spreekt heel anders over vrouwen. Lees maar 33,35: “Voorwaar, de mannen die zich aan Allah hebben overgegeven en de vrouwen, die zich hebben overgegeven, en de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, en de gehoorzame mannen en de gehoorzame vrouwen, en de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, en de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, en de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, en de bijdragen gevende vrouwen, en de vastende mannen en de vastende vrouwen en de mannen die over hun kuisheid waken en de vrouwen die daarover waken, en de mannen die Allah veelvuldig gedenken en de vrouwen die gedenken: Allah heeft voor hen vergeving bereid en een geweldige beloning”. Nog zo’n sprekende tekst: “En de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars helpers, zij roepen op tot het behoorlijke en verbieden het verwerpelijke en zij onderhouden de shalat en geven de zakat, en zij gehoorzamen Allah en Zijn Boodschapper. Zij zijn degenen, die Allah zal begenadigen. Voorwaar, Allah is Almachtig, Alwijs”(9,71). Uit deze teksten blijkt duidelijk, dat man en vrouw gelijk zijn. Beiden zijn schepselen van God en geroepen om Hem te dienen en te aanbidden. De Koran vermeldt ook nergens, dat de man het evenbeeld van God is en de vrouw een bedriegster, een verleidster, een duivelse poort. Ook de taak van de vrouw is niet beperkt tot het baren van kinderen.

Het is niet verwonderlijk, wanneer je deze teksten leest, dat in de Thora de geboorte van een jongen wordt bejubeld en de geboorte van een meisje wordt betreurd. “Wees bij de geboorte van een jongen allen blij… Wees bij de geboorte van een meisje allen bedroefd… Wanneer er een jongen ter wereld komt, komt er vrede ter wereld… Wanneer er een meisje komt, komt er niks.” Een dochter is alleen maar een last voor haar vader: “Bewaak een eigenzinnige dochter streng, anders maakt ze je belachelijk bij je vijanden, bezorgt ze je geroddel in de stad, een oploop van het volk en maakt ze je bij velen te schande”(Prediker 42,11). Het is door deze houding tegenover meisjes, dat het bij de heidense Arabieren voor de komst van de Islam gebruikelijk was meisjes te doden. Mohammed verfoeide deze praktijken (Koran 16,58-59; 43,17; 81,8-9). In de Koran wordt geen onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes. De geboorte van een meisje wordt evenals de geboorte van een jongen als een zegen van God beschouwd. “Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil en Hij schenkt meisjes aan wie Hij wil en Hij schenkt jongens aan wie Hij wil”(42,49). De meisjes gaan hier voorop!

Hetzelfde, wat wij hier boven zagen, geldt ook voor het onderwijs aan vrouwen. In de Thora van de Joden staat nadrukkelijk, dat vrouwen zijn vrijgesteld van het bestuderen daar van. Het wordt zelfs zo gezegd: “Laat de woorden van de Thora eerder door vuur vernietigd worden dan dat het wordt overgebracht aan vrouwen”… “Degene die aan zijn dochter de Thora onderwijst is alsof hij haar iets onzedelijks onderwees”. Bekend zijn ook de woorden van Paulus in 1 Korinthiërs 14, 34-35: “Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is en schande voor een vrouw, als ze tijdens een samenkomst spreekt”. Door dit principe komt het, dat pas in de tweede helft van de 19e eeuw de vrouw kiesrecht krijgt, eerst actief, daarna ook passief. En pas nu is er een vrouw van de SGP ergens in de Gemeenteraad gekomen. In orthodoxe Kerkgemeenschappen is het een vrouw niet toegestaan in de Kerkenraad te komen of op de kansel te staan. In de Koran wordt de vrouw niet het zwijgen opgelegd. Zij hoeft ook niet eerst haar man te vragen of zij mag spreken of om uitleg van de Koran.

Een ander punt, wat vrouwen diep raakt, is de “besmetting”. Het oude testament beschouwt iedere menstruerende vrouw als onrein. Bovendien is zij dan ook besmettelijk. Niemand mag haar aanraken en alles wat zij aanraakt is onzuiver geworden. “Wanneer bij een vrouw bloed uit haar schede vloeit , duurt de periode van haar onreinheid 7 dagen. Ieder die haar gedurende die periode aanraakt is tot de avond onrein. Ieder die haar bed aanraakt, of iets waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Wie iets aanraakt dat op haar bed ligt of op een voorwerp waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein”(Leviticus 15,19-23). Een menstruerende vrouw werd gewoon verstoten. Zij mocht niet in de tempel of synagoge komen en soms werd zij zelfs naar een speciaal huis gestuurd, “het huis van onreinheid”, voor de hele periode van haar onreinheid. Geen wonder, dat veel Joodse vrouwen de menstruatie nog altijd beschrijven als “de vloek”. In de Islam is de menstruerende vrouw niet “fataal” of vervloekt. Het is alleen verboden voor een echtpaar seksuele gemeenschap te hebben tijdens de menstruatieperiode. Maar verder mogen zij elkaar gewoon aanraken.

Een ander punt van verschil tussen de Islam en de Bijbel is de getuigenis van vrouwen. In de Koran is er nauwelijks verschil tussen het getuigenis van een man en een vrouw. Wanneer een man zijn vrouw bijvoorbeeld beschuldigd van overspel, is hij door de Koran verplicht om vijf maal plechtig te zweren dat de vrouw schuldig is. Wanneer die vrouw echter ontkent en op dezelfde wijze vijfmaal zweert, dan wordt zij niet schuldig bevonden, en in ieder geval wordt het huwelijk ontbonden (24,6-11). In de Bijbel delft de vrouw altijd het onderspit. Zo lezen we het volgende verhaal in de Statenvertaling (Deuteronomium 22,13-21):

13. Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten,

14. En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden;

15. Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort uitbrengen, den maagdom dezer jonge vrouw.

16. En de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat;

17. En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden.

18. Dan zullen de oudsten derzelver stad dien man nemen, en kastijden hem;

19. En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij een kwaden naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israel; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.

20. Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan de jonge dochter niet gevonden is;

21. Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 49

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid.

Wij komen nu bij wat wel eens de moeilijkste bede uit het Onze Vader genoemd wordt: “Uw wil geschiede”. Wij weten, dat ook de Here Jezus, in de hof van Getsemane, staande voor de benauwenis van het naderende einde, deze woorden gebeden heeft: “Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede …” Door dit gebed wordt Jezus getroost en versterkt. Maar deze vertroosting is er niet onmiddellijk en deze versterking laat dikwijls even op zich wachten. Als wij namelijk die bede bidden, dan voelen we eerst de strijd, de botsing, de ellende. Er is een andere wil dan de onze. En die andere wil is op andere dingen gericht. Naast elkaar en heel vaak tegenover elkaar vinden we de wil van God en de wil van ons. Gods weg en onze weg, Gods gedachten en onze gedachten. Ieder van ons heeft dat ervaren en duizenden anderen met ons.

Je staat hier direct voor de vraag: waarom is het nodig dat wij bidden: Uw wil geschiede. Is het dan nog een vraag of de wil van God geschiedt? Is er dan nog een andere mogelijkheid? Zou iemand de wil van God kunnen dwarsbomen? Zou iemand die wil kunnen verhinderen, zodat er zelfs sprake van kan zijn, dat die wil niet gebeurt? Ik geloof, dat we hier goed moeten onderscheiden tussen de wil van God en wat wij noemen de Raad van God, het raadsplan van God, het wereldplan. De Raad van God wordt vervuld. Immers wat God wil, wat Hij besloten heeft, dat zal gebeuren, geen twijfel aan! Wie zal het immers tegen kunnen houden? Mensen kunnen dat niet, en ook de schepping, de natuur, kan dat niet. Zelfs waar zij nee zeggen, zelfs waar ze vierkant ingaan tegen Zijn wil, werken ze toch mee aan de vervulling van Gods Raadsbesluit. Op een gegeven ogenblik in Israëls geschiedenis stond heel de Assyrische wereldmacht voor Jeruzalems poorten. Het kon niet anders, nu was het spel verloren. Die geweldige legers voorspellen ondergang en vernieling. Maar terwijl heel Jeruzalem siddert, komt Jesaja en zegt: Zo zegt de Heere Heere,’t zal niet bestaan en niet geschieden. En dan gebeurt het niet. De dreiging van de vijanden vergaat als het geluid van een echo. Want Gods wil is wet! Is zo heel de wereld niet vol getuigenis, dat Gods wil geschiedt? Zijn plan en raad houden stand in eeuwigheid! In dit opzicht is er geen houden aan. Waar we spreken van Gods wil en we bedoelen Zijn Raadsplan, daar is Gods wil niet te stuiten. Maar als we bij Gods wil denken aan Zijn wensen en geboden ten aan aanzien van mensen in hun persoonlijke leven, daar ligt het heel anders. Het plan van God ten aanzien van de wereld en de mensen is immers geheel anders dan de wereldloop en de loop van de mensen. In de wereldloop wordt de wil van God nooit volkomen volbracht, idem dito in de levensloop van iedere mens. Elk ogenblik van ons leven en van het wereldgebeuren is er een tweesprong. Elk ogenblik is vol van allerlei mogelijkheden. En in elk van die gelegenheden werkt God. Maar God werkt niet in alle dingen en gelegenheden en mensen op dezelfde wijze. God is bijvoorbeeld anders tegenwoordig in Jezus dan in Judas. Toch werken beide mee aan de volbrenging van Gods Raad en Zijn plan met de wereld. Maar Judas zal wel niet gebeden hebben, toen hij er op uitging om Jezus te verraden: Uw wil geschiede. Dat verraad was niet de wil van God. Dat bloedgeld, dat bedrog, was niet de wil van God. En zo gaat het gedurig. Zo is het ook nu, in ons leven en in onze wereld. Wat is er veel, waarin niet de wil van God geschiedt. De mensenmoord in Syrië, terreuraanslagen, rassenhaat, honger, drankzucht, ontucht enz. Gij zult niet doden, Gij zult niet begeren enz. Dat is de wil van God! Zo eenvoudig en duidelijk als men het zich maar denken kan. Dat men toch tegen deze duidelijke wil van God ingaat, komt omdat de mens leeft naar zijn eigen hoogmoedige zondige wil. Het komt, omdat men het met Gods wil op aan akkoordje gooit en het dwingend absolute er uit haalt, zodat er een compromis overblijft, een zwak afgietsel, waarbij het zich gemakkelijk leven laat. Maar wanneer men zo de wil van God stelselmatig negeert en tegenover Zijn wil komedie speelt, dan gaat God anders doen. Hij gaat zwijgen. Hij trekt Zich terug. Dat zijn momenten waarin het kwaad rijpt en het van kwaad tot erger gaat. Toch blijkt steeds weer -achteraf- dat in al die chaos van ellende, verwarring en verbijstering, de zwijgende God toch de wakende God is, en de wakende God is de genezende God. Hij groepeert alle gebeuren zo, dat Zijn Koninkrijk er doorheen breekt en Zijn plan er door voltooid wordt.

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid. Daar is immers alleen maar gehoorzaamheid en helemaal geen ergernis of ontstemming, daar is elk lied een lofzang en dankzegging, daar zijn geen verloren idealen en gebroken mensenharten. Want de wil van God is daar gekend als bron van het leven en enkel heerlijk licht!

Daarmee heb ik meteen al gezegd, hoe moeilijk het voor ons is om het hier en nu te brengen tot het doen van Gods wil “gelijk in de hemel”. Die moeilijkheid ligt in een fout, die we telkens maken. Meestal bewaren we namelijk dit gebed totdat er verbijsterende dingen gebeuren in ons leven. We hadden onze plannen, en als het zo was gegaan als we ons hadden voorgesteld, dan was er weinig meer te wensen overgebleven. Dan was ons geluk volkomen geweest. Maar er is niets van gekomen! Het is allemaal voorgoed onmogelijk geworden. En ons leven is er anders door geworden, aangeslagen, beroerd, en nu buigen wij ons hoofd en zeggen: Uw wil geschiede. Iemand, die ons dierbaar was, is ons weggenomen. Geen enkele dag kunnen wij dat vergeten. Of zelf hebben we een ongeluk gehad of een handicap gekregen. Het is heel moeilijk om daarmee te leven. Uiteindelijk is het ons toch gelukt, ondanks al het verdriet, te stamelen: Uw wil geschiede! We kennen dat allemaal. Als wij geen uitkomst meer zien, dan is het tijd om te bidden. We denken dan, dat we er zijn. Als we het maar een keer zo ver gebracht hebben! Maar weten we wel, dat het dan pas begint? Weten we wel, dat alles er van af hangt of we “Uw wil geschiede” bidden? Aan het begin van de strijd of aan het einde van de strijd? We staan aan de puinhopen van al onze plannen, van ons leven, van onze leegte, en dan komen we tot bidden. Moeten we God nu aanbieden dat puin, die leegte, die scherven van ons leven? Misschien ook nog met stil verwijt: Kijk God, dat is nou Uw wil geweest!

Nee, we moeten beginnen bij het begin. God wil erkend worden niet alleen aan het einde van ons kunnen, maar altijd. Zijn wil moet recht worden gedaan, bij het begin, bij het maken van al onze plannen, bij onze voornemens, bij het uitvoeren ervan en bij de uitkomst van die plannen, of die nu negatief of positief is. Dat dit niet eenvoudig is, weten we allemaal. Het is niet zo dat we kunnen zeggen: dat zullen we nu eens fijn gaan doen, Gods wil volbrengen. Want als we het goede willen doen, is ’t kwade ons nabij, zegt de apostel Paulus. Er is een overmacht van kwaad in ons. Daar worstelen we mee, maar we delven altijd het onderspit. En daarom kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, ja smeken: Geef, o God, dat we Uw wil mogen doen, helpt U ons daarbij. Dat betekent tegelijkertijd, dat we dwars tegen onszelf in moeten gaan. We vragen in dit gebed ook om onze eigen teleurstelling, nederlaag, afbraak en ondergang.

De wil van God kan alleen geschieden, als wij onze eigen wil verzaken. Want die twee staan tegenover elkaar! Daarom komt alles in het heilsproces ook aan op de verbrijzeling van het hart, de verslagenheid van de geest, de verbreking van onze wil. Onze wil, waar we zo trots op zijn, is een macht, die toch gebroken moet worden door de overmacht van Gods wil. Dan pas is er ruimte voor de liefde, die in het hart geboren wordt. Dat is een schrikwekkende werkelijkheid, waar de mens doorheen moet. Om deze verschrikking bidden we in de derde bede van het Onze Vader: Uw wil geschiede. We zien het: zo glorieus is het allemaal niet, het is meer een zaak van ergernis en strijd, dikwijls levenslang.

Tenslotte nog één ding. Wij bidden voor de aarde. Uw wil geschiede gelijk in de hemel zo ook op de aarde. Dat is de bestemming van de aarde: dat op haar Gods wil geschiedt. Hiervan spreken de profeten al in hun bewoordingen van vrede en gerechtigheid. Hiervan getuigt ook een man als Paulus, als hij zegt dat eens God alles in allen zal zijn. Wij bidden, dat God trouw zal zijn aan Zijn aarde, opdat zij aan haar bestemming mag beantwoorden. Hieraan heeft iedereen mee te werken, ook u en ik: “opdat alzo ieder zijn ambt en beroep zo gewillig en trouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.” Iedereen heeft in zijn beroep, zijn werk, al zijn bezigheden, Gods wil te volbrengen voor de aarde, samen met de anderen, in de gemeenschap van de hele schepping, zoals de engelen dat ook doen in de hemel. Het proces van verbrijzeling van de eigen wil om Gods wil te zoeken is niet eenvoudig. Soms gaat het diep, door merg en been. Het valt niet mee om mens te zijn, om Christen te zijn. Maar laten we toch om Gods wil boven alles uit het leven op aarde liefhebben! Want wij bederven er wel veel aan, maar God heeft er nog veel meer mee voor! Zijn Zoon gaf er Zijn leven voor, voor ons en deze aarde.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 48

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde.

Als wij vandaag denken aan koninkrijken van deze wereld, kunnen dat moeilijk vrolijke gedachten zijn, ook al zijn veel rijken geen koninkrijken meer. We moeten immers direct denken aan haat en nijd, moordzucht en aanslagen. We moeten direct denken aan het politieke steekspel van “leiders” en dictators, waar de arme bevolking de dupe van is. We zien de vluchtelingenkampen in Jordanië, de vele doden in Syrië en Mali en elders in de wereld ten gevolge van zogenaamde opstandelingen. Zij willen de wereld verbeteren door orde op zaken te stellen. Wij zien de auto’s vol chemische stoffen langs de kust van Syrië rijden om afgevoerd te worden in schepen en wij lezen, hoe Iran zijn atoomprogramma heeft verlaagd. Maar hoe zal door moord en doodslag ooit een nieuwe orde geboren kunnen worden? Wie zal dat geven en vanwaar zal dat komen? Toch zeker niet van de koninkrijken der wereld , ook niet van allen tezamen verbonden in de Verenigde Naties, die deze dagen in Montreux samen komen om vrede in Syrië te bewerkstelligen. In deze wereld zijn toch machtsbegeerte en zelfzucht de drijvende krachten. Als er ooit een tijd is geweest, die behoefte heeft aan een andere en hogere orde, aan Gods gerechtigheid en barmhartigheid, aan Zijn heilsbeloften ook, dan toch zeker deze tijd. Ik geloof, dat nu op allerlei manieren maar één bede herhaald en elke keer weer herhaald dient te worden: “Uw Koninkrijk kome”.

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde. Het Vaderschap berust op vertrouwen en overgave, het Koningschap is een zaak van gehoorzaamheid en onderwerping. Daarom spreekt de Heidelberger ook het eerst over onderwerping. “Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.” Hier gaat het dus over de gehoorzaamheid. Je moet bereid zijn gehoorzaam ter zijn aan Gods wil, anders kun je niet om Gods Koninkrijk bidden. Zijn Koningschap immers omvat ons hele bestaan, zodat het tot een lof en vreugde wordt de Koning te gehoorzamen. Dat wij dit niet zo maar kunnen en vaak ook niet willen, blijkt dagelijks uit de gang van zaken in de wereld, waarvan wij toch deel uit maken. Natuurlijk ligt dit meestal buiten ons bereik, het zijn de hogere machten die beslissen, maar wij kunnen er toch ook zelf iets aan doen. Niet voor niets zeggen we: “Verbeter de wereld, maar begin bij u zelf!”.  Door gehoorzaam te zijn aan Gods Woord en Gods Geest … Wij bidden God, dat Zijn Koninkrijk kome, dan moeten wij ook naar Hem luisteren en ons Zijn Geest eigen maken!

Vervolgens spreekt de Catechismus over de Kerk: “Bewaar en vermeerder Uw Kerk”. De Kerk moet je hier zien als het nieuwe volk van God, de gemeenschap van Gods kinderen, die God samen roept. De Kerk is het voortgezette werk van Jezus Christus, Die haar regeert door Zijn Geest. Door die Geest gaat zij niet ten onder aan al het menselijke onvermogen, maar blijft zij levend en is zij voortdurend een getuige van Gods genade. Zo is de Kerk een voorbode van het Koninkrijk van God en bidden wij tegelijk om haar behoud, als we God om de komst van Zijn Koninkrijk vragen. Zo lang Gods Rijk nog niet volkomen op aarde is, mag de Kerk plaatsvervangend Gods heerschappij verkondigen en ook zijn.

Ten derde vraag je in je bede om Gods Koninkrijk of God de werken van de duivel wil verstoren en alle heerschappij, die zich tegen God verheft, “mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Gods heilswoord bedacht worden”. Dit klinkt misschien een beetje Middeleeuws, maar het is toch waar. Ga maar eens na: je eigen onwil, de stem van je eigen geweten, hoe vaak heeft die niet tegen jou gesproken? Je eigen opstandigheid ook. Dan hoef je toch de werken van de duivel niet zo ver te zoeken? Alle heerschappij, die zich tegen God verheft. Gaat het niet vaker om ONS koninkrijk dan om Uw Koninkrijk? En dan alle raadslagen, die tegen Gods Woord bedacht worden? Wat wordt er niet gemakkelijk over God gesproken, zelfs over de dood van God. Zoals kinderen tegen hun ouders in redeneren, zo denken en spreken wij maar al te vaak tegen God, zelfs in ons bidden. Zonder eerbied, Godsbesef. Over de tegenwoordigheid van God en de komst van Zijn Koninkrijk moeten wij ons geen romantische al te menselijke en ook idealistische voorstellingen maken. Gemakkelijk is het niet, integendeel, zij is ten volle in strijd! Als wij zeggen: God heerst over mens en wereld, dan betekent dat: God worstelt met de mens en de wereld, en wij moeten mee-worstelen! Dit Koninkrijk van God is in oorlog, het is in het offensief. Daarom bidden wij ook: “Uw Koninkrijk KOME”. Dat wil zeggen: “Het breke door!”. Het breke door, door de frontlijn van de duivelse machten. Het moge met overmacht over ons komen en zich door ons heenzetten, tegen onze boze raadslagen en hoogmoed in! Wij bieden weerstand, maar die weerstand wordt gebroken! Mens en wereld zijn weerbarstig materiaal voor God. Wij zijn opstandelingen, wij verzetten ons voortdurend tegen Hem, tegen de heerschappij van Zijn genade en heerlijkheid van Zijn heil en vreugde. In deze weerbarstigheid en opstandigheid van ons bestaan wil God toch tegenwoordig zijn. En daarom moet onze bede tegelijk ook “daad” zijn . Het is al te goedkoop en te gemakkelijk om te zeggen “Uw Koninkrijk kome”. Je moet dat ook laten zien in je leven, je moet het toelaten en tot uitwerking laten komen. Zó, dat Hij zichtbaar wordt en tot overwinning komt in je leven! Dat betekent, dat je moet opruimen, alles, wat God belet tot jou te komen en wat jou belet tot God te komen. En dat kun je alleen in Christus. Paulus noemt dat: “begraven worden in Christus en opstaan met Hem tot nieuwheid van leven”. Wat begraven moet worden om tot opstanding te komen, doe dat! Begraaf het. Voor de een zal dat zijn een bepaalde ondeugd, een karakterfout misschien; voor een ander zijn gezondheid of juist gebrek aan gezondheid; voor weer een ander zijn rijkdom of juist armoede; zijn werk of juist werkeloosheid en ga zo maar door! Voor veel mensen zijn belemmeringen om tot God te komen: het verstand of het milieu, het verleden, teleurstellingen, bezorgdheid, angst en wantrouwen. Vecht er tegen, strijdend en biddend: Uw Koninkrijk kome, ook in mijn leven! Bid om je eigen nederlaag, de nederlaag van jouw koningschap, dan zullen we herboren worden. Dat is moeilijk, heel moeilijk, voor een mens nagenoeg onmogelijk. Daarom bidden wij er ook om. Wij vragen God het te doen, zodat eigenlijk niet wij plaats inruimen voor God, maar God Zich Zelf ruimte baant in ons en ons van onszelf vrijmaakt.

“Totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij zult zijn in allen …” Zonder deze toekomstverwachting zou al ons bidden en werken krachteloos zijn. Wij moeten leren geloven in en vertrouwen op Hem, Die enkeling en gemeenschap, mensen en Kerken, soldaten en Koninkrijken, te boven gaat. Toen Jezus Zijn taak volbracht had, zei Hij tot de Zijnen: “Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh16,33). En Paulus voegt daaraan toe: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”. Daar leven wij naar toe! Ons leven, dat van ons persoonlijk, dat van de Kerken, dat van onze aardse koninkrijken, van Israël, Syrië, Tanzania, Mali en al die anderen, ons leven beweegt zich voort tussen twee punten: het ene punt is de voltooide arbeid van Jezus, gekruisigd en opgestaan; het andere punt is het geheim van Gods komend Rijk. Jezus overwon de wereld en Hij gaat voort met de Zijnen, die in de wereld zijn. Hij gaat verder, Zijn werk staat niet stil. Hij is onze weg naar Gods doel. Christus’ rijk is niet van deze wereld, maar is wel IN de wereld. Dit rijk strijdt de grote strijd met de boze. Het gaat door de nacht van zorgbehoeftige mensen, van broedermoord in Syrië en Mali, door de duisternis van het wereldoordeel heen, het Rijk van God tegemoet. Het gaat er mee als met Jezus Zelf, Die over Golgotha heen verheerlijkt is. Eens zal het Pasen worden voor ons allemaal! Op dit allesomvattende Pasen richt zich de hoop van de Kerk en de Christen persoonlijk. Laat elke stap dan moeilijk, onzeker en vol benauwdheid zijn, het is toch een stap dichterbij naar de volkomenheid van Gods Rijk. Daarom bidden wij, op gezag van Jezus, Die het ons leerde, met vast vertrouwen: UW KONINKRIJK KOME.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 47

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

We gaan aan het begin van het nieuwe jaar verder met de Heidelbergse Catechismus, waar we vorig jaar gebleven waren: bij zondag 47.

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

Uw Naam worde geheiligd. De Naam en het heiligen, wat bedoelt de Bijbel daarmee? Met de Naam wordt de persoon zelf bedoeld, en wel de betekenis er van. Zoals bij de naamgeving van een kind uitgegaan wordt van wat dit jonge leven betekent en zou gaan worden. Neem bijvoorbeeld Mozes, die door zijn zuster Mirjam in een biezenmandje in de Nijl was gezet en gevonden werd door de dochter van de Farao. Zij was het die hem de naam Mozes (“hij die optilt, uittrekt” ) gaf, “want” zei ze, “ik heb hem uit het water getrokken” (Exodus 2:10). Elke Bijbelse naam heeft dus een betekenis. Zelf hecht ik daar ook grote waarde aan. Zo is mijn eigen naam Philippus, vertaald uit het Latijn: “paardenvriend”. Niet voor niets houd ik dus van dieren, paarden in ’t bijzonder! Daar zit iets moois in, in die betekenisvolle naamgeving. Ik weet wel: wij gaan daar tegenwoordig heel anders mee om. Wij kiezen een naam voor een pasgeboren kind vanuit het boekje of omdat het mooi klinkt of omdat het de naam van een popster is.

De Naam van God moeten wij “heiligen”. “Heilig” is wat door God tot iets bijzonders is gemaakt, iets wat Hij voor Zich apart stelt. Wij denken meestal, als we het over “heilig” hebben, aan heilig in morele zin, om aan te geven dat iets goed is, vaak in overdreven zin als het “heilig boontje”. En als dit goede onwaarachtig is, noemen we het schijnheilig. Maar dat heeft met het Bijbelse begrip niets te maken. In de Bijbel wordt met “heilig” het bijzondere, het aparte, aangegeven. Het is een bijzondere gave van God, dat we Hem met de Vadernaam mogen aanspreken. Erkennen wij dit ten volle, dan wordt Gods Naam geheiligd. Het komt overeen met het derde gebod: “Gij zult de Naam des Heren niet ijdel gebruiken”. En als er in de Bijbel sprake is van de Naam van God, dan moeten we niet alleen denken aan de Naam God of andere namen, waarmee Hij wordt aangeduid. Er is veel meer mee bedoeld. De Naam van God is alles van wat er van God op de aarde is en wat van Hem bekend is. De Naam van God is God Zelf, zoals Hij op de aarde tegenwoordig is. Het volk Israël is bijvoorbeeld een stukje van die Naam van God. Het is immers uitverkoren en gezet in de lichtkring van Zijn heilzame tegenwoordigheid. De Bijbel is ook een stukje van die Naam. En de Kerk, de prediking en de sacramenten zijn het eveneens. Zo kunnen we doorgaan. De Naam van God bestaat uit al die dingen, die door Hem zijn uitverkoren en geheiligd (apart gesteld), door middel waarvan Hij op aarde woont. Deze Naam moet geheiligd worden, mag niet ijdel gebruikt worden. Letterlijk staat er in de 10 geboden: die Naam mogen wij niet opnemen en in onze ijdelheid steken. Daar zit deze gedachte achter: ons leven, ons mens zijn en onze werkelijkheid zijn ijdel, dat is leeg en luchtig. De prediker zegt: niets dan ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden, dat is zoveel als niets, leeg, zonder inhoud, zinloos en verloren. In onszelf is geen heil, geen houvast. Maar de Naam van de Heer is niet ijdel, Hij is vol en de overvloed zelf. Wanneer de heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dit niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van ons verloren leven – aanwezig is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden en al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Dat is het wezen van Gods Naam. En die Naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel gebruiken.

Wanneer de Heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dat niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van verloren leven – AANWEZIG is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden, de schuld van al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Zo is het wezen van Gods Naam! En die naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel (zo maar voor niets) gebruiken. Wij mogen niet net doen alsof Gods openbaring en tegenwoordigheid even “ijdel” zijn als ons hele mens-zijn. Vandaar dat de Heidelberger het zo belangrijk vindt eerst God goed te leren kennen. Dat wordt uitgelegd in Antwoord 122: “Uw Naam worde geheiligd”, dat is: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen.” De echte kennis van God is hier ook weer in Bijbelse zin bedoeld. Dat is: niet kennen met je verstand, maar met je hart, je ervaring. Ervaringskennis is heel belangrijk. Ervaring met het omgaan met God, het wandelen met God, zoals in Genesis beschreven wordt dat Noach wandelde met God. Dat betekent ook, dat je beseft, hoe God er is in je leven, hoe Hij je leidt en dagelijks leven geeft en de mogelijkheden om van dat leven iets moois en goeds te maken. God kennen is met Hem omgaan als een kind met zijn vader en moeder. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt , Uw Naam worde geheiligd”. Wij moeten dus in de eerste plaats de Vadernaam kennen, en met die Vader moeten wij omgaan in ons leven. Hoe doen we dat dan precies? Daar geeft de Heidelberger dit antwoord op: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.” God recht kennen betekent dus: God heiligen, roemen en prijzen. God heiligen is Hem Zijn plaats geven, niet doen alsof Hij er niet is; niet meer leven alsof het leven niet door Hem gered is. Wij kunnen niet meer in zwaarmoedigheid en vertwijfeling te gronde gaan. Wij kunnen ons alleen maar over ons bestaan verheugen! God is immers tegenwoordig in de chaos van onze zonde en dood, van onze schuld en leed, van onze verdorvenheid en verlorenheid. En deze gerichtheid op God, deze zonnige en blijde gerichtheid op God doordringt ons hele leven. De bijzondere plaats van de verhouding tot God doordringt alles wat ons leven vervult. Nu moeten wij er onmiddellijk bijvoegen: dit is (helaas) in onze werkelijkheid niet zo, wij zijn zo niet! Maar juist daarom moeten wij erom bidden, telkens weer, want dat is de weg, waarop God ons leiden wil om het waar te maken.

Naast het heiligen spreekt ons leerboek van roemen en prijzen. Dat zit eigenlijk allemaal in het heiligen opgesloten. Als je met God omgaat, dan kun je niet anders dan Hem roemen en prijzen. Dat wordt een soort levenshouding. Niet alleen in woorden, maar in heel je manier van leven, heilig en roem en prijs je God, in grote blijdschap. In dat roemen en prijzen zit geen chagrijn en pessimisme meer, het is een en al vreugde, vrede en geluk. Daarin wordt al de heerlijkheid van Gods Naam openbaar. Dat zit hem ook in wat de Catechismus Gods werken noemt, Gods handelen, dat zo heerlijk en apart is, dat je niet anders dan blij en gelukkig kunt zijn. De Catechismus noemt bij die werken een reeks van eigenschappen op, waarbij vooral in het oog springen Zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Natuurlijk zijn er ook situaties in ons leven, waarin Gods almacht ons helemaal beweegt. Op andere ogenblikken, als we er geen gat meer in zien, zullen we meer een beroep doen op Gods wijsheid. Als we echt gelukkig zijn, denken we aan Gods goedheid. En als we bij onrecht bepaald worden, roepen we om Gods gerechtigheid. Schamen we ons diep over ons zelf, dan bidden we om Gods barmhartigheid. Ons leerboek noemt nog een eigenschap meer, waar we in ons leven maar al te weinig aan denken: Gods waarheid. En toch is dat het grootste wonder van God: Zijn waarheid. En wel waarheid in Bijbelse zin: dat iets vast staat, onwrikbaar, als een paal boven water.

Hoe kan dit alles, de uitstraling van al die werken en eigenschappen van God in ons heiligen, roemen en prijzen, in ons gebed handen en voeten krijgen? Dat is niet zo eenvoudig, eigenlijk onmogelijk. Daar zou je boekdelen vol over kunnen schrijven, maar God wil – denk ik – niet, dat we prachtig en helemaal volledig zijn in ons gebed. En daarom spreken we heel eenvoudig en tegelijk ook eerbiedig onze Vader Hem en vragen Hem Zijn Naam te heiligen in al die rijkdom van Zijn werken ook in ons leven. Als u voortaan bidt: “Uw Naam worde geheiligd …”, stelt u zich dan iets voor van die veelvuldige rijkdom, waarmee God Zijn Naam aan de wereld bekend heeft gemaakt. En probeert u dan met uw heiliging, roemen en prijzen, die rijkdom te onderstrepen, opdat aan Gods eer recht wordt gedaan.

In de tweede plaats spreekt de Catechismus over de bede in de intermenselijke verhoudingen. “Dat wij al ons leven, onze gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.” We weten er wel iets van, al is dat vermoedelijk nog maar heel weinig, hoe vaak vanwege ons leven, denken en spreken en handelen Gods Naam gelasterd wordt. Zijn wij er ook beschaamd over? Of houden wij ons er liever doof voor? Die lastering is heel reëel, het is het volstrekte tegendeel van heiliging! We hebben er eigenlijk geen goed woord voor, zo arm zijn wij en is ook onze taal. We praten er ook liever niet over. Toch is het er, levensecht. Denk maar eens aan die derde slaaf in de gelijkenis van de talenten. Hij begroef zijn talent, waarmee hij Gods Naam niet heiligde in het bezit dat hij persoonlijk van de heer ontvangen had. Een vraag op de man (vrouw) af : kunnen wij zo leven, denken, spreken en handelen, dat de Naam van God niet om onzentwil gelasterd wordt? En nu moet u niet eens denken aan die ander, die zo goddeloos leeft, maar alleen aan u zelf! En is het u een zorg om die Godslastering in uw leven te voorkomen? En bent u er bedroefd om, als u aan de lastering van Gods Naam toch niet ontkomt? Als we echt bidden, dan moeten we daarmee ernst maken! Aan mensen, zoals wij zijn, zo ontrouw, zo bevreesd voor wat anderen ervan zullen zeggen, zo bang ook voor ons zelf en voor ons eigen hachje, zo hoogmoedig en geneigd tot eigen gerechtigheid, aan deze mensen draagt God op om in de wereld Zijn Naam uit te spreken en Zijn getuigen te zijn. Wanneer we ons dit indenken gaan we pas echt dit Woord uit het Onze Vader bidden. En wanneer we het ootmoedig en geregeld voor God uitspreken, begint er al iets van verhoring te komen. Misschien zullen we zelf niet eens merken, dat Gods Naam om onzentwil in ons leven en denken en handelen geprezen en geëerd wordt. Het zou voor onze ijdelheid ook niet goed zijn, wanneer we het merkten. Maar het kan gebeuren, als we er God eerbiedig om vragen. U moet geloven, dat het voor God mogelijk is om ons ootmoedig gebed zo te verhoren, dat Zijn Naam in ons leven niet gelasterd, maar geprezen wordt. Dit gebeurt door ons leven te schikken en te richten, twee veelbetekenende woorden, die een bepaalde orde aangeven. De orde van het gebed is, dat God de Vader in het middelpunt staat, en niet wij zelf. Wij horen er wel bij als de Zijnen, maar Hij staat in het middelpunt, en wij hebben heel ons leven en denken en spreken en handelen op Hem te richten. Dat is de SCHIKKING van de dingen, dat het gaat om Zijn eer, om de heiliging van Zijn Naam, Zijn openbaring op aarde, Zijn Koninkrijk. Zo is ook de RICHTING. Niet meer WIJ stellen het doel in het leven, maar wij bidden er de Vader om, dat Hij ons de richting zal wijzen, naar Zijn doel. En wat IS het doel van ons leven? Het eenvoudige antwoord van de Heidelberger zegt het zo: GOD TE KENNEN OM HEM TE VERHEERLIJKEN.

Vader, dat zo Uw Naam geheiligd worde …  ook in ons leven!

AMEN.

Waar blijft de tijd III – Tijd en taal

Taal is het middel om tijd uit te drukken. Maar gezien de ongrijpbaarheid van de tijd is niets moeilijker dan de uitdrukking ervan, ook in de taal. Of de tijd nu gebonden wordt aan ruimtelijke of aan psychische voorstellingen, zij blijft een meerdimensionaal gegeven.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Taal is het middel om tijd uit te drukken. Maar gezien de ongrijpbaarheid van de tijd is niets moeilijker dan de uitdrukking ervan, ook in de taal. Of de tijd nu gebonden wordt aan ruimtelijke of aan psychische voorstellingen, zij blijft een meerdimensionaal gegeven. En juist dat aspect maakt het zo moeilijk het tijdsfenomeen uit te drukken. Immers taal is lineair, eendimensionaal. De klanken, woorden en zinnen volgen elkaar op in de tijd. Een “tegelijk” is in de taaluitdrukking niet mogelijk. Hierdoor zijn we genoodzaakt het reële met-elkaar in een taalkundig na-elkaar om te zetten. Voor dit doel worden verschillende analyses gebruikt, die alle met elkaar gemeen hebben dat zij als ’t ware overzettingen zijn van een andere dimensie. Bij voorbeeld: “ik heb geld” wordt in het Japans “mij is geld”; in het Turks “mijn geld bestaat”; in het Arabisch en Russisch “bij mij is geld”. Het meest geschikt is de taal dan ook om chronologisch op elkaar volgende dingen, zoals handelingen en gebeurtenissen, te beschrijven. Met de tijdsaanduiding van ruimtelijke toestanden weet zij eigenlijk niet goed raad. Van oudsher heeft men hiervoor de volgende passende oplossing gevonden: transformatie van ruimte naar tijd, aanpassing van wat ruimtelijk weergegeven moet worden aan het middel van weergave: de taal, dat is omzetting van meerdimensionaliteit in eendimensionaliteit. Dit verklaart dan ook de wisselwerking in ruimte en tijd, welke de betekenis van veel woorden nog aankleeft. Klassiek voorbeeld hiervan is het Griekse “aioon”, wat wij kunnen vertalen met “wereld” en “tijd”. Het kost de taal grote moeite de meerdimensionale ruimte weer te geven, maar het kost haar even zeer moeite om de tijd begrijpelijk weer te geven, omdat tijd altijd een zekere meerdimensionaliteit in zich bergt. Zo bedient zij zich enerzijds van tijdsbegrippen om ruimte uit te drukken, anderzijds van ruimtelijke voorstellingen om tijd weer te geven. Dit verschijnsel ligt al in de etymologie van tijdswoorden opgesloten. Zo gaat het woord “tijd” zelf terug op de Indo-Germaanse wortel “ti”, dat “teilen”, “delen”, “stuksnijden”, maar ook “zich uitstrekken” betekent. “Tijd” was dus oorspronkelijk “Teil”, “deel”, “afstand”, “Strecke”, dus een zuiver ruimtelijk begrip. Ook in het Hebreeuws en het Grieks zijn, zoals ik later zal uitleggen, tijdwoorden etymologisch tot een stam met ruimtelijke betekenis te herleiden. Hetzelfde geldt voor aanverwante begrippen. We spreken van een lange of korte tijd, van een grote tijdsperiode en van een klein tijdsbestek. Tijdsbetrekkingen worden aangeduid met “spoedig”, “al”, “voor”, “na”; de tijd wordt ingedeeld in fasen van “verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd”. Van al deze begrippen is geen enkele oorspronkelijk op de tijd zelf betrokken! In origine zijn het ruimtebegrippen. Ik zal enkele voorbeelden noemen:

“Na” is eigenlijk een nevenvorm van “nabij, dichtbij”. “Spoed” is terug te voeren op de oudgermaanse wortel “spôwan” = voortgang hebben (verwant aan de Latijnse stam spatium=ruimte). “Verleden” komt van “lijden”, dat in een van de betekenissen “gaan” aanduidt, vgl “geleden, verleden, overlijden”. Dit werkwoord zou zich dan aldus ontwikkeld kunnen hebben: gaan – voorbijgaan – een tijd doorbrengen – verduren – overlijden. “Tegenwoordig”, “gegenwärtig”, bergt de wortel “staan” in zich, het betekent derhalve; “voor mij staand”, “op mij toekomend”, “toekomstig”. (Zie Dr.J.de Vries, Etymologisch woordenboek, Utrecht, Aula-Reeks 6, pagina 230v en 155).

Zuivere tijdstermen bestaan niet. Het verschijnsel “tijd’ laat zich alleen metaforisch, in ruimtelijke beelden, uitdrukken. Dezelfde tweeslachtigheid ontmoeten we in de tijdsvormen “verleden, heden en toekomst”. Deze worden praktisch in elke taal verschillend uitgedrukt. Een voorbeeld: een geval, waarbij een gebeurtenis of toestand in het verleden is begonnen, doch in het heden nog voortduurt. In het Nederlands heet het: “Ik ben twee jaren hier”, in het Duits “Ich bin seit zwei Jahren hier”, in het Engels “I have been here for two years”. Zo ook in het geval van een toekomstige gebeurtenis: “Morgen regnet es”(praesens!); “There will be rain tomorrow”(futurum!). De “tegenwoordige” tijd lijkt het gemakkelijkst, maar blijkt in feite het moeilijkst te zijn. Wat is immers “tegenwoordige tijd”? Objectief: een punt, waarin “verleden” en “toekomst” elkaar raken. Subjectief: het moment van beleven. De taal heeft hiervoor, ook niet in werkwoordsvormen, geen duidelijk omlijnd uitdrukkingsmiddel. Taal is ook geen wiskunde, maar zuiver mensenwerk, voor het praktisch gebruik ingericht. En het is daarom, dat de “tegenwoordige tijd” in een minder zuivere, dus bredere wijze wordt opgevat: een uur, een dag, een jaar en zelfs een eeuw. Zoals wij reeds zagen heeft kerkvader Augustinus deze ambivalentie van het “praesens” met scherpte aan de kaak gesteld. In Confessiones XI, cap XV, gaat hij stap voor stap terug van honderd jaren tot één enkele dag, om in het daarop volgende hoofdstuk van één dag tot de kleinst denkbare tijddeeltjes het “praesens” te doen inkrimpen. Tegenwoordig zouden we afdalen tot minuten en seconden, maar dat was voor Augustinus nog niet mogelijk, omdat de onderverdeling van het uur pas in de veertiende eeuw is ingevoerd. Wij mogen daaruit zeker concluderen, dat het “praesens” de neiging vertoont zich over alle tijden heen uit te strekken.

Voor de bepaling van de tijd speelt ook de ontwikkelingsgraad van de handeling een grote rol. Zo geeft in het klassieke Grieks de “aoristus”stam de handeling als een feit zonder meer, of het moment, het begin- of eindpunt van een handeling, de “praesens”stam de handeling als bezig te geschieden, of telkens weer herhaald, en de “perfectum”stam de tegenwoordige toestand als gevolg van de in het verleden liggende handeling. Doch ook hier gelden geen vaste wetten. Taal immers is in beweging, en met deze beweging wisselen ook de indelingen van de tijd, grammaticaal en verbaal. In het Nieuwe Testament zien we tegen gevolge daarvan. Hoe in het “koine”Grieks het perfectum en het imperfectum hoe langer hoe mee verdwijnen ten gunste van de aoristus, waardoor deze werkwoordsvormen hun oorspronkelijke tijdsbepaling verliezen. Taal is sterk aan verandering onderhevig, zoals de mens en zijn praktische leefwijze ook in beweging is. Maar het denken van de mens over tijd blijft verankerd liggen in de grammaticale mogelijkheden en taalkundige begrippen, zoals de moedertaal die aanbiedt. En dat is reden genoeg om steeds weer opnieuw aandacht te besteden aan de taalvorm, waarin de gedachte, zeker ook die over de tijd, zich uitdrukt. Het taalgebruik, voor een ieder ook met een persoonlijke inslag, is de neerslag van iemands tijdsgevoelen en zal – hoe gebrekkig ook – het geheim ervan openbaren.

 

Waar blijft de tijd II – Tijd en ruimte

De betrekkelijkheid van de ruimtelijke voorstellingen zoals “lange tijd”, “korte tijd”, verleden, heden en toekomst doet Augustinus tenslotte besluiten, dat verleden, heden en toekomst geen ander bestaan hebben dan als praesent (aanwezigheid) in de herinnering of de verwachting (“memoria” en “expectatio”). Het bestaan van het heden is dan dat van de aanschouwing (de “contuïtus”).

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Aan de alledaagse werkelijkheid van de “dingen” kan de tijd gemeten worden. Immers rust en beweging, duur en verandering veronderstellen tijdsverloop. Parmenides (540 v.C.) dacht daar nog anders over. Hij is de grondlegger van de onbeweeglijkheid van de werkelijkheid. Voor hem is de ware werkelijkheid het ENE, dat hij beschrijf als ondeelbaar, oneindig en nochtans niet onbegrensd, onbeweeglijk en onbewogen. Maar voor ons is alles in beweging en durend in tijd. Wat wij objectieve tijd plegen te noemen is sterk gebonden aan ruimtelijke voorstellingen van wat er rondom ons en in ons gebeurt. De kalendertijd, de indeling in jaren-maanden-dagen-uren, is afleesbaar aan de ruimtelijke omloop en de draaiing van de aardse planeet. De fysische tijd is gekoppeld aan de wisseling van de seizoenen. Daardoor vinden er allerlei veranderingen in de fysische ruimte plaats. Zo zijn ook de biologische en historische tijd sterk afhankelijk van ruimtelijke voorstellingen. Tijd kan daarom nooit een primair gegeven zijn. Primair staat immers het tijdsgebeuren, zichtbaar in de ruimte. Van dit gebeuren wordt tijd afgeleid. Het is de mens, die de ruimtelijke voorstelling tot tijdsvoorstelling maakt. Maar ook dit kan moeilijk anders dan met behulp van ruimtelijk voorstellingsmateriaal. Vanouds is, zoals we zagen, de meest geliefde tijdsvoorstelling die van de vliedende stroom. Dan vloeit het heden uit het verleden over en de toekomst vloeit uit het heden voort. Hoe gebrekkig deze ruimtelijke tijdsvoorstellingen zijn bleek uit de kritiek van kerkvader Augustinus, die maar al te goed begreep dat ruimtelijke voorstellingen een verklaring van het tijdsfenomeen niet dichterbij brengen. Wat immers is het vliedende van de in elkaar overgaande tijdsfasen? Wat vloeit hier eigenlijk? En in welke richting? Voorwaarts of terugwaarts? We vinden Augustinus’ beschouwing over de tijd in het elfde boek van zijn Confessiones. Het is van groot belang te onderkennen tegen welke achtergrond Augustinus zijn uitvoerige uiteenzetting over de tijd plaatst. Mijn oude Utrechtse leermeester professor G.Quispel heeft dit overtuigend aangetoond (in zijn meesterwerk “Zeit und Geschichte im antiken Christentum”, pag.128v.). Hij laat zien, hoe Augustinus hier in discussie is met neoplatonische tegenstanders. Hij verdedigt de “Christiana tempora”: de lineaire geschiedopvatting, de rechte lijn van Gods komen op aarde tot aan het komen van de mens in de hemel. Hoofdthema is dus “aeternitas-tempus”(Eeuwigheid-tijd). Binnen dit thema is heel de rest te verstaan: onsterfelijkheid, waarheid, verandering enz. In dit schema weerspiegelt zich het verschil tussen Schepper en schepsel. Zijn tegenstanders gingen meer uit van de cyclische geschiedopvatting: de wederkeer van alle dingen in een cyclus, in kosmische perioden herhaalt zich steeds weer hetzelfde gebeuren. Centraal staat bij Augustinus eigenlijk niet zo zeer de vraag naar de tijd als wel die naar de eeuwigheid. God staat centraal en Hij bepaalt tijd en eeuwigheid (theocentrische visie van Augustinus). In zijn hoofdwerk “De civitate Deï” wordt de cyclische geschiedopvatting ontmanteld ten einde de eeuwigheid uit de omklemming van de tijd los te maken. In de Confessiones toont hij nog aan, hoe de eeuwenoude strijdvraag “Wat deed God, voordat Hij hemel en aarde schiep?”, vals was. Het goddelijke Zijn wordt bewezen door Zijn onveranderlijkheid; al het zijnde, wat geschapen is wordt door de onbestendigheid en verandering getekend (aldus G.Sauter in “Zukunft und Verheissung, pag.21). Interessant is de wijze, waarop Augustinus dit beredeneert. Hij brengt daartoe de gangbare “uiterlijke” tijdsvoorstellingen op ironische wijze in diskrediet. Hij stelt de tijd met behulp van het principe van “beweging en verandering” relativerend tegenover de “eeuwigheid”. “En geen tijden zijn met U in eeuwigheid, want Gij blijft, maar indien zij bleven, zouden het geen tijden zijn. Want wat is tijd?”. “Wanneer niemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand op zijn vraag zou willen uitleggen, weet ik het niet: toch zeg ik vol vertrouwen, dat ik weet, dat, indien niets voorbijging, er geen verleden tijd zou zijn, en indien niets op komst was, er geen toekomstige tijd zou zijn, en indien niets was, er geen tegenwoordige tijd zou zijn.”

De betrekkelijkheid van de ruimtelijke voorstellingen zoals “lange tijd”, “korte tijd”, verleden, heden en toekomst doet Augustinus tenslotte besluiten, dat verleden, heden en toekomst geen ander bestaan hebben dan als praesent (aanwezigheid) in de herinnering of de verwachting (“memoria” en “expectatio”). Het bestaan van het heden is dan dat van de aanschouwing (de “contuïtus”). Verleden, heden en toekomst zijn hiermee tot beelden gemaakt, die aanschouwd worden. Het menselijk bewustzijn gaat om met deze beelden van de memoria, de contuïtus en de expectatio, waardoor er een tijdsgevoel ontstaat. Als ik een voordracht houd, is mijn verwachting gespannen op wat ik zeggen wil, mijn opmerkzaamheid op wat ik zeg en mijn geheugen op wat ik gezegd heb. Verleden, heden en toekomst zijn dan ook alleen afleesbaar in de geest. “In U, mijn geest, meet ik de tijden. Breng mij niet, dat wil zeggen: breng u zelf niet in verwarring door de scharen uwer indrukken. In u, zeg ik, meet ik de tijden. De indruk, die de dingen tijdens hun voorbijgaan op u maken en die, wanneer zij voorbijgegaan zijn, blijft, die meet ik als tegenwoordig.”(Confessiones XI, 27). Op grond hiervan waarschuwt Augustinus ons: “Noli foras ire, in teipsum redi, in interiore homine habitat veritas” (ga niet naar buiten, keer naar binnen in je zelf, in de innerlijke mens huist de waarheid!).

Met deze visie wordt Augustinus algemeen beschouwd als de grondlegger van de subjectieve tijdsbeschouwing. Hij was daarin de grote voorloper van Luther en Kierkegaard en modernere theologen als Heidegger en Bultmann. Dikwijls is daarbij vergeten, dat Augustinus bij zijn tijdsbeschouwing niet de mens en ook niet de innerlijke mens in het vizier had, maar God en Zijn scheppersmacht. Het denken van Augustinus over de tijd staat niet op zich zelf, maar is onderdeel van zijn discussie met de Manicheeërs van zijn dagen om de theologische Bijbelse geschiedbeschouwing veilig te stellen. Helaas is dit niet altijd voldoende onderkend, en heeft men de tijdsvisie van Augustinus nogal eens op onverantwoorde wijze uit het geheel losgepeld om haar naast de resultaten van moderne denkers te plaatsen. Er kon dan gemakkelijk geconcludeerd worden, dat Augustinus op de Kantiaanse ontdekking van de subjectiviteit van de tijd reeds ver vooruit liep en daarom als de grote voorloper van het moderne existentialisme moet worden beschouwd. Dat dit een misvatting is, zal later blijken.

Waar blijft de tijd I – Waar blijft de tijd

Wij weten allemaal, dat de tijd “vliegt”, en toch ook hebben we het gevoel, dat het moment dat we NU beleven, er werkelijk is, en dat we het ook even vast kunnen houden. Uit ervaring hebben we ons de werkelijkheid van het heden eigen gemaakt, zo eigen, dat ook verleden en toekomst daarin opgenomen worden. Wij houden het verleden vast in het heden en wij grijpen in dat heden vooruit op de toekomst!

Tijdens mijn doctoraalstudie aan de pas opgerichte Theologische Faculteit te Tilburg werd ik getroffen door het opstandingsgeloof van de apostel Paulus. Ik besloot er de doctoraalscriptie aan te wijden. Zeker ook door de actualiteit van onze huidige tijd leek het mij van belang te weten te komen, hoe Paulus stond in zijn tijd. Hoe hij dacht over de toekomst, maar ook over het heden en het verleden. Ik heb de scriptie de welluidende naam “Temporalia Paulina” meegegeven, maar voor gewone mensen als wij lijkt me de alledaagse verzuchting “Waar blijft de tijd?” meer op zijn plaats. Waar nodig heb ik de scriptie aangepast, zodat hij leesbaarder wordt. Rest mij nog te vertellen, dat ik mede dankzij de scriptie een “cum laude” voor het doctoraal gescoord heb.

Dat is een vraag op velerlei lippen! Tijd blijft altijd ondoorzichtig. En daar is geen ontkomen aan, want elke dag heb je er weer mee te maken. De bekende theoloog Emil Brunner sprak dan ook van “Das Urerlebnis des Zeits” ( in “Das Ewige als Zukunft und Gegenwart”), de oerbeleving van de tijd. Het is een ervaring, die iedereen opdoet, dat de tijd vergaat. Ieder mens weet, dat het ogenblik, dat ik nu beleef, er straks niet meer zal zijn, ja nooit meer zal terugkeren. Wat de mensen van alle tijden en alle volken dan ook als met meest smartelijke in de tijd ervaren hebben, dat is de tijd zelf in zijn vergaan, het onophoudelijke stromen van de tijdstroom, het heenvlieden van het nu tot het straks tot het nog-niet en het niet-meer. Het is dit gevoel, dat een oude bewoner van Afrika deed verzuchten: “O Vader, o Moeder, we worden allen weggevoerd, de dood voert ons allen weg”. Met datzelfde gevoel dichtte onze 19e eeuwse dichter Rhijnvis Feith het bekende Oudejaarsvers:

Uren, dagen, maanden, jaren,
Vliegen als een schaduw heen.
Ach, wij vinden, waar wij staren,
Niets bestendigs hier beneên. (Gezang 292 bundel 1938)

Het door de vingers glippen van de tijd, het vergankelijke en onberekenbare ervan, is zo ook de ondergrond van menig vaderlands spreekwoord en oude zegswijze. Ik denk aan: Waar blijft de tijd?/ Zijn tijd verdoen / Uit de tijd zijn / Beter te vroeg dan te laat / De tijd is snel, gebruikt hem wel / Zijn tijd afwachten / Men dient zijn tijd wel uit te kopen, terwijl dat onze jaren lopen (naar Efeziërs 5,15 en Daniël 2,8). Duidelijk spreekt hierin mee het gevoel in de tijd gevangen te zijn, er niet naar believen over te kunnen beschikken, er geen vat op te hebben, nooit eens op de tijd vooruit te kunnen lopen. De tijdstroom sleurt ons gewelddadig met zich mee! In de richting van het nog-niet naar het niet-meer.

Maar ook nog iets anders ervaart de mens in de tijd, en ook dat is typisch voor de oerbeleving van de tijd: de tijd heeft verschillende gezichten. Nu eens komt hij de mens als zeer weldadig voor, dan weer als zeer pijnlijk; nu eens als gunstig, dan weer als zeer ongunstig; nu eens als langdurend, dan weer als heel kortstondig; nu eens heeft men de tijd mee, dan weer tegen! Tijd is dan ook altijd, hoe je het ervaart; het is subjectief beleefde tijd. Afhankelijk van karakter en psychische gesteldheid zal hij door ieder mens, op verschillende ogenblikken en in verschillende levensperioden geheel verschillend ervaren worden. Wij weten allemaal, dat de tijd “vliegt”, en toch ook hebben we het gevoel, dat het moment dat we NU beleven, er werkelijk is, en dat we het ook even vast kunnen houden. Uit ervaring hebben we ons de werkelijkheid van het heden eigen gemaakt , zo eigen, dat ook verleden en toekomst daarin opgenomen worden. Wij houden het verleden vast in het heden en wij grijpen in dat heden vooruit op de toekomst! Het heden staat dus altijd centraal in onze tijdsbeleving. Het stelt niet veel voor, toch is het volop werkelijkheid.

In het licht van deze tijdsproblematiek hoeft het dan ook niet te verbazen, dat het menselijke tijdsbeleven voor veel filosofen een bron van inspiratie is geweest. In de afgelopen eeuw waren het vooral Bergson en Heidegger, die er de aandacht op gevestigd hebben. Bergson ziet de tijd als een “durée”, een “durée réëlle”, een horizontaal-lineair tijdsbeleven, waarin verleden, heden en toekomst in elkaar schuiven en als tijdsDUUR in het heden echt beleefd worden. De mens ervaart zich zelf ook zo: ik ben wat ik ben, niet alleen als dat wat ik juist nu ben, maar ook door dat wat ik was en zelfs in dat wat ik eens zal zijn. Bergson noemt deze tijdservaring een proces , dat eigenlijk geen fasen kent , geen onderlinge uitwendigheid van momenten, geen terzijderakend verleden, maar waarin al het vroegere, steeds door het er na komende verrijkt, een aanzwellend HEDEN is. Precies zoals men een melodie verstaat, die niet als een opeenvolging van klanken, maar als aanzwellende beweging in die klanken naar zijn eindwaarde groeit. Duidelijk wordt hierin reeds zichtbaar, hoe de filosofie van Bergson zich keert tegen het statische tijd- en wereldbeeld van het Platonisme, dat 2000 jaar het Westerse denken had beheerst.

Ook de tweede filosoof, die zich in de afgelopen eeuw nadrukkelijk met het tijdsfenomeen heeft bezig gehouden, Martin Heidegger, stelde zich kritisch op tegenover de “ruimtelijke” tijdsbeschouwing van het Neoklassicisme (vernieuwing van het Platonisme). Net als Bergson is Heidegger er niets aan gelegen een theorie over de tijd te geven. Hij wil slechts eenvoudig tot bewustzijn brengen , wat elke mens als tijd beleeft. Hoe in deze beleving de vergankelijkheid een rol speelt, maar ook de toekomst een plaats heeft. Ik ben nooit zonder mijn vergankelijkheid, en ik ben nooit zonder mijn toekomst. Ik ben, die ik was, ook vandaag, ik ben mijn eigen geschiedenis: zij hoort bij me, zonder haar, zonder het erkennen van mijn vergankelijkheid en het voortwerken van deze vergankelijkheid in mij, ben ik niet mens. Precies zo is het ook met mijn toekomst gesteld. Alleen als degene, die in de verwachting en in de doelstelling anticipeert op mijn toekomst, kan ik mens zijn, want alleen met het oog op deze toekomst ervaar ik mijn vrijheid. Ik ben, evenals ik mijn verleden ben, ook mijn toekomst. Wat ik plan, waarvoor ik bezorgd ben, wat ik vrees en wat ik hoop, maakt deel uit van mijn heden. Dat mijn verleden deel van mijzelf is, ervaar ik vooral in de schuld. Hoe meer de mens zijn verleden als deel van zichzelf in het heden erkent, hoe meer hij zijn schuld op zich neemt, des te meer mens is hij. Hoe meer een mens zijn toekomst binnengaat, plannend of verwachtend, vrezend of hopend, des te meer beleeft hij zijn typisch menselijke bestaan.

Zo is er inderdaad een tijdservaring, temidden van de meesleurende stroom der vergankelijkheid, een beleven in de mens dat we “durée réëlle” zouden mogen noemen. Kenmerkend voor deze ervaring is echter ook, dat zij nooit voor de volle honderd procent beleefd kan worden. Zij blijft fragmentarisch en gebrekkig. Dat komt, zegt Heidegger, omdat mijn bestaan een “Sein zum Tode” is. Hiermee wil niets diepzinnig-filosofisch over de tijd gezegd zijn, maar alleen vastgesteld worden wat de mens zelf ervaart, als zijn aan-de-tijd-gebonden-zijn. De gewone man immers denkt niet over de tijd, maar hij beleeft hem als zijn werkelijkheid, zijn lot, zijn overkleed, waarin hij altijd lopen moet.

Nieuwjaarsgedicht

Mijn vriendin Martie Genger stuurde mij een mooi gedicht:
De gelovige in mij.
“Ik heb de vaste grond gevonden…”
waarvan het psalmvers zegt.
Het troost zo onomwonden
“ja heus het komt terecht”.

Mijn vriendin Martie Genger stuurde mij een mooi gedicht:

De gelovige in mij.

 

“Ik heb de vaste grond gevonden…”
waarvan het psalmvers zegt.
Het troost zo onomwonden
“ja heus het komt terecht”.

Waarom dan al die moeite
al dat verdriet en pijn?
Waarom dan niet direct
ná mijn geboorte
bij U al in de Hemel zijn?
 
Waarom die lange omweg
door puinhoop, langs ravijn?
t’Verraad van valse vrienden,
hun schoonheid van de schijn?
 
“Heer neem mijn beide handen…”
dat is toch flauwekul?
Waarom toch al die moeite
en levenslang de sul
van wetten en geboden
en dansen op de hete plaat
want anders straf en het gevang
wat heeft dit al voor baat?
 
Ik hoor U God
in ’t zachte ruisen van muziek
die melodie van stilte,
die huivering
mijn huid geraakt.
 
Neem toch mijn beide handen
en zet mij maar op vaste grond
laat mij daar niet verzanden
U bent en was ten alle stond.
 
Wat kan mij dus gebeuren?
Wat maak ik mij nog druk?
Over wat en wie zal ik nog treuren?
Voor u kan ik niet stuk.
 
Al was ik wel of niet geboren
wat maakt het uit
je bent er tóch! en nooit verloren
en boven haat en boosheid uitverkoren
en van werelds kruis verlost.
 
Martie Genger

Oudejaarsavond

Wij overdenken op oudejaarsavond het afgelopen jaar, hoogtepunten en dieptepunten. God is daarbij geweest, maar we hadden het alleen veel te druk met onszelf om dat te merken.

“Waarlijk de Here is aan deze plaats,
en ik heb het niet geweten …”
Genesis 28, 16

Op oudejaarsavond zitten we een paar uur bij elkaar en kijken om. Het afgelopen jaar gaat aan ons voorbij. Veel van wat daarin gebeurde zouden we vast willen houden om er blijvend van te genieten. Er zijn ook dingen, waaraan we liever niet meer terugdenken, omdat we ons er voor schamen. We waren ze misschien al vergeten, maar nu komen ze weer boven als een kwade droom. En als we dan terugkijkend al die gebeurtenissen en ervaringen van het afgelopen jaar aan elkaar rijgen, dan zien we dat er een lijn in zit. Opeens zien we ‘t.  Het leek eerst op een rommeltje, maar er is toch iets wat het alles bij elkaar houdt. Een rode draad loopt er doorheen! En dat verwondert ons. Want hoeveel dingen waren er niet, die toch heel anders zijn uitgekomen dan we ze hadden bedoeld? Hoe vaak zijn we niet gekomen op wegen, die we niet zelf zochten? En hoe dikwijls is het heel anders gegaan dan we hadden gedacht? En dan wordt ons bovenal één ding duidelijk: die rode daad in ons leven was niet de lijn, die wij zelf trokken. Er was leiding in, onafhankelijk van onze wil, en die leiding heeft ons leven gemaakt tot wat het geworden is.

Zo terugkijkend zien we, dat kleine dingen, waaraan we eerst nauwelijks aandacht schonken, van grote waarde zijn geweest in ons leven van het afgelopen jaar. En ook omgekeerd: dat grote zaken, waaraan we veel waarde hebben gehecht, nu helemaal niets meer voorstellen, ja toch uiteindelijk niets hebben bijgedragen aan het verloop van onze levenslijn. Hoe zou dat komen? Ik denk voor mij zelf, dat God hier Zijn hand in heeft gehad. Niet anders. Ik dacht wel, dat ik mijn weg bepaalde, maar terugziende merk ik, dat er een hand was, sterker dan de mijne, en dat die hand mijn leven heeft geleid en van al die talloze gebeurtenissen en ervaringen van een heel jaar één geheel, één leven heeft gemaakt.

Ziet u dat ook zo? Kijkt u met mij mee? De wiskundigen leren ons, dat een lijn bestaat uit een oneindig aantal punten, en elk van die punten is een feit in mijn leven geweest. Maar toen dat feit zich voltrok, zag ik het niet als een deel van die lijn, die doorgetrokken ergens uitkomt, maar het was voor mij enkel presente werkelijkheid. Dat het ene feit ook in de toekomst voor mijn levensrichting een rol zou spelen, besefte ik toen niet. Maar nu zie ik het ’t is een puntje op die lijn, die God voor mij getrokken heeft! De mens wikt, maar God beschikt. Hij beschikt onze dingetjes naar Zijn wil, naar Zijn Heilsplan voor mij.

Wat ik allemaal heb meegemaakt, heb mee MOETEN maken, was geen aaneenschakeling van toevalligheden, nee er was leiding in, en zó zijn we geleid en gekomen aan deze plaats op oudejaarsavond 2013. Jacob moest dat ook eens ervaren. De verbazing klinkt nog door in zijn uitroep: “Waarlijk, de Here was aan deze plaats en ik wist het niet!”.  Jacob was ook zo’n mens net als wij. Hoe vaak heeft hij niet gehandeld buiten God om, zijn eigen weg uitgestippeld, zijn eigen plannetjes uitgebroed , en dat waren niet zulke beste! Hij ontfutselde Esau diens eerstgeboorterecht. Hij maakt van zijn vaders blindheid misbruik. Bang voor de woede van zijn broer vlucht hij ver van zijn vaderland om bij ome Laban nieuwe zonden te stapelen op de oude. Toch is Jacob niet Godloos, hoe goddeloos zijn handelen ook wezen mag. Te Bethel droomt hij van God en hoe God  Zich met hem inlaat. Men droomt niet van dingen, waar men geheel buiten staat. God was er wel in Jacobs gedachten, maar Hij drong Zich niet op, Hij was ver weg en bemoeide Zich met Jacobs gedachten niet. Tenminste, dat dacht hij. Heel herkenbaar, ook voor ons. Toen werd het Jacob ineens duidelijk, daar in Bethel, dat God Zich WEL met hem bemoeit! Dat ook als hij denkt zijn eigen weg te kunnen gaan, God met hem meegaat en er bij is, bij al zijn doen en laten. Niet gek, dat Jacob bij deze gedachte even huivert. ’t Was alles zo mooi buiten God omgegaan, dacht ie, het bedrog tegen Esau, tegen zijn arme blinde vader, tegen Laban, zijn voortdurend op de vlucht zijn, al die dingen waarbij hij God niet gebruiken kon … En nu schrikt hij, nu hij merkt, dat God er toch bij was, bij zijn vlucht, hier in Bethel. “O, de Here is aan deze plaats en ik wist het niet!”  Dat is me toch even schrikken! Daar had ik nooit aan gedacht!

Een gewaarwording, die ook over ons komt, vanavond, nu wij met elkaar het afgelopen jaar overdenken en alles wat daarin was de loep laten passeren. Hoogtepunten en dieptepunten. Dat God daarbij is geweest… We hadden het veel te druk met onszelf om dat te merken. Maar nu we terugkijken en het geheel overzien, nu moeten wij net als Jacob bekennen: “Waarlijk, de Here was daar, en ik wist het niet!” Ik heb er niet op gelet. Had ik ’t maar wel gedaan, ik zou dieper geleefd hebben, meer vreugde hebben beleefd aan vreugdevolle momenten, meer troost hebben geput uit Zijn nabijheid in moeilijke ogenblikken. De Heer was daar, en wij wisten ’t niet. Hoe vaak hebben wij ons geen zorgen gemaakt, zijn we angstig geweest, voelden we ons alleen en in de steek gelaten. Veel zorg, die we ons zelf gemaakt hebben!

De mens lijdt dikwijls het meest
Door het lijden dat hij vreest
En dat nooit op komt dagen
Zo heeft hij meer te dragen
Dan God hem (haar) te dragen geeft.

Nee, het was niet God, Die ons een kruis oplegde, maar wij maakten onszelf een kruis van denkbeeldig leed, van wat misschien komen zou. Vooral angst voor de dood speelde ons parten. Hoe ouder je wordt, hoe meer je daarbij bepaald wordt. En wij zuchtten onder dat eigengemaakte juk. Nu zien wij dat alles anders. Nu is ook dat ingevoegd in die lange rij van levenservaringen, die rode draad van God in ons leven. Gelukkig, Hij  was er ook bij, bij dat zelfgemaakte kruis van ons, en Hij integreerde het in Zijn heilsplan.

Het is goed, dat wij nog net op tijd tot dat inzicht komen. Het zal ons bescheiden maken en deemoedig. Wij zullen het afgelopen jaar en ons toekomstige leven daardoor gerust in handen leggen van die God, Die er bij geweest is en erbij zal zijn. Wij hebben vorige week nog de komst van Zijn Zoon herdacht, Die de wonderlijke naam “Immanuël” draagt, wat betekent “God bij ons”. Die naam wijst naar Gods nabijheid bij ons, Zijn omzien naar en zorg voor ons.  Dat overdenkend gaan wij moedig het oude jaar uit en de nieuwe dingen van 2014 tegemoet. Hij, Die ons Zijn eigen Zoon niet heeft onthouden, zal ons met die Zoon ook alle dingen geven, die wij nodig hebben.

Blijft toch de vraag: waar was God in 2013? Kunnen we ook daar, in die storm en vloedgolven, die aan honderdduizenden Filippijnse mensen het leven heeft ontnomen, kunnen we ook daar nog zeggen: “Ja waarlijk, God was aan deze plaats en ik heb het niet geweten!” Soms hoor je, zeker ook in Nederland, stemmen, die zeggen: dit is een straf van God over een goddeloos volk. Maar waarom dan die arme mensen in Azië en niet het rijke Westen, waar zeker zoveel goddeloosheid te vinden is? Zou het niet kunnen zijn, dat we moeten zeggen: Ja zeker, God was aan deze plaats, om ons te verootmoedigen. Dat mogen wij ons allemaal ter harte nemen! Wij hebben ons te verootmoedigen! En dan geldt niet meer de vraag: waar was God in 2013? Maar: waar was IK in 2013? Ik, zoals ik was en ben tegenover mijn medemensen. Het is prachtig, dat we in Nederland zo’n 35 miljoen Euro’s hebben opgebracht om de nood in de Filippijnen te lenigen. Wat zou het ook mooi zijn, wanneer we met elkaar de materiële en geestelijke nood in ons eigen land konden terugdringen! Schuld belijden moeten we en de schouders er onder zetten. We gaan naast elkaar staan, de rijken naast de armen, de gezonden naast de zieken, de sterken naast de zwakken. Om elkaar toe te roepen: “Ja waarlijk, God is aan deze plaats en ik heb dat nooit kunnen denken!”

Het is genoeg hiervoor te weten, dat ons leven en dat van anderen niet in eigen handen ligt, maar in Gods handen. De Griekse filosofen spraken van noodlot of natuurwet, waardoor alle dingen werden geregeerd. Wij mogen beter weten: onze Vader in de hemel heeft het wereldbestuur in handen. Hij weet, tot in de kleinste details, wat goed voor ons is. En Hij laat niet varen de werken van Zijn handen, het grote werk vooral, dat Hij in Christus aan ons volbracht heeft: de verzoening van al onze zonden. Verzoend en wel mogen wij het jaar 2013 uittreden.

Zo wil ik eindigen met een gedicht van mijn Curaçaose vriendin Martie Genger, dat zij na de watersnoodramp op zestienjarige leeftijd in 1953 geschreven heeft:

1-2-3 in Godsnaam

Zeeën vol zielen
zij spoelen aan
kussen de oevers
voor zij weer gaan.
Biljoenen triljoenen
ontelbaar getal
vereend in de golven
zo God het beval.
Nooit meer alleen
want water met water
geen straks meer of later
door alle eeuwigheden een.
Zij stijgen en dalen
van nevel naar mist
in hagel tot regen
en sneeuw vergewist
zich in plassen, rivieren
de meren naar zee
van zielen, de zielen
die tranen van wee.

AMEN

Jubileum reuma

Het is dit jaar 35 jaar geleden, dat de reuma zich bij mij aandiende. Dat is dus 7 keer 5! Het zevende kroonjaar! Echt  wel iets om even bij stil te staan, is ’t niet?

Het is dit jaar 35 jaar geleden, dat de reuma zich bij mij aandiende. Dat is dus 7 keer 5! Het zevende kroonjaar! Echt wel iets om even bij stil te staan, is ’t niet?

Het is begonnen in 1978. Ik kreeg pijn in mijn rechtervoet, beginnend in het scharnier-gewricht en doorlopend naar de hele voet. De dokter dacht eerst aan jicht. We woonden toen in Haarlem (Noord) aan de Pijnboomstraat. Het vervelende was, dat ik toen juist een beroep naar Wilhelminadorp had aangenomen. Het zou een gecombineerde functie worden met het pastoraat in het verpleeghuis Ter Valcke te Goes. Ik kon me dus niet goed veroorloven juist nu ziek te worden!  Maar ja, het was niet anders. Wij vertrokken met een zere voet naar Goes, waar we ons eerste koophuis betrokken. Daar belandde ik direct in het ziekenhuis voor een kijkoperatie. Ze hebben een stukje uit de voet gehaald en onderzocht op reuma. En ja hoor, sporen van reuma werden duidelijk gesignaleerd. Daar kreeg ik toen medicijnen voor, echt gemeen spul, maar het hielp wel wat. Ondertussen was ik natuurlijk in de Ziektewet beland. Ik weet nog, dat er iemand bij mij aan huis kwam om er over te praten. Ik gaf toen aan liever aan het werk te gaan. Maar ja, hoe moet dat dan? Ik zei: er zijn toch elektrische rolstoelen. “Maar wilt u dat dan?” vroeg de man. “Ja zeker, dan schuif ik toch gewoon bij de mensen in het verpleeghuis aan!”. Nou, dat was dan opgelost, ik kon aan het werk. U begrijpt wel, dat ik blij was, toen de proeftijd van drie maanden zonder kleerscheuren voorbij was gegaan!

Ik heb het er 16 jaar volgehouden, maar was wel blij dat ik er in 1994, op m’n zestigste uitkon. In die tijd kon je, als je tenminste 10 jaar in dienst was geweest, met 60 jaar in pensioen gaan. Wat een weelde hé? Dat ik nu al weer 19 jaar gepensioneerd ben, wat een voorrecht!  Ik had het nooit kunnen denken! Dan zeg ik maar, omhoog kijkend, “tel uw zegeningen”.

Vrede op aarde

De boodschap van “vrede op aarde” op het einde van het jaar is wel heel erg nodig om daarmee het nieuwe jaar in te gaan. Want er was veel onvrede in het afgelopen jaar, ruzie en oorlog alom. We zien nog de beelden van het verscheurde Syrië, van Mali, Egypte, de Oekraïne en ga zo maar door.  In de tijd van de profeet Jesaja was het niet anders.

Johannes 14, 27
“Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen.”

Na de uitvoerige herdenking van Nelson Mandela valt het niet moeilijk om over vrede te spreken. Alle sprekers op de herdenking vorige week dinsdag in het stadion te Johannesburg spraken over drie kernwoorden: vrede, gerechtigheid en verzoening. Eigenlijk gaat het maar om één ding: vrede bewerkstelligen in je door onvrede en ruzie verscheurde land. Hoe doe je dat? Door gerechtigheid te brengen, met name recht aan de armen, en door tegenstellingen te overbruggen, partijen met elkaar te verzoenen.  In ons persoonlijke leven  gaat het niet anders. Heb je wat met elkaar, praat het dan uit, reik elkaar de hand, en als je man en vrouw bent, omhels elkaar dan en geef elkaar een kus van verzoening.

De boodschap van “vrede op aarde” op het einde van het jaar is wel heel erg nodig om daarmee het nieuwe jaar in te gaan. Want er was veel onvrede in het afgelopen jaar, ruzie en oorlog alom. We zien nog de beelden van het verscheurde Syrië, van Mali, Egypte, de Oekraïne en ga zo maar door.  In de tijd van de profeet Jesaja was het niet anders.

Dat was geen beste situatie. Al jaren lang behoorde Palestina tot de invloedssfeer van het enorme rijk van Assyrië. Ongeveer zoals vroeger de landen van het Oostblok aan de leiband van Rusland moesten gaan, zo moesten de koninkrijken van Syrië, Libanon, Israël, Juda, Edom, Moab, Ammon en de stadsstaten van de Filistijnen aan de leiband van Assur lopen. Dat viel ze niet makkelijk. Met regelmatige tussenpozen probeerden ze in opstand te komen en zich vrij te vechten. Zo was dat in de tijd van Jesaja ook net weer gebeurd. Syrië en Israël hadden geprobeerd los te komen, en Juda daarin mee te nemen. Maar koning Achaz van Juda had niet mee willen doen, en juist de hulp van de koning van Assur ingeroepen. En toen kwám de koning van Assur. Tiglatpileser III overspoelde met zijn legioenen Syrië,  Damascus wordt ingenomen en verwoest,  koning Pekach van Israël wordt door zijn eigen mensen van de troon gestoten, zijn land komt grotendeels aan Assyrië, en ondertussen trok het Assyrische leger verder, helemaal tot aan Gaza langs de kust, en ook in het binnenland komen de Assyriërs heel ver. En – ze beperken zich niet tot de landen die opstandig waren, ook Juda krijgt met ze te maken. Zo zie je maar, de wereld is sindsdien niets veranderd. Overal haat en nijd, verdeeldheid en onderdrukking. Toch zag hij het einde daarvan komen! Eens zou er een rijk van vrede zijn. Leest u maar eens het beroemde hoofdstuk Jesaja 11.

Obama kan nog zo’n prachtige rede houden over vrede en verzoening, maar of het ook landt? Wordt het in Syrië en Mali en de Oekraïne nu ook anders? En in ons eigen land, in de politiek, de economie, de opvang van vluchtelingen en asielzoekers? Mensen vechten elkaar het kot uit! Ook in mijn eigen kledingbranche is er veel strijd , concurrentie noemen ze dat. Maar het gaat tot bloedens toe, totdat er ééntje of meerderen het loodje leggen.  In plaats van elkaar te helpen, boort men elkaar de grond in!

Je hoort overal de roep om VREDE. Wat betekent dat: vrede hebben? Oorspronkelijk heeft vrede te maken met “omheinen”. In het Duits vinden we deze betekenis nog in het woord “einfriedigen”, dat is “omheinen, insluiten”. Vrede hebben wil dus zeggen, dat je veilig omsloten bent. Hierbij kun je denken aan een stuk land, waaromheen een muur loopt, die het aan alle kanten veilig omringt, zodat indringers buiten gehouden worden. Als een mens vrede heeft, weet hij: er is een muur of Iemand, een Hogere Macht, die mij beschermt, ik hoef dus niet bang te zijn. Dat is toch heel wat, als een mens dat weten mag! Want diezelfde mens is ook iemand, die omgeven is door zorgen en zwakheden. Maar ik vrees niet, want ik ben onder veilige hoede. Ik ben gekweld en bedroefd, maar IK WIJK NIET EN BEZWIJK NIET, want ik word vast gehouden.

Niet waar? Want zo is het toch? Of niet soms?  Kun je wel zo speken en zo zijn, zo geborgen, zo vastgehouden? Bent u dat ook? Of ziet u meer de zee van onrust, waarop u drijft? Bent u juist meer met onvrede vervuld, onstandvastig, angstig, vol wantrouwen en klein geloof? Ja, zo zijn wij ook vaak: prijsgegeven aan innerlijke onrust en vredeloosheid, zeg maar “ONVREDE”.  Ze zeggen wel eens: vrede komt niet van buiten, maar van binnen. Heb je vrede met je zelf? Of is het een en al onrust, daar binnen in?  Hoe komt het toch, dat meer en meer psychiaters hun handen vol hebben? Als het van binnen niet goed zit, gaat het van buiten ook niet goed.

Daarom kunnen wij ook geen stand houden. Vandaar onze met zorgen vervulde dagen en die beangstigende nachten, al die neerdrukkende gedachten. Wat zouden wij graag een muur om ons heen willen hebben, die ons aan alle kanten beschut. Bestaat zo’n muur wel voor ons?

Wij worden geroepen om onze verdelende muren af te breken en ons te omheinen met de MUUR VAN GOD. Dat is de actuele boodschap voor vandaag anno Domini 2013. HIJ IS ONZE VREDE, zegt de apostel Paulus in zijn brief aan de Ephesiërs. We hebben ons te richten op Hem! In de Mandela-herdenking is  Mandela verrschillende keren vergeleken met Ghandi, de Indiase voorstander van  geweldloosheid om de armen in zijn land recht te doen en aandacht te vragen voor de onderdrukking van die mensen.  Hij bracht verzoening tot stand tussen Moslims en Hindoes. Er wordt ook wel gedacht aan mensen als Martin Luther King en Moeder Teresa. Toch is het beter te verwijzen naar Hem, die de ”echte vrede” brengt. “HIJ IS ONZE VREDE“, zegt de Bijbel. Zou dat niet betekenen, dat er VREDE is ook voor ons, ja, juist voor u en voor mij! Niet, omdat wij zo flink zijn, zo vastberaden en vol zelfvertrouwen. Maar alleen omdat HIJ er is voor ons. Omdat HIJ in deze vreselijke wereld zonder vrede is gekomen, voor u en voor mij. Daarom kan er vrede zijn voor ons. ZIJN VREDE is ons geworden. In die vrede mogen wij leven en sterven. Want in Jezus Christus is het openbaar geworden, dat de gehele onvrede van de wereld tot een einde komt, een begrenzing heeft, en wel in Gods liefde en barmhartigheid, waarvoor Jezus op aarde is gekomen.

Dan worden de scheidsmuren afgebroken.
• Muren tussen mensen: als je een conflict hebt, als er mensen zijn die je ‘gewoon niet mag’, als het moeilijk gaat in je relatie: ontdek de muren
• Muren tussen groepen: tussen arm en rijk, tussen mannen en vrouwen, tussen autochtonen en allochtonen
• Muren tussen kerken, tussen hemel en aarde en geestverwanten.

“VREDE OP AARDE”  Wat heerlijk, als we dat zingend eens echt beleven konden! Jesaja zag het al voor zich (Jesaja 11, 6-9):

    6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
    een panter vlijt zich bij een bokje neer;
    kalf en leeuw zullen samen weiden
    en een kleine jongen zal ze hoeden.

    7 Een koe en een beer grazen samen,
    hun jongen liggen bijeen;
    een leeuw en een rund eten beide stro.

    8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
    een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

    9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
    op heel mijn heilige berg.
    Want kennis van de HEER vervult de aarde,
    zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Ziet u dat ook al?
ZALIG KERSTFEEST !

De Here is uw Bewaarder

We hebben lang tegen dit moment opgezien. We wisten, dat het komen zou en we hadden het al zo dikwijls eerder verwacht. Ja, we hadden gehoopt en gebeden, dat het eerder zou plaatsvinden. Want het is ook een moment van genade, wanneer een mens, moe gestreden, van zijn ontluisterende lijden verlost wordt. Hoe dikwijls hoorden we niet de verzuchting “Ik wou dat het maar afgelopen was”.

Op het einde van het kerkelijk jaar herdenken wij hen, die ons ontvallen zijn. Daarom laat ik onderstaand een preek “horen”, die ik eens bij een begrafenis van een mevrouw uit het verpleeghuis Ter Valcke in Goes, waar ik pastor ben geweest, gehouden heb. Moge het ook een steentje bijdragen aan de discussie, die gaande is over een nieuw te vormen “participatiemaatschappij”.

Psalm 121: 5
“de Here is uw Bewaarder”

Rust nu maar uit, je hebt je strijd gestreden,
Je hebt het als een moedig mens gedaan.
Niemand kan begrijpen, hoe je hebt geleden,
Niemand zal begrijpen wat jij hebt doorstaan.

We hebben lang tegen dit moment opgezien. We wisten, dat het komen zou en we hadden het al zo dikwijls eerder verwacht. Ja, we hadden gehoopt en gebeden, dat het eerder zou plaatsvinden. Want het is ook een moment van genade, wanneer een mens, moe gestreden, van zijn ontluisterende lijden verlost wordt. Hoe dikwijls hoorden we niet de verzuchting “Ik wou dat het maar afgelopen was”.  Maar dan keek zij naar boven, naar de trouwtekst boven de slaapkamerdeur en zei: “Maar ik mag niet klagen hé? ‘k Mag toch niet opstandig zijn. God zal mij wel bewaren…” Dat klonk altijd zo overtuigend, alsof zij  daarmee zich zelf steeds weer opnieuw moest overtuigen. Hoe ellendig het ook is, Hij is er bij en daar houd ik me maar aan vast. En dat heeft ze gedaan al die lange weken van toenemende verschrikking en machteloosheid. Met angst: wat gaat er toch allemaal in mijn lichaam om? En woede: dat ik nu al mijn lieve man en kinderen moet achterlaten. Met het opzien tegen de lange donkere nachten, waarin de dood zijn dreigende spookbeelden laat zien. Met zo veel bezorgdheid voor haar gezin. Hoe zou het straks verder moeten, als zij er niet meer bij was? Zij, die altijd met zo veel liefde en zorg het hart van het gezin was geweest?

Al die onthutsende en door elkaar liggende gevoelens hebben een jaar lang haar leven beheerst, sinds zij wist, dat zij niet meer beter kon worden en kanker haar lichaam zou vernietigen.
“Ik hef mijn ogen op naar de bergen,
Van waar zal mijn hulp komen?”

De weg, die zij moest afleggen, moest haar wel voorkomen als en onbeklimbare berg. En zij zag er ook tegen op als tegen een berg. En jullie ook, Kinderen, want jullie zouden haar begeleiden, met haar meegaan op die moeizame weg.  Jullie hadden met elkaar afgesproken elkaar niet los te laten, samen te blijven in het huis, waar jullie zo veel lief met elkaar gedeeld hadden en nu ook leed zouden delen. Dat was een moedige beslissing. Het betekende, dat jullie je met alle kracht zouden inzetten om Moeder thuis te houden, zodat ze in de veilige geborgenheid van haar thuis het leven zou mogen beëindigen. Wat is dat goed geweest voor haar en ook voor jullie! Maar ook: wat een opgave hebben jullie daarmee volbracht! Gelukkig maar, dat een mens tevoren niet weet, hoe moeilijk het gaat worden als de dood zijn gruwelijke spel speelt.

Nu is de berg beklommen en het is geen vraag meer “vanwaar zal mijn hulp komen?” Want de Hulp IS gekomen. Jullie moeder heeft de rust gevonden, waar zij zo naar verlangde. “We gaan toch naar beter” zei ze en daar trok zij zich aan op, haar Bewaarde was bij haar. Hij heeft haar uitgang uit dit leven bewaard en bewaart nu ook haar ingang in dat ANDERE leven, waar de Heer Jezus ook haar plaats bereid heeft. “Jullie moeten verder…’t zal zo moeilijk zijn!”

Maar juist voor mensen in zo’n grote nood als jullie is Psalm 121 geschreven. De dominee, die jullie trouwde, heeft destijds de juiste trouwtekst gekozen. Jullie wisten toen gelukkig nog helemaal niet, hoe wreed jullie huwelijk verstoord zou worden. In het leven, waarvan jullie nu weer de draad moeten oppakken, mag je zeker ook rekenen op de hulp van de Heer, jullie Bewaarder. Hij zal jullie er doorheen slepen, Hij zal jullie tranen afwissen. Hij zal op lichtpunten wijzen, op nieuwe mogelijkheden, waaraan je in je verdriet nog nauwelijks denken kunt. Hij zal de diepe wonde van het gemis van die lieve moeder persoonlijk verzorgen. Als er één mantelzorger is, dan is Hij het wel! Hij is jullie Bewaarder! Reken daar maar op!

Tot 6 keer komen we dit woord tegen in de korte psalm van maar 8 verzen: bewaren en Bewaarder. Dat is niet toevallig. Het is met opzet door de dichter zo neergeschreven. Hij wil ons daarmee verzekeren, dat het op de Bewaarder aankomt en dat aan die Bewaarder geen twijfel mogelijk is. Zijn bewaring is buiten kijf. Let maar eens op wat er allemaal van die Bewaarder gezegd wordt:

Dat Hij niet zal toelaten dat uw voet wankelt
Dat Hij niet slaapt
Dat Hij een schaduw is aan uw rechterhand
Dat Hij uw uitgang en uw ingang bewaren zal

Met al deze beelden bestrijkt de dichter ons hele levenspad. Het risico dat je valt of struikelt. De hulp in de strijd: Hij  is een schaduw voor de rechterarm, de arm die het meest kwetsbaar is in de strijd, waar een mens zich zelf niet verdedigen kan. God beschermt ons zo op onze meest zwakke en gevoelige plaatsen. Hij zal zeker ook zo bij jullie zijn in jullie verdriet en verlatenheid.

Dat mag ons allen vanmiddag tot troost zijn. Hoe onzeker het leven voor ons ligt, één ding is zeker: wij worden bewaard, en wie God bewaart is wel bewaard! Het verdriet en gemis zal er niet minder om zijn, dat niet, maar we worden er wel in bewaard, zó, dat we er niet aan bezwijken, dat we er niet gek van worden, dat de depressie niet de overhand gaat krijgen. In alle verdrukkingen, die ons nog te wachten staan, zullen we die bewarende hulp van God o zo nodig hebben. We mogen die HULP ook weerspiegelen in onze eigen hulp aan elkaar. Dat noemen we tegenwoordig “Participatiemaatschappij”.  God laat ons niet in de steek, wij moeten het elkaar ook niet doen. Da is een vernieuwde opdracht, een taak die God u geeft. Uw moeder zal zich verheugen, als zij ziet, hoe goed het gaat met haar kinderen. En uw Bewaker zal er een wakend oog op houden. Meer kan ik jullie niet zeggen, maar dat hoeft ook niet, het is genoeg.

Toen zij getroffen werd door een groot verlies, heeft de dichteres Nel Benschop haar gevoelens zo vertolkt – ook als troost in jullie verdriet:

ADIEU
 Je bent niet dood – de Heer heeft je geroepen
 Bij Hem te wonen in Zijn glanzend huis.
 Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken,
 Je hebt ze nu –  want je bent veilig thuis.
 Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven,
 Je bent verlost van onvolkomenheid,
 Van pijn en verdriet, God zal je geven
 Een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd –
 Je bent niet dood,  – maar ach, ik zal je missen
 Zoals een mens de meest geliefde mist.
 De jaren ven geluk zijn nooit meer uit te wissen,
 En ik geloof: God heeft Zich niet vergist…

Amen

Heidelbergse Catechismus – Zondag 46

Christus heeft ons geboden God aan te spreken met “Onze Vader”. Wij bidden dus tot Iemand, een Persoon. Bidden is spreken met die Persoon, met God. Het is dus niet een mediteren in je zelf, een soort mijmering, een gedachtespel, een innerlijke gemoedsbeweging of zo. Nee, het is en spreken tot God, een zich uitspreken voor God. Ik sta vóór Hem, alleen of met elkaar. En ik spreek met Hem.

Christus heeft ons geboden God aan te spreken met “Onze Vader”. Wij bidden dus tot Iemand, een Persoon. Bidden is spreken met die Persoon, met God. Het is dus niet een mediteren in je zelf, een soort mijmering, een gedachtespel, een innerlijke gemoedsbeweging of zo. Nee, het is en spreken tot God, een zich uitspreken voor God. Ik sta vóór Hem, alleen of met elkaar. En ik spreek met Hem.

Bidden is altijd een gesprek. Dat is ook hetgeen, wat de mens kenmerkt: dat hij spreken kan. Hij kan luisteren en spreken. Hieruit blijkt, dat hij naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is. Zo spreken de mensen met elkaar en dus ook met God. Hij zegt: “Onze Vader“. Alleen maar “Onze Vader, Die in de hemelen zijt“. Heel eenvoudig.  Je hoeft het niet mooier te maken, het moet voor alles ECHT zijn. De soberheid is in het gebed het teken van het ware!  Christus leert ons zo te bidden. Begin maar met de Vadernaam, zegt Hij. “Deze wekt in  ons de kinderlijke vreze tot God”, zegt de Catechismus. “Vreze”, dat is heel wat anders dan “angst”. De Bijbel neemt juist alle angst uit onze verhouding tot God weg en zet daarvoor liefde in de plaats. Het is de liefde van het kind tot vader en moeder. Daarin zit eerbied, geen angst maar “vreze”. Eerbied  is het besef van het niveauverschil tussen God en mens. Het besef ook, dat Hij God is en wij (maar gewoon) mensen zijn. Toch mag er tussen Hem en ons gemeenschap zijn. Dat is het grote wonder! Het bidden brengt die gemeenschap. Bidden gaat van beneden naar boven: “Uit de diepte roep ik tot U, o Heer” (Psalm 130, 1).

Wanneer wij aan God denken, worden wij vanzelf ontroerd door Zijn liefde en ontferming, door Zijn genadige bedoeling met mens en wereld, door Zijn trouw en volharding, Zijn geduld met ons, Zijn heiligheid en majesteit, Zijn onuitsprekelijke heerlijkheid, die Hij over onze dingen wil leggen. Zo is de God, tot ie wij spreken, en daarom kunnen wij niet anders spreken dan met grote eerbied, de “vreze des Heren“. De Catechismus spreekt ook van het “kinderlijke toevoorzicht“. Dat is het zelfde woord  als het Duitse Zuversicht, wat vertrouwen en verwachting betekent. Daarin ligt iets blinds, iets onbewusts, iets onberedeneerd en ook natuurlijks. Alle achterdocht, wantrouwen en twijfel is er uitgesloten. Ook alle bedilzucht en betweterij, en de neiging om zelf het leven in handen te willen nemen. Het kind leeft in een onbewuste en volledige overgave aan de leiding van de ouders. Wij moeten daarom zonder enig voorbehoud al ons vertrouwen alleen op God zetten en alle dingen in het leven alleen van Hem verwachten. Zó bidden wij dus. En niet zoals wij vaak plegen te doen: het ene stukje kunnen we zelf wel opknappen, voor het andere stukje hebben wij God nodig. Bidden moet gebeuren met kinderlijk  vertrouwen,  in alle dingen, zoals ook Jezus zelf het voorbeeld gegeven heeft . U weet wel: de discipelen verwonderden zich daarover en vroegen Hem: leer ons ook zo bidden. Daarvoor hoeven we niet altijd met  “Onze Vader” te beginnen, maar ons gebed dient wel altijd gedompeld te zijn in de geest van het kindschap, van de kinderlijke “vreze”.

Het “Onze Vader” duidt naast die “vreze des Heren” ook nog op iets anders: gemeenschap. Er ligt gemeenschap in, niet alleen gemeenschap met God, maar ook gemeenschap met de naaste, de medemens, met elkaar. We zeggen immers  “ONZE  Vader“. Ik bid tot God, maar zie tegelijkertijd al die andere mensen om me heen staan, mensen die met me mee bidden en met wie ik mee bid. Bidden is nooit een eenzaam gebeuren. Niet de eenzaamheid, maar de gemeenschap is het element waarin wij leven. Eenzaamheid is het element van de dood, gemeenschap dat van het leven! Zelfs in dit meest persoonlijke, het spreken met God, zijn wij opgenomen in de gemeenschap. Daarom is het gezamenlijke bidden, in de Kerk en het gezin, ook van zo grote betekenis. Wij bidden gezamenlijk het “Onze Vader“. Al is de Kerk nog zo verdeeld, wij bidden toch het ene “Onze Vader“. Al zijn er nog zo veel onenigheden onder Christenen over waarheidsvragen en belijdeniskwesties, voor Gods Aangezicht staande kunnen wij alleen maar zeggen “Onze Vader“. In die aanroep zijn wij allen één. Vandaar ook dat het eenvoudiger is in de verschillende Kerken samen te bidden dan te belijden. De oecumene begint bij het gebed! Dit hangt ook daarmee samen, dat wij bidden in Christus’ naam. In Zijn naam toch is God “Onze Vader” geworden. Hoe anders zouden wij God kennen dan juist in Christus’ naam? In alles, wat Hij voor ons over gehad heeft? Door Zijn lijden en sterven heeft Hij Zich aan ons bekend gemaakt als een God van genade en liefde. Daarom moet al ons bidden doortrokken zijn van dankzegging, want in Christus is ons alles geschonken wat wij voor tijd en eeuwigheid nodig hebben. Bidden is danken. Toen wij met ons jonge gezin eens in Zwitserland met vakantie waren, begon onze gastheer steevast met “Wir danken“. Het was in het plaatsje Goldiwil, waarvan Alice (onze middelste dochter) zei dat het goed bij ons paste: God, Die wil! Het gebed zelf is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Het is DE manier om zich aan God dankbaar te tonen: bidden en nog eens bidden, steeds maar weer bidden.

In dit perspectief staat dan ook de verhoring van ons gebed. Omdat God door Christus Onze Vader is ,”zal Hij ons veel minder afslaan hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.”  Zo drukt de Heidelbergse Catechismus zich uit. Als ouders moet je de kinderen wel eens wat “afslaan”. Maar God gaat heel anders te werk. Hij heeft er het leven van Zijn Zoon voor gegeven, het heeft Hem heel veel gekost om dit te doen. Als Hij dat niet heeft afgeslagen, zou Hij dan wel onze bede om hulp afslaan? Gebedsverhoring, daarmee pleegt menigeen erg te zitten. Toch moest het voor ons geen probleem zijn. Ik weet wel: wij willen altijd graag resultaten zien, ook van het bidden. Maar laten we toch vooral bij het bidden niet vergeten, dat het in de eerste plaats  AANBIDDEN  dient te zijn, God de eer geven en in Zijn heiligheid laten. Laat daarom uw gebed niet vastlopen in de vraag van de verhoring, maar laat het zich verliezen in aanbidding.

Daarbij komt ook nog, dat het gebed, zoals ik al zei, DANKZEGGING moet zijn.  Meer dankzegging dan het opsommen van allerlei wensen. Dankzegging voor al die zegeningen, die u hebt ontvangen en steeds weer opnieuw ontvangt in uw leven. Vooral ook voor het eeuwige heil in Christus, waarin we immers nu al alles ontvangen hebben wat maar mogelijk is. In Christus is de vraag van de verhoring van onze gebeden geen vraag meer, want op al onze vragen heeft Hij toch in Zijn lijden en sterven en opstanding een resoluut en definitief antwoord gegeven.

Bidt daarom met een grote vrijmoedigheid tot God: “Onze Vader“.

”Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom vragen” (Mattheüs 7, 7-11).

Amen.

Omzien naar elkaar

Als er iemand is, die naar ons omziet, dan is dat toch God wel! Gelukkig maar! Leest u de hele psalm en u zult dat ontdekken. Ook daar is een mens, die zich door anderen in de steek gelaten voelt. In wat voor omstandigheden, dat weten we niet. Maar God heeft hem of haar er doorheen geholpen. Zijn nimmer aflatende troost was de dragende factor.

Onlangs ontving ik op mijn mail een verzoek om op het volgende te reageren:

“Op mijn zoektocht naar een goede manier van rouwen kwam ik uw site tegen. Vandaar dat ik u nu mail. Vanaf 2009 hebben we ieder jaar een familielid verloren. Mijn schoonzus is afgelopen september overleden. Ik dacht dat ik altijd op goede wijze gerouwd heb, maar na het laatste overlijden blijkt dat niet het geval .Ik ben Christen en aangesloten bij een kerkgemeenschap. Waar ik vooral  tegen aan loop, is dat er aandacht is tijdens het ziekbed en daarna tot en met de begrafenis. Daarna wordt het oorverdovend stil.  Er is heel veel aandacht voor jongeren in de kerk. Leuk, flitsend en snel. Toch ben ik ervan overtuigd, dat er hier iets mist. Jongeren leren niet om met verdriet en moeite om te gaan. Het wordt letterlijk op een gegeven moment dood gezwegen. De eerste week na het overlijden wordt er nog wel gevraagd hoe het gaat met de betreffende jongere. Maar in een groep zullen ze zich niet makkelijk uitspreken. Ik ben op zoek naar handvatten om dit structureel onder de aandacht te brengen Was het niet zo, dat de eerste Christenen bekend stonden om hun zorg voor de overledenen en de nabestaanden? Ik denk dat het goed is dat er hier meer collectief met rouw wordt omgegaan. Hoop van harte dat u mij enkele handvatten kan geven.”

Ik  heb hierop het volgende geschreven:

“Mijn excuses, dat het zo lang geduurd heeft, voordat ik u nu ga antwoorden. Dat komt ook, omdat ik er zelf een beetje moeite mee heb. Het probleem, waar u tegen aan loopt, is mij overbekend. Van verschillende zijden heb ik dit al in de loop van mijn pastorale werkzaamheid gehoord. Na het overlijden gaat men weer gauw over tot de orde van de dag. Bij de dood moet je niet te lang stil staan! U zou vinden, dat het juist wel moet. Dat het voor de getroffenen troost kan bieden. Zeker, wanneer je bedenkt, dat het verdriet na langere tijd juist toeneemt. In de Kerk wordt een keer per jaar, op “dodenzondag”, een herdenking van alle gestorvenen gehouden. Dan worden kaarsen aangestoken voor iedere overledene. Een mooie traditie, zeker. Maar tussentijds, wordt er dan naar de rouwenden omgezien? Ik denk met u: veel te weinig. Hoe kun je dit veranderen? In deze tijd, waarin alles draait om materiële zaken en gezondheid? Dat vraagt om een mentaliteits-omslag. En zeker bij jongeren is dit moeilijk te bereiken! Die hebben hele andere dingen aan hun hoofd. Ook wel begrijpelijk. Maar de ouderen moesten toch beter weten? Ze zijn er ook wel, die dit in zich hebben, gelukkig maar. Zo heb ik een lieve vrouw, die het allemaal bij houdt. Ieder, die troost en aandacht nodig heeft, weet zij te bereiken, elke week opnieuw. Het is een gave, van God gegeven, als je dat in je hebt. Heel veel mensen kunnen dit niet, ze worden er te moe van, het kost te veel tijd en dat (denken ze) hebben ze niet. Voor elkaar bidden is heel mooi, maar het is niet genoeg. Bidden moet ook handen en voeten krijgen in daadwerkelijk met elkaar meeleven. Af en toe een telefoontje, een bezoekje, even vragen hoe het er mee gaat. Is dat nou te veel? Ouderen, die alleen zijn overgebleven, voelen zich ook echt alleen gelaten door de kinderen. De overheid probeert hier verandering in aan te brengen, een goede zaak (ook al is het uit bezuinigingsoverweging ingegeven). Ik hoop, dat het bij de jongeren zal landen! De Kerken zullen hier het voortouw moeten nemen, dat is zeker. Een mooie nieuwe taak voor de Kerken, maar zoals u zegt eigenlijk al heel oud! We moeten weer leren elkaar recht in het hart te kijken en heel veel voor elkaar over te hebben, tijd en geld en heel veel aandacht. Ieder moet daarmee zelf beginnen, gij in uw klein hoekje en ik in het mijn. Zullen we dat dan maar doen? Ik wens u daarbij Gods onmisbare zegen toe. Met hartelijke groet, Ph.Kroes.”

Ik wil er hier op de site nog een verwijzing naar een Bijbeltekst aan toevoegen:

Psalm 94, 19: Toen ik door zorgen werd overstelpt, was uw troost de vreugde van mijn ziel.

Als er iemand is, die naar ons omziet, dan is dat toch God wel! Gelukkig maar! Leest u de hele psalm en u zult dat ontdekken. Ook daar is een mens, die zich door anderen in de steek gelaten voelt. In wat voor omstandigheden, dat weten we niet. Maar God heeft hem of haar er doorheen geholpen. Zijn nimmer aflatende troost was de dragende factor.

Ik hoop, dat u er ook iets aan heeft, aan die troost van God en aan bovenstaande briefwisseling. Mocht u er iets aan toe willen voegen, graag. U kunt hiervoor gebruik maken van uw reactie hieronder.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 45

De zondagen van het gebed staan in de catechismus direct achter de zondagen over de tien geboden, de “WET”. Tegelijk zijn het ook de laatste zondagen van de catechismus. Dat is niet toevallig! Want als het goed is, loopt de overdenking van de 10 geboden uit op het besef, dat je er eigenlijk niets van terecht hebt gebracht (en brengt), dat je elke keer weer Gods geboden overtreedt en dat je toch eigenlijk maar een slecht mens bent. En dat besef brengt je tot het verlangen naar vergeving, tot de helpende hand van Christus en tot grote dankbaarheid, omdat Hij je ondanks alles toch niet in de steek laat. Uiteindelijk kun je dan alleen nog maar vragen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” En dat is het begin van alle bidden!

De zondagen van het gebed staan in de catechismus direct achter de zondagen over de tien geboden, de “WET”. Tegelijk zijn het ook de laatste zondagen van de catechismus. Dat is niet toevallig! Want als het goed is, loopt de overdenking van de 10 geboden uit op het besef, dat je er eigenlijk niets van terecht hebt gebracht (en brengt), dat je elke keer weer Gods geboden overtreedt en dat je toch eigenlijk maar een slecht mens bent. En dat besef brengt je tot het verlangen naar vergeving, tot de helpende hand van Christus en tot grote dankbaarheid, omdat Hij je ondanks alles toch niet in de steek laat. Uiteindelijk kun je dan alleen nog maar vragen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” En dat is het begin van alle bidden! Een gesprek met God, wandelen met God! Daarom staat het gebed ook onder het hoofdstuk van de dankbaarheid.  Want als je werkelijk weet en het ook ervaart dat God Zich met jou inlaat, dun kun je toch niet anders dan dankbaar zijn? Je kent de 10 geboden, de huisregels van God, je kent vooral ook de weg tot God om met Hem te spreken en je zonden te belijden, in je gebed. En dan gaat het om gewone en alledaagse dingen, maar wel vaak om dingen die je dwars liggen. In je gebed kun je God ook echt je berouw en dankbaarheid betonen!

Hoe kom je tot “bidden”?  Het gebed gaat feitelijk van God uit. Hij maakt het mogelijk, Hij trekt mensen tot Zich. Daarom is het gebed eigenlijk een wonderlijk iets. Dat iemand zijn handen vouwt en zijn ogen sluit, zijn knieën buigt en alles wat hem bezig houdt neerlegt voor de  Onzienlijke, om daarna op te staan als een verlicht mens, die de dingen kan zien met andere ogen en zijn zorgen draagt met vernieuwde kracht … dat is iets wonderlijks, onbegrijpelijks, ongelooflijks, iets geheimzinnigs. Echt iets, wat niet door mensen gemaakt kan zijn, maar wat van een andere macht, van God Zelf uitgaat. De Catechismus noemt dat “de werking van de Heilige Geest in de mensen”. En juist daarom, omdat God Zelf de mensen tot bidden brengt, omdat in het bidden de Heilige Geest met de mensen bezig is, daarom kan het niet anders of ons bidden wordt danken. Tegenover God kunnen wij toch niet anders dan alleen maar danken?

“Waarom hebben christenen het gebed nodig?” Daarom, omdat het ’t voornaamste stuk der dankbaarheid is, dat God van ons vraagt, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. “Zonder ophouden” wil niet zeggen, dat we onophoudelijk door moeten bidden, maar het betekent, dat het iets eigens aan je leven moet zijn, dat je  er niet buiten kunt. Je hele leven moet rusten in het gesprek met God, elke dag opnieuw, het is je “dagelijkse brood”. Natuurlijk zijn er al vanouds bepaalde gebedstijden en gebedsoefeningen geweest. Gebruikelijk was drie maal per dag: ’s morgens voor je de dag begon, ’s middags aan de maaltijd met het hele gezin  en ’s avonds aan het einde van de dag voor je ging slapen. Het is heel jammer, dat er voor velen vandaag in het hectische leven geen plaats meer is!  Men zegt dan vaak, dat de tijd ontbreekt. Ik weet het niet, waar een wil, is toch ook wel een weg te vinden?

Dat was dus de vraag “WAAROM WIJ BIDDEN”. En nu komen we bij de vraag “HOE TE BIDDEN”.  “Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt?” “Dat Gode aangenaam is” klinkt ons misschien een beetje vreemd in de oren. Zou je niet beter kunnen zeggen: wat God prettig vindt?  Waarom? Omdat het echt is en eerlijk gemeend? “En dat verhoord wordt” WIL ZEGGEN, DAT God er op in gaat. Dat is wel wat anders, dan dat God het ook inwilligt. Hij hoort het niet alleen, maar Hij schenkt er ook aandacht aan! Hij blijft met ons bezig, Hij ziet ons staan! Zo is een gebed, dat door God verhoord wordt.

Tot zulk een gebed behoren drie dingen, aldus de Heidelberger:

In de eerste plaats, dat ons gebed zich tot God richt. “Dat wij alleen de enige ware God van harte aanroepen”.  Dat is de God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft. Dat is dus niet zo maar een God, die we ons zelf gemaakt hebben, zoals het lot of het noodlot, de publieke opinie, de Media, de popster, het geld, de welvaart … Maar het is de God, Die ons Zijn Woord gegeven heeft, ja, Die begonnen is als Eerste met ons te spreken, zodat wij op Zijn gesprek kunnen ingaan, mogen antwoorden, gesprekspartners van Hem worden.

Ten tweede hoort bij zo’n gebed, dat wij ons nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Dat is iets, wat wij al biddende leren, denk ik. Tegenover onze medemensen kunnen wij ons nooit zo grondig uitspreken als tegenover God in het gebed. Niet alleen geldt het spreekwoord “Nood leert bidden”, maar het omgekeerde is net zo waar: “Bidden leert onze nood”! Je gaat ontdekken, wat je niet bent en hoe je niet bent, wat je niet deed en wat je misdeed. Toch maakt het gebed je niet wanhopig. Integendeel, het geeft je rust en vrede, omdat je met God spreekt en omdat Hij Zich over je ontfermt. Zeker, in het bidden word je klein gemaakt, er blijft niet veel van je waardigheid over, maar je wordt klein en ootmoedig als een kind, waarover Vader Zich ontfermt.

In de derde plaats behoort tot het gebed “HET GELOOF”. Een vaste grond, zo noemt de Catechismus dat. Het betekent: zekerheid, het volste vertrouwen. We hebben niet alleen maar af te wachten of God ons zal verhoren: dan zou verhoren niets anders betekenen dan “z’n zin krijgen”. Maar we kunnen er zeker van zijn, dat God ons gebed om des Heren wil zekerlijk wil verhoren. De vaste verhoring van ons gebed ligt dus in Christus, omdat Hij mens geworden is en voor ons is gestorven. Zo heeft Hij het goed gemaakt, tussen God en ons, dat is verzoening. Daarom verhoort God ons gebed “IN CHRISTUS”. En daarom bidden wij in Christus’ naam. Zo ziet God ons “in Christus” als andere mensen aan!  Eigenlijk is iedereen onwaardig om door God aangehoord te worden, maar in Christus zijn we het waard geworden. Hij is de Middelaar, die we bij ons bidden niet missen kunnen. Dat is het geloof, waarin wij bidden mogen, de vaste grond, de rots van ons behoud. Zo zingen wij “Vaste rots van mijn behoud”, gez. 174 uit de oude Hervormde bundel:

1 Vaste Rots van mijn behoud, als de zonde mij benauwt, laat mij steunen op Uw trouw, laat mij rusten in Uw schaûw, waar het bloed door U gestort, mij de Bron des Levens wordt.

2 Jezus, niet mijn eigen kracht, niet het werk door mij volbracht, niet het offer dat ik breng, niet de tranen die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen.

3 Zie, ik breng voor mijn behoud U geen wierook, mirr’ of goud. Moede kom ik, arm en naakt, tot de God, Die zalig maakt, Die de arme kleedt en voedt, Die de zondaar leven doet.

4 Eenmaal als de stonde slaat, dat dit lichaam sterven gaat, als mijn ziel uit d’ aardse woôn opklimt tot des Rechters troon,- Rots der eeuwen, in Uw schoot berg mijn ziele voor de dood.

Natuurlijk, niet altijd wordt ons bidden door geloof gedragen, veel bidden gebeurt “automatisch”. Vaak is het gebed ook de moeilijke weg om weer tot vernieuwd geloof te komen en: “stil tot God” te worden. Er kan een groei zitten in het gebed. Je kunt met het bidden meegroeien  tot een ander mens. Daarom: VERGEET NOOIT TE BIDDEN, OOK AL ZOU HET SLECHTS EEN STANDAARDGEBED ZIJN! Houdt de weg open naar God, in het dagelijkse gebed. Uiteindelijk zijn niet wij het, die ons gebed tot iets waardevols kunnen maken, maar dat doet alleen God, Die tot ons komt met Zijn Heilige Geest.

Tenslotte de vraag, waarover wij bidden. Antwoord: “Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.” De inhoud van dat gebed staat in het “Onze Vader”.  De kern van het gebed wordt de geestelijke en lichamelijke nooddruft genoemd. Een oud woord, nooddruft, maar nog wel verstaanbaar. Het gaat om de eenvoudigste dingen, waar een mens “nood” aan heeft, het zijn dingen die men echt “nodig” heeft en die daarom in het leven van fundamenteel belang zijn. Dat je veel kunt missen zonder geestelijk en/of lichamelijk te verarmen, hebben velen ondervonden en zullen we ook nog verder ervaren. Maar je kunt niet alles missen. Zowel geestelijk als lichamelijk zijn er dingen, die onmisbaar zijn, omdat ze jouw identiteit, je persoonlijke leven, bepalen, zonder welke je niet zou zijn, die je nu bent. De indrukwekkende documentaire over Alzheimer, laatst op de televisie uitgezonden, heeft ons daarbij nog eens bepaald. Geestelijke en lichamelijke dingen, ze horen bij elkaar. Je kunt er niet zonder! Het lichamelijke heeft invloed op het geestelijke, en omgekeerd: het geestelijke heeft invloed op het lichamelijke. Ieder van u zal dat wel eens ervaren hebben.

Op beide, lichaam en geest, heeft het gebed betrekking, beide zullen door God aangeraakt dienen te worden, beide hebben de bemoeienis van de Heilige Geest nodig. “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u”, zo zegt Petrus in zijn eerste brief.  Alle bekommernis, we hoeven niets uit te sluiten en mogen letterlijk ALLES in het gebed brengen. Maar niet alles is hoofdzaak, is onmisbaar bedoel ik, is nooddruft. Het bidden zelf zal uitwijzen, wat God met en in onze omstandigheden bedoelt: HIJ ZORGT VOOR U! Dat op zich zelf is al de verhoring, dat Hij voor ons zorgt! De vastheid  en zekerheid daarvan is in Jezus Christus geopenbaard: God, Die Hem als mensenkind geboren liet worden en Hem aan de dood overgaf, zorgt niettemin voor Hem, en Hij doet dit alles om onzentwil, en zo zorgt Hij ook voor ons om Christus’ wil.

Deze dingen, zegt de Catechismus, heeft de Heer samengevat in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft. Bidden moet je ook leren, het is een oefening, een discipline. De discipelen hebben Jezus gevraagd hen te leren bidden. Toch waren zij als Joden al gewend aan een geregeld gebed. Maar zij hadden van Jezus gezien en meebeleefd, wat Zijn bidden voor Hem Zelf en voor Zijn doen en laten betekende.  En daarom vroegen zij Hem het hen ook te leren. Het gaat dus om twee dingen tegelijk: om de manier van bidden en om de uitdrukking daarvan in bepaalde woorden. Jezus antwoordt op beide: Hij leert ze WAT ze bidden zullen en ook HOE ze bidden zullen (binnenkamers).  Vandaar het samenvattende van het “Onze Vader”. Het gaat ver voor ons niet alleen om dat na te bidden, maar vooral ook om het toe te eigenen. De meesten van ons hebben als kind leren bidden.  Hoe? Door een avondgebedje of zo, en later door langzamerhand te verstaan, wat onze ouders baden (als zij dat al deden) of de dominee in de kerk. Vandaar dat het zo belangrijk is, dat er thuis en in de kerk gebeden wordt! Door zelf ook mee te doen leer je bidden zoals de Heer dat deed met de discipelen. Doet u dat, in alle eenvoud en in alle ootmoed. Je persoonlijke omstandigheden en die van je naasten gewoonweg voor God brengen, in vrees en beven, maar ook met hoop op een goede afloop, met bezorgdheid en dank, en u zult zalig zijn, want van u is het Koninkrijk der Hemelen. Aldus het Woord van de Heer.

Amen.

Man met hoed

De eerste winkel, die we tegen kwamen, was er een van hoeden en petten. Dat trof, want we hadden al lang in Rotterdam naar een nieuwe hoed voor mij uitgekeken, maar niet gevonden. Of ze waren te klein of niet mooi genoeg! Maar hier was een overvloed in maten en kleuren en vormen!

Wij zijn op zaterdag de 14e september naar Schoonhoven geweest, met de Nierpatiëntenvereniging Rijnmond. We vertrokken met de “Merlina” uit de haven van Spijkenisse. Het werd een lange vermoeiende dag: van half tien tot acht uur! Vier uur varen heen en vier uur terug, van 2 tot 4 uur verblijf in de “zilverstad”. Onderweg, in de boot, werden we verwend met lekkere drankjes en hapjes, inclusief een geweldige uitgebreide lunch met een kroket toe! Ondanks de voorspellingen viel het weer mee. In Schoonhoven miezerde het een beetje. Maar dat gaf geen krimp, want iedereen had uit voorzorg een paraplu meegenomen. De eerste winkel, die we tegen kwamen, was er een van hoeden en petten. Dat trof, want we hadden al lang in Rotterdam naar een nieuwe hoed voor mij uitgekeken, maar niet gevonden. Of ze waren te klein of niet mooi genoeg! Maar hier was een overvloed in maten en kleuren en vormen! Met de nieuwe hoed op het hoofd togen we verder de stad in, op zoek naar een pinautomaat, die we eindelijk vonden in de Hema. Toen konden we de hoed afrekenen en weer verder gaan. Joke hield ons gezelschap. Zij wilde perse de rolstoel duwen, een hele klus, zo’n man van 100 kilo over de kinderkopjes van de oude stad! We kwamen langs een grote goud- en zilversmid en gingen daar naar binnen. Ik had een nieuwe hoed en ik vond dat mijn lieve vrouw ook wat moest hebben! Zij had al heel lang gezocht naar een “Zeeuwse” ring met rode kralen, die paste bij haar Zeeuwse sieraden (hals- en polssnoer). En, wat een tref, hier vond zij er één. Hij was wel wat klein voor haar stoere vinger, maar dat kon vergroot worden. Dus gauw gekocht en betaald. Toen we de winkel verlieten, stak een hevige wind op, die mijn nieuwe hoed meenam, zo plons het water van de “Haven” in! Daar lag hij te drijven tussen kroos en modder! Gelukkig was Joke, kordaat als zij is, bij zinnen. Zij sprong het talud af en kon nog net met de stok van haar paraplu de hoed te pakken nemen. We waren nog vlak bij de winkel en hebben de hoed dus teruggebracht. De mevrouw van de hoedenzaak heeft hem toen weer gefatsoeneerd. Op de terugreis werden we opgevrolijkt met een heerlijk aperitiefje en daarna een diner met vele facetten en smaken. Uit tal van gerechten viel er een keuze te maken, te veel om op te noemen. Al met al was het een geweldige dag, waar we nog heel lang een mooie herinnering aan zullen bewaren!

Het uur is voor u aangebroken

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk, of ook voor grotere verbanden zoals de samenleving, de Kerk, volken en culturen, oorlogsgebieden en noodlijdende landen? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we dat ook zelf laten zien?

Romeinen 13, 11-14

“Het uur is voor u aangebroken, om eens te ontwaken uit de slaap, de nacht loopt ten einde, de dag is nabij.”

Onze tekst staat in het teken van de eindtijd: Het uur is voor u aangebroken! Het Griekse woord ‘kairos’, wat we vertalen met ‘uur’, is een typisch woord voor Paulus. Het heeft de betekenis van het beslissende ogenblik, van God gegeven, door God bepaald. Typisch daarvoor is de verbinding met ‘idios’, wat wil zeggen: “juist, te gelegener tijd, op het juiste ogenblik”. In 1 Timotheüs 2 vers 6 komen we deze verbinding ook tegen: “de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen, en daarvan wordt getuigd te juister tijd”. De juiste tijd, dat is Gods tijd, waarin het heil voor de mensen geopenbaard wordt, het is “heilstijd”. Je kunt ook zeggen: het is het “heden” van het Evangelie. “Heden, zo gij zijn stem hoort…” (Luister vandaag naar Zijn stem, Ps.95 vers 7). Daar wil Paulus op wijzen, ook in onze tekst.

“En volbrengt dit, daar gij de tijdsomstandigheden kent: het uur is voor u aangebroken om eens te ontwaken uit de slaap.” De nadruk ligt hier op het weten om de tijd, de tijd van God, de eindtijd: dat Gods uur is aangebroken! Het is belangrijk, dat u en ik ook die tijd onderkennen. Paulus zegt als ’t ware tot ons ook vandaag, wat hij tot twee keer toe de Hebreeën toevoegt: “Horen jullie vandaag Zijn stem, wees dan niet koppig als tijdens de opstand…” Het is een vermaning van de Heilige Geest, die Paulus hier doorgeeft (Hebreeën 3, 7 en 15). Als jullie de tijd niet kennen, de tijd die ligt in de verkondiging van Christus’ boodschap, de tijd van het hier en nu, de mens met Christus, de in Christus’ vervulde heilstijd, de tijd van Pasen, de opstanding … dan blijft alles wat jullie doen en ook wat wij (Paulus) zeggen, een zinloze bezigheid. Jullie lijken dan blind te zijn, alsof je het uur niet kent, het uur dat met Jezus’ komst geslagen heeft, het uur van onze bevrijding. Jullie situatie lijkt dan op die van de mensen uit Mattheüs 16, die het uiterlijk van de hemel weten te beoordelen, maar de tekenen der tijden niet verstaan. Een waarschuwend woord juist ook voor ons, die denken alles te weten, maar het belangrijkste wat we moeten weten niet willen weten! Juist ook vandaag in een tijd, waarin veel zekerheden wankelen geldt het de tijd van God gegeven te onderkennen, de tekenen der tijden juist ook nú! Het moet in ons leven gaan om de ‘Kairos’, omdat wat in Ephese 5, 16 het ‘uitkopen van de tijd’ genoemd wordt. Het uur is daar, om uit de slaap te ontwaken. Ken dat uur! Het is het uur van de geloofsbeslissing, van de mens die ‘ja’ of ‘nee’zegt tegen God. Het oude is voorbij, zie het wordt alles nieuw. Nú is het de dag van het heil, de aangename tijd van de Heer. In Galaten 4, 4 zegt de apostel het zó: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden geboren uit een vrouw”. NU is het die volle tijd, de door Christus gekomen en vervulde heilstijd. Laten we dat toch beseffen in de wirwar van tijden, waarin wij nu leven. De tijd, waarin wij leven mogen, de tijd die ook voor ons ligt, is HEILSTIJD. “Het uur is voor u aangebroken, om te ontwaken uit de slaap!”.

In het Nieuwe Testament wordt vaak voor het moe worden, het inslapen, het dromen, gewaarschuwd. We denken aan de slapende knechten in de eindtijd-rede uit Marcus 13, de dwaze meisjes uit de gelijkenis van de 10 meisjes, de in slaap gevallen discipelen in de hof van Gethsemané, het “ontwaakt gij, die slaapt” uit Ephese 5, 14 en de oproep van 1 Thessaslonicenzen 5, 6: “Wij behoren niet aan de nacht noch aan de duisternis toe; laten we dan niet slapen, zoals de anderen doen, maar laten wij waken en nuchter zijn.” Paulus argumenteert hier vanuit het nieuwe zijn van de Christen, zijn nieuwe bestemming dank zij Gods genade die hem ten deel is gevallen. Vandaar: wees wie je bent, Gods actieve knecht. Beter nog: wordt wat je al bent, een door Christus vrijgekochte slaaf. Dat gaat gepaard met activiteit! De slaap verleidt tot passiviteit, tot wegdromen, tot vervalste en bedrieglijke beelden. Daarom moeten we wakker worden en de werkelijkheid waarin we staan in Jezus Christus gaan beleven. Het is vooral het ontwaken uit de duisternis, de nacht van dood en doodsangsten, satanisme en goddeloosheid.

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk, of ook voor grotere verbanden zoals de samenleving, de Kerk, volken en culturen, oorlogsgebieden en noodlijdende landen? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we dat ook zelf laten zien? We leven in één groot Advent: Immanuël (God-met-ons) is gekomen en komt! De tijd is kort … en duurt toch al zo lang, hoe lang nog? Laten we toch nooit vergeten, dat het doek is opgegaan, de Dag is aangebroken! De wereld staat in al zijn voegen te trillen, de oude wereld vertoont grotere en grotere scheuren, als het vervallen van de nacht. Mensen mogen ontwaken, want het Licht is gekomen, de Dag is nabij! Wij leven in een lichtend perspectief: “Ik ben het Licht der wereld”. Laten we dat licht gaan uitstralen, gij in uw klein hoekje en ik in het mijn! Het uur is voor ons aangebroken, om te ontwaken uit de slaap! SOLI DEO GLORIA!

Naar de kerk op TV

Dat heb ik zondag gedaan, zelfs twee keer achter elkaar! Eerst was ik in de Eucharistieviering met de bisschop van Rotterdam, mgr. H. van den Hende, als voorganger. Daarna kwam er een dienst in het kader van de “Zendtijd der Kerken”, uit Assen, van de Chr. Gereformeerde Kerk, geleid door ds. S. Otten. Beide diensten spraken mij op de een of andere manier aan.

Dat heb ik zondag gedaan, zelfs twee keer achter elkaar! Eerst was ik in de Eucharistieviering met de bisschop van Rotterdam, mgr. H. van den Hende, als voorganger. Daarna kwam er een dienst in het kader van de “Zendtijd der Kerken”, uit Assen, van de Chr. Gereformeerde Kerk, geleid door ds. S. Otten. Beide diensten spraken mij op de een of andere manier aan. Bij de Rooms-Katholieken voel ik me thuis vanwege de mooie koorzang en oude gebeden. In het orthodoxe Protestantisme leef ik op met de vertrouwde liederen en natuurlijk een degelijke preek.

Mijn vrouw kwam net thuis uit onze PKN-Dorpskerk in Barendrecht.

Wij gingen aan de koffie en genoten ondertussen van de prachtige dienst! Ik zeg: “prachtig”, want zo voelde dat aan bij mij. Waarom prachtig? Omdat alles meewerkte van de dienst een feest te maken. In de eerste plaats natuurlijk het onderwerp: thuis komen. Dan de muziek: naast het orgel een keyboard en trompet (beide gespeeld door jonge mensen!). En niet te vergeten de liederen: oud en vertrouwd, maar ook nieuw en Evangelisch. Tenslotte de videobeelden van Assen en het mooie geheimzinnige Drenthe. We liepen over eeuwenoude karrensporen, over de heide, waar in het verleden menigeen de weg kwijt was geraakt! Er had nog een beamer en een gospelgroep bij gekund, maar dat dan voor de volgende keer! In het middelpunt van het geheel stond de predikant zelf met zijn persoonlijke en vriendelijke  uitstraling.

Het sprak me ook aan, dat de dominee aan het begin van de dienst een woord wijdde aan de synagogale achtergrond van het kerkgebouw. Hier ging vroeger de Joodse gemeenschap ter kerke. Het moet je toch een extra geestelijke impuls geven, als je in zo’n gebouw de Heer mag dienen! Ook de keuze van de liederen sprak me erg aan. In mijn ambtelijke bestaan (ik ben nu 53 jaar predikant) heb ik veel “Allemandiensten” georganiseerd, met koren en solozangers en natuurlijk schitterende praise-liederen, maar ook liederen uit de oude doos. We hadden in Haarlem soms Marco Bakker en Louis van Dijk! Onze vaste organist was Teke Bijlsma. Ja, dat waren me nog eens tijden. Daar kan ik nu nog van wegdromen!

Wat jammer toch, dat beide diensten niet vol gevuld waren! Waar blijven de Christenen van vandaag toch, als er zo iets moois te beleven valt. Zelf kan ik niet meer naar de kerk gaan vanwege mijn gezondheidsproblemen. Hopelijk komt daar nog eens een keer verandering in. Want wat is er mooier dan “thuis” te komen? Ds.Stoffer heeft daarover op indringende wijze gesproken. Ik kan het alleen maar beamen!

1-2-3 in Godsnaam

Martie Genger stuurde mij dit gedicht op die ze gemaakt had n.a.v. de Watersnoodramp in 1953.
Martie: ”Ik was toen 16 jaar en er werd aan de deur kleding voor de slachtoffers gevraagd. Dus gaf ik aan die vrouw een van de twee kledingstukken die ik toen nog maar had.

Martie Genger stuurde mij dit gedicht op die ze gemaakt had n.a.v. de Watersnoodramp in 1953.

Martie: ”Ik was toen 16 jaar en er werd aan de deur kleding voor de slachtoffers gevraagd. Dus gaf ik aan die vrouw een van de twee kledingstukken die ik toen nog maar had. De volgende dag moest ik naar het postkantoor en zag diezelfde vrouw lopen aan de overkant van de straat. Zij had mijn mooiste zelfgemaakte rok aan. In shock liep ik terug naar huis en vergat het postkantoor ( n.a.v. de springvloed 1953)”.

1-2-3 in Godsnaam

Zeeën vol zielen
zij spoelen aan
kussen de oevers
voor zij weer gaan.
Biljoenen triljoenen
ontelbaar getal
vereend in de golven
zo God het beval.
Nooit meer alleen
want water met water
geen straks meer of later
door alle eeuwigheden een.
Zij stijgen en dalen
van nevel naar mist
in hagel tot regen
en sneeuw vergewist
zich in plassen, rivieren
de meren naar zee
van zielen, de zielen
die tranen van wee.
 
Martie Genger

In memoriam Micha

Mijn vriendin Annerien Groenendijk, de dochter van onze lieve overleden buurtjes, stuurde me deze week een overlijdensbericht van haar hond Micha.

Mijn vriendin Annerien Groenendijk, de dochter van onze lieve overleden buurtjes, stuurde me deze week een overlijdensbericht van haar hond Micha. Omdat ik weet, dat veel mensen zoiets is overkomen en dat zij daarvan veel verdriet hebben, geef ik deze gevoelige woorden aan u door:

Afscheid van Micha

9 maart 2002 – 5 augustus 2013

Lieve mensen,

Het hing al een poosje ‘in de lucht’: het gaat niet goed met Micha.
Hij heeft altijd wel van alles gehad, maar dit was duidelijk anders.
Sinds zijn eerste epileptisch insult eind april wàs hij ook anders.
Toch hebben we nog drie maanden gehad,
waarin er heel veel goede dagen en momenten waren.
Met name tijdens de vakantie in mei ging het prima.

Het is en blijft erg moeilijk om te bepalen wanneer het echt ‘op’ is.
Maar dat moment kwam snel dichterbij.
Gisteren heb ik Micha laten inslapen. De dierenarts is daarvoor hier thuis gekomen.
Greetje en Phàdric, Micha’s ‘gezworen (Labrador) kameraad’, waren er natuurlijk ook.

Prachtig om te zien hoe honden onderling met dit soort situaties omgaan.
Ontroerend ook.

Micha was ‘een bijzonder kind,.. en dat is ie en blijft ie…’
Een heer van stand met iets koninklijks in zijn voorkomen.
Soms lastig en onvoorspelbaar, maar vooral lief en aanhankelijk.
Een hond met karakter en expressie.
Blij en gedreven als hij als jachthond ‘aan het werk’ mocht.

Onwerkelijk en onvoorstelbaar dat hij er niet meer is.
Niet meer even dat zachte neusje tegen je hand tijdens het lopen,
een lik in je gezicht of een kwijltje: ‘Micha was here’. Wat zal mijn huis schoon blijven…

Gisteravond hebben we hem begraven op de boerderij bij Goos en An.
Een prachtige plek – met uitzicht over de weilanden.

Wat mis ik hem nu al !

Bergen NH, 6 augustus 2013

Annerien

Met vakantie: Dubbel pech

Toen we uit Barendrecht vertrokken, op vrijdag 10 juli, had ik al koude rillingen. Aangekomen in ons huis(je) te Eerbeek, kroop ik gelijk onder de deken. De volgende ochtend bleek de oorzaak van mijn ziek voelen: wondroos. Mijn linker arm was vuurrood. Omdat we toch ’s middags naar het ziekenhuis moesten voor de dialyse, heb ik verder geen actie ondernomen.

We waren met vakantie in Eerbeek, in een mooi park van Landal Greenparks, Coldenhove.

Toen we uit Barendrecht vertrokken, op vrijdag 10 juli, had ik al koude rillingen. Aangekomen in ons huis(je) te Eerbeek, kroop ik gelijk onder de deken. De volgende ochtend bleek de oorzaak van mijn ziek voelen: wondroos. Mijn linker arm was vuurrood. Omdat we toch ’s middags naar het ziekenhuis moesten voor de dialyse, heb ik verder geen actie ondernomen. Ik dacht wel antibioticapillen mee te krijgen, zoals dat in het verleden wel vaker gebeurd is. Maar de dienstdoend arts vond het beter, dat ik me na de dialyse zou melden bij de “spoedeisende hulp”. Met het aanprikken ging het ook al niet goed, een slecht voorteken? Op de “spoedeisende hulp” gaan ze je helemaal onderzoeken, bloed afnemen enz… Dat duurt maar en duurt maar! De taxi moesten we twee keer naar huis sturen. Tenslotte kwam er een internist, die me ernstig aankeek en zei: “Ik laat u niet gaan, ik neem u op”. Het was toen al over twaalven. Om half twee lag ik eindelijk in mijn bed! Nadat ze een infuus hadden aangebracht voor de antibiotica.  Ik moest vier dagen aan het infuus liggen, voordat ik weer naar huis terugkeren kon. Gelukkig konden ze me dinsdagochtend dialyseren in plaats van ‘s-middags, zodat ik die middag weer kon vertoeven in ons vakantiehuis, onder de schaduwrijke bomen.

De dag daarna, op woensdag, hebben we de begraafplaats waar onze ouders  begraven liggen, “Heidehof” in Ugchelen, bezocht. Op donderdag moest ik weer dialyseren en op vrijdag hebben we mijn broer en familie bezocht in Laren (Achterhoek).

Toen sloeg het noodlot weer toe! Vrijdag ‘s-avonds voelde Tilly de shunt niet meer. In de geneeskunde is een shunt een “niet-normale” verbinding tussen twee delen van het lichaam waar vloeistof doorheen kan stromen. Bij mij is die aangebracht in de linker bovenarm. Een shunt ten behoeve van nierdialyse maakt het mogelijk een dialysemachine aan te sluiten op de bloedbaan van de patiënt.
Bij mensen die door nierfalen aangewezen zijn op nierdialyse moet de dialysemachine met daarin de kunstnier worden aangesloten op de bloedbaan van de patiënt. Een normaal bloedvat is hiervoor ongeschikt omdat deze snel beschadigd raakt. Ook is een normaal bloedvat te klein waardoor er te weinig bloed doorheen kan stromen (bij hemodialyse moet er in ongeveer vier uur 40 a 60 liter bloed doorheen stromen!).
Er bestaan veel verschillende soorten shunts, maar veel voorkomende zijn de shunts waarbij een verbinding wordt gelegd tussen een ader en een slagader. Normaal gesproken vloeit het bloed niet rechtstreeks van een slagader in een ader. Bij een dergelijke kunstmatige shunt zal door de bloeddruk in de slagader de ader groter worden.

Als je je vinger op de plek van de shunt houdt, kun je de shunt voelen kloppen. Maar goed, op die vrijdagavond voelde mijn Tilly dus de shunt niet meer. Zij heeft heel gevoelige handen. Zelf heb ik die shunt nog nooit gevoeld. Omdat we toch de dag er op naar het Gelre-Ziekenhuis in Apeldoorn moesten om weer gedialyseerd te worden, hebben we verder geen actie ondernomen. Aangekomen in het ziekenhuis schrok de broeder, die mij zou aanprikken al van het verhaal, dat ik natuurlijk vertelde. Hij ging direct voelen, en ook hij voelde niets. Grote paniek! Ik moest direct naar het Maasstad-Ziekenhuis in Rotterdam, waar ik normaliter dialyseerde. In Apeldoorn konden ze mij verder niet helpen. De kinderen hebben mij er toen naar toe gebracht. Ik werd opgenomen op “Medium-Care”. Men wilde proberen door spoeling met een verdunningsmiddel de bloedstolling in de shunt weer te openen. Weer aan het infuus! Ik mocht drie dagen mijn shuntarm geen millimeter bewegen. Wat een ellende! Elke 6 uur bloed prikken, terwijl er geen ader meer te vinden was! Op maandagochtend werd gekeken hoe ver de stolling al verdwenen was. Helaas, nog niet genoeg. Dus plakten ze er nog 6 uur bij. Toen, op maandagmiddag rond drie uur, kwam het verlossende woord: de shunt was weer helemaal vrij. Ik hoefde niet geopereerd te worden! Met eigen ogen kon ik het zien, want ik lag op Radiologie voor een meters groot scherm. Wat was ik blij!!

Dinsdagochtend kon ik weer gedialyseerd worden en ‘s-middags was ik weer thuis, in Barendrecht. Toen zij een dialysevriend van de Gereformeerde Gemeente mij: “Je bent toch niet boos geweest op de Heere, hè?” Ik zei met oprecht hart: “Nee, ik ben alleen maar dankbaar, want het is toch allemaal goed afgelopen. De Heer zij alleen maar geloofd!”.

The Tree of Life

The Tree of Life is een film, waar heel veel over verteld kan worden. Met handvatten naar de huidige problematieken van geloof, milieu, autisme, huwelijksproblematiek en relatieproblemen, opvoeding, kinderen die elkaar pesten, machtsuitoefening en nog zo veel meer.

Van mijn vriendin Martie Genger uit Curacao kreeg ik het verzoek om eens naar de film “Tree of Life” te kijken. Deze film had haar zeer ontroerd. Leest u zelf maar :

“Heb je de film “Tree of Life” gezien van de regisseur Terrence Malick? Daar heeft hij vijf jaar over gedaan. Toen Iris en ik die hadden gezien waren wij dagen in de ban en Iris vooral lichamelijk van slag af. 
Ook mijn hart ‘liep nog dagenlang  met open mond’. Dat komt vooral omdat zij en ik nogal ontvankelijk zijn voor zeer bepaalde dingen. Dingen die met onnoemelijk en onbenoembaar te maken hebben.
Er zijn zeer veel mensen die de film in de kliko willen gooien, (misschien te dicht bij hun ID?) maar die vertaal ik dan als ‘zij die niet beter weten en destijds ook Jezus en ook nu nog steeds Jezus kruisigen’.
De film speelt zich af in de jaren ’50. Je zou die film 2x moeten zien met een zekere tussenruimte. Ik ervoer de film als ‘de zichtbaarheid/materie vertalen middels het onzichtbare, en vooral OOK vice versa’.

Ik heb haar het volgende geantwoord. Misschien dat het u ook inspireert om eens te gaan kijken!

Ik ben er echt voor gaan zitten. Want ik dacht, als die jullie zo ontroerd heeft, dan wil ik er ook geen beeld van missen! Twee keer heb ik de eerste helft gezien. De eerste keer, omdat de film niet ophield, voor wij naar bed wilden gaan. De tweede keer, omdat ik niet meer wist, hoe ik doorspoelen moest. Heel de ellende heb ik dus twee keer meegemaakt. Vreselijk! En dat alles onder Bijbels perspectief, onvoorstelbaar. Er werd duidelijk telkens verondersteld, dat God er de hand in had. Dat er een jongen het zwembad in gaat, vrolijk en blijk, om daar dood te moeten gaan. Dat een vader zijn jongens hard aanpakt en voor het geringste straft (te hard met de deur geslagen, 50 keer die deur zachtjes dicht moeten doen!). Dat een moeder (lijdend) toekijkt en niet durft in te grijpen, totdat ook haar het te machtig werd en zij met de vaatdoek in zijn gezicht sloeg. Dat de oudste zoon later in zijn hypermoderne kantoor (wat een bouwwerk!) terugblikt en droomt over de tijd van zijn jeugd. Dat de Schepper God tussendoor Zijn geweld laat zien in schitterende natuuropnamen! Wat een concept! Ik moet zeggen, dat hier mijn inbeeldingsvermogen te kort schiet.

De eerste reactie van Tilly (die maar een klein stukje van de film gezien heeft) was: dat is nou echt iets van (en voor?) psychisch gestoorde mensen! Ergens heeft zij daarmee wel gelijk. Want het is een verwrongen schepping, die ons tentoongesteld wordt. In het groot en in het klein. Zoals de ouders met de kinderen omgaan, ja beide ouders. Zoals de kinderen onderling en met vrienden met elkaar omgaan. Zoals het natuurgeweld exalteert. Heb ik ooit aan mijn lieve dochters en kleinkinderen gevraagd: geef mij een kus, en: houden jullie van mij? Ik hoefde dat toch niet, want ik kreeg een kus en ik wist dat zij van mij hielden (en houden).

Het ontroerende van de film is, dat er een totale ommekeer plaatsvindt. De vader, berooid van zijn macht in een goede baan, komt tot inkeer. Hij slaat zijn arm om de jongens heen en verzucht: ik schaam mij er voor, dat ik jullie zo hard behandeld heb jullie zijn toch het liefste , dat ik bezit. Zij vertrekken, uit armoede, uit hun mooie villa. Waarheen? Dat wordt niet verteld. Ik hoop, dat zij samen een nieuw leven zijn begonnen. In ieder geval laten de laatste beelden, van het hemelse paradijs, zien, dat alles weer goed gekomen is. De ouders lopen tezamen, gaan elkaar niet meer uit de weg, de kinderen zijn er weer, alle drie! De oudste zoon, als volwassene, begroet zijn  verloren broertje door de armen beschermend om hem heen te slaan. Er ging door hem heen: had ik dat toen ook maar gedaan!

Ja, het is een film, waar heel veel over verteld kan worden. Met handvatten naar de huidige problematieken van geloof, milieu, autisme, huwelijksproblematiek en relatieproblemen, opvoeding, kinderen die elkaar pesten, machtsuitoefening op bedrijven (zoals op het kantoor van de oudste zoon) en nog zo veel meer. Ik vind dat de hoofdrolspelers dat alles goed hebben neergezet. Van Brad Pitt kun je dat verwachten, maar van zulke jonge jongens? Geweldig! De film heeft mij opnieuw doen beseffen, hoe dankbaar ik mag zijn, dat mijn leven er toch anders heeft uitgezien, en er nog uitziet op mijn levensavond.

Ten hemel schreiend

Een gedicht van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao. Zij is een groot kunstenares en ook dichteres. Zoals velen vandaag worstelt zij met haar geloof. In dit gedicht wordt dat ook duidelijk.

Een gedicht van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao. Zij is een groot kunstenares en ook dichteres. Zoals velen vandaag worstelt zij met haar geloof. In onderstaand gedicht wordt dit ook duidelijk. Na het overlijden van haar man, enkele jaren geleden, las zij op mijn website de artikelen over rouwverwerking. Zo kwamen wij met elkaar in contact en proberen we elkaar geestelijk bij te staan en moed in te “schrijven”.

Vorig jaar publiceerde zij haar boek “Kind ook gij“.

Como Cerrar, How to deal (1981) door Martie Genger.

Collage met zink, wol, katoen en metaal. 177 x 177 cm.

Bron: http://www.curacao-art.com

Fotograaf: Hugo de Klerk

ten hemel schreiend

zo vaak heb ik gebeden

en ben door zoveel heen gegaan

maar heb voor niets gestreden

heb het voor niets gedaan

het al voor niets gedaan?

ik het gevaar nooit heb gemeden

al kwamen bommen naar beneden

en alles was aan het vergaan

bleef ik nochtans bestaan

doch het was voor niets geleden

was het voor niets gedaan?

heb ik mijn God niet goed beleden

was Hij niet met mij begaan?

en al dat leed dan in ‘t verleden

door zo velen aangedaan?

natuurlijk bent U nooit tevreden

al heeft U bij mijn wieg gestaan

wil nog niet zeggen, tot op heden

of ik mijn best deed in Uw naam

deed ik wel mijn best in Uw naam?

Martie Genger is geboren in Amsterdam en emigreerde in 1969 naar Curaçao en vertrok in 1983 naar Costa Rica, waarna zij met haar man en dochter in 1994 weer terugkeerden naar Curaçao. In beide landen heeft zij 10 solo en 33 groepsexposities in de Beeldende Kunst gehouden. Daarin heeft zij diverse eerste prijzen gewonnen. Ook schreef Martie honderden dikke brieven aan familie en vrienden in haar geboorteland, zowel brieven als essays. Zij is tevens bekend om haar ingezonden stukken in de lokale krant en een wekelijkse bijdrage in de bijlage daarvan.

Er bestaat nog een ander artikel op deze website geschreven door Martie Genger, zie ‘Door het bos de boom niet meer zien.

Reactie van de dichteres:

Bedankt dat je die moeite hebt genomen mijn gedicht te plaatsen op jullie site. Eenmaal een zieleherder, altijd een zieleherder toch? Bij jou klopt niemand aan in het luchtledige. Dat doet mij goed na zolang te zijn weggeweest uit het Algemeen Beschaafde. Misschien door de contradictie tussen Nederland (van toen) en het zuidelijk halfrond ik in die 44 jaar strijdlustiger ben dan wanneer ik… en hier komt nog een gedichtje…(geïnspireerd op de Gelijkenis van de twee zoons die alle drie een erfenis te besteden hadden).

was ik destijds niet weggegaan

maar blijvend in mijn straatje,

het stoepje schrobbend

de ramen kuisend

en helder op mijn baadje

zo zal ik op een dag

aan het einde van mijn dagen

steeds wonend in dat straatje

de oogst van een heel leven lang

aflezen aan mijn ramen kuis

en aan mijn helder baadje

Martie Genger

Luther XXII – Lees de geschriften van Maarten Luther

In 2017 is het 500 jaar geleden dat Luther zijn plakkaat aan de kerkdeur van Wittenberg bevestigde. H. C. van Woerden (Lunteren) besteedt veel tijd aan het vertalen van Luther uit het oud-Duits, bij voorkeur uit geschriften die nooit in het Nederlands verschenen zijn.

“Ga heen tot Mijn broeders en zeg tot hen: Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader, tot Mijn God en tot uw God’ (Johannes 20:18, weergave 1530).

In deze christelijke broederschap heeft de ene broeder niet meer dan de andere. Het is echter wel waar dat ik en u dit niet zo kunnen vasthouden en geloven als de heilige Petrus, maar toch bezitten wij één en dezelfde schat. Twee mensen kunnen samen één portemonnee met geld hebben, hoewel de ene mens zwak is en de andere sterk. Het maakt evenwel geen verschil of de zwakke hand of de sterke hand de portemonnee vasthoudt. De huichelaars houden het voor hoogmoed als ik zeg dat ik de heilige Petrus gelijk ben en met hem hetzelfde geloof heb. Het is echter de ware nederigheid als ik mijzelf geen en Christus alle eer geef. Wat zij doen, is hoogmoed en ondankbaarheid, namelijk dat zij aan hun werken willen toeschrijven wat zij aan Christus moesten toeschrijven. Het is toch geen hoogmoed als ik aanneem wat mij geschonken wordt? Als ik een geschenk niet aanneem, maar het veracht, dat is veel eerder hoogmoed te noemen! Op die manier is het ook geen hoogmoed als een bedelaar een jas aanneemt van iemand die kleding genoeg heeft. Zo zegt Christus ook: “Vrees niet, gij kleine kudde, want het is uws Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven”. (Lukas 12:32). Hij wil het u geven! Houd de zak maar op en ontvang wat Hij u geven wil en graag geeft. Een bedelaar zal vast niet weglopen als men hem een stuk brood wil geven. Loopt hij echter wel weg, dan moet men niet zeggen dat hij dit uit nederigheid gedaan heeft.

Anhang zu den Predigten des Jahres 1530, vgl. WA 32, 550, 31 – 551, 9

Door lijden tot heerlijkheid

Altijd scherp ik u in en herinner u eraan dat de woorden van de Heilige Schrift, woorden van geloof, hoop en liefde zijn. Daardoor worden we in Christus onderwezen, zodat we niet in iedere angst en vrees vallen en ondergaan. Dit Woord immers – zoals de apostel in Romeinen 15:4 zegt – is tot onze lering en troost geschreven, opdat wij door geduld hoop zouden hebben. Het is echter heel moeilijk en een werk van Gods genade dat men gelooft. Dit betekent: dat God ons het hoofd opheft en ons kroont midden in de aanvallen van dood en hel, namelijk dán als de uitkomst verborgen is, en ons niets anders voor ogen staat dan uiterste wanhoop en een God Die niet schijnt te verlossen.

Op die manier worden wij onderwezen om tegen hoop op hoop te geloven (Romeinen 4:18). Deze wijsheid van het kruis is in onze dagen bovenmate zeer verborgen in een diep geheimenis. Toch is er geen andere weg naar de hemel dan door dit kruis van Christus! Daarom moeten wij op onze hoede zijn dat niet het leven van doen en laten, met haar werken, én het beschouwende leven met haar overdenkingen, ons zouden bekoren. Zowel het een als het ander is heel lieflijk en rustig – daarom echter ook gevaarlijk! Dit is dan ook de reden dat dit leven altijd door het kruis ingetoomd en door tegenheden verstoord moet worden. De weg van het kruis echter is aller-pijnlijkst. Zalig de mens die dit verstaat.

Operationes in Psalmos, 1519-1521, vgl. WA 5, 84, 34 – 85, 5, (volgens weergave W 2, 4, 318).

N.B. De afbeelding en de tekst zijn mij ter beschikking gesteld door dhr.H.C.van Woerden.

Hij schreef mij het volgende: “Mag ik mij even voorstellen: ik ben H. C. van Woerden (Lunteren) en besteed veel tijd aan het vertalen van Luther uit het oud-Duits. Bij voorkeur uit geschriften die nooit in het Nederlands verschenen zijn. Verder houd ik een distributielijst bij voor het mailen van Luthercitaten aan belangstellenden. Luther staat nu toch al sterk in de belangstelling wegens het opkomende herdenkingsjaar van de Reformatie in DV 2017.

Wilt u regelmatig een tekst van Luther ontvangen, ga dan naar http://www.maartenluther.com of stuur een bericht naar  info@maartenluther.com

Mijn ziel dorst naar God

Eens was God zo dichtbij -en zo zal het ook weer worden-, maar voor het zo ver is moet een mens heel wat afzuchten: “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zeilt ge onrustig in mij?”.

Psalm 42, 3
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God…

NoveenkaarsenVandaag op “wezenzondag”, nu de Heer is opgevaren naar de hemel en wij als ’t ware verweesd zijn achter gebleven, voelen we ons als “’t hijgend hert der jacht ontkomen”.  We hebben heimwee, heimwee naar God. Heimwee is iets verschrikkelijks, het kan een mens verteren, zó dat hij aan niets anders meer denkt. Mensen hebben dat wel eens, als ze ver van huis zijn, of geëmigreerd, of verblijvend in een zorgtehuis of verpleeghuis. Men zegt wel eens, dat heimwee erger is dan de ergste ziekte.

Nou, ik denk niet dat u vandaag zulk een heimwee heeft, en zeker niet naar God, de uitzonderingen daar gelaten. Natuurlijk hebben we in de afgelopen week rondom de inhuldiging van de nieuwe koning en de dodenherdenking en bevrijding wel  veel bij het verleden stil gestaan. Dat was een slechte tijd, maar ook met z’n goede kanten van saamhorigheid, onderlinge verbondenheid en hulpbetoon, waar je soms naar kunt terug verlangen. Ook naar het levendige in Gemeente en Kerk kun je terug verlangen. Veel is daar immers niet meer van over! Maar toch… heimwee naar God hebben we niet, althans de meesten van ons. Daarvoor neemt het leven van alle dag met al zijn wereldse beslommeringen ons te veel in beslag. We hebben gewoonweg geen tijd meer voor God. Aan Hem wordt pas gedacht, als we ernstig ziek zijn en voor de dood staan. En Hemelvaart dan? En Pinksteren? Het zijn gewoon vrije dagen geworden en meer niet. Samengevoegd betekent dat: twee mooie vrije weken! Velen hebben dan ook maar vakantie genomen. Voor zieken en gehandicapten en minder bedeelden gaat dit natuurlijk niet op, dat is dan jammer. Maar goed, deze dagen in mei, met het prachtige zonnetje, zijn de mensen in vakantiestemming. Wie denkt er dan aan heimwee?  Nota bene, zo zegt de Psalmdichter: heimwee naar God? Wie voelt zich dan van Jezus verlaten, als je vakantie mag vieren?

Toch heet onze zondag van oudsher “EXAUDI”, dat betekent “hoor, verhoor”. Het is genoemd naar de woorden van Psalm 42 vers 7: “Heer, hoor hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij!” Exaudi betekent dus gewoon: “Verhoor mij! Mijn smeken en roepen, mijn angsten en beven, mijn heimwee. De dichter van Psalm 42 is waarschijnlijk vroeger dicht bij God geweest. Misschien was hij een priester of de koning zelf, David. Nu was hij ver weg van de tempel en voelde hij zich van God en mensen verlaten. Misschien was hij verbannen, of als hij David was, op de vlucht voor koning Saul. Ach, wat weten we eigenlijk van hem af? Alleen maar dit: dat hij heimwee heeft. Hij moet denken aan zijn thuis in de stad van God, Jeruzalem. Slechts woorden stamelend kan hij zich uiten: “Gelijk een hinde, die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God; mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods Aangezicht verschijnen?  De dichter voelt zich als het hijgend hert, dat smacht naar wat water. Eindelijk is hij bij een beek gekomen, die daar ergens onder haar stroomt. Maar het is te diep, te ver weg, ze kan er niet bij. Zo kan een mens zich ook voelen, als God zo onbereikbaar ver weg is. En zo kun je alleen maar bidden en blijven roepen: “Exaudi, hoor mij!” Hoor mij God, hoe ik roep en versmacht.
 
Het is met dit gevoel, dat de discipelen achter blijven, toen Jezus van hen was heengegaan. De Trooster, van Wie Jezus gesproken had, is immers nog niet gekomen. Pas later zal dit Woord van Jezus voor hen werkelijkheid worden: “Wie drinkt van het water dat Ik hem geven zal, zal niet dorsten in der eeuwigheid” (Joh.4). “Geef mij dat water”, antwoordde de Samaritaanse vrouw, en de kerkvader Gregorius van Nyssa schrijft bij deze tekst: “Als een reiziger op het midden van de dag, terwijl de hete zonnestralen verzengend op hem neervallen, aan een bron komt met helder fris water, zal hij dan eerst bij die bron gaan zitten en nadenken en filosoferen over de oorsprong van het water, over de aard van dat water – of zal hij niet veel meer dat alles laten voor wat het is, en neerhurken, zijn lippen aan het water zetten om zijn dorst te stillen en zijn vermoeidheid te overwinnen… en dan God danken, Die hem deze goede gave gegeven heeft?” 
 
Laten we ons vandaag als die kerkvaderlijke reiziger voelen! Jezus is van ons heengegaan en onze nood is groot, maar de uitkomst is nabij. Wij mogen ons laven aan het levende water, dat de Heilige Geest ons schenkt met Pinksteren. Laten we drinken en God danken, dan het heimwee gauw vergeten! Onze dichter kan nog niet naar hartenlust drinken. Er zijn ernstige belemmeringen. Hij is een Israëliet, hij leefde voor de komst van Christus, ver van Sion, waar hij vroeger Gods nabijheid zo heerlijk heeft ervaren, in de tempel. Zijn ziel dorst wel naar de levende God, maar wanneer, ach wanneer zal hij binnenkomen en het Aangezicht van God aanschouwen?Hij kan n iet anders dan bidden en huilen…” Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, daar men de ganse dag tot mij zegt: waar is uw God?” Het leven van een gelovige wordt soms moeilijk gemaakt door de spottende opmerkingen van mensen: waar blijft uw God nou? Hij laat je toch maar mooi in de penarie zitten. Een gelovige leeft in onrust, onzekerheid, angst en heeft heel veel “waaroms”. De spotters zijn er nu nog. Begrijpen zij veel van uw Godsverlangen, van uw roepen naar God: “Exaudi, God, hoor naar mij!” Wat kun je dan zingen: “Ach blijf met Uw genade, Heer Jezus ons nabij, opdat ons nimmer schade des vijands heerschappij”.
           
In deze nood, in al dat heimwee, moet hij opeens aan vroeger denken. Hebben wij dat soms ook niet? Je denkt aan vroeger en ziet opeens weer al die dingen, waar God in je leven voor gezorgd heeft. “Hieraan wil  ik denken en mijn ziel in mij uitstorten…” De dichter ziet het allemaal weer voor zich en dat geeft hem troost. Eens was God zo dicht bij hem, welnu – denkt hij – zo zal het ook weer wezen. Maar voor het zo ver is, moet een mens heel wat afzuchten: “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zeilt ge onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God”. In de nood en eenzaamheid weet hij God te vinden. Gelukkig de mens, die dan aan het goede adres “EXAUDI” roept, “O mijn God, hoor toch!” Gelukkig de mens, die dan aan God denkt. “Ik denk aan U uit het land van de Jordaan en het Hermon-gebergte. Al uw baren en golven slaan over mij heen.”  Zo onrustig is het in hem, zo wordt hij heen en weer geslingerd.  Maar het geruis neemt af, de woedende baren worden getemperd. Er komt rust in zijn ziel. Opeens weet hij het weer: God is een Hoorder der gebeden. “Des daags zal de Here Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God van mijn leven.”  Even weet hij het weer, is hij heel dicht bij God, de God van zijn leven. Een korte tijd maar, want dan barst het weer los in hem: “Waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? Hoor de tegenstander eens honen: “Waar is uw God?” Ja, zo wordt de mens heen  en weer geschud. “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zijt ge onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God…”  Dat wordt het refrein van zijn lied. Het is alsof hij zichzelf daarmee moed wil inzingen, in weerwil van al zijn rusteloosheid en angst voor de toekomst. De Psalm eindigt met “mijn God”. Maar nu niet meer als de Onzekere, “Hoor mij, God, hoe ik luider tot U roep!” Niet meer als Degene, Die ver weg is: “Waar is uw God?” Maar als de Dichtbije, de Verlosser: “Mijn Verlosser en mijn God”. 

Dat wordt het keerpunt in zijn leven, denk ik. Een einde, dat een nieuw begin mogelijk maakt. Nu hoeft hij niet meer zo te roepen, want hij weet: God hoort mijn gebed ook in de stilte, nu zal de beek niet ver weg meer zijn, want de fontein van het leven springt voor hem op. Nu is het jagen en jachten, het hijgen en smachten afgelopen, want “wie drinkt van het water, dat ik hem geven zal, zal niet dorsten in der eeuwigheid.” Het is deze belofte, juist ook op zondag EXAUDI, de wezenzondag, die ons voor de toekomst moed en vertrouwen geeft. De dorstige zal te drinken krijgen! De Heilige Geest komt! En wezen worden tot Gods kinderen.

Amen

Terugblik op pasen

Wij hebben pas geleden Paasfeest gevierd. Hebben we ons ook afgevraagd waar dit feest vandaan kwam? Wie heeft ons het verhaal van Pasen het eerst verteld? Natuurlijk Lukas! Luistert u maar, hoe hij zijn Evangelieboek begint:

Lucas 1, 1-4

Wij hebben pas geleden Paasfeest gevierd. Hebben we ons ook afgevraagd waar dit feest vandaan kwam? Wie heeft ons het verhaal van Pasen het eerst verteld? Natuurlijk Lukas! Luistert u maar, hoe hij zijn Evangelieboek begint: “Aangezien velen getracht hebben een verhaal op te stellen over de zaken, die onder ons hun beslag hebben gekregen, gelijk ons hebben overgeleverd degenen, die van het begin aan ooggetuigen en dienaren van het woord geweest zijn, ben ook ik tot het besluit gekomen, na alles van meet aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Teofilus, opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waarvan gij onderricht zijt.” (Lucas 1, 1-4)

U ziet het, Lukas begint anders dan Johannes. Die vallen meer met de deur in huis, maar Lukas klopt beleefd en dient zich aan met een deftige inleiding van vier zinnen lang. Dat aankloppen is niet alleen beeldspraak. Er is echt een huis geweest, waar op een goede dag de bel ging. “Is meneer Teofilus thuis? Ik heb een pakje voor hem. Het is een kleine boekrol, die mijn meester, dokter Lukas, mij voor hem meegegeven heeft. Het is zijn uitdrukkelijke wens, dat deze rol aan heer Teofilus persoonlijk wordt overhandigd.” En zo is het gekomen, dat het Evangelie van Lukas is bewaard en tenslotte in de Bijbel is opgenomen.

Wie was die Teofilus eigenlijk? Wat voor soort man is hij, die we even later voorovergebogen over de rol van Lukas zien zitten als eerste van al die miljoenen die dit Evangelie gelezen hebben en nog lezen? Hij is een ontwikkeld man uit het grote Grieks-Romeinse keizerrijk, een man met een hoge positie, anders zou Lukas hem niet aangesproken hebben met “hoogedele Teofilus”.  Een topambtenaar, wonend in de keizerlijke residentie Caesarea, waar de Romeinse legioenen gelegerd waren en de schepen heen en weer voeren naar Rome. Er waren daar heel wat mensen, die al van Jezus gehoord hadden, want Philippus had daar gepreekt met zijn vier dochters, allemaal profetessen, en natuurlijk ook Lukas, in het gezelschap van de gevangen genomen Paulus. Velen wilden eens iets meer van Jezus weten, ook heidense Romeinen, zoals Teofilus. Die Teofilus is ook bij ons, springlevend, een modern mens, weetgierig, gehoord, maar had er zo zijn eigen gedachten over. Precies zoals wij vaak. “Allemaal mooi, die verhalen, maar wat heb ik daar aan?” Zijn we zo niet allemaal op zoek naar de “betrouwbaarheid van de leer waarin we onderwezen zijn”?  Op school, op catechisatie, in de kerk, door de praktijk van het leven zelf?

Aan die onzekerheid van ons wil Lukas wat gaan doen. Hij gaat bij ons zitten en vertelt maar, een uur, twee uur, drie uren lang. Hij vertelt over Jezus, hoe het geweest is, wat Hij gezegd en gedaan heeft. Vertellen, als maar weer vertellen over wat de ooggetuigen hebben gezien en gehoord, wat ze met Jezus hebben meegemaakt. Dat is de weg naar de zekerheid, ook voor u en mij, zo simpel: alleen maar luisteren, naar wat er gebeurd is, naar wat God gedaan heeft, vroeger in Israël, en later in Bethlehem, Galilea, op Golgotha, met Pasen. Ons geloof berust niet in de eerste plaats op leerstukken, maar op de daden van God die onder ons geschied zijn, of zoals Lukas het zegt: “die onder ons hun beslag hebben gekregen”.

We zullen altijd opnieuw weer moeten beginnen met luisteren, luisteren naar wat deze Lukas ons te vertellen heeft. Wie is die Lukas dan wel, dat hij zo met gezag kan spreken? Hij is een mens als wij, een medemens uit de heidense Romeinse wereld, tot geloof gekomen door de activiteit van Paulus. Hij is ook een secure onderzoeker, een arts die gewend is de dingen grondig te bekijken voordat hij zijn diagnose stelt. Lukas is een bestudeerd man, een geleerde, niet tevreden met wat “men” vertelt of met wat bij geruchte de ronde doet.  Nee, hij moet het zelf onderzocht hebben. Daarom gaat hij naar de bron om alles “nauwkeurig na te gaan” zoals hij aan Teofilus schrijft. En het komt daarom zo mooi uit, dat hij twee jaar lang bij die bron mag vertoeven, in Caesarea, in het gezelschap van Paulus, die daar gevangen zat. Wat een voorzienigheid van God! Uit de ellende van zijn dienstknecht Paulus wordt nu door toedoen van die andere dienstknecht Lukas iets moois geboren: het levensverhaal van Jezus!

Velen in Caesarea konden zich Jezus nog persoonlijk herinneren, wellicht was daar ook de oude moeder Maria bij, uit wier mond Lukas allerlei bijzonderheden optekent. We kennen allemaal het uitgebreide Kerstverhaal uit Lukas 2. Maar ook het Paasverhaal van Lukas kent vele bijzonderheden. Wat zal Lukas niet gelukkig zijn geweest, toen hij al die verhalen hoorde. Nu wist hij heel zeker, dat Jezus de Heiland was! En Teofilus? Met hem ging het evenzo! En al die anderen, die het Evangelie daarna gelezen hebben? Ze werden allemaal bevestigd in hun geloof, dat Jezus de Heer is, de Heiland der wereld. De mensen in Rwanda en Nicaragua en waar ook ter wereld, in de AZL’s en waar u ook maar woont. Allemaal luisteraars van Lukas: zij lezen zijn boek dat tot leidraad wordt van hun levensboek. Ook bij ons wordt weer een bladzijde toegevoegd aan ieders levensboek, weer mogen we horen en vieren wat Lukas ons heeft nagelaten. Laat het een mooie bladzijde worden, een onvergetelijke, waar we lang op kunnen teren. Dan hebben we echt dit jaar weer Paasfeest gevierd!

Amen.

Verloren en gevonden

Het gebeurde twee maanden geleden, in het weekend van 4 januari. Mijn vingers waren uitgezet vanwege de reuma, die al 35 jaar mij in zijn wurgende greep houdt. De trouwring sneed in mijn ringvinger. Ik besloot hem af te doen.

Het gebeurde twee maanden geleden, in het weekend van 4 januari. Mijn vingers waren uitgezet vanwege de reuma, die al 35 jaar mij in zijn wurgende greep houdt. De trouwring sneed in mijn ringvinger. Ik besloot hem af te doen. Met veel moeite is mij dat gelukt. Maar wat is een gelukkig getrouwde man zonder trouwring? Dus vond ik een oplossing in mijn pink. Daar zou die nog wel om kunnen, dacht ik. Zo gedacht, zo gedaan. Hij zat wel wat royaal, maar kon er toch niet zo maar afglijden.

Dat alles deed ik zaterdag. Het weekend ging voorbij, zonder dat ik verder aan de ring dacht. Tot ik op maandag opeens merkte, dat die er niet meer zat. Wat een schrik! Waar is de ring? Waar ben ik geweest? Natuurlijk thuis en aan de overkant, waar onze dochter woont met haar gezin en waar we ‘s-zondags nog lekkere couscous gegeten hadden. En ook nog op de oversteek van het ene huis naar het andere. De huizen werden grondig gecontroleerd, maar niets gevonden! De Gemeente, waar de gevonden voorwerpen kunnen worden afgegeven, bleek bij navraag ook niets te hebben ontvangen. Ik voelde me er erg ongemakkelijk bij. Ben je 52 jaar getrouwd en drie jaar verloofd en al die jaren was de ring jouw trouwe maatje geweest, het symbool van onze verbondenheid in liefde en trouw, en dan nu op het laatst van je leven moet je ZONDER verder.

Eergisteren, ik kwam met de taxi terug van het Maasstad Ziekenhuis, waar ik had gedialyseerd, kwam mijn lieve Tilly mij tegemoet door de geopende voordeur. Zij deed wat opgewonden. Ik zei: “Is er soms iets?” “Moet je horen, wat me vanmiddag is overkomen! Ik was in de badkamer om me wat op te knappen, toen ik in de toiletpot keek. Ik zag daar iets, wat ik nog nooit gezien had: een rond glimmend geval. Zou daar een afsluiting zitten of zo? Maar waarom is me dat dan nog nooit opgevallen? Ik ging met mijn hand het water in om eens te voelen wat dat was. Wie schetste mijn verbazing! Het was de trouwring!” Mijn reactie: “Zie je wel, wat ik zei is toch waar: Wat in het huis verloren is, geeft het huis ook weer terug!” Maar op wat voor plek?? En waarom hebben we dat niet eerder gezien? Zo vaak heeft de toiletborstel daar zijn werk gedaan, hoe kan dat dan? Wij keken elkaar liefdevol aan en waren het er over eens, dat die ring eerst doorgespoeld moet zijn geweest en ergens onderin is blijven hangen tot die 7e maart, toen het door onverklaarbare oorzaak weer is boven komen drijven. Voor ons is het een WONDER! Het maakt ons nog gelukkiger als we al waren, ook zonder ring. Wáár is die RING? Dáár is die Ring!

Barendrecht, 7 maart 2013

 Tilly 14-04-1957

Op weg naar Pasen

In de gang naar Pasen wordt veel over de dood nagedacht, met name over de dood van onze Heer Jezus Christus. Maar ook over onze eigen dood. Want als iets duidelijk is in ons leven, is dat wij ten dode staan opgeschreven.

“De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.”

1 Korintiërs 15, 26

In de gang naar Pasen wordt veel over de dood nagedacht, met name over de dood van onze Heer Jezus Christus. Maar ook over onze eigen dood. Want als iets duidelijk is in ons leven, is dat wij ten dode staan opgeschreven.

Er zijn heel wat mensen, die nooit over de dood spreken. Dat vinden ze “eng”. Mensen zijn bang voor de dood, dat is duidelijk. En daarom moet je er maar niet over spreken. Daarom moet je hem maar wegstoppen. Maar als je dat doet, komt ie toch telkens weer te voorschijn, als een duveltje uit een doosje. En dan is de schrik erger dan wanneer je je er rustig op voorbereidt en met de dood leert te leven.

En dat kunnen we toch? Wij, die op weg zijn naar Pasen. “Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles alles is voldaan?” Door het Paasevangelie is het karakter van de dood veranderd. De dood is niet meer het schrikbeeld, dat voor ons staat, maar de overwonnen vijand, die achter ons ligt. De dood is “verslonden tot overwinning”. En daarom mogen en kunnen wij spreken over de dood zonder schrik en huivering. Paulus zegt niet: “de laatste vijand, die te niet gedaan ZAL worden”, maar “de laatste vijand, die te niet gedaan WORDT, is de dood”. Het is tegenwoordige tijd, niet toekomstmuziek. We mogen er NU al uit leven.

Laten we nog eens naar onze tekst kijken. “De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.” Ik zie daar drie elementen in, die een nadere uitleg behoeven. Ten eerste: “is de dood”. Dat wil dus zeggen, dat de dood IS. Ten tweede: “De laatste vijand.”  Dus de dood is een VIJAND. Tenslotte:  “die te niet gedaan wordt”. Dus de dood wordt vernietigd.

Ten eerste: de dood IS. Hij is een werkelijkheid. De Bijbel spreekt verschillend over de dood, maar ontkent de dood nooit. Nee, de dood is een levende realiteit, levensgroot en onontkoombaar. Met de dood wordt aangeduid het natuurlijke sterven, het heengaan uit deze wereld. De dood kan dan GOED zijn: na een vol verzadigd leven wordt de mens vergaderd tot zijn voorouders. Dat hoor je nog wel eens van oude mensen: “ik heb alles gehad in mijn leven, maar nu is het wel genoeg, ik ben oud mogen worden, de Heer mag mij nu wel halen.” Een tweede betekenis ligt in de relatie “dood-zonde”. De mens is dood, die in zonde leeft, zonder God en Zijn gebod in deze wereld. Jezus zegt: “Wie in Mij niet gelooft, IS reeds geoordeeld”. Die is eigenlijk al dood, zegt Jezus. Hij zegt ook: “Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.” Het zal u duidelijk zijn, dat dood meer is dan sterven. Je kunt volgens de Bijbel al dood zijn, voordat je gestorven bent.  En omgekeerd is het ook zo, dat je nog kunt leven, nadat je al gestorven bent. Dood in Bijbelse zin is vooral het tegengestelde van leven, het leven dat God geeft, dat mooi en goed  en zinvol is, zoals God het bedoeld heeft bij de schepping. Zo’n leven is dus veel meer dan alleen maar “bestaan”. Het is kwalitatief leven, door God gevuld leven. Leven, dat wij voluit geen van alle meer kennen. Want ons leven is “belemmerd” leven, belemmerd door zo veel dingen: verdriet, pijn, ellende, zonde. Het is het leven, zoals het na het paradijs geworden is, maar zoals het niet door God bedoeld en geschonken was. Wij leven in een soort gevangenis, de gevangenis van zonde, van schuld en boete, van vallen en opstaan en terugvallen. Dit belemmerde leven is de dood, die het leven heeft aangevreten, verminkt en van zijn heerlijkheid beroofd. Dat is niet de dood die KOMT, maar de dood die IS, de verminking van het leven.

Christus heeft die dood teniet gedaan. Nu vangt het nieuwe leven aan! Dat gaan we de komende weken gedenken. WIJ ZIJN OP WEG NAAR PASEN!  Halleluja!

In het Paradijs heette het: “ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij zeker sterven.” En dat gebeurde ook: vanaf het ogenblik, dat de zonde zijn intree deed in de wereld, is het sterven begonnen. Niet toen de eerste mensen stierven, maar toen zij verdreven werden uit het Paradijs, toen is het sterven begonnen, toen begon de eigenlijke dood te werken, de dood tengevolge van de zonde, de dood als straf van God, de dood die de mens niet loslaat maar vastgrijpt in zijn klauwen. Tergend, maar zeker, maakt die dood zich van ons meester! Daarom spreekt Paulus ook van DE VIJAND: “DE LAATSTE VIJAND, die te niet gedaan wordt is de dood.” Wij zelf ervaren de dood ook als vijand. Daarom zijn wij er zo bang voor. Een mens is zich er van bewust dat hij sterven gaat en sterven moet. Een dier heeft dat niet zo. Als die gaat sterven, trekt het zich terug in een hoekje en gaat daar onder een struik gewoon dood.  Maar wij hebben er wel weet van. Wij zien het monster, die verschrikkelijke vijand, naderbij komen en wij stellen ons te weer. Wij doen alsof hij er niet is of we wapenen ons met allerlei afweermiddelen of met onverschilligheid. Heel onze gezondheidszorg is toch daarop gericht, niet waar?Een mens wil zo graag in leven blijven, maar de dood die IS, hij KOMT ook, hij is de grote geduchte vijand, onoverwinnelijk, trefzeker. Wie zal zich tegen hem te weer kunnen stellen?

De apostel kent IEMAND, Die dat gedaan heeft, want -zegt hij- de dood WORDT te niet gedaan! Hij kent het Evangelie, Hij heeft de Heer mogen ontmoeten, Hij weet dus waarover hij praat. De laatste vijand, de dood, WORDT te niet gedaan. Zou dat soms betekenen, da gelovigen niet meer hoeven te sterven? Natuurlijk niet!  Dat zou immers geen uitkomst uit de ellende betekenen. Dat zou alleen maar beduiden, dat je nog langer moet blijven leven met de dood die je leven heeft aangetast. Dat wensen we elkaar toch niet toe? Niemand wil in deze doodellende blijven voortleven. Daar gaat het ook om in onze euthanasiewetgeving: ondraaglijk lijden met de dood voor ogen (zie Pastorale aspecten van de Euthanasie op mijn website). Niet de dood, die KOMT, moet teniet gedaan worden, maar de dood die IS. Het heeft toch geen zin, wanneer dit leven met al zijn vreugden, maar ook met al zijn ellende en lijden eindeloos wordt voortgezet. Onze ellende is immers niet, dat er aan dit leven een einde komt, maar dat dit vaak zo korte leven vol zonde is, een leven buiten God, door de zonde van zijn heerlijkheid beroofd. Onze ellende is, dat ons leven eigenlijk GEEN LEVEN is! De ellende van ons leven is, dat ons leven al dood is, voordat er een einde aan gekomen is. Daarom spreekt Paulus van de laatste vijand, die te niet gedaan wordt.

Christus heeft de dood te niet gedaan, zowel de dood die IS als de dood die KOMT. Immers waar de dood die IS, de macht van de zonde, is overwonnen, daar heeft ook de dood die KOMT zijn kracht verloren. Hij heeft nu zijn oude verschrikking niet meer. De mens is met Christus gestorven en herboren, opgestaan tot een nieuw leven. Een mens mag nu uit genade leven, dat is vergeving van de zonde. De dood, die IS, die scheiding maakte tussen de mens en God, wordt te niet gedaan, omdat de van God gescheiden mens verzoend is met God, de scheidsmuur is afgebroken! De dood is nu wat anders, omdat het leven wat anders is. Ons leven in Christus is één doorlopende overwinning van de dood geworden. Dat alles mogen wij OP WEG NAAR PASEN gaan herdenken en vieren.

Wij maken meestal zo’n onderscheid tussen tijd en eeuwigheid. De tijd is dan ons verblijf hier op aarde, en de eeuwigheid is wat komt na de dood. Daarom spreken wij van het “HierNAmaals”. Dat is niet goed. We zouden eerder moeten spreken over het “HierNUmaals”.  Jezus zegt in het Hogepriesterlijke gebed (Johannes 17): “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de eeuwige, waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.”  Hoort u het? De tijd wordt in de eeuwigheid opgenomen, en de eeuwigheid wordt in de tijd gelegd. Wie in Christus is, dat wil zeggen in wiens leven de opgestane Heer gestalte heeft gekregen, die leeft nu al in eeuwigheid! Want de dood is in zijn leven overwonnen. Die mens is een nieuwe schepping geworden.

Dat we straks sterven moeten, betekent nu niet meer dat we “dood” gaan, integendeel: dan zal pas goed het volle leven in ons openbaar gemaakt worden: “het leven door Zijn dood bereid, het leven in Gods heerlijkheid!” De “dood” is er niet meer, het “sterven” is er alleen nog maar, het “ontbonden” worden. Daarom zegt de apostel tot de gelovigen: “Gij ZIJT gestorven en uw leven is met Christus geborgen in God.” Hier geldt de wet van het tarwegraan: door te sterven komt het tot leven.

Tenslotte nog dit: de dood WORDT te niet gedaan, zegt Paulus, niet: IS te niet gedaan. Waarom zegt hij dat zo? Hierom: Christus heeft de dood te niet gedaan, dat is volmaakt verleden tijd: de dood is TE NIET GEDAAN. Maar voor ons is het nog niet volmaakt verleden tijd. Wij zijn nog behept met de dood: ons gebrekkige zondige leven. Daarom moet dat wat Christus voor ons gedaan heeft nog in ons leven werkelijkheid worden. Daar hopen we op, daar bidden we om, daar zien we naar uit. OP WEG NAAR PASEN bepaalt dit ons leven. Dat de opgestane Heer, Die Zijn leven voor ons zondige mensen over had, ook in ons de macht van de dood zal breken en ons tot eeuwigheidskinderen mag maken. DE WEG NAAR PASEN  is een pelgrimstocht, waarop wij niet enkel een feit uit het verleden herdenken, maar een feit van het HEDEN vieren: dat de dood te niet gedaan IS en WORDT ook in ons leven! Zo wordt het PASEN IN ONS LEVEN!

Amen.

Kerken kijken – Wemeldinge

Als sluitstuk van de restauratie van de Hervormde kerk in Wemeldinge (1987-1989) is een schitterend boekwerk verschenen van de hand van de heer G.J. Lepoeter, die reeds meerdere boeken en artikelen over kerken uit de regio en ook bijvoorbeeld over de Wilheminapolder op zijn naam heeft staan. De titel is “Kerk in perspectief, verleden en heden van de Sint Maartenskerk te Wemeldinge, Kapelle/Wemeldinge”.

Hervormde kerk in WemeldingeAls sluitstuk van de restauratie van de Hervormde kerk in Wemeldinge (1987-1989) is een schitterend boekwerk verschenen van de hand van de heer G.J. Lepoeter, die reeds meerdere boeken en artikelen over kerken uit de regio en ook bijvoorbeeld over de Wilheminapolder op zijn naam heeft staan. De titel is “Kerk in perspectief, verleden en heden van de Sint Maartenskerk te Wemeldinge, Kapelle/Wemeldinge”.

Enkele markante zaken over de prachtig gerestaureerde kerk wil ik u doorgeven. Velen van u kennen de kerk met zijn fiere spits, te midden van overvloedig groen omhoog rijzend. Komend van Kattendijke over de Scheldedijk of van Kapelle kun je in de verte het silhouet van de kerk al ontwaren. Merkwaardig, dat de kerk zo in de ruimte ligt, te midden der boomgaarden, apart van het dorp. Meestal staat immers bij onze dorpen de kerk in het midden! Blijkbaar heeft hier in Wemeldinge in het verre verleden een verschuiving zich voorgedaan: het dorp heeft zich verplaatst naar een nieuw opgeworpen dijk en later naar het kanaal door Zuid-Beveland, waar natuurlijk de meeste werkgelegenheid was.

De kerk ligt op een hoogte, een zogenaamde burchtheuvel of vliedberg. Er liggen nog twee vliedbergen dichtbij, wat wel vaker in Zeeland voorkomt. Waarschijnlijk hebben deze drie heuvels tezamen een verdedigingssysteem gevormd: burcht met twee voor-burchten, waardoor de burcht beter te verdedigen was, zo’n 100 à 150 meter van elkaar (precies de reikwijdte van pijl en boog!).

Er moet al heel vroeg een kerkje gelegen hebben, misschien al in de negende eeuw, want Wemeldinge is één van de vroegst bewoonde plaatsen van Zeeland. Later is dit kerkje, natuurlijk nog van hout, vergroot en nog veel later van steen herbouwd. Dat gebeurde niet in één keer (daar hadden ze ook het geld niet voor!), maar in gedeelten. Eerst kwam de toren klaar, ongeveer in 1350. Toen hebben ze het schip van de kerk gebouwd, tegen de toren aan, ca. 1400, en als laatste het koor daar weer tegen aan (ca. 1425-1450). Nog veel later is de kerk uitgebreid met een zuidbeuk (ca. 1525-1550).

Gerard LepoeterDe schrijver vermeldt allerlei wetenswaardigheden uit de notulen en jaarrekeningen van de kerk in het verleden. Zo lees ik: ”Men had er kennelijk ook veel moeite mee om de kerk goed afgesloten te houden. Het leek wel iets op: ”Zelfs vindt de mus een huis, o Heer, de zwaluw legt haar jongskens neer, in ’t kunstig nest bij Uw altaren.” Men verlustigde zich niet zo in het nestelen van vogels binnen de kerk als de oude psalmdichter deed en dat is begrijpelijk. Vooral de uilen zorgden voor veel overlast. De koster kreeg opdracht ze te vangen. Voor elke uil, in de kerk gevangen, werd 8 groten (20 cent) betaald!”.

Er hangen twee klokken in de toren, een grote en een kleine, die beide na de oorlog zijn vernieuwd. De oude klokken waren door de Duitsers geroofd en waarschijnlijk omgesmolten tot hulzen van granaten of iets dergelijks. Tot voor de Eerste wereldoorlog luidde men elke dag: ‘s-morgens om 8 uur, ‘s-middags om 12 uur en ‘s-zomers ook nog om 7 uur ‘s-avonds. De grote klok draagt het opschrift (net als de oude klok):

Ik roep ter Kerk
Regel het werk
Waarschuw in nood
Verkond den dood
Ik spreek ook mee
Bij feest en vree

Op de nieuwe klok zijn er nog vier regels aan toegevoegd:

Dit opschrift droeg
Die voor mij sloeg
’s Vijands geweld
Heeft haar geveld

Hervormde kerk in WemeldingeIn 1898 is de kerk al eens grondig onderhanden genomen, maar een eeuw later was het weer hard nodig. Gelukkig kwamen de benodigde subsidies van de Overheid los, zodat in 1987 – na lang wachten en hopen – met voortvarendheid de restauratie kon worden aangevat. Hele stukken muur en ook steunberen moesten worden vernieuwd. Dit geldt ook voor de kappen den daken, het loodwerk, de windvaan, het leiwerk en wat niet allemaal!

Het interieur heeft ook verandering ondergaan, na het herstel van muren en vloeren. De ingang is verlegd. De beroemde grafstenen zijn her-gerangschikt. Men heeft oude vloertegels onder de bestaande vloer ontdekt en opnieuw gebruikt, ook zijn er nieuwe stoelen gekomen: knopstoelen met rieten zitvlak. Het schilderwerk is goed ter hand genomen, zodat de authentieke kleuren weer zichtbaar zijn geworden. Al met al een feestelijk en rijk gezicht!

De volgende keer wil ik nog iets vanuit dit boeiende boek over de kerk van Wemeldinge vertellen. Ik denk aan de grafstenen, de geloofs-symbolen die overal in de kerk nog zichtbaar zijn, de geschiedenis van de Hervorming in onze omgeving en dus ook in Wemeldinge, de ambachtsheren en -vrouwen en natuurlijk de beroemde orgelkwestie!

Hervormde kerk in WemeldingeVroeger werd in de kerk begraven, tenminste als je dat betalen kon. In Wemeldinge was dat ook het geval. Daarvan getuigen nog 24 deels fraaie grafzerken, die men om ze tegen verdere slijtage te behouden aan de wanden van het koor heeft opgesteld.
We lezen, dat in 1773 door de ambachtsvrouwe Maria Coomans een resolutie werd uitgevaardigd, waarin het grafrecht voor de begraving van een persoon boven 12 jaar op 2 pond werd gebracht-oftewel 12 florijnen (oude guldens). Beneden de 12 jaar was het de helft. Dat lijken kleine bedragen, immers tegenwoordig kost een begrafenis/crematie duizenden guldens (zeg maar tussen de vier en tienduizend gulden!). Maar in die tijd was het weekloon van een arbeider misschien een paar kwartjes, als die al wat verdiende…

En dan kom je toch ook tot een bedrag van zo’n 12 à 15 duizend gulden en dat alleen nog maar voor het grafrecht in de kerk. Daar komen de kosten van de begrafenis zelf en de maaltijd daarna voor alle gasten nog bij. Een gewone man kon dat in zijn leven nooit bij elkaar sparen. Het waren dan ook de voornaamsten en welgestelden uit de dorpsgemeenschap, wier namen op de stenen staan gegrift, vooral ambachtsheren en -vrouwen. Oorspronkelijk was de ambachtsheer een edelman van de Graaf van Holland en Zeeland, die het ambacht in leen kreeg en er als leenheer de heerschappij uitoefende (belasting innen, de rechtspraak enz.).

Later hebben kinderen de ambachtsheerlijke rechten geërfd en onder elkaar verdeeld. En zo is er een groep mensen gekomen, die in het dorp wat te vertellen hadden. Nog later kon je zo’n oud recht kopen. Rijke kooplui (bijvoorbeeld uit Goes) werden zo ambachtsheer in Wemeldinge. Zo’n ambachtsheer of -vrouwe had ook het toezicht op de kerkelijke Gemeente en het kerkgebouw. Jaarlijks was de ambachtsheer of -vrouwe aanwezig bij het zogenaamde afhoren van de jaarrekeningen van de kerkvoogdij, de armen en de parochie. Je had toen nog kerkmeesters, armmeesters en parochiemeesters, die de stoffelijke zaken binnen het ambachtelijk gebied bestuurden. Die functies werden door de gegoede families uit de burgerij en de koopmansstand bekleed. Deze lieden zien we terug op de grafstenen: ambachtsheren en -vrouwen, rentmeesters, schout en schepenen, landmeters, pastoors enzovoort.

Na de Franse revolutie kwam er veel weerstand tegen het begraven in de kerk (het voorrecht van de rijken ! en ook uit hygiënische overwegingen !). Geen klassenstelsel meer! Trouwens voor de dood is iedereen gelijk… Koning Willem I – net teruggekeerd van zijn verbanning in Engeland (toen de Fransen bij ons de baas waren) – verbood in 1813 het begraven in de kerken. Er werd maar moeizaam gevolg aan gegeven. In 1869 kwam er een absoluut verbod. Geen uitzonderingen meer !

De laatste die in de kerk van Wemeldinge begraven werd was een dominee: Jan Kamerman, die 24 jaar de Gemeente aldaar geleid had (van 1828 tot 1852).

Zandloper aan preekstoel van de Hervormde kerk in WemeldingeDe oude christelijke kerken bevatten veel symbolische voorstellingen. Ook op de grafzerken kom je ze tegen. Zoals het Lam God ‘met de kruisvaen hoog in top’. Op de meeste zerken zijn aan de vier hoeken de symbolen van de 4 Evangelisten aangebracht: de arend voor Johannes, de gevleugelde mens voor Mattheüs, de gevleugelde leeuw voor Markus en de gevleugelde os voor Lukas. Er zijn verschillende verklaringen voor die symbolen. Zo laten zij gezamenlijk het hele gebeuren van Jezus als de Zoon van God zien: zijn geboorte en menswording (Mattheüs), zijn offerdood (de os van Lukas als offerdier), zijn opstanding (de overwinnende leeuw van Markus) en zijn hemelvaart (de adelaar van Johannes).

Een symbool wat we allemaal vaak gezien hebben is het haantje op de toren. Het is bij de laatste restauratie weer mooi verguld en stevig vastgezet. In een oudkerkelijk lied horen we de betekenis ervan:

De haan, de bode van de dag,
vertelt het naderende licht,
ons roept de Wekker van den geest,
de Heer, tot nieuwen levensweg.
”Staat op, staat op!” zo roept de Heer …
en waakt: dra zal Ik bij u zijn!”.

(een lied van Aurelius Prudentius Clemens uit de vierde eeuw, Gezang 275 van de Oude Bundel)

In het Liedboek der Kerken vinden we hetzelfde lied: Gezang 371

De haan kraait dat de dag begint,
het Licht het duister overwint.
Christus spreekt in het hart ons aan
om tot het leven op te staan.

Sta op uit slaap en nacht, roept Hij,
bedwelmend is hun heerschappij.
Treed kuis en zuiver aan het licht,
en waak: Ik nader ten gericht.

Hervormde kerk in WemeldingeMaar de haan herinnert ons ook aan de verloochening van Petrus!
Dus aan onze zonde. Hij zegt als het ware: ”pas op, kijk uit…”. We moeten dat haantje maar altijd in de gaten houden!

De pas gerestaureerde kerk heeft een rijk verleden. Zij is waarschijnlijk de moederkerk van oostelijk Zuid-Beveland, dus ouder en belangrijker dan de ‘veel hoger van de toren blazende’ zusterkerken in Kapelle en Kloetinge! We lezen in het boek op bladzijde 15:

In een vroeg stadium van parochiestichtingen in deze streken moet van de Westmonster in Middelburg een aantal dochterkerken zijn afgescheiden, vermoedelijk vier, namelijk een kerk in het oosten van Zuid-Beveland, bijna zeker die van Wemeldinge, de kerk van Monster op Borssele, de Noordmonster te Middelburg en de kerk van West-Souburg. Kerken van het kapittel van Oudmunster in Zeeland worden voor het eerst – als reeds bestaande parochies – in 1233 met name genoemd.

Was de kerk de eerste eeuwen van haar bestaan een belangrijke Rooms-Katholieke parochiekerk, na de Hervorming werd dit anders, zoals bijna overal in het Zeeuwse. De Hervorming kwam vrij laat op gang in onze regio. In Goes werd nog in 1563 een brandstapel opgericht en de doopsgezinde (dus ketterse!) Jan Janszoon Grendel daarop levend verbrand. Het waren me toen de tijden wel!

GHervormde kerk in Wemeldingeoes was een bolwerk van de (Rooms Katholieke) Spanjaarden en is als laatste van de Zeeuwse steden tot de (Protenstantse) Prins van Oranje overgegaan (bij de ‘satisfactie van Goes’ in 1577). Het jaar daarop kwam het volk, aangestoken door de ‘nieuwe leer’, in beweging en het plunderde de Maria Magdalenakerk. Op 8 oktober 1578 kon in die kerk de eerste protestantse preek worden gehouden. Het ging toen snel met de Hervorming op ons eiland. Al op 1 december van hetzelfde jaar deden in de omliggende dorpen zeven predikanten hun intrede, in Kapelle, Baarland, Heinkenszand, Nisse, Hoedekenskerke, Kruiningen en Wemeldinge.

Het is zeker niet van de ene dag op de andere gegaan, dat kan ook niet. Hervorming van het geloofsdenken is een proces, dat jaren, ja zelfs generaties duurt. Er waren nog maar weinig echte Calvinisten. Ook waren er niet zoveel echte Rooms-Katholieken meer. De meesten kerken de kat uit de boom, zoals dat gaat. Ook de ambachtsheren en de vooraanstaanden op het eiland waren niet zo direct voor verandering. Dat ligt ook niet in de Zeeuwse aard denk ik. Het werd meer van bovenaf opgelegd  door allerlei beperkende maatregelen tegen de rooms-katholieken en de belangrijke verplichting alle onderwijs te geven in overeenstemming met de ‘gereformeerde’ opvattingen (hervormd heette toen ‘gereformeerd’). In Wemeldinge schijnt echter al spoedig een behoorlijke Gemeente te zijn ontstaan. We lezen immers bij de tweede predikant van Wemeldinge, Pieter van Orliens (1580-1606), in de predikantenlijst: ”al waar hij zijnen dienst aanvaardde: onder denzelven had hij het bijzondere geluk zijne gemeente grootendeels den Hervormden dienst te zien aankleven en ook een aantal van Kattendijke daarmede te verenigen”.

En wie niet goed meedeed werd onder tucht gesteld! Vooral het kermisvermaak was de kerkelijke overheid nogal eens een doorn in het oog. Van oorsprong hadden ze iets met elkaar te maken, kerk en kermis. Kermis is immers afgeleid van kerkmis, en dat slaat op de kerkmis die jaarlijks ter gelegenheid van de kerkinwijding werd opgedragen. Daar kwam toen een jaarmarkt bij, een goede gelegenheid voor de kooplui, wat van heinde en ver ging men op die dag naar de kerk. Het ontaardde nogal eens in brasserijen en geweldpleging. Telkens lezen we in verslagen van de Kerkeraad uit de eerste tijd na de Hervorming de vermaning ”dat de gemeynte Jesu Christi in deze plaetse geen gemeynschap en souden hebben aende kermisse, dat afgodische werck der duysternisse …” (1648). Wie er toch aan meedoet wordt van het Heilig Avondmaal buitengesloten. Maar ook toen gold: de geest is wel gewillig, doch het vlees zwak!

Orgel van de Hervormde kerk in WemeldingeTenslotte moet ik nog de beroemde orgelkwestie ter sprake brengen. In 1787 komt in het testament van de Maria Coomans, de ambachtsvrouwe van Wemelding, die (net als haar voorgeslacht) heel veel voor Wemeldinge en de kerk heeft gedaan, de merkwaardige bepaling te staan ”dat … geen orgel ten dienste van het gesang in voornoemde kerk, voor rekening derselve kerk gemaakt, nog opgerigt worde”. Er werd de kerk een zeer groot legaat geschonken: 700 ponden grooten vlaams (oftewel 4200 gulden, dat zou in onze tijd zoiets als vijf miljoen zijn!). Werd er toch een orgel in de kerk geplaatst, dan kwam het legaat te vervallen. In het begin van deze eeuw werd er toch wel grote behoefte gevoeld aan een orgel. Iedere kerk had het…, alleen Wemeldinge niet! Er werd een orgelcomité opgericht. Maar de vraag was nog steeds: hoe komen we van die bepaling af? Een lastige kwestie! U begrijpt het: de gemoederen liepen soms hoog op, er waren voor- en tegenstanders. Ja, dat orgel wilde iedereen wel, maar om tegen het testament in te gaan, dat vond menigeen onbehoorlijk. Pas in de jaren vijftig komt er schot in deze precaire aangelegenheid. Ds. van Ieperen – de toenmalige predikant – riep de hulp in van de Synode en deze won bij de Overheid rechtskundig advies in. Er kwam het advies een aparte Stichting voor het orgel in het leven te roepen, die het orgel ook zou betalen. Dan zouden er verder geen juridische problemen meer zijn met het legaat en het orgelverbod. En zo is het orgel er na 200 jaar toch gekomen!

Het kwam van Kruiningen. Daar was het orgel in de Hervormde kerk door waterschade (watersnoodramp 1953) afgekeurd en het werd in 1957 verkocht voor een luttel bedrag. Wemeldinge zag daar wel wat in, want het was een Van Dam-orgel uit Leeuwarden, een destijds (vorige eeuw) zeer bekende orgelbouwer. Het orgel werd gerestaureerd en in 1958 geplaatst. Maar het kon nog beter. In 1983 lukte het ’t orgel op de lijst van monumentale orgels geplaatst te krijgen.

Dat betekende, dat er nu ook Rijkssubsidie verkregen kon worden voor een kundige en uitvoerige restauratie. Daar is men nu mee bezig. De befaamde orgelbouwers Flentrop uit Utrecht brengen het orgel weer in de oorspronkelijke staat (uit 1899) terug (kosten 4 ton). Misschien dat het werk volgend jaar klaar is. Dat zal een feest worden, wanneer het mooie orgel zijn eerste “authentieke” geluid zal laten  horen in Wemeldinge’s schone gerestaureerde kerk!

Goede reis

Jezus vraagt ons aan het begin van het nieuwe jaar: ‘Ga je MET MIJ mee? KOM OP, sámen gaan we verder, de toekomst tegemoet…’

Een goede reis. Dat hebben de mensen Jozef en Maria vast toegewenst. Toen ze onderweg gingen. Van Nazareth naar Bethlehem, zo’n 160 kilometer. Goede reis Jozef, goede reis Maria.

Bij een reis kun je ook denken aan het leven, aan de levensreis die elk mens maakt. En onderweg gebeurt van alles. Er passeren mooie dingen, verdrietige dingen en soms ook wonderlijke dingen. Zoals Maria meemaakte:

Ik was thuis aan het werken,
het was als elke dag.
Maar toen: De deur ging open
en weet je wie ik zag?

Een engel uit de hemel
die binnen kwam bij mij.
Hij sprak: ik breng een boodschap,
die maakt jouw hart heel blij.

Jij zult een kindje krijgen,
o, uitverkoren vrouw.
Heer Jezus zal Hij heten.
Ja, dat gebeurt met jou.

En hoe dat zal geschieden?
Ik ben nog pas verloofd?
’t Is door de Geest des Heren!
En dat heb ik geloofd.

In Bethlehem was voor Jozef en Maria geen plaats. Behalve in de stal. Waar je onderweg al niet verzeild kunt raken. En Maria is inmiddels hoogzwanger.

Daar is Hij dan geboren.
Heer Jezus, o zo klein.
Ook ik mag het nu horen:
Mijn Redder wil Hij zijn.

Jezus, Zoon van God, komt op aarde. Hij gaat onderweg. Een levensreis maken. Van start tot finish. De hele tocht, met alles wat dan onderweg kan gebeuren. Jezus, onze reisgenoot, om ter plekke ook de Redder te zijn.

De Redder van de armen.

Onderweg zag hij namelijk hoe sommigen achterop raakten, door handicap of leefwijze. Ze zijn de kleinsten, en werden daarom maar al te vaak vergeten. Maar Jezus zoekt hen op. Dat begon al in de kerstnacht, in die stal. De mensen, die gewend waren de meeste aandachte te ontvangen, die het ook redelijk met zichtzelf hadden getroffen, namen het Jezus vaak kwalijk dat Hij hen voorbij ging. Maar dan zei Jezus: Ik ben gekomen om de verlorenen te zoeken en te redden. Die gezond zijn hebben Mij niet nodig, maar die ziek zijn.

De start van Jezus was bij de armsten. En onderweg bleef Hij solidair met hen. Gaf Jezus dan niet om de rijken en sterken? O zeker wel, maar Hij zei dan wel dat ze zich moesten bekeren en worden als een kind. En dat bleek vaak te moeilijk, en daar begon het verzet.

Zo ging Jezus zijn reis.

En aan de finish stond een kruis. Toen werd de Heiland onder de misdadigers gerekend. Iemand zei later: Daar is Jezus voor ons arm geworden opdat wij door zijn armoede rijk zouden worden.

Nog wil Jezus onze reisgenoot zijn. Ook in het nieuwe jaar! Een GOEDE REIS betekent onderweg zijn liefde en trouw kennen. Voor ons en onze kinderen en kleinkinderen, en wie weet: achterkleinkinderen! En wat daarbij ook moeilijk en verdrietig is, IETS is heel goed geworden. Door Jezus Christus, die onze reisgenoot is geworden, die voor ons goed deed, waar wij falen. En aan ’t eind van zijn reis gaf Hij zijn leven tot verzoening van onze schuld.

Jezus vraagt ons aan het begin van het nieuwe jaar: ‘Ga je MET MIJ mee? KOM OP, sámen gaan we verder, de toekomst tegemoet…’

Dan wordt het beslist een GOEDE REIS, onze gang door het nieuwe jaar. Onderweg komen we Pasen nog tegen en Hemelvaart en Pinksteren en dan is het weer opnieuw Kerstfeest, en is ’t jaar weer om. Als hij maar met ons meegaat, zal er weer van alle goeds te beleven zijn, in het jaar dat wacht, op onze levensreis. Zijn hulp is ons genoeg, voor een levensreis op aarde en nog veel verder. Tot in het Vaderhuis!

Wat er ook mag gebeuren
op heel die reis van mij.
Ook ik mag het nu weten:
Mijn Heiland is er bij!

En tot mijn kind zegt Jezus:
Jij komt er nu achteraan.
Maar ook jij bent gevonden
om eens voorop te gaan.

 

Leonardo

“Wat is dat eigenlijk, God”, vroeg zijn zoon. Leo Jacobs, de linkse actievoerder van weleer in Amsterdam, kwam eigenlijk woorden tekort en kon niet meer opbrengen dan: “Licht, God is voor mij Licht”. Leo en ik hebben elkaar nooit mogen ontmoeten, toch is er contact. Hoe is dat mogelijk? Omdat onze innerlijke zielen afgestemd zijn op God, zo stel ik me dat voor, en ik denk dat het met mijn vriend Leo hetzelfde geval is. Het is ook daarom, dat ik drie van zijn columns, waarin hij schrijft over zijn hartoperatie, overneem op mijn website.

Leo JacobsLeonardo. Zo noemt hij zich: Leonardo ofs (Orde van Franciscaanse Seculieren (O.F.S.), voorheen bekend als de Franciscaanse Lekenorde F.L.O., mijn vriend Leo Jacobs.

Leo Feijen schreef over hem naar aanleiding van zijn “geloofsgesprek” op zondag 6 mei 2012:

Zonder geloof
Leo Jacobs hield zichzelf jarenlang voor ongelovige, was actief in de linkse politiek en leefde zonder enig geloof in God. Dat was het beeld dat iedereen van hem had, dat was het imago dat hij ook graag koesterde.

Tot die gedenkwaardige dag in maart 1997, op een wintersportvakantie in Frankrijk. Daar werd hem in een flits duidelijk dat God wel bestaat. Hij mocht een onbeschrijflijke mystieke gelukservaring meemaken en was er behoorlijk van ondersteboven. Hij hield het aanvankelijk voor zichzelf. Het duurde een paar maanden voordat hij het opbiechtte aan zijn gezin.

Licht voor mij
‘Ik geloof in God’, zei hij tegen zijn gezin. En toen begon het kruisverhoor. ‘Wat is dat eigenlijk, God’, vroeg zijn zoon. Leo Jacobs, de linkse actievoerder van weleer in Amsterdam, kwam eigenlijk woorden tekort en kon niet meer opbrengen dan: ‘Licht, God is voor mij Licht’. Geen woorden, maar wel een diep weten. Dat was genoeg om zich verder op dat licht te richten. En zo kon het gebeuren dat Leo Jacobs op 65-jarige leeftijd gedoopt en gevormd werd. Bloednerveus was hij op de bewuste dag, nu al ruim tien jaar geleden. En tegen zijn gewoonte in droeg hij een formeel pak. Op de plaats van de stropdas hing een prachtig kruis.

Dat zei genoeg over de betekenis van dit plechtige moment: Leo Jacobs  koos voor Christus, voor de katholieke kerk en voor een ander leven. In het teken van het licht, in het teken van gebed. Van linkse actievoerder tot katholiek, van atheïst tot christen, van rebelse Amsterdammer tot gelovige parochiaan. Dat verhaal vertelt hij in het geloofsgesprek.”

Leo Jacobs: van provo tot gelovige Rooms Katholiek, heel bijzonder.

Hij woont in Amsterdam en in Frankrijk:. Zo komt hij aan de naam van zijn column in het Centraal Weekblad (Christelijk Weekblad): God in Frankrijk. Door het lezen van zijn interessante verhalen ben ik met mijn broeder in contact gekomen.

Wij hebben elkaar nooit mogen ontmoeten, toch is er contact. Hoe is dat mogelijk? Omdat onze innerlijke zielen afgestemd zijn op God, zo stel ik me dat voor, en ik denk dat het met Leo hetzelfde geval is. Het is ook daarom, dat ik drie van zijn columns, waarin hij schrijft over zijn hartoperatie, overneem op mijn website. Vele van mijn lezers zullen het Christelijk Weekblad niet lezen en er toch baat bij hebben kennis te nemen van Leo’s bevindingen.

HARTKLEP

“Was het toeval of een signaal van Hem?” Dat vroeg ik mij af toen ik na een sprintje van nog geen 10 meter om de metro lijn 51 te halen plotseling een gillende pijn op mijn borst kreeg.

Vanaf halte A.J. Ernststraat tot voorbij station Over-Amstel zat ik krimpend van de pijn te snakken naar adem. Om mij heen mede- passagiers, die zich wellicht afvroegen wanneer de reanimatie kon beginnen. Pas toen de halte Centraal Station naderde, was ik dermate hersteld, dat ik redelijk opgewekt de Sint Nicolaaskerk kon binnen stappen alwaar de Avond van de Martelaren plaatsvond. Niet de martelaren uit vervlogen tijden, maar christenen die in onze tijd hun geloof met de marteldood bekopen, maar dit terzijde. Ik wilde niet te laat komen want ik verwachtte een zeer volle kerk, en dat bleek juist. Bisschop Punt ging voor en begint altijd stipt op tijd. Goede redenen om even te sprinten.

De volgende dag toch maar het cardiologie centrum gebeld, waar ik al enige tijd onder controle ben voor nogal vage klachten. Tot nu toe was er nooit iets om zorgen over te maken en dus evenmin enige noodzaak tot een ingreep, afgezien van een licht pilletje tegen een verkeerd cholesterol. Nu, na een echo en een fietsproef bleek inmiddels een hartklep dermate verkalkt dat de cardioloog een open hartoperatie onvermijdelijk achtte. Ook reizen, zelfs per vliegtuig, werd ten stelligste ontraden. Reuze ongelegen, maar zo iets komt ALTIJD ongelegen. Zo moest ik zaken regelen met de verzekering vanwege een inbraak, maaien, dat soort dingen.

Materieel loopt er nu veel in het honderd en op die operatie verheug ik mij natuurlijk ook niet in het minst. Intussen ben ik geen urgent geval en is het dus lang wachten op een oproep door mijn buren, het VU- medisch centrum. Aanvankelijk baalde ik als een stekker, maar langzamerhand begin ik aan dat tergend lange wachten ook positieve aspecten te ontdekken. En nu doel ik niet op kleine maar bijzonder leuke bijkomstigheden, zoals de viering van Sacramentsdag in mijn parochiekerk, de Vredeskerk in de Amsterdamse Pijp. Tijdens die eucharistieviering gingen elf schattige kindertjes voor het eerst ter communie, merendeels in ouderwets witte jurkjes met bloemenkroontjes.

Dat had ik nooit eerder meegemaakt. Mijn eigen eerste communie beleefde ik toen ik al 63 jaar was, en die was anders. Maar ook dit terzijde. De goed gevulde kerk was versierd met ballonnetjes en na afloop vond een kleine processie plaats rondom kerk en aanpalende bebouwing*. Dolle pret hadden ook krijgertje spelende broertjes en zusjes van de prille communicantjes. Ik wist niet dat dit alles nog bestaat en ik had het niet graag willen missen. Zonder die naderende operatie had ik deze dag in Frankrijk gezeten en in mijn agrarische regio is de in de Pijp zo feestelijk overgeleverde traditie al lang uitgestorven. Every cloud has a silver lining, dacht ik dankbaar. Tohda raba, Abba !

Misschien mag die dankbaarheid zich trouwens uitstrekken tot alles wat mij overkomt, ook dat falen van die hartklep, die nu vervangen gaat worden door een stukje varken, koe of zelfs van een dode medemens. Eindelijk kan ik eens op een andere manier bezinnen op de vraag hoe helend, hoe louterend zachtaardig lijden kan zijn. Hoe goed het is in een alternatieve situatie geconfronteerd te mogen worden met onze sterfelijkheid. De betrekkelijkheid van het aardse bestaan krijgt een andere en nogal schokkende dimensie. Straks lig ik machteloos aan allerlei apparatuur, niet in staat tot praten of bewegen; overgeleverd aan een medisch team en hun gereedschap. Machteloos als een pasgeboren kind.

Is dat soms de kern van onze existentie? Zijn wij op vergelijkbare wijze overgeleverd aan Gods almacht? Maar hoe anders was de machteloosheid van de Verlosser, toen Hij aan dat kruis gespijkerd was; het lijkt een schaamteloze vergelijking maar ik bedoel het respectvol. Ook ik zal een tijd weg zijn van de wereld totdat de narcose is uitgewerkt, en dan ben ik weer terug, zij het dodelijk vermoeid en onder de pijnstillers. Maar met een nieuw leven. Met hernieuwde energie beginnen aan de eindsprint op dit ondermaanse. Is deze overweging nu te oneerbiedig? Had ik deze laatste twee alineae beter kunnen skippen? Is het verkeerd om ook maar in de verste verte een vergelijking te trekken tussen het vreselijk lijden door de Mensenzoon en mijn onbetekenende ongemakken?

NA DE OPERATIE

“Ga je nu straks loeien?” vragen sommige grappenmakers, wanneer zij horen dat op de plaats van mijn verkalkte aortaklep nu 23 mm koosjere koe zit. Die grap maak ik zelf trouwens ook wel eens.

Geloeid heb ik, toen ik ontwaakte uit de narcose want de pijn was hels ondanks de morfine; daarover later. Al maanden wist ik dat de open hartoperatie in het VU- medisch centrum er aan kwam en toen was het toch nog totaal onverwachts: op een donderdagachternamiddag omstreeks half vier werd ik gebeld of ik binnen een uur in het ziekenhuis kon arriveren. Dan zou ik de volgende dag om half acht ’s ochtends behandeld worden. Er was een patiënt uitgevallen wegens een plotselinge koortsaanval, en ik stond als invalpatiënt boven aan de urgentielijst. Ik was zelfs eerste keus; en ik mocht nee zeggen.

De verleiding was groot om dat te doen, ook al omdat ik juist die dagen een heel programma had van dingen die gedaan moesten worden. Hoe relatief dat “moesten” is, heb ik inmiddels onderkend. Eigenlijk denk ik dat ik werd gestuurd om te gaan, de afspraken de afspraken te laten en mij over te geven, aan God, het Lot, of de Geest, wat dan ook, en in elk geval aan de mensen van het VUmc, met vertrouwen in wat komen ging. Dit in flagrante tegenstelling tot mijn eerdere idee dat ik voor zo’n dure ingreep eigenlijk al wat oud was en nog steeds ben. Hoewel: is 77 jaar oud?

Het is weer actueel: moet de samenleving nog zo veel geld uitgeven om oudere medemensen langer te laten leven of de kwaliteit van hun bestaan op te leuken? Die vraag heb ik mijzelf gesteld en met anderen besproken. Nu weet ik: het is een absurde vraag. Dat zulks in onze samenleving aan de orde gesteld wordt geeft haarscherp aan hoezeer de moraal dreigt te verloederen. Niet in het minst door het verschrompelen van onze christelijke wortels. Afgezien van allerlei premies die ik al vele decennia afdraag (ik hoop dat Lans Bovenberg dit leest) – medische zorg mag nooit afhankelijk zijn van de kosten.

Ondanks die overval op donderdag was ik goed voorbereid op wat ging gebeuren, mede dank zij uitleg door mijn lieve cardioloog, mijn gave huisarts, de fantastische mensen van het VU-mc en zeker ook door de voorlichting van de Nederlandse Hartstichting, die op internet en in uiterst leesbare brochures precies vertelt wat er gebeurt bij de vervanging van een hartklep.

Van de operatie herinner ik mij gelukkig helemaal niets. Wel van wat daarna gebeurde: de pijn. Ondanks alle pijnstillers, die de schatten van het VUmc mij toedienden, heb ik even gedacht: “als ik dit had geweten – dan was ik misschien liever een paar jaar eerder dood gegaan en had ik het tot dat moment wel rustig aan gedaan”. Nu weet ik dat dit een heel verkeerde gedachte was en dat ik dankbaar moet zijn dat mij dit is overkomen. Dat geldt zelfs voor de helse pijn, die ik ondanks de morfine leed toen ik wakker werd uit de narcose.

Na een zware ingreep als een open hartoperatie ligt ook je emotionele huishouding volledig overhoop. Ook daarop was ik voorbereid door artsen en de Hartstichting maar zo iets wordt pas echt duidelijk wanneer je het zelf meemaakt. Het had iets van een bipolaire stoornis: plotselinge huilbuien zonder duidelijke reden en bot daar bovenop momenten van onmetelijke blijdschap. Beetje manisch depressief als het ware. Ook mijn Godsbesef kreeg een andere dimensie: Hij was dichterbij dan ooit. Veel van wat mij overkwam was geen pretje; noem het gerust lijden, maar achteraf vervulde en vervult juist dat lijden mij met dankbaarheid.

Na die donderdag, een week na de oproep, ontslagen te zijn wilde ik de zondag daarop eigenlijk graag weer naar de kerk, maar dat bleek een stukje zelfoverschatting, een eigenschap waar ik altijd al last van heb. De zondag daarop lukte het wel en na de eucharistieviering voelde ik mij zowel fysiek als spiritueel opnieuw weer een stuk beter. Een hostie heeft meer effect dan 100 pillen, leek het wel. Op de retorische vragen, waarmee ik mijn vorige column afsloot, heb ik terecht van geen van de 249.000 lezers van het CW antwoord gekregen. Ik eindig met een andere vraag: is het gek dat ik deze open hartoperatie heb ervaren als een Godsgeschenk?

TEKEN?

“Was ook dit een teken van God de Vader?” vroeg ik mij af op de avond van onze aankomst in Monviel. Want nog diezelfde avond belandde Tini in het ziekenhuis van Villeneuve-sur-Lot.

Wat is het eerste, wat je doet bij aankomst in de Aquitaine? Je gooit ramen en luiken open en dat deed Tini dus. Zij had niet gezien dat tijdens onze langdurige afwezigheid tussen een van die combinaties luiken- ramen een gigantisch nest frelons, hoornaars in het Nederlands, was gevestigd. Agressieve wezens, die de aanval onmiddellijk openden, zodat Tini een steek of tien opliep. Sterke vrouw, die zij is, had zij de tegenwoordigheid van geest het raam direct te sluiten, maar toen had zij al zo’n tien steken opgelopen, en zij voelde zich absoluut niet bien, heel beroerd dus.

Op het Franse boerenland ben je geneigd de pompiers, de brandweer te bellen. Niet doen, want die mogen alleen bloeddruk en saturatie, zuurstofgehalte meten en brengen je dan naar het ziekenhuis, bijna 40 kilometer verderop, waar de urgence, de eerste hulp nog beroerder functioneert dan in Nederland. Gewoon naar de dokter, ook niet naast de deur, en misschien ruk je hem weg van achter de TV, maar dat moet dan maar. Geluk bij een ongeluk: Tini bleek niet allergisch. Zij zag er enkele dagen niet uit, en moest wat pillen slikken, maar spoedig was zij weer de oude.

Wanneer het mij was overkomen, wel allergisch voor dit soort enge schepselen Gods en nog opgezadeld met een nauwelijks hersteld hartfunctioneren, dan was ik nu dood. Al twee keer ben ik na zo’n steek kantje boord geweest. Maar God laat mij nog even op het ondermaanse; mijn taak zit er nog niet op. Tot die taak behoorde ook de installatie van een nieuwe modem; de oude werkte niet meer waardoor wij verstoken waren van telefoon en internet. Dat is heel lastig op het Franse platteland. De installatie mislukte. Geen telefoon, geen internet.

De schoteltelevisie kon daardoor ook niet geactiveerd worden. Het leven wordt wel heel rustig zonder al deze communicatiemiddelen. Ik kreeg visioenen van een verblijf in een klooster van de Kartuizers, eigenlijk niet echt onaangenaam. Anderzijds is het problematisch, wanneer je voor een eenvoudig telefoongesprek bent aangewezen op de buurman, die bijna een kilometer verderop woont. En bij die buurman kregen wij na onmatig veel bellen de toezegging van de telefoonmaatschappij, dat een technicus zou komen om de verbinding te herstellen.

Dit is Frankrijk, en die technicus kwam weken later. Na zijn interventie deed internet het en de schoteltelevisie was inmiddels geactiveerd; de laatste afleveringen van Zomergasten met Jolanda Withuis en die over de Borgiafamilie hoefden wij niet te missen. De telefoon is echter nog steeds dood, nu al vier weken, en onze Nederlandse mobiele telefoon geeft geen toegang tot viercijferige alarm- en service- nummers. Daarvoor moeten wij de best ver weg wonende buren nog steeds lastig vallen. Is dit een klaagzang? Dat is niet de bedoeling; integendeel.

Het leven zonder TV, en dan vooral zonder de Nederlandse, onmatig op de verkiezingen gerichte televisie bleek heel verrijkend. En zonder telefoon grijpt men eerder naar een boek of naar een (Franse) krant. Die van heden, de dag dat ik dit stukje schrijf, opende niet met de crisis of de arbeidsconflicten in dit land of met Europa of met de topless foto’s van een prinses , maar met de klappen, die een 18-jarige Marokkaanse leerling van een technische school in Bordeaux zijn 36-jarige geschiedenisleraar toediende.

De les van de leraar ging over religie en democratie, o.m. in Marokko, maar dat schijnt niet eens de reden van de boosheid des tieners geweest te zijn. Deze heeft inmiddels zijn excuses aangeboden maar moet toch in februari volgend jaar voor de rechtbank verschijnen wegens openlijke geweldpleging tegen iemand in een publieke functie, bedreiging met doodslag en aantasting van persoonlijke integriteit. Het incident heeft veel commotie veroorzaakt, tot in regeringskringen, hoewel het niet uniek is. Een teken aan de wand?

Leo Jacobs

In memoriam Toos, Leen, Wil en Jan

Kennelijk is het leven, ook die van een goede buurtgemeenschap, niet eeuwig. Of het moest zijn, dat we gaan van duisternis naar eindlijk eeuwig licht…

God Zelf vertaalt de duisternis
In eindlijk eeuwig licht.
Gezang 447,6 Liedboek van kerken

We gaan van duisternis naar licht. Dat is onze buurtgemeenschap wel gewaar geworden in de laatste twee jaar. Vijftien jaar zijn we nu bij elkaar, in de zojuist gebouwde seniorenwoningen aan de van de Meulenstraat in Barendrecht. Van meetaf aan waren we een hechte gemeenschap. We vierden elkaars verjaardagen, deelden lief en leed, gingen samen naar de chinees en hadden beslist niet in de gaten dat we toch ook al zeventigers waren! Daar kwam verandering in, toen enkele jaren geleden eerst Trudy, de lieve vrouw van Ed, en daarna Jim, onze sportieve overbuurman, de man van Thea, uit het leven werden weggenomen. Dit bracht een diepe schok te weeg. Kennelijk is het leven, ook die van een goede buurtgemeenschap, niet eeuwig. Of het moest zijn, dat we gaan van duisternis naar eindlijk eeuwig licht…

In het afgelopen jaar werd dit nog duidelijker, toen buurvrouw Wil ons het droeve nieuws over hun zoon Jeroen vertelde: bij hem was kanker geconstateerd. Jeroen was de muzikale spil in de familie Groenendijk en zeer geliefd bij al zijn fans. Hij speelde gitaar, speelde in een band en was betrokken bij koorzangmanifestaties. Zijn laatste optreden staat mij nog voor ogen: vorig jaar april bij Paul de Leeuw, die hem nog zo ontroerend heeft toegesproken. Kort daarna overleed hij. Zijn ouders brachten een grote gitaar van rozen naar zijn graf. Er daalde een diepe duisternis van rouw en verdriet over het huis van de buurtjes. Niet lang daarna kwam aan de lijdensweg van buurvrouw Toos, de lieve vrouw van Jaap, een einde. Zuurstofgebrek was de oorzaak van een slepende ziekte. Zij lag thuis opgebaard, een wonder van schoonheid, een blijvende herinnering voor Jaap en de kinderen en kleinkinderen.

Kort er na riep buurvrouw Wil, de spil van onze buurt, de buren bijeen. Zij had iets te vertellen. Het bleek iets zeer ernstigs te zijn: zij had kanker, maar leefde nog wel in de goede hoop dat er iets aan te doen zou zijn. Al gauw bleek, dat dit valse hoop was. Geen enkele behandeling had nog zin. De huisarts moest haar maar begeleiden met pijnstillende middelen. Het was vreselijk om aan te zien, hoe een eens zo sterke vrouw haar kracht verloor. Tot het laatst was zij een troost voor iedereen, die bij haar kwam, zeker voor haar diepbedroefde man Jan. Tegelijk met haar ziekte had zich bij buurman Leen, de stoere man van Arina, ook een soort kanker gevormd, die ongeneeslijk bleek te zijn. Na herhaaldelijke ziekenhuisopnames is hij tenslotte langzaam ingeslapen. Kort na zijn overlijden kwam er ook een einde aan het lijden van Wil. Zo werd de buurt getroffen door twee begrafenissen achter elkaar.

Arina en Jan bleven verweesd achter. Arina, dapper als zij is, ging al snel over tot de orde van de dag, gesteund door haar kinderen en kleinkinderen. Voor mannen blijkt dat moeilijker te zijn. Daar kwam bij, dat Jaap ook problemen kreeg met zijn eigen gezondheid. Jan werd stiller en stiller, wist zich zijn leven geen vorm meer te geven, tot hij tenslotte kon worden opgenomen in een verpleeghuis te Bergen (N.H.), waar dochter Annerien hem veel aandacht kon geven. Daar is hij op vrijdag 28 september gestorven. Op dinsdag 2 oktober hebben wij afscheid van hem genomen, vanuit de Bethelkerk. In de hartverwarmende kerkdienst vertolkte Hans van Gelder, de organist van de Dorpskerk, de opmaat door het vertolken van magistrale Bach-koralen, die ook de liefde van Jan voor de Mattheuspassion tot uitdrukking brachten. Kleinkinderen Spijk en Mees staken de kaarsen aan. Ds. Ketelaar bracht de ontroering van de aanwezigen over met het gezongen Woord uit Taizé:  Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.

Dochter Annerien memoreerde in haar persoonlijke woord van herinnering en dank de liefde van Jan voor Bach en in ’t bijzonder voor zijn orgelmuziek. Zelf was hij daar uren mee bezig op zijn huiskamerorgel. Hij was ook jaren lid van de Stichting Orgelconcerten Barendrecht en van de kerkelijke Orgelcommissie. In persoonlijke gesprekken over kerk en geloof kreeg ik sterk de indruk, dat hij nog een adept van Klaas Schilder was. Hij had deze inspirerende voorman van de Afscheiding nog leren kennen, toen hij in zijn jonge jaren menigmaal onder zijn gehoor had vertoefd in IJsselmonde.

Onze buurtgemeenschap verliest in alle vier hier herdachte personen een bron van leven en levenslicht, waaruit zij vele jaren heeft mogen putten. Met grote dankbaarheid hebben wij dan ook hier hun namen genoemd. De duisternis zal nog toenemen, de komende jaren, het leven staat nu eenmaal niet stil, wij worden ouder en ouder, zwakker en zwakker. Maar wij mogen weten, wat boven de rouwkaart van Jan staat:

God Zelf vertaalt de duisternis
In eindlijk eeuwig licht.

Wees in geen ding bezorgd

Paulus ontkent niet de redenen van onze bezorgdheid. Het is ook heel terecht, dat we soms, zelfs heel vaak, bezorgd zijn… Maar we moeten daaronder niet gebukt gaan, we hoeven er niet aan onderdoor te gaan. We mogen onder die zware last onze hoofden niet te laten hangen. We moeten ze bij God brengen: in gebed en smeking en dankzegging.

Filippensen 4:6

“Wees in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking en dankzegging bekend worden bij God.”

Bezorgd, wie is dat tegenwoordig niet?

Handen. Albrecht Durer.De tijd is er ook naar! Niet voor niets spreken we van ‘crisis’. We zijn bezorgd voor ons land, voor het milieu, voor de economie, de toekomst van onze kinderen, voor de stabiliteit van Europa en gaat u zo maar door. Ook in je persoonlijke leven kunnen er perioden van bezorgdheid zijn. Zo hebben wij een moeilijke tijd achter de rug. De peritoneale dialyse (via de buikwand) begon steeds slechter te werken, waardoor ik vermoeider en vermoeider werd. Er kwam niets meer uit mijn handen; ik lag maar te slapen in de stoel met de mooie naam ‘sta-op’. Aan de website werd niet veel meer gedaan, en mijn hobby’s van munten verzamelen en postzegelen lagen compleet stil. En wie maakte zich het meeste bezorgd? Natuurlijk, mijn lieve vrouw Tilly. De nefroloog in het Maasstad Ziekenhuis was dit natuurlijk ook niet ontgaan. Zij besloot aan deze vorm van dialyseren een eind te maken en over te gaan tot de hemodialyse. Dat is dialyseren via een shunt in de bovenarm. Het bloed wordt dan naar buiten gebracht in een machine, die het spoelt en weer terugbrengt in het lichaam. Daarvoor moet je 3 middagen opgenomen worden in het ziekenhuis. Dit is dus met mij gebeurd. Het plaatsen van de shunt was nog een hele toestand: het kostte drie operaties! Maar nu, na enkele maanden, krijgen we goede resultaten: ik ben 13 kilo afgevallen, minder moe en tot meer activiteit in staat. Onze bezorgdheid is dus behoorlijk afgenomen!

Maar bij Paulus was daar nog geen sprake van! In zijn tijd hadden de mensen grote zorgen. Daar was bijvoorbeeld de dreiging van het heidendom. Razzia’s en vervolging, onderdrukking en martelaarschap, uitholling van het nog zo jonge geloof, was aan de orde van de dag. Erger was nog het gevaar dat van binnenuit dreigde: terugval in de oude joodse godsdienst met zijn wettische karakter. Ook de vergeestelijking van het geloofsleven vormde een bedreiging: als je de geest maar hebt, dan kan je niets meer gebeuren, dan komt het er niet meer op aan hoe je leeft. En men leefde er in Korinthe dan ook behoorlijk op los! Paulus kende die zorg in de Gemeenten en hij was er voordurend op uit om tegengas te geven. Om de Gemeenten, die hij zelf gesticht had, op te bouwen en hun geloofsleven te verdiepen door ze op de liefde voor Christus te wijzen en op de liefde voor elkaar als zusters en broeders. Geen tweedracht alstublieft, geen geloof in mineur, maar saamhorigheid en blijdschap in de Heer.

“Wees in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking en dankzegging bekend worden bij God”.

Tegenover onze bezorgdheid stelt de apostel drie dingen: GEBED, SMEKING EN DANKZEGGING.

Hij ontkent niet de redenen van onze bezorgdheid. Het is ook heel terecht, dat we soms, zelfs heel vaak, bezorgd zijn. Het gaat met ons en met ons land en met het milieu en met de economie en met Europa de verkeerde kant op. Wij mogen wensen hebben voor een betere wereld, een betere toekomst, een eerlijker verdeling van arbeid, voedsel en inkomen. Maar we moeten daaronder niet gebukt gaan, we hoeven er niet aan onderdoor te gaan. We mogen onder die zware last onze hoofden niet te laten hangen. We moeten ze bij God brengen: in gebed en smeking en dankzegging.

Als we in de knoei zitten, lijkt God vaak zo ver weg. Maar Hij is het niet hoor, in tegendeel! Dan is Hij dichter bij dan ooit. WIJ ZIJN HET DIE VER VAN GOD ZIJN! Daarom zegt de apostel: bidden. Dat brengt de mens weer dicht bij God.

Smeking met dankzegging. Dat is de invulling van het bidden. Alle gebed is dankgebed. Beginnen met de dankzegging, dan valt al heel veel van je bezorgdheid weg. Want je beseft dan weer, hoe God altijd voor je gezorgd heeft. Zou Hij dan niet steeds weer opnieuw voor je zorgen? Het is als met

De droom, die geen bedrog is
Ik droomde eens en zie ik liep aan ’t strand bij lage tij.
Ik was daar niet alleen, want ook de Heer liep aan mijn zij.
Wij liepen saam het leven door en lieten in het zand
Een spoor van stappen, twee aan twee; ik liep aan ’s Heren hand.
Ik stopte en keek achter mij en zag mijn levensloop
In tijden van geluk en vreugd, van diepe smart en hoop.
Maar als ik goed het spoor bekeek, zag ik langs heel de baan,
Daar waar het juist het moeilijkst was, maar één paar stappen staan…
Ik zei toen: “Heer, waarom dan toch? Juist, toen ik u zo nodig had!
Juist toen ik zelf geen uitkomst zag op het zwaarste deel van het pad…”
De Heer keek toen vol liefd’ mij aan en antwoordde op mijn vragen:
“Mijn lieve kind, toen ’t moeilijk was, toen heb Ik jou gedragen”.

Gij zult het kind vinden

Oorlogen, kernbewapening, vliegtuigrampen, onderdrukking en hongersnood, geweldpleging en discriminatie, dat alles viert hoogtij, hoe past ons Kerstfeest daar nog in?

Lucas 2, 10-12

Voor velen rijst vandaag de vraag: heeft het nog wel zin om Kerstfeest te vieren? Een hele ernstige vraag, die een even serieus antwoord behoeft. Het Kerstfeest is verwereldlijkt, dat weten we allemaal. Het is meer volksfeest geworden dan geloofsfeest. Sentimentaliteit, consumptie, economisch belang, uitgaan, eet- en drinkgelagen, het hoort er allemaal bij, vandaag aan de dag, bij het Kerstfeest. Velen zeggen ook: kunnen wij nog wel Kerstfeest vieren in deze ellendige wereld? Oorlogen, kernbewapening, vliegtuigrampen, onderdrukking en hongersnood, geweldpleging en discriminatie, dat alles viert hoogtij, hoe past ons Kerstfeest daar nog in? Algehele versobering, algehele versombering en toch Kerstfeest vieren? Ja, en toch! Want de Bijbel spreekt van blijdschap, dat is het Kerstfeest in één woord: blijdschap! En hebben we dit niet nodig? Ik denk: meer dan ooit! Tegenover het pessimisme, dat steeds verder om zich heen grijpt, oprechte blijdschap! De engel zei: zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk ten deel zal vallen: u is heden de Heiland geboren, nl Christus de Here in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een Kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.

En als het Kerstverhaal dan verder gaat, staat alles te trillen van die blijdschap! Zingende engelen, juichende herders, blatende geiten en loeiende ossen, stralende ouders… Hoe komt dat nou? Hoe kan zoiets bestaan in deze wereld? Dat kan, om twee dingen. Ten eerste hierom: omdat we in het komen van het Kerstkind te doen hebben met een gebeuren van unieke aard en betekenis. Het gaat hier immers om een wereldfiguur: de Heiland der wereld, zoals Israël (en Israël zeker niet alleen) die eeuwenlang verwachtte. Met de geboorte van Jezus gaat die oude verwachting, waar de profeten zo indringend over gesproken hebben in vervulling, eindelijk… De engel zegt: u is heden “de Heiland” geboren.

Er werden in de tijd van Jezus wel meer goden “soter”, redder, zaligmaker, verlosser genoemd. De goden van de Egyptische mysteriegodsdiensten Isis en Osiris bv, maar ook de keizer van de Romeinen liet zich met die fraaie naam aanspreken: Heiland, Helper in nood, die een tijdperk van orde en voorspoed voor de mensheid zou doen aanbreken. Jezus wordt helemaal “Heiland”, want in Hem is niet alleen de beloofde Messias gekomen, maar Hij heet ook zo; Jezus betekent immers: verlosser, bevrijder, heelmaker, Heiland. Nog aparter wordt zijn betiteling door de toevoeging: Christus de Heer, in de stad van David. Hij is inderdaad de beloofde Messias, de lang verwachte koning door God gegeven, uit het geslacht van David. Christus betekent immers Messias, Gezalfde, door God gezalfd, dat is in de goddelijk volmacht aangesteld om op aarde namens God Zelf op te treden. Dat blijkt ook weer uit de combinatie van Christus met “Heer”: Christus de Heer. Dat is helemaal dubbelop, zo sterk benadrukt het de goddelijke afkomst, want Heer is de betiteling van God Zelf. In het Oude Testament, waar zoals u weet de naam van God (Jahwe) niet mocht worden uitgesproken,spreekt men van God als “de Here” of zelfs “de Here Here”.

De GROTE BLIJDSCHAP van het Kerstfeest is er dus – toen en ook nú!- omdat in het kind, dat geboren wordt (is) God op een heel bijzondere manier naar ons toekomt. Natuurlijk hebben we daarvoor geen logisch bewijs, tenminste niet in de zin van wis- en natuurkundige stellingen en wetten. Wij hebben “alleen maar” het getuigenis van de Evangeliën en van de prediking en geloofsbelijdenissen, van de geloofsliederen en gebeden. “Alleen maar” zeg ik, toch zijn het alles bij mekaar kasten, nee huizen vol! Dus dat is niet niks! De getuigenissen zijn sterk en we doen er dan ook goed aan daar naar te luisteren.

Er is ook nog een tweede ding waarom het Kerstfeest zo geheel uniek is en oproept tot grote blijdschap in een wereld vol droevigheid en ellende. Dat is het teken, waarmee de engel de geboorte van het kind aanduidt: gij zult het kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. Je kunt het je niet armzaliger voorstellen: een pasgeboren kind, gewikkeld in zo maar wat doeken, neergelegd in een trog voor de dieren, ergens in een koude stal achter een rommelig herbergje van een onaanzienlijk oosters plaatsje in één of andere uithoek van de wereld. Daar is niets verblindends aan, niets buitengewoons. Het is een beeld dat we nogal eens zien in een krant of op de tv, waar de problematiek van de derde wereldlanden uit de doeken wordt gedaan, zoals onlangs nog met de UNICEF-aktie om steun te vragen voor het Kinderfonds van de Verenigde Naties. Niets dat aan de goddelijkheid en hemelse heerlijkheid doet denken.

En toch is dit een teken! Dit is het heel bijzondere! Dat God ingaat in de trieste werkelijkheid van het zondige bestaan in de wereld waar mensen elkaar afslachten en uitmoorden, letterlijk en figuurlijk (economisch), waar de kinderen “kind van de rekening” worden. Geldt dat niet onze grote blijdschap? Dat die goddelijke Jezus voor ons kind van de rekening is geworden? Zien we achter de kribbe niet het kruis opdoemen? Dat alles wekt in ons de verwondering en de vreugde, die de herders hebben gekend en Jozef en Maria en “allen die er van hoorden”. Er is nog blijdschap mogelijk, reden tot blijdschap te over! Ondanks alle kritische stemmen om het Kerstfeest maar af te schaffen. Nee, beste mensen, laten we het vieren, met GROTE BLIJDSCHAP, dat is ook: met gepaste ingetogenheid, in alle eenvoud des harten, meer met de kleine dingen (die boekdelen spreken) dan met al dat pompeuze uiterlijk vertoon.

Nog steeds geldt de uitnodiging van de engel: zie ik verkondig u grote blijdschap, die HEEL HET VOLK ten deel zal vallen, ook u en mij! Ook nog na 2000 jaar. “Gij zult een kind vinden, in doeken gewikkeld….”. Zó lief heeft God de wereld gehad en nòg! Dat Hij gewoon mensje werd, nee voor ons niet gewoon; heel ongewoon, een arm mensenkind. Iets waar wij niet aan willen, waar we ons tegen verzetten met huid en haar: armoe, dáár is God in neergedaald, om ons te laten zien hoezeer ons lot Hem ter harte gaat. Het wordt het teken van Jezus leven, waarin Hij zich verbindt met hulpelozen, reddelozen, tobbers, verlorenen, gediscrimineerden, verstotenen, mensen die geen kansen meer hebben, randfiguren van de maatschappij, tollenaren en zondaren, vermoeiden en belasten. Een leven van volkomen zelfverloochening en van enkel dienen. Zouden we niet blij zijn met zoveel goed nieuws? Een wonder is het, Kerstfeest vandaag is één en al wonderfeest! Komt, verwondert u hier mensen, ziet, hoe dat u God bemint! Jubelt en weest blij!

Hulp in de noden der heiligen en gastvrijheid

God houdt van ze, die noodlijdende mussen en mensenkinderen. Zijn hart en handen gaan voor hen open.

Romeinen 12, 13

Paulus spreekt op verschillende plaatsen over het hoopvolle leven van een Christen. Uitgebreid vinden we dat in Romeinen 12. Hij houdt ons hier de Christelijke levenswandel voor in een vijftal paren van kenmerken:

Broederliefde en onderling eerbetoon
Onverdroten ijver en brandende geest
Dienst van de Heer, blijdschap in het gebed
Geduld in de verdrukking, volharding in het gebed
Hulp in de noden der heiligen, gastvrijheid

Vandaag willen wij stil staan bij het laatste paar: hulp in de noden der heiligen en gastvrijheid.

Het gebed is een dragende kracht, wanneer de mens verdrukking moet lijden. Wanneer je bidt, mag je immers ervaren, dat je niet alleen staat. En dat is een hele grote! Gedeelde smart is halve smart, wordt wel eens gezegd. En dat is ook zo, zeker wanneer God Zelf met ons de smart deelt. Al biddend word je dit gewaar. Hoe dikwijls heeft Paulus zelf dit niet meegemaakt op heel zijn levensweg vol achtervolging, tegenwerking, zelfs gevangenissen en doodslag toe. Daarom: geduld in de verdrukking, volharding in het gebed!

Nu komen we bij het laatste paar vermaningen: bijdragend in de noden der heiligen, gastvrijheid. Duidelijk is de aansluiting aan het voorafgaande. Het gaat hier immers ook om verdrukking, en wel de verdrukking van anderen. Blijkbaar staat een mens in de verdrukking niet alleen. Er zijn ook anderen, die dit moeten ondergaan. Het hopen en bidden zal dan ook als vanzelf overgaan in het helpen van anderen in nood.

De noden van de zusters en broeders komen in het vizier. Door Paulus worden ze “heiligen” genoemd, omdat ze een bijzonder plekje bij God hebben. De noodlijdenden zijn Gods oogappelen. Het is als met de mus en de zwaluw in Psalm.84. De zwaluw is de sterkere, die Gods hulp niet zo nodig heeft. Maar de mus is dat kleine zwakke wezentje, dat geheel op de hulp van God is aangewezen.
     
Psalm 84:2

Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In ’t kunstig nest bij Uw altaren,
Bij U, mijn Koning en mijn God,
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot;
Geduchte Heer’ der legerscharen,
Welzalig hij, die bij U woont,
Gestaag U prijst en eerbied toont.

God houdt van ze, die noodlijdende mussen en mensenkinderen. Zijn hart en handen gaan voor hen open. Zo moet het met ons ook zijn, met ons hart en onze handen en onze portemonnee. In ons gebed, het gericht zijn op de Heer, in onze vraag: wat wilt U dat we gaan doen? zal ons duidelijk worden, wie die noodlijdenden zijn, die een beroep op ons doen. En daar gaan we ons hart en onze handen weerspiegelen in die van God. Gezegende mensen zijn gelukkige mensen. En die kunnen toch niet anders dan ook anderen gelukkig maken. Zo worden we tot een zegen gesteld!

Daar is gastvrijheid bij hen, letterlijk en figuurlijk. Letterlijk: dat je je huis openstelt voor hulpbehoevende mensen. Figuurlijk: dat je je hart openstelt voor de noden der “heiligen”. Wanneer je het eerste niet meer kunt, omdat je zelf hulpbehoevend bent (misschien woont u wel in een verpleeg- of verzorgingshuis), het tweede blijft toch altijd mogelijk. Je kunt de ander-in-nood altijd een plaats geven in je hart door aan hem of haar te denken en voor die ander te bidden. Een kaart, een briefje, een bemoedigend woord, een telefoontje, een financiële bijdrage, het zijn allemaal signalen van uw gastvrijheid naar de noodlijdende ander toe. Hiermee laat u zien, dat die ander bij u terecht kan, omdat die ander bij God terecht kan!

Het lijkt wel alsof in de steeds kleiner wordende wereld de noden steeds groter worden. Nu is het de onvoorstelbare nood vanwege de grote droogte in de hoorn van Afrika. Meer dan 10 miljoen mensen dreigen hiervan het slachtoffer te worden. Zeker, als wij niet helpen!

Het landelijke noodsignaal, giro 555, wordt ons bij herhaling getoond. Wat doet u er mee? Wat doe ik er mee? “Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen”. Daar is ruimte voor anderen, warmte en liefde straalt van zulke mensen af. “Wandelt in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk“. (Eph.5 vers 2 / Zie mijn preek over deze tekst op 28 aug/vorig jaar, de dag van ons gouden huwelijksfeest). Wie wandelt in de liefde, doet precies wat Paulus hier van ons vraagt. Hij draagt bij in de noden der “heiligen”en biedt gastvrijheid aan hulpbehoevende mensen. Vele Gemeenten in ons land brengen dit in de praktijk door gastvrijheid te verlenen aan asielzoekers en mensen die geen eigen huis meer hebben. Wie zo leeft, leeft in hope, de hoop dat het eens allemaal beter zal worden, met Gods hulp. Het is leven, gericht op de toekomst, op de Heer Die naar ons toekomt! Daarom moeten we ook niet bij de pakken neerzitten, al ziet het er rondom en ook in ons eigen leven nog zo beroerd uit. Wie leeft in hoop, laat zich leiden door datgene waarop hij hoopt: een betere wereld, waarin liefde en recht en vrede de toon aangeven. Je mag daar al aan meewerken. Je kunt er zelfs al op vooruit lopen. Een Christen-in-hope is geen conformist, iemand die met de winden meewaait en zegt: ze waaien nu eenmaal zo! Een Christen-in-hope is een klokkenluider, om het onrecht aan de kaak te stellen, een herrieschopper, een dwarsligger, een waarachtige protestant (iemand die protest aantekent!). Een Christen-in-hope is een vernieuwer, die met God meedoet, want God doet niet anders dan de wereld vernieuwen, verbeteren, helemaal af maken.

Als laatste nog dit: hoop doet leven. Dat geldt zeker voor de Bijbelse hoop. Die is immers gegrondvest in Jezus Christus. In wat Hij voor ons volbracht heeft. Hij is gestorven om ons “noodlijdende” mensen te redden, om ons leven vruchtbaar en rijk te maken. Laten we dat nooit vergeten! Daarom: “Weest blijde in de hoop!“.

Die hoop is niet op los zand gebouwd. Zij heeft een vaste en zekere ondergrond en ook een onderpand: de gave van de Heilige Geest, dat is God Zelf, God Die met ons meegaat, Die ons tot de echte liefde brengt. Hij laat ons de noden der heiligen zien, Hij is onze Gids in donkere dagen, onze Toeverlaat in de verdrukking, het lichtende spoor in ons bidden om kracht en wijsheid.

Tenslotte laten we Paulus nog eens zelf aan het woord: “Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop… Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp…” (Rom.8).

Houdt dus goede moed!

Amen.

 

Had dit niet voorkomen kunnen worden?

Wij kunnen niet accepteren, dat veelal sterke en levenslustige mensen de dood worden ingedreven door een onstuitbare het leven verwoestende ziekte. Zeker, wanneer dit zulke goede lieve mensen treft. Maar Jezus benadert de dood van de andere kant, van het echte leven, het eeuwige leven!

Johannes 11, 17-27

Toen Jezus arriveerde, bleek Hem, dat Lazarus al drie dagen in het graf lag. Nu lag Bethanië in de buurt van Jeruzalem op een afstand van ongeveer twee kilometer. En vele Judeeërs waren naar Martha en Maria gekomen om haar te condoleren met haar broer.

Toen Martha hoorde: “Jezus komt er aan!” ging zij Hem tegemoet, maar Maria bleef bij de mensen zitten .Martha sprak Jezus aan: “Heer, als U hier geweest was, zou mijn broer wellicht niet gestorven zijn, maar ook nu weet ik, dat God U zal geven wat U Hem zou vragen”.

Daarop sprak Jezus: “Je broer zal opstaan“.  En Martha zei: “Ik weet wel, dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan“.  Jezus sprak toen tot haar:  “Ik ben de opstanding en het leven.  Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al zou hij gestorven zijn. En iedereen, die in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dit?“. Zij antwoordde Hem: “Ja, Heer, ik ben tot het geloof gekomen, dat U de Messias bent, de tot de wereld komende Zoon van God“.

In het gesprek tussen Jezus en Martha valt op, dat Martha het overlijden van haar broer totaal anders benadert dan Jezus. Voor Martha draait alles om het feit dat hij niet meer leeft. Lazarus is immers “biologisch” dood. Zij oppert de gedachte, dat dit misschien voorkomen had kunnen worden, als Jezus er maar eerder geweest was. Voor Jezus gaat het om de vraag, hoe het met Lazarus gesteld is, nu hij is gestorven. Hij wil Martha (en ons!) duidelijk maken, dat haar broer door te sterven zijn relatie met God niet kwijt is geraakt. Integendeel zelfs! Deze zekerheid mag voor haar (en ons!) van zoveel waarde zijn, dat zij zich niet meer krampachtig vastbijt in de vraag, hoe Lazarus de dood had kunnen ontlopen.

Wij voelen met Martha mee. Ook voor ons rijst dikwijls dier vraag, wanneer iemand van onze geliefden gestorven is. “Had dit niet voorkomen kunnen worden? Moest dat nou zo zijn?” Als de chirurg eerder had ingegrepen, of: als de ziekte vroeger was onderkend.  Wij kunnen het nu eenmaal niet accepteren, dat veelal sterke en levenslustige mensen de dood worden ingedreven door een onstuitbare het leven verwoestende ziekte. Zeker, wanneer dit zulke goede lieve mensen treft. Maar Jezus benadert de dood van de andere kant, van het echte leven, het eeuwige leven!  Lazarus lééft, ook al is hij gestorven. En een ieder, die in Jezus gelooft, zal zó leven. Daarin, in die relatie tussen God en mens, kan en mag de dood geen spelbreker zijn. Gelukkig niet!

Deze zekerheid heft het verdriet niet op, nee, wij blijven verdrietig om hen, die van ons heengingen. Maar het geeft ons wel troost. Dat God bij hen is en zij eeuwig bij God mogen zijn.

Halleluja! Zalig zijn de treurenden want zijn zullen vertroost worden!

Amen.

Hulphond III – In memoriam Yce

Onze lieve Yce is naar zijn Schepper, daar mag hij gaan genieten van zijn rust en daar mag hij zoals hij ons beloofd heeft onze beschermengel zijn.

Hallo Allemaal,

Met heel veel pijn en verdriet ons mijn hart hebben wij vanmiddag onze kanjer Yce in moeten laten slapen, Yce had de laatste 6 weken zo ondragelijk  veel pijn en had het heel erg benauwd en hij heeft het niet verdient om dit lijden nog langer voort  te laten duren.

Yce is bij ons thuis om 16.35 uur in mijn armen heel rustig ingeslapen, al onze kinderen en Dik, Uxy en ik waren bij hem en dat was fijn voor Yce en ook voor mij (Ina) .
 
Het is een onwezenlijk gevoel:

Nooit meer : die trouwe ogen die je aankijken
Nooit meer : die kwispelende staart
Nooit meer : samen met Uxy dollen,
Nooit meer : de liefde voelen die Yce ons gaf.

Maar ook NOOIT MEER : pijn voor onze lieve kanjer, NOOIT MEER: benauwd naar adem happend op de grond liggen.
 
Ik heb met Yce bijna 10 jaren een fantastisch leven gehad, Yce heeft mij als eerste geleerd wat vrijheid en onafhankelijkheid is, Yce heeft mij geleerd weer te knokken, Yce heeft mijn weer hoop op een fijne toekomst gegeven, Yce heeft zoveel van zichzelf gegeven, zichzelf vaak weggecijferd voor mij, hij heeft zelfs mijn pijn over willen nemen, Yce heeft het leven van Dik gered door aan te geven dat Dik ernstig ziek was, geven, geven en nog eens geven daaruit bestond het leven van onze kanjer Yce.

Yce ligt nu thuis bij ons, heerlijk op zijn eigen kleed tussen de kaarsjes, we kunnen nu nog even met hem praten, met knuffelen, en hem nog even heel vaak zeggen hoeveel we van hem houden en dat wij hem nooit zullen vergeten.

Morgen brengen Dik en ik hem samen naar het crematorium, waarna we zijn urn een eigen plekje in onze tuin geven.
 
Onze lieve Yce is naar zijn Schepper, daar mag hij gaan genieten van zijn rust en daar mag hij zoals hij ons beloofd heeft onze beschermengel zijn.
 
Ik heb voor Yce een gedicht gemaakt dat zet ik onder in de mail.
 
Wij zijn intens verdrietig door het overlijden van Yce maar ook dankbaar voor het fantastische leven dat hij aan Ina gegeven heeft.
 
Groeten,
 
Ina, Dik en Uxy.

18 augustus 1999-19 mei 2011

Lieve YCE,

Met onuitwisbare inkt staat jouw naam in mijn hart geschreven,
Lieve Yce, jij gaf zo’n positieve wending aan mijn leven.
Vele jaren zorgde jij 24 uur per dag voor mij,
Door jou werd ik weer onafhankelijk en vrij.
Je hield van mij zonder vragen,
Je probeerde zelfs mijn pijn te dragen.
Dienstbaar zijn zat in je bloed, daaruit bestond jouw hele leven,
Niets was jou te veel, alles deed je voor mij en alles wilde je mij geven.
Samen hebben we een fantastisch leven gehad,
Zonder jou was m’n leven zo anders geweest, lieve schat.
Ik ben zo dankbaar dat God jou in mijn leven heeft gebracht,
Jij die mij hielp met alles, bij dag en bij nacht.
Lieve Yce, we wilden nog zo graag wat langer bij elkaar zijn,
Maar je lichaam is op en je lijdt nu zo ontzettend veel pijn.
Daarom moeten we elkaar nu los gaan laten in dit aardse leven,
Je mag naar huis, bij je Schepper zonder pijn verder leven.
Je hebt me gezegd dat je mij alleen lijfelijk gaat verlaten,
Als mijn beschermengel ga je verder en houd je mij in de gaten.
Lieve, lieve Yce, jij bent voor mij van onschatbare waarde,
Jij, gaf mij een paradijs op aarde.
Lief, trouw maatje van me,
Ik hou zo ontzettend veel van je.
Een dikke, dikke knuffel van,
Jouw Ina

Barendtrecht, 19.05.11

Naschrift

Hallo Allen,
 
Allereerst , wat is het hartverwarmend om al jullie lieve en warme mailtjes en kaartjes te lezen, het troost ons enorm dat er zoveel mensen aan ons denken.

Gisteren was het definitieve afscheid van Yce, om 13.00 uur is Yce opgehaald en wij zijn om 14.00 uur naar het crematorium gereden, daar lag Yce opgebaard in een prachtige kamer omringt door kaarsjes, de tekeningen van de kleinkinderen, mijn gedicht, zijn hulphondentuig en een mooie foto van Yce , toen wij bij Yce aan kwamen werd het lied: You never walk alone gedraaid, wij hadden dit uitgekozen omdat ik (Ina) met Yce aan mijn zijde nooit alleen door het leven hoefde te gaan, het was heel emotioneel maar ook heel mooi.

Dik en ik hebben nog even met Yce geknuffeld, hem goede reis gewenst en toen was daar het hartverscheurende afscheid, geen afscheid voorgoed maar een afscheid met de woorden: tot ziens kanjer!

Na ons afscheid hebben we een mooie urn uitgezocht want voorlopig willen Dik en ik dat Yce dicht bij ons in de kamer hebben waar hij onder ons mooie hulphonden schilderij komt te staan, Dik heeft voor mij een prachtige ketting uitgezocht met daarin een klein beetje as van Yce.

Gisteravond hebben wij de urn en de ketting opgehaald, heel emotioneel, s’middags ligt nog mijn prachtige blonde kanjer voor mij en s’avonds ga je met een urn naar huis.

Thuis heeft Dik de hanger om mijn hals gedaan en dat geeft een vertrouwd gevoel, ik weet dat Yce voorgoed in mijn hart woont maar dit kleine symbool om mijn hals voelt heel eigen en vertrouwd (zie foto) .

Yce is gecremeerd in huisdierencrematorium Het Hoekse Hof in Numansdorp, en ik wil de mensen daar echt bedanken voor hun liefde volle zorg rond de crematie van Yce, alles ging liefdevol en respectvol, er was alle tijd voor het afscheid en ook was er volop tijd voor een goed gesprek bij een kop koffie.
 
Vanmiddag voor het eerst zonder Yce de boodschappen gedaan, naar de oude Maas geweest, naar… noem maar op, die tijd gaat nu komen: voor het eerst naar het koor, voor het eerst zangles, voor het eerst…
 
Voor het eerst ook Uxy zonder Yce en mijn kleine meiske vindt dat moeilijk, ze zoekt, ze kijkt mij aan en vraagt, waar is hij, ook voor Uxy is dit een moeilijke tijd, ze mist Yce, ze ziet ons verdriet maar… samen staan we sterk, we gaan er komen want dat is wat Yce zeker zou willen.
 
Lieve groeten van,
 
Ina, Dik en Uxy

De snoepjes die geen snoepjes waren

Dat moesten wel heel oude snoepjes zijn, want zij waren verhard en smaakten heel vies, zelfs een beetje bitter. Ik beet ze doormidden, zoals ik meestal doe, en heb de harde schil toen maar uitgespuugd.

Vanmorgen om 7 uur zat ik op de rand van het bed, zoals ik wel vaker doe: om de benen wat beweging te geven. Door het liggen verstijven zij en gaan vooral de knieën veel pijn veroorzaken. Ik nam een paar snoepjes om een wat frissere smaak in de mond te krijgen, met een grote slok water. Allemaal vast ritueel. Maar van wat er dit keer daarna gebeurd is, heb ik geen enkele notie…

Vaag herinner ik me, dat ik wakker werd, omringd door stoere mannen in werkpakken. Ik vroeg me af, wat die hier deden, begreep dat zij mij gingen vervoeren. En wel door het raam van de slaapkamer! Ik brabbelde nog: maar ik heb een traplift, en kreeg te horen: we nemen geen risico dat u daar van af valt. Weer een vage flits: ik lag in een ambulance en een vriendelijke man in een soort uniform vroeg mij of ik pijn had of benauwd was. Dat was niet het geval. Ik probeerde mijn ogen open te houden en vanuit de ambulance de weg te volgen. Toen we een gebouw binnenreden, wist ik dat we terecht waren gekomen in het nieuwe Maasstad- Ziekenhuis in Rotterdam-Zuid. In een onderzoekkamer kwamen allerlei verplegers en doktoren voorbij. De internist stond voor een raadsel, de neuroloog begreep er ook niets van.

Mijn lieve vrouw Tilly had natuurlijk het verhaal verteld: Hoe zij mij lange tijd op de rand van het bed had zien zitten, met de ogen dicht, en mij toen voorzichtig had neergevleid op ons zachte Aupingbed, denkend dat ik wel gauw wakker zou worden. Maar de tijd verstreek en er was bij mij geen beweging in te krijgen. Toen heeft zij onze dochter Alice aan de overkant uit haar bed gebeld. Zij heeft kennis van zaken van gezondheidsproblemen, want zij functioneert als interventieverpleegkundige in de club van Rouvoet: Jeugd en Gezin. Deze kwam spoorslags over en heeft 112 gebeld. In no-time stonden er twee ambulances voor de deur, waarna ook de brandweer zich present meldde. Het was een heel spektakel in de anders zo rustige van der Meulenstraat!

Ik werd overgeplaatst naar het Observatorium, waar de onderzoeken nog even door gingen. Toen het even rustig was en ik begon na te denken over deze bijzondere geschiedenis, herinnerde ik mij dat ik snoepjes had genomen uit een Ricola-busje. Dat moesten wel heel oude snoepjes zijn, want zij waren verhard en smaakten heel vies, zelfs een  beetje bitter. Ik beet ze doormidden, zoals ik meestal doe, en heb de harde schil toen maar uitgespuugd. Pas uren later, toen ik lag na te denken in het ziekenhuis, ging bij mij het licht op: het waren helemaal geen snoepjes geweest! Het waren slaappillen! Ik herinnerde mij, dat ik, toen ik maanden geleden stopte met het slikken van een slaappil (een gewoonte overgehouden uit mijn verblijven in het ziekenhuis vorig jaar), de overgebleven pillen in het doosje van Ricola, gekregen van mijn kleinzoon Robin, had gedaan. Dit was, ik wil u wel vertellen, een Aha-erlebnis, een echte ‘eye opener’!

Opeens werd mij duidelijk, waarom ik zo diep in slaap was gevallen. Het nemen van drie slaappillen zonder omhulsel heeft blijkbaar een verwoestend effect, je wordt totaal gevloerd.

De mensen in het ziekenhuis waren gelukkig niet boos, toen het hun werd verteld. Hoe de ambulance- en brandweermensen zullen reageren als zij dit horen, weet ik niet. Ik hoop maar: zonder rancune. Zoiets kan iedereen overkomen, zegt men dan. Mij toch niet? Denk ik dan weer. Maar toch, het is gebeurd. In het ziekenhuis is de rust weergekeerd. De behandelende verzorgers en doktoren waren opgelucht. Toch alles veel beter zo dan wanneer er iets ernstigs aan de hand was geweest, waar men niet achter kon komen.

Rest mij nog iets over het nieuwe ziekenhuis te vertellen. Het nieuwe Maasstadziekenhuis is heel groot, echt big size, aan alle kanten, hoewel alleen het middendeel uit meerdere etages bestaat. Er is een zorghotel bij en een kraamhotel en allerlei verwante instanties. Het ziekenhuis telt 601 bedden. Hele mooie nieuwe bruikbare bedden, met TV en radio en alle mogelijke apparatuur. Leuk is dat de TV met een beugel kan worden verplaatst. Als je hem nodig hebt: naar voren, en anders naar achteren. Er is een riante aankomsthal met grote borden met de letters van het alfabet, die verwijzen naar de afdelingen. De weg “naar binnen” leidt over brede paden, aderen, zeg maar, van waaruit een netwerk van ruimtes te bereiken valt, allemaal genummerd, rondom een grote wachtkamer, van allerlei luxe voorzien, zoals een leestafel en een koffiebar. Dwars door dit grote complex loopt een Passage met verschillende winkels en een groot La Place restaurant.

Ik zal er nog vaak komen, met al mijn gebreken.

Ja, het was met het dagje wel, een dag om niet gauw te vergeten!

Nieuwe Maasstad ziekenhuis Rotterdam
Het nieuwe Maasstad ziekenhuis in Rotterdam

Geloof, hoop en liefde

Wij geloven dikwijls het tegengestelde van wat wij zien en wij zien gedurig het tegengestelde van wat wij geloven!

1 Petrus 1, 8

Paastekening. Lucy 19 april 1987De Paasvreugde wordt in onze tekst afgeschilderd in een grondpatroon van drie oerchristelijke begrippen, namelijk hoop, geloof en liefde.

In de eerste plaats is daar de hoop. “Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een LEVENDE HOOP”. Paasfeest betekent dat vandaag nog voor ons: dat wij wedergeboren worden tot een levende hoop! Wij zijn in ons gezichtsveld niet beperkt tot die enge muurtjes van alle dag en tot de hokjes waarin onze maatschappij is opgedeeld. Nee, de Christen heeft een open visie, de blik naar voren! Een open wereld, een open toekomst. Achter elke soms zo benauwende en bekrompen horizon van ons dagelijkse leven doemen weer andere werelden op, de werelden van God, van de Bijbel, van een Koninkrijk van recht en liefde van barmhartigheid en saamhorigheid. Wij mogen namelijk weet hebben van de onbeperkte mogelijkheden van God. PAASMENSEN ZIJN MENSEN VAN DE HOOP!!

En hopen is uitzien, naar iets anders, boven de dingen uitzien, naar iets hogers, het is uitzicht en dan ook uitkomst. Nooit wanhopen aan de dingen van het leven. En daarom ook het nooit opgeven, nooit de moed laten zakken. Paasmensen zijn stugge volhouders, grote optimisten, die er altijd nog een gat in zien zitten. Waar een ander de moed opgeeft, gaan Paas-Christenen door! Zelfs wanneer de dood in het vizier komt. Zo worden de Christenen in de eerste eeuwen niet voor niets “het derde geslacht” genoemd. Het is een eretitel, dat betekent, dat na de Joden en de heidenen, de eerste twee geslachten, de Christenen als derde geslacht de wereld in hun bezit nemen. De Joden en heidenen waren oud en moe, zij hadden geen verwachting meer voor de wereld, maar berusten hun lot (noodlot). Bij de Christenen was dat anders: zij waren jong en vol frisse moed. De eerste Christenen hadden ook de LEVENDE GOD aan de gang gezien, het wonder van Golgotha, Pasen, de zending van de Heilige Geest, Pinksteren, Hemelvaart, het uittrekken van de apostelen naar alle uithoeken van de aarde… Omdat God zó bezig was, grepen zij moed, het leven van deze wereld was blijkbaar toch de moeite waard!

Proeft u het ook, dat enthousiasme van die eerste Paaschristenen? “De opstanding van Jezus Christus doet de mens wedergeboren worden tot een levende hoop“, zo zegt Petrus het. WEDERGEBOREN: JE WORDT ER EEN ANDER MENS DOOR. De oude mens heeft afgedaan. Zie, het is alles nieuw geworden! God heeft ons met Pasen met de nieuwe mens, dat is de opgestane Heer, bekleed. Wedergeboren, voelen wij ons vandaag ook zo? Een ander mens? Uw oude mens, met heel dat zondige verleden, is met Christus neergedaald in het graf om vandaag met Pasen op te staan en met Christus wedergeboren te worden tot een nieuwe mens. Zo bedoelt Petrus het. Wat een heerlijke boodschap!

Tegelijk is dat ook het fundament van het GELOOF, het Paasgeloof. Want wij zijn door de opstanding van Christus niet alleen wedergeboren tot een levende HOOP, maar ook tot “een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u , die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt omgeopenbaard te worden in de laatste tijd”. Wedergeboren om een erfenis te ontvangen. Die erfenis is de inhoud van onze hoop: waar wij op hopen, waar Christus voor op aarde gekomen is. Wat betekent dit anders dan wat Christus voor ons volbracht heeft? De vergeving van onze zonden en de verzoening van onze schuld? Kort gezegd betekent dit: het eeuwige leven in heerlijkheid, dat ons wacht. “Erfenis”, daar zit ets toekomstigs in: het moet nog uitgekeerd worden. Maar tegelijk zit er ook al iets tegenwoordigs in: wij staan in het testament, wij zijn erfgenamen. Alles is al voor ons beschreven, we mogen al reikhalzend uitzien naar de toekomstige rijkdommen. Paaschristenen zijn geen mensen, die alles al bezitten, wat God voor ons bedoeld heeft. God heeft het ons “in Christus” gegeven en ons hele heil is “met Christus” weggezet in de hemel. Daar is het veilig opgeborgen, zegt de apostel. Maar wat wij nu al wel hebben, is het zekere onderpand daarvan, namelijk de opstanding van Christus. Dat is het vaste fundament van ons geloof!

“Verheugt u daarin, ook al word gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen beproefd”. De vreugde van het Paasfeest komt je niet zo maar aangewaaid, zij gaat door de moeiten van het leven heen, wij worden beproefd door allerlei verzoekingen. Het humeur bijvoorbeeld kan je parten spelen, of je karakter, of allerlei materiële omstandigheden, je gezondheid, rouw, verdriet en andere tegenslagen in het leven. Het zijn allerlei verzoekingen. De ene keer is het dit, de andere keer dat. Het leven is ook zo wisselvallig. Je hebt het een nog niet gehad of het ander duikt op. Al die verzoekingen zijn er en moeten er zelfs zijn, “opdat de echtheid van uw geloof tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus”. Het Paasgeloof wordt dikwijls op de proef gesteld. Geloof is ook altijd in een zekere tegenstrijdigheid betrokken. Wij geloven dikwijls het tegengestelde van wat wij zien en wij zien gedurig het tegengestelde van wat wij geloven! De beloften van God, het Paasevangelie, en de werkelijkheid van het bestaan strijden vaak met elkaar. Dat is de eigenlijke verzoeking, waar het hier om gaat. Tegen deze ongerijmdheid en tegenstrijdigheid kunnen wij vaak niet op. Maar al te vaak brengt het ons in de vertwijfeling en menigeen heeft het zijn geloof gekost. Als alles goed en naar wens gaat, is het geen kunst om te geloven, zeggen we wel eens; maar of dat werkelijk Paasgeloof is, valt toch te betwijfelen. Echt Paasgeloof gaat door de moeiten en zorgen van het leven heen. Dan gaat het er om, of wij tegen alles in en door alles heen in het “nochtans” van het geloof zullen volharden. Dat is een kwestie van oefening en training. Ook als alles je tegen zit, zul je er aan blijven vasthouden, dat God goed is en door de opstanding van Christus ons leven tot vreugde heeft bestemd. Immers “Hem hebt gij lief zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”. Hoop, geloof en liefde, deze drie, samen gevat in de vreugde. Niet zien en toch geloven! Niet zien, en toch liefhebben! Dat is de onuitsprekelijke vreugde van het Paasgebeuren. Als wij in liefde hopen op en geloven in Hem, Die wij niet zien en van Wie wij toch heel zeker weten dat Hij ook voor ons is opgestaan , dan verheugen wij ons met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.

De liefde is de kern en de inhoud van ons bestaan. Het geloof is de structuur en de houding van ons bestaan. De hoop is de vaste zekerheid en de rots van ons bestaan. En de vreugde is, dat alles samen houdend, de structuur en de toonaard van ons bestaan. Zo ziet het Paasleven er uit! WIJ VERHEUGEN ONS !!

Door de beproevingen heen slaat steeds de vlam, de onuitblusbare vlam van de blijdschap. ONUITSPREKELIJK. Er zijn eigenlijk geen woorden voor dat goddelijke Paaswonder. Het is door mensenverstand niet te vatten. Dat lege graf, die onuitsprekelijke verwondering van de vrouwen en de discipelen op die eerste Paasmorgen. Je kunt er alleen maar razend gelukkig om zijn! Dat God DAT voor ons heeft gedaan! Een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, ons Paasfeest. Het is als de zon, die (zoals de laatste tijd) door de dagenlange trieste regen heen breekt. De stralen schieten door de wolkige massa en zetten de vochtige aarde in een schitterend licht. De druppels, die van de bloemen en bomen afhangen, worden tot fonkelende briljantjes, voortekenen van Gods eeuwige heerlijkheid. Zo, precies zo, is het met de verheerlijkte vreugde van ons Pasen. Gods verzoenende liefde breekt door en zet heel onze wereld vol ijdelheid en verlorenheid in een nieuwe heerlijke lichtglans. Dat is de onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde van ons Paasfeest! Nog staat alles te rillen in een siddering van verwachting. Maar eens zal over ons de volle gloed van de eeuwige vreugde, de zonne der gerechtigheid, opgaan.

O, heerlijk Paasfeest, WIJ VERHEUGEN ONS MET EEN ONUITSPPREKELIJKE EN VERHEERLIJKTE VREUGDE!

Amen.

Vogelkooi

Er was eens een man, genaamd George Thomas. Hij was dominee in een kleine stad in Engeland. Op Paasmorgen ging hij naar de kerk met een oude, roestige vogelkooi en zette deze op de preekstoel. Vele wenkbrauwen werden gefronst.
Dominee Thomas begon te vertellen….

Op mijn mail ontving ik een bericht, dat aldus luidde:

sommige dingen moet je niet voor je zelf houden doe er je ding mee
mariska

Hierna volgde een illustratief verhaal. Misschien heeft u er ook iets aan: 
 
Een oude vogelkooi

Er was eens een man, genaamd George Thomas. Hij was dominee in een kleine stad in Engeland. Op Paasmorgen ging hij naar de kerk met een oude, roestige vogelkooi en zette deze op de preekstoel. Vele wenkbrauwen werden gefronst.

Dominee Thomas begon te vertellen.

Gemeente, ik liep gisteren in de stad, toen ik een kleine jongen zag met deze kooi in zijn handen.Op de bodem van de kooi zaten drie vogeltjes te bibberen van angst. Ik stopte en vroeg hem:”Wat heb je daar bij je, jongen?”

“Een paar oude vogels”, zei de jongen. “Wat ga je met ze doen?”, vroeg ik.”Ik neem ze mee naar huis en ga er plezier mee maken”, antwoordde hij. “Ik trek ze de veren uit en laat ze met elkaar vechten. Daar heb ik plezier in”. “En als je genoeg hebt van deze vogels, wat doe je dan met ze?”, vroeg ik hem. “O, we hebben een paar katten”, zei de jongen, “en die houden wel van een vogeltje”.

Ik was even sprakeloos en vroeg toen: “hoeveel wil je voor die vogels hebben?” Hij vroeg:” Waarom wilt u deze vogels hebben, meneer? Ze zijn oud en lelijk en zingen niet eens”. Opnieuw vroeg ik hem: “Hoeveel wil je er voor hebben?’ De jongen keek me aan en dacht vast: “Die is gek”, en zei: “Tien pond”.

Ik betaalde hem tien pond en in minder dan geen tijd was hij verdwenen. Ik ben toen naar het eind van de straat gewandeld, naar een plantsoen met bomen. Ik heb de kooi op de grond gezet en de vogels vrijgelaten. Daarom die lege vogelkooi op de preekstoel. Toen begon hij aan zijn preek.

Op een dag waren satan en Jezus aan het converseren. Satan was net terug van een bezoek aan de aarde en pochte: “Ik heb net de aarde en alle mensen gekocht. Ik heb een valstrik gezet die ze niet konden weerstaan, en ik heb ze allemaal”.

“Wat ben je van plan met ze te doen?”, vroeg Jezus

Satan antwoordde: “O, ik ga plezier met ze maken! Ik ga ze leren hoe ze kunnen trouwen en weer kunnen scheiden, hoe ze elkaar moeten haten, en hoe ze elkaar moeten misbruiken. Hoe ze kunnen roken en drinken, ik ga ze leren hoe ze wapens en bommen moeten maken en hoe ze elkaar moeten vermoorden. Dus ik heb echt veel plezier met ze!”

“En wat ga je met ze doen als je klaar bent met hun?”, vroeg Jezus.

“Oh, ik vermoord ze allemaal”, zei satan trots

“Hoeveel wil je voor hen hebben?”, vroeg Jezus

“Wat wil je met deze mensen”, vroeg satan. “Ze zijn slecht, waarom wil je ze hebben? Ze haten je en ze spugen je in het gezicht, ze vervloeken en vermoorden je! Je wilt deze mensen niet!”.

“Hoeveel”, vroeg Jezus weer.

satan keek Jezus aan en lachte.”Al je tranen en je bloed”, zei hij.

Jezus zei: “DEAL”, en Hij betaalde de prijs.

Toen pakte dominee Thomas de oude vogelkooi en liep de preekstoel af.

Is het niet erg eenvoudig om God de schuld te geven dat de wereld ten onder gaat? Is het niet droevig dat wij alles geloven wat de kranten schrijven en kwesties in de kiem smoren die de Bijbel stelt?

Is het niet droevig dat iedereen verwacht naar de hemel te gaan, terwijl ze niet eens in Christus geloven, nooit denken of spreken over hun geloof in God, of iets doen wat God van hen vraagt?

Is het niet beangstigend hoe sommigen zeggen:”Ik geloof in God”, en toch satan volgen? Terwijl satan wel degelijk in God gelooft.

Het is droevig dat je duizend grappen per e-mail kan versturen en iedereen neemt ze over, maar als je iets met betrekking tot God verstuurt, dan zullen maar weinig mensen het doorsturen.

Is het niet droevig hoe gemeenheid, grofheid, ordinaire dingen, onzedelijkheid en porno vrije doorgang krijgen, maar een gesprek over Jezus op school en op het werk wordt afgehouden?

Is het niet droevig dat iemand op zondag in vuur en vlam kan staan voor Christus, maar door de week een onzichtbare christen is?

Lach je nu?

Is het niet droevig, dat je dit verhaal niet naar iedereen in je adresboek durft te sturen, omdat je niet weet of hij of zij geloven, of hoe ze over je zullen denken, als je ze deze e-mail toestuurt.

Is het niet droevig dat je bezorgder bent over de vraag hoe mensen over je denken, dan hoe God over jou denkt?

Het is tijd, vrienden, dat we een keuze maken om Jezus te danken voor wat Hij voor ons heeft gedaan.

En weten wat we willen : the One who cares for you

or the one who wants to destroy you?

De voetwassing

Wat is dat voor zegen, dat Jezus ons de voeten wast?

Johannes 13, 14
“Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen.”

We staan aan de vooravond van de Stille Week, ook wel Goede Week genoemd. Straks is het Witte Donderdag. Het is de laatste avond en nacht, die Jezus met de Zijnen gaat doorbrengen. Hij gaat dan de voeten van Zijn discipelen wassen. Johannes beschrijft dat in het raam van een maaltijd. Maar niets herinnert aan het Laatste Avondmaal, zoals we dat bij de andere drie Evangeliën aantreffen. Toch moeten we niet denken, dat Johannes minder aandacht aan het Avondmaal geschonken zou hebben dan de andere drie Evangelisten en dat hij daarom de voetwassing in de plaats daarvan overlevert. Want, dat Johannes ook waarde hecht aan het Avondmaal, zien we in de wonderbare spijziging van Johannes 6. Daar breekt Hij het brood en deelt het uit, precies zoals bij het Heilig Avondmaal. Hij legt het ook aan Zijn discipelen uit, waarom Hij dit doet, als Hij zegt: “Ik ben het brood des levens, dat uit de hemel; neergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven” (Joh.6, 51). Johannes kent het Avondmaal, dat is duidelijk, en wat Hij hier in de voetwassing vertellen wil, ligt zeker ook in het Avondmaal verankerd. Johannes wil als ’t ware nog een diepere zin aan het Avondmaal geven, doordat hij in het voorbeeld van Jezus de Gemeente tot broederlijke dienst opwekt. We zouden daarom kunnen zeggen, dat de voetwassing bij Johannes niet het Avondmaal vervangt, maar eerder aanvult, voltooit.

Heel gevoelig wordt de situatie beschreven: “En voor het Paasfeest, toen Jezus wist dat Zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de Zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde”.  Het is Jezus’ liefdedaad ten einde, tot het laatste, tot het uiterste! Hij heeft de Zijnen liefgehad tot de hoogste voltooiing! Zo heeft Johannes het gezien, en Hij beschrijft het ook als een ooggetuige, heel precies, want hij was er zelf bij en kon zodoende ook heel gevoelsvol hierover schrijven.

Jezus wist dat Zijn uur gekomen was. Hier wordt het lijdensuur mee bedoeld. In dat bittere uur blijft Hij toch bij de Zijnen, die Hij liefhad. En Hij laat het ook zien met een liefdedaad: het wassen van hun voeten. Eigenlijk is dit slavenwerk. In de Joodse wereld wordt dit ook als slavendienst gezien. Hier wordt heel de betekenis van Jezus’ komst op aarde duidelijk: “De Zoon des Mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Marcus 10, 45). “En onder de maaltijd, toen de duivel reeds Judas, Simons zoon Iskariot, in het hart gegeven had Hem te verraden, stond Hij, wetende dat de Vader Hem alles in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op…”  De duivel is hier ook in het spel. Jezus weet, dat de duivel Judas aangezet heeft tot het verraad. Jezus’ liefde ondervindt veel tegenwerking. Dat is nog zo! Zelfs midden in Kerk en Gemeente, tot zelfs aan het Heilig Avondmaal toe, moeten we er op bedacht zijn, dat de duivel er bij is, op de loer licht om Judassen te vinden… Juist daar, waar Jezus’ liefde het grootst is en door ons het machtigst wordt ervaren, zijn de influisteringen van de duivel ook het sterkst. Soms brengen die een mens tot verraad, zoals bij Judas. Soms brengt hij een mens tot verloochening, zoals later bij Petrus. Soms prikkelt hij de hoogmoed van de mens, die niet geholpen wil worden, zoals hier in de voetwassing het geval is bij Petrus: “Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?” Het klinkt zo bescheiden, toch spreekt hier de mens, die de genade nog niet verstaan heeft, maar zich verzet tegen hulp, zelfs tegen hulp van Boven. We willen niet graag geholpen worden, dat een ander wat voor ons moet doen. We willen niet afhankelijk zijn, geen “dankjewel” hoeven zeggen. Maar Jezus heeft geduld met mensen zoals Petrus : “wat Ik doe, weet je nu nog niet, maar je zult het later begrijpen”. Nog houdt Petrus vol met zijn weigering: “Gij zult mijn voeten n iet wassen in eeuwigheid!” Dat nooit en te nimmer! Hij vloekt er bijna bij. Dan wijst Jezus hem terecht: “Als je je niet wilt laten wassen, Petrus, dan zal je uitgesloten worden van de gemeenschap met je Heer en het deelhebben aan Zijn heerlijkheid”. Nu wordt Petrus wakker, en dan slaat hij helemaal door, tot het andere uiterste, ook weer typisch de mens met zijn egoïsme: “Maar dan niet alleen mijn voeten, Heer, alstublieft ook mijn handen en hoofd!” Hij wil nu opeens als ’t ware alles, de hele volmaaktheid. Maar dat staat Jezus hem niet toe. Alleen God immers is volmaakt , de mens kan het niet en moet het dan ook maar niet willen, de mens zou aan zo’n perfectionisme ten onder gaan , hij zou omkomen in zijn eigen werkheiligheid. Wat die mens wel nodig heeft, is Gods genade , en dat geeft Jezus hem: “Wie gewassen is, is helemaal rein”. Hij had hier ook kunnen zeggen, wat Hij later aan Paulus gezegd heeft: “Mijn genade is u genoeg” ( 2 Kor.12, 9). Dat Jezus de voeten wast, staat borg voor die genade, voor de reinheid, het schoongewassen worden van alle zonden. Het is verwijzing naar de Doop, zoals ook de Doop weer een verwijzing is naar het lijden en het dienen tot het uiterste  van Jezus, “want wij zijn – zoals Paulus zegt in Romeinen 6 – met Jezus begraven door de Doop in de dood …” “Maar niet allen zijn rein”, voegt Jezus er aan toe, er op, duidend dat één van hen Hem verraden zal. Wel moet Jezus Judas ook de voeten gewassen hebben, desondanks is hij niet rein. Hem ontbreekt de geest om te ontvangen en om zelf te geven en dienstbaar te zijn. Hij was al bezweken aan de inblazingen van de duivel. Het is verschrikkelijk, dat ook wij hebben te bedenken, dat je het Avondmaal kunt ontvangen en toch ver weg kunt blijven van Hem, Die het ons toereikt met Zijn lichaam en bloed., in Zijn liefde, die voor ons tot het uiterste gaat.

Het tweede gedeelte van onze tekst spreekt over de plicht van de discipelen het voorbeeld van de Heer te volgen. Als jou de voetengewassen zijn door de Heer, als je in Zijn gemeenschap aan de Tafel geweest bent, dan word je een ander mens, dan kom je in Zijn spoor en moet je ook zelf de voeten van anderen wassen. Jezus zegt: “Doe evenzo, geef het door, die liefde van Mij!” Natuurlijk vraagt Jezus aan ons niet om precies hetzelfde te doen, om naar anderen te gaan en die de voeten te gaan wassen. Jezus heeft met die voetwassing als ’t waren een gelijkenis gegeven, hoe wij zouden moeten doen in dienst aan elkaar, hoe ver onze naastenliefde dient te gaan, tot zelfs in slavendienst toe, het nederigste werk mag je niet onthouden in liefde voor elkaar. “Opdat gij doet gelijk Ik u gedaan heb”. Ook de houding van de discipelen bij de voetwassing is ons als waarschuwing gegeven. Zó moet het bij ons niet gaan, zoals bij Judas en Petrus. Wie de genade van Jezus echt zoekt, geeft daarmee te kennen, hoe zeer hij die nodig heeft, hoe slecht het er anders met hem uitziet. Wij hebben de Heer immers niets aan te bieden, alleen maar lege woorden en holle klanken net als bij Petrus. Het lijkt mooi, maar het stelt allemaal niets voor. Nee, wij komen als heel arme mensen tot die Heer, Die ook ons de voeten dient te wassen, Die ook ons moet liefhebben tot het uiterste, tot Zijn dood toe. Wij komen met lege handen, maar worden rijk gezegend uitgezonden, met een opdracht om ook zelf die zegen uit te dragen en in de praktijk te brengen. Wat is dat dan voor zegen, dat Jezus ons de voeten wast? Dat is: Hij vergeeft ons en neemt ons in genade aan. Hij schenkt ons Zijn liefde en verzoent mij, zondig mens, zodoende met God de Vader. Maar dat brengt ook vanzelf die nieuwe opdracht met zich mee: wie zó in de liefde van God is opgenomen zoals de discipelen tijdens de voetwassing, wie zich door Jezus zó de voeten heeft laten wassen, die moet ook zelf zijn broeders en zusters de voeten wassen. Hiermee worden de mede-Gemeenteleden bedoeld, maar ook de naasten buiten die kring. Het aan Tafel gaan is niet alleen een zaak van onszelf, maar van de hele gemeenschap! Het gaat om de “communio sanctorum”, de gemeenschap der heiligen! Doordat de gave van God ontvangen wordt in brood en wijn, het Lichaam van Christus, bloeit de Gemeente op in de “gemeenschap der heiligen”, waar de één de ander dient. Zoals Paulus zegt in Philippenzen 2, 2: “Maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, een in liefdebetoon, een van ziel, een van streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen”.

Laten we toch begrijpen dat het in de Gemeente anders hoort te gaan dan in de wereld! In de wereld heerst het recht van de sterkere, daar probeert ieder zo veel mogelijk naar zich toe te trekken, als ’t gaan moet op kosten van en ten koste van een ander, maar in de Gemeente geldt het Woord van de Heiland: “zó is het echter onder u niet, maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn” (Marcus 10, 43).

“DRAAGT ELKANDERS LASTEN!” Omdat Hij onze lasten droeg en ons liefhad tot het einde.

Amen.

Hoeveel te meer

God laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen.

Lukas 11, 13
“Hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan wie tot Hem bidden”

Jezus leert Zijn discipelen: “Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem er om vragen.”

Wij kunnen hierbij denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste, het donkerste, is: “Jullie, die slecht zijn”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander vlak, wat lichter gekleurd: “Jullie schenken je kinderen goede gaven”. En daar weer bovenuit zien we het derde vlak, dat helemaal licht is: “hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem er om vragen”.

Laten we beginnen een kijkje te nemen op het laagste vlak. Wat klinkt dat somber! “Jullie, die slecht zijn”. Het ergste is, dat Jezus dit niet alleen tegen de omstanders zeggen moet, maar ook tegen u en mij, tweeduizend jaar later! Als een ander dat nou tot ons zegt, och, wat geef ik er om. Er wordt zo veel gezegd! De mensen zijn boos en slecht. Ik zou het nog kunnen beamen ook! Mensen en de wereld zijn inderdaad slecht en bedorven. Daarom is er ook zoveel verderf en narigheid en onrecht in de wereld. Natuurlijk, zou ik zeggen, je hebt gelijk! De mens is slecht. “Homo homini lupus!” Zo luidt een Romeins gezegde, d.w.z.: de ene mens is voor de ander een wolf. Egoïsten zijn we, anders niet. De psychologie van onze tijd doet daar nog een schepje bovenop. Ieder mens leeft op een beerput, dat is zijn onbewuste. Een soort van moeras, waaruit allerlei giftige dampen opstijgen. Een donker gebied, waaruit de meest smerige gedachten en verlangens omhoog komen. In oude sagen wordt verteld van klokken, die op de bodem van moerassen liggen en nooit meer naar boven kunnen worden gebracht. Maar vaak, als het ’s nachts stormt, beginnen die verzonken klokken te luiden. Zo zijn er verlangens en gedachten die we in ons bewustzijn diep hebben weggestopt, maar die toch soms ineens weer naar boven komen en zich dan behoorlijk laten gelden!

Zo kun je best de stelling verdedigen, dat de mens boos is. Maar het is een stelling, die ook weer bestreden kan worden. Ik denk aan de oude tegenstelling tussen de kerkvaders Pelagius en Augustinus. Dan heb ik het over de vierde eeuw na Christus, dus heel lang geleden. Pelagius beweerde dat de mens een vrije wil heeft en van nature goed is. Hij is immers geschapen naar het beeld van God! Maar Augustinus hield vol, dat de mens gebonden is aan het kwaad, dat al in het Paradijs bij de val van de mens in de wereld gekomen is. De mens is een zondig wezen van den beginne af aan! Het is zoals Paulus het zegt: “Als ik het goede wil doen, is het kwade mij nabij”.

Toch is de gedachte van Pelagius blijven voortleven onder de mensen. Ik denk aan de Franse wijsgeer Rousseau, die ons enkele eeuwen geleden weer voorhield: “Retour a la nature!”: Terug naar de natuur, waar het leven nog goed en ongeschonden is. Veel theologen, ook in onze moderne tijd, zijn hem nagevolgd. Zij vinden, dat de mens zo slecht nog niet is! Die mens wordt wel eens vergeleken met een stoffige munt: als je het stof er af veegt, komt de beeldenaar weer te voorschijn m. Menigeen zal vandaag zeggen: “De mens slecht? Ach kom, in elke mens zit toch ook iets goeds!” Op dat punt valt er dus nog heel wat te redeneren. Trouwens, ik heb ook mensen van goed orthodoxe huize de hele avond in zware bewoordingen over de absolute verdorvenheid van de mens horen praten en zuchten, terwijl toch niet merkbaar was dat hun kopje koffie en borreltje er iets minder om smaakten, Dat is dus allemaal maar de buitenkant. Het is hoe je ’t bekijkt! Je kunt er over praten, maar het raakt je niet echt. Maar nu komt Jezus tot ons en zegt recht voor de raap; “JE BENT SLECHT”. Daar schrik je toch wel even van, u niet? Want als Hij het zegt, dan moet het toch wel waar zijn. Als Hij het zegt, Hij, Die geen zonde heeft begaan, Die altijd bezig was met de dingen van Zijn Vader, Hij, Die gehoorzaam was tot in de dood en Zich opofferde voor de mensen. Als Hij dat tot mij zegt, dan voel ik me staan op een donker hellend vlak. Daar staan we dan met z’n allen!

Maar Jezus’ Woord brengt ons ook op het tweede vlak, een opgaand vlak, zeg maar: het tweede niveau. “Jullie, die slecht zijn, weten toch goede gaven te geven aan jullie kinderen”. Onder het puin van de menselijke slechtheid ontdekt Jezus toch nog iets goeds in de mens. Hoe slecht we ook zijn, er zijn toch dingen die wij mensen niet kunnen doen. Een vader kan onmogelijk, wanneer zijn hongerige kind hem om brood vraagt, hem een steen geven, en als hij om vis vraagt, hem een slang geven. Een vader zou nog liever het brood uit zijn eigen mond sparen dan zijn kind honger te zien lijden, is ’t niet? Het spreekt van zelf, dat ouders voor hun kinderen het goede zoeken, ja, met hen het allerbeste voor hebben. Heel veel ouders liggen krom voor hun kinderen.

De bekende Vlaamse schrijver Anton Coolen vertelt in een van zijn boeken over een krankzinnige vrouw, die met een groot broodmes de hele dag voor haar huis staat. Niemand waagt het om haar dat mes af te nemen. Dan komt men op het idee om haar jongste kind te halen, die bij de buurvrouw is ondergebracht. Het kind is wat schuw en angstig bij het zien van al die mensen. Het huilt. Langzaam duwen ze het kind naar voren. Vol spanning wachten allen af wat er gebeuren gaat. Even staat het kind stil, dan holt het op zijn klompjes naar de moeder toe. Dreigend staat daar de vrouw met het mes. Maar dan heeft ze alleen maar oog voor het “schreiende jongske”. Ze laat het mes vallen en ze hurkt neer, ze sluit het manneke in haar armen. “Mijn bloeike” zegt ze, “ze zullen oe niks doen”. In de donkere nacht van krankzinnigheid is er toch nog één lichtstraal!

En nu het derde vlak. Als ’t bij mensen al zo is, HOEVEEL TE MEER bij de Vader in de hemel. Als zelfs slechte mensen nog iets goeds kunnen doen, dan toch zeker God wel. Hij, Die zo goed is!

‘HOEVEEL TE MEER!’ Het klinkt als een juichtoon. Er zit hemelse muziek in! Hoeveel te meer, dat is: des te meer, ALLES meer. In het derde vlak is alles licht. Het licht, dat heen wijst naar de hemelse Vader. Wat klinkt dat intiem. Jezus was ook intiem met Zijn Vader. Hij zei “Abba” tegen Hem, en wij mogen dat ook doen, zegt Hij. Immers zoals Hij uit de Vader is, zo hebben ook wij het leven uit God. Wij zijn van Zijn geslacht. En dat is eenvoudig nooit uit te wissen. Daarom bidden wij ook “Onze Vader, Die in de hemel is…”. Er is misschien wel veel tussen ons en God gebeurd. Net zoals de verloren zoon uit de gelijkenis hebben ook wij misschien ook wel eens gezegd: “geef mij het erfdeel, dat mij toekomt”. Zo hebben wij ons losgemaakt van God en het leven in eigen hand genomen. Maar Hij laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen. Hij is de altijd zoekende, en Hij blijft Zijn hemelse gaven aan ons geven, dat wat we nodig hebben, elke dag.

Wij mensen staan daar hongerend. We hongeren vooral naar de vervulling van ons leven. Dat het maar een beetje zin mag hebben! We hongeren vooral ook naar God, want we voelen best in ons zelf dat we God zijn kwijt geraakt en dat daarmee in ons leven alles op lossen schroeven is komen te staan. We horen Jezus’ stem: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van alle Woord, dat uit de mond van God uitgaat”. We geven de kinderen toch ook brood en geen steen, vis en geen slang. HOE VEEL TE MEER ZAL God ons geven wat wij nodig hebben. En dat is in de eerste plaats de Heilige Geest. De Heilige Geest, die Gods Woord tot leven brengt in ons leven. Hij Zelf is dat Woord. Hij staat daar voor ons als de goede gave van God, de beste gave die ons hart maar verlangen kan. Goede gaven kunnen alleen neerdalen in een hart, dat er open voor staat. En wat is bidden anders dan: je hart openstellen voor God? Bidden is niet een verlanglijstje uitspreken van dingen die we min of meer nodig hebben of menen te hebben in ons leven. Bidden is niet God onder druk zetten, soms zelfs chanteren. Wij hebben eenvoudig niets te commanderen tegenover God. Bidden is dat, waarvan de Psalmdichter (Ps.25, 7) spreekt:

D’ ogen houdt mijn stil gemoed
Opwaarts om op God te letten

Bidden is luisteren, eerbiedig luisteren, letten op God, op wat Hij ons wil zeggen. Niet schreeuwen, niet jammeren, niet klagen, maar gewoon luisteren! Het bidden van veel mensen gaat op in het roepen: “Hoor, Heer, Uw knecht, Uw dienstmaagd, spreekt.” Maar in het diepste bidden is het juist andersom: “Spreek, Heer, Uw knecht, Uw dienstmaagd, luistert!”

Laten we in de stille tijd, die voor ons ligt, de Lijdenstijd, ons hart openstellen voor Hem, Die Zijn leven voor ons gegeven heeft.  Dan zullen ook wij de goede gaven ontvangen van de hemelse Vader, ja, Zijn allerbeste gave aan ons: onze Heer Jezus Christus.

O, wij arme zondaars, bedelaars onrein,
Die in zond’ ontvangen en geboren zijn,-
Onze schulden brachten ons in zo grote nood,
Dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.
Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
Mens onder de mensen, en ons vrijgekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid,-
Wij waren verloren in alle eeuwigheid.

AMEN

Galanthus nivalis

Om Eva te troosten veranderde een engel een sneeuwvlok in een sneeuwklokje. Zo was Eva minder bedroefd, de winter werd zoetjesaan uitgeluid, het voorjaar was in aantocht; het sneeuwklokje mocht zich een teken van hoop weten.

SneeuwklokjesMet veel genoegen lees ik in Trouw de tuinartikelen van Nicolien van Doorn. Enerzijds om van te leren, anderzijds vanwege de humoristische toon. Om haar bijdrage over sneeuwklokjes heb ik geschaterd. Er ging een wereld voor mij open!

Waren er tien jaar geleden 500 verschillende soorten klokjes, nu zijn dat er ruim 1500 en er komen dagelijks nieuwe bij. Voor verzamelaars een eldorado, want er wordt naar hartelust gejaagd. Ze zijn bezeten van het hebben, gaan er zelfs voor op dievenpad. Zien ze een sneeuwklokje van het soort dat ze nog niet bezitten, ze stappen slinks in andermans tuin, graven in haast het klokje uit, proppen het in de tas en vervolgen hun tocht al speurend. En zien ze een speciaal soort op internet, ze tellen er zielsgelukkig een paar honderd euro voor neer. Er zijn reizen naar verre gebieden met velden bijzondere soorten, maar toen de reisleider het gegraai ontdekte werden de reizen alleen nog aangeboden in het bloeiloze tijdperk. Er zijn sneeuwklokgala’s, er zijn mensen die met sneeuwklokjes praten, er zijn zelfs internetforums. Hierop wordt heftig gediscussieerd wat nu beter is, een ronde of een vierkante vijvermand. In Engeland worden de verzamelaars ‘Galanthofielen’ genoemd, ze zijn nauwelijks aanspreekbaar. En juicht de één over zijn bijzondere aanwinst, de ander vindt het maar een ziekelijk plantje. Het is een wereld van afgunst, gemene praat en hebzucht.

Er is een mooie legende over het sneeuwklokje. Toen Adam en Eva uit het paradijs werden verdreven was het winter. Om Eva te troosten veranderde een engel een sneeuwvlok in een sneeuwklokje. Zo was Eva minder bedroefd, de winter werd zoetjesaan uitgeluid, het voorjaar was in aantocht; het sneeuwklokje mocht zich een teken van hoop weten. Zo worden in Frankrijk en Engeland sneeuwklokjes gebruikt bij de versiering van het altaar bij het feest van de ‘Opdracht van de Heer in de Tempel’, vroeger ook wel Maria Lichtmis genoemd.

Na lezing van het tuinartikel dook ik de tuin in, vond na enige zoeken een kleine pol klokjes en sloeg aan het determineren; mogelijk waren ze ondanks de schraalheid toch bijzonder. Ik volgde de aanwijzingen van Nicolien: hingen de bloemblaadjes of stonden ze rechtop? Hoeveel waren er en hoe lang waren ze? Ik snelde naar binnen en vloog met een centimeter naar buiten. Hoe zag de tekening van het binnenste en het buitenste bloemblad er uit? De tere klokjes wiebelden zachtjes op de lange stelen. Hoorde ik ze soms hoonlachen? Willem keek op afstand toe, zijn rode vacht knalde er uit in de wintertuin.
 
Ik trok de schoenen aan, pantserde me tegen de oostenwind en ging naar de plek waar ik ieder jaar opnieuw de sneeuwklokjes begroet. Ook dit jaar hadden ze zich met veel geduld door de hard bevroren aarde gewurmd. In de schaduw van een boom, op de slootwal stonden ze aan de rand van een kerkhof als teken van hoop op dat Andere. Het leek geen bijzondere soort, maar hun boodschap was wel bijzonder. Uit de grijze lucht dwarrelden eerste sneeuwvlokjes…

Aly Brug 

Licht in de nacht

Als wij Zijn lijden en sterven gedenken, zullen wij ook in eigen leven moed krijgen om te dragen en te dulden, ja, om in de bangste duisternis licht te zien, het licht van Pasen.

Johannes 13, 31
“Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt”

Zo spreekt de Heer in het Johannes-Evangelie, als Hij midden in het lijden staat. De poorten der hel kunnen Hem niet overweldigen, maar Hij moet er wel doorhéén… Goede Vrijdag… Stille zaterdag, om daarna in te gaan in de luister van Gods heerlijkheid… PASEN!

Die heerlijkheid houdt Hij al vast in Zijn lijden en die heerlijkheid houdt Hem vast, als Hij staat voor de dood. Daarom kan Hij zeggen: “Nu wordt de Zoon des mensen verheerlijkt”.

Al eerder, aan het begin van het Johannes-Evangelie, in hoofdstuk 3 vers 14, wijst de Heer op de verhoging van de Zoon des mensen. “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe”. Dat is dan ook de grote troost, die steeds weer opnieuw voor ons van het lijden en sterven van de Heer uitgaat: dat het voor ons is gebeurd, opdat wij eeuwig en gelukkig zouden leven. Daarom gedenken wij al deze dingen in de Lijdenstijd. Het mag ons vertrouwen geven, dat Hij alles voor ons, gelovigen, volbracht heeft. Dan kunnen wij daarin ook rust en vrede vinden in ons eigen leven, zeg maar: voor onze ziel, voor ons hart, dat dikwijls zo onrustig en angstig is. “Hart, onrustig, vol van zorgen, vleugellam geslagen ziel…”  (Ps.42).

Als wij Zijn lijden en sterven gedenken, zullen wij ook in eigen leven moed krijgen om te dragen en te dulden, ja, om in de bangste duisternis licht te zien, het licht van Pasen. Psalm 42 gaat verder: “Hoop op God en wees geborgen. Hij verheft wie nederviel”. Daarom wensen we elkaar een Gezegende Lijdenstijd toe!

Licht in de nacht

Nu dapper verder gaan, met opgeheven hoofd,
Met opgeheven hart en vol vertrouwen
Dat God je zorgen en je liefde zal aanschouwen
En in Zijn hart bewaart, zoals Hij heeft beloofd.

Probeer nu recht voortuit te kijken, naar dat punt,
Dat kruispunt, waar de Heer je wil ontmoeten
En je met uitgestoken hand wil groeten,
Je voort wil helpen, als jij haast niet verder kunt.

Want juist al laten alle mensen je alleen
En denk je dat je alles op moet geven,
Dan komt de Heer en schept je een nieuw leven
Waar je Zijn Zoon zult zien door duizend nachten heen…

(Nel Benschop, uit de bundel “Zo zag ik Hem”)

Een profeet uit uw midden

Het profetische woord, hoe velen voelen zich nog daartoe geroepen? Is deze roeping uitgestorven?

Deuteronomium 18, 15
“Een profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken.”

Waarom heeft het volk zo’n profeet nodig? Om tweeërlei reden. Kijken we eerst naar wat aan onze tekst vooraf gaat: de verzen 9-14. Daar staat, dat het volk, wanneer het in het beloofde land gekomen zal zijn, niet moet gaan leven naar de gruwelen van de inheemse volken. Bedoeld wordt daarmee de gewoonte van waarzeggerij, het duiden van tekenen en sterrenbeelden, het uitleggen van voortekenen door tovenaars en bezweerders enz., heel het patroon van het toenmalige heidense leven. Alleen toenmalig? Nou, ik denk van niet. Ook vandaag komt het weer meer en meer voor. Heidense symbolen zoals de swastika, het hakenkruis, sterrenbeelden, glaasje-draaien, allerlei paragnostische ervaringen zijn actueel. “Ieder, die deze dingen doet, is de Here een gruwel” (vs.12). Dat is de ene achtergrond van de belofte, dat er een profeet zal komen. Het volk zal waarzeggerij en zo dan niet meer nodig hebben, want God zal voorzien door middel van die profeet. De andere reden vinden we in de verzen, die op vers 15 volgen: hier wordt teruggegrepen op het verleden, de situatie uit Exodus 20 en Deuteronomium 5: de wetgeving op de Sinai, toen het volk de stem van de Heer gehoord had uit het midden van de duisternis. Terwijl de berg stond in een brand van vuur, zei het volk tot Mozes: “dit vuur zal ons verteren, daarom spreek jij met God en dan met ons, dan zullen we het horen en doen.” In de persoon van Mozes had het volk dus een middelaar, een tussenpersoon. Maar hoe dat straks, als het volk in het beloofde land Kanaän zal zijn gekomen? Zonder Mozes nota bene, want Mozes wist dat hij het beloofde land niet in mocht komen! Geen nood! Want God Zelf zal daarin voorzien, Hij zal een middelaar zenden in de persoon van een profeet. “Ik zal Mijn Woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hem zeggen, wat Ik hem gebied” (vs.18).

In beide gevallen wordt de zwakheid van het volk zichtbaar, het volk dat zo kwetsbaar is, zo gemakkelijke heidense gebruiken en gewoonten aanneemt, zich daardoor laat verleiden van God af te vallen; het volk, dat ook tegenover God zo zwak staat en een Middelaar nodig heeft. Tegenover dit zwakke volk nu komt God met Zijn genade, Zijn nabijheid in de persoon van een profeet en in het woord van die profeet. Daarin zal steeds weer de barmhartigheid en goedheid van die machtige in het vuur wonende God merkbaar worden. Het volk hoeft niet bang te zijn en zich ook niet verlaten te voelen in dat nieuwe land, zonder de machtige leider die Mozes geweest is, want God Zelf zal met hen zijn. Is dat ook niet de boodschap voor ons vandaag? God komt tot ons en is ons nabij in de Persoon van Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus. In de komst van Christus vervult God de belofte uit Deuteronium 18. Luther en vele anderen met hem hebben dat ook zo gezien. Trouwens, wordt Jezus niet ook door het volk Israël als profeet gezien? Verschillende teksten in de Evangeliën wijzen daarop bijvoorbeeld de reactie van de mensen in Mattheüs 7, toen Jezus de jongeling uit Naïn had opgewekt: “En vrees beving allen en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en : God heeft naar Zijn volk omgezien”. In ieder geval wordt in Deut.18 in de redevoering van Mozes beloofd, dat er een machtige profeet zal komen, misschien zelfs dat er altijd een profeet zal zijn om het volk te leiden en de openbaring van God door te geven. En of Jezus nu die profeet is, waarop hier gedoeld wordt, of Hij is de laatste in de rij van de profeten, waarop in onze tekst gezinspeeld wordt, zeker is in ieder geval, dat Jezus de profeet bij uitstek is, die ons de woorden van God uitlegt, ze voorleeft en daarin Gods liefde en genade voor mensen ons nabij brengt. Hij is het vleesgeworden Woord van God!

Net als de andere profeten is Hij mens, door God gegeven om de boodschap van God te verkondigen en het volk daarmee te leiden en God nabij te brengen.

Net ook als de andere profeten is Hij broeder onder de broeders. Hij is uit het midden van het volk en spreekt de taal van het volk. Hij is onze Broeder en is ons als zodanig heel dicht nabij, midden onder ons.

Net ook als de andere profeten heeft hij de opdracht het werk van Mozes voort te zetten, d.w.z. om Middelaar te zijn, namens God en vóór het volk, en namens het volk vóór God. Hij is als ’t ware “ambtelijk” bezig. Het gaat daarbij niet om de persoon in eerste instantie, maar om Zijn werk, Zijn ambt: God en volk elkaar nabij te brengen, met elkaar te verzoenen, God Zijn recht geven en het volk tot zijn recht te laten komen. Dit “middelaarswerk” vinden we in het hele Oude Testament terug. Denken we aan Samuel, Elia, Elisa, De Godsknecht uit Jesaja, de komende Messias, de eindtijdelijke profeet, door de profeten Jesaja, Micha en Zacharia aangekondigd. Altijd heeft God voor Zijn volk gezorgd. Altijd heeft God voor Zijn volk gezorgd. Het Woord van God, Zijn openbaring, vooral als gebod en genade, is te midden van het volk, van het begin af aan! God roept profeten om dit Woord door te geven. Denken we aan de roeping van Samuel, Jesaja en later ook Paulus. En het is nóg de opdracht van de Kerk de boodschap door te geven, om te verkondigen Gods recht en Zijn liefde, Zijn nabijheid ook: “Zie, Ik ben met u, tot aan de voleinding der wereld.” Het profetische woord, hoe velen voelen zich nog daartoe geroepen? Is deze roeping uitgestorven? Of verstaat de Kerk zijn opdracht niet meer? Zijn we met z’n allen te veel overgeleverd aan de verleidingen van de wereld en aan de gevaren daarvan bezweken? De toverij van de moderne techniek, de uitlegging van voortekenen door de moderne profeten van de natuurwetenschap?

Eén ding is zeker: ook voor vandaag geldt het Woord van God: “Ik zal u een profeet verwekken en zijn Woord zal u voldoende zijn… De man, die niet luistert naar de woorden, welke hij in Mijn naam spreken zal, van die man zal ik rekenschap vragen”. In Jezus hebben we deze profeet gekregen. Hij is gekomen en Hij komt. In Hem daalt God tot ons af. Hij blijft Zijn volk, dat is Zijn Gemeente, trouw. Hij blijft bij ons, omdat we Hem zo hard nodig hebben. Maar, dan moeten wij ook bij Hem blijven! Dan moeten wij ook Zijn Woord trouw blijven en Zijn liefde met de onze beantwoorden. Dat is Gods wil. Daartoe zendt Hij de profeet. Naar Hem moeten jullie luisteren! Op Hem moeten jullie horen! Daartoe is Christus op aarde gekomen om ons tot God terug te brengen, daarin ligt onze redding! Wie niet luistert, van hem of haar zal ik rekenschap vragen, zegt God. Wij staan hier voor de grote beslissing: leven of dood. Slechts twee wegen zijn er, er is geen tussenweg. Je kunt met God niet marchanderen! In het Woord van de profeet, dat is het vleesgeworden Woord van Christus, is het leven. Daarbuiten is alleen maar dood. “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welgevallen heb”, zo spreekt God van Hem,” luistert naar Hem!”

Ja, luistert naar Hem, die gekomen is en komt, ook tot ons!

AMEN.

Het uur is aangebroken

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan?

Romeinen 13, 11-14
“Het uur is voor u aangebroken om eens te ontwaken uit de slaap, de nacht loopt ten einde, de dag is nabij.”

Elke dag, die we beleven mogen, brengt ons dichter bij het einde van tijd en wereld. Dat mogen we wel eens bedenken! Ook onze tekst staat in het teken van de eindtijd: het uur is voor u aangebroken! Het Griekse woord “kairos”, dat we vertalen met “uur” is een typisch woord van de apostel Paulus. Het heeft vooral de betekenis van “het beslissende ogenblik, het ogenblik van God gegeven, door God vastgesteld”. Ook bij Johannes vinden we deze bijzondere betekenis. Denk maar aan de bruiloft van Kana (Joh.2), waar Jezus tegen Zijn moeder zegt: “Mijn uur is nog niet gekomen”. En vlak voor Zijn dood bidt Jezus in het “Hogepriesterlijk gebed” (Joh.17): “Vader, het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U verheerlijke.” Het is dus Gods tijd, de tijd van Gods ingrijpen, de heilstijd. Het is ook het “heden” van het Evangelie: “Heden, zo gij Zijn stem, hoort” (Hebreeën 3, 7 en 15; een aanhaling van Psalm 95, 7b). Het beslissende moment om voor God te kiezen! “Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet!”

Paulus doet hier een beroep op de Gemeente te Rome. Zij weten immers al van het Evangelie. Welnu, dan moeten ze ’t ook laten zien! “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het nu voor u het uur is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen van het licht”. De nadruk ligt hier op het weten om de tijd, Gods tijd, de heilstijd, de eindtijd, waarin Gods uur is aangebroken. Wij moeten weten, dat Gods uur geslagen heeft, zouden we nu zeggen. Het is belangrijk, dat ook wij dat beslissende uur onderkennen. Paulus zegt als ’t ware tot ons: als jullie die tijd niet kennen, de tijd die ligt in de verkondiging van Christus’ boodschap, de tijd van het hier en nu, de in Christus vervulde heilstijd, die de duistere macht doet wijken en de Paasmorgen doet komen, de tijd waarop de profeten reeds gewezen hebben: “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op” (Jes.60,1), de tijd van het ontwaken en opstaan ook voor ons, dan wordt het voor jullie niks met elke nieuwe dag, die je beleven mag! Dan blijft alles, wat jullie zullen doen en zeggen krachteloos en zinloos. Jullie zullen dan met blindheid geslagen zijn, alsof je het uur niet kent, dat met Jezus’ komst geslagen heeft. Jullie situatie lijkt dan op de mensen uit Mattheüs 16, die het uiterlijk van de hemel weten te beoordelen, maar de tekenen der tijden niet verstaan.

Elke nieuwe dag brengt ons niet alleen dichter bij de eindtijd, maar mag ook al iets laten zien van de heerlijkheid, die dan over ons geopenbaard zal worden. Zoals de oude Simeon getuigde in Lukas 2, 32: “licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid over Uw volk Israël”. Immers het heil, dat wij in de eindtijd verwachten, is reeds aangebroken door de komst van Christus op de aarde, door Zijn sterven en opstanding. De “Kairos” is er reeds, elke nieuwe dag. En daarom moeten we “de tijd uitkopen”, zoals Paulus zegt in Efeze 5, 16. “Daarom heet het: Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Efeze 5, 14). God geeft ons elke dag tijd om voor Hem te kiezen. Ken die tijd! Laat elke levensdag vooral voor ons veel “kairoi” hebben: momenten van geloofsbeslissing. Laten wij toch vooral mensen zijn, die “ja” zeggen tegen God en met Hem mee gaan doen in Zijn heilswerk voor mens en wereld. Wij zijn mensen, die leven in de nacht, maar de morgen al zien komen. Het oude is voorbij, ziet… het wordt alles nieuw! “Want Hij zegt: ten tijde des welbehagens heb ik u verhoord en ten dage des heils ben ik u te hulp gekomen; zie, nu is het de dag des heils!” (1 Kor. 6, 2).

In Galaten 6, 4 zegt de apostel het zó: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw…” NU, elke dag in ons leven, is het volle tijd, door Christus vervulde tijd, heilstijd! Laten we dat toch elke dag weer opnieuw beseffen! Het wordt tijd om wakker te worden en op te staan. ONTWAAKT, GIJ DIE SLAAPT. In het Nieuwe Testament wordt vaak over het moe worden, het inslapen en dromen gesproken, in die zin, dat er voor gewaarschuwd wordt. We lezen over de slapende knechten in de eindtijd-rede uit Markus 13, de dwaze meisjes uit de gelijkenis van de tien maagden (Math. 25), de in slaap gevallen discipelen in de hof van Getsemane. “Ontwaakt gij die slaapt!”

Ook in de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (5, 6) roept de apostel zijn Gemeenteleden toe: “wij behoren niet aan de nacht noch aan  de duisternis toe; laten we dan niet slapen zoals anderen doen, maar laten wij waken en nuchter zijn”. Paulus argumenteert hier vanuit het nieuwe zijn van de Christen, zijn nieuwe bestemming dank zij Gods genade, die ons ten deel is gevallen. Vandaar: wees wie je bent! Gods actieve knecht of dienstmaagd! Beter nog: word wat je al bent! Een door Christus vrijgekochte slaaf of slavin. Dat moet je laten zien in alle aspecten van je leven. De slaap kan hier alleen maar een belemmerende factor zijn. Slaap verleidt tot passiviteit, tot dromen, tot vervalste en bedrieglijke beelden. Daarom moeten we ontwaken en de werkelijkheid, waarin we staan in Jezus Christus, gaan beleven. Het is vooral het ontwaken uit de duisternis, de macht van dood en doodsangsten, satanisme en goddeloosheid, dat ons bezig houdt en waarin we elkaar misschien ook kunnen helpen. Zouden we elkaar daarin ook niet wat wegwijs kunnen maken? Van de duisternis naar het licht? Als we elke dag dichter bij de eindtijd komen, dan mogen we er toch ook wel eens serieus rekening mee gaan houden en proberen daar wat mee inzicht in te krijgen, vindt u ook niet?

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk of juist ook voor de grotere samenhangen van maatschappij, kerk en samenleving, rassen en volken? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we het ook zelf laten zien? De tijd is kort, en duurt toch al zo lang, hoe lang nog?

Niet vergeten: het doek IS opgegaan , Jezus IS gekomen, de dag IS al aangebroken, of zoals een bekend theoloog eens schreef: het is reeds D-day (de invasie in Normandië), maar Victory-day moet nog komen. De wereld staat in al zijn voegen te trillen, grotere en diepere scheuren ontstaan, de nacht is ver gevorderd… de dag is nabij! Mensen mogen ontwaken, want het Licht is gaan gloren: Jezus, Die zei: Ik ben het Licht der wereld! Wij leven in een lichtend perspectief, laat dat ons elke dag weer duidelijk zijn. En laten we dat Licht weerkaatsen, het waarachtige Licht, dat iedere mens verlicht, dat komende was in de wereld (Joh.1)… TOEN en NU!

Mijn oog is op u

Je wilt je wel eens beteren gaan, je leven veranderen, maar je voelt je zo machteloos, zo alleen staan. “Ik wil wel” zeggen we dan. Maar heeft u ook wel eens gedacht aan “Wij willen wel en gaan samen aan het werk”? Je hoeft ’t niet alleen te doen: Hij staat naast ons en neemt ons bij de hand en leidt ons…

Psalm 32, 8
“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij moet gaan, ik raad u; mijn oog is op u.”

Beeld van engelWie geeft deze belofte? Dat is niet helemaal duidelijk.

Eerst spreekt de Psalmdichter de mens zalig, wiens zonden zijn vergeven. Dan deelt hij zijn eigen ervaring mee: toen hij zijn zonden verzweeg, drukte de hand van de Heer zwaar op hem; maar toen hij zijn zonden beleed, ontving hij vergeving en veranderde er alles in zijn leven. Vandaar zijn goede raad:

“Daarom bidden iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden.”

Daarna richt hij zich rechtstreeks tot de Heer: “Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen en bevrijding”. Hierna komt de belofte van onze tekst: “ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij moet gaan. Ik raad u; mijn oog is op u.”

Nogmaals: wie geeft deze belofte? Koning David? Hij heeft toch de meeste Psalmen geschreven. De traditie spreekt niet voor niets van de “Psalmen Davids”. Maar het slot van deze belofte dan? “Mijn oog is op u”. Dat krijgt pas een echt troostvolle betekenis, als we daarbij aan God Zelf denken! Wanneer God deze woorden gesproken heeft, wordt de zin ervan nog veel dieper dan wanneer het alleen woorden uit de mond van David zijn. Daarom kunnen we het beste aannemen, dat David hier de woorden van God herhaalt. Woorden die hij uit de mond van God gehoord heeft en die hem altijd zelf tot troost zijn geweest. We denken nog even aan de levensgeschiedenis van David. We denken aan heel die droeve periode in Davids leven, toen hij Bathseba, de vrouw van een ander, een ondergeschikte, tot vrouw had genomen. Hij was op een verschrikkelijke dwaalweg geraakt, het spoor helemaal bijster, en wat zou er van hem terecht zijn gekomen, als de Heer Zich niet over hem ontfermd had? God wil immers Zijn knecht op de rechte weg zien. Daarom vergeeft Hij en leidt Hij Zelf hem verder. In de dogmatiek heet dit: de rechtvaardigmaking gaat hand in hand met de heiligmaking. “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg…” We hoeven onze weg niet zelf uit te zoeken en alleen te gaan. Dan zou het, denk ik, ook niks worden, dan ben je gauw van het goede pad af! God wil met ons gaan en ons leiden. Hij bevrijdt ons niet alleen van de schuld der zonde, maar leidt ons ook in alle gerechtigheid. Hij raadt ons, Zijn oog is op ons!

Heerlijke belofte!

Je wilt je wel eens beteren gaan, je leven veranderen, maar je voelt je zo machteloos, zo alleen staan. “Ik wil wel” zeggen we dan. Maar heeft u ook wel eens gedacht aan “Wij willen wel en gaan samen aan het werk”? Je hoeft ’t niet alleen te doen: Hij staat naast ons en neemt ons bij de hand en leidt ons… En je hoeft je ook niet alleen te voelen, want “Mijn oog is op u”. Hij ziet naar ons om, elk moment van de dag. En bij alles wat we doen, kunnen we bij Hem te rade gaan: “Ik leer en onderwijs u… Ik raad u… Mijn oog is op u!”

Amen.

Geroepen tot het licht

Ik ben blij dat de genade van het geloof in de liefdevolle God mij pas is overkomen toen ik niet meer bang voor Hem hoefde te zijn.

Deze keer een preek, gehouden in de Vredeskerk te Amsterdam, van mijn Franciscaanse broeder LEO JACOBS ofs.

Mattheüs 4, 12-23
Schriftteksten: Jes.8: 23b – 9: 3, Ps.27, 1 Kor.1:10 – 13 + 17, Mt.4: 12 – 23.

Waarschijnlijk konden zij niet eens lezen, de vier eerste geroepenen door die heel bijzondere Mens, die zij blijkbaar zonder enige aarzeling volgden en in wie zij de “Massiach”, de Gezalfde hebben herkend. En de tekst uit Jesaja, met die voorspelling van dat heldere licht dat een heel volk, dat in duisternis dwaalt, zal verlichten, die profetie konden zij zeker niet lezen want die werd geschreven in klassiek Hebreeuws en deze eerste vier apostelen spraken waarschijnlijk alleen de taal, die in die tijd het hele midden- Oosten sprak, het Aramees, en dat is een heel andere taal. En het evangelie volgens Matteus, waarin de woorden van Jesaja worden aangehaald  –  dat evangelie moest toen nog geschreven worden. En toch, zo maar, boing, volgden die vier ongeletterde vissers de Zoon des mensen.

Zou iemand van jullie het doen? Zou ik het zelf doen? Je ontmoet hier iemand op het Vredeskerkplein, een wat merkwaardig type, of misschien juist een heel betrouwbaar uitziend persoon, zo iemand als Pierre Valkering, en die zegt tegen je: “geef alles op en volg mij; ik maak je een visser van Amsterdammers”. Ik zou minstens even willen nadenken en er in elk geval met mijn vrouw over moeten praten. Maar ik ben ook geen bezitloze visser. Het zal ons waarschijnlijk vergaan als die rijke jongeling, die zo graag Jezus wilde volgen en zich keurig hield aan alle mitswoth, aan alle geboden, maar helaas ook heel rijk was. Hij werd diep treurig (Mt 19: 21-24). Jullie, en ik ook, ik denk dat wij in materiele zin meer te verliezen hebben dan die vissers. En de meesten van ons zijn ook wat ouder.

Waren die mannen 18 of 21 jaar? Op die leeftijd stort je je gemakkelijker in een avontuur. En toch: wat heeft deze 4 mannen zo snel over de streep getrokken? Het antwoord, dat de schriftteksten geven, Jesaja en Matteus, is, dat zij het Licht zagen, het Licht dat zo mooi verwoord is in de psalm van daarnet. En die teksten over het Licht  –  die deden mij denken aan wat mijzelf overkwam, bijna 14 jaar geleden. Tot die gedenkwaardige dag in maart 1997 had ik mijzelf altijd voor een ongelovige gehouden, actief in de linkse politiek en zonder enig geloof in God. Totdat DAT mij overkwam, ja, NB tijdens een wintersportvakantie in Frankrijk  –  toen mij in een flits duidelijk werd dat God bestaat. Een onbeschrijfelijke mystieke gelukservaring, waarvan ik behoorlijk ondersteboven was.

Ik wist aanvankelijk niet wat ik er mee aan moest en hield het voor mij. Mijn gezin had wel gemerkt dat er wat was, en na enkele maanden heb ik opgebiecht: ik geloof in God. Toen begon het kruisverhoor. Mijn jongste zoon vroeg heel rechtstreeks: “wat is dat dan, concreet, wat is God? Concreet!” Dat was lastig: je weet precies wat je gelooft maar dat beschrijven aan iemand die deze genade niet ontvangen heeft  –  ik kon niet veel meer uitbrengen dan “Licht. God is voor mij Licht.” Voor mijn zoon was het een weinig bevredigende uitleg. Ik vind het nog steeds moeilijk te verwoorden. Die vier vissers daar in het land van Naftali, aan de oever van het meer van Kinnereth, oftewel Galilea, die hadden blijkbaar dus geen beschrijving nodig.

Jezus was voor hen het Licht waarop hun volk al eeuwen wachtte. Zoals God voor mij het Licht was, waarop ik – dat weet ik nu – onbewust ook zat te wachten. Dat is geen tegenstrijdigheid, want God de Vader en Zijn Zoon vormen met de H. Geest een eenheid, zoals de kerk ons leert. Maar laat ik niet afdwalen: waren die vissers de eersten, die in Jezus het Licht der wereld herkenden? Nee: zo zag de zeer bejaarde Simeon het vlak voor zijn dood ook al, toen Maria en Jozef de tempel betraden om de piepjonge eerstgeborene op te dragen aan de Heer (Lc 2: 32). “Een Licht dat voor de heidenen straalt,” zei Simeon; m.a.w.: toen al was bekend dat Jezus er was voor de hele wereld en niet alleen voor het eigen volk van Israël. Dat was a.h.w. al een begin van het nieuwe verbond.

***

Die vier vissers lieten hun broodwinning, en de laatste twee ook hun vader voor wat het was, en volgden Hem, zonder zich af te vragen of er ’s avonds brood op de plank zou zijn. Eigenlijk zou je het hele Nieuwe Testament samen kunnen vatten in die zin: “Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” Jezus vraagt in die korte tijd, dat hij de blijde boodschap aan Israël verkondigt, steeds weer Hem te volgen. En alles op te geven. Stel dat je die roeping volgt  –  hoe ritsel je dat in onze moderne consumptiesamenleving? Verlangt Hij werkelijk in alle radicaliteit van ons om alles op te geven?  Ik zou het niet kunnen. Maar er bestaat naast “Licht” nog een andere karakteristiek voor zowel de Vader als voor de Zoon: onvoorwaardelijke liefde.

Dat klinkt vrij abstract, tenzij je het hertaalt in liefde zonder voorwaarden.  Jezus vraagt veel van ons, maar als wij dat niet kunnen opbrengen  –  dan blijft Zijn liefde onvoorwaardelijk. Betekent die onvoorwaardelijkheid dat God niet straft? Onder het oude verbond wordt flink gestraft, zo lezen wij in het oude testament. Maar wij leven nu onder het nieuwe verbond. Jezus kwam om de verstoorde liefdesrelatie tussen God, Zijn Vader en Diens kinderen, de mensen te repareren. De wraakgierige God is in Christus een vergevende God geworden. Dat is een wezenlijk verschil met de God van bijvoorbeeld godsdiensten, welks aanhang afvalligen en andere vermeende zondaars stenigt, vermoordt, die de heilige oorlog predikt, kortom: die geweld stelt boven vrede-lievendheid.

Jezus zegt dat geen tittel of jota uit de wet zal verdwijnen, maar vervolgt: voordat alles geschied is. En Hij zegt ook: wet en profeten golden tot Johannes; sindsdien wordt de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigd (Mt 5: 17- 18, Lc 16: 16- 17; zie ook Gal 3: 23-25).  Er zullen er onder u heel wat zijn, die opgroeiden in zo’n ouderwets rooms gezin, waar de kinderen vreesden voor elk klein vergrijp de vlammen van vagevuur of hel te moeten doorstaan. Ongetwijfeld hadden ouders en priesters met die bangmakerij de beste bedoelingen, en uiteraard onthoud ik mij van een oordeel (Mt 7: 1), maar ik ben blij dat de genade van het geloof in de liefdevolle God mij pas is overkomen toen ik niet meer bang voor Hem hoefde te zijn (1 Joh 4: 18).

Jezus weet best dat wij nooit Zijn heiligheid zullen bereiken. Dat begint al met Petrus, wiens geest soms verblind is (Mc 6: 52); die Hem op het laatst maar liefst drie maal verloochent. Toch zal Petrus de hoeksteen van Zijn kerk worden. Wij kunnen wel ons best doen. Kleine zonden, niet bijvoorbeeld seksueel misbruik, maar kleine, helaas weer wel wijdverbreide zonden zijn bijvoorbeeld het geürm over de veronderstelde onveiligheid, en de klaagzang dat het in ons land steeds slechter zou gaan. Die ontevredenheid heeft iets zondigs, ook al omdat alle statistieken uitwijzen dat ons land nooit zo veilig is geweest als heden ten dage, dat Nederland rijker is dan ooit en dat het enige negatieve aspect aan die welvaart is, dat niet iedereen ervan profiteert: de kloof tussen arm en rijk neemt toe.

Formeel staat ontevredenheid niet als zodanig onder de zeven hoofdzonden, maar ik denk dat het heel goed past in het rijtje gierigheid, nijd, gramschap en gulzigheid. Hoe gaan wij om met al onze slechte eigenschappen? Van de Braziliaanse bevrijdingstheoloog en voormalig Franciscaan Leonardo Boff citeer ik:

Als je de roep van de Geest hoort, geef er dan gehoor aan en probeer met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten heilig te worden.

Wanneer wegens menselijke zwakheid het je niet lukt heilig te worden, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten volmaakt te worden.

Maar als je vanwege de ijdelheid van je leven er niet in slaagt volmaakt te worden, probeer dan met heel je ziel en je hart en met al je krachten goed te worden.

Als evenwel door de hinderlagen van de boze het je niet lukt goed te zijn, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en al je krachten verstandig te worden.

Wanneer tenslotte vanwege het gewicht van je zonden je er niet in slaagt heilig, volmaakt, goed of verstandig te worden, probeer dan deze last voor God te dragen en geef je leven over aan de Goddelijke Barmhartigheid.”*

***

Zou het kunnen zijn dat de 4 eerste apostelen dat zo direct herkenden in Jezus: de Goddelijke Barmhartigheid? Drie van hen, Petrus, Andreas en Jakobus, stierven volgens de overlevering niettemin de marteldood; bloedgetuigen dus. Vaak wordt dat in de taal van de kerk beschreven als “zij werden verheerlijkt in God” of woorden van gelijke strekking. Ik heb daar moeite mee. De marteldood zie ik als iets gruwelijks. Hoe het met Johannes afliep  –  dat weten wij niet. Er bestaat een mythe dat hij was aangekomen in de toen bloeiende gemeente van Efeze en daar zou hij voor de voltallige gemeente, omstraald door een oogverblindend licht, met ziel en lichaam zijn verheven in Gods heerlijkheid.

De kerk is niet blij met deze legende. Maria wordt in Efeze vereerd, en dat vindt Rome al moeilijk genoeg. Het schijnt, dat van Johannes geen graf bekend is, en dat van hem evenmin relikwieën worden aangetroffen. En de veronderstelde Hemelvaart lijkt wel erg op de manier waarop bijvoorbeeld Jezus in Joh 12: 32 aanzegt te zullen opstijgen en die ruim zes eeuwen later werd geïmiteerd door Mohammed, die op enigszins vergelijkbare wijze wordt meegenomen naar de hemel vanaf de rots in Jeruzalem. Maar waar of niet waar  –  omstraald door licht, door het Licht te worden opgenomen in Gods koninkrijk  –  is er iets mooiers denkbaar? “Vuur ben ik op aarde komen brengen” zegt Jezus (Lc 12: 49). Vuur geeft warmte en vooral ook: licht. Bidden wij dat het Licht ons blijft verlichten bij onze armzalige pogingen Hem te volgen, Adonai Elohenoe, amen.

* in “Sint Franciscus van Assisi “Tederheid en kracht” p.154

Preek, gehouden in de Vredeskerk te Amsterdam, van mijn Franciscaanse broeder LEO JACOBS ofs.

Nu is het de dag des heils

Paulus zingt in 1 Kor.13 van de liefde, die alle dingen doordringt: “alles bedekt zij, alles geloofd zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij… Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde”.Waar heeft Paulus dat geleerd? Dat zingen en die liefde?

2 Korintiërs 6, 2
Zie, nu is het de tijd des welbehagens, zie, nu is het de dag des heils.

Wat een machtig Schriftgedeelte is dat, dat woord van Paulus! Steeds krachtiger wordt zijn taal, steeds schriller warden de contrasten, als hij spreekt over het Christelijke leven. Tot hij het hoogtepunt bereikt in de paradoxen van de slotzin: “als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend, en toch alles bezittend”.

Het leven van een Christen is vol spanningen, vol tegenstellingen ook. Precies zoals we dat bij Paulus zien: een leven vol lijden, vol teleurstellingen, maar ook vol vreugde, omdat zijn leven bezield is van één groot verlangen: de genade van de Heer te mogen ontvangen en dichter bij Jezus te komen. Daarom kan Paulus in alle verschrikkingen toch nog zingen, het hooglied van het apostelleven. Daarom kan hij in 1 Kor.13 zingen van de liefde, die alle dingen doordringt: “alles bedekt zij, alles geloofd zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij… Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde”.

Waar heeft Paulus dat geleerd? Dat zingen en die liefde? Onder het kruis van Christus. Alle werkelijke echte diepe vreugde ontstaat uit het lijden, alle jubel is Paasjubel! En dat is vandaag nog zo, ook in ons eigen leven: alle blijdschap komt voort uit en wordt gedragen door Christus. “Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil”. Het kruis van Christus is onze genade; daaruit mogen wij elke dag leven en zingen.

Hoe ziet zo’n leven onder het kruis van Christus er uit? Het is in de eerste plaats geduldig, in de tweede plaats standvastig, in de derde plaats een zekere houding in alle tegenstand. Het vertoont in alle opzichten een zekere houding, in alle verliezen en teleurstellingen een overvloedige rijkdom en in alle droefheid een triomferende vreugde.

Ten eerste: een geduldige kracht. Wie wil beweren, dat geduld zwakheid is? Nee, geduld is kracht, die volhardt. “Wij doen ons in alles kennen als dienaren van God, in veel dulden, verschrikkingen enz.” Zo schrijft de apostel. “Geduld” is vanuit het Grieks eigenlijk “het er onder blijven” “Er onder” want er zijn dingen “waar over” de mens geen macht heeft, die hij dus over zich heen moet laten gaan. Maar aan de andere kant zit in geduld ook een volharden, altijd dezelfde zijn, in geluk en nood, in voorspoed en tegenspoed, in ziekte en gezondheid, in rijkdom en armoede. “In noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappeen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten…” In dat alles bleef Paulus ongebroken in moed en geloofsblijdschap. Hadden wij maar iets van dat geduld! Wij zijn zo’n zwak geslacht geworden, dat we bijna geen spanningen meer kunnen verdragen, dat we zonder zorgen bezwijken in plaats van er “onder” te blijven en dan in stille volharding er boven uit te groeien met Christus’ hulp. Oudere mensen weten dit vaak nog wel, om dat ze dit vroeger met scha en schande hebben geleerd. Maar voor jongeren is dit abracadabra, ze vinden dit eigenlijk maar “soft”. Totdat ook zij klappen te verwerken krijgen en geen kant meer uit kunnen. Het leven kan soms zo bitter hard zijn, voor oud en jong!

Dan de standvastigheid in alle schommelingen van het leven. Ik denk aanvechtingen, aan gemoedsstemmingen, jaloezie, onbegrip, lange tenen enz. Steeds dezelfde te zijn in de liefde, die alle dingen bedekt, die alles verdraagt, hoe kan een mens dat? Juist, alleen in die liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat! En tenslotte een zekere houding in alle tegenstand. “Onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht”. Vrij te zijn van de mensen, vrij van de omstandigheden, hoe ze ook zijn, alleen maar te rekenen met God en Zijn eer, dat is een geschenk, niet iedereen gegeven. Ook dat is alleen maar te krijgen in de liefde, waarover Paulus in 1 Kor.13 getuigt, dat zij lankmoedig is, goedertieren, niet afgunstig, niet praalziek, niet opgeblazen, dat zij niemands gevoel kwetst, zich zelf niet zoekt, niet verbitterd wordt en het kwaad niet toerekent. Kortom de liefde die van zich zelf afziet en alleen de ander zoekt. Deze liefde hoeft geen rekening te houden met omstandigheden, met mensen, want zij weet dat alleen die ander telt. Dat is zo in het huwelijk, in vriendschappen, in relaties op het werk, met de buren enz. Al wat gedaan wordt uit liefde, dat zal eeuwig bestaan! En wie dat doet, is vrij van de tirannie van omstandigheden en vertoont in alle tegenstand een zekere houding.

Er is ook nog een vierde facet aan de Christelijke levenshouding, zoals Paulus dat ziet: het dragen van je verliezen en je daarin toch overvloedig rijk voelen. “Als arm, maar velen rijk makend, als niets hebbend en toch alles bezittend”. In het voetspoor van de Heer, Die als een veroordeelde aan het kruis stierf en aan Zijn beulen alleen maar Zijn mantel naliet, maar Die daarmee toch aan ons allen de hemelheeft open gesloten en ons de genade geschonken heeft van Zijn hemelse Vader. Nooit is de tegenspraak tussen uiterlijk en innerlijk, tussen de schijn voor de wereld en het zijn in de goddelijke werkelijkheid van de liefde overweldigender aan de dag gekomen dan hier. Maar deze tegenspraak keert nu ook terug in het leven van ons gewone mensen. Het zal u wellicht naar de buiten kant niet altijd voor de wind gaan. Denk dan aan het woord van Paulus: “als niets hebbend en toch alles bezittend”. Wat hebben we al veel rijkdommen ontvangen in ons leven! Niet vergeten! Steeds maar weer zeggen, als het tegenzit: “EN TOCH, EN TOCH!” En toch ben ik rijk, want ik bezit de liefde en genade van God! Een hele hemel is van mij!

Al deze kanten aan het Christelijke leven worden tenslotte bijeengehouden door de triomferende vreugde. “Als stervend, en zie wij leven; getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blij”. Zo ziet ook ons leven eruit. Zo was het, zo is het en zo zal het altijd zijn. Het is de actualiteit van het menselijke bestaan ten voeten uit. Toch kunnen we blij zijn, omdat ons leven geborgen is in Zijn leven. Omdat de Heer is opgestaan! We gaan Pasen tegemoet, en dat maakt ten enen male het verschil. Alleen vanuit de zekerheid dat Hij leeft hebben wij moed voor de toekomst en kunnen wij elke dag blij zijn. Het leven van een Christen heeft het stempel van onoverwinnelijke kracht. Het is niet klein te krijgen, het kan niet kapot, want het is leven in en uit de Heer van het leven, die stervend ons het leven gaf.

Daarom is het NU tijd van het welbehagen, dag van het heil.

AMEN.

Het lied van de heer in ons midden

Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen. Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Overal nabij is Hij menselijk allerwegen. Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. God van God en licht van licht aller dingen hoeder heeft een menselijk gezicht Aller mensen broeder. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig. Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden in ons rakelings nabij, wonend in ons midden. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. (Tekst: Huub Oosterhuis.)

Taart met de bijbel

Vul een met Psalm 55 ingevette en met Genesis 18 bestoven bakvorm (groot) met het beslag en bak de taart in een 200° C voorverwarmde oven. Temper de oven na 10 minuten op 160°.
Baktijd ongeveer anderhalf uur. (bij hogeluchtoven kortere baktijd)

‘Culinaire ontmoetingen’ is de naam van een alleraardigste bundel (2007) met recepten, bijeengebracht door gemeenteleden van de Ontmoetingskerk in Nieuwleusen. De opbrengst van het te kopen boekje was bestemd voor de renovatie van het jeugdgebouw. Iemand die anoniem wilde blijven zette onder zijn recept ‘buurman Frits’ en dat bracht de werkgroep op het idee onder alle niet ondertekende recepten ‘buurman Frits’ te zetten. Een goede vriendin vertelde me hierover tijdens een bijpraatdag. Zelf had ze de ‘taart met de bijbel’ meerdere malen gebakken en was vol lof. En omdat ik een enthousiaste bak- en braadvriendin heb, en ze bovendien de Bijbelse naam Martha draagt, lag het voor de hand dat zij het recept ging uitproberen.

Vooraf dronken we koffie in haar knusse keuken en toen ging het feest beginnen. De bijbel stond tegen de muur en was even geen richtsnoer voor ons leven, maar een gewoon kookboek.

Ingrediënten

Psalm 55:22 300 gr
1 Samuël 14:29 300 gr
Job 39:17 6 stuks
Genesis 18:6 400 gr
Amos 4:5 2 theelepels
Leviticus 2:13 2 theelepels
Jesaja 38:21 100 gr
2 Kronieken 9:9 2 theelepels
1 Samuël 30:12 100 gr
Hooglied 2:5 1 exempl.
Numeri 17:8 2 eetlep. geschaafd
Richteren 4:19 indien nodig

Bereiding

Roer in een grote kom de ingrediënten uit Psalm 55 en 1 Samuël 14 zacht. Voeg één voor één Job 39 toe en klop goed. Zeef Genesis 18, Amos 4 en Leviticus 2 boven de kom, voeg vervolgens 2 Kronieken 9 toe, en roer het geheel goed dooreen. Snijd de in water geweekte elementen uit Jesaja 38 in stukjes. Was 1 Samuël 30 en dep die droog. Snipper Hooglied 2 klein. Roer Jesaja 38, 1 Samuël 30, Hooglied 2 en Numeri 17 door het beslag en voeg indien nodig nog wat Richteren 4 toe.

Vul een met Psalm 55 ingevette en met Genesis 18 bestoven bakvorm (groot) met het beslag en bak de taart in een 200° C voorverwarmde oven. Temper de oven na 10 minuten op 160°.
Baktijd ongeveer anderhalf uur. (bij hogeluchtoven kortere baktijd)

Martha zeefde, roerde, brak eieren, sneed vijgen in stukjes en vulde de bakvorm met een veelbelovend mengsel, schoof toen het bijbels gebak de oven in en stelde de klok. Terwijl de keuken zich vulde met veelbelovende geuren, dronken we opnieuw koffie en bedachten baklustigen voor dit recept. Helemaal mooi zou zijn als ook andere kerkgenootschappen geïnspireerd raken door de ‘Culinaire ontmoetingen’ uit Nieuwleusen.

Toen het baksel was afgekoeld schoof mijn gastvrouw twee goudbruine punten op een schotel. De smaak was hemels, om in Bijbelse taal te spreken.

Hulde aan Jacqueline Heikens (Utrecht), want haar ‘taart met de bijbel’ werd ingezonden door Ineke Haak-Meerman uit Stedum.

Aly Brug

Waar blijft de tijd?

Het leven is kort, wie weet hoe kort nog maar. Laat dan uw God tot Zijn recht komen door er voor Hem te zijn, elke dag, elk uur, elke minuut. Denken aan de tijd, is denken aan Hem.

Het nieuwe jaar is al een poosje voortgeschreden en we zijn al op weg naar Pasen. Hoe vaak hebben we in die tijd niet gezegd: “Waar blijft de tijd?”

“De tijd is kort”, we weten het wel, om met Paulus te spreken uit 1 Kor.7, 29. “Zie, Gij hebt mijn dagen als enige handbreedten gesteld, mijn levensduur is niets voor U!” Wij erkennen het met deze woorden uit Paslm39, 6. Soms lijkt de tijd een straf, als slag op slag je treft. Soms is de tijd ook een straf, voor de vijanden van God, zo zegt Psalm 81, 16: “Zij, die de Here haten… hun straftijd zou voor altijd duren”. Toch gaat het duren van de tijd ook gepaard met een belofte: “Voortaan zullen zo lang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden” (Gen.8,21).Israël mocht uit deze belofte leven. Daarom werd de Nieuwjaardag met lofgezang en bazuingeschal gevierd. Lees Numeri 29,1:  “En in de zevende maand, op de eerste dag van de maand, zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten, het zal een jubeldag voor u zijn”. Eigenlijk staat er “een dag van geklank” En wat voor een geklank! Luister maar naar Psalm 81, het begin:

“Jubelt God, onze sterkte,
Juicht ter ere van Jacobs God!
Heft een zang aan, laat de tamboerijn horen,
De liefelijke citer met de harp.
Blaast  de bazuin op de nieuwe maan,
Op volle maan voor onze feestdag!”

Zo feestelijk ging het er bij ons niet meer toe bij “het vieren van de tijd”, de overgang van het Oude naar het Nieuwe Jaar. De Oudejaarsklokken werden overstemd doorheidens vuurwerk en de Nieuwjaarsklokken luidden al lang niet meer!

“Ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten!” Een nieuwe dag breekt aan, een dag van feestgedruis. God geeft toch weer een nieuw jaar! Hij is er bij in onze tijd. Maar wij, zijn wij ook bij de tijd? Ik bedoel: in die zin, dat we de tijd ook gebruiken, “uitkopen” zegt Paulus in Efeze (5,16) en Kolossenzen (4, 5). Dat is de tijd gebruiken in dienst van de Heer. Tijd is altijd “tijd krijgen” van God, het is genadegave, elke dag opnieuw, elk uur, elke minuut, ook in het Nieuwe Jaar 2011.

Het leven is kort, wie weet hoe kort nog maar. Laat dan uw God tot Zijn recht komen door er voor Hem te zijn, elke dag, elk uur, elke minuut. Denken aan de tijd, is denken aan Hem. Oud en Nieuw is uitzien naar de eeuwigheid. Onze van God gekregen tijd staat in het teken van die eeuwigheid! Zo gaan we op naar Pasen om dat te gedenken. Hoe de Heer de lijdensweg is afgegaan om de tijd vol te maken. “De tijd is vervuld” door Hem (Markus1, 15). De tijd is vol gemaakt van Gods genade in Jezus Christus. 2011 mag van Godswege weer een jubeljaar wezen!, voor u en voor mij. Wat hebben we nog meer te wensen?

Hoop

Gemeenteleden komen binnen, begroeten elkaar en praten gedempt, zachte orgelmuziek. In het koor staat een kerstboom met stijlvolle versiering. Door de verschillende bouwperioden is de lichtinval in het koor optimaal in tegenstelling tot het schip van de kerk. Spaarzaam licht valt hier door de romaanse vensters.

Sint-Bonefaciuskerk in Vries (Drente)Vries, zondagmorgen de vierde Advent. Ongerepte sneeuw, prikkelende vrieskou en aangename stilte in dit fraaie Drentse dorp. We maken een ommetje rond de Sint-Bonefaciuskerk en genieten van het protestantse kerkje met deels romaans en deels gotisch uiterlijk. Zijn de toren en het schip romaans 12e eeuw, het rondgesloten koor is rond 1425 vervangen door het huidige en is hoog en gotisch. Een samentrekking van stijlen in harmonie.

Vanmorgen gaat niet de eigen predikant ds. John van Ool voor, maar prof. dr. Frits de Lange. We zijn vroeg, de kosteres nodigt ons uit voor een kopje koffie in het ‘Ontmoetingshuis’. Op een lange tafel staan kerstbakjes in ruime sortering, tussen het groen staan de laatste geglazuurde engelen. Zorgzame èn creatieve handen waren afgelopen dagen in de weer, de opbrengst gaat naar World Servants voor een  project in Malawi.

Liturgisch heeft deze PKN-gemeente niveau, maar men zingt middels een beamer en dat voelt lastig. Ik mis het alleen zijn met de teksten, die dan aan diepte lijken te winnen. Liedboeken en bundels ‘Tussentijds’ liggen bij de ingang en dat is prettig. Gemeenteleden komen binnen, begroeten elkaar en praten gedempt, zachte orgelmuziek. In het koor staat een kerstboom met stijlvolle versiering. Door de verschillende bouwperioden is de lichtinval in het koor optimaal in tegenstelling tot het schip van de kerk. Spaarzaam licht valt hier door de romaanse vensters.

De kerkenraad komt binnen en de dienstdoende ouderling doet de afkondigingen. Een kind steekt de vier adventskaarsen aan. In hoeveel kerken wordt dit ritueel vanmorgen niet gedaan? Frits de Lange houdt van zingen, ik tel 20 verzen. De eerste lezing is Micha 7:1-8 en dat is niet mis. De profeet noemt herkenbare narigheid, maar desondanks blijft hij in vers 7 hopen  op God, die redding zal brengen. Daarna volgt de evangelielezing, Matteüs1:18-25.

Langzaam werkt dr. Frits de Lange in zijn preek toe naar het woord ‘hoop’. ‘Hoop legt zich niet bij de feiten neer. Hoop houdt je op de been; in de hoop vind je God.’ Hij leest een tekst voor van Charles Péguy (1912), waarin God vertelt hoe Hij kijkt naar geloof, hoop en liefde. Het fragment over de hoop geeft onverwachte kracht.

Geloof en liefde zijn als vrouwen.
Hoop is een heel klein meisje van niks.
Zij stapt op tussen de twee vrouwen
en iedereen denkt: die vrouwen houden
haar bij de hand,
die wijzen de weg.
Maar daarvan heb ik meer verstand,
zegt God, ik zeg:
het is dat kleine meisje hoop
dat al wat tussen mensen leeft
en al hun heen en weer geloop
licht en richting geeft.
Want het is dat kleine meisje hoop
– je ziet het zwak zijn, bang zijn, beven,
je denkt soms dat het zo onooglijk is –
het is dat kleine meisje hoop
dat de mensen zien laat, zien soms even,
wat in het leven mogelijk is.

Dr. Frits de Lange sluit af. ‘Volgens Paulus is de liefde de meeste van de drie, maar vanmorgen even niet.’ In het Ontmoetingshuis geurt de koffie…

Aly Brug

Hendrikje

We maakten van elektriciteitsdraad een figuurtje, omwikkelden het met folie, brachten vormen aan en verstevigden het met schildersplakband. Een piepschuim balletje werd bovenop geplaatst, zowaar het leek een mensje. En toen moest ik knippen in een meegebracht T-shirt. En dat voelde raar, het was haast of ik in de drager er van knipte.

HendrikjeSinds kort woont ze bij ons. Ze heet Hendrikje en is pril, de stem heb ik nog niet gehoord. Haar bestaan heeft ze te denken aan een verrassend bezoek.

Op een hete julidag kwam een goede vriendin een dagje op bezoek. Al pratend droeg ze een krat vol spullen naar de tuin en vertelde opgewekt dat wij samen die dag zouden gaan klussen. Opkomende weerzin onderdrukte ik manmoedig. Onder de koffie leidde ze het karwei in. Alles draaide om Pretex, een zelfhardend materiaal, en oude T-shirts. Ondertussen spreidde ze zorgvuldig een plastic kleed over de tuintafel en diepte uit het krat het één na het ander op. Toen begon het spektakel. We maakten van elektriciteitsdraad een figuurtje, omwikkelden het met folie, brachten vormen aan en verstevigden het met schildersplakband. Een piepschuim balletje werd bovenop geplaatst, zowaar het leek een mensje. En toen moest ik knippen in een meegebracht T-shirt. En dat voelde raar, het was haast of ik in de drager er van knipte. Treuzelen was er niet bij. Onder aanvuren van de vriendin haalde ik de repen door het grijze goedje in de emmer en omwikkelde armpjes en beentjes. En of het nog niet genoeg was drapeerden we samen grote glibberige lappen om het lijfje. Griezelend drukte ik nog een pluk kleffe poetskatoen op het hoofdje en zie, ze was er. We dronken thee, Hendrikje kwam langzaam op verhaal, een zwoele wind droogde haar. Willem sloeg alles argwanend gade, schoot toen voorbij in een roodoranje flits.

De vriendin vertrok en ik droeg Hendrikje naar het prieel. ‘Tot morgen’, beloofde ik.

Ze mocht van mij een halve week drogen, maar toen pakte ik een kwast en kleurde haar met antiek koper. Na een paar dagen pakte ik opnieuw de kwast en kreeg ze weer een laagje. En weer mocht ze bijkomen. Tot slot werd ze bewerkt met blanke lak. Ze leek te protesteren.

Maar toen was ze klaar en nam ik haar mee naar een stille plek tussen het groen. Vanaf een tuinbank sloeg ik haar gade en verwonderde me hoe iets uit vrijwel niets kon ontstaan. Hendrikje was op haar gemak, sterker nog, ze leek één te worden met de natuur. Het was alsof ze elkaar vanuit die éénheid versterkten in schoonheid. Zoals mensen die van elkaar houden. Willem sprong naast me op de bank en zo zaten wij drietjes samen, in onuitgesproken saamhorigheid. De wind ruiste zacht als zong ze een welkomstlied voor die frêle bronzen gestalte en die beide anderen. Vaag kwamen woorden van dichteres Judith Herzberg boven drijven:

Steek op noordenwind
en waai door mijn tuin
myrrhe, balsem, wierookboom
en jij ook zuidenwind
dan wordt alles rijp.

Sinds kort staat Hendrikje in een ruime nis in de hal. Wanneer ik ’s morgens de trap afloop is zij de eerste die me woordloos begroet. En schijnt de zon, dan streelt het zonlicht haar en doet haar glanzen van genoegen…

Aly Brug

De gelijkenis van de wijnbouwers

God heeft ons in het geloof een wijngaard toevertrouwd. En wij moeten daarvan verantwoording afleggen. Kunnen we ons zelf en onze levenswandel verantwoorden, als Hij ons bij Zich roept?

Lukas 20, 9-19

9 Hij richtte zich nu tot het volk met deze gelijkenis: ‘Iemand legde eens een wijngaard aan; hij verpachtte hem aan wijnbouwers en ging voor lange tijd naar het buitenland.
10 Toen het er de tijd voor was, stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers gaven hem een pak slaag en stuurden hem met lege handen terug.
11 Hij zond nog een andere slaaf, maar ook die gaven ze een pak slaag, ze mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug.
12 Hij zond nog een derde, maar ook die takelden zij toe en ze gooiden hem de wijngaard uit.
13 “Wat moet ik nu doen?” zei de eigenaar van de wijngaard. “Ik zal mijn liefste zoon zenden; hem zullen ze toch wel ontzien.”
14 Maar toen de wijnbouwers hem zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons.”
15 Ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen?
16 Hij zal komen en die wijnbouwers ter dood brengen, en de wijngaard zal hij aan anderen geven.’ Toen ze dat hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’
17 Hij keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan dit schriftwoord: De steen die de bouwlieden hadden afgekeurd, die is de hoeksteen geworden?
18 Iedereen die over deze steen valt, valt te pletter, en als hij op je valt, word je vermorzeld.’
19 De schriftgeleerden en de hogepriesters hadden Hem het liefst meteen opgepakt, ook al waren ze bang voor het volk, want ze begrepen dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)

Deze gelijkenis moet de omstanders van Jezus bekend in de oren geklonken hebben. Het herinnerde immers sterk aan het bekende gedeelte van Jesaja 5:

1 Ik wil zingen voor mijn dierbare vriend,
het lied van mijn dierbare vriend en zijn wijngaard.
Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare helling.
2 Hij spitte hem om, verwijderde de stenen en beplantte hem met edelwingerd.
Hij bouwde er een wachttoren en kapte ook een wijnpers uit.
Nu verwachtte hij dat hij druiven zou dragen, maar hij bracht slechts wilde bessen voort.
3 Welnu, bewoners van Jeruzalem, mensen van Juda,
doe uitspraak tussen Mij en mijn wijngaard.
4 Wat kon Ik nog voor mijn wijngaard doen
dat Ik niet heb gedaan?
Waarom bracht hij slechts wilde bessen voort,
terwijl Ik verwachtte dat hij druiven zou dragen?
5 Welnu, Ik zal u vertellen wat Ik met mijn wijngaard ga doen.
Zijn omheining haal Ik weg, zodat hij kaal wordt gevreten;
zijn muren verniel Ik, zodat hij wordt vertrapt.
6 Een wildernis maak Ik ervan, hij wordt niet gesnoeid en niet gewied,
distels en doorns groeien er hoog, en de wolken verbied Ik om hem met regen te besproeien.
7 De wijngaard van de HEER van de machten is het huis van Israël,
zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda.
Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht,
Hij zag geen betrachting, maar verkrachting van recht.

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)

U leest het: dit stuk heeft alles te maken met onze gelijkenis. Er zijn gemeenschappelijke trekken. Het eind verwijst zelfs naar wat er met Jezus gebeurd is: het verhoor voor de Hoge Raad en de kruisiging op Golgotha. Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht! Geen rechtsbetrachting, maar rechtsverkrachting! De gelijkenis herinnert aan de oordeelsaankondiging, precies zoals de profetie van Jesaja 5. De wijngaard is het volk en de wijngaardeniers zijn de leiders van dat volk. Dat alles is voor de goede verstaanders heel duidelijk. De Heer van de wijngaard, die in het buitenland woont, is God. De knechten, die Hij stuurt, zijn de profeten, en de Zoon tenslotte doelt op Jezus als de Messias.

Aan de gelijkenis kan ook de actualiteit van Jezus’ dagen ten grondslag liggen. Want in die tijd was heel veel land, zeker in Noord-Israël rond het meer van Galilea in buitenlands bezit, in handen van grootgrondbezitters. Zij beschouwden de grond alleen maar als een goed belegging, zoals dat vandaag nog gebeurt, ook in ons eigen land. In de zogenaamde “arme” landen zie je dat overal: de rijken bezitten de grond en de armen kunnen daarop ploeteren. Geen wonder dat zij in opstand komen, want daar ligt een groot stuk onrecht! Er was in Jezus’ tijd ook zo’n opstandig gevoel bij de mensen: de Romeinen moesten het land uit, de grond moest vrij komen voor de eigen Joodse mensen. De oude staat Israël, het koninkrijk van David, moest in ere hersteld worden, De Zeloten, vrijheidsstrijders die zich zo noemden (de “ijveraars”), bereidden een dergelijke opstand voor, en de Galilese boeren waren daar best voor te vinden! ’t Is misschien best wel eens gebeurd, dat zij de knechten van de grondbezitter die om de pacht kwamen, hebben gedood en ook de zoon zelf. Misschien hebben zij gedacht: “daar komt de zoon, de erfgenaam, zijn vader is zeker gestorven en nu is hij de baas. Als wij hem doden, dan is het land van niemand meer en kunnen wij het in bezit nemen.” Er was ook een wet, die dat zei: grond dat van niemand meer is, kun je in bezit nemen, eenvoudig door er een omheining omheen te zetten; wie ’t eerst kwam ’t eerst maalde! In de praktijk zal dat best eens gebeurd zijn. Zo was die gelijkenis, die Jezus vertelde, voor de mensen best interessant. Dat met die zoon van de baas Jezus Zelf bedoeld werd, zullen ze -denk ik – eerst nog niet begrepen hebben. Pas later hebben ze gedacht: hé, daar bedoelde natuurlijk de Here Jezus Zich Zelf mee!

Maar de priesters en Schriftgeleerden hadden wel begrepen, dat de gelijkenis vooral op hen sloeg. We moeten niet vergeten: Jezus stond in de tempel. Het was op de dag, dat het tempelbestuur Hem ter verantwoording wilde roepen over wat Hij in de tempel gedaan had. Hij had immers de tafels met offergeld omgegooid en de duiven vrijgelaten om weg te vliegen. Daarbij had Hij gezegd: “Jullie maken van het huis van mijn Vader, dat een gebedshuis moet zijn, een rovershol, een marktplaats, waar de handel en het geld verdienen centraal staat”. Kijk, en daarom kwamen er zoveel priesters en Schriftgeleerden om Hem heen staan, want ze wilden Hem te pakken nemen. Als ’t even kon, wilden zij Hem zelfs er dood laten brengen. Want ze begrepen goed, nu weer, nu Jezus ’t over die wijnbouwers had , dat Jezus iets tegen hen had.

Ook wat Jezus zei over die winstmakerij in de tempel en wat die pachters deden. Zij plukten immers groot voordeel uit de tempelhandel, zij streken de winst op van de verkoop van de offerdieren en het omwisselen van gewoon geld in tempelgeld. Zij hadden de leiding van het volk in handen, bezetten de voornaamste posities en heel dat systeem hielden zij keurig in stand. Zij bedachten allerlei nieuwe godsdienstige regeltjes, waar het gewone volk zich nauwelijks aan kon houden, maar het was alles tot hun eigen eer… Zij trokken de wijngaard van de Heer naar zich toe, puur uit eigen belang. Niet om de belangen van de Heer te dienen waren zij zo druk in de weer, en ijverig waren ze, dat moet gezegd worden! Maar alleen om er zelf beter van te worden. De armen werden uitgebuit. God had hen de leiding van Zijn volk, de wijngaard, toevertrouwd. Hij verwachtte goed bestuur, maar zie het was bloedbestuur! Hij wachtte op rechtsbetrachting, maar zie het was rechtsverkrachting! Jesaja had gelijk gekregen.

Jezus eindigt de gelijkenis met een vraag, zoals Hij zo vaak deed. “Wat zal de Heer doen met die wijnbouwers, die Zijn Zoon zo schandelijk vermoord hebben?” Iemand uit het volk zei heel terecht: “Hij zal die booswichten een ellendige dood doen sterven en de wijngaard aan anderen geven”. Maar de overpriesters en Schriftgeleerden, die er bij stonden en best begrepen, dat zij er mee bedoeld werden, zij riepen uit: “Nee, dat niet, dat nooit!” Dan herinnert Jezus hen aan het woord van Psalm 118: “De steen, die de bouwlieden hebben afgekeurd, is tot een hoeksteen geworden. Een ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal Hij vermorzelen.” De hoeksteen, dat is de draagsteen van een gebouw, of de sluitsteen, die het gewelf boven bijeen houdt. De Zoon van de baas werd afgewezen, vermoord, maar denk er aan: Hij is als de hoeksteen! Je kunt Hem afwijzen, maar dan stort het hele gebouw in elkaar en je wordt er ook zelf door verpletterd.

God heeft ons in het geloof ook een wijngaard toevertrouwd. En wij moeten daarvan verantwoording afleggen. Hij stuurt ons Zijn knechten, de boodschappers van Zijn Woord, maar luisteren we naar hun boodschap? Kunnen we ons zelf en onze levenswandel verantwoorden, als Hij ons bij Zich roept? Nemen we de Zoon aan op wijzen we Hem af? Hij, Die de brenger van de boodschap en de boodschap zelf is?

Van de goede wijnbouwers zal gelden op de dag van het laatste oordeel, wat in Jesaja 27, geschreven staat:

2 Op die dag zal men zeggen:
‘Wat een prachtige wijngaard!
Zing daar een lied over!’
3 Ik, de HEER, bewaak hem,
elk ogenblik bevloei Ik hem;
dag en nacht houd Ik de wacht
opdat niemand hem beschadigt.
4 Mijn toorn is voorbij!
Wie wijst Mij doorns en distels?
Ik zou er strijdvaardig op afgaan
en ze allemaal in brand steken;
5 of men moet mijn bescherming zoeken
en vrede met Mij sluiten,
vrede sluiten met Mij!
6 In de toekomst schiet Jacob weer wortel,
Israël zal uitlopen en bloeien,
zodat de hele aarde met de vruchten wordt bedekt.

Dit geldt voor iedereen, die in de wijngaard van de Heer mag werken, ook u en mij! Dit geldt ook het volk van Israël vandaag, die prachtige wijngaard! Maar je mag ook heen wijzen naar die andere profetie: dat God Zelf Zijn wijngaard zal oprichten: “Israël zal bloeien en uitspruiten en de aarde zal vol vruchten zijn”. Toch moeten we ook voorzichtig zijn met die waarschuwing uit de gelijkenis. Het wordt zo gauw vergeten, dat het Gods wijngaard is en niet de onze! En dat niet alleen het volk Israël, maar alle volken tezamen, ook de Arabische volken, Gods wijngaard vormen, waarvan de vruchten Hem toebehoren en Hem alleen toegebracht moeten worden! Wie dat niet doet, zal het oordeel over hem moeten aanhoren, zoals geschreven staat in Openbaring 14:

“Zendt uw scherpe sikkel uit en snijdt de trossen van de wijngaard der aarde”. Dan is het te laat om nog te groeien, om nog iets aan je eigen vruchtbaarheid in dienst van Gods wijngaard te doen. Dan zal van ons gelden: “Het Rijk van God zal van u afgenomen worden”. Of zullen wij de roepstem mogen horen: “Komt, gij gezegende van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld!”

AMEN

De God van Jacob

Wij geloven wel, dat God onze sterkte is, maar als ’t er op aankomt, dan is toch ons vertrouwen vaak zoek en onze aandacht op andere dingen gericht.

Psalm 146, 5
“Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft”

Russisch orthodoxe icoon van Jacob, 18de eeuw (Iconostasis of Kizhi monastery, Russia).De God van Jacob, is dat niet een eigenaardige benaming? Had Jacob dan een God voor zich apart? We lezen toch ook niet van de God van Mozes en de God van David en de God van u alleen? Maar wel van de God van Jacob!

Dat komt, omdat Jacob een aparte betekenis heeft in het geloof van Israël. Het is immers niet alleen de naam van de persoon Jacob, de aartsvader, maar het is ook de naam geworden van het hele volk. Jacobs God is dan Israëls God!

Maar ik denk, dat het hier in de tekst vooral gaat om Jacobs God als de God, Die met Jacob meeging en voor Jacob als persoon zorg droeg. Daarom is de tekst ook zo actueel voor ons, aan het begin van het nieuwe jaar. Die Jacob zouden u en ik kunnen zijn. De God van Jacob wordt dan uw en mijn God. “Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here, zijn God!” Wie was die Jacob dan wel, dat hij hier met zo veel ere genoemd wordt?

U kent de geschiedenis. Het was eigenlijk niet zo’n beste brave broeder, die Jacob! Het begon al met de manier, waarop hij het eerstgeboorterecht aan zijn broer Ezau ontfutselde. De schotel linzen werd de koopprijs, zogenaamd tenminste, want het was bedrog dan eerlijke koop. Dan volgt de tweede stap, de blindheid van zijn vader maakte het mogelijk hem te bedriegen! Jacob geeft zich voor Ezau uit en de list lukt: naast het eerstgeboorterecht heeft hij nu ook, op nog gemener manier, de eerstgeboortezegen verkregen. Dan moet hij vluchten voor zijn broer. Die natuurlijk vreselijk boos is. En hij komt terecht bij oom Laban. Onderweg, te Bethel, heeft hij een visioen, waarin de Heer hem verschijnt en hem belooft: “Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult en Ik zal u weerbrengen in dit land, want Ik zal u niet verlaten”. Jacob is er onthutst van, hij had er niet meer op gerekend dat God hem gevolgd was op zijn vluchtweg, hem, de bedrieger! Onverdiende genade!

Maar al gauw neemt de oude koopmansgeest weer de overhand. Hij legt een gelofte af: Wanneer God met hem zou blijven en hem te eten zou geven en kleren en een vredige terugkeer in het huis van zijn vader, dan zou de Heer hem tot een God zijn! Dat is dus mooi egoïstisch! Hij stelt zijn voorwaarden aan God. God moet hem eerst van alles en nog wat geven, pas dan zal Jacob er over denken Hem als God te gaan dienen. Tjonge, dat staat er toch zo maar, in de Bijbel! Moeten we die Jacob nou tot voorbeeld nemen? En moet de God van uitgerekend zo’n man ons tot hulp zijn?

Ho eens even, de geschiedenis gaat wel verder. Jacob komt bij Laban en oom en neef blijken aan elkaar gewaagd. Ze bedriegen elkaar bij het leven! Ondertussen vaart Jacob er wel bij. De Heer zegent hem in alles wat hij onderneemt, mooi en lelijk. Hij wordt een welgesteld man, krijgt zelfs beide dochters van Laban tot vrouw. En dan, als hij er genoeg van heeft, trekt hij – weer stiekem – weg met alles wat hij bezit. Natuurlijk is Laban kwaad, maar God komt terzijde. Een tweede gevaar dreigt: Ezau! Die trekt hem met een legertje tegemoet. Maar weer komt God tussenbeide en Jacob kan behouden terugkeren naar het land der vaderen.

Zo liggen de feiten. Ze werpen een helderlicht op onze tekst, vindt u niet? Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft. Want Jacobs God – dat is duidelijk gebleken – is een God van onverdiend zegeningen, de God Die door dik en dun naast je blijft gaan en je door alles heen helpt. Nou, logisch, dat je dan goed af bent , wanneer je deze God “ter hulpe” hebt. Toch is dit wat al te gemakkelijk geconcludeerd. Uit Jacobs geschiedenis is heel wat meer te leren dan dat alleen!

Kijken we nog eens wat dieper achter de feiten. Het eerste, wat opvalt, is, dat Jacobs God een “man van de praktijk” is. Laten we ’t zo maar wat oneerbiedig zeggen! Steeds was God voor Jacob een Helper in nood. Met al zijn bedriegerijen, zijn mooie plannetjes en bedrog zou Jacob het alleen nooit gered hebben. Het was altijd weer zijn God, Die hem op het kritieke moment te hulp kwam. Wij zingen daar ook van met de woorden van Psalm:

Hij kan en wil en zal in nood
Zelfs bij het naad’ren van de dood
Volkomen uitkomst geven.
Psalm 68 vers 10

Maar Jacob zong er niet van! Bij hem was dat, waarvan wij zingen, levenswerkelijkheid. En dat is toch geweldig, vindt u niet? Wij geloven ook wel, dat God onze sterkte is, maar als ’t er op aankomt, dan is toch ons vertrouwen vaak zoek en onze aandacht op andere dingen gericht. Dan zijn we precies als Jacob, we doen het op onze eigen manier: als ’t niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks, met bedrog en gemenigheid. En als ’t ons dan ook nog lukken wil, dan danken wij God voor Zijn hulp! Toch is de bewegende kracht in ons leven meestal niet God, maar ’t zijn heel andere dingen, de dingen waaraan ook Jacob hechtte: aardse goederen en macht. Wij kunnen daaraan toevoegen: geld, gezondheid,veiligheid en rust. Kijk maar naar de hausse in de Oudejaarsloterijen! Wij kunnen ons het leven niet anders voorstellen dan met al die aardse zekerheden .Als we die niet hadden, zouden we geheel onthand staan. Maar als we God niet hadden, zouden we dan ook onthand zijn? Het zou misschien wel even vreemd zijn, maar onmogelijk? Nee, dat niet. We zouden ons er desnoods om redden, niet waar? Wie helpt ons het meest, als de nood aan de man komt? Een heel eerlijke vraag, op de man af. Ons geld en bezit, ons verstand en gezondheid, of God? Bemoeit God er Zich mee, als we verlegen staan en niet weten wat we moeten doen? Als de nood komt en we geen uitkomst zien? Zouden we echt verlegen staan en onthand zijn, als God er niet was? De landbouwer met al zijn technische middelen, de arts met zijn medische kennis, de winkelier met zijn duizenden artikelen, de banken met hun crisisproblemen, de politicus en bestuurder? Zouden ze verlegen staan zonder God? U en ik? Zege nou eens eerlijk! Ja, de dominee zou verlegen staan en onthand zijn, tenminste dat zou je mogen verwachten. Maar al die anderen?

Gelovigen sidderen voor de dood, net als de anderen, soms zelfs nog meer. Zieken zijn hulpeloos en radeloos. Jacobs God zou hen toch niet zo laten zitten. Hij zou minstens Zijn engelen gestuurd hebben om te helpen, dacht u niet? Dat is toch wel wat anders dan zingen van: Hij kan en wil en zal in nood volkomen uitkomst geven. Dit is toch het eerste, wat ons treft in onze tekst: dat God een man van de praktijk is, Die wij ook in de praktijk van ons leven best kunnen gebruiken. Het tweede, dat opvalt, is, dat God zo veel geduld met Jacob heeft. Vroeger spraken ze van “Gods lankmoedigheid”. Jacob kan blijkbaar doen wat hij wil, God blijft hem trouw, zonder één woord van berisping of verwijt. En wat Jacob deed, was toch heel erg! Het eerstgeboorterecht was voor hem bestemd. Op Gods tijd had hij het echt wel gekregen. Maar de mens kan niet wachten. Jacob moest God zo n nodig een handje helpen. Herkent u deze melodie? Jacob dorst het zelfs nog te zeggen ook: “Als God met mij zal gaan en mij zal zegenen, dan zal ik Hem eren (en anders niet)!”

Ik heb een tijd gehad, dat het verhaal van Jacob mij ergerde. Ik begreep Gods houding niet. Net als een te softe moeder, die altijd maar toegeeft aan haar kinderen, omdat ze te zwak is om te weigeren. Maar die kritiek op God heb ik nu niet meer. Ik weet maar al te goed, hoe ’t er met mij zelf voorstaat. Ik wou dat ik dat kind was van die zachte moeder, ik wou dat ik Jacob was met zo’n God! Ik heb begrepen, dat die lankmoedigheid van God, Zijn genade alleen, mijn enige kans tot redding en behoud is. Zoals de Paulus zegt: “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor.12, 9). Dat heeft de apostel ook moeten inzien door scha en schande. MIJN GENADE IS U GENOEG! Zijn genade is de enige kans tot redding en behoud. Dat was het voor de aartsvader Jacob, dat is het ook voor mij. Daaraan heb ik het te danken, dat mijn leven niet is mislukt, dat ik nog kansen krijg ook in het nieuwe jaar 2011. Alleen maar, omdat God mij niet vergeldt naar mijn zonden. Wij moesten ons schamen, dat we nog kritiek op God hebben, omdat Hij soms niet is of doet, wat wij van Hem gedacht hadden! In plaats van kritiek te hebben moesten we ons dankbaar tonen: WELZALIG HIJ. DIE DE GOD VAN JACOB TOT ZIJN HULPE HEEFT!

Er is nog een derde punt in onze tekst, die ik u voor het nieuwe jaar wil doorgeven. Dat is de WIJSHEID van God, die het alles ten goede keert, die ons leidt in de rechte sporen om Zijns Naams wil, ook al gaat onze weg soms langs een heel krom spoor, zelfs door het dal van de schaduwe des doods. Kromme sporen had Jacob nogal eens getrokken, kromme sporen zijn er ook genoeg in ons eigen leven, daarvoor hoeven we niet naar andere mensen te kijken! Het lijkt wel of Jacob ongestraft zijn levensweg ging, alsof God zijn zonde niet zag en hem voorspoedig maakte in al zijn doen. Maar zó is het toch niet! Jacob heeft in zijn leven ook veel verdriet gehad. Daarmee heeft hij zijn trekken thuis gekregen, zou je kunnen zeggen. Denk maar aan Jozef en Benjamin. Bij de geboorte van de laatste stierf Jacobs geliefde vouw Rachel. En van Jozef werd door zijn broers verteld, dat hij door een wild dier was verscheurd. Ja, een mens kan soms veel verdriet hebben om zijn kinderen! Maar God heeft in zijn leven al die smarten bewaard tot de tijd, dat hij het dragen kon, zonder er door verpletterd te worden. Daar moesten wij ook maar eens meer aan denken! Soms zeggen we wel eens: waaraan heb ik dat toch verdiend? En we vergeten, dat het ons altijd goed gegaan is, onverdiend! En dat we nu sterk mogen zijn om de tegenspoed aan te kunnen. Dat God ons daartoe de kracht geeft. Jacob moest eerst “Israël” worden, strijder van God, voordat hij het leed in zijn leven kon dragen. Niet als straf, maar als verdieping en heiliging van het leven. Gods wegen zijn wonderlijk. Dat zien we ook hier bij Jacob: God strijdt eerst tegen Jacobs vijanden, en toen zij verslagen waren, keerde Hij Zich tegen Jacob zelf. En zo is Jacob Israël geworden. Ik bedoel: zo is uit die aartsbedrieger de gelovige aartsvader gegroeid. Zou dat bij ons ook niet kunnen? Gods zegeningen hebben Jacob innerlijk verrijkt, daardoor kon hij ook de ellende in zijn leven later verdragen.

Heeft Jezus zo ook niet Zijn discipelen onderwezen? Pas toen zij tot belijdenis van hun geloof gekomen waren en Christus als hun Heer en Koning aanvaard hadden, pas oen achtte Hij de tijd rijp om hen voor te bereiden op de erge dingen, die hen te wachten stonden. “Van toen aan”, zo staat in het Mattheüs-Evangelie, “Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te leren, dat Hij moest lijden en verworpen worden en gedood”. Zo heeft ook Jacobs God met Jacob gehandeld en hem behouden. Zou Hij dat met ons anders doen?

Dat alles zit in de uitdrukking “Jacobs God”. Is dat niet hetzelfde als wat Jezus van God heeft geopenbaard? Dat Hij is een God van genade, van onverdiende zegeningen. “Zou Hij, Die ons Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” (Rom.8, 31)

OOK IN HET NIEUWE JAAR 2011?

Blijf bij ons

Het enige wat we echt kunnen doen is bidden: “Heer, blijf bij ons…”. Want veel zal er van het afgelopen jaar niet overblijven. Dat is immers de tragiek van ons leven, dat alles zo vergankelijk is. Zo heb je het opgebouwd, zo is het ook weer afgebroken. De dichter van Psalm 90 spreekt niet voor niets over het leven als “het vlees, dat is als gras, dat verdort”.

Lukas 24, 29
“Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald.”

Op het moment, dat ik dit schrijf, is het jaar 2010 bijna voorbij. Het is avond geworden in 2010, ja avond in het eerste decennium van de 21e eeuw. Weer een jaar voorbij, weer tien jaren voorbij. En we staan voor een nieuw jaar, sterker nog: voor een nieuw decennium. En we zijn het al binnen gegaan.

Het enige wat we echt kunnen doen is bidden: “Heer, blijf bij ons…”. Want veel zal er van het afgelopen jaar niet overblijven. Dat is immers de tragiek van ons leven, dat alles zo vergankelijk is. Zo heb je het opgebouwd, zo is het ook weer afgebroken. De dichter van Psalm 90 spreekt niet voor niets over het leven als “het vlees, dat is als gras, dat verdort”.

Het is avond geworden, en we zijn een nieuwe dag ingegaan, een nieuw jaar. Wat hebben we van het oude mee kunnen nemen in het nieuwe? Is het niet juist dat, waarvan de Bijbel spreekt, dat wat BLIJFT: het Woord van God? Het Woord van God, Die blijft zoals Hij is, Die met ons meegaat als een Gids in het dal van de schaduwen des doods (Ps.23). Hij blijft, en daarom mag het nieuwe jaar, wat we zojuist zijn binnen gegaan, ook weer een jaar van Zijn goedheid worden, een vreugdejaar! “Blijf bij ons Heer”, zo vroegen de Emmaüsgangers aan Jezus. “Ja, Ik kom en Ik blijf”, antwoordt de Heer. Daar zal wel eens om geworsteld moeten worden, zoals Jakob deed aan de Jabbok, toen hij God smeekte: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij me zegent”. Maar, dit is de zekerheid, als wij er om vechten: Hij zal ons zegenen! “Zie, Ik ben bij nu al de dagen…” Laten we daarop vertrouwen en zo vertrouwend het nieuwe jaar binnengaan en doorlopen. Droefheid en weemoed mogen bij een Christen nooit het laatste woord hebben, maar veeleer vertrouwen, vreugde, dankbaarheid. Dat zal onze kracht zijn ook in het nieuwe jaar 2011!

BLIJF BIJ ONS HEER, KOM SPOEDIG!

Verkondiging 26 XII 2010 – 2e kerstdag

Bidden wij op deze bijzondere dag om voorspoed en zegen voor allen die waarde hechten aan gezin en familie.

Sirach 3: 2 t/m 6, 12 t/m 14, Ps.128, Kol 3: 12 t/m 21, Mt 2: 13 t/m 15, 19 t/m 23

Het is een pracht boek, de bijbel, maar – het mag dan Gods woord zijn en daarnevens meestal glashelder – je mag dat woord wel met verstand lezen, om dan, open staand voor de Heilige Geest en daardoor geïnspireerd, je eigen conclusies te trekken. Je zou dan bijvoorbeeld tot de ontdekking kunnen komen hoe actueel het evangelie heden ten dage nog is. Wij vieren vandaag het feest van de Heilige Familie. Zojuist is voorgelezen hoe de Heilige Familie uit Judea naar Egypte vluchtte na een waarschuwing door een engel van de Heer. Die Heilige Familie verkeerde na de geboorte van de Verlosser in levensbedreigende omstandigheden. Wij kunnen daarin een parallel met onze tijd herkennen.

Velen van jullie zijn geboren na de bezetting van 1940 – 1945, en dan is het wat lastiger om je in te leven dat je met je gezin moet vluchten voor vervolging en massamoord. Maar zo kort geleden gebeurde dat in ons eigen land. Het Egypte van die gezinnen was een onderduikadres waar zij hoopten te overleven en niet verraden te worden. Onder ons zijn er nog die ervaringsdeskundige zijn. Dat is bijna 70 jaar geleden, maar ook vandaag den dag moeten gezinnen vluchten. Christengezinnen bijvoorbeeld, wier leven onmogelijk gemaakt wordt in het Armeense deel van Turkije, in Irak, in Somalië, Palestijnse christenen die bedreigd worden door eigen stamverwanten en door de Israëlische overheid.

Je hoeft niet eens zo ver van huis te gaan. Ook in ons land komt dit voor. Somaliërs bijvoorbeeld, die christen zijn geworden en moeten onderduiken omdat voormalige geloofsgenoten hen met de dood bedreigen. In de vlucht door de Heilige Familie herken je iets van de tragiek in de geschiedenis van het mensdom: altijd weer moeten gezinnen vluchten voor vervolging en genocide. Je zou verwachten, dat christengezinnen, die daarom hun land verlaten, in ons land gastvrij worden ontvangen. Nederland heeft de pretentie een tolerante natie te zijn met een christelijke traditie van gastvrijheid. In de praktijk valt dat lelijk tegen. Nederland was en is voor veel noodlijdende vreemdelingen geen Egypte.

Zou de Heilige Familie nu, in 2010 een verblijfsvergunning hebben gekregen? Ik denk het niet, want in materiele zin was die Familie arm. Arme vluchtelingen pasten nooit in ons vreemdelingenbeleid. Wat zouden wij trouwens zelf doen, als de bel ging, en er staat daar zo’n sjofel drietal, waaronder dat piepjonge moedertje met haar waarschijnlijk huilende baby. Zou je je driemaal bedenken en die asielzoekers dan doorsturen naar het Noelhuis – een leefgemeenschap die asielzoekers opvangt – of direct naar de grensgevangenis Schiphol-Oost? Of zou je, zoals de H. Franciscus van Assisi in de melaatse Christus heeft gezien – zou je in dat Kind de Verlosser herkennen en een logeerkamertje bedenken? Wij hebben iets om over na te denken, deze zondagmiddag.

Er zit ook een andere kant aan dat verhaal. Het is een warm en hecht gezin dat geborgenheid biedt. Jozef overwoog ooit om stilletjes weg te lopen, toen zijn verloofde zwanger bleek om haar niet – zo lezen wij in Mt 1: 19 – in opspraak te brengen. Dat was wat in die rigide joodse samenleving. Maar toen de engel – vrij vertaald: zijn geweten, geïnspireerd door de H. Geest – hem daarvan weerhield – toen stond hij pal voor zijn familie. Die vlucht naar Egypte was trouwens ook niet niks; de 4- of 5-voudige grensversperringen, die je nu van Bethlehem naar Egypte moet zien te passeren – die waren er nog niet, maar openbaar vervoer evenmin. Het jonge stel moest dus een zware voettocht maken door een super gevaarlijke woestijn.

“Blijf daar tot ik u waarschuw”, zei de engel na zijn waarschuwing aan de H. Familie; terugkeer uit Egypte zat er dus in. Maar niet naar Judea, omdat het daar te gevaarlijk was. Al weer zo’n parallel: nu zie je dat uit Judea gevluchte gezinnen niet MOGEN terugkeren naar hun geboorteland. Daarom ging het gezin terug naar Natzareth in Galilea, waar de H. Familie waarschijnlijk een gelukkig bestaan opbouwt. Een groot gezin dus, dat geborgenheid bood, aan Jezus en zijn vier jongere broers Jozef, Jakob, Sjimon en Juda (vg. Mt 13:55 en Mc 6:3) en een sloot niet bij name genoemde zussen. En daar is de parallel met onze tijd iets minder duidelijk.

Dat warme, conventionele, beschermende gezin: is dat nog van deze tijd? Steeds meer mensen leven met los- vaste, hetero- of homo- relaties. Of single. Het evangelie van Jezus Christus laat er geen twijfel over bestaan dat alle mensen gelijk zijn. Mannen, vrouwen, kinderen, wit of zwart, arm of rijk, moslim of christen of jood – allemaal zijn wij kinderen van God. Geldt die gelijkwaardigheid ook voor al die alternatieve leef- en samenlevingsvormen? Ik onthoud mij van een oordeel. Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt (Mt 7: 1). En hoe zit het met de uitwassen?

Buitengewoon veel aandacht krijgt dezer dagen seksueel misbruik in onze kerk, in crèches, o.m. hier in stadsdeel Zuid, in privé- en andere situaties. Tegenwoordig wordt dat breed uitgemeten in de massamedia. Ik ben daar niet blij mee. Toen ik ruim een halve eeuw geleden rechten studeerde hoorde ik van mijn hoogleraar strafrecht, prof. Enschede, dat incest blijkens de politie- en justitiestatistieken toen het meest voorkomende misdrijf was; in aantal stak het uit boven de ernstige gewelds- en vermogensdelicten. Ik was verbijsterd, want dat las je niet in de krant. Nu wel, en natuurlijk moeten wij geïnformeerd worden over wat er in de samenleving gebeurt, maar liefst wel wat terughoudend.

Want al gauw maakt die mateloze publiciteit ongezonde driften wakker bij bijvoorbeeld zieke geesten, die de meest gruwelijke straffen op internet zetten, of die – zo blijkt uit criminologisch onderzoek – gestimuleerd worden tot soortgelijke misdrijven. Onze maatschappij lijkt er de laatste tijd op vooruitgegaan te zijn wat betreft tolerantie en wederzijds begrip, maar behalve dat ik daar persoonlijk ernstige twijfels over heb – dat blijkt bovendien een duidelijke keerzijde te hebben. Ook daarom zou ik op het feest van de Heilige Familie willen vaststellen, dat er – onverminderd de gelijkheid van alle mensen – met dat ouderwetse gezinsverband tot de dood de echtelieden scheidt niets mis is.

Zeker als bijvoorbeeld de man zich houdt aan dat advies in de brief van de H. apostel Paulus: “hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar”. Die andere tekst uit de brief aan de gemeente van Kolosse – vrouwen, weest uw man onderdanig – die kun je beter met verstand relativeren in het licht van die tijd. Zoals ik al eerder zei. Maar wat daarna komt – vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen – dat is mij uit het hart gegrepen. Ook al omdat die vaders zelf liever niet getergd worden opdat ook zij de moed niet verliezen. Wat dat betreft moet je misschien ook de tekst uit de eerste lezing, uit Wijsheid van Jezus Sirach lezen, al weer met verstand en in het licht van de 2e eeuw voor Christus toen dit bijbelboek ontstond.

Ik citeer dat fragment nu niet; het staat op een briefje achter in de kerk. Maar over vaders gesproken: er is een Vader, van wie ik intussen zeker weet, dat Hij Zijn kinderen niet tergt en op wie wij kunnen vertrouwen zonder de moed te verliezen. Dat deed ook de Heilige Familie. Een pater jezuïet, bij wie ik vorige maand in stilteretraite verbleef, vergeleek het huwelijksbootje met het vissersvaartuig waarop Jezus met zijn leerlingen in een zware storm verzeild raakt terwijl Gods Zoon op het achterdek een dutje doet. De golven slaan over het schip dat vol loopt en dreigt te zinken. In paniek maken de leerlingen Jezus wakker, die storm en wateroverlast prompt beëindigt (Mc 4: 39, Lc 8: 24). Jezus aan boord – scheepje kan voort.

Het feest van de Heilige Familie is de gelegenheid om een pleidooi af te steken voor dat prachtige Sacrament van het huwelijk en voor de niet altijd even heilige familie – wij hoeven er niet hoogdravend over te doen – voor dat doodgewone doordeweekse, ook niet volmaakte gezin, al dan niet met een logeerruimte voor een asielzoeker. Dat gezin, waarvoor in het algemeen geldt wat Jezus gezegd heeft: wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden (Mt 19: 6, Mc 10: 9). En voor die enkeling nu in de kerk, die niet gelooft, en waarschijnlijk lak heeft aan de verkondiging door Jezus zou mogen gelden dat afspraken afspraken zijn. Bidden wij daarom op deze bijzondere dag om voorspoed en zegen voor allen die waarde hechten aan gezin & familie, baruch haSjem, amen.

Deze preek is van mijn vriend en broeder in Xto LEONARDO JACOBS OSF. Hij heeft hem gehouden op de tweede Kerstdag in de Vredeskerk in de Pijp te Amsterdam. Ik stel het zeer op prijs, dat ik toestemming kreeg de “overweging” bij mijn preken op te nemen.

Wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd

De herders komen bij de kribbe en zien het kind. Een heel gewoon kind. Een armeluis kind zelfs. Zonder stralenkrans of enig uitwendig teken van heerlijkheid. Zijn ze niet teleurgesteld?

Johannes 1, 14

Zou het voor de herders niet een geweldige ontnuchtering geweest zijn, toen zij na de wonderbaarlijke gebeurtenissen in de nacht het kind in de kribbe zagen? De aankondiging van de engelen dat de Zaligmaker geboren was en het zien van zo’n gewoon kind in een armelijke omgeving lijken niet bij elkaar te horen. In het veld van Efratha is daar de hemelse heerlijkheid van de engelen van God, waar ze wel even van schrikken. Dat God ’s heerlijkheid zo maar openbaar wordt aan de nederigsten van de mensen, want zo voelden de herders zich toch en zo zagen de mensen ook op hen neer: randfiguren van de maatschappij. Geen wonder dat ze vreesden met grote vreze!

En als dan de engel gaat spreken van grote blijdschap, “die heel het volk ten deel zal vallen”, omdat de Christus geboren is in Davids stad, dan maakt hun schrik plaats voor ontzag, vreugde, verbazing, aarzeling, een mengeling van gevoelens, die nog sterker wordt, als zich bij de engel een menigte van hemelse legerscharen voegt, zeggende:

“Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde
 Bij mensen des welbehagens”
(Lukas 1, 14)

We kunnen ons voorstellen met hoeveel overstelpende gevoelens deze eenvoudige mensen tot elkaar zeggen: “Laten we gaan kijken! Kom, we gaan!”

Dat zij ineens volop die boodschap geloven is eigenlijk ongelofelijk. Maar bij de kudde blijven kan toch ook niet meer, als je zo iets gehoord hebt. En dan gaan ze, wat schuchter en aarzelend, op weg, in de richting van de stad, een goed half uur verderop westwaarts. En ze komen bij de kribbe en zien het kind. Een heel gewoon kind. Een armeluis kind zelfs. Zonder stralenkrans of enig uitwendig teken van heerlijkheid. Niets bijzonders eigenlijk. Dat was dus het kind, waarvan de engel had gesproken en waarover de hemelse legerscharen hadden gezongen! Dat moest dan de Heiland der wereld zijn! Het kan wel niet anders, of de scherpe tegenstelling tussen dit doodgewone toneel en de wonderbare openbaring in het veld moet de herders hebben getroffen, en het treft ons vandaag nog. Zij hadden stellig wat anders verwacht dan wat zij hier zagen. Iets indrukwekkends, iets bijzonders, iets dat, eer lag in de sfeer van wat zij ’s nachts beleefd hadden. Zijn ze niet teleurgesteld? Een beetje wel, denk ik. Ook aan de ouders is niets bijzonders te zien, zeker niet iets goddelijks. Alles is zo gewoontjes, zo alledaags. Wat zou er in hun hart omgegaan zijn, bij die herders? Dat zou ik wel eens willen weten, u niet?

Maar het Evangelieverhaal rept er met geen woord over. Het zegt alleen: “En toen zij het zagen, maakten zij alom bekend het woord dat van dit kind tot hen gezegd was”. Zij verkondigen niet wat zij gezien hebben, maar wat zij gehoord hebben. Zouden we hieruit niet mogen opmalen, dat de indruk van het Kind niet zo geweldig was, maar wat zij over Hem gehoord hebben wel. En daar raken ze niet over uitgepraat! Dat engelenwoord en dat gezicht van al die engelen had een bijstere indruk op hen gemaakt! En toch is dat Kind in de kribbe meer bijzonder dan al die engelenverschijningen! Dat Kind in de kribbe, dat Zich uiterlijk in niets onderscheidt van welk ander kind ook, dat is Gods grote daad jegens de wereld, Zijn geschenk aan de wereld. Dat Kind in de krib is de vervulling van de hele Oudtestamentische heilsverwachting. Naar dat Kind hadden zo vele geslachten uitgezien, en van dat Kind hebben de profeten vol verwachting gesproken. De engelen en hun lied zijn niets anders dan het voorspel, ze zijn er alleen ter wille van dat Kind.

Daar kunnen we iets van leren, namelijk om bescheiden te zijn en in alle bescheidenheid ook kerstfeest te vieren. Wij doen de dingen graag met veel ophef van woorden en opsmuk van de dingen. Hoe meer drukte, hoe meer grootsigheid, hoe belangrijker en indrukwekkender wij er door worden. Wij doen dat, denk ik, omdat wij zelf zo klein en onbeduidend zijn. Maar God is groot. Hij heeft die opmaak niet nodig. Hij kan schijnbaar kleine dingen doen zonder dat Zijn grootheid er door wordt aangetast. Gods grootste werk is het zenden van Zijn Zoon in deze wereld, zó dat niemand merkt wat er gebeurt, behalve het groepje herders dat wordt verwaardigd het uit de engelenmond te horen.

Zo is het eigenlijk Jezus’ gehele leven geweest. Toen Hij optrad in het openbaar, kwam Hij uit de timmermanswerkplaats in Nazareth. Niets wees er op, dat Hij iets bijzonders was. Wij zijn gewend het de Farizeeën en Sadduceeën kwalijk nemen, dat zij Jezus niet direct als de Messias hebben erkend en begroet. Maar eigenlijk moeten we ons er over verwonderen dat er nog mensen zijn geweest, enkelen slechts, die Jezus wel als Messias zijn nagevolgd. Het was immers zo gewoon, zo natuurlijk. In de tijd van Jezus hadden de mensen best wel een idee, hoe de Messias er uit zou zien. En Jezus had daar helemaal niets van weg! Ze zagen niet de wan in Zijn hand en de bijl aan de wortel van de boom, zij merkten niets van de “roede van Zijn mond”, waarmee Hij de heidenen zou slaan, zoals de profeten hadden voorzegd. Aan de Mensenzoon op de wolken van de hemel beantwoordde Hij al helemaal niet! De geestelijke leiders van hun volk liet Hij links liggen. Alleen een stelletje geminachte Galileeërs volgde Hem. En de wonderen, die Hij deed? Ach, wonderdoeners waren er in die oosterse wereld altijd al geweest.

Als wij toen hadden geleefd, zouden we in Jezus waarschijnlijk ook niets bijzonders ontdekt hebben. Toch waren er mensen, die in Zijn verschijnen “heerlijkheid” hebben gezien. Johannes zegt vooraan in zijn Evangelie: “En wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Maar daarmee is vast niet Zijn uiterlijke verschijning bedoeld, maar iets dat veel dieper lag. Die herders hadden er ook iets van geproefd, vandaar hun grote blijdschap, en die Galileïsche vissers, en de belangrijke heer Nikodemus en de Samaritaanse vrouw en die rijke juffrouw van lichte zeden Maria Magdalena, zij allen hebben ieder op hun eigen manier iets van Jezus’ heerlijkheid gezien. “Vol van genade en waarheid”, zegt Johannes er bij. Zou het dat niet zijn, wat God door Hem aan de wereld te brengen had? Genade en waarheid! Dat zijn geen dingen, die de natuurlijke mens kan verstaan. Het zijn vreemde zaken in deze zondige wereld. Alleen de geestelijke mens, die met andere ogen kijkt, die het Koninkrijk van God verwacht, die kan dat zien. Genade en waarheid, dat heeft het Kindeke Jezus ons gebracht. Genade van God jegens een in zonde weggezonken wereld; en waarheid, dat is wat bij God vast staat, in deze onwaarachtige schijnheilige wereld, dat is: dat Hij er Zijn Koninkrijk op vestigt. Jezus’ leven was één aaneenschakeling van getuigenissen van die genade en waarheid van God. Zo zelfs, dat zij die voor deze goddelijke dingen geen oog hadden Hem uitscholden voor een valse Messias. Maar ook, dat wie de heerlijkheid van Hem gezien hadden, voor Hem neervielen en Hem aanbaden, net als Thomas, de ongelovige Thomas, die na Pasen tot de bevrijdende ontdekking kwam van Jezus’ messiasschap en neerviel voor Zijn voeten, vol verbazing uitroepend: “Mijn Here en mijn God!” Dat was Zijn heerlijkheid, waarvoor Thomas ‘ ogen opengingen. Je ogen moeten daarvoor opengaan, anders gaat het niet. Sommigen overkwam dit. Maar wie niet door het zo gewone uiterlijk van Jezus heen kon kijken, merkte helemaal niets van die heerlijkheid. God opende het oog van de herders door de engelenboodschap. Zelfs de Emmaüsgangers zagen het niet, voordat hun ogen er voor geopend werden.

Voor ons, die achter de feiten staan, is het zoveel gemakkelijker de heerlijkheid van Jezus te zien dan Zijn tijdgenoten. Wij hebben de Schriften, wij kennen de Evangelieverhalen. Wij weten welk leven er volgde op de die armelijke kribbe, wij weten ook met welke dood dat leven eindigde. Gelukkig mogen wij ook weten hoe de opstanding en de Hemelvaart daarop volgden. Als wij in de geest bij de kribbe staan, hebben wij geen afzonderlijke boodschap van engelen meer nodig om ons te zeggen wat dat Kind betekent. Wij mogen de heerlijkheid van Jezus aanschouwen, vol genade en waarheid.

Maar juist daarom mag het kerstfeest voor ons niet zo maar een vrolijk feest zijn, gezellig, maar oppervlakkig. Daarvoor is de boodschap van Kerst te ernstig. Als God ons Zijn genade en waarheid toont, dan past het ons dat wij ons schuldig hoofd buigen, dat wij stil worden, dat ons schuldbesef wakker wordt, dat wij voelen deze genade van God niet waard te zijn. Bij de kribbe verstomt alle menselijke geredeneer. Daar kan een mens alleen maar stil zijn en zonder wil zijn, aanbidden Gods eindeloos erbarmen, zoals Nel Benschop zo prachtig gedicht heeft. En zij gaat verder met “Als Gij Heer ons hart wil verwarmen, zal de aarde niet langer zo kil zijn”. Dat zet Kerst in het goede perspectief. Het geeft ons een opdracht: warmte te brengen op deze zo kille aarde en te laten zien, wat Gods heerlijkheid in de praktijk is. Hoe het van binnenuit in de harten van mensen moet komen. Niet dat, wat wij misschien voor heerlijkheid hebben gehouden: gezondheid, welvaart, voorspoed, carrière, werelds vermaak en al die zo mooie aardse zegeningen, is het. Dat alles is o zo tijdelijk, breekbaar en bedrieglijk. Nee, het moet gaan om de heerlijkheid, die God ons schenkt, waarvoor Hij ons de ogen wil openen: dat een mens verzoend wordt met God en dus ook met het leven zoals het gaat en komt, ook als dat lijden en verdriet betekent. Een mens wordt verzoend! Zo willen wij het kerstfeest vieren .Niet met veel opsmuk en vermaak, maar ootmoedig en dankbaar, diep in ons hart, omdat God ons Zij genade en waarheid heeft gebracht en omdat ook wij Gods heerlijkheid mogen aanschouwen.

Nu kan ik alleen nog maar blij zijn
En zingen met nieuwe gezangen.
Geen duisternis houdt mij gevangen,
Ik mag tot in eeuwigheid vrij zijn.

Amen.

Zijt Gij het die komen zou?

Als ons Adventsgeloof niet stoelt op de Oudtestamentische belofte van de komst van de Vredevorst maar door andere meer eigentijdse en wereldse motieven wordt bepaald, dan zal ook onze teleurstelling niet uitblijven.

Mattheüs 11, 3
“Zijt Gij het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?”

Wij leven in de tijd van verwachting, dan wel in de geest van het Oudtestamentische verwachten, zoals de profeten dat hebben verwoord: de Messias komt! De laatste van deze profeten is Johannes, bijgenaamd “de Doper”. Hij leefde in de verwachting, dat het Koninkrijk van God heel dicht bij gekomen was, omdat de Messias in aantocht was. Advent, verwacht de komst des Heren! Dat was zijn prediking. De mensen moesten gaan leven uit die hoop, die spoedig in vervulling zou gaan. “Bekeert u toch, want het Koninkrijk van God is op komst!” Johannes was de eerste, die in zijn neef Jezus de Christus, de Messias, erkende en Hem ook als zodanig beleed: “Zie, het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”. Zó wees hij op Jezus helemaal aan het begin van het Johannes-Evangelie (1, 29).

Later, in Mattheüs 4 vers 12, horen we, hoe hij gevangen genomen was door koning Herodes Antipas. Dat is de situatie, waarin hij zich bevindt in onze tekst: gevangenschap. Maar deze opsluiting verhinderde hem blijkbaar niet contact te hebben met zijn discipelen. Hij hoorde zo ook van hen, wat Jezus deed en zei, maar het is duidelijk dat hij daar niet erg van onder de indruk was. Hij hoort wel van “de werken van de Christus”, maar hij twijfelt wel of Jezus echt de Christus is. Vandaar de vraag: “Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?” Zoals elke rechtgeaarde Jood geloofde hij in de “Komende”, in Hem Die komen zou, en iedereen wist dat daar de Messias mee bedoeld werd. Hoe komt het nu, dat Johannes, die eerst zo vol vertrouwen was in Jezus als de Messias, zo onzeker is geworden juist op dat punt? Is hij teleurgesteld? Is hij zijn geloof kwijt? Ja, ik denk ’t wel, omdat zijn verwachting niet is uitgekomen. Precies zoals wij dat ook wel eens hebben: je hoopt ergens op, je hebt er ook het volste vertrouwen in, maar dan loopt het zo heel anders dan je gedacht had, en je bent teleurgesteld. De Doper heeft Jezus als de Christus aangekondigd, als de Sterkere “Wiens schoenriem hij niet waardig was los te maken” en Wie hij getuigde: “Ik heb gezien en getuigd, dat Deze de Zoon van God is”. (Joh.1, 27 en 34). En het Mattheüs-Evangelie voegt er aan toe: “De wan was in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer geheel zuiveren en Zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur” (Matth.3, 4). Hij zou dus aanstonds als Rechter optreden, echt de Messias Die komen zou met recht en gerechtigheid, zoals de profeet Jesaja het had voorzegd. Maar wat was er gebeurd? Sinds het optreden van Jezus is er nog niets veranderd, alles is bij het oude gebleven, ja zelfs nog erger geworden: de voorloper van de Christus, Johannes zelf, zit nu in de gevangenis.

Heel begrijpelijk, dat Johannes in grote onzekerheid en verlegenheid gebracht is. Wat Jezus doet, raakt immers ook hem zelf en zijn boodschap van het Koninkrijk van God, zijn oproep tot boete en bekering en zijn woorden van troost voor de mensen. Als Jezus daaraan niet beantwoordde, dan was ’t met Johannes als profeet gedaan, en ook met de komst van de Messias! Dan was het leven in verwachting, het grote Advent, voor niets geweest!

“Zijt Gij het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten?” De gevaarlijkste vraag uit heel het Evangelie! Zeker, ook Farizeeën en Sadduceeën hebben Jezus deze vraag wel eens gesteld en ze hebben herhaaldelijk gevraagd naar een teken, zodat Jezus zou bewijzen, dat Hij de Messias, de Zoon van God, was. Maar dat is niet te vergelijken met die vraag van Johannes. Zijn vraag komt van binnenuit, uit het hart van het Adventsgeloof, en hier wordt heel de zending van Jezus in de waagschaal gesteld en daarmee ook al de roepstemmen van de profeten monddood gemaakt. De vraag van Johannes de Doper komt er in het kort op neer, of Jezus de Christus is of niet. En ook of Jezus, op grond van datgene wat men van Hem hoort en ziet, in staat kan worden geacht om Israëls hoop te vervullen. Een echt moderne vraag ook. Want voor velen vandaag is het optreden van Jezus in al Zijn nederigheid en weerloosheid te weinig, te onbeduidend, om in Hem als de Messias te kunnen geloven. We moeten begrijpen, dat Johannes en zijn volgelingen echte geloofsactivisten waren, vrijheidsstrijders, opkomend voor het verdrukte land, vurig hopend dat het gehate juk van de Romeinse overheerser eindelijk eens afgeworpen kon worden. Daar zou de Messias toch zeker voor zorgen! Uit de vraag van Johannes klinkt de spannende verwachting van deze grootse dingen, het ongeduld ook, en dan nu de twijfel of ze zich in Jezus niet vergist hadden.

Hoe reageert Jezus hierop? Woedend? Onzeker, teleurgesteld, omdat hij in de rug aangevallen werd? Nee, helemaal niet. Hij laat Johannes heel eenvoudig boodschappen: “Wat gij hoort en ziet. Blinden worden ziende en lammen wandelen, en melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie…”  Het zijn allemaal aanduidingen, dat in Jezus de heilstijd is aangebroken, precies zoals Jesaja het had voorzegd. Jij, Johannes, je kent je Bijbeltje toch wel, welnu dan, hoor en zie! Wat Jesaja voorzegd heeft, gaat nu in vervulling. Dat had Johannes kunnen helpen om zijn twijfel te boven te komen. Het is ook de enige mogelijkheid, die wij hebben als we onzeker zijn in het geloof. Terug naar de Schriften, hoor en zie! Maar heeft het Johannes ook geholpen? Waarschijnlijk niet. Immers even later zegt Jezus van hem, dat de kleinste in het Koninkrijk groter is dan hij. Dit zegt Jezus, nadat Hij eerst gezegd had dat onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, er niemand is opgestaan, groter dan Johannes de Doper. Waarom? Omdat de Doper, hij alleen, de voorloper was van de Messias om Zijn komst aan de mensen aan te kondigen. De grootste en toch de kleinste in Gods Koninkrijk. Omdat hij, die beter had moeten weten, toch in Jezus de Christus niet heeft erkend. De tekenen van de komst van Gods Koninkrijk, die Jezus zo overvloedig liet zien, heeft Johannes niet verstaan. “Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt!” (Matth.11,6). Dat is de mens, die Jezus als Christus belijdt en aanvaardt. Voor Johannes is het heel tragisch uitgelopen op een aanstoot nemen aan de Christus. Hij had niet begrepen dat in Jezus het Koninkrijk van God op aarde was gekomen.

“Onder u is Hij, die gij niet kent”. Johannes was zo’n echt Adventsmens, vol verwachting van de grote dingen die God zou brengen. En toch zou hij op het einde de kleinste in het Koninkrijk genoemd worden! Omdat zijn verwachtingen te hoog gespannen waren? Nee, omdat zij verkeerd waren ingevuld. Misschien te veel op zich zelf of op de uiterlijke dingen van glorie, gerechtigheid te vuur en te zwaard! De koning der ere, aan het hoofd van een machtig leger, daar droomde hij van. Onjuiste verwachtingen, veelal niet ingegeven door de Schrift, maar op o zo menselijke wijze ingevuld. Hebben wij ook niet zo onze eigen verwachtingen voor Kerst? Is niet het woordje “gezelligheid’ daarvoor het belangrijkst en “lief zijn voor elkaar”? En vooral “veel eten en drinken”?

Van Johannes de Doper kunnen we dit leren als de Christusverwachting van ons, zeg maar: dat als ons Adventsgeloof, niet stoelt op de Oudtestamentische belofte van de komst van de Vredevorst, maar door andere meer eigentijdse en wereldse motieven wordt bepaald, dan zal ook onze teleurstelling niet uitblijven. Wij hebben niets en niemand anders te verwachten dan juist DIE JEZUS van Nazareth, die nederig Zijn weg gegaan is tot de dood toe en Die ons roept in Zijn spoor.

De vragen van de Doper zijn actuele vragen. In dat opzicht staan wij dicht bij elkaar, Johannes en wij mensen van de eenentwintigste eeuw. Wij zijn twijfelaars, mensen die het vaak mooier willen maken en beter willen weten dan God Zelf. Maar God zij dank: naast ons staat ook de Christus, Die Zijn heilswerk met ons op Zijn manier reeds is begonnen en het ook volbrengt. Wij zullen staande voor Kerst opnieuw moeten leren, dat de kracht van Christus zich eerst en ten volle in de zwakheid van Jezus openbaart. De weg tot de opstanding en de glorie gaat via de vernedering en het kruis. De vernedering en het kruis zijn met Kerst begonnen. Wat vieren wij dan met Advent? Een ontluisterde Koning, gedoemd om geschandaliseerd te worden en als een misdadiger te sterven. Die komt in de wereld om onze schuld op Zich te nemen, Die mogen wij verwachten! Die moeten wij begroeten met Kerst! Op kerstfeest moeten wij ons eerst maar eens heel diep schamen en ons verootmoedigen.

ZALIG IS, WIE AAN HEM GEEN AANSTOOT NEEMT!

Amen.

Advent – God roept ons

Ook in onze tijd is er de tegenstelling tussen het propagandistische gebral en het stille werk van de Messias, tussen de ruwe wijze waarop in onze tijd het zwakke wordt vertrapt en de erbarming, waarmee de Messias het kwetsbare ontziet en in bescherming neemt.

Jesaja 42, 6
Ik, de HEER, heb u geroepen om heil te brengen,
Ik neem u bij de hand,
Ik vorm u, en bestem u
tot een verbond met het volk, tot een licht voor de naties;

In de Adventstijd laten we ons dikwijls leiden door de traditionele joodse schriftlezing voor het Chanoekafeest, het lichtfeest. Daarvoor hebben de joodse families een kandelaar in huis, waarin plaats is voor 8 + 1 kaarsjes of vlammetjes. Iedere dag steekt men eerst het extra (kleinste) lichtje aan, dat apart staat. Daarna spreekt men een Bijbeltekst uit, waarin het komende licht wordt uitgelegd. Vaak zet men de Chanoekalamp in het raamkozijn. Al met al lijkt dit feest erg op ons kerstfeest.

Vandaag lezen we de profetie over de Knecht van de Heer, die komt. “Zie, mijn Knecht, Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden tot Hij op de aarde het recht zal hebben gebracht.” Deze Knecht is de mens waarin God behagen heeft, Die Gods heilsplan op aarde zal vervullen. Zo spreekt ook de engelenzang uit Lukas 3 van “mensen van Gods welbehagen”. Daarmee worden mensen bedoeld, die werken mogen aan Gods heilsplan, aan Gods heerlijke toekomst. Dit reisplan kan worden samengevat in het woord “recht”. Het gaat hier niet om het juridische begrip, veeleer om een soort derde dimensie van het leven: het besef dat je voor God leeft, het leven onder Gods gezag en vandaar uit het vormen van een rechtvaardige samenleving. Als de Knecht van de Heer komt en het recht op aarde zal hebben gebracht, dan zal daarmee dus een heel anders geordende samenleving zijn gekomen, zoiets als wast Paulus noemt: met “een nieuwe wereld, waarin God alles in allen zal zijn”. En, zegt Jesaja, het zal geen luidruchtige boel worden, zoals bij de heidenen in Babylon met hun lawaaierige processies en geschreeuw op de straat, hun gejuich en handgeklap voor de voorbijtrekkende goden. Nee, integendeel, Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, maar Hij zal Gods werkelijkheid op aarde zichtbaar maken door de zorg voor het arme en verschopte. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en een kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven. Mensen in het dagelijkse leven plukken een rietstengel om die als meetstok te gebruiken en gooien die, als hij geknakt is, weer weg. En een lampje, dat flakkerend brandt, wordt gedoofd, het oude pitje wordt er uit gehaald en weggegooid en een nieuwe er in gezet. Het geknakte riet en de kwijnende vlaspit, twee voorbeelden van alles wat door de mensen verworpen en vertrapt en versmaad wordt. De Knecht van de Heer zal dat niet doen, integendeel, Hij zal het verworpene en vertrapte en versmade opzoeken en hun rechten herstellen. En heel de wereld zal naar die rechtsherstelling verlangen. Op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden, dat zijn de uiterste grenzen van de toenmalig bekende wereld, wachten. En dan gaat Jesaja God loven en prijzen om Zijn grootheid van de schepping en Zijn leiding, om tenslotte nogmaals terug te komen op de Knecht van de Heer, :“Ik, de Heer, heb Hem geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën, om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis, die in duisternis gezeten zijn.”

Wat een prachtige belofte is dat voor onze adventstijd, in onze moderne wereld. Het werk van de Knecht gaat door ook in onze tijd en mensen worden er bij betrokken. Ook nu is er de tegenstelling tussen het propagandistische gebral en het stille werk van de Messias, tussen de ruwe wijze waarop in onze tijd het zwakke wordt vertrapt en de erbarming, waarmee de Messias het kwetsbare ontziet en in bescherming neemt. Voor alles brengt de Messias Zijn recht. We kunnen daar ook in de situatie van de Kerk vandaag over spreken. Het zal immers zo langzamerhand duidelijk zijn, dat het recht niet bestaat in een aantal gedragsregels, maar in erbarming en rekening houden met de ander, dat betekent medezeggenschap, broederschap, gelijkheid. Inzake het recht hebben we als Kerk en maatschappij maar al te vaak gefaald. Hoe lang duurde het niet, voordat de slaven recht begonnen te krijgen? En hoe lang zal het nog duren, eer de mensen in de derde wereld landen recht krijgen?

De Knecht des Heren confronteert de Kerk en de mensen met hun tekortkomingen en zwaktes. Zoals Israël door de omliggende landen, zo is ook de Kerk beroofd van zijn eigenlijke roeping. Verburgerlijkt, verwereldlijkt, onherkenbaar geworden door formeel-juridische structuren, vastgeroest en geremd door zijn verbondenheid aan bepaalde politieke en economische systemen, zo staat de Gemeente van Christus dikwijls in deze tijd, machteloos en krachteloos, zonder inspiratie en diepgang. Maar de Knecht brengt Zijn volk terug tot zijn oorsprong: Gods heil te brengen op aarde. Hij roept ons daartoe op! Dat is de eerste opdracht van Advent.

Een tweede opdracht is: een licht voor de volkeren te zijn. Menselijkerwijs gesproken is het voor ons ondenkbaar dat de massa’s van bv. India en China ooit toegankelijk worden voor hetgeen de Knecht van de Heer hun te brengen heeft. Het is even ondenkbaar als het 25 eeuwen geleden ondenkbaar was dat onze landen er voor open zouden gaan. In de Adventstijd mogen we veel verwachten, kunnen we eigenlijk alles verwachten. Want zo spreekt God: “Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond met het volk en tot een licht der natiën”. Ieder van ons persoonlijk en zeker ook de Kerk zal zich onder die opdracht hebben te stellen, naast de Messias, om het kwaad in de wereld uit te roeien en gerechtigheid te brengen, om het verworpene en vertrapte te beschermen.

Verbeter de wereld, begin bij u zelf, begin bij de Knecht. Ga anders denken en leven, zoals Hij dat deed. Samen delen, solidair zijn met de armsten, opkomen voor het recht, strijden tegen onrecht, zodat het geknakte riet en de kwijnende vlaspit aan hun recht komen. De Grote Knecht heeft God geroepen en Hij weer roept ons om ons daarvoor in te zetten. Moge Advent ook dit jaar ons daartoe inspiratie geven!

Wie is Gerard?

Ik zocht naar de prijs van het boek en toen pas zag ik de tekst op het schutblad. Het handschrift van ene Gerard was stevig, maar mèèr nog was de boodschap: ‘Sint Nicolaas 1944, toen de goede Sint niet door het Westfront wist heen te komen, Gerard.’

Schutblad met tekst in een boek van Jan van NijlenDe verkoopster van de kringloopwinkel had het boek op een opvallende plaats gezet. Op de saai grijze omslag stond in vergulde letters JAN VAN NIJLEN, iets daaronder in mogelijk nog grotere letters GEDICHTEN. En daaronder stond, ook al weer verguld  het ‘logo’ van uitgever Stols te ’s Gravenhage. Ademloos bladerde ik door het vergeelde boek, een bundeling van gedichten van de dichter uit de periode 1904 – 1938.

Jan van Nijlen, geboren in 1884 te Antwerpen en overleden in 1965, is vooral bekend geworden door de zin Bestijg den trein nooit zonder Uw verlies met droomen, dan vindt g’ in elke stad behoorlijk onderkomen uit ‘Bericht aan de reizigers’. (1934)

Hij bezocht het Jezuïetencollege te Antwerpen en werd corrector en journalist, was bekend om zijn bescheidenheid, die zich weerspiegelde in zijn werk, dat kan worden omschreven als ‘de poëzie geworden eenvoud’. Zijn gedichten zijn gekenmerkt door romantische gevoelens met als thema’s de jeugd, de droom, het verlangen.

Ik zocht naar de prijs van het boek en toen pas zag ik de tekst op het schutblad. Het handschrift van ene Gerard was stevig, maar mèèr nog was de boodschap:

‘Sint Nicolaas 1944, toen de goede Sint niet door het Westfront wist heen te komen, Gerard.’

Daaronder, als was het heiligschennis, stond in potlood  € 0.75. De bundel veranderde van eigenaar. Thuis bekeek ik het boek opgetogen, maar mijn aandacht voor de poëzie maakte steeds meer plaats voor de beladen woorden van Gerard. Wie was hij, leefde hij nog en wie schonk hij deze fraaie bundel? Een man, een vrouw? Ik koos voor het laatste en noemde haar in gedachten Johanna. Wilde Gerard haar een hart onder de riem steken of zakte hijzelf juist terug in moedeloosheid door  ‘toen de goede Sint niet door het Westfront wist heen te komen’. Met de kennis van nu is bekend dat de winter 1944 / 1945 als de meest zware periode van Wereld Oorlog II wordt gerekend. Voelde Johanna zich gesterkt door de haar toevertrouwde moedeloosheid van Gerard in lotsverbondenheid? Door welke gedichten werd ze boven alles uitgetild? De kans is groot dat beide mensen niet meer in leven zijn.

Uit eerbetoon aan Jan, Gerard en Johanna koos ik ‘De onbekende”, tragisch eigentijds.

Een goeden morgen heeft hij voor altijd
Zijn ouders en hun rustig huis verlaten:
Hij had niet eens een vriend om mee te praten,
Hij was alleen – en voor alle eeuwigheid.

Hij doolde rond. Nooit kwelde hem de tijd,
Noch lokte hem de vrede der penaten,
Eenzelvige die van de wereld scheidt,
Waarin hij niets beminnen kan noch haten.

Hij hield van vogels, bloemen en insecten
En soms, in ’t voorjaar, van een blonde meid,
Die in zijn hart een duistren weemoed wekte.

Zóó werd hij oud, voor iedereen verloren.
En zong aan ’t einde van zijn aardschen tijd
Het somber lied dat niemand ooit zou hooren.

Aly Brug

Adventsgedachten

De juiste voorbereiding op Kerst vinden we alleen, als we ons gaan verdiepen in de betekenis van het Kerstgebeuren voor ons en de gehele wereld.

Mattheüs 5,3
“Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen” .

We staan in het kerkelijk jaar nu aan het begin van de Adventstijd, dat wil zeggen: we gaan ons voorbereiden op Kerst. Als we in deze tijd door de winkelstraten lopen, dan zien we ook al overal Kerstversiering. Het is alsof Sinterklaas en Kerst een wedstrijdje houden, wie het belangrijkst is. Voor de etalages lopen de kijkers en kooplustigen in dikke drommen voorbij. Is dit onjuist? Zeker niet, Laat de kinderen maar hun cadeautjes kiezen! Maar de echte voorbereiding op Kerst is het niet. Kerstmis is zeker een feest van liefde, dat tot uitdrukking mag komen in het elkaar cadeautjes geven, maar dat alles blijft toch maar iets uiterlijks. Meer van economisch belang dan van geestelijke diepte. Ook de gezelligheid, die we met Kerst zoeken door bij elkaar te komen als ouders en kinderen en kleinkinderen, heeft meer daarmee te maken dan met de Kerstgedachte. De juiste voorbereiding op Kerst vinden we alleen, als we ons gaan verdiepen in de betekenis van het Kerstgebeuren voor ons en de gehele wereld. En dat is samengevat in de eerste zaligspreking van Jezus: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”. Om deze tekst te doorgronden, moeten we eerst begrijpen wat voor Jezus het Hemelrijk betekent. Pas als we daar inzicht in hebben gekregen, kunnen we ook vermoeden wie bedoeld zijn met de “armen van geest”.

Wanneer over het Koninkrijk der hemelen gesproken wordt, dan wordt vaak gedacht aan een rijk boven de wolken en sterren. Ook denkt men wel aan een bovenzinnelijke werkelijkheid, verheven boven de ruimte, verheven ook boven de tijd, echt surrealistisch. Toch heeft de Bijbel het zo niet bedoeld. Wel schijnt de uitdrukking “Koninkrijk der hemelen” aan te geven, dat dit Rijk in de hemel is. Maar in werkelijkheid gaat het om het Rijk, dat vanuit de hemel op aarde gekomen is. Het is dus geen wereldlijk rijk, geen politieke of nationale grootheid, dat historisch gegroeid is en door mensen in stand wordt gehouden. Nee, het komt van Boven af, maar ook werkelijk op aarde. Het Koninkrijk is niet iets zwevends en ongrijpbaars. Nee, het is voor ons mensen tastbaar, het is een gave van God aan ons mensenkinderen. Wanneer is dit Koninkrijk dan op aarde gekomen? Er is maar één antwoord mogelijk: in Jezus Christus! Want Hij stamde in diepste wezen niet van de mensen, niet van David en Maria, maar van God en Zijn Heilige Geest. Hij heeft daardoor het Hemelrijk van God op aarde gebracht. Kerstfeest is daarom in de eerste plaats het geboortefeest van Gods Hemelrijk. Met het kind van Bethlehem is het als een kiem verschenen, om daarna uit de geest van Gods Zoon uit te groeien zoals uit het mosterdzaadje een grote boom groeit, waarin de vogelen des hemels nestelen. Wanneer we dus willen weten wat het Koninkrijk der hemelen is, dan moeten we naar Jezus kijken, want Hij heeft het opgericht. Vaak heeft Hij het ook Zelf gezegd, dat men Zijn werkzaamheids zo moet beschouwen, dat daarmee op aarde het Koninkrijk zich zou gaan ontplooien.

Het Hemelrijk, dat Hij brengt, is in geen geval een totale verandering van uiterlijke omstandigheden dat mensen in de hand zouden hebben. Noch de politieke, noch de sociale, noch de economische omstandigheden heeft Jezus Zelf proberen te veranderen. Men had dat wel van Hem verwacht, men wilde Hem zelfs koning maken. Maar daar ging bet Jezus niet om! Ook al zou de wereld er aan de buitenkant niets door veranderen, dan toch zou het Koninkrijk der hemelen op aarde kunnen zijn. Ook niet bestaat dat nieuwe Koninkrijk in nieuwe wetten en nieuwe eisen, die God nu aan de mensen stelt. Nee, Jezus is niet als een nieuwe wetgever of rechter onder de mensen gekomen. Veeleer is Hij met gaven gekomen, gaven van God, om het hart van de mens tot nieuw leven te brengen, om aan de mens dat te geven, wat de mens uit zich zelf niet bezit en ook nooit verkrijgen kan. Wanneer wij ons voor God van onze zwakheid, onvolkomenheid en zondigheid bewust worden, omdat het zuivere beeld van Jezus ons laat zien hoe wij eigenlijk zouden moeten zijn, dan is dat een gave van het Koninkrijk der hemelen. Wanneer we daardoor inzicht krijgen in ons zelf en in alle oprechtheid voor God komen te staan, dan is dat winst voor ons leven. Dan gaat ons geweten spreken en komt er een verlangen naar vergeving en verzoening van onze schuld. Wij krijgen door Jezus’ werk en Woord vertrouwen in de vergevende genade van God. We krijgen vrede in het hart: het mooiste hemelse geschenk, dat er is! Wanneer dan te midden van de vergankelijkheid van het bestaan en het wegvallen van de mensen, die ons lief waren, de huivering voor de dood ons bevangt, en als we dan zien, hoe Hij, Jezus, de dood heeft overwonnen en horen dat Hij aan de Zijnen hetzelfde eeuwige leven beloofd heeft, dan is daarmee een schat in ons hart gelegd, dat alle aardse goederen overtreft, een schat van het Koninkrijk der hemelen.

Dat heeft de Here Jezus bedoeld, toen Hij riep: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”. Daarom heeft Hij de vermoeiden en belasten ook uitgenodigd tot Hem te komen, om bij Hem rust te vinden. Daarom heeft Hij Zich Zelf het licht genoemd, dat in de wereld gekomen is om de donkere harten te verlichten. Maar, als wij dat Hemelrijk willen ervaren en deel willen krijgen aan al Zijn gaven, dan moeten we er wel op letten aan wie Hij dit beloofd heeft. Het zijn de “ARMEN VAN GEEST”. Daarmee worden niet de mensen bedoeld, die geen geld of goed hebben. Wel is het zo, dat armen mensen zich vaak ontvankelijker voor de gaven van het Koninkrijk hebben getoond dan de rijken der aarde. Maar uiterlijke armoede is niet voldoende om hemelse goederen te mogen ontvangen. Net zo is rijkdom alleen niet voldoende om die hemelse goederen te ontberen.

Met die “armen van geest” zijn ook niet de geestelijk armen bedoeld. Een tekort aan intellectuele vermogens en ontwikkeling zijn op zich zelf nog geen gunstige voorwaarden voor de ontvangst van hemelse gave en goed. Weliswaar hebben minder ontwikkelden zich altijd meer bereid getoond Gods gaven te zoeken dan de zogenaamde intellectuelen, maar dat ligt meer aan de trots en hoogmoed van de laatsten. De “armen van geest” zijn veeleer de mensen, die zich voor God arm voelen, arm aan kennis in hemelse zaken, arm ook aan kennis van Gods Heil en de wijsheid om het leven aan Gods hand te leiden. Het zijn de deemoedigen, die niet laten voorstaan op eigen deugden en verdiensten, maar zich voor God neerbuigen in het stof. Het zijn ook de mensen, die bidden, met open hart en omhoog geheven armen, omdat zij weten alles van God alleen nodig te hebben. Zonder zulk een gevoel van behoeftigheid en zonder zulk een hevig verlangen kan niemand in het Koninkrijk der hemelen komen. Wie tevreden is met zich zelf en de wereld, blijft daar buiten staan en zal nooit de hemelse gaven kunnen verkrijgen. Al die miljoenen mensen, die in de cultuur, de wetenschap, de kunst, de arbeid, het uitgaansleven of andere dingen van deze wereld hun hoogste goed zien, kunnen aan Advent en Kersmis niet de echte vreugde beleven. Zij worden door de zaligspreking van Jezus niet geraakt.

Maar zalig zijn zij, die arm zijn van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Deze zogenaamde armen zijn rijk, omdat zij leven vanuit de rijkdommen van Christus. De Bijbel noemt deze rijkdom “zaligheid”. Dat is het hoogste mogelijke geluk zonder meer, alleen maar geluk. Deze zaligheid is niet een toestand in een andere wereld, maar het hedendaagse leven zelf. Je kunt het ontvangen niet alleen in tijden van vreugde en voorspoed, maar vooral ook in tijden van nood en zorgen. Daarom is het veel waardevoller om “zalig” te mogen zijn dan “gelukkig”. Daarin weerspiegelt zich al iets van de rijkdom, die ons in het leven van straks, het eeuwige leven, te wachten staat.

Zo gaan we het Kerstfeest tegemoet. Als arme mensen, die alles alleen van het Kind in Bethlehem te verwachten hebben alle rijkdommen van de hemel. En we bereiden ons er op voor in gebed en verlangen naar die Heiland, Die rijk was bij God en voor ons arm is geworden, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden, als burgers van het Koninkrijk der hemelen.

Amen.

Tot wie zullen wij heengaan?

“Tot wie zullen wij heengaan?” Een vraag, die ook wij dikwijls stellen. Zeker in het politieke klimaat, waarin wij tegenwoordig verkeren. Wie kan en zal ons nog de goede weg wijzen?

Johannes 6, 68

“Tot wie zullen wij heengaan?” Een vraag, die ook wij dikwijls stellen. Zeker in het politieke klimaat, waarin wij tegenwoordig verkeren. Wie kan en zal ons nog de goede weg wijzen?

Ook de mensen in Jezus’ tijd zaten met dat probleem. Waarop moesten ze zich richten? Met name de onderdrukking door de Romeinen, de politieke afhankelijkheid en het wettische systeem van de toenmalige kerk onder leiding van het hogepriesterlijk gezag en de high society van Schriftgeleerden was velen een doorn in het oog. Was het een wonder, dat er ook reactionaire groepen waren en allerlei snipperpartijen en een soort El Fatah, ondergronds strijdend voor de vrijheid van het volk? Een grote groep van die mensen kreeg de welluidende naam van Zeloten, dat betekent “ijveraars”. Herhaaldelijk zien we Jezus met deze Zeloten in gesprek. Niet zo verwonderlijk, als we bedenken, dat er in die kring grote behoefte bestond aan een leidersfiguur, die de mensen kon samenbinden en met goddelijke autoriteit een partijprogramma van recht, vrede en vrijheid kon brengen. Zo zullen zeker ook Zeloten deelgenomen hebben aan de discussie in Johannes 6. Het moeten er duizenden geweest zijn, die na de wonderbare spijziging van de 5.000 nagebleven waren om met Jezus verder te praten en Hem zo boeiend hoorden vertellen over het Koninkrijk van Zijn Vader in de hemel. Van al die duizenden, waarmee Johannes 6 begon, bleven er tenslotte niet veel over, amper 12, en daarbij was ook nog Judas.

“Van toen af keerden velen van Zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee.” (vs.66). Waarom eigenlijk? Velen in Israël waren nooit discipel van Jezus geweest. De meeste Farizeeën, de gevestigde stand, hadden genoeg aan hun tempel en daarbij behorende inkomsten. De meeste Herodianen, die heulden met de Romeinse vijand, hadden genoeg aan hun collaboratie. Maar er waren er toch ook, bij wie de verwachting was gewekt, dat een nieuwe dageraad zou doorbreken, zoals het in de oude profetische boeken was aangekondigd. Men luisterde daarom graag naar de Koninkrijksprediking van Johannes de Doper. Dat sloeg aan in deze tijd van Romeinse bezetting en uitplundering. Vooral bij de Zeloten was de revolutie tegen het Romeinse gezag speerpunt van hun geloof geworden. Verschillende van Jezus’ discipelen zullen dan ook beslist uit die hoek afkomstig geweest zijn. Hierbij valt te denken aan het zwaard, dat Petrus droeg, en aan het ongeloof van de discipelen ten aanzien van het lijden van hun Heer.

Te midden van deze bruisende wereld vol politieke woelingen komt Jezus met Zijn boodschap van God. Hij bracht een nog nooit gehoord partijprogramma, uitgesproken boven op een heuveltop, waar de frisse winden waaien en vogels instemmen met het door God geleerde lied. Een Bergrede als partijprogramma! Met als aanhef de zaligsprekingen van armen van geest, treurenden, zachtmoedigen, hongerenden, dorstenden, barmhartigen, reinen van hart, vredestichters, vervolgden en gediscrimineerden. Wat een contrast met die keiharde wereld van politiek en onderdrukking en zelfhandhaving! Dit contrast is nog in alle volheid aanwezig, ook vandaag, en het vervult ons Christenen met grote zorg voor de toekomst. “Here, tot wie zullen wij heengaan?”

Johannes 6 zet in met het grote Messiasmaal, de spijziging van maar liefst 5.000 mensen. Zouden al die duizenden verstaan hebben, wat Jezus bracht? Het brood uit de hemel, de verzoening van schuld, uitzicht op Gods Koninkrijk? Zouden al die duizenden iets begrepen hebben van de opheffing van de paradijsvloek en het leven van Gods kinderen in de gemeenschap met de Geest van God? NEE, dat hebben zij niet! Johannes 6 toont het misverstand: zij wilden Jezus koning maken. Hij was de aanvoerder, die tot zege kon leiden. Voor Hem waren er geen provianderingproblemen, Hij kon zo maar brood maken, dan kon Hij beslist nog veel meer! Maar Jezus maakte Zich los van hen om in gebed opnieuw de wil van de Vader te verstaan. De volgende dag zien we hetzelfde beeld, in gesprekken, die Jezus voerde in Kapernaüm. Op de achtergrond keert steeds weer terug de vraag: Wat komt U eigenlijk brengen? Het aardse brood, de verandering van ons lot, de economische verbetering, de politieke bevrijding; of: het brood des levens, Jezus’ vlees en bloed, Golgotha, de opstanding, Pasen, Pinksteren… Gaat het om herhaling van het manna uit Exodus 16 of om de vervulling daarvan?

“Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald, niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn,; wie dit brood uit, zal in eeuwigheid leven…” Jezus wijst alle mogelijke politieke speculatie af. En dat roept verzet op: deze rede is hard, wie kan haar aanhoren? Niet omdat de mensen het niet geestelijk genoeg vonden, maar omdat ze het niet politiek genoeg vonden. De Zeloten wilden daden zien! Zij droomden van de grote omwenteling en wilden die door een opstand tegen de vijandige macht bewerkstelligen. De heiligen van de Allerhoogste uit Daniël 7 zouden de wereldheerschappij in bezit krijgen en zo zou het Koninkrijk  van God hier op aarde aanbreken. In 1947 is in een grot bij de Dode Zee een boekrol gevonden met het opschrift “De strijd van de kinderen van het licht tegen de kinderen van de duisternis”. Hierin kun je alle details van deze heilige strijd lezen.

Hier staan we voor de grote tegenstelling, die vandaag nog heel actueel is. Voor de Zeloten ging het om verbeteringen in de verhoudingen hier op aarde en in de strijd hiervoor in de dienst van God. Voor Jezus ging het allereerst om het herstelde contact met God en daaruit voortvloeiend de verbetering op aarde. Op de wijze van het zoutende zout en het lichtende licht en het gistende gist. Het ging Jezus om barmhartige met God verzoende mensen en van daaruit ook om een barmhartige wereld. Hier komen ook veilige wegen, ontwikkelingssamenwerking, het opruimen van krotwoningen en strijd tegen discriminatie in het vizier. Maar toen, en nu, wenden de Zeloten zich af. Het ging hen niet vlug genoeg! Voor Jezus is dit alles niet vreemd. Na het gebed in de nacht is de weg Hem weer klaar. Daarom stelt Hij nu ook de discipelen voor de allesbeslissende keuze: “Willen jullie ook soms niet heengaan?” Weg van mij? Terug naar je vrouw, Petrus? Terug naar het bedrijf van jullie vader, Jacobus en Johannes? Terug naar de opstandelingenleiders, naar o.a. Barabbas, die in het vooruitzicht stellen, wat Ik jullie niet kan bieden? Petrus antwoordt – en daarin klinkt de stem van alle eeuwen: “Heengaan? Tot wie? ” De wereld is inderdaad vol idealen, profeten, leiders, volksmenners, wereldverbeteraars. Hun woorden kunnen je meenemen en doen je het hart sneller kloppen, zij brengen je in vervoering, maar het is allemaal slechts tijdelijk, schone schijn, o zo vergankelijk. Maar, zegt Petrus, “Gij hebt woorden van eeuwig leven; op Uw Woord kan een mens bouwen, leven, sterven. Want wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods.”

“De Heilige Gods”. Een vreemde, nog nooit uitgesproken titel, waarmee Petrus wil zeggen, dat Jezus anders is dan de anderen, dat Hij apart staat tegenover alle anderen. “Tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven, en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods”. Wie Hem gevonden heeft, die heeft God gevonden, de weg, de waarheid en het leven, de wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing. Tot wie zullen wij dan heengaan? Tot Wie anders dan tot Hem?

De duizenden gaan heen .Zij hadden een strijder gezocht. Geen lijder; een aanvoerder, geen gekruisigde .Maar de discipelen blijven. Hun ogen zijn opengegaan, voor de leugens en schijn van mooi gepraat, hoe theologischer hoe mooier. Hun ogen zijn opengegaan, bovenal voor die Ene in hun midden, Jezus van Nazareth, Die woorden van eeuwig leven heeft, die een mens niet bedriegen, maar in de waarheid stellen, niet de dood, maar het leven brengen. Dat was de beslissing van Johannes 6. En als niet alle voortekenen bedriegen zal het ook de grote beslissing zijn van onze eeuw. De duizenden gaan heen, maar de Gemeente van de uitverkorenen blijft. Omdat zij mag ontdekken, dat Hij het is, de Heilige van God, die woorden heeft van eeuwig leven.

Tot wie zullen wij dan anders heengaan?

AMEN

Soppen bij Bach

Alles wordt streeploos en helder. Zelfs de geest.
Even later klonk Cantate 188. De tenor zong:
Ich habe meine Zuversicht
Auf den getreuen Gott gericht,
Da ruhet meine Hoffnung feste

VaatwerkWas de morgen kil en betrokken, in de middag daalde de regen onafgebroken neer in wisselende snelheid. De tuin in ging niet, hoewel het onkruid de grond uitschoot. Ik stond voor het raam en werd overvallen door een golf van somberheid. Een denkbeeldige schop hielp en zo stond ik iets later met de sopdoek voor de kast. En ja, soppen bij Bach, alles wordt streeploos en helder. Zelfs de geest. Even later klonk Cantate 188. De tenor zong:

Ich habe meine Zuversicht
Auf den getreuen Gott gericht,
Da ruhet meine Hoffnung feste

Ik zette de spullen van de bovenste plank op tafel. Een fonduestel, ooit van ons viertal gekregen. Zaterdagavond, langer opblijven, blije kindergezichten, ouders genietend. Met een vochtige doek haalde ik stofrestjes weg, zette het fonduestel terug; mijn kinderserviesje voelde als een dierbare vriendin. Kopjes van wit porselein met blauw bovenrandje, rode en gele bloempjes, op de achtergrond het dak van een huisje. Een grote barst liep door een gelijmd schoteltje, de rest was ongeschonden. Vriendinnetjes kregen limonade uit de theepot. Eindeloos ‘theedrinken’ met miniatuur koekjes. De alt zong:

Selber unser Kreuz und Pein
Muss zu unserm Besten sein
Und zu seines Namens preise.

Verloren gewaande kopjes van Chinees porselein doken op, ik zag de geefster er van. Juffrouw Snip, leidinggevende op ons lab. Ze stoorde zich niet aan de tijden van onze huwelijksreceptie maar stond een het eind van de morgen op de stoep en werd in koortsachtige opwinding ternauwernood opgemerkt. Zo schoof ze tussen de naaste familieleden en staat voor altijd in de fotoreportage. Voorzichtig zette ik een spin uit de kast en vroeg me af of Frieda Snip nog leefde. Ze kwam uit Indonesië en voelde zich vaak miskend. De kopjes waaruit mijn schoonouders altijd dronken wanneer ze op bezoek kwamen, gaven een trilling en toen zag ik plots de stenen puddingvorm, gekoesterd door mijn lief omdat hij altijd de staart van de vis kreeg. Zondag, smetteloos tafellinnen, dekschalen met gouden biesjes, blanke bloemkool, kruimige aardappelen, die speciale geur van vlees en jus. Mijn schoonmoeder glunderde, haar kookkunst was niet te overtreffen. De plank was klaar op een lange rij gloeilampen na. Grote fittingen, kleine fittingen, helder en mat glas. Waarom hadden we zo idioot ingeslagen? De plank er onder was aan de beurt, het koor zong:

Auf meinen lieben Gott
Trau ich in Angst und Not;
Er kann mich allzeit retten
Aus Trübsal, Angst und Nöten;
Mein Unglück kann er wenden,
Steht alls in seinen Händen.

Borden, dekschalen uit vervlogen tijden, kopjes genoeg om de halve straat uit te nodigen, mijn verloren gewaande mok met fijne tekening van een wroetend varken kwam in zicht; ik begon aardigheid in de klus te krijgen. Bekers uit Canada, bekers uit Tsjechië, onbekende bekers in smakeloosheid. In de hoek lag een verdwaald paaseitje, witte chocolade in paars papier.

Een zonnestraal drong binnen, de regen was voorbij. Ik wierp de sopdoek weg, schakelde de muziek uit en snelde gesterkt door Bach naar buiten. De bloemen lachten, het onkruid sidderde…

Aly Brug

Psalm 90 – een gebed van Mozes

Er zijn tijden, dat de mens die echt dicht bij God leeft, veel durft te vragen en ook veel mag vragen, want dan mag je het weten en ervaren, dat de hand die sloeg ook de hand is die heelt en sterkt; dat de hand die afbrak, ook weer opbeurt; dat de God van toorn en gericht uiteindelijk is de God van liefde en genade.

We willen vandaag het Evangelie beluisteren uit Psalm 90, een Psalm, die voor veel mensen een rijke troost heeft betekend op dagen van verdriet en rouw en eenzaamheid.

Een gebed van Mozes, de man Gods.

Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest
van geslacht tot geslacht;
eer de bergen geboren waren,
en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
Gij doet de sterveling wederkeren tot stof,
en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen.
Want duizend jaren zijn in uw ogen
als de dag van gisteren, wanneer hij voorbijgegaan is,
en als een nachtwake.
Gij spoelt hen weg;
zij zijn als een slaap in de morgen,
als het gras dat opschiet;
in de morgenstond bloeit het en het schiet op,
des avonds verwelkt het en het verdort.

Want wij vergaan door uw toorn,
door uw grimmigheid worden wij verdelgd;
Gij stelt onze ongerechtigheden vóór U,
onze heimelijke zonden in het licht van uw aanschijn.
Want al onze dagen gaan voorbij door uw verbolgenheid,
wij voleindigen onze jaren als een gedachte.
De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren,
en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren;
wat daarin onze trots was, is moeite en leed,
want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.
Wie kent de sterkte van uw toorn,
en uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Leer ons zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart bekomen.

Keer weder, o HERE! Hoelang nog?
en ontferm U over uw knechten.
Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid,
opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen.
Verheug ons naar de dagen waarin Gij ons hebt verdrukt,
naar de jaren waarin wij onheil hebben gezien.
Laat uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en uw heerlijkheid over hun kinderen;
de liefelijkheid van de Here, onze God, zij over ons,
en bevestig Gij het werk onzer handen over ons,
ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Er klinkt in deze oude verzen een diepe toon van ernst, de nood van de vergankelijkheid, de ellende van zonde en menselijke zwakheid. Maar die ernst wordt gedragen door de zekerheid dat de genadige God nabij is, en door het vaste geloof dat wie “Ja” zegt tot God ook “Ja” mag zeggen tot de werkelijkheid van het soms harde leven, zelfs tot de werkelijkheid van de dood. Het gaat in onze Psalm daarom over de eeuwigheid van God en de vergankelijke zondige mens, heel actueel dus.

De dichter voert ons in het land van de schaduwen des doods. Hij heeft het over de mens, die weerkeert tot nietig fijngestampt stof. De Bijbel tekent scherp de menselijkheid van de mens, dat is zijn vergankelijkheid, zijn nietigheid. Het leven is een gang naar de dood De mens lijkt op een vogel, verward in het net van een vogelaar, van de grote vogelaar: de dood. Het leven is als een verhaal, dat verteld wordt en dat plotseling afbreekt, heel droefgeestig. Het klinkt zelfs pessimistisch, alsof er niets anders over het leven gezegd kan worden. Vandaar dat veel mensen menen, dat Psalm 90 bij oudejaarsavond hoort. U weet wel: “Uren, maanden, dagen, jaren vlieden als een schaduw heen”, dat het een klaagpsalm is aan het einde van het leven, een klacht over het te korte leven, vol moeite en verdriet.

Maar er is gelukkig ook nog iets anders in dat lied, en op dat andere komt het zelfs aan. Let maar eens op het begin van de Psalm: “Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” En let ook eens op wat er aan het eind van de Psalm staat: “Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen.” Dat zijn geen duistere woorden vol somberheid, integendeel, dat zijn fonkelende woorden vol diepe echte heerlijke blijde levensvreugde, boordevol optimisme. Hier jubelt een blijdschap, die geworteld is ineen geloof, in een hartelijk vertrouwen, dat de liefelijkheid van de Here God over ons is uitgebreid.

De dichter heeft een leven vol gevaren achter de rug. Boven de Psalm staat: “Een gebed van Mozes.” We weten, dat Mozes het niet gemakkelijk heeft gehad, dat hij door diepe afgronden moest gaan, maar daarbij ook de hulp van God ervaren heeft: de hand die hem vasthield. God was in zijn leven, God als bouwer en als gids, God ook als afbreker en straffer. Wanneer Mozes spreekt over zijn levenservaringen staat hij voor ons als een wijze man met diepe zelfkennis, zondekennis, Godskennis. Hij is in het gelukkige bezit van een onwrikbaar Godsgeloof en dat is Godsvertrouwen: “Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” Het wordt de grondgedachte van heel de Psalm. En als hij dan gaat vertellen, wie die God is, dan blijkt Hij de Eeuwige te zijn. Eer de bergen geboren waren, was Hij er al, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij is boven de tijd verheven, boven ons vandaag, gisteren en morgen. Zo almachtig en van een heel andere grootte dan ons mensen is God.

En deze Almachtige God doet de mens weerkeren tot nietig stof. We vragen ons wel eens af: waarom staat tegenover deze grote eeuwige God de vergankelijke nietige mens? Is dat een spelen van God, die Hij toch gemaakt heeft naar Zijn beeld en gelijkenis? Nee, God speelt niet met ons. Hij is niet onberekenbaar, willekeurig, barbaars. Let maar eens op de verzen 7-12. Vanwaar de dood? Omdat God, de Heilige en Rechtvaardige, toont over ons mensen, omdat we zondaren zijn. Wij waren eens goed, toen God ons geschapen had, maar dat is over en uit. Er is sinds Genesis 1 iets gebeurd, er is een donkere schaduwstreep getrokken. Er is iets gebroken en dat is voor ons mensen onherstelbaar. Daarom vergaan we door Gods toorn en is ons leven beperkt tot 60, 70, 80 jaar en een enkeling misschien wat langer. Hier dringt de dichter door tot de achtergrond van ons bestaan, tot de eigenlijke tegenstelling tussen God en mens: tussen heiligheid en zondigheid, iets wat wij met ons verstand niet beseffen kunnen. Dit is ook geen zaak van denken, maar van ons geweten, van ons hart, van ons diepste zijn. Het gaat hier om geloof. Wie gelooft, geeft alle geloof in zich zelf op en alle wijsheid staat voor hem op het tweede plan: “Leer Gij ons dit te verstaan en leer ons zo onze dagen tellen, dat we een wijs hart bekomen.” De dichter weet, dat het niet om het lange of korte leven gaat, want of het leven lang is of kort, het is toch opgenomen in de eeuwigheid van Gods leven. Als we maar onze dagen goed tellen, net naar het getal, maar naar de innerlijke betekenis die ze door Gods genade mogen hebben. Als we maar alleen op elke dag, die God ons geeft, acht slaan en als we Hem er maar voor danken! Dat is de wijsheid van de dichter. Hij weet, dat geen dag een verloren dag hoeft te zijn, want Gods liefde is er in. Gods zoekende liefde. Maart elke dag, die we on nadenkend en zonder verbondenheid met God, de God van die dag, doorleven, is een verloren dag, nog erger; een dag die onze schuld voor God vergroot. “De dagen en uren snellen heen en worden toegerekend. Al het heden wordt verleden , scheen ’t ons toegerekend blijft.” En daarom eindigt de Psalm met een gebed om genade: “Ontferm U, Here, over Uw knechten en verzadig ons met Uw goedertierenheid. Laat af van Uw toorn en ontferm U; verzadig ons met Uw genade en vervul ons met blijdschap.“. Dit alles en nog veel meer vraagt hij; hij vraagt veel, hij durft het aan om veel te vragen.

Er zijn tijden, dat de mens die echt dicht bij God leeft, veel durft te vragen en ook veel mag vragen, want dan mag je het weten en ervaren, dat de hand die sloeg ook de hand is die heelt en sterkt; dat de hand die afbrak, ook weer opbeurt; dat de God van toorn en gericht uiteindelijk is de God van liefde en genade. Hoe dikwijls hebben we ook zelf dat niet ervaren, dat mensen ons alleen laten, maart dat we op God afrijd aan konden. Hij wil toch een glans van eeuwige vreugde laten opgaan over ons schamele menselijke leven. En daarom is deze Psalm een lied voor u en voor mij, een blijde lofzang, een innig dankgebed, juist ook in onze droefheid. En op dagen van verdriet en rouw. Misschien lijkt uw leven u dikwijls heel klein en nutteloos en leeg, zonder God, zonder inhoud, zonder een beetje eeuwigheidglans. Weet het nu goed, de Psalm zegt het u: door het geloof in God, door het geloof dat Hij groot is en ons in Zijn werk gebruiken wil krijgt uw leven inhoud en glans. Zonder God is ons leven inderdaad zinloos en waardeloos. U weet het: Al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus, dat heeft zijn waarde en blijft eeuwig bestaan.

God en uzelf, uw leven van nu, uw dood van straks, daar gaat de Psalm over en daarin wijst hij u de weg. Midden in het leven zijn wij midden in de dood. Maar geloof ook hef andere, het ongelofelijke: midden in de dood zijn wij ook midden in het leven, het Eeuwige Leven. Als onze levensweg maar afgestemd is op Jezus Christus, die Heer geworden is over ons leven en onze dood. Die van Zich Zelf getuigd heeft dat Hij is de weg, de waarheid en het leven. Dat is het eerste, wat deze Psalm te bedenken geeft. Het tweede, wat daaruit voortvloeit, is, dat onze dagelijkse werkelijkheid soms wel heel mooi lijkt, maar dat het toch eigenlijk een werkelijkheid vol van zonde is, waardoor wij van ogenblijk tot ogenblijk het oordeel van God over ons wakker roepen. Die zonde was er al in de tijd van Mozes en David, van Jesaja en Paulus, ja zeg maar de eeuwen door. Sinds die tijd zijn wij wel veel in kennis en wetenschap en techniek vooruit gegaan, ons menselijk kennen en kunnen, maar in geestelijk en zedelijk opzicht staan wij nog op hetzelfde niveau als toen. Wij verkeren wat dat aangaat echt in een dal van de schaduwen des doods. Gelukkig laat gaat daarin een lamp branden, die schijnt voor onze voet, een licht op ons pad: Jezus Christus, de Heiland der wereld. “DE HERE IS ONS EEN TOEVLUCHT…” Golgotha is er geweest met zijn vreselijke doodsangst en vervloeking en duisternis en haat, maar direct daarna is er ook het lege graf geweest en niet ver daar vandaan ook de Hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest.

De eeuwige God en de vergankelijke mens, in Jezus hebben zij elkaar voorgoed gevonden. God heeft de mens gezocht en gevonden en wat God heeft verenigd, kan geen macht ter wereld scheiden.

AMEN.

Kaïn en Abel

Kaïn doodt zijn broer Abel. In de Bijbel wordt Kaïn getekend als een waarschuwing tegen de zonde en de gevolgen ervan.

Genesis 4

Eva kreeg twee zonen. De oudste heette Kaïn en de jongste Abel. Kaïn werd landbouwer en Abel schaapherder.

Op een keer wilde Kain God een geschenk aanbieden, hij verzamelde vruchten van het land en de wijngaard om deze aan God te offeren. Ook Abel wilde een offer aan God brengen en slachtte daarvoor een paar van zijn mooiste lammetjes. Toen nam God het offer van Abel aan, maar voor het offer van Kaïn had Hij helemaal geen aandacht. Daarom werd Kaïn heel boos. Hij was jaloers en let het hoofd hangen. God zag dit en zei tot hem: “Waarom ben je boos, Kaïn, en laat je het hoofd hangen? Je mag gerust het hoofd omhoog houden, als je iets goeds doet. Als je het laat hangen, voer je zeker iets kwaads in je schild.” Maar Kaïn trek zich niets van Gods waarschuwing aan. Hij zei tot zijn broer Abel: “Laten we naar het veld gaan en een eindje omwandelen.” Maar toen zij daar in het open veld waren gekomen, greep Kaïn zijn broer beet en sloeg hem dood.

Toen zei God tot Kaïn: “Waar is je broer Abel?” En Kaïn antwoordde: “Weet ik veel? Moet ik soms op mijn broer passen? Ben ik mijns broeders hoeder?” Maar God zei: “Wat heb je gedaan? Je hebt je broer vermoord en daarom vervloek Ik je en verbied je te leven, waar het bloed van je broer gevloeid heeft door jouw schuld. Ga weg uit Mijn ogen, als een zwerver zul je voortaan ronddolen over de aarde”.

Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno, ca. 1084.
Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno Italië, ca. 1084.

Kaïn kreeg berouw en diep terneer geslagen zei hij tot God: “Wat heb ik gedaan? Mijn straf is te zwaar om te dragen. U wilt mij niet meer zien en verdrijft mij uit dit land; ik moet zwerven over de aarde en wie mij vindt zal mij zeker doodslaan.” Maar God zei: “Zeker niet! Wie Kaïn doodt, die zal het zevenvoudig boeten. Ik zal je aanraken, je een teken geven, en dan zal een ieder, die je tegenkomt, aan je zien, dat hij je niet mag doden.” Toen ging Kaïn zwerven over de aarde, maar later ging hij wonen in het land Nod, ten Oosten van het paradijs Eden.

Kaïn en Abel, een oeroude geschiedenis, maar nog steeds nieuw, boeiend en aangrijpend. Twee broers, die met elkaar ruzie krijgen en de een slaat de ander dood. “Eindelijk rust”, denkt hij, “die lastpost heef zijn verdiende loon”. Maar dan blijkt, dat juist nu de rust ver te zoeken is. Zijn daad achtervolgt hem. Steeds weer ziet hij zijn broer voor hem, met een bloedend hoofd, achterover gevallen op de grond. En hij is bang, slaat op de vlucht, wordt een eenzame zwerver en vindt geen rust meer. Dat is een oud verhaal, maar ook telkens weer nieuw. Deze geschiedenis herhaalt zich elke dag. Messentrekkerij, slaande ruzie, moord en doodslag. Kinderen, die elkaar in het water duwen en met stenen begooien. Elke dag kun je wel een paar van zulke verhalen op de beeldbuis zien: varianten op de eeuwenoude geschiedenis van Kaïn en Abel.

Nauwelijks had God de mensen geschapen, of zij sloegen elkaar dood. En waarom? Omdat ze jaloers op elkaar waren en zichzelf beter vonden dan de ander. Abel, de schaapherder, en Kaïn, de agrariër. Hun namen zijn veelbetekenend. Abel betekent zo veel als “niet, ijdelheid, damp”. En dat zou zijn leven zeker zijn: vluchtig, kort, het was zo voorbij. En Kaïn betekent “smid”. De smeden in de steppe vormden een volk zonder vaste woonplaats; zwervend als zigeuners, trokken zij van oase naar oase. Kaïn had zich voorgenomen een landbouwer te worden met een vaste stek, maar hij werd een zwerver.

Wij weten niet waarom God het offer van Abel aanvaardde en dat van Kaïn niet. Hoe het allemaal precies gegaan is, blijft ons ook duister. Paulus schrijft in zijn Hebreeënbrief: “Door het geloof heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn”. Het kan zijn, dat Kaïn God met andere gedachten geofferd heeft dan Abel. Misschien waren zijn gedachten toen helemaal niet bij God, misschien was hij alleen maar met zich zelf bezig en dacht hij: “Ik zal Abel eens laten zien, dat mijn sappige vruchten van het land veel beter zijn dan die magere lammetjes van hem, wat denkt ie wel!” Het komt er bij alles op aan, hoe je tegenover God staat, met welke bedoeling (intentie) je iets doet. Je kunt alle twee hetzelfde doen, en toch kan het van de één goed zijn en van de ander slecht. Kaïn dacht alleen maar aan zichzelf, hoe hij er beter van kon worden. Zo zijn er nog veel mensen, die heel veel goed doen, royaal en liefdadig, maar wel om er mee te pronken en zich er op te verheffen. Een heel verkeerde instelling! Jezus zegt: “Laat de rechterhand niet weten wat de linkerhand doet!”. Maar Abel bracht zijn offer uit dankbaarheid, om er God mee te eren, om te laten zien hoe lief hij God had.

En dan merkt Kaïn, dat zijn offer niet is aan genomen. Weer is zijn broertje voorgetrokken! En met een ijzig chagrijnig gezicht loopt hij rond, als een donderwolk, die nog maar een kleine vonk nodig heeft om te ontploffen. En die kleine vonk wordt ontstoken! God spreekt Kaïn toe en als een vader waarschuwt Hij hem: “Kaïn, wat doe je toch? Waarom is je gezicht zo betrokken? Denk er om, als je slechte gedachten hebt, dan moet je je niet laten gaan, want de zonde is sterk en hij ligt op de loer; wees toch flink, Kaïn, en beheers je zondige gedachten!”. Dat is de druppel, die de emmer doet overlopen! Wat denkt God wel? En de haat groeit en vergiftigt de man, die eens als een Gods geschenk door Eva was ontvangen. Hij roept Abel en op het veld houdt hij hem staande, Bevreemd kijkt deze hem aan, hij ziet de vreemde gloed in Kaïns ogen, hij hoort de wilde woordenstroom en dan… dan mokert Kaïn Abel neer met één slag… een zucht… en aan Kaïns voeten ligt zijn broer… Dood. Kaïn ontspant zich en over de dode buigt hij zich neer. Ook in Kaïn is iets kapot gegaan. De dode Abel klaagt hem aan, al kan hij dan ook niet meer spreken. Kaïn raakt op drift, het is uit met zijn rust. Eén is er, die het voor Abel opneemt: God, de Heer. “Waar is Abel, je broer?” Keihard is het antwoord: “Ben ik mijns broeders hoeder?”. Raakt hij die broer dan nooit kwijt? Maar ook in zijn eigen binnenste is er een stem, die hem aanklaagt: “Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan? Het bloed van Abel schreeuwt naar de hemel en de hemel antwoordt: je hebt een vloek over je afgeroepen, Kaïn, en het zal je geen rust meer brengen, een zwerver zul je zijn, je leven lang”. Kaïn krijgt het benauwd onder het strenge oordeel van God, het angstzweet breekt hem aan alle kanten uit: “O, wat heb ik toch gedaan, ik ben een uitgestotene, een vogelvrije, nu zal men mij zoeken en proberen te doden.”

Maar dan gebeurt het wonder, nu blijkt dat God zo heel anders is dan de mensen. Hij straft heel hard, maar Hij is ook genadig, ongelofelijk genadig. Zoals Hij met Adam had gedaan, doet Hij ook met Kaïn. Alle twee hebben ze de dood verdiend, maar God spaart hun leven. De ene moord zal de andere niet uithalen, tot in een oneindige reeks. God geeft de mens steeds weer een nieuwe kans om zijn leven te beteren. Kaïn ontvangt uit de handen van God een genadeteken. Zijn leven is God nog dierbaar, en ook de andere mensen zullen geen vinger naar Kaïns leven uitsteken, of zij zullen er zevenvoudig voor moeten boeten.

Dat is de boodschap van een van de oudste geschiedenissen van de Bijbel. De details van het verhaal zijn in vele opzichten niet meer duidelijk. De contouren zijn door de tand des tijds vervaagd, als het beeld van een film uit de oude doos. Maar de boodschap, die de Israëlitische vaders aan hun kinderen hebben doorverteld, van geslacht op geslacht, door de eeuwen heen, die boodschap is glashelder en kan ook niet geschonden worden, zelfs niet door de tand des tijds, want het is Gods boodschap van gerechtigheid, straf en vergeving, en God staat boven de tijd. Deze boodschap mag ik u vandaag doorgeven.

De Bijbel vertelt ernstige dingen, maar ook heel blijde dingen, en meestal gebeuren die dingen naast elkaar. Kaïn slaat zijn jongere broer dood en God spaart het leven van Kaïn, neemt hem zelfs nog in bescherming tegenover andere mensen. God straft en is tegelijk genadig, Hij spaart en vergeeft. Is dat niet prachtig? Ook voor ons? Want zijn ook wij vaak niet net zo bezig als Kain. Natuurlijk, wij doden ons broertje of zusje niet, zo ver gaan we niet. Maar zijn we niet vaak jaloers en gemeen? Juist ook op en tegenover mensen, die dicht bij ons leven? En maken we niet vaak ruzie en denken we niet vaak kwaad van een ander? In ons hart zouden we graag sommige mensen mores willen leren! Zelfs dood wensen! Natuurlijk, we doen het niet, we blijven zo veel mogelijk beschaafd en fatsoenlijk. Maar de instelling tegenover onze medemensen is toch vaak niet zuiver, net zo min als bij Kaïn. Veel mensen zouden we liever uit de weg willen gaan. Ook God zouden we wel uit de weg willen gaan, want Die kijkt ons ook te veel op onze vingers. En al dat bemoeien, daar houden we niet van! Maar gelukkig: God laat Zich zo maar niet aan de kant zetten. Hij ziet alles en gaat door Zich met ons mensen te bemoeien. En wat nog mooier is? Hij waarschuwt en straft niet alleen, Hij is ook nog genadig en hulpvaardig. Hij is zelfs een Borg voor ons. Als wij elkaar dreigen dood te slaan, gaat Hij midden tussen ons staan. Hij zegt: “Laat die ander met rust, neem Mij maar”. En de mensen hebben Hem genomen in Zijn Zoon Jezus Christus. Op Hem heeft zich heel de haat en de jaloezie van de mensheid uitgeleefd, Hij is er HET slachtoffer van geworden. Maar tegelijk heeft Hij met dit offer alle Kaïns op de wereld gered. Zijn dood is het teken geworden, dat Kaïn en zijn navolgdelingen tegen hun ondergang in bescherming neemt. Bij ons als Christenen is bij de Doop op onze hoofden dit teken aangebracht, het Kaïnsteken. Wij zijn als Kaïn, broedermoordenaars, maar mogen tegelijk door dit Christusteken het hoofd opheffen naar Hem, die niet wil dat wij dood gaan, maar dat wij leven tot Zijn eer. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

AMEN.

Een Gideonsbende

Zij die voorover liggend uit de rivier het water opslurpen, worden afgewezen. Gideon dacht vast, dat zij zo dorstig waren en daardoor alleen maar aan zich zelf zouden denken en de vijand rondom hen zouden vergeten. Maar zij, die met de hand het water opschepten en ondertussen loerend de vijand in de gaten hielden, worden aangenomen.

Richteren 7

Kent u deze geschiedenis nog?

Israël is blijkbaar God vergeten, want overal zijn beelden van Baäls en Astartes verrezen. Afgodendienst is in de plaats gekomen van het dienen van de God van Israël, Die het volk bevrijd had uit het slavenjuk van Egypte. Toen werd Gideon door God geroepen om het volk weer tot God terug te brengen en bij de les te houden. Er komt een bevrijdingsoorlog op gang!

In Richteren 7 vindt dan een selectie plaats, een test. 32.000 man komen op om in het leger van Gideon te gaan dienen. 70% van hen werden bij de eerste rond al weg geselecteerd. Dan krijgen we die heel merkwaardige proef van het water drinken: zij die voorover liggend uit de rivier het water opslurpen, worden afgewezen. Gideon dacht vast, dat zij zo dorstig waren en daardoor alleen maar aan zich zelf zouden denken en de vijand rondom hen zouden vergeten. Maar zij, die met de hand het water opschepten en ondertussen loerend de vijand in de gaten hielden, worden aangenomen. Dat zijn er slechts 300! Wat kan zo’n kleine groep nu beginnen tegenover een overmacht van vijanden? “Ik zal u verlossen”, zegt de Heer, “het is Mijn zaak , niet die van jullie”. Dat is het geheim van de Gideonsbende!

Vele Gemeenten lijken tegenwoordig ook wel op zo’n Gideonsbende. De getrouwen houden stand, terwijl aan alle kanten mensen, vooral ook jonge mensen, de Kerk verlaten. Toch vermag de kleiner wordende Gemeente veel, als zij maar een Gideonsbende is, op oorlogspad onder aanvoering van de Grote Veldheer. “Doet aan de wapenrusting van God als goede krijgsknechten van Jezus Christus”, zo roept Paulus de Gemeente toe. De selectie vindt als vanzelf plaats in onze houding tegenover Jezus, wat ook weer alles te maken heeft met onze houding tegenover onszelf en de naaste. Het moet een houding van zelfverloochening, “kruis dragen ” en “volgen” zijn, zegt Jezus. “Wie achter Mij wil komen, die verloochene zich zelf en neme zijn kruis op en volge Mij”. Er wacht ons een strijd, de goede strijd van het geloof. Bedenkt dan wel, wat God gezegd heeft:  “Het is Mijn zaak, niet die van jullie”. Hij alleen zal de overwinning schenken! Als wij een Gideonsbende zijn, dan valt de overwinning ons zeker ten deel.

“Wie stand houdt, ontvangt de kroon des eeuwigen levens!”

Tuinen van Vogel

De jongeman achter de toonbank biedt ons een proefmonster Herbamare aan. Het strooisel geurt heerlijk en is een mengsel van allerlei kruiden en zeezout. In de schappen staan fleurige potjes jam en honing, maar er is ook groente en kakelverse eieren; zelfs brood ontbreekt niet. De jongeman start het filmpje met wetenswaardigheden over Alfred Vogel en zijn tuinen.

Tussen ’t Harde en Elburg ligt het Landgoed Zwaluwenburg en op dit landgoed liggen de A. Vogeltuinen. De tuinen zijn onverbrekelijk verbonden met de Zwitser Alfred Vogel (1902 – 1996). Vogel groeide op in de Zwitserse Alpen en ontdekte al vroeg dat de natuur alles heeft te maken met gezond leven. Hij reisde op jonge leeftijd naar Afrika, Azië en Amerika, waar hij tussen de inheemse bevolking leefde. Van hen leerde hij het verband tussen voeding, leefwijze, herstel na ziekte en persoonlijkheid. Kwam hij thuis van zijn reizen, dan bracht hij een schat van planten mee met als eindresultaat natuurlijke geneesmiddelen en gezondheidsproducten. Miljoenen mensen over de hele wereld hebben hier heden baat bij.

Met de rijen flesjes en potten in apotheken en drogisterijen in het achterhoofd gaan we op een fraaie laatzomerse dag naar A. Vogel tuinen. Als we het Landgoed Zwaluwenburg binnen rijden valt al meteen de zorgboerderij Westbroek op. Een fraai bemost pand met kleine vensters. De bewoners van de boerderij helpen onder begeleiding mee met de verschillende werkzaamheden in de tuinen. Naast het wieden van onkruid, bemesten en oogsten runnen ze ook samen met hun begeleiders het landgoedwinkeltje tegenover de boerderij. De jongeman achter de toonbank biedt ons een proefmonster Herbamare aan. Het strooisel geurt heerlijk en is een mengsel van allerlei kruiden en zeezout. In de schappen staan fleurige potjes jam en honing, maar er is ook groente en kakelverse eieren; zelfs brood ontbreekt niet. Iets verder staan de bekende flesjes en potjes van Vogel. De jongeman start het filmpje met wetenswaardigheden over Alfred Vogel en zijn tuinen. En staat een veld met rode zonnehoed nog fier te pronken, even later ligt alles geveld en weer later verdwijnen tientallen rode zonnehoedjes in grote machines. Na nauwelijks te begrijpen handelingen staan er de bekende flesjes Echinaforce, gewonnen uit de rode zonnehoed en goed voor onze weerstand.

Fraaie beelden van zacht wuivend graan geven de film een speels accent. Buiten op een ruwhouten bank drinken we koffie. Naast me zit een bewoner van de zorgboerderij. De klep van zijn pet staat naar achteren, hij oogt tevreden. ‘Kom, we gaan konijnenhokken schoonmaken’, een begeleider geeft de jongen een vertrouwelijk stootje. Langzaam volg ik en zie hoe de jongen vol overgave bezig is een mengsel van stro en zaagsel in komvormig gehouden knuisten naar de schone hokken te dragen; er wachten 27 hokken.

We lopen over de paden en dwalen tussen de velden bloemen: Lythrum salicaria (Grote kattenstaart) voor gunstige werking op het spijsverteringskanaal, Salvia officinalis (Salie) geneest keel en biedt hulp bij transpiratie en de Alchemilla vugaris (Vrouwenmantel) smeert gewrichten. Een bezoekster bestudeert een veldje rode zonnehoed. Rijen goudsbloemen, grote partijen wiegelende zonnebloemen en weer ander geel van de Guldenroede vormen samen één schilderspalet. Met een wijde blik neem ik afscheid en weet dat bij het zien van de flesjes Echinaforce de rode zonnehoeden op mijn netvlies schuiven en door het wuivend graan zal ik hem zien, de jongen met de pet. Vol aandacht maakt hij hokken schoon…

Aly Brug.

Dankbaar

Dankbaar voor de spelende kinderen op de straat en de speelplaats, en voor de najaarszon, spelend tussen de bomen en de huizen.

In Wilhelminadorp, waar ik predikant ben geweest van 1978 tot 1990, heeft in het verleden ds. Dankbaar gestaan (een dominee staat!), de latere professor Dankbaar. Zijn portret hangt nog in de consistorie van de kerk. Ik moest er dikwijls naar kijken en dan dacht ik: wat is dat toch een mooie naam, hoe toepasselijk voor het leven van een Christenmens. Ook erg toepasselijk op het mooie dorpje in de polder en de prachtige omgeving aan de rand van de Oosterschelde. Dankbaar hebben we te zijn voor elke dag, die God ons geeft, voor al de prachtige zonnige dagen, waarmee de herfst ons hart verblijdt. Dankbaar voor wat ons oog ziet: de schitterende kleuren in de natuur, en voor wat we ruiken mogen: de frisse, soms zwoele lucht van al die rottende bladeren op de grond. Dankbaar voor de spelende kinderen op de straat en de speelplaats, en voor de najaarszon, spelend tussen de bomen en de huizen. Dankbaar voor mensen, die ons helpen willen, voor de kracht die God ons geeft om te werken en ook om de pijn in je lichaam te verdragen, als je gebrekkig wordt. Dankbaar bovenal voor de blijde boodschap van het Evangelie: dat God met u is en dat u met en bij God mag leven.

De apostel Paulus roept dan ook met klem de Thessalonicenzen op om te danken: “Verblijdt u te allen tijde, bidt zonder ophouden, dankt voor alles, want dat is de wil van God en Christus Jezus ten opzichte van u” (5, 16-18). In alle omstandigheden God danken?

Kan een mens dit wel? Ook al is hij nog zo gelovig? Paulus gebruikt hier voor “danken” een woord, dat ook voor het Heilige Avondmaal wordt gebruikt: eucharizein, hetzelfde woord dat we ook bij de “eucharistie” in de Rooms-katholieke Kerk tegenkomen. Het woord betekent eigenlijk “dankzeggen” of “zegenen”. Het heeft ook te maken met “genade “. Als je dankt in deze zin, ben je altijd betrokken op de genade, die we van Christus hebben ontvangen. Alles staat dan in het licht van Gods genade! Dat is dan ook de grond van onze dankbaarheid. Daarom moeten we voor alles danken!

Doet u het ook?

Moe

Moe van de onrust, moe van het werken, het jagen en jachten, moe van het leren, huiswerk maken, moe van het sporten, moe van de ellende in de wereld, moe van de geur en de sleur van alledag…

Jesaja 40, 31
“Maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat”.

Moe zijn is en teken van deze tijd. Je hoort het zo vaak: “Ik ben zo moe, ik ben ’t zo zat”.  Mensen hebben toch zo’n behoefte aan wat rust en ontspanning. Zeker in deze tijd, waarin het lijkt alsof de hele wereld op je af komt. Moe van de onrust, moe van het werken, het jagen en jachten, moe van het leren, huiswerk maken, moe van het sporten, moe van de ellende in de wereld, moe van de geur en de sleur van alledag, daar word je toch zo moe van! En dan hebben we nog niet eens gesproken van bijzondere omstandigheden, die een mens extra moe maken: ziekte, gehandicapt zijn, werkeloosheid, recessie, slechte vooruitzichten, het gedoe rondom Wilders en het nieuwe kabinet. Ik denk ook aan de huwelijken die stranden, relaties die kapot gaan, jonge mensen die zich het leven benemen, verkeersongelukken en zo vele dingen meer, die een mens ongelukkig en dood moe maken. En dan onze hoog geroemde vrije tijd, waarin we het dikwijls nog drukker hebben dan anders, al die mogelijkheden om je te “ontspannen”, al die inspanning maakt je alleen maar nog vermoeider! Als je op maandag de week begint of je eindigt de week op vrijdagavond, het maakt allemaal geen verschil meer. Ook de zaterdag en de zondag zijn werkdagen geworden. Om moe van te worden! Moe na de werkweek, moe na het weekend, moe na de vakantie, moe van het sloven elke dag, moe van het zorgen, moe van het piekeren, moe van het vechten tegen het onrecht dat je is aangedaan. Het gaat maar door, wanneer zal er eens een eind aan komen? Dat is wel de grootste hindernis in je leven: je vermoeibaarheid! Ook de jongeren, die onvermoeibaar lijken, hebben daar last van. Er komen te veel dingen op hen af, waardoor ze geen rust meer krijgen. Gelukkig hebben jonge mensen veerkracht om belasting te boven te komen. Ouderen hebben daar moeite mee. De generatie van eergisteren, die de oorlog nog heeft meegemaakt en waaraan Nederland zijn opbouw te danken heeft, wordt moe gemaakt door de onrust over de welverdiende pensioenen. De generatie van gisteren, die de teugels nu in handen heeft, is vertwijfeld onder de vele teleurstellingen van na de oorlog en over de uitzichtloosheid van het leven in de twintigste eeuw. Nog steeds is er geen vrede alom, nog steeds leeft 1 miljard mensen in de wereld met honger, nog steeds heerst er verdrukking in de vele dictaturen. Voor veel mensen is de muziek weg uit het leven, omdat het leven geen verrassingen meer te bieden heeft. Oud of jong, het geldt ons allemaal! We leven in een tijd van welvaart, een welvaart die onze vermoeidheid nog opvoert. De natuurlijke weerstand verslapt. Dat is duidelijk te merken aan de overvloed van alle dingen, die onder ons handbereik zijn komen te liggen. De keuze voor een auto onder wel duizend automerken, de keuze voor een vakantiebestemming te kust en te keur. Al die overvloed laat een leegte achter en maakt de mens vandaag extra moe. Geen wonder, dat grote groepen in onze maatschappij overhoop liggen met deze alleen maar moe makende maatschappij. Ik denk aan de krakers, de daklozen, maar ook aan de natuurzoekers en hen, die intreden in een klooster.

Jesaja wist het al: “jongeren zullen moe worden en mat, en de jongelingen zullen zeker struikelen”, op één uitzondering na: “Zij, die de Heer verwachten, zij zullen nieuwe kracht putten, zij zullen lopen en niet moe worden, zij zullen wandelen en niet mat worden”. U vraagt zich misschien af, wat dat voor mensen zijn, die de Heer verwachten. Denk maar niet, dat dit een nieuw Christelijk idee is om het moe zijn van vandaag te verbloemen, om van de wereld toch nog iets goeds te maken. In die woorden van Jesaja klinkt integendeel een oud geheim door, een geheim dat eeuwen lang mensen nieuwe moed en kracht gegeven heeft: DE HEER VERWACHTEN. Die twee woorden “de Heer” en “verwachten” horen bij elkaar. De Heer kun je toch eigenlijk alleen maar verwachten. En wil je echt iets van het leven verwachten, dan moet je de Heer verwachten. De Heer over leven en dood, de Heer van de wereld, de Heer van u en van mij. De Heer is niet een God, die de vroegere goden opvolgt; Hij is ook niet de macht, die aan onze moderne behoeften voldoet; Hij is niet de gelegenheidsfiguur, Die ons uit onze verlegenheid moet brengen. Hij is de God van Israël, Die alleen wonderen doet; Die met Zijn volk wandelt, Die wonden verbindt en heelt en rechtvaardig Zijn mensenkinderen liefheeft en bestraft, vergeeft en heiligt, Die ook ons moe-zijn heiligt., zodat je steeds opnieuw beginnen mag en ook kunt. Deze Heer komt! Het is niet genoeg, dat Hij bestaat, je mag Hem ook verwachten, Hij komt! Dat betekent tegelijk, dat alles, waar we zo moe van zijn, verdwijnt, en dat er een andere wereld en tijd, een nieuw leven voor in de plaats komt.

“Zij, die de Heer verwachten, putten nieuwe kracht…” Zij zullen de kracht vernieuwen, omdat zij ondanks alle ellende in de wereld, alle onrecht en teleurstellingen, alle vermoeienis en pijn een verwachting hebben van iets geheel nieuws: de wereld en de levenswerkelijkheid van die andere Heer! Jezus Christus kent onze vermoeienis. Ook Hij is vaak oververmoeid geweest van dat onbegrip onder de mensen, die onderlinge haat en nijd, die hoogmoed en eerzucht en vooral ook hebzucht. Juist omdat Hij wist, wat moe zijn betekent, heeft Hij met zo veel klem gesproken: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust even”. Bij die Heer is het leven goed. Hij maakt, dat wij niet meer zo ijdel zijn en alleen aan ons zelf denken, Hij maakt ons moe met een lach en een grap; Hij doet ons neerliggen in grazige weiden (Ps.23). Hij maakt ons los van het zware slepen en jagen, zwoegen en zorgen.

“Wij mensen, wat denken wij dan wel?
 Of wij ons al vernemen iets te weten,
’t is maar en droom, een schaduwspel”

(gez.391).

Jezus opent onze ogen voor die droom, dat schaduwspel. “Hij doet ons het heil maanschouwen, niet op ons oog vertrouwen, niet blij zijn met de schijn. Hij doet ons de eenvoud vinden en als kinderen van God op aarde vroom en vrolijk zijn.” En dan mag je moe zijn, dan is ’t niet zo erg meer. Je krijgt namelijk telkens weer nieuwe kracht, als je maar die Heer verwacht. Als je maar telkens opnieuw denkt aan Hem en aan het werk, dat God met de wereld en ons heeft willen beginnen. Dat moet elke keer weer ons begin zijn, uitziende naar Gods beloofde toekomst van heerlijkheid en rust. Dat geeft je ook het uithoudingsvermogen, om ondanks je moeheid te volharden, stug door te gaan, met je werk, met je studie, met al je plichten en ook zorgen, met je geestelijk en lichamelijke zwakte. Het begin moet altijd zijn ons gebed om een betere wereld, om meer rechtvaardigheid onder de mensen, meer solidariteit, hulpbetoon, liefde en aandacht met respect voor elkaar. Dat is: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede”. Tussen het begin en het einde staan wij met onze moeheid, maar kijkend naar het einde, naar het Koninkrijk van de Heer, dat we mogen verwachten, zullen we nieuwe kracht putten om onze taak, van God gekregen, te volbrengen.

“Zijn wij zwak, belast, beladen,
En terneergedrukt door zorg;
Dierb’re Heiland, onze Toevlucht,
Gij zijt onze Hulp en Borg.”

Amen.

Des Heren tempel is dit

Het Heilig Avondmaal plaatst ons voor de oproep om tot zelfkennis te komen, onder het waarschuwende woord van Jeremia. Hoe staat we er persoonlijk bij? En als Gemeente?

Viering Heilig Avondmaal. Jeremia 7, 1-15

Als je vandaag aan een Jood in Israël zou vragen: “ben je nou niet een beetje bang met al die dreigende uitlatingen van de Palestijnen? Vrees je niet, dat jullie kleine landje niet bestand zal zijn tegen het geweld van wapenen van de Arabische landen rondom, als het weer eens tot oorlog mocht komen? ” Dan zal onze Israëliet ongetwijfeld zeggen: “Ja, ik ben wel bang, maar ik ben er ook heilig van overtuigd dat ons land niet klein te krijgen zal zijn, want het is onze bestemming om hier te wonen. Israël is de “navel” van de wereld. De plaats die God heeft gekozen om daar te wonen en vandaar uit Zijn plan met de wereld te volbrengen.”

En een Palestijn kan je de vraag stellen: “ben je nou niet bang dat de dag nooit zal komen dat jullie niet langer verdreven worden van jullie eigen geboortegrond? Dat soldaten, prikkeldraad en wegversperringen nooit zullen weggaan? Dat de reis- en handelsbeperkingen betekenen dat er geen toekomst voor jullie volk mogelijk is, behalve in armoede en ongeletterdheid? Vrees je niet dat jullie vergeten en opgegeven zijn, zelfs door jullie Arabische broeders?” Dan zal onze Palestijn ongetwijfeld zeggen: “Ja, ik ben wel bang, maar ik ben er ook heilig van overtuigd dat dit land onze bestemming is. Dit is de plek waar onze vaderen en voorvaderen geboren zijn. Het is Jeruzalem waar Abraham zijn zoon Ismaïl offerde, onze stamvader. Er zal een dag komen dat we het juk afwerpen en terugkeren uit de vluchtelingenkampen in Jordanië, Syrië en Libanon. We weten en kunnen niet anders dan bidden en vechten voor wat ons toebehoort en afgenomen is.”

De politieke toestand in Israël was zesentwintighonderd jaar geleden niet veel anders dan die van nu. Er heerste chaos en oorlog alom. Van Israël viel nauwelijks meer te spreken, want alleen het piepkleine landje Juda (het tweestammen rijk) was nog over gebleven. Het is maar een kleine rest van wat eens onder beroemde koningen als David en Salomo tot stand was gebracht. Eens was het een omvangrijk koninkrijk geweest. Dit kleine landje lag nu op het eind van de zevende eeuw vóór Christus ingeklemd tussen de politieke grootmachten Egypte en Babylonië. Van beide kanten was de bedreiging groot. De enige zekerheid, die men nog had, was de tempel, het huis van God. Daar hield men dan ook maar aan vast. Men geloofde vast, dat God Zijn eigen huis niet in de steek zal laten en dus ook over de veiligheid van de stad Jeruzalem zou waken. Ook regeerde in die stad nog een verre nakomeling van koning David, koning Jojakim, dat gaf de burger ook een beetje moed! Had Jahwe met koning David niet een verbond gesloten en gezworen: “Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vaststaan voor eeuwig?”( 2 Sam.7, 16). Het geloof in de uitverkiezing van Jeruzalem als de stad van God en het koningshuis van David had oude en diepe wortels. Jahwe kon Jeruzalem nooit aan de ondergang prijs geven, want Gods heil en trouw duurt in eeuwigheid. De tempel stond er nog in de tijd van Jeremia, de priesters vervulden hun diensten. Het volk trok op naar Gods huis. Jahwe woont te midden van Zijn volk. Wat zou er dan nog mis kunnen gaan? Wie durft te beweren, dat het niet zo is? Het is de eenvoudige waarheid, die vaststaat als een huis. God en Zijn volk zijn diep met elkaar verbonden. Is het dan een wonder, wanneer het volk in vers 10 zegt: “Wij zijn geborgen?” Gods genade is de grond van hun vertrouwen en zekerheid, het lot van Jeruzalem ligt uiteindelijk niet in handen van mensen.

Dat alles is ook voor ons Christenen heel goed te begrijpen. Ook wij zijn al gauw geneigd hetzelfde te zeggen. De tijd van het onverwoestbare vertrouwen in de trits “God, Nederland en Oranje” ligt nog maar kort achter ons. Nog rijzen de torens omhoog in ons land, van de kleine kerkjes op de terpen in Friesland tot de middeleeuwse kathedralen in grote steden. De klokken luiden en de Gemeente komt samen. Kerkmensen belijden overal: “Des Heren tempel is hier!” Dat is toch ons vaste geloof, niet waar? God is genadig en zal Zijn uitverkoren geslacht, de Kerk op aarde, bewaren.

Maar wat doet de profeet nu? Trekt hij dat geloof in twijfel? Het zijn leugenwoorden, zegt hij, wanneer jullie zeggen: “Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit!” Hoe kan de profeet dat nou zeggen? Heeft de geschiedenis van God met Zijn volk dan geen betekenis meer voor hem? Gelooft hij dan niet in de vaste uitverkiezing van Jahwe? Natuurlijk wel. Ook hij weet van de nabijheid van God en Zijn genade. Maar tegelijkertijd weet hij ook nog iets anders, wat God hem heeft laten weten: dat God in vrijheid Zijn volk en Jeruzalem heeft uitverkoren. In vrijheid… Het was Zijn genade en daarover kunnen de mensen nooit beschikken. De beloften van God kunnen door de mensen nooit worden ingekapseld in het raam van een onveranderlijk dogma. Heel oneerbiedig gezegd: God laat Zich in Zijn genade niet tot een pop maken in de poppenkast: je trekt aan het touwtje en de pop gaat dansen. Het is een vergissing, wanneer jullie denken, dat God op grond van Zijn beloften gedwongen is Zijn volk onder alle omstandigheden de hand boven het hoofd te houden. Het is een vergissing, wanneer jullie denken dat met de tempel in jullie midden de veiligheid gegarandeerd is. Dat is een valse zekerheid! Je kunt maar niet denken: het komt allemaal wel goed, want God is met ons. En voor de rest gewoon je gang gaan: roven, stelen, moorden, echtbreken, feestvieren voor de Baäls. Maar zo is dat niet! Dat God bij Zijn volk zijn zal en het volk in het beloofde land kan blijven wonen, geldt alleen, wanneer het volk zich ook op God richt en een goed gehoorzaam Gode welgevallig leven leidt. Wanneer dit volk werkelijk voor het  recht opkomt, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen niet onderdrukt en vreemde goden geen kans geeft. Juist omdat God Zich in vrije genade aan het volk gebonden heeft, kan Hij ook in alle vrijheid Zich van het volk terugtrekken, wanneer het volk zich niet aan Hem laat binden.

Een erg actueel woord, ook voor vandaag, vindt u niet? Wij geloven, dat God de Gemeente heeft gesticht en haar beschermt; wij geloven ook dat God ons leven bestuurt en bewaart. Heel juist, maar het wordt leugen en bedrog, als we denken in dit geloof rustig en onbekommerd teven te kunnen, er op vertrouwend dat God ons vanuit Zijn genade niet kan laten vallen. “Des Heren tempel is hier”; later heet het: “Wij zijn Abrahams kinderen”, nog later: “Ik ben een kind van God, mij kan niets gebeuren”. Tegen deze zelfverzekerdheid komt Jeremia op. Zo spreekt de Here: “Ik waarschuw jullie! Als jullie geen rechtvaardig leven leidt door met God rekening te houden in je leven… God is geen slaaf van Zijn eigen genade. Hij laat Zich niet binden, maar Gods genade bindt ons wel! Kijk, daar komt het op aan: dat wij ons laten binden!” Het geeft geen pas God vast te prikken op Zijn beloften en zelf de afspraken van het Verbond te vergeten en Gods geboden in de wind te slaan. Hoe kun je van genade spreken, hoe kun je op Gods genade vertrouwen, wanneer je die genade niet in je eigen leven laat functioneren, heel gewoon in de praktijk van alle dag. We hebben te bedenken, zegt Jeremia, dat wanneer we Gods geboden  met voeten treden en dan in de kerk komen om het Avondmaal te veren en zo, we van de kerk een rovershol maken, omdat we ons vergrijpen aan wat ons rechtens niet toekomt. Toch ligt hier een moeilijk probleem. Jeremia verkondigt de genade van God, dat Hij bij Zijn volk zal blijven en dat het volk daardoor in het beloofde land kan blijven wonen, wanneer het de geboden van God nakomt, rechtvaardig is tegenover de armen, vreemde goden afweert, kortom wanneer het voor Gods Aangezicht zuiver en oprecht wil leven. Men zou kunnen vragen: betekent dit dan toch dat het lot van de stad, de toekomst van Gods volk, in handen van mensen ligt, om dat hun deugdzaam leven voorwaarde is voor het blijven van God bij Zijn volk? Is de ontvangst van de goddelijke belofte dus een gevolg van menselijke gehoorzaamheid? En wat ons betreft: is dan de zegen van het Heilig Avondmaal daarvan afhankelijk of wij goed geleefd hebben? Nee toch, Gemeente, zo is het niet, laten we er voor oppassen moralistisch te zijn, zo in de trant van: het goede wordt beloond en het kwade gestraft. Nee, de volgorde in Gods Rijk is heel anders. Daar gaat het om oprechtheid, echte liefde, in dankbaarheid uit de genade leven. De belofte van God wordt niet pas door de ongehoorzaamheid van de mens op het spel gezet. Het leven naar Gods wil is niet zo zeer voorwaarde, eerder een gevolg van een waarachtig geloof. Alleen wie in het geloof gehoorzaam is en Gods gebeden houdt, heeft werkelijk Gods genade als GENADE verstaan.

Voor ons, zoveel jaar later, liggen de dingen precies eender. De toekomst van de Gemeente hangt niet af van onze Christelijke deugden en van een meer of minder geslaagde Christelijke politiek. Maar aan de andere kant maken wij wel door een onchristelijke handel en wandel Gods genade bespottelijk en belachelijk. Christus is niet alleen gekomen om ons de vergeving van zonden te schenken en ons aan de rechterhand van de Vader voor eeuwig in bescherming te nemen, maar ook om op ons hele leven beslag te leggen. Wie dan ook de geboden van God veracht en zijn eigen wil doei in zonde en afgoderij, die maakt van de Kerk een rovershol en van zijn geloof leugenwoorden.

Het Heilig Avondmaal plaatst ons voor de oproep om tot zelfkennis te komen, onder het waarschuwende woord van Jeremia. Hoe staat het er bij ons, bij mij, bij? Persoonlijk en als Gemeente? Leugenwoorden, of met vallen en opstaan een God welgevallige Christelijke levenswandel, waarin de één de ander dient, die ander hoger aanslaat dan zichzelf? Het Avondmaal is de concretisering van Gods belofte, dat Hij in Christus bij ons wil wonen. Ook dat wij in Christus Gods volk mogen zijn en eens in het beloofde land zullen wonen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Maar deze belofte mag nooit aanleiding zijn tot zelfverzekerdheid, vrome gelatenheid dat het wel goed zal komen. Nee, deze belofte stelt ons voor een keuze: vóór of tegen. Met je hele hart en met je hele verstand en met je hele hebben en houden God toebehoren, of alleen maar met de mond?

Laat het ons door God bij monde van zijn profeet Jeremia gezegd zijn!!

Amen.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die vrouw en blijkbaar zijn stervende kind vergat?

Schriftlezing: Marcus 5, 21-43 (Mattheüs 9, 18-26, Lukas 8, 40-56)

Het is met die genezing van de bloedvloeiende vrouw toch eigenlijk wat vreemd gesteld. Ik denk toch niet dat Markus het ons overlevert bij wijze van “nu zal ik eens een sterk staaltje van Jezus gaan vertellen”. Alle genezingen, waarover het Evangelie vertelt, zijn een moedwillige daad van Jezus, maar hier is dat niet het geval. De genezing gaat als ’t ware buiten Jezus om. De vrouw profiteert clandestien van de genezende kracht, die van Jezus uitstraalt.

Het gebeurde aan de overkant van het meer van Galilea, waarschijnlijk in Kapernaüm, zoals Markus ons vertelt. Ook de andere Evangeliën, Mattheüs en Lukas, hebben dit verhaal. We kunnen dus mooi vergelijken. Daar, bij het meer van Galilea, was Hij nauwelijks aangekomen of er verzamelde zich al weer een grote “schare” bij Hem, een geweldige menigte van mensen.

(vs.22) “En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neer aan Zijn voeten, en hij deed een beroep op Hem, dringend: “Mijn dochtertje is zo ziek, het loopt af, komt u toch en leg haar de handen op, dat zij nog wordt gered en blijft leven.”

Jaïrus is een lid van het synagogenbestuur in Kapernaüm, echt een man van aanzien, maar voor de dood is iedereen gelijk, zeggen we wel eens, en dat zien we ook hier. Zijn dochtertje is zo ernstig ziek, dat het gaat sterven. In het verhaal van Mattheüs is het al gestorven, bij Lukas heet ze “stervende”. Ook Markus vertelt, dat het met haar afloopt. Jaïrus vraagt van Jezus een handoplegging, zoals dat in de Joodse Gemeente en ook later in de Kerk gebruikelijk was. Er ging van die handoplegging een zegenende kracht uit. Wij zouden dat ook eens bij zieken moeten doen! De handoplegging met de Bijbelse zegen: “De Heer zegene u en behoede u”, precies zoals dat op het einde van de kerkdienst gebeurt. Vader Jaïrus zou zo graag willen dat zijn kind “behouden” werd. Behouden heeft hier duidelijk een dubbele betekenis: gered te worden uit de dood, maar ook het behouden worden door God, gered van zonde en schuld. Hier zal blijken, dat Jezus de grote Redder en Behouder is. Daar draait het eigenlijk in beide geschiedenissen om. Hij gaat ook inderdaad met Jaïrus mee, bereid om de Redder te zijn, zodat het profetische woord vervuld wordt “dat de Messias zal zijn de Redder er armen” (Ps.72, 4).

Maar dan gebeurt er weer iets. De schare mensen laat niet af, maar dringt op Jezus aan. Het is een grote kluwen van mensen, die zich daar voortbeweegt.

“En een vrouw, die al heel lang aan bloedingen leed – al twaalf jaar – en die heel wat had afgetobd met telkens weer andere dokters en zich arm had betaald en er niets mee was opgeschoten, integendeel: het was steeds maar erger geworden – nu, die vrouw, die veel over Jezus had gehoord, die kwam tussen al dat volk naderbij, achter Hem, en zij raakte zijn mantel aan. Want ze dacht: al gelukt het mij maar dat ik enkel zijn kleren aanraak, dan komt het met mij in orde.”

Die vrouw is er inderdaad slecht aan toe. Zij is niet alleen ziek, en iedereen die wel eens zulke bloedingen heeft gehad weet hoe ondermijnend dat is voor de krachten van het lichaam en ook van de geest. Zij is niet alleen ernstig ziek, maar ook voor de gemeenschap een uitgestotene. Volgens de Levietische wetten was zij immers onrein en mocht niemand haar aanraken en zij mocht anderen ook niet aanraken. Zou ze daarom zo stiekem, onopgemerkt in het gewoel van de mensen, Jezus als ’t ware “beslopen” hebben? Ik denk het wel, zij had geen andere keus. Zij heeft van Jezus gehoord en denkt: dit is mijn laatste kans, die moet ik pakken!

“En meteen was het over, het bloeden, en zij werd gewaard aan haar lichaam dat zij van haar kwaal was genezen. Maar Jezus, Zich onmiddellijk bewust dat er kracht van Hem was uitgegaan, wendde Zich tussen al dat volk om en zei: Wie raakte daar aan mijn kleren? Waarop Zijn leerlingen zeiden: U ziet hoe het volk zich om U verdringt, en dan zegt U: Wie raakt Mij daar aan? Maar Hij bleef rondzien om degene te vinden, die dit gedaan had. En de vrouw, bang geworden en bevend, maar beseffend wat er met haar was gebeurd, kwam naar voren, wierp zich voor Hem neer en vertelde Hem alles naar waarheid. Toen sprak Hij tot haar: Mijn dochter, dit geloof van u, dat is uw redding geweest. Ga nu, in vrede, wees gezond en vrij van uw kwaal.”

Eigenlijk was het geloof van die vrouw anders dan wat wij echt geloof noemen. Het was wel wat primitief: zij zag in Jezus een wonderdoener. Toch had zij zoveel vertrouwen in Hem, dat Hij het was, Die haar alleen nog redden kon, dat zij door de massa heen -ondanks het kerkelijke verbod- tot Jezus kwam. Niets kon haar daarvan weerhouden. En dat ziet Jezus, en daarom is het toch geloof! Precies zoals het ging met die vier mannen, die met hun verlamde vriend tot Jezus kwamen. Ook daar staat: “En Jezus hun geloof ziende…” Het “dat” van het komen is voor Jezus blijkbaar belangrijker dan het “hoe”. Daar moesten wij ook maar eens meer aan denken! Wij binden het geloof aan allerlei normen, vastgelegd in belijdenissen. En we zijn zo gefocust op de belijdenis, dat alleen al daarom kerken uit elkaar gaan. De belijdenis van woorden wordt dan belangrijker dan de geloofsdaad, het “hoe” belangrijker dan het “dat”. Anders is het geen echt geloof, zeggen we dan. Maar Jezus doet dat niet. Daar staat een vrouw voor Hem en die legt Hem haar nood voor, zij gaat voor Hem aan Zijn voeten liggen, zij beeft als een riet. Ze hoeft eigenlijk niet eens iets te zeggen, iedereen kon zien hoe erg ze er aan toe is. En toch zijn daar de discipelen, die Hem proberen af te houden. Jezus voelde dat iemand Hem nodig had, Hij zocht in de schare. Jezus weet dat ook van ons en Hij zoekt ons. Hij weet hoe u en wie u bent. Laat u niet van de wijs brengen door mensen, die net als de discipelen het allemaal zo goed weten. Misschien zeggen ze wel: och, het zijn er zo veel, daar is toch geen beginnen aan! Nee, voor Jezus is er op dat moment maar één, en dat is die ellendige vrouw, en dat bent u als u door de nood gedreven zich tot Hem om hulp begeeft. Dan zegt Jezus niet tot u:  “Nee, m’n goeie mens, zo gaat dat niet, je hebt er blijkbaar nog niets van begrepen.” Maar Hij heeft medelijden, zo dat Hij alleen maar troosten en helpen wil. Hij is niet boos om haar vrijpostigheid, Hij ziet haar ellende en haar vertrouwen in Hem, Die helpen kan. Daarom: “UW GELOOF HEEFT U BEHOUDEN!” Toch geloof, hoe vreemd het ons mag lijken. Want, stel nou eens dat zij Jezus voorbij had laten gaan, dan was ze ziek gebleven!

Intussen staat Jaïrus daar maar zielig en alleen tussen al die mensen. Hij voelde zich misschien ook wel in de steek gelaten. Daar heeft hij in het aller-uiterste moment de man ontmoet, die zijn kind nog zal kunnen redden. En die is ook bereid onmiddellijk met hem mee te gaan. En dan nu dit oponthoud! En tot overmaat van ramp kwamen daar ook al mensen vanuit zijn huis hem vertellen, dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is en dat hij de Meester verder maar niet moest lastig vallen. Door dat oponthoud met dat mens is nu zijn kind gestorven! Wat moet er niet door Jaïrus heengegaan zijn? Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die vrouw en blijkbaar zijn kind vergeten was? Zijn kind was nota bene in direct levensgevaar, en dat was die vrouw toch niet!

Was Jezus dat kind vergeten en die vader, die zich steeds ongelukkiger ging voelen? Nee, zo werkt dat niet bij God en bij de Zoon van God en de Zoon des mensen. Bij Hem is alle aandacht voor iedereen, die aandacht behoeft. Maar alles op zijn tijd. God kan wachten, Hij laat ons ook wel eens wachten. Alleen: wij zijn zo ongeduldig, wij hebben geen tijd om rustig af te wachten. Jaïrus moet nog leren, dat God nooit laat varen de werken van Zijn handen. Zult u ook een beetje geduld hebben met Gods genade? Het komt echt wel! Misschien worden we nog een beetje op de proef gesteld, misschien hebben we nog wat uitstel nodig om tot bekering te komen? Misschien ook heeft God eerst wat anders te doen? Zeker ook moet Hij zo doorgaan om de werken van God openbaar te maken, zoals hier in beide verhalen gebeurt. Zodat echt zal blijken, dat Hij is de Redder der armen, niet alleen van ziekte maar ook van de dood!

“Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zei tegen de synagogenbestuurder: Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen. En Hij wilde geen mens mee hebben dan alleen Petrus en Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Zo komen ze aan bij het huis van de synagogenbestuurder en daar ziet Hij het: rouwmisbaar, een groot gehuil en geweeklaag. En Hij gaat naar binnen en zegt: Wat moet hier dat rouwmisbaar. Wat valt er te huilen? Het kind is niet gestorven, het slaapt. Maar de mensen lachten om Hem. Maar Hij, Hij werkte ze allen de straat op. Die mee mochten waren: de vader van het meisje, de moeder, en die Hij had meegebracht. En zo trad Hij daar binnen, waar het meisje lag.”

Het zal je toch maar gezegd worden, als net je kind gestorven is: Vrees niet, geloof alleen. Wie zal in staat zijn, in zulke omstandigheden, dat bevel op te volgen? Wie kan nog geloven, bij de dood van je kind? En wat moet ik dan geloven? Dat God dit gedaan heeft? Nee toch zeker! Maar zo staat het er ook niet. Wij moeten hier geen bevel van maken. De oorspronkelijke Griekse woorden maken duidelijk, dat het geen bevel is, maar meer een bemoediging, dat werkelijk nog niet alles verloren is, al heeft het daar, menselijk gezien, alle schijn van. “Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen”.

Dan neem de Heer Petrus, Jakobus en Johannes mee, dezelfde discipelen die straks waardig zullen worden gekeurd om bij de verheerlijking op de berg aanwezig te zijn. Alles wijst er op, dat er grote dingen staan te gebeuren. Maar de mensen hadden dat weer helemaal niet in de gaten. Integendeel: zij lachten om Hem, zij lachten Hem uit! Het is de satan in de mens, die niet voor waar wil hebben, dat Jezus is de Machtige, ook over hem. Daar staat er met zoveel nadruk: maar Hij, Hij “ekballei”, Hij werpt ze uit! Er uit jullie! Waar de Zoon van God optreedt, is geen plaats meer voor jullie, satansgebroed. Zij er uit en Hij er in! Hij schrijdt als ’t ware met Zijn gevolg naar binnen, hier doet het leven intocht in de kamer, waar de dood zich had verschanst. Hij houdt intocht om satan en de dood te verslaan.

“Daarop pakte Hij de hand van het kind en zegt tot haar: Talitha koem: kom kindje, sta op! Meteen kwam zij overeind, het meisje, en ze liep al weer rond, ja, een meisje van twaalf jaar. Die mensen, meteen, waren buiten zichzelf, opgetogen. Maar Hij zei hun, heel duidelijk, dat niemand hiervan mocht weten. En Hij zei, dat het kind iets te eten moest hebben.”

In de doodskamer staat Jezus en Hij stak Zijn hand uit naar het dode meisje. Hij pakt haar hand vast. Doden mocht je niet aanraken volgens de reinigingswet uit Levieticus. Maar Jezus is de Heer over de dood en dat laat Hij hier al zien met die aanraking. Zo is het ook gebeurd met die jongen uit Naïn, de enige zoon van een weduwe, toen Jezus de baar liet stil staan en de jongen aanraakte. Aanraking is heel belangrijk, dat geeft contact, daardoor stroomt er iets van jou in die ander over. Kracht, liefde, zorg, aanwezigheid, aandacht vooral. Laten we elkaar meer aanraken om te laten zien dat je er voor elkaar bent. Zeker moeten we dat doen bij zieken en gehandicapten, die misschien zelf niet meer in staat zijn hun handen uit te steken om u aan te raken.

“Kom kindje, sta op!” Het is een dubbele opstanding. Zij kwam weer ter been en zij stond op uit de dood. Ze is 12, toevallig of niet staat hier hetzelfde getal als bij die bloedvloeiende vrouw. In ieder geval kan zij al lopen en daarmee bewijst zij de realiteit van haar opstanding.

De mensen raken opgetogen, zijn in extase, in vervoering. Zoiets zal je toch maar gebeuren! Dat hebben ze nog nooit meegemaakt! Ze zouden het kind daardoor bijna vergeten, maar zo niet Jezus. Hij blijft bij het kind, Hij maakt Zijn werk helemaal af en zegt doodgewoon: “Geef haar iets te eten”. Daarmee, ook tot ons, zeggend, dat het leven doorgaat. De zorg, die we aan elkaar hebben en geven, mag gericht zijn op het leven, dat komt. Ligt hier misschien ook de diepere betekenis van het broodjes eten na de begrafenis? Met Jezus er bij hoeven we niet stil te blijven staan bij de dood en de doden, wij worden tot leven opgewekt en wij moeten het leven in stand houden. GEEFT ELKAAR IETS TE ETEN!

Amen.

De verzoening door plaatvervanging

Er is een bodemloze afgrond tussen God en ons, geen brug voert ons er over heen, geen pijler kunnen we er in neerlaten. Wie is in staat te zien in die afgrond van vijandschap tussen God en ons?

Romeinen 5, 10
“Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden doordat Hij leeft; en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.”

De Kerk dient in de eerste plaats bekend te maken de boodschap van de verzoening. Deze genade van God mag zij niet vergeefs ontvangen, zodat er voor haar leden de opdracht is om als rentmeesters te leven en te werken. Op deze wijze zal zij haar taak vervullen voor heel de wereld tot eer van God. Dat is toch het hart van ons geloof en van ons Gemeente zijn: de verzoening, dat wij, vijanden van God, met God verzoend zijn. Hoe? Door de dood van Gods Zoon, Jezus Christus. Zoals Paulus het zegt in ons tekstwoord: Wij roemen zelfs in de dood van onze Heer Jezus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Verzoening is voor veel mensen nog een moeilijk begrip. Wat betekent het immers, dat je verzoend bent? Onze tekst heeft daar een antwoord op. We horen daar allereerst, dat we vijanden van God zijn. Dat is een hard woord. We zouden liever zien, dat de Bijbel wat complimenteuzer over ons sprak, bijvoorbeeld dat we vrienden van God zijn. Natuurlijk geven we toe, dat we soms veel te kort schieten, maar vijanden van God? Dat we in staat van oorlog verkeren met God? Nee, dat kan men toch niet van ons zeggen. Toch is het zo, althans volgens de apostel. Het is een bittere waarheid, dat het kruis van Golgotha tegen ons getuigt:

“’t Zijn de Joden niet, die U kruisten…,
Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan…
Ja, ik kost Hem die slagen.”

(Jacob Revius, 1586-1658)

Golgotha is de grote ontmaskering, waar wij allen openbaar worden. Wie niet vóór Mij is, is tegen MIJ. Het komt er op aan partij te kiezen. Wie stemt werkelijk vóór, met hart en ziel en lijf en leden, op leven en dood? Als ’t er op aan komt, zijn wij vijanden van God, en God is een vijand van ons. Zoals het water een vijand is van het vuur, zo is God een vijand van ons zondige mensen. Dat is iets verschrikkelijks, God een vijand van ons! Als je daaraan denkt, kun je je niet staande houden. Er is een bodemloze afgrond tussen God en ons, geen brug voert ons er over heen, geen pijler kunnen we er in neerlaten. Wie is in staat te zien in die afgrond van vijandschap tussen God en ons? Niemand, behalve de Ene, Die is gaan staan waar niemand van ons kan staan: Jezus Christus. Waar wij moesten wegkruipen ging Hij staan, in onze plaats. Zo kwam er een brug met stevige pijlers boven de afgrond. Wij zijn verzoend, van vijanden tot vrienden gemaakt. Natuurlijk vindt u dit vreemd: van vijand tot vriend worden. Het is ook onlogisch, helemaal niet vanzelfsprekend. Het is heel onnatuurlijk, dat er voor vijanden van God verzoening zou zijn. En het zou alleen maar consequent geweest zijn, wanneer God ons, Zijn vijanden, voor eeuwig veroordeeld had. Maar er is iets gebeurd, iets onbegrijpelijks en wonderlijks. Toen Jezus dáár ging staan, voor ons, in onze plaats, toen werd God ontroerd en wij verzoend.

Nu herinnert mij het woord verzoening aan allerlei kleinmenselijke dingen, die in ons leven soms levensgroot ingrijpen. Er zijn wel eens twee mensen, die kwestie met elkaar hebben, of families die jarenlang in onenigheid leven. Er zijn geslachten en rassen en volken, die het vuur van de haat de jaren door voeden, staten en regeringen die in vijandschap leven. Er is wel eens verwijdering in het huwelijk tussen man en vrouw, en in het gezin tussen ouders en kinderen Maar soms is er de weldaad der verzoening. Aanvankelijk worden er harde woorden gesproken, maar dan is er opeens het ongedachte van twee mensen, die op weg gaan naar elkaar toe om te proberen in vrede met elkaar te leven en al het vroeger voorgevallenen te vergeven en te vergeten.

Ook tussen God en ons is er de weldaad der verzoening, geheel en al van God uit. God was in Christus de wereld met Zich Zelf verzoenende. Hij werd van vijand onze Vriend Welk een Vriend is onze Jezus, die in onze plaats ging staan. Hoe komt God daar nu toe? Zou Hij misschien toch nog iets goeds in ons ontdekt hebben? Nee, want wij zijn absoluut Zijn vijanden en echt geen verzoening waard. Zou God medelijden gekregen hebben met ons? Dat wel natuurlijk, want Hij is één en al barmhartigheid. Onze tekst geeft dit antwoord op onze vraag: “wij zijn verzoend door de dood van Jezus Christus”. God is geworden van vijand tot Vriend door de dood van Zijn eigen Zoon, die plaatsvervangend voor ons het offer heeft gebracht. Plaatsvervanging, solidariteit, is een oude gedachte in onze mensenwereld. We komen het o.a. tegen in Jesaja 53, waar de lijdende knecht des Heren gaat lijden voor de anderen. Maar ook in oude heidense primitieve godsdiensten ontdekken we plaatsvervanging. In een studie van Prof. van der Leeuw heb ik gelezen, dat primitieve volksstammen soms bij de bouw van een huis een kind offeren in plaats van zichzelf. Hij vertelt van de Toradja, die wanneer hij bij een tocht over het water een leugen uitspreekt, zich haastig een haar uit het hoofd trekt en het in het water gooit met de woorden: ik ben schuldig, dit geef ik in mijn plaats. En in Indië was het een gebruik, dat een weduwe zich met haar overleden man liet verbranden en zo het medelijden en mede sterven in de praktijk bracht. De gedachte om de goden te verzoenen door de dood van een mens of dier is heel oud.

Deze gedachte is het ook, die in onze verzoening met God centraal staat. Wij zijn verzoend met God door de dood van Gods Zoon, Die met Zijn dood het offer van ons leven heeft gebracht. Als wij dus bijvoorbeeld aan het Avondmaal gaan, dan is het niet alleen om de gedachtenis aan het lijden en sterven van Jezus te vieren, maar vooral ook onze eigen dood en onze opstanding ten leven. Want “met Christus zijn wij gestorven en begraven en opgestaan”. Hierop worden wij terecht gewezen in het tweede gedeelte van onze tekst: “Nu wij verzoend zijn door Zijn dood, zullen wij behouden worden doordat Hij leeft! En daardoor roemen wij in God door onze Heer Jezus.” Er is behoud, er is redding! Er is leven! Redding van Gods toorn, redding van het geweld van Gods vijandschap, redding ten leven! “Want als God al naar ons heeft omgezien, toen wij nog vijanden waren, hoeveel te meer zal Hij naar ons omzien, nu wij verzoend zijn.” Indien de stervende Jezus naar ons heeft gegrepen, hoe veel te meer zal Hij, Die nu leeft aan de rechterhand van God en ons Zijn Heilige Geest geeft, de levende Heer in de hemel, hoe veel te meer zal Hij naar ons omzien en ons bewaren en leiden naar de heerlijkheid!

Amen

In Godsnaam

Hoe zou die Naam van God eigenlijk zijn? Mensen zijn daar wel eens benieuwd naar: “Hoe zou God eigenlijk heten?” Alle mensen, en zelfs dieren, hebben een naam. Dan moet God toch ook wel een naam hebben?

Hoe vaak wordt dit niet gezegd! Meestal als een verzuchting van de mens, die het niet meer weet, of als aanmoediging van de mens, die tegen de klippen op verder moet en bij zichzelf zegt: “In Godsnaam. Vooruit dan maar!”

Hoe zou die Naam van God eigenlijk zijn? Mensen zijn daar wel eens benieuwd naar: “Hoe zou God eigenlijk heten?” Alle mensen, en zelfs dieren, hebben een naam. Dan moet God toch ook wel een naam hebben? Mozes wilde dat ook wel eens weten. U kent de geschiedenis van het brandende braambos wel. God heeft toen aan Mozes Zijn Naam genoemd: Jahweh. In het Hebreeuws houdt deze naam verband met een werkwoord, dat “zijn” betekent, maar dan een “zijn” dat voortdurend actief is, dus zoiets als “bezig zijn”. We zouden “Jahweh” dan ook kunnen vertalen met “Ik ben actief zoals Ik actief ben”. Of wellicht nog beter: “Ik doe worden zoals Ik doe worden. Ik ben altijd in de weer met het scheppen en ordenen en verzorgen van al het geschapene, zoals Ik  dat altijd gedaan heb”. Dat wil dus zeggen, dat “In de Naam van God” iets heel bijzonders van God wordt uitgesproken, namelijk dat Hij er bij betrokken is, bij de wereld, bij de mensen, bij de dingen, bij de gebeurtenissen, bij u in alles van uw leven, en wel op Zijn goddelijke wijze.

Het is voor ons niet altijd na te trekken en te begrijpen, het is vaak heel verborgen, zo is Gods bezigheid met ons mensen. In Gods Naam mogen ook wij bezig zijn, hoe zouden we anders?

Hulphond II

Het is heel fijn maar heel erg vermoeiend om weer met een hondje te trainen, en zeker met zo’n leergierig wijfie als Uxy. Yce vind het allemaal wel best, als hij maar op tijd zijn knuffel en zijn brokjes krijgt.

Donderdagochtend 15 juli om 11.30 uur is Uxy hier bij ons thuis gekomen, Piet van Dongen die ons gaat trainen bracht haar hier, we hebben eerst koffie gedronken, de wetenswaardigheden van Uxy besproken en bekeken met welke commando’s we als 1e aan de slag zouden gaan, Uxy was ondertussen ons huis en de tuin aan het verkennen, om 12 uur zijn we voorzichtig begonnen met het commando Feet, een voor mij heel belangrijk commando want door mijn beperkte arm/handfunctie ben ik niet in staat mijn hand/arm naar Uxy uit te steken dus moet ze via mijn voetensteunen (FEET) zo dicht mogelijk bij mij komen om dingen aan te geven en om te kroelen (ook niet onbelangrijk), Uxy vond die voetensteunen van mijn rolstoel verschrikkelijk eng dus hebben we Yce ingeschakeld, hij ging op de ene voetensteun staan en toen Uxy er naast, Uxy vindt Yce geweldig dus ze was snel te lijmen om naast Yce op de voetsteun te gaan staan en dan nog een snoepje als beloning, nou toen vond ze het prima.

Na het Feet oefenen zijn we naar buiten gegaan en Piet was heel erg verbaasd dat Uxy meteen zo goed luisterde, ze liep meteen mooi naast de rolstoel en was goed af te leiden van de vele vogels, konijnen en katten die wij hier hebben, ook het passeren van andere honden ging best al goed dus ik mag niet klagen.

Na een half uurtje waren we weer thuis, even wat gegeten en nog de dingen evalueren van deze dag en toen kwam de vraag, gaat Uxy met Piet mee naar huis of blijft ze slapen, nou het ging zo goed, ze was heel ontspannen, we durfden het allemaal wel aan om haar hier te laten.

De verdere dag heb ik Uxy vooral laten wennen aan ons huis, mij,Yce, Dik, de kleinkids en de vele ADLers die hier voor mij zorgen.

De eerste nacht met Uxy is heel goed verlopen, Yce en Uxy lagen kop aan kop naast mijn bed en toen Yce mij s’nachts hielp met naar het toilet gaan ging Uxy gezellig mee om te kijken hoe dat ging , daarna sliepen ze allebei weer rustig verder.

In de morgen heb ik Uxy lekker uitgelaten, ook nu was ze weer heel alert naast de rolstoel en kon ik haar goed afleiden van alle vogels, konijnen enz., Uxy heeft een behoorlijk jachtinstinct volgens de trainer maar als ik haar goed onder apèl heb dan merk ik daar tot nu toe weinig van, het is wel gemakkelijk dat je als ervaren hulphond gebruiker veel van het gedrag van honden weet want dat komt nu goed van pas.

Om 11 uur kwam Piet weer om samen met ons te trainen, eerst weer uitgebreid praten over hoe het gegaan is, weer FEET oefenen, en de jas uittrekken en nog even naar buiten.

Piet was verbaasd dat Uxy het FEET al zo goed deed en ook buiten ging het weer goed, de jas uittrekken ging minder want Uxy is heel erg op mijn hand gericht en voor ik het wist raakte haar tanden mijn hand en stomp en dat is niet leuk voor mij als dystrofie/pijnpatiënt, dus moest ik dit even laten rusten tot na het weekend.
 
Om 2 uur ging Piet weer weg, we hadden s’morgens al afgesproken dat het zo goed ging dat Uxy ook het weekend hier zou blijven, anders zou ze nog een paar nachtjes naar het gastgezin terug moeten maar ik hield haar liever hier.

In de middag kwam mijn dochter om samen met mij de wekelijkse boodschappen te doen en toen mocht Uxy ook mee, Yce bleef bij Dik want Yce heeft woensdag hartklachten gekregen, Yce had moeite met ademen en z’n hartslag was heel hoog, hij had veel vocht rond hart en longen dus kreeg hij plastabletten en dat betekende veel plassen en dat is niet handig met winkelen en die arme jongen was ook doodmoe door de hartklachten ( gelukkig gaat het nu veel beter met Yce), in de winkel ging het super met Uxy, ze gedroeg zich voorbeeldig, hoefde nog niet te werken want we bouwen in de komende 5 weken alles langzaam op.
 
Zaterdag heel regelmatig wat verschillende dingen getraind en het FEET en het aanlijnen gaan nu heel goed, s’middags gezellig met mijn kleindochter en Uxy gewinkeld en s ‘avonds uit eten met z’n allen, heel gezellig Yce en Uxy lagen ieder aan een kant van mijn rolstoel en ook dat ging goed.
 
Zondag zijn we met onze zoon, 3 kleinkids en beide doggy’s naar Avifauna geweest, best gewaagd voor een hond die heel graag achter vogels aan gaat, nou niets aan het handje hoor, Uxy heeft zelfs neus aan neus gestaan met een pinguïn en ze kwispelde wel met haar staart maar niks geen springen of zo, we hebben zelfs tussen de losvliegende ooievaars,pelikanen, kraanvogels enz. gelopen maar niets geen opwinding.

Ook deze avond met een grote groep lekker pannenkoeken wezen eten, weer keurig netjes naast de stoel echt toppy.
 
Vandaag kwam Piet weer voor een training hij was zeer verrast door de vorderingen van Uxy, het gaat ook zeer snel allemaal, Uxy leert heel snel en goed en het is nu al zo dat zodra ik beweeg dat ze achter me aankomt, ze wil echt bij mij zijn.

Vandaag het TUKKEN (uittrekken) van de jas opgepakt, Dik mijn man is even slachtoffer, we moeten het raken van mijn hand gaan voorkomen en als het bij hem een keertje mis gaat is dat niet zo erg, we hebben vandaag ieder uur 3-4 keer geoefend en het gaat echt een stuk beter.

Ook het commando “HEEL”( links) geoefend, Uxy heeft het wel geleerd maar met teveel handbeweging en dat kan ik niet, dus nu oefenen we weer samen met Dik zodat ze het alleen op de stem gaat doen.

Ook hierbij zet ik Yce in want Uxy is dol op Yce dus ze hobbelt ook Yce wel achterna als ik het commando “HEEL” geef.

Het was weer een leerzaam dagje en het is heerlijk om te zien dat Uxy alles zo snel oppakt, ik kan goed zien dat de basis goed is, nu alleen nog in de situatie hier uitvoeren en dat komt best goed.
 
Piet komt nu vrijdag weer en dan gaan we Uxy buiten “vrij”geven, ook dan mag Yce weer hulpje zijn want we gaan er van uit dat Yce het goede voorbeeld geeft, Yce komt altijd als ik hem roep dus dat moet een goed voorbeeld zijn voor Uxy.
 
Het is heel fijn maar heel erg vermoeiend om weer met een hondje te trainen, en zeker met zo’n leergierig wijfie als Uxy.
 
Yce vind het allemaal wel best, als hij maar op tijd zijn knuffel en zijn brokjes krijgt.
 
Groetjes van Ina, Yce en Uxy

 

Wij roemen in de verdrukking

Wij zijn verzekerd van dat Godsrijk nu al, hier in dit leven, omdat wij weet hebben van Gods troost. Wat Hij beloofd heeft, de werken van Zijn handen, kan niet kapot. En daarom hebben wij hoop!

Romeinen 5, 3

Een geweldig woord, van een man, die wist waarvan hij sprak. Hoe vaak had hij niet verdrukking in zijn leven meegemaakt! Leest u maar eens 2 Kor.4: “Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons: in alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw;om raad verlegen, doch niet radeloos; vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren; te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare.”

Paulus kent de verdrukking uit ervaring. Deze man staat er midden in en hij heeft er volle vrede mee!Er is niets in hem van zelfbeklag of medelijden met zich zelf. Integendeel; hij kan er nog op roemen! Hij beseft, dat het een eer is, wanneer God het hem toevertrouwt zoveel verdrukking te lijden, zoals hij ook aan de Gemeente te Philippi schrijft: “Want aan u is de genade verleend , voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.” En wat heeft de apostel een strijd moeten leveren voor zijn geloof in de Heiland! We lezen opnieuw enkele verzen uit de Tweede Korinthebrief:  “in moeiten veel vaker, in gevangenschappen veel vaker, in slagen maar al te zeer, in doodsgevaren menigmaal; van de Joden heb ik 40 min 1 slagen ontvangen, drie maal ben ik met de roede gegeseld, drie maal heb ik schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee, telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door de heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders, in moeten en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten , in koude en naaktheid; en dan, afgezien van de dingen die er verder nog zijn, mijn dagelijkse beslommeringen, mijn zorg voor al de Gemeenten…” (11, 23-29).

Hij heeft in al die verdrukkingen de kracht van God ontvangen,omdat hij afweet van het lijden van Christus. Daarom kan hij er in roemen en wekt hij ook de geloofsgenoten in Rome op dat te doen. “WIJ ROEMEN OOK IN DE VERDRUKKINGEN…” Jullie ook? U ook? Doen wij het ook in onze verdrukkingen? Ik ben bang van niet. Wij zuchten er onder en tobben er mee rond. En dan hebben we ’t nog niet eens over de verschrikkelijke verdrukkingen, die Paulus heeft doorgemaakt: de geloofsvervolging en het kruisdragen om Christus’ wil, het martelaarschap. Daar zijn wij waarschijnlijk helemaal nog niet aan toe. Maar ik denk aan verdrukking van het bezwaarde geweten, herinneringen uit het verleden die op ons drukken; pijnlijke en beschamende ervaringen uit ons leven, die steeds maar weer in onze gedachten rondspoken, of bezwarende ervaringen nu, waardoor we ons gekwetst voelen. Ik denk aan al die dingen waarover we wel eens zingen: “Zijn wij zwak, belast, beladen en terneergedrukt door zorg” (Joh. de Heer) Misschien zijn het ook gedachten en beelden van de toekomst, die ons terneerdrukken. Angst om te moeten sterven, angst voor lijden en ziekte, rouw en vereenzaming, angst voor de “doorn in het vlees” waardoor je gehandicapt bent en je uitgeschakeld voelt in het leven. Paulus kende die gevoelens ook, de last van het geweten, omdat hij vroeger zijn geloofsgenoten had vervolgd. Hij spreekt van de doorn in zijn vlees. Wij weten niet welke handicap daarmee bedoeld wordt,  maar hij kan er nu in roemen, terwijl wij er nog door verdrukt worden en er onder gebukt gaan, misschien zelfs er moedeloos onder zijn geworden en verbitterd, opstandig. Wij hebben het gevoel dat ons bitter onrecht geschied, wanneer wij zo moeten lijden. Waarom ik en een ander niet? ’t Is allemaal zo onredelijk verdeeld in de wereld, ’t is niet eerlijk!

Hoe kan Paulus nu zeggen: “Wij roemen ook in de verdrukking”? Een wonderlijke uitspraak, onbegrijpelijk! Tegenstrijdig met de werkelijkheid en totaal onlogisch voor ons gevoel. Ja, maar geloof rekent met een heel andere logica, niet die van het verstand, maar die van het hart, niet die van de rekenlat, maar van de barmhartigheid van God, Die niet rekent. “Hij doet ons niet naar onze zonden, maar vergeeft ons.” Ook voor mensen als Paulus was het leven niet altijd even gemakkelijk, voor hen waren er veel raadsels in het leven, net als voor u. Voor Job bijvoorbeeld  heeft het heel lang geduurd, eer hij kon zeggen “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd”. Zij hebben allemaal strijd met hun verdrukkingen, zij zijn als ’t ware in barensnood, zoals Paulus het zegt in Rom.8,22): “wij zuchten, want wij weten, dat tot nu toe de hele schepping in al haar delen zucht en in barensnood is”. Toch hebben zij goede moed en vrede met God en kunnen noch juichen midden in hun nood, omdat zij Christus hebben leren kennen. “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?” Zegt Paulus verder in de Romeinenbrief (8,35). Dat tekent ten voeten uit zijn onwankelbare geloof in de Heer, “want in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad” (vs.37). De apostel wil ook ons daarmee zeggen: weest getroost, het ligt niet aan ons, maar aan Hem, Wiens liefde ons tot overwonnenen en daarom tot “meer dan overwinnaars” maakt. Alleen in Christus kun je dat zeggen, kun je al die verdrukkingen dragen en zelfs er in roemen. Op eigen kracht gaat dat nooit. Alleen met Zijn hulp, de liefde en kracht in Hem, Die gezegd heeft: “In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.” (Joh.16,33).

Roemen in God wordt dan ook “roemen in de verdrukking”, en “roemen in de verdrukking” kan, omdat het tegelijkertijd “roemen in God” is, Die voor ons de verdrukking tot in het bitterste lijden en dood gedragen heeft. Juist in de verdrukking laat God Zich vinden! Als de Eeuwig Getrouwe, de Helper in nood, de Redder en Heiland. Juist in onze verdrukking leren wij verstaan, wat Christus voor ons heeft doorgemaakt. Onze lijdensweg brengt ons op Zijn lijdensweg. En wij kunnen onze lijdensweg alleen maar gaan, omdat wij daarmee op Zijn lijdensweg komen, dus niet met de moed der wanhoop, maar roemend in het kruis van de Heiland.

Daarom moeten we ook het lijden niet ontvluchten. Ik weet wel: als mens ben je daartoe geneigd, want niemand heeft zin in lijden, integendeel: je hebt er een afkeer van en je komt er tegen in opstand. Maar wetend van Christus’ lijden, wetend ook van al dat lijden in de wereld, dat bij het zondige leven hoort en dat zoveel mensen vaak op afschuwelijke manier treft, moeten we ons eigen lijden niet uit de weg gaan. We moeten ons lijden op ons nemen om er anderen mee te helpen en te ontlasten. We moeten het op ons nemen ter wille van Christus, Die het voor ons op Zich nam. Daar moeten we ook om bidden: dat God ons daartoe de kracht geeft. Ik kan het niet uit me zelf, maar zo waarlijk helpe mij God Almachtig! Het lijden kan ons ook tot zegen worden. Hoort u maar, hoe Paulus dat verder uitlegt in onze tekst: “Wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt”. Volharding is meer dan lijdzaamheid. Ik ken mensen, die alles lijdzaam ondergaan, zeggend dat het Gods wil is en dat je dat dan moet aanvaarden. Ik denk niet, dat Paulus dat er mee bedoelt. Volharding is geloofsvolharding: je komt in de verdrukkingen, je gaat er onder gebukt, je kromt je rug, maar je wordt er niet door gebroken, het kan je niet kapot maken, je blijft er onder, maar je gaat er niet aan onderdoor! Begrijpt u? En dat komt door je geloof, omdat je ziet op het lijden van Christus. Wat zullen we die volharding nodig hebben! Wie weet wat ons allemaal nog te wachten staat!

En die volharding werkt beproefdheid uit, zo gaat Paulus verder. De Statenvertaling spreekt hier van “bevinding”. Dit oud-Nederlandse woord heeft te maken met “ervaring, ervaring van Gods hulp”. In de verdrukking leren wij dragen, maar in de verdrukking leren wij ook ons te Laten dragen en geleid te worden. Wij zullen ondervinden, dat de Heer ons leidt, elke dag. Zo worden wij “beproefde mensen”. Ook dat hebben we zo hard nodig.

Tenslotte noemt Paulus als derde vrucht van een leven in verdrukking: de hoop. Hiermee wordt het einde van de verdrukking, het einde van de lijdensweg, zichtbaar. Hoop is de samenvatting van alles wat wij van God mogen verwachten: heel ons heil, onze toekomst, de verlossing uit het lijden, de heerlijkheid van het nieuwe leven. Hoop doet de mens zingend leven:

” ‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
in al mijn noden, angst en pijn
U al mijn liefde waardig schatten,
wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
o God, mijn heil, mijn toeverlaat;
en mij hiertoe. door U bereid
opnemen in Uw heerlijkheid”

Psalm 73, 12

Die hoop beschaamt niet, zegt Paulus. Die hoop is vaste zekerheid, omdat zij rekent met God Zelf. Wij hopen niet, omdat wij graag de moed zouden hebben in latere tijden te geloven en omdat het toch maar het beste is optimistisch te zijn: kop op, het komt allemaal wel goed! Nee, wij hopen, tegen beter weten in, omdat wij rekening houden met de mogelijkheid dat er slechtere tijden zullen komen en God ons “door veel verdrukkingen heen zal doen ingaan in Zijn Koninkrijk” (Handelingen 14,22). Wij zijn verzekerd van dat Godsrijk nu al, hier in dit leven, omdat wij weet hebben van Gods troost. Wat Hij beloofd heeft, de werken van Zijn handen, kan niet kapot. En daarom hebben wij hoop! Wij worden niet overgeleverd aan de wanhoop, die is er genoeg in de wereld. Een Christen mag staan in de HOOP, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, zo zeker als Christus voor ons, goddelozen, is gestorven. Daar ligt het geheim van het roemen in de verdrukkingen: JEZUS CHRISTUS, Diens leven, Diens ingaan in de dood voor u en voor mij, dat is ons houvast, daarin wortelt onze hoop. God blijft ons trouw, dat maakt ons sterk en ook blij, dat geeft ons vrede met ons lot.

Ik roem in mijn God, ik juich in Zijn trouw,
De rots mijner ziel, waar ik eeuwig op  bouw.
Ik zal Hem nog prijzen in ’t uur van mijn dood,
dan rijst nog mijn loflied: Zijn goedheid is groot.

Gezang 470, 4

Amen.

Deze preek wordt opgedragen aan onze goede vriend Piet Zellmann, die ons na 23 jaar MS ontvallen is en is opgenomen in Gods heerlijkheid, en aan zijn dappere vrouw Paula, die in al die jaren Piet met haar liefdevolle zorg heeft omringd.

Wandelt in de liefde

Samen gelukkig zijn, er samen voor te staan in je leven, er ook samen aan te werken, aan dat geluk, aan die verbondenheid in de liefde, daar gaat het om! Dat is het devies voor elk gelukkig huwelijk!

Efeziërs 5, 2

Omdat wij vandaag, 28 augustus, ons gouden huwelijksfeest mochten vieren, dat eerder was uitgesteld wegens ziekenhuisopname, dacht ik er goed aan te doen eens over de liefde te preken. Zoals Paulus dat doet in Romeinen 12, waar boven het tekstgedeelte vs. 9-21 staat geschreven: “opwekking tot liefde”. Maar dit gedeelte komt voort uit hetgeen dat voorafgaat: de wandel in Christus. Blijkbaar komt de wandel in de liefde voort uit de wandel in Christus1 Wie Christus kent in zijn leven en Zijn genade dagelijks ervaart zal in staat worden gesteld echt lief te hebben. Liefde tot Christus weerspiegelt zich in liefde voor elkaar. De tekst boven aan de preek geeft dit precies weer:

“Wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer”.

In deze tekst komen tegelijk Christus’ lijden en dood in het vizier. En dat is heel goed, want lijden is de grondslag van de liefde van Christus voor ons en omgekeerd onze liefde tot Hem. Christus’ lijden komt voort uit Zijn liefde tot ons, laten we dat nooit vergeten! De apostel roept ons op om te wandelen in de liefde, omdat hij de liefde van Christus heeft gekend in Zijn lijden en kruisdood.  Liefde wordt hier zichtbaar in het iets, nee: HEEL VEEL, over hebben voor elkaar. Onze liefde wordt zelfs vergeleken met de liefde van Christus, die Zijn leven voor ons over had, opdat wij gelukkig zouden zijn. Geluk in het leven, zeker geluk in het huwelijk, stoelt op die basis. Je hebt verklaard elkaar lief te hebben en trouw te blijven tot in de dood. “Wandelt in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad”.  Metterdaad: door Zich voor ons in de dood te begeven. Dat is pas echte gemeenschap, als je bereid bent je leven voor de ander te geven. Tegenwoordig wordt “gemeenschap” gelijk seksueel ingekleurd, toch – hoe belangrijk ook- is dat slechts één aspect van de liefde tussen man en vrouw. Wandelen in de liefde is veel breder en het gaat ook veel dieper: het is het samen optrekken van twee mensen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, in lief en leed, in voor- en tegenspoed, in rijkdom en armoede, ja tot in de dood. Dat kun je alleen, als je daarbij van Hoger Hand  geholpen wordt, als jouw gemeenschap gedragen wordt door die andere gemeenschap van de Heer en jou met je vrouw. Samen gelukkig zijn, er samen voor te staan in je leven, er ook samen aan te werken, aan dat geluk, aan die verbondenheid in de liefde, daar gaat het om! Dat is het devies voor elk gelukkig huwelijk! Want geluk moet bevochten worden, steeds opnieuw, je krijgt het niet in je schoot geworpen. Soms gaat het met vallen en opstaan, langs schijnbaar onbegaanbare wegen. Maar het vuur van de Heilige Geest houdt de liefde brandende en wijst je steeds opnieuw de weg. Dat vuur moet je voedsel geven, het moet blijven branden, anders wordt het niks. Hoe doe je dat? Door met elkaar te communiceren, zwijgen is de dood in de pot. Door voor elkaar te bidden, door elkaar te respecteren en ook in de ruimte te stellen. Door strijd kom je tot overwinning, door lijden tot opstaan (Pasen), door vernedering tot verhoging. Dat is de weg die Christus ons wijst, waarin Hij Zelf ons is voorgegaan. Zo wordt ons leven een eenheid, iets gezamenlijks, dan let je er niet meer op of iets van jou is of van je levenspartner, of jij het moet doen of zij, maar dan gaat het vanzelf, want je doet het met elkaar en voor elkaar. Het wordt dan zoals de Prediker het zegt in hoofdstuk 4:

“Beter met z’n tweeën dan alleen, want dan loont het tenminste al dat gezwoeg. En als ze beiden vallen, dan helpt de één de ander overeind .Maar wee die ene mens die valt en hij heeft niemand om hem op te richten Twee mensen, die samen slapen, worden warm, maar hoe moet iemand alleen het warm krijgen? Goed, als iemand alleen is kan hij overweldigd worden, maar twee kunnen stand houden. En een snoer met drie strengen gaat niet gauw stuk!”

De hechte verbondenheid tussen God en mensen en de mensen onderling wordt in de Bijbel vaal aangeduid met het beeld van “wandelen”. Zo wandelde Noach met God. En de profeet Jesaja roept het ontrouwe volk toe: “Huis van Jacob, laten wij wandelen in het licht des Heren!”. En Paulus doet hetzelfde met ons: “Wandelt in de liefde”.

Wat is het specifieke van wandelen? Ten eerste dat je het samen doet, en heel rustig. Er staat immers niet: rennen of vliegen, maar gewoon wandelen, stap voor stap, eventueel hand in hand. Daar zit bezadigdheid in, en stilte en rust. De één loopt niet voor de ander uit, maar je wacht op elkaar en houdt elkaar vast. Je geeft mekaar een opstootje (een “kontje”), als het omhoog gaat, en je helpt elkaar over de brug of over de sloot. Zo blijf je met elkaar in de pas, je zorgt er altijd voor dat de ander kan bij blijven, en niet in ademnood geraakt.

Wandelen is ook samen stil staan, bij een mooi vergezicht, een bloeiende boom, een vogel in de lucht. Je staat stil bij de wonderen in je eigen leven, dat je elkaar gevonden hebt (dat God ons heeft samengebracht!), dat je samen kinderen hebt gekregen en die kinderen ook weer kinderen, en dat ze allemaal gezond zijn, en dat jijzelf met al je kwamen er ook nog bent, alle dagen liefdevol verzorgd door je eigen vrouw. “WANDELT IN DE LIEFDE !”

En -zegt Paulus – de liefde zij ongeveinsd. Veinzen is huichelen, doen alsof. Nee, de liefde moet ECHT zijn. Je moet niet kat en muis spelen, geheimen hebben voor elkaar, je moet elkaar altijd recht in de ogen kunnen kijken. “Weest afkerig van het kwaad, gehecht aan het goede.” Dat zijn de mijlpalen langs de weg, die bewandeld wordt. “Weest in broederliefde elkaar genegen, in eerbetoon elkander tot voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Heer”. We horen het: het moet gaan om het goede, altijd de goede kant kiezen en het kwaad uitbannen, de Heer dienen. Zegt Paulus het niet zo: “Weest blijde in de hoop, gelukkig in de verdrukking, volhardend in het gebed”. Met deze aanmoedigende woorden wordt samengevat alles wat we op de wandeling in de liefde nodig hebben. Hoop doet leven. Met hoop heb je een doel voor ogen, dat je bereiken wilt. In die hoop wordt ook duidelijk wat je hebt en graag wilt vasthouden:  elkaar, je huwelijk, je kinderen en kleinkinderen. Maar in die hoop wordt ook duidelijk wat nog mist: de totale overgave aan elkaar, het samensmelten van de twee harten, een huis op een rots gebouwd… Want we weten maar al te goed, dat het leven en zeker ook het huwelijk zo ontzettend kwetsbaar is. Niet voor niets gaan van alle gesloten huwelijken de helft op korte termijn weer uit elkaar!  Natuurlijk, je hebt je goede bedoelingen, maar die worden niet altijd zo begrepen. Je hebt een beeld voor ogen, als je gaat trouwen, een ideaal beeld, maar dit beeld van ons slaat zo gauw te pletter tegen de werkelijkheid van het leven. Kijk, daarom moet je leven uit de hoop. Liefde kan niet zonder hoop. De hoop wordt gevoed door de liefde. Want je weet het en je wilt het zo graag: ons huwelijk moet iets geweldigs worden. Blijf leven in die hoop! Deze drie zijn het, die ons leven en huwelijk vastigheid geven: geloof, hoop en liefde, deze drie. (1 OR.13). Dat geloof wordt  zichtbaar in het geduld, dat je met elkaar en met het levenslot hebt. Je kunt het niet afdwingen, dat geluk, je moet er ook voor open staan en geduldig zijn: het komt vast wel! Des te belangrijker is dat geduld, als er tegenslagen en verdrukkingen komen. Moeiten en zorgen in het leven zijn van alle dag. Met Gods hulp kom je er doorheen. Laat het je huwelijk niet kapot maken!  Laat geen verdeeldheid toe! Een grote hulp daarbij is het gebed: “Volhardend in het gebed”.  Leven uit de hoop, in geduld en gebed, dat is wandelen in de liefde zoals Christus u heeft liefgehad.

Wandel maar stillekens achter Hem aan –
Achter de Heiland – Hij wijst u de wegen.
Zijn die niet altoos zo lieflijk gelegen
Als gij zoudt wensen, wil ze toch gaan:
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan!

Joh.de Heer 879

Amen

Grijp toch je kansen!

Als jouw ogenblik daar is, als de Heer op een gegeven ogenblijk bij je voorbij komt, vanavond of morgen of volgende week of misschien pas op het einde van je leven… pak dan die kans!

Mattheüs 20, 1-16

De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard wordt ons verteld tegen de achtergrond van een echt Palestijnse omgeving. We zien het boerenland en beleven het ritme van een Palestijnse arbeidsdag, die om 6 uur ’s morgens begint en om 6 uur in de namiddag tegen zonsondergang eindigt. Ook kunnen we in de gelijkenis de echte Bijbelse wijsheid beluisteren, dat de dag er is om te werken. Pluk de dag! Dat is allemaal puur uit het leven gegrepen. Ook dat het werk soms moeizaam is en vol teleurstellingen, keihard. Paulus laat de Thessalonicenzen weten “Wie niet wil werken, zal ook niet eten!” Vermoedelijk is dit net als bij ons een gangbare uitdrukking, maar in die tijd was het ook een praktische regel, toegepast op de arbeiders op het land. Paulus wijst de Gemeenteleden in Thessalonica daarbij op zijn eigen voorbeeld, dat hij “met moeite en inspanning werkte dag en nacht om niet het genadebrood van de mensen te hoeven eten, hoewel hij wel het recht tot ondersteuning gehad zou hebben!” Maar hij wilde de luiheid van de Thessalonicenzen niet in de hand werken. Er bestaat daarom geen twijfel hierover, dat de mens volgens Bijbelse maatstaven te werken heeft, zelfs “in het zweet van zijn aangezicht”. Tegelijkertijd mag hij ook weten, dat hij niet van zijn werk hoeft te leven, omdat het leven zelf een geschenk is van God en door Zijn zorg omgeven. “Niet van brood zult gij leven, maar van alle Woord, dat de mond Gods uitgaat”.

Met tussenpozen van drie uur gaat de heer van de wijnberg naar de markt om arbeiders te werven. Blijkbaar is de markt de plaats, waar de mensen die werk zoeken te vinden zijn, een soort Gewestelijk Arbeidsbureau dus of de vacaturebank. Ook vlak voor het einde van de dag worden er nog arbeiders aangeworven. Bij de eersten wordt nadrukkelijk overeengekomen dat ze voor één schelling zouden werken. Tot hen, die later in dienst zijn gekomen, zei de heer: “Wat billijk is, zal ik u geven”. De mensen vonden dat goed, ze waren al blij dat ze nog werk gekregen hadden. Toch was het loon ook wel belangrijk in die tijd, want ze moesten er van leven, met vrouw en kinderen. Niet voor niets wordt hier één schelling, een dinar, genoemd, precies het bedrag wat volgens de normen van het leven van toen toereikend was voor het leven van één dag. De arbeiders werkten echt voor wat ze elke dag nodig hadden voor hun gezin. Dat is het recht van de arbeid: dat je verdient wat je nodig hebt. Alleen God met Zijn goedheid gaat dit recht te boven: Hij geeft niet het verdiende loon, maar het loon van Zijn genade, wat iemand niet verdient maar dat hem geschonken wordt puur uit Gods goedheid. Dat wordt in de loop van onze gelijkenis duidelijk gemaakt. Op het eind namelijk krijgen we de afrekening. Merkwaardigerwijs begint de Heer bij de laatsten (anders zouden de eersten het niet gezien hebben!). Dit is waarschijnlijk ook de reden, waarom Mattheüs deze gelijkenis op deze plaats heeft ingevoegd. Het vorige hoofdstuk eindigde namelijk met de discussie tussen Petrus en Jezus over het loon, dat de discipelen die Jezus gevolgd waren en daarvoor alles hadden prijsgegeven later zouden ontvangen. Jezus zei toen: alles wat we in dit leven voor Hem over hebben gehad, zal ons later veelvuldig vergoed worden, “maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.” Ik denk dat Hij hiermee bedoeld heeft, dat het gaat om de intentie waarmee je iets doet. Is het echt uit liefde voor de Heer? Of om er straks beter van te worden? Als je denkt, dat je ergens aanspraak op kunt maken, dan heb je het mis. Dan ben je de eerste die de laatste wordt! Maar als je werkelijk iets met je hart voor de Heer over hebt, dan zul je er niet prat op gaan, maar in alle nederigheid de Heer tegemoet treden, wetend dat je eigenlijk niets verdient, dat het allemaal genade is. Het is net als de tollenaar in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. En net als de jongste zoon, die we ook wel de verloren zoon noemen. Zij wisten dat ze niets hadden om zich op te beroemen, integendeel! De laatsten, die toch de eersten werden! Zo is het ook in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard.

De heer begint bij de uitbetaling met de laatsten. Ze worden niet onheus bejegend, in het oog van de meester zijn zij niet minder dan de anderen. Zij hebben de hele lange dag moeten wachten om eindelijk werk te vinden. En ook zij moesten geld verdienen voor vrouw en kinderen. Pas op het eind van de gelijkenis wordt over die mensen met minachting gesproken, door de arbeiders van het eerste uur. Die hadden misschien wel gedacht iets extra’s te krijgen, omdat ze de hele dag gewerkt hadden. Maar wie schetst hun verbazing ( en woede!), toen zij zagen dat de arbeiders van het negende uur en die van het zesde uur allemaal evenveel uitbetaald kregen als die van het elfde uur. Ook de mensen van het derde uur kregen één dinar, en toen zij aan de beurt kwamen, de arbeiders van het eerste uur, was het precies zo. Om woedend van te worden! “Maar meneer toch, dat kunt u toch niet maken! Wij hebben een hele zware lange dag achter de rug en zij… maar één enkel uurtje!” “Ja vriend, dat kan ik wel maken, want ik ben de heer en ik wil in mijn goedheid u allemaal hetzelfde geven, omdat jullie het allemaal nodig hebben. Trouwens, wat klaag je? Hebben we niet voor één dinar met elkaar afgesproken? Welnu dan, is uw oog boos, omdat ik goed ben?”

Hier zien we weer eens duidelijk, hoe onlogisch het Evangelie is, als we het tenminste volgens menselijke maatstaven beoordelen. Het handelen van God gaat onze logica te boven en is elke keer weer een verrassing voor ons: het komt beslist anders dan wij denken, het Evangelie is het totaal onverwachte! “Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo totaal anders (en hoger!) is Gods denken!”

Dat is het eerste wat ons in deze gelijkenis duidelijk wordt gemaakt. En het tweede is de kwestie van de eersten en de laatsten. Ik heb al gewezen op de gelijkenis van de verloren zoon. Ook daar is de oudste zoon jaloers, precies zoals de arbeiders in de wijngaard van het eerste uur. Die oudste zoon heeft ook zijn leven lang gesappeld, terwijl dat broertje van hem het er in alle opzichten van genomen heeft. Dat zijn vader voor die knul het gemeste kalf laat slachten is hem totaal een raadsel, precies zoals de beloning van die arbeiders van het laatste uur voor de eersten een raadsel is. De oudste broer staat overdrachtelijk gezien voor het volk Israël, terwijl de jongste zoon de heidense volken vertegenwoordigde. In onze gelijkenis zou het ook zo kunnen zijn: de eerste die in de wijngaard van de heer mag werken is Israël, de laatsten zijn de volken, die later door het Evangelie geroepen zijn. Beide ontvangen bij de grote afrekening hetzelfde, maar wel in omgekeerde volgorde! De eerste is de laatste en de laatsten zijn de eersten!

Tenslotte de toepassing op ons persoonlijke leven. Jezus waarschuwt ons: denk er aan, de eerste zal wel eens de laatste kunnen zijn. Wij willen zo graag allemaal de eerste zijn, maar hebben wij wel het recht om ons tot de eersten te rekenen? Hebben wij soms zo veel om ons op te beroemen? Moeten we niet allemaal alleen van de genade en goedheid van de Heer leven? Als je dan toch op de een of andere manier de eerste bent, bijvoorbeeld met je verstand of op je werk, wat de gezondheid betreft of het geloof, in materieel opzicht of anderszins, dan verkeer je in een gevaarlijke positie. Je loopt het gevaar, dat je je er zo gemakkelijk op gaat beroemen en daardoor anderen, die niet mee kunnen, in diskrediet brengt. Het gevaar dus, dat je jouw voorsprong als verdienste gaat beschouwen en daardoor niet meer in de gaten hebt, dat ook jij alleen en helemaal bent aangewezen op Gods genade! Het komt er in je leven op aan, dat je die genade onderkent, dat je gehoor geeft aan de roepstem van God. Dat is, dat je de kans die God je geeft benut. Grijp toch je kans! De arbeiders van het derde, zesde en elfde uur, hebben niet dezelfde kans gehad als die van het eerste en derde uur. Niet voor iedereen liggen er dezelfde mogelijkheden om Gods stem roepstem te horen en met Zijn werk te beginnen. Maar, als jouw ogenblik daar is, als de Heer op een gegeven ogenblijk bij je voorbij komt, vanavond of morgen of volgende week of misschien pas op het einde van je leven… pak dan die kans!  En laat je inschakelen in Zijn wijngaard. Daar komt het op aan! Niet onze verdienste geeft recht op passende beloning, maar alleen wat God ons uit goedheid geven wil.

Amen.

pastoralekroes.nl jubilieert

Het is jaren geleden begonnen, maar nu komen er elke week duizenden mensen op deze site. In de zomer de helft en met Pasen het dubbele!!

Het is inmiddels jaren geleden dat deze website is opgestart. Eerst nog wat aarzelend met kleine stukjes in Terzijde, maar op 11 augustus 2005 werd de eerste preek geplaatst. In het begin zag ik het helemaal niet zo zitten. Wat moest ik nu met een website? Maar mijn schoonzoon Bart, een bekwame IT-er, zei: doe dat nu maar, u heeft uw hele leven geschreven, waarom zou u dat nu niet meer doen? Ik wierp tegen: maar wie heeft er nu belang bij wat ik schrijf? Hij weer: daar zult u nog van staan te kijken! En dat is uitgekomen: elke week komen er zo’n 2000 mensen op de site (in de zomer de helft en met Pasen het dubbele) omdat ze er bijvoorbeeld vanuit Google naar verwezen zijn. Wat ze zoeken? Uitleg van een Bijbeltekst, troost bij rouwverwerking, Sinterklaasgedichtjes, een stukje kerkgeschiedenis (Luther, Augustinus, gedachten  over euthanasie, Islam en nog veel meer. Enfin, gaat u zelf maar eens kijken! Ook de levensloop van ds. Kroes en zijn kinderen en kleinkinderen komen daarbij om de hoek kijken. Een website kent geen einde, wel een begin. Vijf jaar geleden ben ik er mee begonnen, ik hoop er nog vele jaren mee bezig te zijn. Moge God mij daarin zegenen!

pastoralekroes.nl in 2006

De website in 2006. Klik op het plaatje voor een grotere versie.

websitescreenshot _klein

De website in 2010. Klik op het plaatje voor een grotere versie.

2014-2017. Zo was het de afgelopen jaren, met tussen de 5-7 duizend bezoekers per maand.

 Update juli 2014:

We kruipen langzaam naar het 10 jarige jubileum toe en de website heeft weer een nieuw jasje gekregen.

 Update mei 2017:

Alweer een nieuw jasje!

Hij stelde er twaalf aan

Wij krijgen vandaag een drievoudige taak opgelegd van de Heer. Aan het werk dan maar!

Marcus 3, 14
“En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij ze zou uitzenden om te prediken, en om macht te hebben de ziekte te genezen en de duivelen uit te werpen”

De tekst begint zo: En Hij stelde er twaalf aan. Het gaat dus over de roeping van de discipelen. Het gebeurde ergens in de hoogte. De Statenvertaling vertaalt: op een berg. Jezus ging dus het bergland in, waarschijnlijk boven Kapernaüm, waar het bergachtig is en onherbergzaam. In die eenzame streek stelde Hij Zijn discipelen aan. Daar ligt dus één van de bronnen van de Kerk! Het bergachtige schijnt trouwens wel eigen te zijn aan de oorsprongen van de Kerk. Want ook de eerste belijdenis, die van Petrus: “Gij zijt de Christus”, had plaats in een bergachtige steek, het land van Caesarea Philippi. Het is zeker niet toevallig, dat de Kerk in het bergland is geboren en niet bijvoorbeeld in een wereldstad, zelfs niet in Jeruzalem. In het bergland is het woest en leeg, vol gevaren en weerstanden om te overwinnen. Het duidt op een onherbergzame wereld, waar voor de Kerk eigenlijk geen plaats is. Zo’n bergland vormt ook zijn mensen. Wij gingen vroeger altijd met vakantie naar Zwitserland en Oostenrijk en hebben daar veel bergmensen ontmoet, met verweerde gezichten, maar o zo eerlijk en gastvrij, recht door zee en hulpvaardig, mensen die dicht bij God leven, omdat ze weet hebben van de gevaren die de mens bedeigen. Als zulke bergbewoners zijn ook de Christenen in de wereld geplaatst. Laten we ook niet de zuivere lucht vergeten, die je als bergbewoner mag inademen! Zo wordt de Christen beademd door de Heilige Geest. In de Kerk moet dan ook een frisse zuivere wind waaien.

Wie riep Jezus? “Hij riep tot Zich, wie Hij wilde”. Jezus is vrij om dat te doen, dat is Zijn soevereiniteit. Hij riep wie Hij wilde, zonder enig voorbehoud, ook zonder voorbereiding. De discipelen waren geen haar beter dan andere mensen. Onder de twaalf zat ook een Judas. En Petrus niet te vergeten, die Zijn Heer tot drie maal verloochende. Maar door de vrijmacht van Gods verkiezing zijn zij tot vervulling van hun opdracht in de wereld gezet, alleen daardoor Jezus’ wil is de enige oorzaak, dat mensen tot discipelen geroepen werden.

Welke bijzondere opdracht krijgen zij? “Opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij ze zou uitzenden om te prediken en om macht te hebben de ziekte te genezen en duivelen uit te werpen”. Een drievoudige opdracht. Hij stelde er twaalf aan, in de eerste plaats opdat zij met Hem zouden zijn en Hem zouden volgen. Zij werden opgenomen in Zijn gemeenschap, de gemeenschap van Zijn woorden en daden, de gemeenschap ook van Zijn lijden en sterven en opstaan, ten hemel gaan. Gemeenschap in vernedering en verhoging! Dat is de eerste opdracht, die de discipelen en ook wij in de Kerk krijgen. Daar ligt de kern van elk Christen-zijn: innige verbondenheid en gemeenschap met de Heer. Hij is de Heiland, de Messias, de Middelaar. In Hem ligt de zaligheid en de heerlijkheid. Hij stelde er twaalf aan, maar in het voetspoor van die twaalf ook alle gelovigen in heel Zijn Kerk.

Een tweede opdracht is de prediking, de uitzending in de wereld om het Evangelie te verbreiden. Hieruit is de Kerk geworden. Dat is ook de eigenlijke taak van de Kerk: om te prediken, te verkondigen dat Jezus de Heiland van de wereld is. De zondagse preek is er dus niet omdat mensen het zo nuttig vinden, maar omdat Jezus het opgedragen heeft. En als Jezus iets opdraagt, dan zegent Hij het ook. Dat mag ons tot troost zijn!

Tenslotte stelt Jezus er twaalf aan, “opdat zij macht zouden hebben de ziekte te genezen en de duivelen uit te werpen”. Dit is het punt, waarmee wij altijd de meeste moeite hebben. Ziekte genezen en duivelen uitwerpen. Waarom komt dit toch nu en al vele eeuwen zo weinig voor in te Kerk? Het is er nog wel, hier en daar. Maar het is zo weinig en algemeen is de klacht: “Je kunt bidden wat je wilt, maar er gebeurt niets”. Dat kan liggen aan ons ongeloof, het kan ook liggen aan de machteloosheid van de Kerk. Zeker speelt hierin ook de vrijmacht van God een grote rol. Hij is immers vrij in het uitdelen van de zichtbare tekenen van Zijn Rijk. Het wordt in de tekst ook als laatste genoemd. Eerst de gemeenschap met Christus, dan de prediking, en tenslotte de zichtbare wonderen. Toch hoeven het niet speciaal wonderen te zijn, zichtbare zaken. Daar staren we ons dikwijls blind op, dat er geen wonderen meer gebeuren. Maar ziekten genezen is ook de ander in nood bijstaan. Helemaal niet zo spectaculair, maar wel zo effectief. Ziekten genezen is het kruis van Christus oprichten in een verloren wereld. En duivelen uitwerpen betekent ook, dat wij de wereld moeten bevrijden van allerlei demonen, die de macht naar zich toetrekken, materialisme, onrecht, allerlei werelds vermaak.

En zo worden we dan vandaag geroepen aan het werk te gaan, met de drievoudige taak die de Heer ook ons gegeven heeft. In gemeenschap leven met de Heer houdt ook in, dat je anderen tot die gemeenschap brengt. Het betekent ook, dat je er op toeziet dat er in de Gemeente tussen de leden onderling gemeenschap is, want gemeenschap met God sluit gemeenschap met de naaste vanzelfsprekend in. De tweede opdracht van de prediking van het Evangelie is tegelijkertijd ook een leven naar het Evangelie en het onderhouden van de sacramenten en het verantwoordelijkheid dragen voor de goede orde in de Gemeente in overeenstemming met het Evangelie. En het zieken genezen en duivelen uitdrijven in onze tijd heeft alles te maken met de bijstand en vertroosting van hen, die in geestelijke of materiële nood verkeren, de verpleging en verzorging van zieken en gehandicapten, hulp aan mensen met huwelijks- en gezinsproblemen, de maatschappelijk ontspoorden enz.

Wij krijgen vandaag een drievoudige taak opgelegd van de Heer. Aan het werk dan maar!

Amen

En hij heet Mozes

Eens per week gaat ze naar het honden-dodingstation in Mijas, laadt haar auto vol honden en brengt ze onder bij dierenvrienden. Tot die ene keer, toen ze bij de poort vanuit de al startende auto een kleine witte poedel op zijn achterpootjes zag staan. Het linker voorpootje ontbrak.

Het mailtje kwam binnen op een koude dag in januari. De tekst was sober, maar juist daardoor zo pakkend:

‘Woensdagavond mogen we hem halen. Hij wordt overgevlogen vanuit Spanje naar Zaventem (België), waarna hij op een parkeerplaats van een restaurant in Amersfoort aan ons wordt overgedragen. Na zes jaar zwerven krijgt hij een tehuis; we noemen hem Mozes.’

Op het bijgevoegde filmpje was een wit poedeltje te zien, dat huppelde ondanks het gemis van zijn linker voorpoot. Ik sloot de ogen en zag de grote boerderij van Aletta en Herman onder de rook van Kampen, ik zag de misbruikte ezels uit Korfu, ik zag de onlangs overleden hond Laska, zo liefdevol verzorgd, ik zag Katrien, de zwerfkat die languit op de weg ging liggen en niet meer kon en kwam ook de kater Bien-dia (goede dag) niet op deze manier binnen?
 
Vanwege de voortdurende sneeuwval werd de kennismaking met Mozes uitgesteld, maar via lange telefoongesprekken volgde ik het wel en wee. Eten, slapen, warmte, liefde, veel liefde. Het poedeltje kwam langzaam bij.

Op een mooie voorjaarsdag fietste ik naar de afgelegen boerderij in een prachtig natuurgebied. Net toen ik mijn fiets stalde kwam iets wits en krulligs op me afgestormd, het leek een lammetje, maar hij was het echt: Mozes.

In de sfeervolle boerderijkeuken dronken we koffie en hoorde ik het verhaal over Animal Care España, een kleine hardwerkende organisatie en officieel erkend. ‘Het doel van ACE is het opvangen en verzorgen van honden in Zuid-Spanje en het vinden van een liefdevol en definitief onderkomen in samenwerking met verschillende asielen Gevangen zwerfhonden, vaak in afschuwelijke staat, worden ondergebracht in meerdere dodingstations. Zijn de dieren er langer dan tien dagen, dan laat men ze inslapen. Bekend is dat honden ook vaak minder humaan aan hun eind komen. ACE beheert zelf het asiel  ‘El Refugio’, voorheen ook een dodingstation. De Belgische Fabiënne Paques is daar de stuwende kracht. Ooit wilde zij met haar man een nieuw leven opbouwen in Spanje, maar werd geraakt door al het hondenleed. Paques koos  niet voor een leven in luxe maar voor een leven in dienen en sinds 1999 staat ze aan het roer van El Refugio. Eens per week gaat ze naar het dodingstation in Mijas (gem. Malaga), laadt haar auto vol honden en brengt ze onder bij dierenvrienden. Tot die ene keer, toen ze bij de poort vanuit de al startende auto een kleine witte poedel op zijn achterpootjes zag staan. Het linker voorpootje ontbrak.

Het wordt stil in de keuken, we kijken door het raam en zien Mozes zitten op de tuintafel. De losse flap aan zijn verbrijzelde poot is chirurgisch verwijderd. Een prothese is overwogen, maar Mozes redt zich zo goed dat dit niet meer aan de orde is. Hij leeft intens op de boerderij, draaft en dolt, eet en slaapt. Wanneer ik vraag waarom gekozen is voor de naam Mozes, klinkt het antwoord: ‘Mozes dobberde ook voor hij thuis kwam’. Door het open keukenraam springt Katrien op tafel, ze begint zich uitgebreid te wassen…

Aly Brug