Niet alleen van brood zal de mens leven

Wij zouden vandaag zeggen: Israël leefde van Gods zorg en aandacht. Vandaag aan de dag mag dan wel heel veel anders zijn dan vroeger en zeker dan de tijd, waarin Israël zwierf door de woestijn, toch is de hoofdzaak nog steeds hetzelfde: we leven niet alleen van brood, maar van God en Zijn Woord, Zijn aandacht en zorg.

Matthëus 4, 4
”Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat.”

Jezus is in de woestijn en heeft honger. In die toestand komt de duivel naar Hem toe om Hem te verzoeken. Als er iemand is, die het niet zo best heeft, die het te kwaad heeft met de omstandigheden en soms ook met zich zelf, dan is vast en zeker de duivel in de buurt. Maar laten we wel bedenken: die duivel komt niet alleen mensen die honger hebben verzoeken, de duivel komt met zijn verzoekingen even goed tot mensen, die in overvloed leven. Daar zullen we ‘t straks nog over hebben.

We gaan nu eerst de aandacht richten op wat er in die ontmoeting tussen Jezus en de duivel voorviel. We horen Satan heel vriendelijk woorden tot Jezus spreken. Dat doet hij altijd! Hij heeft zo’n zoetgevooisde stem en hij meent het zo goed met je. “Waarom ligt u daar zo dodelijk vermoeid en hongerig neer? Dat hoeft toch niet? U kunt toch wonderen doen? U is toch de Zoon van God? Als U wilt, dan staat er onmiddellijk een heerlijke maaltijd voor U klaar. U hoeft daartoe maar één woord te spreken en in een ogenblik zullen de stenen hier broden worden.” Toch aardig van die duivel, toch niet zo zwart als ie meestal wordt afgeschilderd, ja eigenlijk wel een sympathieke figuur! Maar reken er op: hoe sympathieker hij zich voordoet, des te gevaarlijker hij is! Jezus mocht Zijn wondermacht toch niet voor Zich Zelf gebruiken. Alleen voor God en Diens eer en het verlossingswerk van de mensen. Stel je voor, dat Jezus brood van de duivel had aangenomen! Wij kijken vaak niet zo nauw, hoe we aan ons brood komen en aan ons geld, als we maar brood op de plank hebben! Gelukkig laat Jezus ons hier zien, hoe het WEL moet: “Er staat geschreven” zegt Hij; dat is het voornaamste: “Er staat geschreven… Weet u dat wel? Denkt u daar wel aan? Er staat geschreven! Niet wat mensen zeggen, niet wat we er zelf van denken, niet wat voor ons het voordeligst is. Nee, één ding is slechts belangrijk: Er staat geschreven! Wat zegt Gods Woord er van?” We moeten bij wijze van spreken Gods Woord bij ons hebben, bij het werk, bij het oogsten. Daar moeten we ons aan houden! Zoals Jezus Zich er aan hield en er voor dankte: “Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat”.

Hoe vaak wordt dit woord verkeerd uitgelegd. Alsof het betekent, dat de mens naast brood ook aan andere stoffelijke zaken behoefte heeft. De mens zal bij brood alleen niet leven… Maar laten we niet vergeten, dat Jezus er wel aan toevoegde: “maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat”. Meestal wordt dit zo uitgelegd, dat de mens niet alleen sterfelijk voedsel nodig heeft, maar ook geestelijk voedsel. Niet alleen het lichaam heeft voedsel nodig, maar ook de ziel. Op zich zelf genomen is dit natuurlijk waar en we moesten er bij al ons zwoegen voor aardse dingen maar eens aan denken, dat ook de geestelijke dingen onze aandacht nodig hebben.
Toch wordt dit – denk ik – niet met onze tekst bedoeld. Dat wordt ons duidelijk, als we er op letten dat Jezus hier een woord uit Deuteronomium 8 aanhaalt. In dat hoofdstuk worden we herinnerd aan de veertig jaar, die Israël na de bevrijding uit Egypte in de woestijn heeft doorgebracht. En waar het dan op aankomt is dit: dat Israël al die veertig lange jaren in de woestijn door God op wonderbaarlijke wijze in het leven is gehouden. In de woestijn was geen leven, geen brood, nog niet voor één enkel mens, laat staan voor honderdduizenden. Maar God heeft het manna uit de hemel gegeven, het wonderbrood. We lezen daarvan in Deuteronomium: “De Here gaf u het manna te eten, dat gij niet kende en dat ook uw vaderen niet gekend hebben, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond des Heren uitgaat.”

Waarvan leefde Israël dus in de woestijn? Niet van het gewone voedsel, want dat was er niet, maar van wat er uit Gods mond uitging. Dus van woorden die God sprak, maar daar kun je toch niet van leven? Ja toch, juist van woorden moeten we leven! Van Gods Woorden! Dat kan, want Gods woorden zijn machtige woorden, scheppende woorden. Denkt u ‘t zich eens in: er was niets eetbaars in de woestijn, maar God opende Zijn mond en sprak slechts één woord, en zie: de grond lag bezaaid met het allerbeste voedsel. Eet maar, zoveel als je nodig hebt! En zo heeft Israël geleefd in de woestijn. Eigenlijk ook niet zo zeer van het manna. God immers moest elke ochtend opnieuw het woord spreken, waardoor het manna kwam. Zó leefde Israël dus van het Woord, dat uit Gods mond kwam. Wij zouden vandaag zeggen: Israël leefde van Gods zorg en aandacht. Vandaag aan de dag mag dan wel heel veel anders zijn dan vroeger en zeker dan de tijd, waarin Israël zwierf door de woestijn, toch is de hoofdzaak nog steeds hetzelfde: we leven niet alleen van brood, maar van God en Zijn Woord, Zijn aandacht en zorg. En dat moeten we beseffen. Aan ‘s Heren zegen is het al gelegen!

Natuurlijk, we leven niet meer in een woestijn, en die zegen van God is daardoor niet zo duidelijk als toen. Voor de meesten in ons land is het een tijd van welvaart, ondanks de crisis, waar wij – zegt men- bezig zijn uit te krabbelen. Er is voedsel genoeg voor iedereen, de landbouwwetenschap leert ons hoe we de grond vruchtbaar moeten maken, zó vruchtbaar dat er zelfs grote overschotten zijn gekweekt en worden vernietigd. Ons kan toch eigenlijk niets meer overkomen! Maar weet u wel, dat dit waanzin is? Om die verschrikkelijke waanzin, die hoogmoed van mensen, lag Jezus honger te lijden in de woestijn, en Hij niet alleen! Alsof ons leven alleen maar van brood afhangt en van materiële zaken, steeds meer en meer. Als ‘t er op aankomt, zijn wij nog even machteloos als die Israëlieten in de kale woestijn. Met al ons kennen en kunnen nog even machteloos! Want de mens zal niet alleen van brood leven! Zet het toch uit uw hoofd: we leven niet van brood, we leven niet van de arbeid van ons hoofd en onze handen, van het vele dat we doen, van het land dat we hebben bewerkt… ”Maar waarvan leven we dan anders?” zult u misschien vragen. Weet u dat dan nog niet? WE LEVEN VAN GOD EN VAN ALLE WOORD, DAT VAN ZIJN MOND UITGAAT.

Stelt u zich heet eens voor: we zitten aan tafel, gelukkig is er genoeg te eten voor iedereen. Dat is in het verleden wel anders geweest. Maar van dat eten, daar leven we niet van, want menigeen krijgt het beste eten en wordt toch ziek. En hij krijgt wat hij hebben moet en wordt toch niet beter. Het is zo: als wij aan tafel zitten of op bed liggen, als we ziek zijn, en we gaan eten, dan moet God er ook nog bijkomen. En God moet het Woord spreken, waardoor het eten en de medicijnen waarde voor ons krijgen. Daarom bidden we ook voor het eten: dat God er bij mag komen met Zijn levenscheppend Woord. We leven van dat Woord van God, en niet van brood en boter, niet van vlees en aardappelen en groenten. En zo is het overal. Hoe werden de weiden groen? Hoe is het koren gaan groeien en en kwamen onze koeien aan zo hoge melkproductie? Is dat door onze kundigheid, door onze goede behandeling en verzorging? Natuurlijk, ook dat was nodig. Maar toch, dat deed ‘t ‘m tenslotte niet. God moest op de akker komen en God moest in de stal komen en daar Zijn Woord spreken. Dan alleen ging het goed, werd de oogst vruchtbaar, zegenrijk. En zo is het met heel onze welvaart. Van God en Zijn Woord, daar leven we van. En daar leeft heel de wereld van, ook al doet ze alsof God er niet is. Het gaat allemaal zo vanzelf en het lijkt zo vanzelfsprekend: wie arbeidt zal ook oogsten. Als je werkt, dan verdien je en zelfs als je niet werkt verdien je. Toch leidt dat alles tot niets, als we Gods stem daarin niet horen. Het is immers niet ONZE verdienste, maar uitsluitend gevolg van Zijn spreken. Laten we toch beseffen, hoe afhankelijk we van Hem zijn. Zelf kunnen we niets presteren, van Boven moet het alles komen! Elke dag heffen we daarom ons hoofd omhoog en bidden we: “Heer, geef ons heden ons dagelijks brood…” Dat is alles wat we nodig hebben om te leven, in de eerste plaats Zijn Woord! Maar laten we daaraan dan ook direct toevoegen: “En leid ons niet in verzoeking”. Want ons leven is vol van verzoekingen en verleidingen. En de duivel, die gekomen is om Jezus te verzoeken, is ook dagelijks bij ons in de buurt. Altijd is er het gevaar, dat we gaan leven voor de dingen die “beneden” zijn, dat we daardoor Gods Woord vergeten. Hoe zelden zijn we ons er nog van bewust, dat we moeten leven van God en van alle woord, dat van Zijn mond uitgaat?

Laten we toch dicht bij Jezus blijven! Hij immers is Zelf het Woord, dat uit Gods mond uitgaat, Het Woord des Levens. Hij heeft honger geleden, hoewel Hij met het grootste gemak van stenen broden had kunnen maken. En Hij heeft de lijdensweg gekozen, hoewel de grootste heerlijkheid Zijn deel had kunnen zijn. En Hij heeft aan het kruis willen hangen, hoewel Hij Koning der koningen was. Maar zo heeft Hij wel de duivel overwonnen! Laten wij dat in Zijn spoor ook doen. Want wat baat het ons, als de duivel de baas is in ons leven? Wat baat het ons, als we werkelijk ook alles bezitten, maar schade lijden aan onze ziel?
Jezus heeft de duivel overwonnen, ook voor u en mij. En Hij zal het ook steeds weer in ons leven doen, als wij maar steeds weer bidden: “Heer, verlos ons van de boze!

Gebed

iedere dag
zijt Gij er weer
doet Gij Uw Aaangezicht
bevrijdend
over ons lichten
zijt Gij een God
Die draagt en voedt
koestert en bemint
iedere dag zijt Gij er weer
legt Gij welwillend
Uw hand op mijn hoofd
noemt Gij mijn naam
schenkt Gij mij brood
om te leven
levensbrood.

Amen.

Geboorte uit water en geest (bediening van de Heilige Doop)

Jezus had in Johannes 3 een gesprek met Nikodemus. En dat gesprek laat duidelijk zien, wat op het eind van hoofdstuk 2 van Jezus gezegd wordt: Hij kende de mensen allen en wist Zelf, wat in iedere mens was. Dat wil zeggen: voor Jezus vallen al onze maskers af, is al het verstoppertje spelen ten einde. Jezus kent ons beter dan wij ons zelf kennen!

Johannes 3, 5
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Jezus had in Johannes 3 een gesprek met Nikodemus. En dat gesprek laat duidelijk zien, wat op het eind van hoofdstuk 2 van Jezus gezegd wordt: Hij kende de mensen allen en wist Zelf, wat in iedere mens was. Dat wil zeggen: voor Jezus vallen al onze maskers af, is al het verstoppertje spelen ten einde. Jezus kent ons beter dan wij ons zelf kennen! Dat laat het gesprek met Nikodemus ons duidelijk zien. Weet die Schriftgeleerde eigenlijk wel wie hij is en wat hij wil, als hij ’s nachts tot Jezus komt? Hij denkt van wel, maar oog in oog met Jezus zal al gauw blijken, dat hij het helemaal niet weet. Waarom komt hij in de nacht tot Jezus? Omdat hij zich schaamde voor zijn collega’s? Misschien wel. Maar hij ging tenminste nog en liet duidelijk blijken, dat hij respect heeft voor Jezus als de door God gezonden rabbi, die wonderen deed. Velen geloofden in Jezus, omdat zij de tekenen zagen. Zo staat beschreven in Johannes 2, 23:

Terwijl hij in Jeruzalem is geweest
bij het Pesach, bij het feest,
gaan velen geloven in zijn naam
aanschouwend de tekenen die hij heeft gedaan.

Maar de meesten bleven weg, precies zoals die negen melaatsen, van wie er maar één terugkwam om tegen Jezus “Dank u wel” te zeggen. Ook Nikodemus komt, ’s nachts, misschien omdat het in de nachtelijke stilte wat gemakkelijker en rustiger is om met Jezus te praten.

Maar wat doet Jezus nou? Hij zegt: “Voorwaar, Ik zeg je, tenzij iemand wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.” Hij zegt: “Amen, amen, ik zeg u…” Dat wil zeggen: pas goed op, nou komt het, het is erg belangrijk wat Ik je nu ga zeggen. Dat doet Jezus altijd, als Hij iets vanuit Zijn goddelijke macht gaat zeggen. Dan begint Hij met: “Amen, amen, voorwaar Ik zeg u…”  Die arme Nikodemus, hij denkt Jezus geplaatst te hebben, toen hij zei: “Rabbi, we weten, dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan die tekenen doen, die U doet, tenzij God met hem is.” Ja, Nikodemus, hij denkt het allemaal zo goed te weten, het klopt allemaal als een bus, 1 + 1 = 2. Alleen voor Jezus gaat dat niet op! Dat moet hij nog leren. Jezus rekent met een heel andere maatstaf, voor Hem geldt een heel andere waarheid. Hij zegt als ’t ware: och, Nikodemus, jij weet nog niet wat Ik wil, en je kunt ook nog niet zien wat jij en alle mensen eigenlijk nodig hebben. Om zien te kunnen, wat God in Zijn heerlijkheid en genade aan de mensen doet, moet je eerst opnieuw geboren worden. Het woordje “opnieuw” kan in het Grieks ook betekenen “van Boven”.  Om iets van God te weten en te kunnen zeggen moet je ’t eerst van Boven ontvangen hebben! Dat is een nieuwe geboorte. Het gaat dus om de vraag: vanwaar ben je eigenlijk?  Van hier?  Of van Boven? Van God? Jij bent zo’n echte mens, Nikodemus, zo’n mens van vlees en bloed, van hier, van deze wereld;  jij rekent met je verstand, jij houdt het op de zekerheden en mogelijkheden van deze wereld, jij weet het allemaal zo goed, je lijkt precies op ons, mensen van de 21e eeuw. Maar heb je ooit wel eens Gods wonderen in je leven toegelaten? Gods wondere macht, die alles op z’n kop stelt? Pas als je daarmee rekent, word je een mens voor Zijn Koninkrijk, een nieuw geboren, een HERBOREN, mens. God geeft je deze nieuwe geboortekans. Hij wil je leven opnieuw scheppen uit water en geest. Geboren worden is niet onze daad, wij zijn daarbij degenen, die ontvangen, die geschapen worden, niet degenen die zelf scheppen. Het is goed om daarop te letten. Wij zelf kunnen daar niets aan doen, aan die tweede geboorte, het wordt ons uit Gods goedheid en barmhartigheid geschonken, zo maar, onverdiend, zo lief heeft God ons! Het is dus niet een soort verbetering van je leven (verbeter de wereld, begin bij je zelf); en het is ook niet een soort boetedoening en bekering, zoals Johannes de Doper de mensen toeriep: “Bekeert u en laat u dopen!” Nee, van dat alles spreekt Jezus niet; geen geloofsactivisme, geen boetedoening, geen tonen van je betere wil. Wel spreekt Jezus van water en geest. Voor zo’n mens als Nikodemus is dit abracadabra; dat laat ook zijn typisch menselijke reactie zien. Hoofdschuddend zegt hij: “Kom nou, een mens kan toch niet twee keer geboren worden; hij kan toch niet zo maar weer de moederschoot ingaan en opnieuw geboren worden?”

Wat denk je toch weer menselijk-logisch, met je menselijke onverstand en kortzichtigheid. Weet je dan  niet, Nikodemus, dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God? Begrijp je dan niets van Gods wonderen? Als je niet opnieuw geboren wordt uit water en geest, zul je er ook nooit iets van kunnen begrijpen, van dat grote mysterie van God, van Zijn vrijheid en barmhartigheid, van Zijn liefde voor de mensen en Zijn zelfverloochening. Zie je dat water, Nikodemus? “Gewoon water” zeg je natuurlijk. Maar kijk er nou eens doorheen, het is levenswater, zuiverend water, het is het Doopwater voor het nieuwe leven, het vruchtwater van de nieuwe geboorte, het is de levensbron ons door God gegeven. En hoor je de wind, Nikodemus? Weet jij waar die vandaan komt? Nee hè? De wind heeft zijn eigen wil. Kijk, zo is het ook met God, met Zijn wondere kracht, die we “geest” noemen, onpeilbaar voor ons, een regelrecht geschenk van God. Daarom zeg ik je: tenzij jij opnieuw geboren wordt uit water en geest, zul je van die dingen van God niets begrijpen. Jij bent vlees, de mens, die zichzelf probeert te handhaven, die zichzelf niet uit handen kan geven. Ik ben Geest, neergedaald uit de hemel, de Zoon des mensen. Jij bent uit vlees geboren, Ik uit de Geest. Begrijp je het nu nog niet, Nikodemus? Ik, Die hier voor je sta, Ik ben het, het geheim van het nieuwe leven. Ik wil het jou ook geven, uit water en geest, om van jou een nieuwgeboren mens te maken!

Gemeente, wij zijn de Nikodemussen van onze tijd, proberend te begrijpen wat er in de Bijbel staat, goedbedoeld, maar wel naar onze maatstaven, net als bij de Schriftgeleerden uit de tijd van Jezus. Maar of we ook het wonder te pakken hebben, eigenlijk andersom: of we ook begrijpen, dat het wonder óns te pakken heeft, en dat we ons daarvoor open moeten stellen, dat is de vraag aan ons! Wij staan hier als Nikodemus voor Jezus, en het doopvont staat tussen ons in, het water, heenwijzend naar het levende water, Jezus Christus, onze levensbron. In dit water schenkt God ons een nieuwe geboorte, aan de dopelingen. Hij vraagt niet eerst aan hen: geloof je wel, heb je je wel bekeerd? Heb je wel belijdenis gedaan? Heb je wel het vaste voornemen je leven te verbeteren? Niets van dat alles! God vraagt niet, maar Hij schenkt Zijn barmhartigheid. Hij plaatst Jezus voor hen en doet ze opnieuw geboren worden uit water en geest. Dat is ons geloof, dat is Jezus’ blijde boodschap, echt Evangelie, vandaag in ons hoofdstuk Johannes 3. Wanneer je zó  gedoopt bent, dan hoef je nooit meer opnieuw gedoopt te worden. Wanneer God je zó in Zijn mysterie heeft opgenomen, dan zul je er uit kunnen vallen, ja zeker, maar je zult ook steeds weer een geopende deur tot Gods Koninkrijk terugvinden. Er zijn Gemeenteleden, die menen, dat de Doop als kind ontvangen krachteloos is en die het daarom als een goddelijke opdracht zien zich opnieuw te moeten laten dopen, op basis van hun persoonlijke bekering. Welnu, laat ik u zeggen: wie God één keer heeft geschapen in Christus, wie één keer wedergeboren is, wie één keer uit water en geest is herboren, die zal altijd in Gods gunst en genade blijven staan, tenzij hij of zij zich daarvan heeft losgemaakt door God af te wijzen en de weg ven het “vlees” te kiezen. Een tweede herboren-worden is daarvoor niet nodig. Je zou zelfs kunnen zeggen: het maakt Gods wondere daad bij de eerste doop als klein kind tot een lachertje. Het is beschamend te zien, hoe Nikodemus nog steeds onder ons leeft, sterker dan ooit misschien, nu er zoveel kerkelijke kerken en godsdienstige stromingen zijn, die menen het beter te weten, net als Nikodemus. Onze taak is het de kinderen, die het wonder van Gods wedergeboorte uit water en geest ontvangen hebben, bij dat wonder te houden door ze telkens voor Jezus te plaatsen in gebed en Bijbelvertelling, in ons voorbeeld, in onze liefde, in vergevingsgezindheid en opofferingsgezindheid. Dat immers zijn de vruchten van het wedergeboren zijn van Omhoog, met behulp van de Geest Die van Boven komt en niet door mensen kan worden ingepast in betweterijen.

Amen.

Ik raad u, Mijn oog is op u

Zo stellen wij nogmaals de vraag: wie geeft deze belofte? Sommige uitleggers hebben aan David zelf gedacht, de schrijver van deze psalm. Dan is het de belofte van de koning, die door diepe nood heen de rechte weg geleerd heeft om van zijn zonden verlost te worden en die in deze geest ook zijn volk op de rechte weg wil leiden. Dat is ongetwijfeld een mooie gedachte, zeker ook voor ons, die deel uit maken van een democratische monarchie, met een koning aan het hoofd.

Psalm 32, 8
“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij moet gaan;
Ik raad u, Mijn oog is op u.”

Het is zonder meer duidelijk, dat onze tekst een belofte inhoudt. Maar van wie die belofte is, is niet zonder meer duidelijk. De Psalm is daarvoor te wisselend. Hoewel hij een geheel vormt, is de gedachtegang niet zonder sprongen… Eerst spreekt de psalmdichter de mens zalig, wiens zonden zijn vergeven. Vervolgens deelt hij zijn eigen ervaring mee, die hem deze belofte op de lippen brengt. Toen hij namelijk zijn zonden verzweeg en er mee voortliep, drukte de hand van de Heer zwaar op hem, zodat hij naar ziel en lichaam wegkwijnde. Maar toen kwam er een heerlijke ommekeer: hij beleed zijn zonden, en toen hij dat deed, merkte hij direct daarop dat zij vergeven werden! Dat was een geweldige ervaring, die hij snel aan de anderen wilde meedelen: “Daarom bidde iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden. Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen en bevrijding.” Tenslotte spreekt hij de belofte van onze tekst: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; Ik raad u, Mijn oog is op u.”

Zo stellen wij nogmaals de vraag: wie geeft deze belofte? Sommige uitleggers hebben aan David zelf gedacht, de schrijver van deze psalm. Dan is het de belofte van de koning, die door diepe nood heen de rechte weg geleerd heeft om van zijn zonden verlost te worden en die in deze geest ook zijn volk op de rechte weg wil leiden. Dat is ongetwijfeld een mooie gedachte, zeker ook voor ons, die deel uit maken van een democratische monarchie, met een koning aan het hoofd.

En toch ligt er in onze tekst iets, dat in zijn volstrektheid moeilijk van David kan gelden, namelijk de slotwoorden: “Mijn oog is op u.” Deze woorden immers krijgen dan pas echt betekenis, troostvolle betekenis, wanneer wij aan God Zelf denken. Wanneer HIJ deze woorden gesproken heeft, gaat de psalm nog veel helderder lichten en wordt hij veel rijker en dieper dan wanneer het alleen woorden zijn uit de mond van David. We mogen aannemen, dat David hier de woorden van God herhaalt, woorden die hem zelf tot zo diepe troost zijn geweest. Wij denken nog even terug aan de levensgeschiedenis van David, heel die droeve periode in zijn leven, toen hij Bathseba aan haar wettige man Uria ontnomen had en Uria aan het front de dood had ingejaagd. Hij was op een verschrikkelijke dwaalweg geraakt, en wat zou er van hem terecht zijn gekomen, als de Heer Zich niet over hem ontfermd had? God wil toch Zijn knecht op de rechte weg zien! Daarom neemt Hij Zelf ter hand, wat David niet tot stand kon brengen, Hij doet Zijn hart nog verder open en Hij vergeeft… zó, dat de weldaad van de schuldvergeving gepaard gaat met de weldaad van de leiding op de rechte weg. De oude theologen zeiden dan; de rechtvaardiging gaat hand in hand met de heiligmaking. “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; ik raad u, Mijn oog is op u.”

Dat is de belofte van God, die David gelukkig heeft gemaakt, die hem heeft behouden bij zijn koninklijke opdracht om zijn volk in de “vreze des Heren” te leiden. Dat is ook de belofte van God, die ons wil leiden in de woeligheid van ons bestaan. Hij vergeeft ons onze zonden en leidt ons in Zijn rechte sporen. Hij zendt ons daartoe Zijn Zoon Jezus Christus. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij geeft Zijn leven voor ons aan het kruis, staat op uit de dood en schenkt ons Zijn Geest. Wat een genade is ons geworden!
God voorziet niet maar half in onze nood, maar Hij doet het helemaal. Hij bevrijdt ons niet alleen van de schuld der zonde, maar Hij wil ons ook leiden in alle gerechtigheid, om te doen wat naar Zijn wil is! Hij Zelf zal ons leven omzetten. Maar dan is de uitkomst ook gewaarborgd! Hij weet immers, hoe onze weg moet lopen. En Hij heeft er ook alles voor gegeven, opdat wij die weg zouden kunnen bewandelen. Hij Zelf, Jezus Christus, heeft die weg voor ons gelopen tot het bittere einde toe. En daarmee heeft Hij Zich aan ons gegeven, opdat wij die weg in al zijn zwaarte niet meer zouden hoeven lopen, maar alleen maar Hem in Zijn voetspoor hoeven te volgen!

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet.” Dat is het grote wonder in Gods omgang met ons mensen: dat Hij ons niet alleen rechtvaardigt, ons de schuld vergeeft en neemt zoals wijn zijn, maar ons ook “heilig” maakt, dus maakt tot wat wij NIET zijn. Hoe weinig wij er voor ons gevoel ook van terecht brengen, van dat Christus’ geheiligde leven, nochtans ziet God ons als in Christus geheiligd aan!
Tenslotte: als God ons de weg leert, laten we dan ook luisteren!

Amen.

De doop van Jezus

De doop van Jezus is, ook het goede moment om eens stil te staan, bij onze eigen doop, of de verjaardag van onze doop. De meeste van ons zullen als baby gedoopt zijn, en kunnen zich uiteraard hier niets meer van herinneren. Hoogstens of we huilden of stil waren, omdat we dat gehoord hebben van onze ouders of de anderen, die aanwezig waren. Een grote religieuze ervaring, zoals bij Jezus, is voor de meeste van ons ook niet weggelegd.

Vandaag een nieuwe preek van mijn Rooms Katholieke vriend Peter Carpay. In de Christelijke Kerk, zowel Katholiek als Protestant, staat in de afsluiting van de kersttijd en de aanvang van de lijdenstijd de doop van Jezus centraal. Zelf heb ik er ook een preek over gemaakt. Kijkt u maar in het register. Als u ze met elkaar vergelijkt, wordt duidelijk hoe verschillend je met het Evangelie kunt omgaan. Bij Peter staat vooral de huidige actualiteit bovenaan, terwijl ik als theoloog vooral de diepgang van de doop probeer af te tasten. Ik denk, dat we beide nodig hebben om ook onze eigen doop te verstaan.

Mattheüs 3, 13-17

[13] Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. [14] Maar Johannes probeerde hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar mij?’ [15] Jezus antwoordde: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.’ Toen stemde Johannes ermee in. [16] Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde. [17] En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’

Vandaag staat in het evangelie de doop van Jezus in de Jordaan centraal. We sluiten vandaag de kersttijd af, met deze opvallende gebeurtenis aan het begin van Jezus openbare leven. Jezus verlaat zijn vertrouwde omgeving, in het stadje Nazareth, en zijn ouders om aan zijn werkelijke roeping en missie te beginnen. Tijdens zijn doop heeft Jezus een diepe religieuze ervaring. In het evangelie staat, dat toen Jezus uit het water opsteeg, de hemel openscheurde, en de Heilige Geest, als een duif op Hem neerdaalde. Jezus krijgt bevestiging van zijn Vader, dat Hij Zijn geliefde Zoon is, die Hij zijn zegen geeft en in wie Hij al zijn vertrouwen stelt. Ook al werd Jezus gedoopt met een grote massa mensen om zich heen, dit intieme moment is alleen zichtbaar en hoorbaar voor Hem.

Johannes de Doper, die Jezus doop verrichtte, had inmiddels veel mensen op de been gebracht, maar Marcus besteed in zijn evangelie weinig aandacht aan hem. Met de doop van Jezus valt hij als het ware, met de deur in huis. Ook Johannes zelf, wil dat de aandacht niet naar hem uitgaat, maar wijst voordurend naar Jezus. Hij laat juist zien hoe onbelangrijk hij is, door te zeggen, dat hij slechts een voorloper is, die nog niet eens waardig is, om de riemen van zijn sandalen los te maken.

De doop van Jezus is, ook het goede moment om eens stil te staan, bij onze eigen doop, of de verjaardag van onze doop. De meeste van ons zullen als baby gedoopt zijn, en kunnen zich uiteraard hier niets meer van herinneren. Hoogstens of we huilden of stil waren, omdat we dat gehoord hebben van onze ouders of de anderen, die aanwezig waren. Een grote religieuze ervaring, zoals bij Jezus, is voor de meeste van ons ook niet weggelegd.

God grijpt soms groots in de levens van mensen in, zoals bij Maria tijdens de aankondiging, door de engel Gabriël. Maria en allerlei andere belangrijke figuren uit de bijbel krijgen te maken met een direct ingrijpen van God. Ook in de moderne geschiedenis kan God direct in levens ingrijpen zoals gebeurde met Bernadette, Augustines en allerlei andere heiligen. Dit heeft vaak diepe gevolgen gehad, voor de levens van de betrokken personen. Dergelijke radicale bekeringen komen echter weinig voor.

De meeste van ons, moeten het, waarschijnlijk gelukkig, met veel minder duidelijke aanwijzingen van het bestaan van God in ons leven doen. God vraagt nogal wat van de mensen die Hij diep aanraakt. Bij de meeste van ons werkt God echter geleidelijk en op de lange termijn. Hij geeft ons leiding in de stilte en beslotenheid van ons hart. Zelfs Jezus, zocht gedurende zijn leven, regelmatig de stilte op, om in gebed contact met zijn Vader te zoeken, en vanuit Zijn Geest kracht en leiding te ontvangen. Ook zijn moeder Maria, stond geheel open, voor de leiding van de Geest. Met haar “ja” stelde zij zich zonder voorwaarden en weerstand, open voor de werking van Gods Geest. Wij hebben heel wat meer weerstand tegen de werking van de Geest. Ons ego en onze eigen wil spelen ons parten. We hebben het graag zelf voor het zeggen in ons leven en twijfelen regelmatig aan Gods bedoelingen met ons.

In het huidige wereldbeeld, is het ook moeilijk, om Gods doel met de wereld te begrijpen. Er zijn teveel fanatici in de wereld, die hun wil willen opleggen aan anderen, en hun ego en streven naar macht,
laat de werking van Gods Geest niet toe. Ik heb al vaker in een overweging gezegd, dat het mis gaat, als we niet meer open staan, voor de meningen van anderen, en hun recht om anders te denken dan we zelf doen. Fundamentalisme is nooit goed. Het voorstaan op eigen gelijk, zonder liefde en mededogen voor anderen, moet altijd afgekeurd worden.

Jezus zelf, deed dit al, met de denkbeelden van de Farizeeërs. We zien dit nu met de verknipte denkbeelden van IS, die geen ander geluid, dat dat van henzelf dulden. Heersers en religies, die enkel hun eigen gelijk propageren, en geen tegenstand dulden, moeten bestreden worden. Bij voorkeur met geweldloos verzet en met mededogen, zoals Jezus ons laat zien. Soms is echter ook een stevige aanpak nodig, zoals Jezus ons liet zien bij het verwijderen van de geldwisselaars uit de tempel. Ook de paus heeft laatst, de curie in het Vaticaan stevig toegesproken, met het doel zelfreflectie te stimuleren.

Toch is het ook goed om het goede te benoemen. Een kardinaal, die in principe pro Franciscus is, had de kritiek, dat er al veel aan het veranderen is, dat dit proces tijd nodig heeft, en ook dat benoemd moest worden. Ik ben het voor een deel wel met hem eens. Vergelijk het met een functioneringsgesprek op het werk. Als we alleen te horen zouden krijgen, wat er fout gaat en we minder goed doen, zullen we gedemotiveerd raken. Het is zoals het opvoeden van kinderen. We hoeven negatief gedrag niet te tolereren, en mogen grenzen stellen, maar we mogen kinderen nooit het gevoel geven, dat we niet meer van ze houden. Elk kind, maar ook elke volwassene heeft grenzen nodig. Alles in dit leven is begrensd.

Grenzeloos gedrag leid slechts tot verslavingen en machtswellust. We moeten open staan voor correctie, door anderen, maar zeker voor onze directe omgeving. Ook in de maatschappij zijn regels nodig, anders wordt het chaos. God heeft in heel zijn schepping orde aangebracht, en voor ons regels opgesteld, waaraan we ons zouden moeten houden. Natuurlijk lukt dit vaker niet dan wel. We hebben allemaal ons eigen karakter, met onze donkere kanten, maar ook met onze mooie eigenschappen en talenten. In donkere tijden, is het soms moeilijk, om Gods licht te zien schijnen, en Zijn aanwezigheid te ervaren. Als we op bepaalde momenten in ons leven, maar kunnen reflecteren en Gods leiding in ons leven kunnen ontdekken.

We zullen ook vaak twijfelen, maar zonder twijfel, is groei niet mogelijk, zoals Jan Terlouw laats op TV, in een interview over het geloof zei. We leren vaak het meeste van de moeilijke periodes in ons leven.
Soms moeten we afdalen tot de diepste put, of de dorste woestijn, zoals het in de Bijbel of heiligenlevens vaak genoemd wordt, om weer verder te kunnen. We voelen soms, dat we opgetild worden, en boven onszelf uitstijgen, als we een moeilijke periode in ons leven weer te boven komen.

De bedoeling is om met deze ervaring, anderen weer te helpen, om in moeilijke periodes weer op te krabbelen. Ervaringsdeskundigen noemen we dat. Dit geldt met name in de verslavingszorg, waar mensen, die zelf verslaafd zijn geweest, het beste in staat zijn, om anderen te helpen deze problemen te overwinnen. Maar dit geldt tevens in de psychologie, de gezondheidszorg en op allerlei andere terreinen. Als we zelf het een en ander hebben meegemaakt, zijn we beter toegerust om anderen te helpen. Jezus zelf, is hierbij onze beste leermeester, omdat Hij alle pijn, eenzaamheid en verlatenheid, in zijn leven ten diepste ervaren heeft. Laten we daarom in onze eigen omgeving, de ervaringen en pijn in onze levens, omzetten in talenten, om anderen te helpen. Hen aandacht, begrip en liefde te schenken, waardoor ook ons eigen leven rijker en zinvoller wordt.

Amen.

Peter Carpay

Goedheid en liefde

Een mens heeft dikwijls veel te klagen, ja, ook een gelovig mens! Hierin zijn alle mensen gelijk. Heel begrijpelijk ook, zo’n klacht als hier in onze Psalm. De Psalmdichter weet toch te leven in een vijandige wereld. Tweemaal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders.

Psalm 13

  1. Een lied van David. Voor de leider van het koor.
  2. Hoelang vergeet U mij nog, Heer,
    en blijft U Zich voor mij verbergen?
  3. Hoelang zal ik nog in moeilijkheden zitten en zal ik me elke dag zorgen maken?
    Hoelang nog zal mijn vijand machtiger zijn dan ik?
  4. Heer mijn God, zie toch wat er gebeurt! Antwoord mij! Geef me alstublieft weer nieuwe hoop! Laat me nog niet sterven!
  5. Zorg ervoor dat mijn vijanden niet zeggen: “We hebben hem!” Laat hen niet juichen omdat ik val.
  6. Ik vertrouw op uw goedheid en uw liefde. Mijn hart juicht omdat ik zeker weet dat U me zal redden.
    Ik zing voor de Heer omdat Hij goed voor me is geweest.

Een mens heeft dikwijls veel te klagen, ja, ook een gelovig mens! Hierin zijn alle mensen gelijk. Heel begrijpelijk ook, zo’n klacht als hier in onze Psalm. De Psalmdichter weet toch te leven in een vijandige wereld. Tweemaal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders. Wie dat zijn wordt niet direct duidelijk. U mag zelf invullen, wat u in uw leven als vijandige macht ervaart. Tegenstanders, dat kunnen allereerst mensen zijn. Zij kunnen ons treiteren, dwarsbomen, kleineren en zelfs vernietigen, ons geestelijk kapot maken. Tegenstanders kunnen ook de omstandigheden zijn, die onze idealen doen vervliegen en onze toekomst verduisteren, waartegen je hebt te strijden, tot je er moedeloos onder wordt. Er is ziekte gekomen in je leven, ouderdom met gebreken, een of andere lichamelijke handicap of geestelijke achteruitgang. Je krijgt reuma, wordt immobiel, moet je voortbewegen in een rolstoel en scootmobiel, je nieren gaan er aan door de agressieve reumamedicijnen, je raakt aan de dialyse… Dat zijn de omstandigheden, waartegen een mens zoals ik zelf heeft te strijden. Ieder mens heeft zo zijn eigen ”omstandigheden”, die o zo “vijandig” kunnen zijn. Ze zitten ook in ons zelf: onze gebreken en tekortkomingen, zeg maar gerust “onze zonden”. Ook die mogen onze tegenstanders genoemd worden! Het zijn allemaal symptomen van de macht van de grote tegenstander, de diabolos (duivel), de door-elkaar-gooier, de dwarsbomer bij uitstek. En de laatste vijand, satans grootste wapen, is de dood, die aan alle levenskansen radicaal een einde maakt.

Dat alles kan in onze Psalm ingevuld worden bij het woord “vijand”. Daarom zijn de Psalmen ook tijdloos, zij zijn actueel voor alle tijden, ook voor de onze, en voor alle mensen, ook voor u en mij! Het leed, waaraan de dichter denkt, bestaat al lang. Roept hij niet uit “Hoe lang nog?” het duurt al zo lang, dat hij denkt, dat God hem vergeten is. En dat is het ergste voor hem!

“Hoelang vergeet U mij nog, Heer,
en blijft U Zich voor mij verbergen?”

De oude vertaling spreekt hier over Gods Aangezicht: “Hoe lang zult Gij Uw Aangezicht voor mij verbergen?” En we weten: Gods Aangezicht is God Zelf ( lees maar eens Exodus 33!). De mens hier heeft het gevoel, dat ie God kwijt is. Kent u dat gevoel ook? Ik weet, dat er mensen zijn, die daaronder vreselijk lijden. Dat is inderdaad het ergste, wat een mens overkomen kan. Het is dan van binnen net een dor en dood huis. Het licht is uitgedoofd, je gevoel is verlamd. Dat zijn verschrikkelijke tijden voor een gelovig mens, die anders zo innig met zijn God kon leven. Ik denk, dat alleen de kinderen Gods dat gevoel ook echt kennen. “Hoe lang nog??” De ellende in het leven is soms ondragelijk. En God? Die is zo ver weg, je krijgt van Hem geen hoogte en geen antwoord.

Toch blijft onze dichter roepen: “Heer mijn God, zie toch wat er gebeurt! Antwoord mij! Geef me alstublieft weer nieuwe hoop! Laat me nog niet sterven!” Hij haalt God heel dicht naar zich toe, hij roept “MIJN GOD”. Als Hij maar even naar mij omziet, dan zal ‘t weer goed worden. Wat een geloofsvertrouwen spreekt uit deze woorden! Later in de Psalm spreekt hij dit vertrouwen opnieuw uit:

“Ik vertrouw op uw goedheid en uw liefde.
Mijn hart juicht omdat ik zeker weet dat U me zal redden.
Ik zing voor de Heer omdat Hij goed voor me is geweest.”

Laat ons daarin zijn voorbeeld navolgen! Al schijnt alles ons tegen te zitten, al wankelt onze ziel, al hebben we in ons leven nog zo veel te lijden, al zijn we levensmoe en moedeloos, laat ons nooit dat vertrouwen in God loslaten! Het geloof, de zekerheid, dat wij een God in de hemel hebben, Die op ons neerziet, Die we altijd aan mogen roepen, tot Wie we ook mogen klagen… Die ons heil is en daarom ook ons heil bewerken zal. Hoe kan de dichter zo’n vertrouwen hebben te midden van al zijn tegenstanders en vijanden? Je zou zeggen: het leven moet er toch ook een beetje naar zijn? Hij kan het, omdat hij vasthoudt aan Gods “goedgunstigheid”. Hier, in de Jongerenvertaling, is het vertaald met “goedheid en liefde”. Het Hebreeuwse woord, dat daarachter zit, wil uitdrukken, dat God trouw blijft aan Zijn beloften, die Hij in Zijn Verbond gegeven heeft en Die Hij stellig vervullen zal! Op die Verbondtrouw van zijn God waagt de dichter het met heel zijn kracht! Op grond daarvan is hij overtuigd, dat het heil ook eenmaal voor hem dagen zal, ook wij mogen daarvan overtuigd zijn. Ook voor ons geldt de trouw van Gods beloften. Daarom zal het heil eens ten volle ons deel worden, als wij het met Hem gewaagd hebben!

Gods goedgunstigheid is ons betoond in Jezus Christus. Het is Zijn genade, “waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid van God” (Rom 5, 20). Wij mogen klagen tot God, maar laten we ook niet vergeten te roemen tot God. Laten we de lof zingen van Hem, Die zoveel uitreddingen gedaan heeft, ook in ons leven! Laat ons toch wat meer de lof des Heren zingen! Al kunnen we het misschien niet meer zo met onze lippen, als we ‘t dan maar met ons hart doen! Zingen, tegen de druk in, is het beste van God gegeven genade-middel om het vertrouwen weer te voeden.

Een mens lijdt dikwijls het meest
door het lijden, dat hij vreest,
doch dat nooit op komt dagen.
Zo heeft hij meer te dragen
dan God te dragen geeft.
Het leed, dat is, drukt niet zo zwaar
als vrees voor allerlei gevaar,
en komt het eenmaal toch in huis,
dan helpt God altijd mee
en geeft Hij kracht naar kruis.

Amen.

En Hij genas hen

”En Hij trok rond in heel Galilea,
terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen
en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk
en alle ziekten en zwakten onder het volk genas.

Mattheüs 4, 23-24
En Hij trok rond in heel Galilea,
terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen
en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk
en alle ziekten en zwakten onder het volk genas.
En Zijn faam drong door tot in geheel Syrië;
en zij brachten allen bij Hem, die er slecht aan toe waren,
behept met allerlei ziekten en kwalen,
en mensen, die te lijden hadden van kwade geesten,
en mensen, die last hadden van de inwerking van de maan,
en mensen, die verlamd waren,
EN HIJ GENAS HEN.

Mattheüs vertelt over Jezus’ omgang met de mensen, met de gewone mensen op straat. In ons tekstwoord beschrijft Hij dit. Later, in hoofdstuk 9 vs.35, doet hij dit nog eens met precies dezelfde woorden. Blijkbaar heeft dit grote indruk gemaakt! Luister maar: ”En Jezus trok rond in alle steden en dorpen, terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk, en alle ziekten en zwakten genas.

U hoort het: in Jezus’ optreden en omgang met de mensen vallen blijkbaar drie activiteiten het meeste op:

  1. onderricht geven; dat is de Wet en de Profeten opnieuw uitleggen in het licht van de eigentijdse situatie (actueel preken!);
  2. het hoopvolle en bevrijdende bericht brengen van Gods Koninkrijk, dat wil dus zeggen: dat voortaan geen vreemde machten van mensen de baas zullen zijn, maar alleen JAHWE, Hij, de Koning der koningen…;
  3. genezend en helend werken onder de mensen, die er hoe dan ook slecht aan toe waren.

Bij dit laatste willen we eerst stil blijven staan. Jezus genas zieken. Wat moeten we daarbij denken? Wat te geloven van al die wonderverhalen over allerlei genezingen? Prachtig hoor! Maar het klinkt toch wel wat vreemd en onwaarschijnlijk. Voor de lezers van Mattheüs, zijn tijdgenoten, lag dat heel anders. Zij waren immers grootgebracht in de Joodse cultuur en godsdienst. Voor hen betekende die drie activiteiten van Jezus iets heel bijzonders: de Thora onderrichten, spreekbuis zijn van het Koninkrijk en genezen… het waren de tekenen van de eindtijd, de vervulling van de profetische beloften. He betekende, dat Gods Rijk doorbrak en dat Jezus als de Messias de Brenger van dat Rijk was. Genezingswonderen hoorden daar helemaal bij. Het waren DE tekenen van het nieuwe Rijk, dat is ook de nieuwe relatie tussen God en mens. God komt naar de mens toe en maakt alles nieuw voor hem. In een wonderverhaal hoorden de mensen van de oerkerk dus niet in de eerste plaats “hier gebeurt een wonder, daar gebeurt iets tegennatuurlijks”, nee, zij hoorden iets geheel anders, een teken van het nieuwe Rijk: ”hier ontmoet God een mens, en andersom: hier ontmoet een mens God en die mens wordt geholpen, hij wordt een nieuwe mens.”

De genezingen laten dus zien, wat de Wet en de Profeten bedoelen: een nieuwe gemeenschap van God en mensen, en dan ook een nieuwe gemeenschap tussen de mensen onderling in het licht van die eerste gemeenschap van de mens met God. Zo staat het ook in de Bergrede: ”Alles wat jullie willen dat de mensen voor jullie doen, doen jullie dat ook voor hen. Want dat is de Wet en de Profeten” (Math.7,12). Concreet gaat het hier om recht en genegenheid en trouw. De mensen tot hun recht laten komen, in hartelijke genegenheid naast hen gaan staan en trouw zijn aan hun zaak. Dat is ook precies de inhoud van het hoopvolle en bevrijdende bericht, het Evangelie van Gods heerschappij: dat er voortaan recht gedaan zal worden aan ontrechten, dat er genegenheid is voor mensen, naar wie niemand omziet, en dat er trouw is voor wie zich tot dan toe buitengesloten voelden. Joodse oren hoorden heel goed, hoe Jezus met dit hoopvolle bericht van Gods heerschappij de oude droom van Jesaja weer opnam en wilde verwerkelijken in Zijn tijd. Lukas haalt Jesaja ook uitdrukkelijk aan in 4, 17-21:
En Hem werd het boek van de profeet Jesaja gegeven, en het boek openend vond Hij de plaats, waar geschreven staat: de geest des Heren is op mij, reden waarom Hij mij gezalfd heeft om aan armen het hoopvolle bericht te brengen, mij gestuurd heeft om aan gevangenen te berichten dat ze vrij zijn, en aan blinden dat ze weer kunnen zien, om verdrukten in vrijheid te laten gaan, om te berichten: welkom, het jaar van de Heer!

E Hij begon hen te zeggen: ”In deze tijd is het Schriftwoord, dat jullie zo juist gehoord hebben, vervuld.” En de mensen begrepen, dat Jezus daarmee op Zich Zelf doelde. Hij was de vervuller van dit visioen, het ging in Jesaja’s droom om Hem, de Messias. Ook Jezus Zelf wist dit en Hij liet dit dan ook duidelijk zien in Zijn omgang met de mensen. Hij gedroeg Zich als God Zelf, als de brenger van recht en genegenheid en trouw. Zo nam Hij het op voor allen, wier leven hoe dan ook bedreigd werd. Hij schrijft niemand af, maar probeert juist de maatschappelijke en godsdienstige randfiguren er bij te betrekken: tollenaars en zondaars, kinderen en vrouwen, zieken, zwakken, bezetenen. Daarom werkt Hij genezend en helend onder de mensen, die er slecht aan toe zijn. Zorg hebben voor mensen, die het leven onmogelijk wordt gemaakt, door wie of wat dan ook. Dat is op z’n kortst Jezus’ uitleg van de Wet en de Profeten. Dat is de concretisering van Gods Boodschap aan de mensen: Jij mag er zijn, zonder voorwaarden. Jij bent van Mij, Ik heb jou op het oog. Ik ben jouw Bevrijder, Verlosser, Redder, Zaligmaker. Dicht bij en ver weg!

Als we nu eens bij Mattheüs gaan kijken, wie die mensen zijn, die er slecht aan toe waren, behept met allerlei ziekten en kwalen, dan valt op dat er bijna geen diagnose gegeven wordt van hun ziekte. Het blijft bij algemene beschrijvingen als ziekte, kwaal, gebrek. Wel worden nog met name verlamden, doven en stommen, blinden, melaatsen, epileptici en bezetenen genoemd. Verder ook nog de schoonmoeder van Petrus, die aan koortsen leed, de man met de verschrompelde hand en de vrouw, die aan vloeiingen leed.
Opvallend is, hoe praktisch alle met name genoemde zieken gehandicapt zijn in de maatschappelijke omgang: ze kunnen niet zien, lopen, spreken, allemaal handicaps, waardoor een mens gauw vereenzaamt. Het is het beeld van veel WAO-ers, dat we hier tegenkomen, geïsoleerde mensen. Veelal hoeven ze niet in bed te blijven of thuis, Jezus ontmoet ze gewoon op straat. Het zijn WAO-ers, die wel op straat zijn, maar niet mee kunnen lopen of niet kunnen zien of spreken of horen, wel in de gemeenschap maar ook uitgestoten! Daardoor voelen ze hun isolement des te scherper. Gehandicapten zijn het, zo zouden we die mensen die Jezus geneest het best in ons wereldbeeld kunnen typeren. Zo’n handicap werpt een mens op zich zelf terug, je ligt met je zelf overhoop, en dan ook met de wereld om je heen, en vaak ook met God. Als dat in onze maatschappij al zo is, dan zeker toen in een maatschappij, waar het leven zich voor een groot gedeelte op straat en in de kerkelijke ontmoetingsruimte van de synagoge afspeelt: daar stonden deze gehandicapten letterlijk en figuurlijk buiten. Ook melaatsen waren zeer sociaal gehandicapt, zij mochten zich niet vrij bewegen onder de mensen. Dat was ook zo met mensen, van wie men dacht dat ze onder invloed stonden van bovenaardse machten zoals de maan of kwade en onreine geesten. Die stonden bovendien nog onder het godsdienstige oordeel, dat Jahwe niet met hen was. Zij waren zodoende niet alleen maatschappelijk maar ook godsdienstig buitengesloten en helemaal op zichzelf aangewezen, letterlijk van God en mens verlaten. Alle gehandicapten werden trouwens door de gemeenschap als moreel schuldig beschouwd. Lees maar eens in Johannes 9, waar de discipelen Jezus vroegen: ”Meester, wie heeft misdaan, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’‘ Tegen zo’n algemeen aanvaard oordeel was de enkeling niet opgewassen. En zo bleef hij met zijn ziekte en zijn schuldgevoel alleen. En dat is nu ook precies wat ”gehandicapt en ziek zijn’‘ in het Evangelie van Mattheüs laat zien: alleen zijn, de afgedane buitengesloten eenzame mens. En het andere, wat Mattheüs laat zien, is Jezus, Die Zich juist over die mensen ontfermt, ze precies dat geeft waaraan het bij hen ontbreekt: het gevoel, dat ze er bij mogen horen, dat je er ondanks je handicap mag zijn, dat God je toegenegen is. Dat is ook telkens het eerste wat de mensen aan Jezus vragen: ”Heer, wees ons genegen” of anders vertaald: ”Heer, heb medelijden met ons, wees goed voor ons”. Dat is, wat ze het hardst nodig hebben: dat ze niet langer alleen gelaten en aan hun lot overgelaten worden, dat ze niet weggestuurd of afgesnauwd worden, maar dat er iemand is die goed voor hen is, die iets om hen geeft, bij wie ze terecht kunnen. De genezende kracht, die daarvan uitging, is voor die mensen waarschijnlijk belangrijker geweest dan het lichamelijk beter worden. Menige gehandicapte van vandaag zal dit kunnen beamen. Dat is psychisch in staat bent je handicap te dragen met behulp van de kracht van je geloof en de dragende liefde om je heen van je vrouw of man, van kinderen en vrienden. Het is zo belangrijk, dat er dan mensen om je heen staan, bij wie je terecht kunt, dat is veel belangrijker dan de wens om van je handicap verlost te worden. Een mens kan zo veel dragen, als het maar in gemeenschap gebeurt, als je daarin maar gedragen wordt. Liefde en genegenheid en gemeenschap zijn de beste therapie voor alle kwalen. Het Griekse woord voor ”genezen” is ”therapeuo”. Daarvan zijn onze woorden ”therapie, therapeut” afgeleid. De vertaling met ”gezond maken, helen” komt dichter bij de bedoeling van Mattheüs dan ons ”genezen”. Jezus was de Heelmeester, Hij maakte de mensen heel door de stukken bij elkaar te brengen, door wat kapot gemaakt was weer mooi en gaaf te maken; stukke mensen, een stukke gemeenschap, verbroken relaties, dat alles wordt hersteld door Jezus’ genegenheid en gerechtigheid en trouw aan Gods zaak. Jezus is therapeut van de beste soort, als Hij tegen een verlamde, die gebukt gaat onder het vooroordeel dat hij schuldig is, zegt: ”Wees gerust, je zonden zijn je vergeven”, en dat tegen het oordeel van de Schriftgeleerden in, die vinden dat Hij dat niet doen kan. Hij kiest hier de partij van die arme mens dwars tegen de gangbare macht en mening in! De verlamde wordt daardoor bevrijd van heel zijn eenzaamheid, van zijn van God en mens verlaten zijn, met God wordt het goed en ook weer met de mensen, nu hij zijn handicap kwijt is. Wat had hij er aan gehad, wanneer hij had kunnen lopen, maar met zijn schuldgevoelens was blijven zitten? Jezus bevrijdt de mens HELEMAAL. En dat doet Hij nog, ook aan u en mij. Dat is het hoopvolle en bevrijdende bericht van het wondere Evangelie. ”Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen” zegt Jesaja. Dit oude visioen is werkelijkheid geworden. NOG mogen gehandicapte mensen daaruit leven. Maar ook zij, die denken niet gehandicapt te zijn. Allen, die gebukt gaan onder hun situatie. Waar dat ook u zelf betreft, hoeft u niet te wanhopen, u mag gaan tot Hem, die de blinden deed zien en de verlamden deed lopen en de doven deed horen en de melaatsen weer helemaal gaaf en rein maakte en aan de armen een hoopvol bericht bracht. Hij zal ook uw leven menswaardig maken, de moeite waard om er voor te leven, omdat uw leven gericht mag staan naar het Koninkrijk, naar Gods toekomst, naar het grote LICHT.

De ouden zongen: ”Kom tot uw Heiland, toef langer niet, kom nu tot Hem, Die redding u biedt”. Ook: ”Zijn wij zwak, belast, beladen en terneergedrukt door zorg, dierb’re Heiland, onze Toevlucht, Gij zijt onze hulp en borg”. Jongeren zingen dit niet zo meer, maar zeggen het liever uit in daden. Geen woorden, maar daden! Veel jongeren staan op de bres voor een menswaardig bestaan van alle mensen, en dat is goed zo. Maar wat is er nog veel te doen! De wereld staat bol van de ellende. In Frankrijk worden zo maar mensen vermoord. In Libanon en Syrië sterven kinderen aan de winterse kou. En zo kunnen we doorgaan. In Nederland is een nieuw zorgsysteem ingevoerd, waar veel gehandicapten in hun zorg afhankelijk van zijn. Het betekent: inleveren en nog eens inleveren. Misschien moeten we opnieuw ontdekken, hoe we met gehandicapte en zorgbehoevende medeburgers om moeten gaan. Zoals Jezus dat gedaan heeft, waar Hij zelfs Zijn leven voor gegeven heeft. Jezus zond ze heen, bevrijd van hun handicap en verlost van hun schuldgevoelens. Wij bouwen aangepaste woningen en organiseren ”zorgteams” in de wijk. Maar het gaat in beide gevallen toch om hetzelfde: er is een hoopvol bericht voor arme mensen, gekwelden, gehandicapten naar lichaam en geest. Gods Koninkrijk is nabij, uw Verlosser leeft! Uw leven is verlost.

Amen.

Bij het nieuwe jaar: Hoe veel te meer!

Als we dit woord van Jezus horen, kunnen we denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste en donkerste, is: “gij, die slecht zijt”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander, wat lichter gekleurd, vlak: “Gij weet toch uw kinderen goede gaven te geven”. En daar weer boven uit zien we het derde vlak, helemaal licht: “Uw Vader in de Hemel zal goede gaven geven aan degenen, die Hem daarom bidden.”

Mattheüs 7, 11
”Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoe veel te meer zal uw Vader in de Hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.”

Als we dit woord van Jezus horen, kunnen we denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste en donkerste, is: “gij, die slecht zijt”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander, wat lichter gekleurd, vlak: “Gij weet toch uw kinderen goede gaven te geven”. En daar weer boven uit zien we het derde vlak, helemaal licht: “Uw Vader in de Hemel zal goede gaven geven aan degenen, die Hem daarom bidden.”

Laten we beginnen met een kijkje te nemen in het eerste vlak. Wat klinkt dat somber: “Jullie, die slecht zijn”. ‘t Ergste is, dat Jezus dat tegen ons zeggen moet. Tegen de omstanders in de eerste plaats, maar ook tegen u en mij is dit woord gericht. Als nou een ander dat zegt, och, wat geef ik er om? Er wordt zo veel gezegd! De mensen zijn boos en slecht. Ik zou het nog kunnen beamen ook. De mensen en de wereld zijn inderdaad slecht en verdorven. Daarom is er ook zo veel troep en onrecht in de wereld. Natuurlijk zou ik zeggen: je hebt gelijk! De mens is boos. “Homo homini lupus!” De ene mens is voor de ander een wolf! Egoïsten zijn we, anders niet. De psychologie van onze tijd doet daar nog een schepje boven op. Iedere mens leeft op een beerput, dat is het onbewuste. Een soort van moeras, waaruit allerlei giftige dampen opstijgen. Een donker gebied, waaruit de meest smerige wensen en gedachten omhoog komen. In oude sagen wordt verteld van klokken, die op de bodem van moerassen liggen en nooit naar boven kunnen worden gebracht. Maar vaak, als het ‘s nachts stormt, beginnen die verzonken klokken te luiden. In Zeeland denken we dan aan het verdronken land van Reimerswaal-Saeftinge op Westerschouwen. Zoals het met die klokken is, zo is het ook met verlangens en boze wensen, die we in ons bewustzijn hadden weggestopt. “Weg met jullie, smerige gedachten!” Maar zij komen toch weer ineens naar boven en kunnen zich dan behoorlijk laten gelden! Zo kun je best de stelling verdedigen, dat de mens boos is. Toch is dit ook een stelling, die bestreden kan worden. Ik moet dan denken aan de oude tegenstelling tussen de kerkvaders Augustinus en Pelagius, in de derde eeuw na Christus. Pelagius beweerde, dat de mens een vrije wil heeft en van nature goed is. Augustinus hield vol, dat de mens gebonden is aan het kwaad. Heel veel later heeft de Franse wijsgeer Rousseau ons voorgehouden: “retour á la nature”. We moeten terug naar de natuur, want die is goed. Wat we dan met overstromingen en zo moeten doen, daar praatte hij dan maar niet over! Toch was menig theoloog uit vorige generaties er van overtuigd, dat de mens zo slecht nog niet was. Dat zijn ziel was als een munt, wel met stof bedekt, maar waarvan de beeldenaar toch in tact was gebleven, als het stof er maar vanaf werd geveegd. En vandaag zijn er nog veel mensen – ik denk wel de meesten – die zouden beweren: “Ach kom? De mens slecht? In elk mens zit toch ook iets goeds!”

Op dat punt valt er dus nog heel wat te redeneren. Trouwens, ik heb ook mensen van goed orthodoxe huize de hele avond in zware termen over de absolute verdorvenheid van de mens horen praten en zuchten, terwijl toch niet merkbaar was dat hun kopje koffie, dikke sigaar en borreltje er iets minder om smaakten. Dat is dus allemaal maar de buitenkant. Je praat er over, maar het raakt je niet echt. Maar nu komt Jezus tot ons en zegt het recht op de man af: “JE BENT SLECHT!“ Daar schrik je toch wel even van, u niet? Want als Hij het zegt, dan moet het toch wel waar zijn. Hij, die Zelf geen zonde heeft gekend noch gedaan, Die altijd bezig was met de dingen van Zijn Vader, Die gehoorzaam was tot in de dood en Zich offerde voor de mensen. Als Hij dat tot mij zegt, dan voel ik me staan op een donker hellend vlak. Daar staan we dan met z’n allen!

Maar Jezus Woord brengt ons ook op het tweede vlak: een opgaande lijn ”Jullie, die slecht zijn, weten toch goede gaven te geven aan jullie kinderen.” Onder het puin van de menselijke boosheid ontdekt Jezus toch nog iets goeds in de mens. Hoe slecht we ook zijn, er zijn toch slechte dingen, die we niet kunnen doen. Een vader kan onmogelijk, als zijn hongerige kind hem om brood vraagt, hem een steen geven, en als hij om vis vraagt, hem een slang geven. Een vader zou nog liever het brood uit zijn eigen mond sparen dan zijn kind honger zien lijden, is ‘t niet? Het spreekt toch vanzelf, dat ouders voor hun kinderen het goede zoeken, ja met hen het allerbeste vóór hebben. Heel veel ouders liggen krom voor hun kinderen!

De bekende schrijver Anton Coolen schrijft in één van zijn boeken over een krankzinnige vrouw, die met een groot broodmes de hele dag voor haar huis staat. Niemand waagt het om haar dat mes af te nemen. Dan komt men op het idee om haar jongste kind te halen, dat bij de buurvrouw was ondergebracht. Het kind is wat schuw en angstig bij het zien van al die mensen. Het huilt. Langzaam duwen ze het kind naar voren. Vol spanning wachten allen af wat er gebeuren gaat. Even staat het kind stil, dan holt het op z’n klompjes naar de moeder toe. Dreigend staat daar de vrouw met het mes. Maar dan heeft ze alleen oog voor dat schreiende jongske. Ze laat haar mes vallen en en ze hurkt neer en sluit ‘t kind in haar armen. “Mijn bloeike” zegt ze, “Mijn klein bloeike, ze zullen oe niks doen”. In de donkere nacht van de krankzinnigheid toch nog één lichtstraal!

En nu het derde vlak. Als ‘t bij mensen al zo is, hoe veel te meer bij de Vader in de Hemel. Als zelfs slechte mensen… dan toch zeker God wel, Hij Die zo goed is! HOE VEEL TE MEER! Het klinkt als een juichtoon. Er zit hemelse muziek in. Hoe veel te meer… dat is ALLES MEER! In het derde vlak is alles licht! Het licht, dat heen wijst nar “uw hemelse Vader”. Wat klinkt dat intiem. Jezus was ook intiem met de Vader. Hi zei ”Abba” (Vader) tegen Hem en wij mogen dat ook doen, zegt Hij. Immer zoals Hij uit de Vader is, zo hebben ook wij het leven uit God. Wij zijn van Zijn geslacht. En daarom bidden wij ”Onze Vader”. Dat is eenvoudig nooit uit te wissen! Er is misschien veel tussen ons en God gebeurd. Zoals de verloren zoon uit de gelijkenis hebben wij misschien ook wel eens gezegd: ”geef mij m’n erfdeel, dat mij toekomt”, en hebben we ons losgemaakt van God en het leven in eigen hand genomen. Maar Hij laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen. Hij is de Zoekende… en blijft Zijn hemelse gaven aan ons geven. Dat, wat we nodig hebben, elke dag!

Wij mensen staan daar hongerend. We hongeren vooral naar de vervulling van ons leven. Dat ‘t maar een beetje zin mag hebben. We hongeren vooral ook naar God, want we voelen best in ons zelf dat we Hem zijn kwijt geraakt en dat daarmee in ons leven alles op losse schroeven is komen te staan. We horen Jezus’ stem: ”de mens leeft niet van brood alleen, maar van alle Woord, dat uit de mond van God uitgaat…” In plaats van brood toch geen steen geven en in plaats van vis toch geen slang?

En nu staat Jezus daar en Hij spreekt ons van Zijn hemelse Vader, alsof Hij voor ons staat en onze handen vastpakt. Zou Hij Zelf niet het Woord zijn, dat uit Gods mond uitgaat? Zou Hij Zelf niet de goede gave zijn, die God ons schenkt? Ja, Hij is de beste gave, die ons hart maar verlangen kan!! Die Zijn leven voor ons gegeven heeft. Deze goede gave schenkt God, de hemelse Vader, aan de mensen, die tot Hem bidden. Goede gaven kunnen alleen neerdalen in een hart, dat er voor open staat. En wat is bidden anders dan: zijn hart openstellen voor God. Bidden is niet: een verlanglijstje uitspreken van dingen, die we min of meer nodig denken te hebben in ons leven. Bidden is niet God onder druk zetten, ja, soms zelfs chanteren. Wij hebben eenvoudig niets te commanderen tegenover God. Wij mogen, in vertrouwen, afwachten, wat Hij ons schenken wil. Dat is de echte geloofs- en levenshouding, waarvan de dichter van Palm 25 (vs 7) spreekt:

”d’ Ogen houdt mijn stil gemoed
opwaarts om op God te letten.”

Bidden is luisteren, eerbiedig luisteren. Op God letten! Bidden is niet schreeuwen, huilen, jammeren, niet klagen maar dragen en bidden om kracht, en vooral luisteren! Het bidden van heel veel mensen gaat op in het roepen: ”Hoor, Heer, uw dienstknecht (dienstmaagd) spreekt… Maar het diepste bidden is juist andersom: ”Spreek Gij, Heer; uw knecht, uw dienstmaagd hoort!”
Laten we in het jaar dat voor ons ligt, ons hart openstellen voor Hem. Dat Hij Zijn Woord mag spreken en wij mogen luisteren! Dan zullen wij de goede gaven ontvangen van de hemelse vader. Ja, Zijn allerbeste gave aan ons: onze Heer Jezus Christus!

Gez.175:
O wij arme zondaars, bedelaars onrein,
die in zonde ontvangen en geboren zijn,
onze schulden brachten ons in zo grote nood,
dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.
Kyriëleison, Christe eleison.

Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
mens onder de mensen, en ons vrij gekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid,
wij waren verloren in alle euwigheid.
Kyriëleison, Christe eleison, Kyriëleison!

AMEN

GEBEDEN:

God van barmhartigheid, Vader van onze Heer Jezus Christus, wij danken U dat u zó goed voor ons bent, elke dag opnieuw, zodat we met vertrouwen het nieuwe jaar binnen mogen gaan.
Leer ons ook daarin het goede te doen en leer ons te luisteren naar wat U ons te zeggen heeft. Maak ons tot goede dienaressen en dienaren van u! Heer, wilt U met allen zijn, die het moeilijk hebben en die vol zorgen het nieuwe jaar ingaan. Overal in de wereld zijn zij: de zieken en bezorgden, de stervenden en rouwenden, de gevangenen en verdrevenen, miljoenen vluchtelingen en asielzoekers, allen Heer, die lijden. Wij bidden U ook voor heel uw creatuur: voor de lijdende dieren en mishandelde natuur. Gedenk hen, die ons lief zijn, die wij voor U noemen, in het binnenste van ons hart.

stil gebed –
Waak over Uw kerk, Heer, overal op aarde. Ontferm U over haar nood, genees haar verdeeldheid, drijf uit haar alle vrees en gemakzucht, en sterk haar in het geloof. Schenk moed en vertrouwen aan al die miljoenen Christenen, die over heel de wereld aan vervolging onderhevig zijn. Wilt u vooral de jonge mensen, die zoekend in de wereld staan, Uw Evangelie aanreiken als de kracht van hun behoud en de richtlijn in hun leven. Zo bidden wij U in stilte.

stil gebed –
Heer en Koning der wereld, die de natiën leidt naar Uw raad, sta hen bij, die Ge macht gegeven hebt over mensen en dieren. Geef, dat ze hun taak mogen vervullen in Uw dienst en tot voorspoed van hen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd. Weest U zo met onze koning en koningin en regering.
Geeft U vrede aan de wereld, in t bijzonder bidden wij U om vrede rondom Irak, Afghanistan en Syrië, en tussen de broedervolken in Uw eigen Israël.
Stop de EBOLA-epidemie in Liberië en omliggende landen. Laat de landen, die zo getroffen worden door dood en tegenspoed, weer opbloeien. Moge Uw genade zo met allen zijn, die zich tot hulp geroepen weten.
Bidden wij het “Onze Vader”.
stil gebed –

AMEN

Wie oren heeft, die hore!

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft.

Mattheüs 13, 1-9
1 Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. 2 Er kwam een grote mensenmassa om hem heen staan, en daarom ging hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. 3 Hij sprak hen uitvoerig toe en vertelde gelijkenissen: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. 6 Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. 8 Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Laat wie oren heeft goed luisteren!’

Met onze tekst eindigt Jezus de gelijkenis van de zaaier, die we ook in Marcus 4 en Lukas 8 vinden. De drie versies wijken niet veel van elkaar af. Alleen bij Lukas wordt direct na het vertellen van de gelijkenis door Jezus ook de uitleg gegeven, terwijl bij Marcus en Mattheüs die uitleg pas komt, nadat Jezus uitvoerig over het spreken in gelijkenissen en het juiste horen van de discipelen gesproken heeft. U weet wel het “ziende niet zien en het horende niet horen” (vs.13). Dit brengt ons meteen al op de vraag of die uitleg van Jezus, die we al zo vaak gehoord hebben, wel oorspronkelijk is. Ik bedoel: is de gelijkenis oorspronkelijk wel zo bedoeld? Of is de uitleg er pas later aan gegeven? Veel Schriftonderzoekers denken, dat dit laatste het geval is. Hoe het dan moet zijn? Ik zal proberen het u uit te leggen.

In de eerste tijd na Jezus’ dood en opstanding, toen met Pinksteren de eerste Gemeente ontstaan was, had men nog niet de Bijbel zoals wij die nu kennen, ook niet het Nieuwe testament in de huidige vorm. De meeste boeken en brieven moesten immers nog geschreven worden. Wel kende men verhalen over Jezus en wist men te vertellen, wat Jezus allemaal gezegd had. Zeker die verhalen en woorden, die indruk gemaakt hadden, gingen van mond tot mond. Men trok daar lering uit en ging er over preken. Heel begrijpelijk, dat al doende hele reeksen van verhalen en woorden ontstonden, bijvoorbeeld van gelijkenissen en wonderen, genezingen, de lijdensgeschiedenis en van woorden zoals de Bergrede en de uitzendingsrede.  Er worden dus in de oerkerk al stukken samengevoegd nog voordat zij zijn opgeschreven. Later werden die stukken uit de mondelinge overlevering opgepikt en door de Evangelisten in hun Evangeliën verwerkt. Nu lijkt het voor de hand te liggen, dat Jezus onze gelijkenis van de zaaier gesproken heeft om te wijzen op de komst van Gods Koninkrijk. In hetzelfde hoofdstuk staan immers nog drie andere gelijkenissen, die hetzelfde beogen: “Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in de akker… En toen kwam zijn vijand”; en de tweede: “het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje”; en de derde: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem”. In alle drie gelijkenissen gaat het over het Koninkrijk der hemelen, dat zeker komt, niets kan het tegenhouden, zelfs de ergste vijand niet. In het begin is het nog erg klein, bijna onzichtbaar, maar het wordt groter en groter, net als het mosterdzaadje en het zuurdesem, “gist” zouden we nu zeggen. We noemen die gelijkenissen wel “contrastgelijkenissen”of “groeigelijkenissen”. In die lijn -denk ik-  moeten we ook onze gelijkenis zien. Jezus laat horen en zien! Door het beeld van de gelijkenis zie je als ’t ware voor je, dat het Koninkrijk komt, overvloedig en zeker, niets en niemand kan het tegenhouden! Het is daarom de vraag, of we die gelijkenis wel die van de zaaier moeten noemen. Zou het niet beter zijn hier van de akker of van het zaad te spreken? Bijvoorbeeld: de gelijkenis van de verschillende akkergrond.

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft. Het drievoud van de getallen 30-6-100 wijst ook op de goddelijke overvloed, die met Gods Koninkrijk op het eind der tijden geschonken zal worden. Een deel van het zaad valt langs de weg, een deel op steenachtige plaatsen, een deel tussen de dorens en de distels en een deel in goed aarde. Voor ons Nederlanders, die alleen goede aarde gewend zijn, is het maar een vreemd gedoe. Wie zaait er nou op de weg en op steenachtige bodem? Zou Jezus dat niet geweten hebben? Natuurlijk wel! Als klein kind al zwierf Hij door de velden rondom Nazareth en praatte Hij met de vissers aan het meer van Galilea. Juist daarom gebruikt Hij in Zijn spreken ook zo dikwijls het beeld van zaaien en vissen. Juist omdat Hij er zo veel van wist! Maar wij moeten bij de gelijkenis niet denken aan onze mooie vlakke polders met oerdegelijke klei, dat lekker diep gespit en geploegd kan worden. Nee, de velden rondom Nazareth in het Galilese heuvellandschap waren maar klein, uitgespaard tussen rotsen en onvruchtbare bosjes, in geaccidenteerd terrein, dus heel moeilijk te bewerken. Geen wonder dat er wel eens wat naast ging! Daar komt nog bij, dat we de weg niet moeten zien als onze wegen. Het is gewoon een voetpad, dat dwars door de braakliggende akker is ontstaan, omdat mensen de kortste weg uitzochten. Er kan dan zaad op het pad vallen, omdat er nog niet geploegd is. In tegenstelling tot onze gewoonte ging men toen namelijk pas ploegen, nadat er gezaaid was. Het is dus niet te wijten aan onachtzaamheid van de zaaier, dat er nogal wat zaad verloren gaat. Hij zou dat zelf ook vervelend hebben gevonden. Iedere boer is toch heel zuinig op zijn zaad. Maar de omstandigheden waren daar en toen niet anders.

Nu is het wonder, dat ondanks die tegenstrevende en dwarsliggende omstandigheden er toch een geweldige oogst komt! Een mens denkt wel eens net als de Prediker: “Waarvoor doe ik het allemaal? Want wat heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?”(Prediker 2,18). Ook de mensen, die bij Jezus waren, zijn sceptisch: “Ik zie nog niets van het Koninkrijk, zou het nog wel komen? Ach, al dat bidden en hopen heeft toch geen zin! Zeg nou zelf, rabbi…” En rabbi Jezus zegt het, Hij laat het zien aan duidelijk herkenbare beelden: zaad, oogst, akkers, de mosterdboom en het gistende gist. Tegenover de geringheid van alle begin en de moeiten en zorgen, die daarmee gepaard gaan, staat een overweldigend einde. Alle begin is moeilijk, maar het einde moet je in zicht houden! In het ritme van zaaien en oogsten, dat de landbouwers zo in het bloed zit, mag ook ons geloven zijn beslag rijgen. Daaraan is bovendien de goddelijke belofte verbonden: “Zo lang de aarde bestaat, zullen zaaien en oogsten niet ophouden” (Genesis 8,22). Onze gelijkenis wijst ook daarheen: naar Gods onbegrijpelijke goedheid. Het is die goedheid, die de garantie is voor Jezus’ getuigenis: “Eind goed, al goed!”

Wanneer we de gelijkenis zo verstaan, wat is het dan een geweldige bemoediging voor ons in ons geloven en gelovend bezig zijn. Voor ons werken, voor onze dagbesteding, voor de hulp die we anderen mogen geven en van anderen mogen ontvangen, voor de hoop die we mogen koesteren als ’t gaat over het einde van ons leven en het deel krijgen aan de heerlijke eeuwige dingen. De goedheid, waarmee God de wereld geschapen heeft en door zaaiing en oogst onderhoudt, die goedheid geeft ons de zekerheid dat het eens alles goed zal zijn, als het Koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar zal zijn geworden. “Hij laat nog dagelijks de zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5,45). Daardoor schenkt Hij ons het dagelijkse brood. Daardoor krijg ik houvast: dat Hij niet zal laten varen de werken van Zijn handen!

Zo bezien krijgt de gelijkenis een heel andere strekking  dan de gangbare, die helemaal op het horen is toegespitst: het horen en aannemen en verstaan van het woord over het Koninkrijk. De hoorder van het Evangelie komt in een aantal gevarenzones terecht, die hem van het geloof afbrengen. Heel begrijpelijk, dat de predikers in de oerkerk daarop gewezen hebben. Want het is heel reëel, zeker ook vandaag! Het gaat om de praktijk van het Christelijk geloof, de zwakte, de geringe diepgang, het gaat bovenal ook om de slimheid van Satan, die de mens het zo juist gehoorde Evangelie uit het hoofd slaat. De mens, die het Woord gehoord heeft is inderdaad onderhevig aan allerlei gevaren: aanvechting, bezorgdheid, onderdrukking, vervolging, gemakzucht. Al die gevaren moet een mens overwinnen, anders kan hij niet de goede akker zijn, waarin het zaad van het Woord van God honderdvoudig vrucht draagt. Zo uitgelegd is de gelijkenis heel leerzaam voor de gelovigen. Het is dan ook niet vreemd, dat deze uitleg al heel vroeg in de oerkerk is ontstaan. De gelijkenis is tezamen met deze uitleg overgeleverd en opgenomen in het Evangelie als een vermaning, een waarschuwing en aansporing aan de gelovigen om het Woord goed te horen en daarna ook in praktijk te brengen, zodat het Woord vrucht draagt. Dit laat ook de apostel Jacobus horen in zijn brief, waarin hij schrijft over “hoorders of daders” (1,19-25).

Toch denk ik, dat het beter is de gelijkenis te horen zonder die traditionele uitleg, maar gewoon als Koninkrijksgelijkenis, gesproken in een heel actuele situatie, namelijk de twijfel van de discipelen. Zij twijfelden aan Jezus’ zending en volmacht (dat Hij van God gezonden zou zijn!). Zij zagen Zijn armoedige volgelingen, Zijn geringe succes en zelfs afwijzing, zoals in Nazareth (Marcus 6), de verbitterde tegenstand van de Farizeeën, de toenemende afval van Hem, omdat Hij in Zijn woorden aanstoot gaf (Johannes 6, 60v). Betekende dit alles niet een weerlegging van Zijn goddelijke aanspraken? “Kijk naar de landman” zegt Jezus . Die had ook wel kunnen ophouden vanwege de vele weerstand, die zijn werk ondervond en waardoor zijn zaad bedreigd en vernietigd wordt!  Toch gaat hij door, volhardend, in een vast vertrouwen, dat een rijke oogst niet zal uitblijven. “Jullie kleingelovigen! Nou zo is het ook met het Koninkrijk der hemelen: God gaat stug door, het begin is o zo klein en onaanzienlijk, maar de uitkomst zal overweldigend zijn, reken maar!”  In Zijn leven heeft Jezus dat laten zien: een mens als wij, niets bijzonders, maar door God opgewekt en aangesteld om te regeren naast Hem in Zijn Koninkrijk (lees Philippenzen 2, 5-11!). Zou het in Gods Koninkrijk niet juist het kleine en onaanzienlijke zijn, dat ‘t  ‘m doet?

In onze tijd zijn wij een steeds kleiner wordende kerkgemeenschap, in een grote hulpbehoevende wereld, die steeds groter wordt. Wat kan werelddiakonaat dan nog betekenen? Een druppel op een gloeiende plaat? Nee, zaad in de goede akker! Het bergt in zich, hoe klein ook, de belofte van een geweldige oogst! Daarom volhouden! En je niet laten afschrikken door allerlei influisteringen van de Satanische tegenstrever: “Er komt toch niets van terecht, het meeste blijft aan de strijkstok hangen, het is gekkenwerk, geen beginnen aan!” Weet ie veel, die Satan. Het IS toch al begonnen, wij hoeven het alleen maar voort te zetten!

WIE OREN HEEFT, DIE HORE !

Heidelbergse Catechismus – Zondag 50

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking.

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking. Is dat niet merkwaardig? Dat eerst het dagelijkse brood genoemd wordt? Ja, dat is het. Wie bidt er nu om brood? Als je in de problemen bent en je bidt dan tot God, dat zou begrijpelijk zijn. Maar om brood bidden? Geen wonder, dat in veel gezinnen het gebed bij de maaltijd is afgeschaft! En waar het nog wel gedaan wordt, gebeurt het meestal achteloos. Het zal u ook wel eens overkomen zijn, dat u gebeden had voor de maaltijd, maar toen iemand vroeg “hebben we al gebeden?”, dat u het toen niet meer wist. U moest er eerst even over denken! Bidden om het dagelijkse brood is er toch niet meer bij. Dat hebben we toch ook echt niet meer nodig, in deze tijden van overvloed!

En toch staat het brood voorop in de menselijke dingen. Jezus heeft het goed begrepen, dat brood voor de mens onmisbaar is. Want de mens is een stoffelijk wezen. En zo staat hij ook voor God, ook in het gebed, als een stoffelijk wezen. Hij wordt niet ineens een ander geestelijk mens, als hij bidt. Hij blijft wie hij is: een eenvoudig stoffelijk mensenkind. Als teken daarvan wordt het brood genoemd. Maar u zult begrijpen, dat hiermee niet alleen het brood van de bakker bedoeld is. Het gaat hier om het hele lichamelijke en maatschappelijk-menselijke leven. Dit alles brengen wij in het gebed voor Gods Aangezicht. Ook het belastingbiljet en de doktersrekening, heel het armetierige en ook dure leven zoals wij dat kennen. We moeten het niet gering achten, dat we “aardse” wezens zijn. Zo heeft God ons immers bedoeld! Hij heeft ons uit de aarde genomen. Daarom zegt Hij ook tot ons: “Stof zijt gij en tot stof zult gij weer worden; uit de aarde zijt gij genomen en tot de aarde zult gij wederkeren.” En zo is het ook. Stof zijn wij, wij horen thuis op de aarde en in al deze stoffelijkheid hebben wij een verhouding met God.

Dat is het eerste, wat wij moeten weten. Dat het gaat om “alle nooddruft”, zoals de Heidelberger dat zo treffend zegt. Alle aardse zaken, zonder uitzondering, moeten in ons gebed onder de aandacht van God gebracht worden, omdat wij door Gods bestemming aardse mensen zijn. En als wij dat doen, gaan we automatisch ontdekken dat God de enige oorsprong van alle goed is. Al onze arbeid en zorg kunnen niet zonder Zijn zegen. Dat brengt ons er als vanzelf toe ons vertrouwen alleen op Hem te stellen. Zo legt de Catechismus deze vierde bede van het Onze Vader uit. Er wordt hier heel eenvoudig over “brood’ gesproken. Dat heeft ons welvaartsmensen iets te leren: soberheid. Wat wij het meest nodig hebben is “brood’. Daar kunnen wij niet buiten, net als “water”. He gaat er om, dat we in stand blijven. Daar bidden we om. De levensdrift, the struggle for life, is ook uit God. Daar ligt natuurlijk nog heel wat omheen, vooral tegenwoordig in ons rijke en overvloedige leven. Een auto wordt dikwijls belangrijker geacht dan brood. We willen heel wat meer dan het strikt eenvoudige. We willen een menswaardig bestaan en dat is ons recht. Ook dat wordt ons door de Bijbel geleerd: de weelde en de leefbaarheid van het leven, zo dat de mens zich in zijn bestaan kan verheugen. Maar daarin moeten we toch altijd iets van de royaliteit van God blijven voelen. Immers Zijn zegen is het alleen, die de meest sobere zaken tot weelde, tot iets verheugends maakt. “Zie de leliën des velds…” Niet onze zorg en onze arbeid! De middelen, waarmee we ons brood verdienen; het zijn de gaven uit Zijn hand! Met daarbij ook de opdracht aan ons te werken “in het zweet van ons aangezicht”. Bidden en werken. “Ora et labora”. Het werk en de vlijt behoren onmiskenbaar tot de godsdienst. Maar zonder Gods zegen zou het zinloos zijn. De mooiste dingen zouden verkeren in hun tegendeel. En daarom bidden wij tegelijk met het dagelijkse brood ook voor ons werk, de arbeid van vandaag, die ons morgen weer te eten zal geven. God moet onze arbeid gebruiken en zegenen, dan hebben we ook zeker te eten en al de dingen die daarbij horen. Daarbij hoeven we ons geen zorgen te maken! Bidden en werken is onze opdracht, maar zorgen… dat kunnen we aan God over laten. Hij doet het voor ons. Bezorgd zijn en tobbe(re)n hoeven wij ons zelf niet aan te doen. We moeten niet zo zwaar aan het leven dragen, want dan treden we in de rechten van God. Hij heeft in onze plaats zwaar aan het leven gedragen, Hij droeg de last van het kruis. En dat doet Hij, van het begin tot het einde, nu nog, voor een ieder die op Hem vertrouwt. Hij, Die dat deed en nog doet, is het ook Die ons het Onze Vader geleerd heeft, en daarom mogen wij er ook gerust op zijn. Dat is bidden: wij werken voor het brood en de zorg dragen wij over aan God. Daarom zeggen wij: “geef GIJ ons heden het dagelijks brood”. “Heden”, dat is het element van de tegenwoordigheid. Wij beperken ons tot vandaag, de toekomst is van God, en daar is ie veilig geborgen. Wij hebben ons bezig te houden met het “heden”, vandaag, en daar moeten we vrede mee hebben! Elke dag, die God ons geeft, moeten we uitbuiten en liefhebben en daarin gelukkig zijn. Jezus leert ons in het gebed niet meer te willen dragen dan één dag tegelijk. Meer zou voor ons mensen te veel zijn. Dat kunnen we niet aan!

Tenslotte nog dit: wij bidden om ONS brood. Daar zit solidariteit in, gemeenschappelijkheid. Wij bidden gemeenschappelijk en voor elkaar. Alle gebed is in wezen voorbede! Bij onze bede hebben wij ook het brood van onze medemensen op het oog. We denken daarbij in het bijzonder aan het brood van onze hongerlijdende medemensen. He gaat dan om gewoon brood ter stilling van de honger. Overal in de wereld wordt er nog echt honger geleden. Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, waar het brood bij ons vaak in de vuilnisbakken te vinden is. Toch hebben we het zelf ervaren, nu 70 jaar geleden, in de Hongerwinter van 1944/45,  wat het betekent: brood te hebben, elke dag brood te hebben. Wat een weldaad! Wat heerlijk zou het zijn, wanneer alle mensen in de wereld dit brood hadden. Deze gedachte, dit innerlijk verlangen, maakt dat wij vanuit dit bidden om brood ook metterdaad gaan werken voor dat brood voor de gehele wereld. Het gaat er dan niet meer om, dat wij veel hebben, maar dat iedereen dat ontvangt wat hij broodnodig heeft: zijn dagelijkse voedsel, een leefbaar bestaan. God zegene ons bij het werk en de ijver die we daaraan besteden! Laten we steeds weer een beroep doen op de trouw en macht van Hem, Die met Zijn zegen het mogelijk kan maken, zoals Hij dat in het verleden gedaan heeft met het manna in de woestijn en met de raven, die de hongerende Elia brood brachten, en met Zijn Zoon Jezus Christus, het Brood des Levens. Ons vertrouwen moeten we op Hem stellen, op Hem alleen, maar we mogen daarbij niet stil blijven zitten en toekijken. Bid daarom: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ora et labora! Bid en werk!

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 49

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid.

Wij komen nu bij wat wel eens de moeilijkste bede uit het Onze Vader genoemd wordt: “Uw wil geschiede”. Wij weten, dat ook de Here Jezus, in de hof van Getsemane, staande voor de benauwenis van het naderende einde, deze woorden gebeden heeft: “Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede …” Door dit gebed wordt Jezus getroost en versterkt. Maar deze vertroosting is er niet onmiddellijk en deze versterking laat dikwijls even op zich wachten. Als wij namelijk die bede bidden, dan voelen we eerst de strijd, de botsing, de ellende. Er is een andere wil dan de onze. En die andere wil is op andere dingen gericht. Naast elkaar en heel vaak tegenover elkaar vinden we de wil van God en de wil van ons. Gods weg en onze weg, Gods gedachten en onze gedachten. Ieder van ons heeft dat ervaren en duizenden anderen met ons.

Je staat hier direct voor de vraag: waarom is het nodig dat wij bidden: Uw wil geschiede. Is het dan nog een vraag of de wil van God geschiedt? Is er dan nog een andere mogelijkheid? Zou iemand de wil van God kunnen dwarsbomen? Zou iemand die wil kunnen verhinderen, zodat er zelfs sprake van kan zijn, dat die wil niet gebeurt? Ik geloof, dat we hier goed moeten onderscheiden tussen de wil van God en wat wij noemen de Raad van God, het raadsplan van God, het wereldplan. De Raad van God wordt vervuld. Immers wat God wil, wat Hij besloten heeft, dat zal gebeuren, geen twijfel aan! Wie zal het immers tegen kunnen houden? Mensen kunnen dat niet, en ook de schepping, de natuur, kan dat niet. Zelfs waar zij nee zeggen, zelfs waar ze vierkant ingaan tegen Zijn wil, werken ze toch mee aan de vervulling van Gods Raadsbesluit. Op een gegeven ogenblik in Israëls geschiedenis stond heel de Assyrische wereldmacht voor Jeruzalems poorten. Het kon niet anders, nu was het spel verloren. Die geweldige legers voorspellen ondergang en vernieling. Maar terwijl heel Jeruzalem siddert, komt Jesaja en zegt: Zo zegt de Heere Heere,’t zal niet bestaan en niet geschieden. En dan gebeurt het niet. De dreiging van de vijanden vergaat als het geluid van een echo. Want Gods wil is wet! Is zo heel de wereld niet vol getuigenis, dat Gods wil geschiedt? Zijn plan en raad houden stand in eeuwigheid! In dit opzicht is er geen houden aan. Waar we spreken van Gods wil en we bedoelen Zijn Raadsplan, daar is Gods wil niet te stuiten. Maar als we bij Gods wil denken aan Zijn wensen en geboden ten aan aanzien van mensen in hun persoonlijke leven, daar ligt het heel anders. Het plan van God ten aanzien van de wereld en de mensen is immers geheel anders dan de wereldloop en de loop van de mensen. In de wereldloop wordt de wil van God nooit volkomen volbracht, idem dito in de levensloop van iedere mens. Elk ogenblik van ons leven en van het wereldgebeuren is er een tweesprong. Elk ogenblik is vol van allerlei mogelijkheden. En in elk van die gelegenheden werkt God. Maar God werkt niet in alle dingen en gelegenheden en mensen op dezelfde wijze. God is bijvoorbeeld anders tegenwoordig in Jezus dan in Judas. Toch werken beide mee aan de volbrenging van Gods Raad en Zijn plan met de wereld. Maar Judas zal wel niet gebeden hebben, toen hij er op uitging om Jezus te verraden: Uw wil geschiede. Dat verraad was niet de wil van God. Dat bloedgeld, dat bedrog, was niet de wil van God. En zo gaat het gedurig. Zo is het ook nu, in ons leven en in onze wereld. Wat is er veel, waarin niet de wil van God geschiedt. De mensenmoord in Syrië, terreuraanslagen, rassenhaat, honger, drankzucht, ontucht enz. Gij zult niet doden, Gij zult niet begeren enz. Dat is de wil van God! Zo eenvoudig en duidelijk als men het zich maar denken kan. Dat men toch tegen deze duidelijke wil van God ingaat, komt omdat de mens leeft naar zijn eigen hoogmoedige zondige wil. Het komt, omdat men het met Gods wil op aan akkoordje gooit en het dwingend absolute er uit haalt, zodat er een compromis overblijft, een zwak afgietsel, waarbij het zich gemakkelijk leven laat. Maar wanneer men zo de wil van God stelselmatig negeert en tegenover Zijn wil komedie speelt, dan gaat God anders doen. Hij gaat zwijgen. Hij trekt Zich terug. Dat zijn momenten waarin het kwaad rijpt en het van kwaad tot erger gaat. Toch blijkt steeds weer -achteraf- dat in al die chaos van ellende, verwarring en verbijstering, de zwijgende God toch de wakende God is, en de wakende God is de genezende God. Hij groepeert alle gebeuren zo, dat Zijn Koninkrijk er doorheen breekt en Zijn plan er door voltooid wordt.

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid. Daar is immers alleen maar gehoorzaamheid en helemaal geen ergernis of ontstemming, daar is elk lied een lofzang en dankzegging, daar zijn geen verloren idealen en gebroken mensenharten. Want de wil van God is daar gekend als bron van het leven en enkel heerlijk licht!

Daarmee heb ik meteen al gezegd, hoe moeilijk het voor ons is om het hier en nu te brengen tot het doen van Gods wil “gelijk in de hemel”. Die moeilijkheid ligt in een fout, die we telkens maken. Meestal bewaren we namelijk dit gebed totdat er verbijsterende dingen gebeuren in ons leven. We hadden onze plannen, en als het zo was gegaan als we ons hadden voorgesteld, dan was er weinig meer te wensen overgebleven. Dan was ons geluk volkomen geweest. Maar er is niets van gekomen! Het is allemaal voorgoed onmogelijk geworden. En ons leven is er anders door geworden, aangeslagen, beroerd, en nu buigen wij ons hoofd en zeggen: Uw wil geschiede. Iemand, die ons dierbaar was, is ons weggenomen. Geen enkele dag kunnen wij dat vergeten. Of zelf hebben we een ongeluk gehad of een handicap gekregen. Het is heel moeilijk om daarmee te leven. Uiteindelijk is het ons toch gelukt, ondanks al het verdriet, te stamelen: Uw wil geschiede! We kennen dat allemaal. Als wij geen uitkomst meer zien, dan is het tijd om te bidden. We denken dan, dat we er zijn. Als we het maar een keer zo ver gebracht hebben! Maar weten we wel, dat het dan pas begint? Weten we wel, dat alles er van af hangt of we “Uw wil geschiede” bidden? Aan het begin van de strijd of aan het einde van de strijd? We staan aan de puinhopen van al onze plannen, van ons leven, van onze leegte, en dan komen we tot bidden. Moeten we God nu aanbieden dat puin, die leegte, die scherven van ons leven? Misschien ook nog met stil verwijt: Kijk God, dat is nou Uw wil geweest!

Nee, we moeten beginnen bij het begin. God wil erkend worden niet alleen aan het einde van ons kunnen, maar altijd. Zijn wil moet recht worden gedaan, bij het begin, bij het maken van al onze plannen, bij onze voornemens, bij het uitvoeren ervan en bij de uitkomst van die plannen, of die nu negatief of positief is. Dat dit niet eenvoudig is, weten we allemaal. Het is niet zo dat we kunnen zeggen: dat zullen we nu eens fijn gaan doen, Gods wil volbrengen. Want als we het goede willen doen, is ’t kwade ons nabij, zegt de apostel Paulus. Er is een overmacht van kwaad in ons. Daar worstelen we mee, maar we delven altijd het onderspit. En daarom kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, ja smeken: Geef, o God, dat we Uw wil mogen doen, helpt U ons daarbij. Dat betekent tegelijkertijd, dat we dwars tegen onszelf in moeten gaan. We vragen in dit gebed ook om onze eigen teleurstelling, nederlaag, afbraak en ondergang.

De wil van God kan alleen geschieden, als wij onze eigen wil verzaken. Want die twee staan tegenover elkaar! Daarom komt alles in het heilsproces ook aan op de verbrijzeling van het hart, de verslagenheid van de geest, de verbreking van onze wil. Onze wil, waar we zo trots op zijn, is een macht, die toch gebroken moet worden door de overmacht van Gods wil. Dan pas is er ruimte voor de liefde, die in het hart geboren wordt. Dat is een schrikwekkende werkelijkheid, waar de mens doorheen moet. Om deze verschrikking bidden we in de derde bede van het Onze Vader: Uw wil geschiede. We zien het: zo glorieus is het allemaal niet, het is meer een zaak van ergernis en strijd, dikwijls levenslang.

Tenslotte nog één ding. Wij bidden voor de aarde. Uw wil geschiede gelijk in de hemel zo ook op de aarde. Dat is de bestemming van de aarde: dat op haar Gods wil geschiedt. Hiervan spreken de profeten al in hun bewoordingen van vrede en gerechtigheid. Hiervan getuigt ook een man als Paulus, als hij zegt dat eens God alles in allen zal zijn. Wij bidden, dat God trouw zal zijn aan Zijn aarde, opdat zij aan haar bestemming mag beantwoorden. Hieraan heeft iedereen mee te werken, ook u en ik: “opdat alzo ieder zijn ambt en beroep zo gewillig en trouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.” Iedereen heeft in zijn beroep, zijn werk, al zijn bezigheden, Gods wil te volbrengen voor de aarde, samen met de anderen, in de gemeenschap van de hele schepping, zoals de engelen dat ook doen in de hemel. Het proces van verbrijzeling van de eigen wil om Gods wil te zoeken is niet eenvoudig. Soms gaat het diep, door merg en been. Het valt niet mee om mens te zijn, om Christen te zijn. Maar laten we toch om Gods wil boven alles uit het leven op aarde liefhebben! Want wij bederven er wel veel aan, maar God heeft er nog veel meer mee voor! Zijn Zoon gaf er Zijn leven voor, voor ons en deze aarde.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 48

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde.

Als wij vandaag denken aan koninkrijken van deze wereld, kunnen dat moeilijk vrolijke gedachten zijn, ook al zijn veel rijken geen koninkrijken meer. We moeten immers direct denken aan haat en nijd, moordzucht en aanslagen. We moeten direct denken aan het politieke steekspel van “leiders” en dictators, waar de arme bevolking de dupe van is. We zien de vluchtelingenkampen in Jordanië, de vele doden in Syrië en Mali en elders in de wereld ten gevolge van zogenaamde opstandelingen. Zij willen de wereld verbeteren door orde op zaken te stellen. Wij zien de auto’s vol chemische stoffen langs de kust van Syrië rijden om afgevoerd te worden in schepen en wij lezen, hoe Iran zijn atoomprogramma heeft verlaagd. Maar hoe zal door moord en doodslag ooit een nieuwe orde geboren kunnen worden? Wie zal dat geven en vanwaar zal dat komen? Toch zeker niet van de koninkrijken der wereld , ook niet van allen tezamen verbonden in de Verenigde Naties, die deze dagen in Montreux samen komen om vrede in Syrië te bewerkstelligen. In deze wereld zijn toch machtsbegeerte en zelfzucht de drijvende krachten. Als er ooit een tijd is geweest, die behoefte heeft aan een andere en hogere orde, aan Gods gerechtigheid en barmhartigheid, aan Zijn heilsbeloften ook, dan toch zeker deze tijd. Ik geloof, dat nu op allerlei manieren maar één bede herhaald en elke keer weer herhaald dient te worden: “Uw Koninkrijk kome”.

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde. Het Vaderschap berust op vertrouwen en overgave, het Koningschap is een zaak van gehoorzaamheid en onderwerping. Daarom spreekt de Heidelberger ook het eerst over onderwerping. “Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.” Hier gaat het dus over de gehoorzaamheid. Je moet bereid zijn gehoorzaam ter zijn aan Gods wil, anders kun je niet om Gods Koninkrijk bidden. Zijn Koningschap immers omvat ons hele bestaan, zodat het tot een lof en vreugde wordt de Koning te gehoorzamen. Dat wij dit niet zo maar kunnen en vaak ook niet willen, blijkt dagelijks uit de gang van zaken in de wereld, waarvan wij toch deel uit maken. Natuurlijk ligt dit meestal buiten ons bereik, het zijn de hogere machten die beslissen, maar wij kunnen er toch ook zelf iets aan doen. Niet voor niets zeggen we: “Verbeter de wereld, maar begin bij u zelf!”.  Door gehoorzaam te zijn aan Gods Woord en Gods Geest … Wij bidden God, dat Zijn Koninkrijk kome, dan moeten wij ook naar Hem luisteren en ons Zijn Geest eigen maken!

Vervolgens spreekt de Catechismus over de Kerk: “Bewaar en vermeerder Uw Kerk”. De Kerk moet je hier zien als het nieuwe volk van God, de gemeenschap van Gods kinderen, die God samen roept. De Kerk is het voortgezette werk van Jezus Christus, Die haar regeert door Zijn Geest. Door die Geest gaat zij niet ten onder aan al het menselijke onvermogen, maar blijft zij levend en is zij voortdurend een getuige van Gods genade. Zo is de Kerk een voorbode van het Koninkrijk van God en bidden wij tegelijk om haar behoud, als we God om de komst van Zijn Koninkrijk vragen. Zo lang Gods Rijk nog niet volkomen op aarde is, mag de Kerk plaatsvervangend Gods heerschappij verkondigen en ook zijn.

Ten derde vraag je in je bede om Gods Koninkrijk of God de werken van de duivel wil verstoren en alle heerschappij, die zich tegen God verheft, “mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Gods heilswoord bedacht worden”. Dit klinkt misschien een beetje Middeleeuws, maar het is toch waar. Ga maar eens na: je eigen onwil, de stem van je eigen geweten, hoe vaak heeft die niet tegen jou gesproken? Je eigen opstandigheid ook. Dan hoef je toch de werken van de duivel niet zo ver te zoeken? Alle heerschappij, die zich tegen God verheft. Gaat het niet vaker om ONS koninkrijk dan om Uw Koninkrijk? En dan alle raadslagen, die tegen Gods Woord bedacht worden? Wat wordt er niet gemakkelijk over God gesproken, zelfs over de dood van God. Zoals kinderen tegen hun ouders in redeneren, zo denken en spreken wij maar al te vaak tegen God, zelfs in ons bidden. Zonder eerbied, Godsbesef. Over de tegenwoordigheid van God en de komst van Zijn Koninkrijk moeten wij ons geen romantische al te menselijke en ook idealistische voorstellingen maken. Gemakkelijk is het niet, integendeel, zij is ten volle in strijd! Als wij zeggen: God heerst over mens en wereld, dan betekent dat: God worstelt met de mens en de wereld, en wij moeten mee-worstelen! Dit Koninkrijk van God is in oorlog, het is in het offensief. Daarom bidden wij ook: “Uw Koninkrijk KOME”. Dat wil zeggen: “Het breke door!”. Het breke door, door de frontlijn van de duivelse machten. Het moge met overmacht over ons komen en zich door ons heenzetten, tegen onze boze raadslagen en hoogmoed in! Wij bieden weerstand, maar die weerstand wordt gebroken! Mens en wereld zijn weerbarstig materiaal voor God. Wij zijn opstandelingen, wij verzetten ons voortdurend tegen Hem, tegen de heerschappij van Zijn genade en heerlijkheid van Zijn heil en vreugde. In deze weerbarstigheid en opstandigheid van ons bestaan wil God toch tegenwoordig zijn. En daarom moet onze bede tegelijk ook “daad” zijn . Het is al te goedkoop en te gemakkelijk om te zeggen “Uw Koninkrijk kome”. Je moet dat ook laten zien in je leven, je moet het toelaten en tot uitwerking laten komen. Zó, dat Hij zichtbaar wordt en tot overwinning komt in je leven! Dat betekent, dat je moet opruimen, alles, wat God belet tot jou te komen en wat jou belet tot God te komen. En dat kun je alleen in Christus. Paulus noemt dat: “begraven worden in Christus en opstaan met Hem tot nieuwheid van leven”. Wat begraven moet worden om tot opstanding te komen, doe dat! Begraaf het. Voor de een zal dat zijn een bepaalde ondeugd, een karakterfout misschien; voor een ander zijn gezondheid of juist gebrek aan gezondheid; voor weer een ander zijn rijkdom of juist armoede; zijn werk of juist werkeloosheid en ga zo maar door! Voor veel mensen zijn belemmeringen om tot God te komen: het verstand of het milieu, het verleden, teleurstellingen, bezorgdheid, angst en wantrouwen. Vecht er tegen, strijdend en biddend: Uw Koninkrijk kome, ook in mijn leven! Bid om je eigen nederlaag, de nederlaag van jouw koningschap, dan zullen we herboren worden. Dat is moeilijk, heel moeilijk, voor een mens nagenoeg onmogelijk. Daarom bidden wij er ook om. Wij vragen God het te doen, zodat eigenlijk niet wij plaats inruimen voor God, maar God Zich Zelf ruimte baant in ons en ons van onszelf vrijmaakt.

“Totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij zult zijn in allen …” Zonder deze toekomstverwachting zou al ons bidden en werken krachteloos zijn. Wij moeten leren geloven in en vertrouwen op Hem, Die enkeling en gemeenschap, mensen en Kerken, soldaten en Koninkrijken, te boven gaat. Toen Jezus Zijn taak volbracht had, zei Hij tot de Zijnen: “Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh16,33). En Paulus voegt daaraan toe: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”. Daar leven wij naar toe! Ons leven, dat van ons persoonlijk, dat van de Kerken, dat van onze aardse koninkrijken, van Israël, Syrië, Tanzania, Mali en al die anderen, ons leven beweegt zich voort tussen twee punten: het ene punt is de voltooide arbeid van Jezus, gekruisigd en opgestaan; het andere punt is het geheim van Gods komend Rijk. Jezus overwon de wereld en Hij gaat voort met de Zijnen, die in de wereld zijn. Hij gaat verder, Zijn werk staat niet stil. Hij is onze weg naar Gods doel. Christus’ rijk is niet van deze wereld, maar is wel IN de wereld. Dit rijk strijdt de grote strijd met de boze. Het gaat door de nacht van zorgbehoeftige mensen, van broedermoord in Syrië en Mali, door de duisternis van het wereldoordeel heen, het Rijk van God tegemoet. Het gaat er mee als met Jezus Zelf, Die over Golgotha heen verheerlijkt is. Eens zal het Pasen worden voor ons allemaal! Op dit allesomvattende Pasen richt zich de hoop van de Kerk en de Christen persoonlijk. Laat elke stap dan moeilijk, onzeker en vol benauwdheid zijn, het is toch een stap dichterbij naar de volkomenheid van Gods Rijk. Daarom bidden wij, op gezag van Jezus, Die het ons leerde, met vast vertrouwen: UW KONINKRIJK KOME.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 47

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

We gaan aan het begin van het nieuwe jaar verder met de Heidelbergse Catechismus, waar we vorig jaar gebleven waren: bij zondag 47.

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

Uw Naam worde geheiligd. De Naam en het heiligen, wat bedoelt de Bijbel daarmee? Met de Naam wordt de persoon zelf bedoeld, en wel de betekenis er van. Zoals bij de naamgeving van een kind uitgegaan wordt van wat dit jonge leven betekent en zou gaan worden. Neem bijvoorbeeld Mozes, die door zijn zuster Mirjam in een biezenmandje in de Nijl was gezet en gevonden werd door de dochter van de Farao. Zij was het die hem de naam Mozes (“hij die optilt, uittrekt” ) gaf, “want” zei ze, “ik heb hem uit het water getrokken” (Exodus 2:10). Elke Bijbelse naam heeft dus een betekenis. Zelf hecht ik daar ook grote waarde aan. Zo is mijn eigen naam Philippus, vertaald uit het Latijn: “paardenvriend”. Niet voor niets houd ik dus van dieren, paarden in ’t bijzonder! Daar zit iets moois in, in die betekenisvolle naamgeving. Ik weet wel: wij gaan daar tegenwoordig heel anders mee om. Wij kiezen een naam voor een pasgeboren kind vanuit het boekje of omdat het mooi klinkt of omdat het de naam van een popster is.

De Naam van God moeten wij “heiligen”. “Heilig” is wat door God tot iets bijzonders is gemaakt, iets wat Hij voor Zich apart stelt. Wij denken meestal, als we het over “heilig” hebben, aan heilig in morele zin, om aan te geven dat iets goed is, vaak in overdreven zin als het “heilig boontje”. En als dit goede onwaarachtig is, noemen we het schijnheilig. Maar dat heeft met het Bijbelse begrip niets te maken. In de Bijbel wordt met “heilig” het bijzondere, het aparte, aangegeven. Het is een bijzondere gave van God, dat we Hem met de Vadernaam mogen aanspreken. Erkennen wij dit ten volle, dan wordt Gods Naam geheiligd. Het komt overeen met het derde gebod: “Gij zult de Naam des Heren niet ijdel gebruiken”. En als er in de Bijbel sprake is van de Naam van God, dan moeten we niet alleen denken aan de Naam God of andere namen, waarmee Hij wordt aangeduid. Er is veel meer mee bedoeld. De Naam van God is alles van wat er van God op de aarde is en wat van Hem bekend is. De Naam van God is God Zelf, zoals Hij op de aarde tegenwoordig is. Het volk Israël is bijvoorbeeld een stukje van die Naam van God. Het is immers uitverkoren en gezet in de lichtkring van Zijn heilzame tegenwoordigheid. De Bijbel is ook een stukje van die Naam. En de Kerk, de prediking en de sacramenten zijn het eveneens. Zo kunnen we doorgaan. De Naam van God bestaat uit al die dingen, die door Hem zijn uitverkoren en geheiligd (apart gesteld), door middel waarvan Hij op aarde woont. Deze Naam moet geheiligd worden, mag niet ijdel gebruikt worden. Letterlijk staat er in de 10 geboden: die Naam mogen wij niet opnemen en in onze ijdelheid steken. Daar zit deze gedachte achter: ons leven, ons mens zijn en onze werkelijkheid zijn ijdel, dat is leeg en luchtig. De prediker zegt: niets dan ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden, dat is zoveel als niets, leeg, zonder inhoud, zinloos en verloren. In onszelf is geen heil, geen houvast. Maar de Naam van de Heer is niet ijdel, Hij is vol en de overvloed zelf. Wanneer de heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dit niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van ons verloren leven – aanwezig is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden en al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Dat is het wezen van Gods Naam. En die Naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel gebruiken.

Wanneer de Heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dat niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van verloren leven – AANWEZIG is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden, de schuld van al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Zo is het wezen van Gods Naam! En die naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel (zo maar voor niets) gebruiken. Wij mogen niet net doen alsof Gods openbaring en tegenwoordigheid even “ijdel” zijn als ons hele mens-zijn. Vandaar dat de Heidelberger het zo belangrijk vindt eerst God goed te leren kennen. Dat wordt uitgelegd in Antwoord 122: “Uw Naam worde geheiligd”, dat is: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen.” De echte kennis van God is hier ook weer in Bijbelse zin bedoeld. Dat is: niet kennen met je verstand, maar met je hart, je ervaring. Ervaringskennis is heel belangrijk. Ervaring met het omgaan met God, het wandelen met God, zoals in Genesis beschreven wordt dat Noach wandelde met God. Dat betekent ook, dat je beseft, hoe God er is in je leven, hoe Hij je leidt en dagelijks leven geeft en de mogelijkheden om van dat leven iets moois en goeds te maken. God kennen is met Hem omgaan als een kind met zijn vader en moeder. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt , Uw Naam worde geheiligd”. Wij moeten dus in de eerste plaats de Vadernaam kennen, en met die Vader moeten wij omgaan in ons leven. Hoe doen we dat dan precies? Daar geeft de Heidelberger dit antwoord op: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.” God recht kennen betekent dus: God heiligen, roemen en prijzen. God heiligen is Hem Zijn plaats geven, niet doen alsof Hij er niet is; niet meer leven alsof het leven niet door Hem gered is. Wij kunnen niet meer in zwaarmoedigheid en vertwijfeling te gronde gaan. Wij kunnen ons alleen maar over ons bestaan verheugen! God is immers tegenwoordig in de chaos van onze zonde en dood, van onze schuld en leed, van onze verdorvenheid en verlorenheid. En deze gerichtheid op God, deze zonnige en blijde gerichtheid op God doordringt ons hele leven. De bijzondere plaats van de verhouding tot God doordringt alles wat ons leven vervult. Nu moeten wij er onmiddellijk bijvoegen: dit is (helaas) in onze werkelijkheid niet zo, wij zijn zo niet! Maar juist daarom moeten wij erom bidden, telkens weer, want dat is de weg, waarop God ons leiden wil om het waar te maken.

Naast het heiligen spreekt ons leerboek van roemen en prijzen. Dat zit eigenlijk allemaal in het heiligen opgesloten. Als je met God omgaat, dan kun je niet anders dan Hem roemen en prijzen. Dat wordt een soort levenshouding. Niet alleen in woorden, maar in heel je manier van leven, heilig en roem en prijs je God, in grote blijdschap. In dat roemen en prijzen zit geen chagrijn en pessimisme meer, het is een en al vreugde, vrede en geluk. Daarin wordt al de heerlijkheid van Gods Naam openbaar. Dat zit hem ook in wat de Catechismus Gods werken noemt, Gods handelen, dat zo heerlijk en apart is, dat je niet anders dan blij en gelukkig kunt zijn. De Catechismus noemt bij die werken een reeks van eigenschappen op, waarbij vooral in het oog springen Zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Natuurlijk zijn er ook situaties in ons leven, waarin Gods almacht ons helemaal beweegt. Op andere ogenblikken, als we er geen gat meer in zien, zullen we meer een beroep doen op Gods wijsheid. Als we echt gelukkig zijn, denken we aan Gods goedheid. En als we bij onrecht bepaald worden, roepen we om Gods gerechtigheid. Schamen we ons diep over ons zelf, dan bidden we om Gods barmhartigheid. Ons leerboek noemt nog een eigenschap meer, waar we in ons leven maar al te weinig aan denken: Gods waarheid. En toch is dat het grootste wonder van God: Zijn waarheid. En wel waarheid in Bijbelse zin: dat iets vast staat, onwrikbaar, als een paal boven water.

Hoe kan dit alles, de uitstraling van al die werken en eigenschappen van God in ons heiligen, roemen en prijzen, in ons gebed handen en voeten krijgen? Dat is niet zo eenvoudig, eigenlijk onmogelijk. Daar zou je boekdelen vol over kunnen schrijven, maar God wil – denk ik – niet, dat we prachtig en helemaal volledig zijn in ons gebed. En daarom spreken we heel eenvoudig en tegelijk ook eerbiedig onze Vader Hem en vragen Hem Zijn Naam te heiligen in al die rijkdom van Zijn werken ook in ons leven. Als u voortaan bidt: “Uw Naam worde geheiligd …”, stelt u zich dan iets voor van die veelvuldige rijkdom, waarmee God Zijn Naam aan de wereld bekend heeft gemaakt. En probeert u dan met uw heiliging, roemen en prijzen, die rijkdom te onderstrepen, opdat aan Gods eer recht wordt gedaan.

In de tweede plaats spreekt de Catechismus over de bede in de intermenselijke verhoudingen. “Dat wij al ons leven, onze gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.” We weten er wel iets van, al is dat vermoedelijk nog maar heel weinig, hoe vaak vanwege ons leven, denken en spreken en handelen Gods Naam gelasterd wordt. Zijn wij er ook beschaamd over? Of houden wij ons er liever doof voor? Die lastering is heel reëel, het is het volstrekte tegendeel van heiliging! We hebben er eigenlijk geen goed woord voor, zo arm zijn wij en is ook onze taal. We praten er ook liever niet over. Toch is het er, levensecht. Denk maar eens aan die derde slaaf in de gelijkenis van de talenten. Hij begroef zijn talent, waarmee hij Gods Naam niet heiligde in het bezit dat hij persoonlijk van de heer ontvangen had. Een vraag op de man (vrouw) af : kunnen wij zo leven, denken, spreken en handelen, dat de Naam van God niet om onzentwil gelasterd wordt? En nu moet u niet eens denken aan die ander, die zo goddeloos leeft, maar alleen aan u zelf! En is het u een zorg om die Godslastering in uw leven te voorkomen? En bent u er bedroefd om, als u aan de lastering van Gods Naam toch niet ontkomt? Als we echt bidden, dan moeten we daarmee ernst maken! Aan mensen, zoals wij zijn, zo ontrouw, zo bevreesd voor wat anderen ervan zullen zeggen, zo bang ook voor ons zelf en voor ons eigen hachje, zo hoogmoedig en geneigd tot eigen gerechtigheid, aan deze mensen draagt God op om in de wereld Zijn Naam uit te spreken en Zijn getuigen te zijn. Wanneer we ons dit indenken gaan we pas echt dit Woord uit het Onze Vader bidden. En wanneer we het ootmoedig en geregeld voor God uitspreken, begint er al iets van verhoring te komen. Misschien zullen we zelf niet eens merken, dat Gods Naam om onzentwil in ons leven en denken en handelen geprezen en geëerd wordt. Het zou voor onze ijdelheid ook niet goed zijn, wanneer we het merkten. Maar het kan gebeuren, als we er God eerbiedig om vragen. U moet geloven, dat het voor God mogelijk is om ons ootmoedig gebed zo te verhoren, dat Zijn Naam in ons leven niet gelasterd, maar geprezen wordt. Dit gebeurt door ons leven te schikken en te richten, twee veelbetekenende woorden, die een bepaalde orde aangeven. De orde van het gebed is, dat God de Vader in het middelpunt staat, en niet wij zelf. Wij horen er wel bij als de Zijnen, maar Hij staat in het middelpunt, en wij hebben heel ons leven en denken en spreken en handelen op Hem te richten. Dat is de SCHIKKING van de dingen, dat het gaat om Zijn eer, om de heiliging van Zijn Naam, Zijn openbaring op aarde, Zijn Koninkrijk. Zo is ook de RICHTING. Niet meer WIJ stellen het doel in het leven, maar wij bidden er de Vader om, dat Hij ons de richting zal wijzen, naar Zijn doel. En wat IS het doel van ons leven? Het eenvoudige antwoord van de Heidelberger zegt het zo: GOD TE KENNEN OM HEM TE VERHEERLIJKEN.

Vader, dat zo Uw Naam geheiligd worde …  ook in ons leven!

AMEN.

Oudejaarsavond

Wij overdenken op oudejaarsavond het afgelopen jaar, hoogtepunten en dieptepunten. God is daarbij geweest, maar we hadden het alleen veel te druk met onszelf om dat te merken.

“Waarlijk de Here is aan deze plaats,
en ik heb het niet geweten …”
Genesis 28, 16

Op oudejaarsavond zitten we een paar uur bij elkaar en kijken om. Het afgelopen jaar gaat aan ons voorbij. Veel van wat daarin gebeurde zouden we vast willen houden om er blijvend van te genieten. Er zijn ook dingen, waaraan we liever niet meer terugdenken, omdat we ons er voor schamen. We waren ze misschien al vergeten, maar nu komen ze weer boven als een kwade droom. En als we dan terugkijkend al die gebeurtenissen en ervaringen van het afgelopen jaar aan elkaar rijgen, dan zien we dat er een lijn in zit. Opeens zien we ‘t.  Het leek eerst op een rommeltje, maar er is toch iets wat het alles bij elkaar houdt. Een rode draad loopt er doorheen! En dat verwondert ons. Want hoeveel dingen waren er niet, die toch heel anders zijn uitgekomen dan we ze hadden bedoeld? Hoe vaak zijn we niet gekomen op wegen, die we niet zelf zochten? En hoe dikwijls is het heel anders gegaan dan we hadden gedacht? En dan wordt ons bovenal één ding duidelijk: die rode daad in ons leven was niet de lijn, die wij zelf trokken. Er was leiding in, onafhankelijk van onze wil, en die leiding heeft ons leven gemaakt tot wat het geworden is.

Zo terugkijkend zien we, dat kleine dingen, waaraan we eerst nauwelijks aandacht schonken, van grote waarde zijn geweest in ons leven van het afgelopen jaar. En ook omgekeerd: dat grote zaken, waaraan we veel waarde hebben gehecht, nu helemaal niets meer voorstellen, ja toch uiteindelijk niets hebben bijgedragen aan het verloop van onze levenslijn. Hoe zou dat komen? Ik denk voor mij zelf, dat God hier Zijn hand in heeft gehad. Niet anders. Ik dacht wel, dat ik mijn weg bepaalde, maar terugziende merk ik, dat er een hand was, sterker dan de mijne, en dat die hand mijn leven heeft geleid en van al die talloze gebeurtenissen en ervaringen van een heel jaar één geheel, één leven heeft gemaakt.

Ziet u dat ook zo? Kijkt u met mij mee? De wiskundigen leren ons, dat een lijn bestaat uit een oneindig aantal punten, en elk van die punten is een feit in mijn leven geweest. Maar toen dat feit zich voltrok, zag ik het niet als een deel van die lijn, die doorgetrokken ergens uitkomt, maar het was voor mij enkel presente werkelijkheid. Dat het ene feit ook in de toekomst voor mijn levensrichting een rol zou spelen, besefte ik toen niet. Maar nu zie ik het ’t is een puntje op die lijn, die God voor mij getrokken heeft! De mens wikt, maar God beschikt. Hij beschikt onze dingetjes naar Zijn wil, naar Zijn Heilsplan voor mij.

Wat ik allemaal heb meegemaakt, heb mee MOETEN maken, was geen aaneenschakeling van toevalligheden, nee er was leiding in, en zó zijn we geleid en gekomen aan deze plaats op oudejaarsavond 2013. Jacob moest dat ook eens ervaren. De verbazing klinkt nog door in zijn uitroep: “Waarlijk, de Here was aan deze plaats en ik wist het niet!”.  Jacob was ook zo’n mens net als wij. Hoe vaak heeft hij niet gehandeld buiten God om, zijn eigen weg uitgestippeld, zijn eigen plannetjes uitgebroed , en dat waren niet zulke beste! Hij ontfutselde Esau diens eerstgeboorterecht. Hij maakt van zijn vaders blindheid misbruik. Bang voor de woede van zijn broer vlucht hij ver van zijn vaderland om bij ome Laban nieuwe zonden te stapelen op de oude. Toch is Jacob niet Godloos, hoe goddeloos zijn handelen ook wezen mag. Te Bethel droomt hij van God en hoe God  Zich met hem inlaat. Men droomt niet van dingen, waar men geheel buiten staat. God was er wel in Jacobs gedachten, maar Hij drong Zich niet op, Hij was ver weg en bemoeide Zich met Jacobs gedachten niet. Tenminste, dat dacht hij. Heel herkenbaar, ook voor ons. Toen werd het Jacob ineens duidelijk, daar in Bethel, dat God Zich WEL met hem bemoeit! Dat ook als hij denkt zijn eigen weg te kunnen gaan, God met hem meegaat en er bij is, bij al zijn doen en laten. Niet gek, dat Jacob bij deze gedachte even huivert. ’t Was alles zo mooi buiten God omgegaan, dacht ie, het bedrog tegen Esau, tegen zijn arme blinde vader, tegen Laban, zijn voortdurend op de vlucht zijn, al die dingen waarbij hij God niet gebruiken kon … En nu schrikt hij, nu hij merkt, dat God er toch bij was, bij zijn vlucht, hier in Bethel. “O, de Here is aan deze plaats en ik wist het niet!”  Dat is me toch even schrikken! Daar had ik nooit aan gedacht!

Een gewaarwording, die ook over ons komt, vanavond, nu wij met elkaar het afgelopen jaar overdenken en alles wat daarin was de loep laten passeren. Hoogtepunten en dieptepunten. Dat God daarbij is geweest… We hadden het veel te druk met onszelf om dat te merken. Maar nu we terugkijken en het geheel overzien, nu moeten wij net als Jacob bekennen: “Waarlijk, de Here was daar, en ik wist het niet!” Ik heb er niet op gelet. Had ik ’t maar wel gedaan, ik zou dieper geleefd hebben, meer vreugde hebben beleefd aan vreugdevolle momenten, meer troost hebben geput uit Zijn nabijheid in moeilijke ogenblikken. De Heer was daar, en wij wisten ’t niet. Hoe vaak hebben wij ons geen zorgen gemaakt, zijn we angstig geweest, voelden we ons alleen en in de steek gelaten. Veel zorg, die we ons zelf gemaakt hebben!

De mens lijdt dikwijls het meest
Door het lijden dat hij vreest
En dat nooit op komt dagen
Zo heeft hij meer te dragen
Dan God hem (haar) te dragen geeft.

Nee, het was niet God, Die ons een kruis oplegde, maar wij maakten onszelf een kruis van denkbeeldig leed, van wat misschien komen zou. Vooral angst voor de dood speelde ons parten. Hoe ouder je wordt, hoe meer je daarbij bepaald wordt. En wij zuchtten onder dat eigengemaakte juk. Nu zien wij dat alles anders. Nu is ook dat ingevoegd in die lange rij van levenservaringen, die rode draad van God in ons leven. Gelukkig, Hij  was er ook bij, bij dat zelfgemaakte kruis van ons, en Hij integreerde het in Zijn heilsplan.

Het is goed, dat wij nog net op tijd tot dat inzicht komen. Het zal ons bescheiden maken en deemoedig. Wij zullen het afgelopen jaar en ons toekomstige leven daardoor gerust in handen leggen van die God, Die er bij geweest is en erbij zal zijn. Wij hebben vorige week nog de komst van Zijn Zoon herdacht, Die de wonderlijke naam “Immanuël” draagt, wat betekent “God bij ons”. Die naam wijst naar Gods nabijheid bij ons, Zijn omzien naar en zorg voor ons.  Dat overdenkend gaan wij moedig het oude jaar uit en de nieuwe dingen van 2014 tegemoet. Hij, Die ons Zijn eigen Zoon niet heeft onthouden, zal ons met die Zoon ook alle dingen geven, die wij nodig hebben.

Blijft toch de vraag: waar was God in 2013? Kunnen we ook daar, in die storm en vloedgolven, die aan honderdduizenden Filippijnse mensen het leven heeft ontnomen, kunnen we ook daar nog zeggen: “Ja waarlijk, God was aan deze plaats en ik heb het niet geweten!” Soms hoor je, zeker ook in Nederland, stemmen, die zeggen: dit is een straf van God over een goddeloos volk. Maar waarom dan die arme mensen in Azië en niet het rijke Westen, waar zeker zoveel goddeloosheid te vinden is? Zou het niet kunnen zijn, dat we moeten zeggen: Ja zeker, God was aan deze plaats, om ons te verootmoedigen. Dat mogen wij ons allemaal ter harte nemen! Wij hebben ons te verootmoedigen! En dan geldt niet meer de vraag: waar was God in 2013? Maar: waar was IK in 2013? Ik, zoals ik was en ben tegenover mijn medemensen. Het is prachtig, dat we in Nederland zo’n 35 miljoen Euro’s hebben opgebracht om de nood in de Filippijnen te lenigen. Wat zou het ook mooi zijn, wanneer we met elkaar de materiële en geestelijke nood in ons eigen land konden terugdringen! Schuld belijden moeten we en de schouders er onder zetten. We gaan naast elkaar staan, de rijken naast de armen, de gezonden naast de zieken, de sterken naast de zwakken. Om elkaar toe te roepen: “Ja waarlijk, God is aan deze plaats en ik heb dat nooit kunnen denken!”

Het is genoeg hiervoor te weten, dat ons leven en dat van anderen niet in eigen handen ligt, maar in Gods handen. De Griekse filosofen spraken van noodlot of natuurwet, waardoor alle dingen werden geregeerd. Wij mogen beter weten: onze Vader in de hemel heeft het wereldbestuur in handen. Hij weet, tot in de kleinste details, wat goed voor ons is. En Hij laat niet varen de werken van Zijn handen, het grote werk vooral, dat Hij in Christus aan ons volbracht heeft: de verzoening van al onze zonden. Verzoend en wel mogen wij het jaar 2013 uittreden.

Zo wil ik eindigen met een gedicht van mijn Curaçaose vriendin Martie Genger, dat zij na de watersnoodramp op zestienjarige leeftijd in 1953 geschreven heeft:

1-2-3 in Godsnaam

Zeeën vol zielen
zij spoelen aan
kussen de oevers
voor zij weer gaan.
Biljoenen triljoenen
ontelbaar getal
vereend in de golven
zo God het beval.
Nooit meer alleen
want water met water
geen straks meer of later
door alle eeuwigheden een.
Zij stijgen en dalen
van nevel naar mist
in hagel tot regen
en sneeuw vergewist
zich in plassen, rivieren
de meren naar zee
van zielen, de zielen
die tranen van wee.

AMEN

Vrede op aarde

De boodschap van “vrede op aarde” op het einde van het jaar is wel heel erg nodig om daarmee het nieuwe jaar in te gaan. Want er was veel onvrede in het afgelopen jaar, ruzie en oorlog alom. We zien nog de beelden van het verscheurde Syrië, van Mali, Egypte, de Oekraïne en ga zo maar door.  In de tijd van de profeet Jesaja was het niet anders.

Johannes 14, 27
“Vrede laat Ik jullie na, mijn eigen vrede geef Ik jullie, een andere dan de wereld te bieden heeft. Je moet je dus niet zo laten verontrusten en de moed niet verliezen.”

Na de uitvoerige herdenking van Nelson Mandela valt het niet moeilijk om over vrede te spreken. Alle sprekers op de herdenking vorige week dinsdag in het stadion te Johannesburg spraken over drie kernwoorden: vrede, gerechtigheid en verzoening. Eigenlijk gaat het maar om één ding: vrede bewerkstelligen in je door onvrede en ruzie verscheurde land. Hoe doe je dat? Door gerechtigheid te brengen, met name recht aan de armen, en door tegenstellingen te overbruggen, partijen met elkaar te verzoenen.  In ons persoonlijke leven  gaat het niet anders. Heb je wat met elkaar, praat het dan uit, reik elkaar de hand, en als je man en vrouw bent, omhels elkaar dan en geef elkaar een kus van verzoening.

De boodschap van “vrede op aarde” op het einde van het jaar is wel heel erg nodig om daarmee het nieuwe jaar in te gaan. Want er was veel onvrede in het afgelopen jaar, ruzie en oorlog alom. We zien nog de beelden van het verscheurde Syrië, van Mali, Egypte, de Oekraïne en ga zo maar door.  In de tijd van de profeet Jesaja was het niet anders.

Dat was geen beste situatie. Al jaren lang behoorde Palestina tot de invloedssfeer van het enorme rijk van Assyrië. Ongeveer zoals vroeger de landen van het Oostblok aan de leiband van Rusland moesten gaan, zo moesten de koninkrijken van Syrië, Libanon, Israël, Juda, Edom, Moab, Ammon en de stadsstaten van de Filistijnen aan de leiband van Assur lopen. Dat viel ze niet makkelijk. Met regelmatige tussenpozen probeerden ze in opstand te komen en zich vrij te vechten. Zo was dat in de tijd van Jesaja ook net weer gebeurd. Syrië en Israël hadden geprobeerd los te komen, en Juda daarin mee te nemen. Maar koning Achaz van Juda had niet mee willen doen, en juist de hulp van de koning van Assur ingeroepen. En toen kwám de koning van Assur. Tiglatpileser III overspoelde met zijn legioenen Syrië,  Damascus wordt ingenomen en verwoest,  koning Pekach van Israël wordt door zijn eigen mensen van de troon gestoten, zijn land komt grotendeels aan Assyrië, en ondertussen trok het Assyrische leger verder, helemaal tot aan Gaza langs de kust, en ook in het binnenland komen de Assyriërs heel ver. En – ze beperken zich niet tot de landen die opstandig waren, ook Juda krijgt met ze te maken. Zo zie je maar, de wereld is sindsdien niets veranderd. Overal haat en nijd, verdeeldheid en onderdrukking. Toch zag hij het einde daarvan komen! Eens zou er een rijk van vrede zijn. Leest u maar eens het beroemde hoofdstuk Jesaja 11.

Obama kan nog zo’n prachtige rede houden over vrede en verzoening, maar of het ook landt? Wordt het in Syrië en Mali en de Oekraïne nu ook anders? En in ons eigen land, in de politiek, de economie, de opvang van vluchtelingen en asielzoekers? Mensen vechten elkaar het kot uit! Ook in mijn eigen kledingbranche is er veel strijd , concurrentie noemen ze dat. Maar het gaat tot bloedens toe, totdat er ééntje of meerderen het loodje leggen.  In plaats van elkaar te helpen, boort men elkaar de grond in!

Je hoort overal de roep om VREDE. Wat betekent dat: vrede hebben? Oorspronkelijk heeft vrede te maken met “omheinen”. In het Duits vinden we deze betekenis nog in het woord “einfriedigen”, dat is “omheinen, insluiten”. Vrede hebben wil dus zeggen, dat je veilig omsloten bent. Hierbij kun je denken aan een stuk land, waaromheen een muur loopt, die het aan alle kanten veilig omringt, zodat indringers buiten gehouden worden. Als een mens vrede heeft, weet hij: er is een muur of Iemand, een Hogere Macht, die mij beschermt, ik hoef dus niet bang te zijn. Dat is toch heel wat, als een mens dat weten mag! Want diezelfde mens is ook iemand, die omgeven is door zorgen en zwakheden. Maar ik vrees niet, want ik ben onder veilige hoede. Ik ben gekweld en bedroefd, maar IK WIJK NIET EN BEZWIJK NIET, want ik word vast gehouden.

Niet waar? Want zo is het toch? Of niet soms?  Kun je wel zo speken en zo zijn, zo geborgen, zo vastgehouden? Bent u dat ook? Of ziet u meer de zee van onrust, waarop u drijft? Bent u juist meer met onvrede vervuld, onstandvastig, angstig, vol wantrouwen en klein geloof? Ja, zo zijn wij ook vaak: prijsgegeven aan innerlijke onrust en vredeloosheid, zeg maar “ONVREDE”.  Ze zeggen wel eens: vrede komt niet van buiten, maar van binnen. Heb je vrede met je zelf? Of is het een en al onrust, daar binnen in?  Hoe komt het toch, dat meer en meer psychiaters hun handen vol hebben? Als het van binnen niet goed zit, gaat het van buiten ook niet goed.

Daarom kunnen wij ook geen stand houden. Vandaar onze met zorgen vervulde dagen en die beangstigende nachten, al die neerdrukkende gedachten. Wat zouden wij graag een muur om ons heen willen hebben, die ons aan alle kanten beschut. Bestaat zo’n muur wel voor ons?

Wij worden geroepen om onze verdelende muren af te breken en ons te omheinen met de MUUR VAN GOD. Dat is de actuele boodschap voor vandaag anno Domini 2013. HIJ IS ONZE VREDE, zegt de apostel Paulus in zijn brief aan de Ephesiërs. We hebben ons te richten op Hem! In de Mandela-herdenking is  Mandela verrschillende keren vergeleken met Ghandi, de Indiase voorstander van  geweldloosheid om de armen in zijn land recht te doen en aandacht te vragen voor de onderdrukking van die mensen.  Hij bracht verzoening tot stand tussen Moslims en Hindoes. Er wordt ook wel gedacht aan mensen als Martin Luther King en Moeder Teresa. Toch is het beter te verwijzen naar Hem, die de ”echte vrede” brengt. “HIJ IS ONZE VREDE“, zegt de Bijbel. Zou dat niet betekenen, dat er VREDE is ook voor ons, ja, juist voor u en voor mij! Niet, omdat wij zo flink zijn, zo vastberaden en vol zelfvertrouwen. Maar alleen omdat HIJ er is voor ons. Omdat HIJ in deze vreselijke wereld zonder vrede is gekomen, voor u en voor mij. Daarom kan er vrede zijn voor ons. ZIJN VREDE is ons geworden. In die vrede mogen wij leven en sterven. Want in Jezus Christus is het openbaar geworden, dat de gehele onvrede van de wereld tot een einde komt, een begrenzing heeft, en wel in Gods liefde en barmhartigheid, waarvoor Jezus op aarde is gekomen.

Dan worden de scheidsmuren afgebroken.
• Muren tussen mensen: als je een conflict hebt, als er mensen zijn die je ‘gewoon niet mag’, als het moeilijk gaat in je relatie: ontdek de muren
• Muren tussen groepen: tussen arm en rijk, tussen mannen en vrouwen, tussen autochtonen en allochtonen
• Muren tussen kerken, tussen hemel en aarde en geestverwanten.

“VREDE OP AARDE”  Wat heerlijk, als we dat zingend eens echt beleven konden! Jesaja zag het al voor zich (Jesaja 11, 6-9):

    6 Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
    een panter vlijt zich bij een bokje neer;
    kalf en leeuw zullen samen weiden
    en een kleine jongen zal ze hoeden.

    7 Een koe en een beer grazen samen,
    hun jongen liggen bijeen;
    een leeuw en een rund eten beide stro.

    8 Bij het hol van een adder speelt een zuigeling,
    een kind graait met zijn hand naar het nest van een slang.

    9 Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil
    op heel mijn heilige berg.
    Want kennis van de HEER vervult de aarde,
    zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Ziet u dat ook al?
ZALIG KERSTFEEST !

De Here is uw Bewaarder

We hebben lang tegen dit moment opgezien. We wisten, dat het komen zou en we hadden het al zo dikwijls eerder verwacht. Ja, we hadden gehoopt en gebeden, dat het eerder zou plaatsvinden. Want het is ook een moment van genade, wanneer een mens, moe gestreden, van zijn ontluisterende lijden verlost wordt. Hoe dikwijls hoorden we niet de verzuchting “Ik wou dat het maar afgelopen was”.

Op het einde van het kerkelijk jaar herdenken wij hen, die ons ontvallen zijn. Daarom laat ik onderstaand een preek “horen”, die ik eens bij een begrafenis van een mevrouw uit het verpleeghuis Ter Valcke in Goes, waar ik pastor ben geweest, gehouden heb. Moge het ook een steentje bijdragen aan de discussie, die gaande is over een nieuw te vormen “participatiemaatschappij”.

Psalm 121: 5
“de Here is uw Bewaarder”

Rust nu maar uit, je hebt je strijd gestreden,
Je hebt het als een moedig mens gedaan.
Niemand kan begrijpen, hoe je hebt geleden,
Niemand zal begrijpen wat jij hebt doorstaan.

We hebben lang tegen dit moment opgezien. We wisten, dat het komen zou en we hadden het al zo dikwijls eerder verwacht. Ja, we hadden gehoopt en gebeden, dat het eerder zou plaatsvinden. Want het is ook een moment van genade, wanneer een mens, moe gestreden, van zijn ontluisterende lijden verlost wordt. Hoe dikwijls hoorden we niet de verzuchting “Ik wou dat het maar afgelopen was”.  Maar dan keek zij naar boven, naar de trouwtekst boven de slaapkamerdeur en zei: “Maar ik mag niet klagen hé? ‘k Mag toch niet opstandig zijn. God zal mij wel bewaren…” Dat klonk altijd zo overtuigend, alsof zij  daarmee zich zelf steeds weer opnieuw moest overtuigen. Hoe ellendig het ook is, Hij is er bij en daar houd ik me maar aan vast. En dat heeft ze gedaan al die lange weken van toenemende verschrikking en machteloosheid. Met angst: wat gaat er toch allemaal in mijn lichaam om? En woede: dat ik nu al mijn lieve man en kinderen moet achterlaten. Met het opzien tegen de lange donkere nachten, waarin de dood zijn dreigende spookbeelden laat zien. Met zo veel bezorgdheid voor haar gezin. Hoe zou het straks verder moeten, als zij er niet meer bij was? Zij, die altijd met zo veel liefde en zorg het hart van het gezin was geweest?

Al die onthutsende en door elkaar liggende gevoelens hebben een jaar lang haar leven beheerst, sinds zij wist, dat zij niet meer beter kon worden en kanker haar lichaam zou vernietigen.
“Ik hef mijn ogen op naar de bergen,
Van waar zal mijn hulp komen?”

De weg, die zij moest afleggen, moest haar wel voorkomen als en onbeklimbare berg. En zij zag er ook tegen op als tegen een berg. En jullie ook, Kinderen, want jullie zouden haar begeleiden, met haar meegaan op die moeizame weg.  Jullie hadden met elkaar afgesproken elkaar niet los te laten, samen te blijven in het huis, waar jullie zo veel lief met elkaar gedeeld hadden en nu ook leed zouden delen. Dat was een moedige beslissing. Het betekende, dat jullie je met alle kracht zouden inzetten om Moeder thuis te houden, zodat ze in de veilige geborgenheid van haar thuis het leven zou mogen beëindigen. Wat is dat goed geweest voor haar en ook voor jullie! Maar ook: wat een opgave hebben jullie daarmee volbracht! Gelukkig maar, dat een mens tevoren niet weet, hoe moeilijk het gaat worden als de dood zijn gruwelijke spel speelt.

Nu is de berg beklommen en het is geen vraag meer “vanwaar zal mijn hulp komen?” Want de Hulp IS gekomen. Jullie moeder heeft de rust gevonden, waar zij zo naar verlangde. “We gaan toch naar beter” zei ze en daar trok zij zich aan op, haar Bewaarde was bij haar. Hij heeft haar uitgang uit dit leven bewaard en bewaart nu ook haar ingang in dat ANDERE leven, waar de Heer Jezus ook haar plaats bereid heeft. “Jullie moeten verder…’t zal zo moeilijk zijn!”

Maar juist voor mensen in zo’n grote nood als jullie is Psalm 121 geschreven. De dominee, die jullie trouwde, heeft destijds de juiste trouwtekst gekozen. Jullie wisten toen gelukkig nog helemaal niet, hoe wreed jullie huwelijk verstoord zou worden. In het leven, waarvan jullie nu weer de draad moeten oppakken, mag je zeker ook rekenen op de hulp van de Heer, jullie Bewaarder. Hij zal jullie er doorheen slepen, Hij zal jullie tranen afwissen. Hij zal op lichtpunten wijzen, op nieuwe mogelijkheden, waaraan je in je verdriet nog nauwelijks denken kunt. Hij zal de diepe wonde van het gemis van die lieve moeder persoonlijk verzorgen. Als er één mantelzorger is, dan is Hij het wel! Hij is jullie Bewaarder! Reken daar maar op!

Tot 6 keer komen we dit woord tegen in de korte psalm van maar 8 verzen: bewaren en Bewaarder. Dat is niet toevallig. Het is met opzet door de dichter zo neergeschreven. Hij wil ons daarmee verzekeren, dat het op de Bewaarder aankomt en dat aan die Bewaarder geen twijfel mogelijk is. Zijn bewaring is buiten kijf. Let maar eens op wat er allemaal van die Bewaarder gezegd wordt:

Dat Hij niet zal toelaten dat uw voet wankelt
Dat Hij niet slaapt
Dat Hij een schaduw is aan uw rechterhand
Dat Hij uw uitgang en uw ingang bewaren zal

Met al deze beelden bestrijkt de dichter ons hele levenspad. Het risico dat je valt of struikelt. De hulp in de strijd: Hij  is een schaduw voor de rechterarm, de arm die het meest kwetsbaar is in de strijd, waar een mens zich zelf niet verdedigen kan. God beschermt ons zo op onze meest zwakke en gevoelige plaatsen. Hij zal zeker ook zo bij jullie zijn in jullie verdriet en verlatenheid.

Dat mag ons allen vanmiddag tot troost zijn. Hoe onzeker het leven voor ons ligt, één ding is zeker: wij worden bewaard, en wie God bewaart is wel bewaard! Het verdriet en gemis zal er niet minder om zijn, dat niet, maar we worden er wel in bewaard, zó, dat we er niet aan bezwijken, dat we er niet gek van worden, dat de depressie niet de overhand gaat krijgen. In alle verdrukkingen, die ons nog te wachten staan, zullen we die bewarende hulp van God o zo nodig hebben. We mogen die HULP ook weerspiegelen in onze eigen hulp aan elkaar. Dat noemen we tegenwoordig “Participatiemaatschappij”.  God laat ons niet in de steek, wij moeten het elkaar ook niet doen. Da is een vernieuwde opdracht, een taak die God u geeft. Uw moeder zal zich verheugen, als zij ziet, hoe goed het gaat met haar kinderen. En uw Bewaker zal er een wakend oog op houden. Meer kan ik jullie niet zeggen, maar dat hoeft ook niet, het is genoeg.

Toen zij getroffen werd door een groot verlies, heeft de dichteres Nel Benschop haar gevoelens zo vertolkt – ook als troost in jullie verdriet:

ADIEU
 Je bent niet dood – de Heer heeft je geroepen
 Bij Hem te wonen in Zijn glanzend huis.
 Je hoeft geen rust en vrede meer te zoeken,
 Je hebt ze nu –  want je bent veilig thuis.
 Je bent niet dood – je mag voor eeuwig leven,
 Je bent verlost van onvolkomenheid,
 Van pijn en verdriet, God zal je geven
 Een onbegrensd geluk in onbegrensde tijd –
 Je bent niet dood,  – maar ach, ik zal je missen
 Zoals een mens de meest geliefde mist.
 De jaren ven geluk zijn nooit meer uit te wissen,
 En ik geloof: God heeft Zich niet vergist…

Amen

Heidelbergse Catechismus – Zondag 46

Christus heeft ons geboden God aan te spreken met “Onze Vader”. Wij bidden dus tot Iemand, een Persoon. Bidden is spreken met die Persoon, met God. Het is dus niet een mediteren in je zelf, een soort mijmering, een gedachtespel, een innerlijke gemoedsbeweging of zo. Nee, het is en spreken tot God, een zich uitspreken voor God. Ik sta vóór Hem, alleen of met elkaar. En ik spreek met Hem.

Christus heeft ons geboden God aan te spreken met “Onze Vader”. Wij bidden dus tot Iemand, een Persoon. Bidden is spreken met die Persoon, met God. Het is dus niet een mediteren in je zelf, een soort mijmering, een gedachtespel, een innerlijke gemoedsbeweging of zo. Nee, het is en spreken tot God, een zich uitspreken voor God. Ik sta vóór Hem, alleen of met elkaar. En ik spreek met Hem.

Bidden is altijd een gesprek. Dat is ook hetgeen, wat de mens kenmerkt: dat hij spreken kan. Hij kan luisteren en spreken. Hieruit blijkt, dat hij naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is. Zo spreken de mensen met elkaar en dus ook met God. Hij zegt: “Onze Vader“. Alleen maar “Onze Vader, Die in de hemelen zijt“. Heel eenvoudig.  Je hoeft het niet mooier te maken, het moet voor alles ECHT zijn. De soberheid is in het gebed het teken van het ware!  Christus leert ons zo te bidden. Begin maar met de Vadernaam, zegt Hij. “Deze wekt in  ons de kinderlijke vreze tot God”, zegt de Catechismus. “Vreze”, dat is heel wat anders dan “angst”. De Bijbel neemt juist alle angst uit onze verhouding tot God weg en zet daarvoor liefde in de plaats. Het is de liefde van het kind tot vader en moeder. Daarin zit eerbied, geen angst maar “vreze”. Eerbied  is het besef van het niveauverschil tussen God en mens. Het besef ook, dat Hij God is en wij (maar gewoon) mensen zijn. Toch mag er tussen Hem en ons gemeenschap zijn. Dat is het grote wonder! Het bidden brengt die gemeenschap. Bidden gaat van beneden naar boven: “Uit de diepte roep ik tot U, o Heer” (Psalm 130, 1).

Wanneer wij aan God denken, worden wij vanzelf ontroerd door Zijn liefde en ontferming, door Zijn genadige bedoeling met mens en wereld, door Zijn trouw en volharding, Zijn geduld met ons, Zijn heiligheid en majesteit, Zijn onuitsprekelijke heerlijkheid, die Hij over onze dingen wil leggen. Zo is de God, tot ie wij spreken, en daarom kunnen wij niet anders spreken dan met grote eerbied, de “vreze des Heren“. De Catechismus spreekt ook van het “kinderlijke toevoorzicht“. Dat is het zelfde woord  als het Duitse Zuversicht, wat vertrouwen en verwachting betekent. Daarin ligt iets blinds, iets onbewusts, iets onberedeneerd en ook natuurlijks. Alle achterdocht, wantrouwen en twijfel is er uitgesloten. Ook alle bedilzucht en betweterij, en de neiging om zelf het leven in handen te willen nemen. Het kind leeft in een onbewuste en volledige overgave aan de leiding van de ouders. Wij moeten daarom zonder enig voorbehoud al ons vertrouwen alleen op God zetten en alle dingen in het leven alleen van Hem verwachten. Zó bidden wij dus. En niet zoals wij vaak plegen te doen: het ene stukje kunnen we zelf wel opknappen, voor het andere stukje hebben wij God nodig. Bidden moet gebeuren met kinderlijk  vertrouwen,  in alle dingen, zoals ook Jezus zelf het voorbeeld gegeven heeft . U weet wel: de discipelen verwonderden zich daarover en vroegen Hem: leer ons ook zo bidden. Daarvoor hoeven we niet altijd met  “Onze Vader” te beginnen, maar ons gebed dient wel altijd gedompeld te zijn in de geest van het kindschap, van de kinderlijke “vreze”.

Het “Onze Vader” duidt naast die “vreze des Heren” ook nog op iets anders: gemeenschap. Er ligt gemeenschap in, niet alleen gemeenschap met God, maar ook gemeenschap met de naaste, de medemens, met elkaar. We zeggen immers  “ONZE  Vader“. Ik bid tot God, maar zie tegelijkertijd al die andere mensen om me heen staan, mensen die met me mee bidden en met wie ik mee bid. Bidden is nooit een eenzaam gebeuren. Niet de eenzaamheid, maar de gemeenschap is het element waarin wij leven. Eenzaamheid is het element van de dood, gemeenschap dat van het leven! Zelfs in dit meest persoonlijke, het spreken met God, zijn wij opgenomen in de gemeenschap. Daarom is het gezamenlijke bidden, in de Kerk en het gezin, ook van zo grote betekenis. Wij bidden gezamenlijk het “Onze Vader“. Al is de Kerk nog zo verdeeld, wij bidden toch het ene “Onze Vader“. Al zijn er nog zo veel onenigheden onder Christenen over waarheidsvragen en belijdeniskwesties, voor Gods Aangezicht staande kunnen wij alleen maar zeggen “Onze Vader“. In die aanroep zijn wij allen één. Vandaar ook dat het eenvoudiger is in de verschillende Kerken samen te bidden dan te belijden. De oecumene begint bij het gebed! Dit hangt ook daarmee samen, dat wij bidden in Christus’ naam. In Zijn naam toch is God “Onze Vader” geworden. Hoe anders zouden wij God kennen dan juist in Christus’ naam? In alles, wat Hij voor ons over gehad heeft? Door Zijn lijden en sterven heeft Hij Zich aan ons bekend gemaakt als een God van genade en liefde. Daarom moet al ons bidden doortrokken zijn van dankzegging, want in Christus is ons alles geschonken wat wij voor tijd en eeuwigheid nodig hebben. Bidden is danken. Toen wij met ons jonge gezin eens in Zwitserland met vakantie waren, begon onze gastheer steevast met “Wir danken“. Het was in het plaatsje Goldiwil, waarvan Alice (onze middelste dochter) zei dat het goed bij ons paste: God, Die wil! Het gebed zelf is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Het is DE manier om zich aan God dankbaar te tonen: bidden en nog eens bidden, steeds maar weer bidden.

In dit perspectief staat dan ook de verhoring van ons gebed. Omdat God door Christus Onze Vader is ,”zal Hij ons veel minder afslaan hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.”  Zo drukt de Heidelbergse Catechismus zich uit. Als ouders moet je de kinderen wel eens wat “afslaan”. Maar God gaat heel anders te werk. Hij heeft er het leven van Zijn Zoon voor gegeven, het heeft Hem heel veel gekost om dit te doen. Als Hij dat niet heeft afgeslagen, zou Hij dan wel onze bede om hulp afslaan? Gebedsverhoring, daarmee pleegt menigeen erg te zitten. Toch moest het voor ons geen probleem zijn. Ik weet wel: wij willen altijd graag resultaten zien, ook van het bidden. Maar laten we toch vooral bij het bidden niet vergeten, dat het in de eerste plaats  AANBIDDEN  dient te zijn, God de eer geven en in Zijn heiligheid laten. Laat daarom uw gebed niet vastlopen in de vraag van de verhoring, maar laat het zich verliezen in aanbidding.

Daarbij komt ook nog, dat het gebed, zoals ik al zei, DANKZEGGING moet zijn.  Meer dankzegging dan het opsommen van allerlei wensen. Dankzegging voor al die zegeningen, die u hebt ontvangen en steeds weer opnieuw ontvangt in uw leven. Vooral ook voor het eeuwige heil in Christus, waarin we immers nu al alles ontvangen hebben wat maar mogelijk is. In Christus is de vraag van de verhoring van onze gebeden geen vraag meer, want op al onze vragen heeft Hij toch in Zijn lijden en sterven en opstanding een resoluut en definitief antwoord gegeven.

Bidt daarom met een grote vrijmoedigheid tot God: “Onze Vader“.

”Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom vragen” (Mattheüs 7, 7-11).

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 45

De zondagen van het gebed staan in de catechismus direct achter de zondagen over de tien geboden, de “WET”. Tegelijk zijn het ook de laatste zondagen van de catechismus. Dat is niet toevallig! Want als het goed is, loopt de overdenking van de 10 geboden uit op het besef, dat je er eigenlijk niets van terecht hebt gebracht (en brengt), dat je elke keer weer Gods geboden overtreedt en dat je toch eigenlijk maar een slecht mens bent. En dat besef brengt je tot het verlangen naar vergeving, tot de helpende hand van Christus en tot grote dankbaarheid, omdat Hij je ondanks alles toch niet in de steek laat. Uiteindelijk kun je dan alleen nog maar vragen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” En dat is het begin van alle bidden!

De zondagen van het gebed staan in de catechismus direct achter de zondagen over de tien geboden, de “WET”. Tegelijk zijn het ook de laatste zondagen van de catechismus. Dat is niet toevallig! Want als het goed is, loopt de overdenking van de 10 geboden uit op het besef, dat je er eigenlijk niets van terecht hebt gebracht (en brengt), dat je elke keer weer Gods geboden overtreedt en dat je toch eigenlijk maar een slecht mens bent. En dat besef brengt je tot het verlangen naar vergeving, tot de helpende hand van Christus en tot grote dankbaarheid, omdat Hij je ondanks alles toch niet in de steek laat. Uiteindelijk kun je dan alleen nog maar vragen: “Heer, wat wilt U dat ik doen zal?” En dat is het begin van alle bidden! Een gesprek met God, wandelen met God! Daarom staat het gebed ook onder het hoofdstuk van de dankbaarheid.  Want als je werkelijk weet en het ook ervaart dat God Zich met jou inlaat, dun kun je toch niet anders dan dankbaar zijn? Je kent de 10 geboden, de huisregels van God, je kent vooral ook de weg tot God om met Hem te spreken en je zonden te belijden, in je gebed. En dan gaat het om gewone en alledaagse dingen, maar wel vaak om dingen die je dwars liggen. In je gebed kun je God ook echt je berouw en dankbaarheid betonen!

Hoe kom je tot “bidden”?  Het gebed gaat feitelijk van God uit. Hij maakt het mogelijk, Hij trekt mensen tot Zich. Daarom is het gebed eigenlijk een wonderlijk iets. Dat iemand zijn handen vouwt en zijn ogen sluit, zijn knieën buigt en alles wat hem bezig houdt neerlegt voor de  Onzienlijke, om daarna op te staan als een verlicht mens, die de dingen kan zien met andere ogen en zijn zorgen draagt met vernieuwde kracht … dat is iets wonderlijks, onbegrijpelijks, ongelooflijks, iets geheimzinnigs. Echt iets, wat niet door mensen gemaakt kan zijn, maar wat van een andere macht, van God Zelf uitgaat. De Catechismus noemt dat “de werking van de Heilige Geest in de mensen”. En juist daarom, omdat God Zelf de mensen tot bidden brengt, omdat in het bidden de Heilige Geest met de mensen bezig is, daarom kan het niet anders of ons bidden wordt danken. Tegenover God kunnen wij toch niet anders dan alleen maar danken?

“Waarom hebben christenen het gebed nodig?” Daarom, omdat het ’t voornaamste stuk der dankbaarheid is, dat God van ons vraagt, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijk zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. “Zonder ophouden” wil niet zeggen, dat we onophoudelijk door moeten bidden, maar het betekent, dat het iets eigens aan je leven moet zijn, dat je  er niet buiten kunt. Je hele leven moet rusten in het gesprek met God, elke dag opnieuw, het is je “dagelijkse brood”. Natuurlijk zijn er al vanouds bepaalde gebedstijden en gebedsoefeningen geweest. Gebruikelijk was drie maal per dag: ’s morgens voor je de dag begon, ’s middags aan de maaltijd met het hele gezin  en ’s avonds aan het einde van de dag voor je ging slapen. Het is heel jammer, dat er voor velen vandaag in het hectische leven geen plaats meer is!  Men zegt dan vaak, dat de tijd ontbreekt. Ik weet het niet, waar een wil, is toch ook wel een weg te vinden?

Dat was dus de vraag “WAAROM WIJ BIDDEN”. En nu komen we bij de vraag “HOE TE BIDDEN”.  “Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en door Hem verhoord wordt?” “Dat Gode aangenaam is” klinkt ons misschien een beetje vreemd in de oren. Zou je niet beter kunnen zeggen: wat God prettig vindt?  Waarom? Omdat het echt is en eerlijk gemeend? “En dat verhoord wordt” WIL ZEGGEN, DAT God er op in gaat. Dat is wel wat anders, dan dat God het ook inwilligt. Hij hoort het niet alleen, maar Hij schenkt er ook aandacht aan! Hij blijft met ons bezig, Hij ziet ons staan! Zo is een gebed, dat door God verhoord wordt.

Tot zulk een gebed behoren drie dingen, aldus de Heidelberger:

In de eerste plaats, dat ons gebed zich tot God richt. “Dat wij alleen de enige ware God van harte aanroepen”.  Dat is de God, Die Zich in Zijn Woord aan ons geopenbaard heeft. Dat is dus niet zo maar een God, die we ons zelf gemaakt hebben, zoals het lot of het noodlot, de publieke opinie, de Media, de popster, het geld, de welvaart … Maar het is de God, Die ons Zijn Woord gegeven heeft, ja, Die begonnen is als Eerste met ons te spreken, zodat wij op Zijn gesprek kunnen ingaan, mogen antwoorden, gesprekspartners van Hem worden.

Ten tweede hoort bij zo’n gebed, dat wij ons nood en ellendigheid recht en grondig kennen. Dat is iets, wat wij al biddende leren, denk ik. Tegenover onze medemensen kunnen wij ons nooit zo grondig uitspreken als tegenover God in het gebed. Niet alleen geldt het spreekwoord “Nood leert bidden”, maar het omgekeerde is net zo waar: “Bidden leert onze nood”! Je gaat ontdekken, wat je niet bent en hoe je niet bent, wat je niet deed en wat je misdeed. Toch maakt het gebed je niet wanhopig. Integendeel, het geeft je rust en vrede, omdat je met God spreekt en omdat Hij Zich over je ontfermt. Zeker, in het bidden word je klein gemaakt, er blijft niet veel van je waardigheid over, maar je wordt klein en ootmoedig als een kind, waarover Vader Zich ontfermt.

In de derde plaats behoort tot het gebed “HET GELOOF”. Een vaste grond, zo noemt de Catechismus dat. Het betekent: zekerheid, het volste vertrouwen. We hebben niet alleen maar af te wachten of God ons zal verhoren: dan zou verhoren niets anders betekenen dan “z’n zin krijgen”. Maar we kunnen er zeker van zijn, dat God ons gebed om des Heren wil zekerlijk wil verhoren. De vaste verhoring van ons gebed ligt dus in Christus, omdat Hij mens geworden is en voor ons is gestorven. Zo heeft Hij het goed gemaakt, tussen God en ons, dat is verzoening. Daarom verhoort God ons gebed “IN CHRISTUS”. En daarom bidden wij in Christus’ naam. Zo ziet God ons “in Christus” als andere mensen aan!  Eigenlijk is iedereen onwaardig om door God aangehoord te worden, maar in Christus zijn we het waard geworden. Hij is de Middelaar, die we bij ons bidden niet missen kunnen. Dat is het geloof, waarin wij bidden mogen, de vaste grond, de rots van ons behoud. Zo zingen wij “Vaste rots van mijn behoud”, gez. 174 uit de oude Hervormde bundel:

1 Vaste Rots van mijn behoud, als de zonde mij benauwt, laat mij steunen op Uw trouw, laat mij rusten in Uw schaûw, waar het bloed door U gestort, mij de Bron des Levens wordt.

2 Jezus, niet mijn eigen kracht, niet het werk door mij volbracht, niet het offer dat ik breng, niet de tranen die ik pleng, schoon ik ganse nachten ween, kunnen redden, Gij alleen.

3 Zie, ik breng voor mijn behoud U geen wierook, mirr’ of goud. Moede kom ik, arm en naakt, tot de God, Die zalig maakt, Die de arme kleedt en voedt, Die de zondaar leven doet.

4 Eenmaal als de stonde slaat, dat dit lichaam sterven gaat, als mijn ziel uit d’ aardse woôn opklimt tot des Rechters troon,- Rots der eeuwen, in Uw schoot berg mijn ziele voor de dood.

Natuurlijk, niet altijd wordt ons bidden door geloof gedragen, veel bidden gebeurt “automatisch”. Vaak is het gebed ook de moeilijke weg om weer tot vernieuwd geloof te komen en: “stil tot God” te worden. Er kan een groei zitten in het gebed. Je kunt met het bidden meegroeien  tot een ander mens. Daarom: VERGEET NOOIT TE BIDDEN, OOK AL ZOU HET SLECHTS EEN STANDAARDGEBED ZIJN! Houdt de weg open naar God, in het dagelijkse gebed. Uiteindelijk zijn niet wij het, die ons gebed tot iets waardevols kunnen maken, maar dat doet alleen God, Die tot ons komt met Zijn Heilige Geest.

Tenslotte de vraag, waarover wij bidden. Antwoord: “Alle geestelijke en lichamelijke nooddruft, welke de Heere Christus begrepen heeft in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft.” De inhoud van dat gebed staat in het “Onze Vader”.  De kern van het gebed wordt de geestelijke en lichamelijke nooddruft genoemd. Een oud woord, nooddruft, maar nog wel verstaanbaar. Het gaat om de eenvoudigste dingen, waar een mens “nood” aan heeft, het zijn dingen die men echt “nodig” heeft en die daarom in het leven van fundamenteel belang zijn. Dat je veel kunt missen zonder geestelijk en/of lichamelijk te verarmen, hebben velen ondervonden en zullen we ook nog verder ervaren. Maar je kunt niet alles missen. Zowel geestelijk als lichamelijk zijn er dingen, die onmisbaar zijn, omdat ze jouw identiteit, je persoonlijke leven, bepalen, zonder welke je niet zou zijn, die je nu bent. De indrukwekkende documentaire over Alzheimer, laatst op de televisie uitgezonden, heeft ons daarbij nog eens bepaald. Geestelijke en lichamelijke dingen, ze horen bij elkaar. Je kunt er niet zonder! Het lichamelijke heeft invloed op het geestelijke, en omgekeerd: het geestelijke heeft invloed op het lichamelijke. Ieder van u zal dat wel eens ervaren hebben.

Op beide, lichaam en geest, heeft het gebed betrekking, beide zullen door God aangeraakt dienen te worden, beide hebben de bemoeienis van de Heilige Geest nodig. “Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u”, zo zegt Petrus in zijn eerste brief.  Alle bekommernis, we hoeven niets uit te sluiten en mogen letterlijk ALLES in het gebed brengen. Maar niet alles is hoofdzaak, is onmisbaar bedoel ik, is nooddruft. Het bidden zelf zal uitwijzen, wat God met en in onze omstandigheden bedoelt: HIJ ZORGT VOOR U! Dat op zich zelf is al de verhoring, dat Hij voor ons zorgt! De vastheid  en zekerheid daarvan is in Jezus Christus geopenbaard: God, Die Hem als mensenkind geboren liet worden en Hem aan de dood overgaf, zorgt niettemin voor Hem, en Hij doet dit alles om onzentwil, en zo zorgt Hij ook voor ons om Christus’ wil.

Deze dingen, zegt de Catechismus, heeft de Heer samengevat in het gebed, dat Hij ons zelf geleerd heeft. Bidden moet je ook leren, het is een oefening, een discipline. De discipelen hebben Jezus gevraagd hen te leren bidden. Toch waren zij als Joden al gewend aan een geregeld gebed. Maar zij hadden van Jezus gezien en meebeleefd, wat Zijn bidden voor Hem Zelf en voor Zijn doen en laten betekende.  En daarom vroegen zij Hem het hen ook te leren. Het gaat dus om twee dingen tegelijk: om de manier van bidden en om de uitdrukking daarvan in bepaalde woorden. Jezus antwoordt op beide: Hij leert ze WAT ze bidden zullen en ook HOE ze bidden zullen (binnenkamers).  Vandaar het samenvattende van het “Onze Vader”. Het gaat ver voor ons niet alleen om dat na te bidden, maar vooral ook om het toe te eigenen. De meesten van ons hebben als kind leren bidden.  Hoe? Door een avondgebedje of zo, en later door langzamerhand te verstaan, wat onze ouders baden (als zij dat al deden) of de dominee in de kerk. Vandaar dat het zo belangrijk is, dat er thuis en in de kerk gebeden wordt! Door zelf ook mee te doen leer je bidden zoals de Heer dat deed met de discipelen. Doet u dat, in alle eenvoud en in alle ootmoed. Je persoonlijke omstandigheden en die van je naasten gewoonweg voor God brengen, in vrees en beven, maar ook met hoop op een goede afloop, met bezorgdheid en dank, en u zult zalig zijn, want van u is het Koninkrijk der Hemelen. Aldus het Woord van de Heer.

Amen.

Het uur is voor u aangebroken

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk, of ook voor grotere verbanden zoals de samenleving, de Kerk, volken en culturen, oorlogsgebieden en noodlijdende landen? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we dat ook zelf laten zien?

Romeinen 13, 11-14

“Het uur is voor u aangebroken, om eens te ontwaken uit de slaap, de nacht loopt ten einde, de dag is nabij.”

Onze tekst staat in het teken van de eindtijd: Het uur is voor u aangebroken! Het Griekse woord ‘kairos’, wat we vertalen met ‘uur’, is een typisch woord voor Paulus. Het heeft de betekenis van het beslissende ogenblik, van God gegeven, door God bepaald. Typisch daarvoor is de verbinding met ‘idios’, wat wil zeggen: “juist, te gelegener tijd, op het juiste ogenblik”. In 1 Timotheüs 2 vers 6 komen we deze verbinding ook tegen: “de mens Christus Jezus, die Zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen, en daarvan wordt getuigd te juister tijd”. De juiste tijd, dat is Gods tijd, waarin het heil voor de mensen geopenbaard wordt, het is “heilstijd”. Je kunt ook zeggen: het is het “heden” van het Evangelie. “Heden, zo gij zijn stem hoort…” (Luister vandaag naar Zijn stem, Ps.95 vers 7). Daar wil Paulus op wijzen, ook in onze tekst.

“En volbrengt dit, daar gij de tijdsomstandigheden kent: het uur is voor u aangebroken om eens te ontwaken uit de slaap.” De nadruk ligt hier op het weten om de tijd, de tijd van God, de eindtijd: dat Gods uur is aangebroken! Het is belangrijk, dat u en ik ook die tijd onderkennen. Paulus zegt als ’t ware tot ons ook vandaag, wat hij tot twee keer toe de Hebreeën toevoegt: “Horen jullie vandaag Zijn stem, wees dan niet koppig als tijdens de opstand…” Het is een vermaning van de Heilige Geest, die Paulus hier doorgeeft (Hebreeën 3, 7 en 15). Als jullie de tijd niet kennen, de tijd die ligt in de verkondiging van Christus’ boodschap, de tijd van het hier en nu, de mens met Christus, de in Christus’ vervulde heilstijd, de tijd van Pasen, de opstanding … dan blijft alles wat jullie doen en ook wat wij (Paulus) zeggen, een zinloze bezigheid. Jullie lijken dan blind te zijn, alsof je het uur niet kent, het uur dat met Jezus’ komst geslagen heeft, het uur van onze bevrijding. Jullie situatie lijkt dan op die van de mensen uit Mattheüs 16, die het uiterlijk van de hemel weten te beoordelen, maar de tekenen der tijden niet verstaan. Een waarschuwend woord juist ook voor ons, die denken alles te weten, maar het belangrijkste wat we moeten weten niet willen weten! Juist ook vandaag in een tijd, waarin veel zekerheden wankelen geldt het de tijd van God gegeven te onderkennen, de tekenen der tijden juist ook nú! Het moet in ons leven gaan om de ‘Kairos’, omdat wat in Ephese 5, 16 het ‘uitkopen van de tijd’ genoemd wordt. Het uur is daar, om uit de slaap te ontwaken. Ken dat uur! Het is het uur van de geloofsbeslissing, van de mens die ‘ja’ of ‘nee’zegt tegen God. Het oude is voorbij, zie het wordt alles nieuw. Nú is het de dag van het heil, de aangename tijd van de Heer. In Galaten 4, 4 zegt de apostel het zó: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden geboren uit een vrouw”. NU is het die volle tijd, de door Christus gekomen en vervulde heilstijd. Laten we dat toch beseffen in de wirwar van tijden, waarin wij nu leven. De tijd, waarin wij leven mogen, de tijd die ook voor ons ligt, is HEILSTIJD. “Het uur is voor u aangebroken, om te ontwaken uit de slaap!”.

In het Nieuwe Testament wordt vaak voor het moe worden, het inslapen, het dromen, gewaarschuwd. We denken aan de slapende knechten in de eindtijd-rede uit Marcus 13, de dwaze meisjes uit de gelijkenis van de 10 meisjes, de in slaap gevallen discipelen in de hof van Gethsemané, het “ontwaakt gij, die slaapt” uit Ephese 5, 14 en de oproep van 1 Thessaslonicenzen 5, 6: “Wij behoren niet aan de nacht noch aan de duisternis toe; laten we dan niet slapen, zoals de anderen doen, maar laten wij waken en nuchter zijn.” Paulus argumenteert hier vanuit het nieuwe zijn van de Christen, zijn nieuwe bestemming dank zij Gods genade die hem ten deel is gevallen. Vandaar: wees wie je bent, Gods actieve knecht. Beter nog: wordt wat je al bent, een door Christus vrijgekochte slaaf. Dat gaat gepaard met activiteit! De slaap verleidt tot passiviteit, tot wegdromen, tot vervalste en bedrieglijke beelden. Daarom moeten we wakker worden en de werkelijkheid waarin we staan in Jezus Christus gaan beleven. Het is vooral het ontwaken uit de duisternis, de nacht van dood en doodsangsten, satanisme en goddeloosheid.

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk, of ook voor grotere verbanden zoals de samenleving, de Kerk, volken en culturen, oorlogsgebieden en noodlijdende landen? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we dat ook zelf laten zien? We leven in één groot Advent: Immanuël (God-met-ons) is gekomen en komt! De tijd is kort … en duurt toch al zo lang, hoe lang nog? Laten we toch nooit vergeten, dat het doek is opgegaan, de Dag is aangebroken! De wereld staat in al zijn voegen te trillen, de oude wereld vertoont grotere en grotere scheuren, als het vervallen van de nacht. Mensen mogen ontwaken, want het Licht is gekomen, de Dag is nabij! Wij leven in een lichtend perspectief: “Ik ben het Licht der wereld”. Laten we dat licht gaan uitstralen, gij in uw klein hoekje en ik in het mijn! Het uur is voor ons aangebroken, om te ontwaken uit de slaap! SOLI DEO GLORIA!

Mijn ziel dorst naar God

Eens was God zo dichtbij -en zo zal het ook weer worden-, maar voor het zo ver is moet een mens heel wat afzuchten: “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zeilt ge onrustig in mij?”.

Psalm 42, 3
Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God…

NoveenkaarsenVandaag op “wezenzondag”, nu de Heer is opgevaren naar de hemel en wij als ’t ware verweesd zijn achter gebleven, voelen we ons als “’t hijgend hert der jacht ontkomen”.  We hebben heimwee, heimwee naar God. Heimwee is iets verschrikkelijks, het kan een mens verteren, zó dat hij aan niets anders meer denkt. Mensen hebben dat wel eens, als ze ver van huis zijn, of geëmigreerd, of verblijvend in een zorgtehuis of verpleeghuis. Men zegt wel eens, dat heimwee erger is dan de ergste ziekte.

Nou, ik denk niet dat u vandaag zulk een heimwee heeft, en zeker niet naar God, de uitzonderingen daar gelaten. Natuurlijk hebben we in de afgelopen week rondom de inhuldiging van de nieuwe koning en de dodenherdenking en bevrijding wel  veel bij het verleden stil gestaan. Dat was een slechte tijd, maar ook met z’n goede kanten van saamhorigheid, onderlinge verbondenheid en hulpbetoon, waar je soms naar kunt terug verlangen. Ook naar het levendige in Gemeente en Kerk kun je terug verlangen. Veel is daar immers niet meer van over! Maar toch… heimwee naar God hebben we niet, althans de meesten van ons. Daarvoor neemt het leven van alle dag met al zijn wereldse beslommeringen ons te veel in beslag. We hebben gewoonweg geen tijd meer voor God. Aan Hem wordt pas gedacht, als we ernstig ziek zijn en voor de dood staan. En Hemelvaart dan? En Pinksteren? Het zijn gewoon vrije dagen geworden en meer niet. Samengevoegd betekent dat: twee mooie vrije weken! Velen hebben dan ook maar vakantie genomen. Voor zieken en gehandicapten en minder bedeelden gaat dit natuurlijk niet op, dat is dan jammer. Maar goed, deze dagen in mei, met het prachtige zonnetje, zijn de mensen in vakantiestemming. Wie denkt er dan aan heimwee?  Nota bene, zo zegt de Psalmdichter: heimwee naar God? Wie voelt zich dan van Jezus verlaten, als je vakantie mag vieren?

Toch heet onze zondag van oudsher “EXAUDI”, dat betekent “hoor, verhoor”. Het is genoemd naar de woorden van Psalm 42 vers 7: “Heer, hoor hoe ik luide roep, wees mij genadig en antwoord mij!” Exaudi betekent dus gewoon: “Verhoor mij! Mijn smeken en roepen, mijn angsten en beven, mijn heimwee. De dichter van Psalm 42 is waarschijnlijk vroeger dicht bij God geweest. Misschien was hij een priester of de koning zelf, David. Nu was hij ver weg van de tempel en voelde hij zich van God en mensen verlaten. Misschien was hij verbannen, of als hij David was, op de vlucht voor koning Saul. Ach, wat weten we eigenlijk van hem af? Alleen maar dit: dat hij heimwee heeft. Hij moet denken aan zijn thuis in de stad van God, Jeruzalem. Slechts woorden stamelend kan hij zich uiten: “Gelijk een hinde, die naar waterbeken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God; mijn ziel dorst naar God, naar de levende God; wanneer zal ik komen en voor Gods Aangezicht verschijnen?  De dichter voelt zich als het hijgend hert, dat smacht naar wat water. Eindelijk is hij bij een beek gekomen, die daar ergens onder haar stroomt. Maar het is te diep, te ver weg, ze kan er niet bij. Zo kan een mens zich ook voelen, als God zo onbereikbaar ver weg is. En zo kun je alleen maar bidden en blijven roepen: “Exaudi, hoor mij!” Hoor mij God, hoe ik roep en versmacht.
 
Het is met dit gevoel, dat de discipelen achter blijven, toen Jezus van hen was heengegaan. De Trooster, van Wie Jezus gesproken had, is immers nog niet gekomen. Pas later zal dit Woord van Jezus voor hen werkelijkheid worden: “Wie drinkt van het water dat Ik hem geven zal, zal niet dorsten in der eeuwigheid” (Joh.4). “Geef mij dat water”, antwoordde de Samaritaanse vrouw, en de kerkvader Gregorius van Nyssa schrijft bij deze tekst: “Als een reiziger op het midden van de dag, terwijl de hete zonnestralen verzengend op hem neervallen, aan een bron komt met helder fris water, zal hij dan eerst bij die bron gaan zitten en nadenken en filosoferen over de oorsprong van het water, over de aard van dat water – of zal hij niet veel meer dat alles laten voor wat het is, en neerhurken, zijn lippen aan het water zetten om zijn dorst te stillen en zijn vermoeidheid te overwinnen… en dan God danken, Die hem deze goede gave gegeven heeft?” 
 
Laten we ons vandaag als die kerkvaderlijke reiziger voelen! Jezus is van ons heengegaan en onze nood is groot, maar de uitkomst is nabij. Wij mogen ons laven aan het levende water, dat de Heilige Geest ons schenkt met Pinksteren. Laten we drinken en God danken, dan het heimwee gauw vergeten! Onze dichter kan nog niet naar hartenlust drinken. Er zijn ernstige belemmeringen. Hij is een Israëliet, hij leefde voor de komst van Christus, ver van Sion, waar hij vroeger Gods nabijheid zo heerlijk heeft ervaren, in de tempel. Zijn ziel dorst wel naar de levende God, maar wanneer, ach wanneer zal hij binnenkomen en het Aangezicht van God aanschouwen?Hij kan n iet anders dan bidden en huilen…” Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, daar men de ganse dag tot mij zegt: waar is uw God?” Het leven van een gelovige wordt soms moeilijk gemaakt door de spottende opmerkingen van mensen: waar blijft uw God nou? Hij laat je toch maar mooi in de penarie zitten. Een gelovige leeft in onrust, onzekerheid, angst en heeft heel veel “waaroms”. De spotters zijn er nu nog. Begrijpen zij veel van uw Godsverlangen, van uw roepen naar God: “Exaudi, God, hoor naar mij!” Wat kun je dan zingen: “Ach blijf met Uw genade, Heer Jezus ons nabij, opdat ons nimmer schade des vijands heerschappij”.
           
In deze nood, in al dat heimwee, moet hij opeens aan vroeger denken. Hebben wij dat soms ook niet? Je denkt aan vroeger en ziet opeens weer al die dingen, waar God in je leven voor gezorgd heeft. “Hieraan wil  ik denken en mijn ziel in mij uitstorten…” De dichter ziet het allemaal weer voor zich en dat geeft hem troost. Eens was God zo dicht bij hem, welnu – denkt hij – zo zal het ook weer wezen. Maar voor het zo ver is, moet een mens heel wat afzuchten: “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zeilt ge onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God”. In de nood en eenzaamheid weet hij God te vinden. Gelukkig de mens, die dan aan het goede adres “EXAUDI” roept, “O mijn God, hoor toch!” Gelukkig de mens, die dan aan God denkt. “Ik denk aan U uit het land van de Jordaan en het Hermon-gebergte. Al uw baren en golven slaan over mij heen.”  Zo onrustig is het in hem, zo wordt hij heen en weer geslingerd.  Maar het geruis neemt af, de woedende baren worden getemperd. Er komt rust in zijn ziel. Opeens weet hij het weer: God is een Hoorder der gebeden. “Des daags zal de Here Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn, een gebed tot de God van mijn leven.”  Even weet hij het weer, is hij heel dicht bij God, de God van zijn leven. Een korte tijd maar, want dan barst het weer los in hem: “Waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? Hoor de tegenstander eens honen: “Waar is uw God?” Ja, zo wordt de mens heen  en weer geschud. “Wat buigt g’ u neder, o mijn ziel, en zijt ge onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God…”  Dat wordt het refrein van zijn lied. Het is alsof hij zichzelf daarmee moed wil inzingen, in weerwil van al zijn rusteloosheid en angst voor de toekomst. De Psalm eindigt met “mijn God”. Maar nu niet meer als de Onzekere, “Hoor mij, God, hoe ik luider tot U roep!” Niet meer als Degene, Die ver weg is: “Waar is uw God?” Maar als de Dichtbije, de Verlosser: “Mijn Verlosser en mijn God”. 

Dat wordt het keerpunt in zijn leven, denk ik. Een einde, dat een nieuw begin mogelijk maakt. Nu hoeft hij niet meer zo te roepen, want hij weet: God hoort mijn gebed ook in de stilte, nu zal de beek niet ver weg meer zijn, want de fontein van het leven springt voor hem op. Nu is het jagen en jachten, het hijgen en smachten afgelopen, want “wie drinkt van het water, dat ik hem geven zal, zal niet dorsten in der eeuwigheid.” Het is deze belofte, juist ook op zondag EXAUDI, de wezenzondag, die ons voor de toekomst moed en vertrouwen geeft. De dorstige zal te drinken krijgen! De Heilige Geest komt! En wezen worden tot Gods kinderen.

Amen

Op weg naar Pasen

In de gang naar Pasen wordt veel over de dood nagedacht, met name over de dood van onze Heer Jezus Christus. Maar ook over onze eigen dood. Want als iets duidelijk is in ons leven, is dat wij ten dode staan opgeschreven.

“De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.”

1 Korintiërs 15, 26

In de gang naar Pasen wordt veel over de dood nagedacht, met name over de dood van onze Heer Jezus Christus. Maar ook over onze eigen dood. Want als iets duidelijk is in ons leven, is dat wij ten dode staan opgeschreven.

Er zijn heel wat mensen, die nooit over de dood spreken. Dat vinden ze “eng”. Mensen zijn bang voor de dood, dat is duidelijk. En daarom moet je er maar niet over spreken. Daarom moet je hem maar wegstoppen. Maar als je dat doet, komt ie toch telkens weer te voorschijn, als een duveltje uit een doosje. En dan is de schrik erger dan wanneer je je er rustig op voorbereidt en met de dood leert te leven.

En dat kunnen we toch? Wij, die op weg zijn naar Pasen. “Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles alles is voldaan?” Door het Paasevangelie is het karakter van de dood veranderd. De dood is niet meer het schrikbeeld, dat voor ons staat, maar de overwonnen vijand, die achter ons ligt. De dood is “verslonden tot overwinning”. En daarom mogen en kunnen wij spreken over de dood zonder schrik en huivering. Paulus zegt niet: “de laatste vijand, die te niet gedaan ZAL worden”, maar “de laatste vijand, die te niet gedaan WORDT, is de dood”. Het is tegenwoordige tijd, niet toekomstmuziek. We mogen er NU al uit leven.

Laten we nog eens naar onze tekst kijken. “De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.” Ik zie daar drie elementen in, die een nadere uitleg behoeven. Ten eerste: “is de dood”. Dat wil dus zeggen, dat de dood IS. Ten tweede: “De laatste vijand.”  Dus de dood is een VIJAND. Tenslotte:  “die te niet gedaan wordt”. Dus de dood wordt vernietigd.

Ten eerste: de dood IS. Hij is een werkelijkheid. De Bijbel spreekt verschillend over de dood, maar ontkent de dood nooit. Nee, de dood is een levende realiteit, levensgroot en onontkoombaar. Met de dood wordt aangeduid het natuurlijke sterven, het heengaan uit deze wereld. De dood kan dan GOED zijn: na een vol verzadigd leven wordt de mens vergaderd tot zijn voorouders. Dat hoor je nog wel eens van oude mensen: “ik heb alles gehad in mijn leven, maar nu is het wel genoeg, ik ben oud mogen worden, de Heer mag mij nu wel halen.” Een tweede betekenis ligt in de relatie “dood-zonde”. De mens is dood, die in zonde leeft, zonder God en Zijn gebod in deze wereld. Jezus zegt: “Wie in Mij niet gelooft, IS reeds geoordeeld”. Die is eigenlijk al dood, zegt Jezus. Hij zegt ook: “Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.” Het zal u duidelijk zijn, dat dood meer is dan sterven. Je kunt volgens de Bijbel al dood zijn, voordat je gestorven bent.  En omgekeerd is het ook zo, dat je nog kunt leven, nadat je al gestorven bent. Dood in Bijbelse zin is vooral het tegengestelde van leven, het leven dat God geeft, dat mooi en goed  en zinvol is, zoals God het bedoeld heeft bij de schepping. Zo’n leven is dus veel meer dan alleen maar “bestaan”. Het is kwalitatief leven, door God gevuld leven. Leven, dat wij voluit geen van alle meer kennen. Want ons leven is “belemmerd” leven, belemmerd door zo veel dingen: verdriet, pijn, ellende, zonde. Het is het leven, zoals het na het paradijs geworden is, maar zoals het niet door God bedoeld en geschonken was. Wij leven in een soort gevangenis, de gevangenis van zonde, van schuld en boete, van vallen en opstaan en terugvallen. Dit belemmerde leven is de dood, die het leven heeft aangevreten, verminkt en van zijn heerlijkheid beroofd. Dat is niet de dood die KOMT, maar de dood die IS, de verminking van het leven.

Christus heeft die dood teniet gedaan. Nu vangt het nieuwe leven aan! Dat gaan we de komende weken gedenken. WIJ ZIJN OP WEG NAAR PASEN!  Halleluja!

In het Paradijs heette het: “ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij zeker sterven.” En dat gebeurde ook: vanaf het ogenblik, dat de zonde zijn intree deed in de wereld, is het sterven begonnen. Niet toen de eerste mensen stierven, maar toen zij verdreven werden uit het Paradijs, toen is het sterven begonnen, toen begon de eigenlijke dood te werken, de dood tengevolge van de zonde, de dood als straf van God, de dood die de mens niet loslaat maar vastgrijpt in zijn klauwen. Tergend, maar zeker, maakt die dood zich van ons meester! Daarom spreekt Paulus ook van DE VIJAND: “DE LAATSTE VIJAND, die te niet gedaan wordt is de dood.” Wij zelf ervaren de dood ook als vijand. Daarom zijn wij er zo bang voor. Een mens is zich er van bewust dat hij sterven gaat en sterven moet. Een dier heeft dat niet zo. Als die gaat sterven, trekt het zich terug in een hoekje en gaat daar onder een struik gewoon dood.  Maar wij hebben er wel weet van. Wij zien het monster, die verschrikkelijke vijand, naderbij komen en wij stellen ons te weer. Wij doen alsof hij er niet is of we wapenen ons met allerlei afweermiddelen of met onverschilligheid. Heel onze gezondheidszorg is toch daarop gericht, niet waar?Een mens wil zo graag in leven blijven, maar de dood die IS, hij KOMT ook, hij is de grote geduchte vijand, onoverwinnelijk, trefzeker. Wie zal zich tegen hem te weer kunnen stellen?

De apostel kent IEMAND, Die dat gedaan heeft, want -zegt hij- de dood WORDT te niet gedaan! Hij kent het Evangelie, Hij heeft de Heer mogen ontmoeten, Hij weet dus waarover hij praat. De laatste vijand, de dood, WORDT te niet gedaan. Zou dat soms betekenen, da gelovigen niet meer hoeven te sterven? Natuurlijk niet!  Dat zou immers geen uitkomst uit de ellende betekenen. Dat zou alleen maar beduiden, dat je nog langer moet blijven leven met de dood die je leven heeft aangetast. Dat wensen we elkaar toch niet toe? Niemand wil in deze doodellende blijven voortleven. Daar gaat het ook om in onze euthanasiewetgeving: ondraaglijk lijden met de dood voor ogen (zie Pastorale aspecten van de Euthanasie op mijn website). Niet de dood, die KOMT, moet teniet gedaan worden, maar de dood die IS. Het heeft toch geen zin, wanneer dit leven met al zijn vreugden, maar ook met al zijn ellende en lijden eindeloos wordt voortgezet. Onze ellende is immers niet, dat er aan dit leven een einde komt, maar dat dit vaak zo korte leven vol zonde is, een leven buiten God, door de zonde van zijn heerlijkheid beroofd. Onze ellende is, dat ons leven eigenlijk GEEN LEVEN is! De ellende van ons leven is, dat ons leven al dood is, voordat er een einde aan gekomen is. Daarom spreekt Paulus van de laatste vijand, die te niet gedaan wordt.

Christus heeft de dood te niet gedaan, zowel de dood die IS als de dood die KOMT. Immers waar de dood die IS, de macht van de zonde, is overwonnen, daar heeft ook de dood die KOMT zijn kracht verloren. Hij heeft nu zijn oude verschrikking niet meer. De mens is met Christus gestorven en herboren, opgestaan tot een nieuw leven. Een mens mag nu uit genade leven, dat is vergeving van de zonde. De dood, die IS, die scheiding maakte tussen de mens en God, wordt te niet gedaan, omdat de van God gescheiden mens verzoend is met God, de scheidsmuur is afgebroken! De dood is nu wat anders, omdat het leven wat anders is. Ons leven in Christus is één doorlopende overwinning van de dood geworden. Dat alles mogen wij OP WEG NAAR PASEN gaan herdenken en vieren.

Wij maken meestal zo’n onderscheid tussen tijd en eeuwigheid. De tijd is dan ons verblijf hier op aarde, en de eeuwigheid is wat komt na de dood. Daarom spreken wij van het “HierNAmaals”. Dat is niet goed. We zouden eerder moeten spreken over het “HierNUmaals”.  Jezus zegt in het Hogepriesterlijke gebed (Johannes 17): “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de eeuwige, waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt.”  Hoort u het? De tijd wordt in de eeuwigheid opgenomen, en de eeuwigheid wordt in de tijd gelegd. Wie in Christus is, dat wil zeggen in wiens leven de opgestane Heer gestalte heeft gekregen, die leeft nu al in eeuwigheid! Want de dood is in zijn leven overwonnen. Die mens is een nieuwe schepping geworden.

Dat we straks sterven moeten, betekent nu niet meer dat we “dood” gaan, integendeel: dan zal pas goed het volle leven in ons openbaar gemaakt worden: “het leven door Zijn dood bereid, het leven in Gods heerlijkheid!” De “dood” is er niet meer, het “sterven” is er alleen nog maar, het “ontbonden” worden. Daarom zegt de apostel tot de gelovigen: “Gij ZIJT gestorven en uw leven is met Christus geborgen in God.” Hier geldt de wet van het tarwegraan: door te sterven komt het tot leven.

Tenslotte nog dit: de dood WORDT te niet gedaan, zegt Paulus, niet: IS te niet gedaan. Waarom zegt hij dat zo? Hierom: Christus heeft de dood te niet gedaan, dat is volmaakt verleden tijd: de dood is TE NIET GEDAAN. Maar voor ons is het nog niet volmaakt verleden tijd. Wij zijn nog behept met de dood: ons gebrekkige zondige leven. Daarom moet dat wat Christus voor ons gedaan heeft nog in ons leven werkelijkheid worden. Daar hopen we op, daar bidden we om, daar zien we naar uit. OP WEG NAAR PASEN bepaalt dit ons leven. Dat de opgestane Heer, Die Zijn leven voor ons zondige mensen over had, ook in ons de macht van de dood zal breken en ons tot eeuwigheidskinderen mag maken. DE WEG NAAR PASEN  is een pelgrimstocht, waarop wij niet enkel een feit uit het verleden herdenken, maar een feit van het HEDEN vieren: dat de dood te niet gedaan IS en WORDT ook in ons leven! Zo wordt het PASEN IN ONS LEVEN!

Amen.

Gij zult het kind vinden

Oorlogen, kernbewapening, vliegtuigrampen, onderdrukking en hongersnood, geweldpleging en discriminatie, dat alles viert hoogtij, hoe past ons Kerstfeest daar nog in?

Lucas 2, 10-12

Voor velen rijst vandaag de vraag: heeft het nog wel zin om Kerstfeest te vieren? Een hele ernstige vraag, die een even serieus antwoord behoeft. Het Kerstfeest is verwereldlijkt, dat weten we allemaal. Het is meer volksfeest geworden dan geloofsfeest. Sentimentaliteit, consumptie, economisch belang, uitgaan, eet- en drinkgelagen, het hoort er allemaal bij, vandaag aan de dag, bij het Kerstfeest. Velen zeggen ook: kunnen wij nog wel Kerstfeest vieren in deze ellendige wereld? Oorlogen, kernbewapening, vliegtuigrampen, onderdrukking en hongersnood, geweldpleging en discriminatie, dat alles viert hoogtij, hoe past ons Kerstfeest daar nog in? Algehele versobering, algehele versombering en toch Kerstfeest vieren? Ja, en toch! Want de Bijbel spreekt van blijdschap, dat is het Kerstfeest in één woord: blijdschap! En hebben we dit niet nodig? Ik denk: meer dan ooit! Tegenover het pessimisme, dat steeds verder om zich heen grijpt, oprechte blijdschap! De engel zei: zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk ten deel zal vallen: u is heden de Heiland geboren, nl Christus de Here in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een Kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe.

En als het Kerstverhaal dan verder gaat, staat alles te trillen van die blijdschap! Zingende engelen, juichende herders, blatende geiten en loeiende ossen, stralende ouders… Hoe komt dat nou? Hoe kan zoiets bestaan in deze wereld? Dat kan, om twee dingen. Ten eerste hierom: omdat we in het komen van het Kerstkind te doen hebben met een gebeuren van unieke aard en betekenis. Het gaat hier immers om een wereldfiguur: de Heiland der wereld, zoals Israël (en Israël zeker niet alleen) die eeuwenlang verwachtte. Met de geboorte van Jezus gaat die oude verwachting, waar de profeten zo indringend over gesproken hebben in vervulling, eindelijk… De engel zegt: u is heden “de Heiland” geboren.

Er werden in de tijd van Jezus wel meer goden “soter”, redder, zaligmaker, verlosser genoemd. De goden van de Egyptische mysteriegodsdiensten Isis en Osiris bv, maar ook de keizer van de Romeinen liet zich met die fraaie naam aanspreken: Heiland, Helper in nood, die een tijdperk van orde en voorspoed voor de mensheid zou doen aanbreken. Jezus wordt helemaal “Heiland”, want in Hem is niet alleen de beloofde Messias gekomen, maar Hij heet ook zo; Jezus betekent immers: verlosser, bevrijder, heelmaker, Heiland. Nog aparter wordt zijn betiteling door de toevoeging: Christus de Heer, in de stad van David. Hij is inderdaad de beloofde Messias, de lang verwachte koning door God gegeven, uit het geslacht van David. Christus betekent immers Messias, Gezalfde, door God gezalfd, dat is in de goddelijk volmacht aangesteld om op aarde namens God Zelf op te treden. Dat blijkt ook weer uit de combinatie van Christus met “Heer”: Christus de Heer. Dat is helemaal dubbelop, zo sterk benadrukt het de goddelijke afkomst, want Heer is de betiteling van God Zelf. In het Oude Testament, waar zoals u weet de naam van God (Jahwe) niet mocht worden uitgesproken,spreekt men van God als “de Here” of zelfs “de Here Here”.

De GROTE BLIJDSCHAP van het Kerstfeest is er dus – toen en ook nú!- omdat in het kind, dat geboren wordt (is) God op een heel bijzondere manier naar ons toekomt. Natuurlijk hebben we daarvoor geen logisch bewijs, tenminste niet in de zin van wis- en natuurkundige stellingen en wetten. Wij hebben “alleen maar” het getuigenis van de Evangeliën en van de prediking en geloofsbelijdenissen, van de geloofsliederen en gebeden. “Alleen maar” zeg ik, toch zijn het alles bij mekaar kasten, nee huizen vol! Dus dat is niet niks! De getuigenissen zijn sterk en we doen er dan ook goed aan daar naar te luisteren.

Er is ook nog een tweede ding waarom het Kerstfeest zo geheel uniek is en oproept tot grote blijdschap in een wereld vol droevigheid en ellende. Dat is het teken, waarmee de engel de geboorte van het kind aanduidt: gij zult het kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe. Je kunt het je niet armzaliger voorstellen: een pasgeboren kind, gewikkeld in zo maar wat doeken, neergelegd in een trog voor de dieren, ergens in een koude stal achter een rommelig herbergje van een onaanzienlijk oosters plaatsje in één of andere uithoek van de wereld. Daar is niets verblindends aan, niets buitengewoons. Het is een beeld dat we nogal eens zien in een krant of op de tv, waar de problematiek van de derde wereldlanden uit de doeken wordt gedaan, zoals onlangs nog met de UNICEF-aktie om steun te vragen voor het Kinderfonds van de Verenigde Naties. Niets dat aan de goddelijkheid en hemelse heerlijkheid doet denken.

En toch is dit een teken! Dit is het heel bijzondere! Dat God ingaat in de trieste werkelijkheid van het zondige bestaan in de wereld waar mensen elkaar afslachten en uitmoorden, letterlijk en figuurlijk (economisch), waar de kinderen “kind van de rekening” worden. Geldt dat niet onze grote blijdschap? Dat die goddelijke Jezus voor ons kind van de rekening is geworden? Zien we achter de kribbe niet het kruis opdoemen? Dat alles wekt in ons de verwondering en de vreugde, die de herders hebben gekend en Jozef en Maria en “allen die er van hoorden”. Er is nog blijdschap mogelijk, reden tot blijdschap te over! Ondanks alle kritische stemmen om het Kerstfeest maar af te schaffen. Nee, beste mensen, laten we het vieren, met GROTE BLIJDSCHAP, dat is ook: met gepaste ingetogenheid, in alle eenvoud des harten, meer met de kleine dingen (die boekdelen spreken) dan met al dat pompeuze uiterlijk vertoon.

Nog steeds geldt de uitnodiging van de engel: zie ik verkondig u grote blijdschap, die HEEL HET VOLK ten deel zal vallen, ook u en mij! Ook nog na 2000 jaar. “Gij zult een kind vinden, in doeken gewikkeld….”. Zó lief heeft God de wereld gehad en nòg! Dat Hij gewoon mensje werd, nee voor ons niet gewoon; heel ongewoon, een arm mensenkind. Iets waar wij niet aan willen, waar we ons tegen verzetten met huid en haar: armoe, dáár is God in neergedaald, om ons te laten zien hoezeer ons lot Hem ter harte gaat. Het wordt het teken van Jezus leven, waarin Hij zich verbindt met hulpelozen, reddelozen, tobbers, verlorenen, gediscrimineerden, verstotenen, mensen die geen kansen meer hebben, randfiguren van de maatschappij, tollenaren en zondaren, vermoeiden en belasten. Een leven van volkomen zelfverloochening en van enkel dienen. Zouden we niet blij zijn met zoveel goed nieuws? Een wonder is het, Kerstfeest vandaag is één en al wonderfeest! Komt, verwondert u hier mensen, ziet, hoe dat u God bemint! Jubelt en weest blij!

Hulp in de noden der heiligen en gastvrijheid

God houdt van ze, die noodlijdende mussen en mensenkinderen. Zijn hart en handen gaan voor hen open.

Romeinen 12, 13

Paulus spreekt op verschillende plaatsen over het hoopvolle leven van een Christen. Uitgebreid vinden we dat in Romeinen 12. Hij houdt ons hier de Christelijke levenswandel voor in een vijftal paren van kenmerken:

Broederliefde en onderling eerbetoon
Onverdroten ijver en brandende geest
Dienst van de Heer, blijdschap in het gebed
Geduld in de verdrukking, volharding in het gebed
Hulp in de noden der heiligen, gastvrijheid

Vandaag willen wij stil staan bij het laatste paar: hulp in de noden der heiligen en gastvrijheid.

Het gebed is een dragende kracht, wanneer de mens verdrukking moet lijden. Wanneer je bidt, mag je immers ervaren, dat je niet alleen staat. En dat is een hele grote! Gedeelde smart is halve smart, wordt wel eens gezegd. En dat is ook zo, zeker wanneer God Zelf met ons de smart deelt. Al biddend word je dit gewaar. Hoe dikwijls heeft Paulus zelf dit niet meegemaakt op heel zijn levensweg vol achtervolging, tegenwerking, zelfs gevangenissen en doodslag toe. Daarom: geduld in de verdrukking, volharding in het gebed!

Nu komen we bij het laatste paar vermaningen: bijdragend in de noden der heiligen, gastvrijheid. Duidelijk is de aansluiting aan het voorafgaande. Het gaat hier immers ook om verdrukking, en wel de verdrukking van anderen. Blijkbaar staat een mens in de verdrukking niet alleen. Er zijn ook anderen, die dit moeten ondergaan. Het hopen en bidden zal dan ook als vanzelf overgaan in het helpen van anderen in nood.

De noden van de zusters en broeders komen in het vizier. Door Paulus worden ze “heiligen” genoemd, omdat ze een bijzonder plekje bij God hebben. De noodlijdenden zijn Gods oogappelen. Het is als met de mus en de zwaluw in Psalm.84. De zwaluw is de sterkere, die Gods hulp niet zo nodig heeft. Maar de mus is dat kleine zwakke wezentje, dat geheel op de hulp van God is aangewezen.
     
Psalm 84:2

Zelfs vindt de mus een huis, o Heer’,
De zwaluw legt haar jongskens neer
In ’t kunstig nest bij Uw altaren,
Bij U, mijn Koning en mijn God,
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot;
Geduchte Heer’ der legerscharen,
Welzalig hij, die bij U woont,
Gestaag U prijst en eerbied toont.

God houdt van ze, die noodlijdende mussen en mensenkinderen. Zijn hart en handen gaan voor hen open. Zo moet het met ons ook zijn, met ons hart en onze handen en onze portemonnee. In ons gebed, het gericht zijn op de Heer, in onze vraag: wat wilt U dat we gaan doen? zal ons duidelijk worden, wie die noodlijdenden zijn, die een beroep op ons doen. En daar gaan we ons hart en onze handen weerspiegelen in die van God. Gezegende mensen zijn gelukkige mensen. En die kunnen toch niet anders dan ook anderen gelukkig maken. Zo worden we tot een zegen gesteld!

Daar is gastvrijheid bij hen, letterlijk en figuurlijk. Letterlijk: dat je je huis openstelt voor hulpbehoevende mensen. Figuurlijk: dat je je hart openstelt voor de noden der “heiligen”. Wanneer je het eerste niet meer kunt, omdat je zelf hulpbehoevend bent (misschien woont u wel in een verpleeg- of verzorgingshuis), het tweede blijft toch altijd mogelijk. Je kunt de ander-in-nood altijd een plaats geven in je hart door aan hem of haar te denken en voor die ander te bidden. Een kaart, een briefje, een bemoedigend woord, een telefoontje, een financiële bijdrage, het zijn allemaal signalen van uw gastvrijheid naar de noodlijdende ander toe. Hiermee laat u zien, dat die ander bij u terecht kan, omdat die ander bij God terecht kan!

Het lijkt wel alsof in de steeds kleiner wordende wereld de noden steeds groter worden. Nu is het de onvoorstelbare nood vanwege de grote droogte in de hoorn van Afrika. Meer dan 10 miljoen mensen dreigen hiervan het slachtoffer te worden. Zeker, als wij niet helpen!

Het landelijke noodsignaal, giro 555, wordt ons bij herhaling getoond. Wat doet u er mee? Wat doe ik er mee? “Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen”. Daar is ruimte voor anderen, warmte en liefde straalt van zulke mensen af. “Wandelt in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk“. (Eph.5 vers 2 / Zie mijn preek over deze tekst op 28 aug/vorig jaar, de dag van ons gouden huwelijksfeest). Wie wandelt in de liefde, doet precies wat Paulus hier van ons vraagt. Hij draagt bij in de noden der “heiligen”en biedt gastvrijheid aan hulpbehoevende mensen. Vele Gemeenten in ons land brengen dit in de praktijk door gastvrijheid te verlenen aan asielzoekers en mensen die geen eigen huis meer hebben. Wie zo leeft, leeft in hope, de hoop dat het eens allemaal beter zal worden, met Gods hulp. Het is leven, gericht op de toekomst, op de Heer Die naar ons toekomt! Daarom moeten we ook niet bij de pakken neerzitten, al ziet het er rondom en ook in ons eigen leven nog zo beroerd uit. Wie leeft in hoop, laat zich leiden door datgene waarop hij hoopt: een betere wereld, waarin liefde en recht en vrede de toon aangeven. Je mag daar al aan meewerken. Je kunt er zelfs al op vooruit lopen. Een Christen-in-hope is geen conformist, iemand die met de winden meewaait en zegt: ze waaien nu eenmaal zo! Een Christen-in-hope is een klokkenluider, om het onrecht aan de kaak te stellen, een herrieschopper, een dwarsligger, een waarachtige protestant (iemand die protest aantekent!). Een Christen-in-hope is een vernieuwer, die met God meedoet, want God doet niet anders dan de wereld vernieuwen, verbeteren, helemaal af maken.

Als laatste nog dit: hoop doet leven. Dat geldt zeker voor de Bijbelse hoop. Die is immers gegrondvest in Jezus Christus. In wat Hij voor ons volbracht heeft. Hij is gestorven om ons “noodlijdende” mensen te redden, om ons leven vruchtbaar en rijk te maken. Laten we dat nooit vergeten! Daarom: “Weest blijde in de hoop!“.

Die hoop is niet op los zand gebouwd. Zij heeft een vaste en zekere ondergrond en ook een onderpand: de gave van de Heilige Geest, dat is God Zelf, God Die met ons meegaat, Die ons tot de echte liefde brengt. Hij laat ons de noden der heiligen zien, Hij is onze Gids in donkere dagen, onze Toeverlaat in de verdrukking, het lichtende spoor in ons bidden om kracht en wijsheid.

Tenslotte laten we Paulus nog eens zelf aan het woord: “Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop… Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding. En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp…” (Rom.8).

Houdt dus goede moed!

Amen.

 

Geloof, hoop en liefde

Wij geloven dikwijls het tegengestelde van wat wij zien en wij zien gedurig het tegengestelde van wat wij geloven!

1 Petrus 1, 8

Paastekening. Lucy 19 april 1987De Paasvreugde wordt in onze tekst afgeschilderd in een grondpatroon van drie oerchristelijke begrippen, namelijk hoop, geloof en liefde.

In de eerste plaats is daar de hoop. “Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons naar Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een LEVENDE HOOP”. Paasfeest betekent dat vandaag nog voor ons: dat wij wedergeboren worden tot een levende hoop! Wij zijn in ons gezichtsveld niet beperkt tot die enge muurtjes van alle dag en tot de hokjes waarin onze maatschappij is opgedeeld. Nee, de Christen heeft een open visie, de blik naar voren! Een open wereld, een open toekomst. Achter elke soms zo benauwende en bekrompen horizon van ons dagelijkse leven doemen weer andere werelden op, de werelden van God, van de Bijbel, van een Koninkrijk van recht en liefde van barmhartigheid en saamhorigheid. Wij mogen namelijk weet hebben van de onbeperkte mogelijkheden van God. PAASMENSEN ZIJN MENSEN VAN DE HOOP!!

En hopen is uitzien, naar iets anders, boven de dingen uitzien, naar iets hogers, het is uitzicht en dan ook uitkomst. Nooit wanhopen aan de dingen van het leven. En daarom ook het nooit opgeven, nooit de moed laten zakken. Paasmensen zijn stugge volhouders, grote optimisten, die er altijd nog een gat in zien zitten. Waar een ander de moed opgeeft, gaan Paas-Christenen door! Zelfs wanneer de dood in het vizier komt. Zo worden de Christenen in de eerste eeuwen niet voor niets “het derde geslacht” genoemd. Het is een eretitel, dat betekent, dat na de Joden en de heidenen, de eerste twee geslachten, de Christenen als derde geslacht de wereld in hun bezit nemen. De Joden en heidenen waren oud en moe, zij hadden geen verwachting meer voor de wereld, maar berusten hun lot (noodlot). Bij de Christenen was dat anders: zij waren jong en vol frisse moed. De eerste Christenen hadden ook de LEVENDE GOD aan de gang gezien, het wonder van Golgotha, Pasen, de zending van de Heilige Geest, Pinksteren, Hemelvaart, het uittrekken van de apostelen naar alle uithoeken van de aarde… Omdat God zó bezig was, grepen zij moed, het leven van deze wereld was blijkbaar toch de moeite waard!

Proeft u het ook, dat enthousiasme van die eerste Paaschristenen? “De opstanding van Jezus Christus doet de mens wedergeboren worden tot een levende hoop“, zo zegt Petrus het. WEDERGEBOREN: JE WORDT ER EEN ANDER MENS DOOR. De oude mens heeft afgedaan. Zie, het is alles nieuw geworden! God heeft ons met Pasen met de nieuwe mens, dat is de opgestane Heer, bekleed. Wedergeboren, voelen wij ons vandaag ook zo? Een ander mens? Uw oude mens, met heel dat zondige verleden, is met Christus neergedaald in het graf om vandaag met Pasen op te staan en met Christus wedergeboren te worden tot een nieuwe mens. Zo bedoelt Petrus het. Wat een heerlijke boodschap!

Tegelijk is dat ook het fundament van het GELOOF, het Paasgeloof. Want wij zijn door de opstanding van Christus niet alleen wedergeboren tot een levende HOOP, maar ook tot “een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u , die in de kracht van God bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt omgeopenbaard te worden in de laatste tijd”. Wedergeboren om een erfenis te ontvangen. Die erfenis is de inhoud van onze hoop: waar wij op hopen, waar Christus voor op aarde gekomen is. Wat betekent dit anders dan wat Christus voor ons volbracht heeft? De vergeving van onze zonden en de verzoening van onze schuld? Kort gezegd betekent dit: het eeuwige leven in heerlijkheid, dat ons wacht. “Erfenis”, daar zit ets toekomstigs in: het moet nog uitgekeerd worden. Maar tegelijk zit er ook al iets tegenwoordigs in: wij staan in het testament, wij zijn erfgenamen. Alles is al voor ons beschreven, we mogen al reikhalzend uitzien naar de toekomstige rijkdommen. Paaschristenen zijn geen mensen, die alles al bezitten, wat God voor ons bedoeld heeft. God heeft het ons “in Christus” gegeven en ons hele heil is “met Christus” weggezet in de hemel. Daar is het veilig opgeborgen, zegt de apostel. Maar wat wij nu al wel hebben, is het zekere onderpand daarvan, namelijk de opstanding van Christus. Dat is het vaste fundament van ons geloof!

“Verheugt u daarin, ook al word gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen beproefd”. De vreugde van het Paasfeest komt je niet zo maar aangewaaid, zij gaat door de moeiten van het leven heen, wij worden beproefd door allerlei verzoekingen. Het humeur bijvoorbeeld kan je parten spelen, of je karakter, of allerlei materiële omstandigheden, je gezondheid, rouw, verdriet en andere tegenslagen in het leven. Het zijn allerlei verzoekingen. De ene keer is het dit, de andere keer dat. Het leven is ook zo wisselvallig. Je hebt het een nog niet gehad of het ander duikt op. Al die verzoekingen zijn er en moeten er zelfs zijn, “opdat de echtheid van uw geloof tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Christus”. Het Paasgeloof wordt dikwijls op de proef gesteld. Geloof is ook altijd in een zekere tegenstrijdigheid betrokken. Wij geloven dikwijls het tegengestelde van wat wij zien en wij zien gedurig het tegengestelde van wat wij geloven! De beloften van God, het Paasevangelie, en de werkelijkheid van het bestaan strijden vaak met elkaar. Dat is de eigenlijke verzoeking, waar het hier om gaat. Tegen deze ongerijmdheid en tegenstrijdigheid kunnen wij vaak niet op. Maar al te vaak brengt het ons in de vertwijfeling en menigeen heeft het zijn geloof gekost. Als alles goed en naar wens gaat, is het geen kunst om te geloven, zeggen we wel eens; maar of dat werkelijk Paasgeloof is, valt toch te betwijfelen. Echt Paasgeloof gaat door de moeiten en zorgen van het leven heen. Dan gaat het er om, of wij tegen alles in en door alles heen in het “nochtans” van het geloof zullen volharden. Dat is een kwestie van oefening en training. Ook als alles je tegen zit, zul je er aan blijven vasthouden, dat God goed is en door de opstanding van Christus ons leven tot vreugde heeft bestemd. Immers “Hem hebt gij lief zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”. Hoop, geloof en liefde, deze drie, samen gevat in de vreugde. Niet zien en toch geloven! Niet zien, en toch liefhebben! Dat is de onuitsprekelijke vreugde van het Paasgebeuren. Als wij in liefde hopen op en geloven in Hem, Die wij niet zien en van Wie wij toch heel zeker weten dat Hij ook voor ons is opgestaan , dan verheugen wij ons met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde.

De liefde is de kern en de inhoud van ons bestaan. Het geloof is de structuur en de houding van ons bestaan. De hoop is de vaste zekerheid en de rots van ons bestaan. En de vreugde is, dat alles samen houdend, de structuur en de toonaard van ons bestaan. Zo ziet het Paasleven er uit! WIJ VERHEUGEN ONS !!

Door de beproevingen heen slaat steeds de vlam, de onuitblusbare vlam van de blijdschap. ONUITSPREKELIJK. Er zijn eigenlijk geen woorden voor dat goddelijke Paaswonder. Het is door mensenverstand niet te vatten. Dat lege graf, die onuitsprekelijke verwondering van de vrouwen en de discipelen op die eerste Paasmorgen. Je kunt er alleen maar razend gelukkig om zijn! Dat God DAT voor ons heeft gedaan! Een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, ons Paasfeest. Het is als de zon, die (zoals de laatste tijd) door de dagenlange trieste regen heen breekt. De stralen schieten door de wolkige massa en zetten de vochtige aarde in een schitterend licht. De druppels, die van de bloemen en bomen afhangen, worden tot fonkelende briljantjes, voortekenen van Gods eeuwige heerlijkheid. Zo, precies zo, is het met de verheerlijkte vreugde van ons Pasen. Gods verzoenende liefde breekt door en zet heel onze wereld vol ijdelheid en verlorenheid in een nieuwe heerlijke lichtglans. Dat is de onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde van ons Paasfeest! Nog staat alles te rillen in een siddering van verwachting. Maar eens zal over ons de volle gloed van de eeuwige vreugde, de zonne der gerechtigheid, opgaan.

O, heerlijk Paasfeest, WIJ VERHEUGEN ONS MET EEN ONUITSPPREKELIJKE EN VERHEERLIJKTE VREUGDE!

Amen.

De voetwassing

Wat is dat voor zegen, dat Jezus ons de voeten wast?

Johannes 13, 14
“Indien nu Ik, uw Heer en Meester, u de voeten gewassen heb, behoort ook gij elkander de voeten te wassen.”

We staan aan de vooravond van de Stille Week, ook wel Goede Week genoemd. Straks is het Witte Donderdag. Het is de laatste avond en nacht, die Jezus met de Zijnen gaat doorbrengen. Hij gaat dan de voeten van Zijn discipelen wassen. Johannes beschrijft dat in het raam van een maaltijd. Maar niets herinnert aan het Laatste Avondmaal, zoals we dat bij de andere drie Evangeliën aantreffen. Toch moeten we niet denken, dat Johannes minder aandacht aan het Avondmaal geschonken zou hebben dan de andere drie Evangelisten en dat hij daarom de voetwassing in de plaats daarvan overlevert. Want, dat Johannes ook waarde hecht aan het Avondmaal, zien we in de wonderbare spijziging van Johannes 6. Daar breekt Hij het brood en deelt het uit, precies zoals bij het Heilig Avondmaal. Hij legt het ook aan Zijn discipelen uit, waarom Hij dit doet, als Hij zegt: “Ik ben het brood des levens, dat uit de hemel; neergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven” (Joh.6, 51). Johannes kent het Avondmaal, dat is duidelijk, en wat Hij hier in de voetwassing vertellen wil, ligt zeker ook in het Avondmaal verankerd. Johannes wil als ’t ware nog een diepere zin aan het Avondmaal geven, doordat hij in het voorbeeld van Jezus de Gemeente tot broederlijke dienst opwekt. We zouden daarom kunnen zeggen, dat de voetwassing bij Johannes niet het Avondmaal vervangt, maar eerder aanvult, voltooit.

Heel gevoelig wordt de situatie beschreven: “En voor het Paasfeest, toen Jezus wist dat Zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft Hij de Zijnen, die Hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde”.  Het is Jezus’ liefdedaad ten einde, tot het laatste, tot het uiterste! Hij heeft de Zijnen liefgehad tot de hoogste voltooiing! Zo heeft Johannes het gezien, en Hij beschrijft het ook als een ooggetuige, heel precies, want hij was er zelf bij en kon zodoende ook heel gevoelsvol hierover schrijven.

Jezus wist dat Zijn uur gekomen was. Hier wordt het lijdensuur mee bedoeld. In dat bittere uur blijft Hij toch bij de Zijnen, die Hij liefhad. En Hij laat het ook zien met een liefdedaad: het wassen van hun voeten. Eigenlijk is dit slavenwerk. In de Joodse wereld wordt dit ook als slavendienst gezien. Hier wordt heel de betekenis van Jezus’ komst op aarde duidelijk: “De Zoon des Mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Marcus 10, 45). “En onder de maaltijd, toen de duivel reeds Judas, Simons zoon Iskariot, in het hart gegeven had Hem te verraden, stond Hij, wetende dat de Vader Hem alles in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging, van de maaltijd op…”  De duivel is hier ook in het spel. Jezus weet, dat de duivel Judas aangezet heeft tot het verraad. Jezus’ liefde ondervindt veel tegenwerking. Dat is nog zo! Zelfs midden in Kerk en Gemeente, tot zelfs aan het Heilig Avondmaal toe, moeten we er op bedacht zijn, dat de duivel er bij is, op de loer licht om Judassen te vinden… Juist daar, waar Jezus’ liefde het grootst is en door ons het machtigst wordt ervaren, zijn de influisteringen van de duivel ook het sterkst. Soms brengen die een mens tot verraad, zoals bij Judas. Soms brengt hij een mens tot verloochening, zoals later bij Petrus. Soms prikkelt hij de hoogmoed van de mens, die niet geholpen wil worden, zoals hier in de voetwassing het geval is bij Petrus: “Heer, wilt Gij mij de voeten wassen?” Het klinkt zo bescheiden, toch spreekt hier de mens, die de genade nog niet verstaan heeft, maar zich verzet tegen hulp, zelfs tegen hulp van Boven. We willen niet graag geholpen worden, dat een ander wat voor ons moet doen. We willen niet afhankelijk zijn, geen “dankjewel” hoeven zeggen. Maar Jezus heeft geduld met mensen zoals Petrus : “wat Ik doe, weet je nu nog niet, maar je zult het later begrijpen”. Nog houdt Petrus vol met zijn weigering: “Gij zult mijn voeten n iet wassen in eeuwigheid!” Dat nooit en te nimmer! Hij vloekt er bijna bij. Dan wijst Jezus hem terecht: “Als je je niet wilt laten wassen, Petrus, dan zal je uitgesloten worden van de gemeenschap met je Heer en het deelhebben aan Zijn heerlijkheid”. Nu wordt Petrus wakker, en dan slaat hij helemaal door, tot het andere uiterste, ook weer typisch de mens met zijn egoïsme: “Maar dan niet alleen mijn voeten, Heer, alstublieft ook mijn handen en hoofd!” Hij wil nu opeens als ’t ware alles, de hele volmaaktheid. Maar dat staat Jezus hem niet toe. Alleen God immers is volmaakt , de mens kan het niet en moet het dan ook maar niet willen, de mens zou aan zo’n perfectionisme ten onder gaan , hij zou omkomen in zijn eigen werkheiligheid. Wat die mens wel nodig heeft, is Gods genade , en dat geeft Jezus hem: “Wie gewassen is, is helemaal rein”. Hij had hier ook kunnen zeggen, wat Hij later aan Paulus gezegd heeft: “Mijn genade is u genoeg” ( 2 Kor.12, 9). Dat Jezus de voeten wast, staat borg voor die genade, voor de reinheid, het schoongewassen worden van alle zonden. Het is verwijzing naar de Doop, zoals ook de Doop weer een verwijzing is naar het lijden en het dienen tot het uiterste  van Jezus, “want wij zijn – zoals Paulus zegt in Romeinen 6 – met Jezus begraven door de Doop in de dood …” “Maar niet allen zijn rein”, voegt Jezus er aan toe, er op, duidend dat één van hen Hem verraden zal. Wel moet Jezus Judas ook de voeten gewassen hebben, desondanks is hij niet rein. Hem ontbreekt de geest om te ontvangen en om zelf te geven en dienstbaar te zijn. Hij was al bezweken aan de inblazingen van de duivel. Het is verschrikkelijk, dat ook wij hebben te bedenken, dat je het Avondmaal kunt ontvangen en toch ver weg kunt blijven van Hem, Die het ons toereikt met Zijn lichaam en bloed., in Zijn liefde, die voor ons tot het uiterste gaat.

Het tweede gedeelte van onze tekst spreekt over de plicht van de discipelen het voorbeeld van de Heer te volgen. Als jou de voetengewassen zijn door de Heer, als je in Zijn gemeenschap aan de Tafel geweest bent, dan word je een ander mens, dan kom je in Zijn spoor en moet je ook zelf de voeten van anderen wassen. Jezus zegt: “Doe evenzo, geef het door, die liefde van Mij!” Natuurlijk vraagt Jezus aan ons niet om precies hetzelfde te doen, om naar anderen te gaan en die de voeten te gaan wassen. Jezus heeft met die voetwassing als ’t waren een gelijkenis gegeven, hoe wij zouden moeten doen in dienst aan elkaar, hoe ver onze naastenliefde dient te gaan, tot zelfs in slavendienst toe, het nederigste werk mag je niet onthouden in liefde voor elkaar. “Opdat gij doet gelijk Ik u gedaan heb”. Ook de houding van de discipelen bij de voetwassing is ons als waarschuwing gegeven. Zó moet het bij ons niet gaan, zoals bij Judas en Petrus. Wie de genade van Jezus echt zoekt, geeft daarmee te kennen, hoe zeer hij die nodig heeft, hoe slecht het er anders met hem uitziet. Wij hebben de Heer immers niets aan te bieden, alleen maar lege woorden en holle klanken net als bij Petrus. Het lijkt mooi, maar het stelt allemaal niets voor. Nee, wij komen als heel arme mensen tot die Heer, Die ook ons de voeten dient te wassen, Die ook ons moet liefhebben tot het uiterste, tot Zijn dood toe. Wij komen met lege handen, maar worden rijk gezegend uitgezonden, met een opdracht om ook zelf die zegen uit te dragen en in de praktijk te brengen. Wat is dat dan voor zegen, dat Jezus ons de voeten wast? Dat is: Hij vergeeft ons en neemt ons in genade aan. Hij schenkt ons Zijn liefde en verzoent mij, zondig mens, zodoende met God de Vader. Maar dat brengt ook vanzelf die nieuwe opdracht met zich mee: wie zó in de liefde van God is opgenomen zoals de discipelen tijdens de voetwassing, wie zich door Jezus zó de voeten heeft laten wassen, die moet ook zelf zijn broeders en zusters de voeten wassen. Hiermee worden de mede-Gemeenteleden bedoeld, maar ook de naasten buiten die kring. Het aan Tafel gaan is niet alleen een zaak van onszelf, maar van de hele gemeenschap! Het gaat om de “communio sanctorum”, de gemeenschap der heiligen! Doordat de gave van God ontvangen wordt in brood en wijn, het Lichaam van Christus, bloeit de Gemeente op in de “gemeenschap der heiligen”, waar de één de ander dient. Zoals Paulus zegt in Philippenzen 2, 2: “Maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, een in liefdebetoon, een van ziel, een van streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen”.

Laten we toch begrijpen dat het in de Gemeente anders hoort te gaan dan in de wereld! In de wereld heerst het recht van de sterkere, daar probeert ieder zo veel mogelijk naar zich toe te trekken, als ’t gaan moet op kosten van en ten koste van een ander, maar in de Gemeente geldt het Woord van de Heiland: “zó is het echter onder u niet, maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn” (Marcus 10, 43).

“DRAAGT ELKANDERS LASTEN!” Omdat Hij onze lasten droeg en ons liefhad tot het einde.

Amen.

Hoeveel te meer

God laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen.

Lukas 11, 13
“Hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan wie tot Hem bidden”

Jezus leert Zijn discipelen: “Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem er om vragen.”

Wij kunnen hierbij denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste, het donkerste, is: “Jullie, die slecht zijn”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander vlak, wat lichter gekleurd: “Jullie schenken je kinderen goede gaven”. En daar weer bovenuit zien we het derde vlak, dat helemaal licht is: “hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de Heilige Geest geven aan wie Hem er om vragen”.

Laten we beginnen een kijkje te nemen op het laagste vlak. Wat klinkt dat somber! “Jullie, die slecht zijn”. Het ergste is, dat Jezus dit niet alleen tegen de omstanders zeggen moet, maar ook tegen u en mij, tweeduizend jaar later! Als een ander dat nou tot ons zegt, och, wat geef ik er om. Er wordt zo veel gezegd! De mensen zijn boos en slecht. Ik zou het nog kunnen beamen ook! Mensen en de wereld zijn inderdaad slecht en bedorven. Daarom is er ook zoveel verderf en narigheid en onrecht in de wereld. Natuurlijk, zou ik zeggen, je hebt gelijk! De mens is slecht. “Homo homini lupus!” Zo luidt een Romeins gezegde, d.w.z.: de ene mens is voor de ander een wolf. Egoïsten zijn we, anders niet. De psychologie van onze tijd doet daar nog een schepje bovenop. Ieder mens leeft op een beerput, dat is zijn onbewuste. Een soort van moeras, waaruit allerlei giftige dampen opstijgen. Een donker gebied, waaruit de meest smerige gedachten en verlangens omhoog komen. In oude sagen wordt verteld van klokken, die op de bodem van moerassen liggen en nooit meer naar boven kunnen worden gebracht. Maar vaak, als het ’s nachts stormt, beginnen die verzonken klokken te luiden. Zo zijn er verlangens en gedachten die we in ons bewustzijn diep hebben weggestopt, maar die toch soms ineens weer naar boven komen en zich dan behoorlijk laten gelden!

Zo kun je best de stelling verdedigen, dat de mens boos is. Maar het is een stelling, die ook weer bestreden kan worden. Ik denk aan de oude tegenstelling tussen de kerkvaders Pelagius en Augustinus. Dan heb ik het over de vierde eeuw na Christus, dus heel lang geleden. Pelagius beweerde dat de mens een vrije wil heeft en van nature goed is. Hij is immers geschapen naar het beeld van God! Maar Augustinus hield vol, dat de mens gebonden is aan het kwaad, dat al in het Paradijs bij de val van de mens in de wereld gekomen is. De mens is een zondig wezen van den beginne af aan! Het is zoals Paulus het zegt: “Als ik het goede wil doen, is het kwade mij nabij”.

Toch is de gedachte van Pelagius blijven voortleven onder de mensen. Ik denk aan de Franse wijsgeer Rousseau, die ons enkele eeuwen geleden weer voorhield: “Retour a la nature!”: Terug naar de natuur, waar het leven nog goed en ongeschonden is. Veel theologen, ook in onze moderne tijd, zijn hem nagevolgd. Zij vinden, dat de mens zo slecht nog niet is! Die mens wordt wel eens vergeleken met een stoffige munt: als je het stof er af veegt, komt de beeldenaar weer te voorschijn m. Menigeen zal vandaag zeggen: “De mens slecht? Ach kom, in elke mens zit toch ook iets goeds!” Op dat punt valt er dus nog heel wat te redeneren. Trouwens, ik heb ook mensen van goed orthodoxe huize de hele avond in zware bewoordingen over de absolute verdorvenheid van de mens horen praten en zuchten, terwijl toch niet merkbaar was dat hun kopje koffie en borreltje er iets minder om smaakten, Dat is dus allemaal maar de buitenkant. Het is hoe je ’t bekijkt! Je kunt er over praten, maar het raakt je niet echt. Maar nu komt Jezus tot ons en zegt recht voor de raap; “JE BENT SLECHT”. Daar schrik je toch wel even van, u niet? Want als Hij het zegt, dan moet het toch wel waar zijn. Als Hij het zegt, Hij, Die geen zonde heeft begaan, Die altijd bezig was met de dingen van Zijn Vader, Hij, Die gehoorzaam was tot in de dood en Zich opofferde voor de mensen. Als Hij dat tot mij zegt, dan voel ik me staan op een donker hellend vlak. Daar staan we dan met z’n allen!

Maar Jezus’ Woord brengt ons ook op het tweede vlak, een opgaand vlak, zeg maar: het tweede niveau. “Jullie, die slecht zijn, weten toch goede gaven te geven aan jullie kinderen”. Onder het puin van de menselijke slechtheid ontdekt Jezus toch nog iets goeds in de mens. Hoe slecht we ook zijn, er zijn toch dingen die wij mensen niet kunnen doen. Een vader kan onmogelijk, wanneer zijn hongerige kind hem om brood vraagt, hem een steen geven, en als hij om vis vraagt, hem een slang geven. Een vader zou nog liever het brood uit zijn eigen mond sparen dan zijn kind honger te zien lijden, is ’t niet? Het spreekt van zelf, dat ouders voor hun kinderen het goede zoeken, ja, met hen het allerbeste voor hebben. Heel veel ouders liggen krom voor hun kinderen.

De bekende Vlaamse schrijver Anton Coolen vertelt in een van zijn boeken over een krankzinnige vrouw, die met een groot broodmes de hele dag voor haar huis staat. Niemand waagt het om haar dat mes af te nemen. Dan komt men op het idee om haar jongste kind te halen, die bij de buurvrouw is ondergebracht. Het kind is wat schuw en angstig bij het zien van al die mensen. Het huilt. Langzaam duwen ze het kind naar voren. Vol spanning wachten allen af wat er gebeuren gaat. Even staat het kind stil, dan holt het op zijn klompjes naar de moeder toe. Dreigend staat daar de vrouw met het mes. Maar dan heeft ze alleen maar oog voor het “schreiende jongske”. Ze laat het mes vallen en ze hurkt neer, ze sluit het manneke in haar armen. “Mijn bloeike” zegt ze, “ze zullen oe niks doen”. In de donkere nacht van krankzinnigheid is er toch nog één lichtstraal!

En nu het derde vlak. Als ’t bij mensen al zo is, HOEVEEL TE MEER bij de Vader in de hemel. Als zelfs slechte mensen nog iets goeds kunnen doen, dan toch zeker God wel. Hij, Die zo goed is!

‘HOEVEEL TE MEER!’ Het klinkt als een juichtoon. Er zit hemelse muziek in! Hoeveel te meer, dat is: des te meer, ALLES meer. In het derde vlak is alles licht. Het licht, dat heen wijst naar de hemelse Vader. Wat klinkt dat intiem. Jezus was ook intiem met Zijn Vader. Hij zei “Abba” tegen Hem, en wij mogen dat ook doen, zegt Hij. Immers zoals Hij uit de Vader is, zo hebben ook wij het leven uit God. Wij zijn van Zijn geslacht. En dat is eenvoudig nooit uit te wissen. Daarom bidden wij ook “Onze Vader, Die in de hemel is…”. Er is misschien wel veel tussen ons en God gebeurd. Net zoals de verloren zoon uit de gelijkenis hebben ook wij misschien ook wel eens gezegd: “geef mij het erfdeel, dat mij toekomt”. Zo hebben wij ons losgemaakt van God en het leven in eigen hand genomen. Maar Hij laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen. Hij is de altijd zoekende, en Hij blijft Zijn hemelse gaven aan ons geven, dat wat we nodig hebben, elke dag.

Wij mensen staan daar hongerend. We hongeren vooral naar de vervulling van ons leven. Dat het maar een beetje zin mag hebben! We hongeren vooral ook naar God, want we voelen best in ons zelf dat we God zijn kwijt geraakt en dat daarmee in ons leven alles op lossen schroeven is komen te staan. We horen Jezus’ stem: “De mens leeft niet van brood alleen, maar van alle Woord, dat uit de mond van God uitgaat”. We geven de kinderen toch ook brood en geen steen, vis en geen slang. HOE VEEL TE MEER ZAL God ons geven wat wij nodig hebben. En dat is in de eerste plaats de Heilige Geest. De Heilige Geest, die Gods Woord tot leven brengt in ons leven. Hij Zelf is dat Woord. Hij staat daar voor ons als de goede gave van God, de beste gave die ons hart maar verlangen kan. Goede gaven kunnen alleen neerdalen in een hart, dat er open voor staat. En wat is bidden anders dan: je hart openstellen voor God? Bidden is niet een verlanglijstje uitspreken van dingen die we min of meer nodig hebben of menen te hebben in ons leven. Bidden is niet God onder druk zetten, soms zelfs chanteren. Wij hebben eenvoudig niets te commanderen tegenover God. Bidden is dat, waarvan de Psalmdichter (Ps.25, 7) spreekt:

D’ ogen houdt mijn stil gemoed
Opwaarts om op God te letten

Bidden is luisteren, eerbiedig luisteren, letten op God, op wat Hij ons wil zeggen. Niet schreeuwen, niet jammeren, niet klagen, maar gewoon luisteren! Het bidden van veel mensen gaat op in het roepen: “Hoor, Heer, Uw knecht, Uw dienstmaagd, spreekt.” Maar in het diepste bidden is het juist andersom: “Spreek, Heer, Uw knecht, Uw dienstmaagd, luistert!”

Laten we in de stille tijd, die voor ons ligt, de Lijdenstijd, ons hart openstellen voor Hem, Die Zijn leven voor ons gegeven heeft.  Dan zullen ook wij de goede gaven ontvangen van de hemelse Vader, ja, Zijn allerbeste gave aan ons: onze Heer Jezus Christus.

O, wij arme zondaars, bedelaars onrein,
Die in zond’ ontvangen en geboren zijn,-
Onze schulden brachten ons in zo grote nood,
Dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.
Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
Mens onder de mensen, en ons vrijgekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid,-
Wij waren verloren in alle eeuwigheid.

AMEN

Een profeet uit uw midden

Het profetische woord, hoe velen voelen zich nog daartoe geroepen? Is deze roeping uitgestorven?

Deuteronomium 18, 15
“Een profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik ben, zal de Here, uw God, u verwekken.”

Waarom heeft het volk zo’n profeet nodig? Om tweeërlei reden. Kijken we eerst naar wat aan onze tekst vooraf gaat: de verzen 9-14. Daar staat, dat het volk, wanneer het in het beloofde land gekomen zal zijn, niet moet gaan leven naar de gruwelen van de inheemse volken. Bedoeld wordt daarmee de gewoonte van waarzeggerij, het duiden van tekenen en sterrenbeelden, het uitleggen van voortekenen door tovenaars en bezweerders enz., heel het patroon van het toenmalige heidense leven. Alleen toenmalig? Nou, ik denk van niet. Ook vandaag komt het weer meer en meer voor. Heidense symbolen zoals de swastika, het hakenkruis, sterrenbeelden, glaasje-draaien, allerlei paragnostische ervaringen zijn actueel. “Ieder, die deze dingen doet, is de Here een gruwel” (vs.12). Dat is de ene achtergrond van de belofte, dat er een profeet zal komen. Het volk zal waarzeggerij en zo dan niet meer nodig hebben, want God zal voorzien door middel van die profeet. De andere reden vinden we in de verzen, die op vers 15 volgen: hier wordt teruggegrepen op het verleden, de situatie uit Exodus 20 en Deuteronomium 5: de wetgeving op de Sinai, toen het volk de stem van de Heer gehoord had uit het midden van de duisternis. Terwijl de berg stond in een brand van vuur, zei het volk tot Mozes: “dit vuur zal ons verteren, daarom spreek jij met God en dan met ons, dan zullen we het horen en doen.” In de persoon van Mozes had het volk dus een middelaar, een tussenpersoon. Maar hoe dat straks, als het volk in het beloofde land Kanaän zal zijn gekomen? Zonder Mozes nota bene, want Mozes wist dat hij het beloofde land niet in mocht komen! Geen nood! Want God Zelf zal daarin voorzien, Hij zal een middelaar zenden in de persoon van een profeet. “Ik zal Mijn Woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hem zeggen, wat Ik hem gebied” (vs.18).

In beide gevallen wordt de zwakheid van het volk zichtbaar, het volk dat zo kwetsbaar is, zo gemakkelijke heidense gebruiken en gewoonten aanneemt, zich daardoor laat verleiden van God af te vallen; het volk, dat ook tegenover God zo zwak staat en een Middelaar nodig heeft. Tegenover dit zwakke volk nu komt God met Zijn genade, Zijn nabijheid in de persoon van een profeet en in het woord van die profeet. Daarin zal steeds weer de barmhartigheid en goedheid van die machtige in het vuur wonende God merkbaar worden. Het volk hoeft niet bang te zijn en zich ook niet verlaten te voelen in dat nieuwe land, zonder de machtige leider die Mozes geweest is, want God Zelf zal met hen zijn. Is dat ook niet de boodschap voor ons vandaag? God komt tot ons en is ons nabij in de Persoon van Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus. In de komst van Christus vervult God de belofte uit Deuteronium 18. Luther en vele anderen met hem hebben dat ook zo gezien. Trouwens, wordt Jezus niet ook door het volk Israël als profeet gezien? Verschillende teksten in de Evangeliën wijzen daarop bijvoorbeeld de reactie van de mensen in Mattheüs 7, toen Jezus de jongeling uit Naïn had opgewekt: “En vrees beving allen en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en : God heeft naar Zijn volk omgezien”. In ieder geval wordt in Deut.18 in de redevoering van Mozes beloofd, dat er een machtige profeet zal komen, misschien zelfs dat er altijd een profeet zal zijn om het volk te leiden en de openbaring van God door te geven. En of Jezus nu die profeet is, waarop hier gedoeld wordt, of Hij is de laatste in de rij van de profeten, waarop in onze tekst gezinspeeld wordt, zeker is in ieder geval, dat Jezus de profeet bij uitstek is, die ons de woorden van God uitlegt, ze voorleeft en daarin Gods liefde en genade voor mensen ons nabij brengt. Hij is het vleesgeworden Woord van God!

Net als de andere profeten is Hij mens, door God gegeven om de boodschap van God te verkondigen en het volk daarmee te leiden en God nabij te brengen.

Net ook als de andere profeten is Hij broeder onder de broeders. Hij is uit het midden van het volk en spreekt de taal van het volk. Hij is onze Broeder en is ons als zodanig heel dicht nabij, midden onder ons.

Net ook als de andere profeten heeft hij de opdracht het werk van Mozes voort te zetten, d.w.z. om Middelaar te zijn, namens God en vóór het volk, en namens het volk vóór God. Hij is als ’t ware “ambtelijk” bezig. Het gaat daarbij niet om de persoon in eerste instantie, maar om Zijn werk, Zijn ambt: God en volk elkaar nabij te brengen, met elkaar te verzoenen, God Zijn recht geven en het volk tot zijn recht te laten komen. Dit “middelaarswerk” vinden we in het hele Oude Testament terug. Denken we aan Samuel, Elia, Elisa, De Godsknecht uit Jesaja, de komende Messias, de eindtijdelijke profeet, door de profeten Jesaja, Micha en Zacharia aangekondigd. Altijd heeft God voor Zijn volk gezorgd. Altijd heeft God voor Zijn volk gezorgd. Het Woord van God, Zijn openbaring, vooral als gebod en genade, is te midden van het volk, van het begin af aan! God roept profeten om dit Woord door te geven. Denken we aan de roeping van Samuel, Jesaja en later ook Paulus. En het is nóg de opdracht van de Kerk de boodschap door te geven, om te verkondigen Gods recht en Zijn liefde, Zijn nabijheid ook: “Zie, Ik ben met u, tot aan de voleinding der wereld.” Het profetische woord, hoe velen voelen zich nog daartoe geroepen? Is deze roeping uitgestorven? Of verstaat de Kerk zijn opdracht niet meer? Zijn we met z’n allen te veel overgeleverd aan de verleidingen van de wereld en aan de gevaren daarvan bezweken? De toverij van de moderne techniek, de uitlegging van voortekenen door de moderne profeten van de natuurwetenschap?

Eén ding is zeker: ook voor vandaag geldt het Woord van God: “Ik zal u een profeet verwekken en zijn Woord zal u voldoende zijn… De man, die niet luistert naar de woorden, welke hij in Mijn naam spreken zal, van die man zal ik rekenschap vragen”. In Jezus hebben we deze profeet gekregen. Hij is gekomen en Hij komt. In Hem daalt God tot ons af. Hij blijft Zijn volk, dat is Zijn Gemeente, trouw. Hij blijft bij ons, omdat we Hem zo hard nodig hebben. Maar, dan moeten wij ook bij Hem blijven! Dan moeten wij ook Zijn Woord trouw blijven en Zijn liefde met de onze beantwoorden. Dat is Gods wil. Daartoe zendt Hij de profeet. Naar Hem moeten jullie luisteren! Op Hem moeten jullie horen! Daartoe is Christus op aarde gekomen om ons tot God terug te brengen, daarin ligt onze redding! Wie niet luistert, van hem of haar zal ik rekenschap vragen, zegt God. Wij staan hier voor de grote beslissing: leven of dood. Slechts twee wegen zijn er, er is geen tussenweg. Je kunt met God niet marchanderen! In het Woord van de profeet, dat is het vleesgeworden Woord van Christus, is het leven. Daarbuiten is alleen maar dood. “Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wie Ik een welgevallen heb”, zo spreekt God van Hem,” luistert naar Hem!”

Ja, luistert naar Hem, die gekomen is en komt, ook tot ons!

AMEN.

Het uur is aangebroken

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan?

Romeinen 13, 11-14
“Het uur is voor u aangebroken om eens te ontwaken uit de slaap, de nacht loopt ten einde, de dag is nabij.”

Elke dag, die we beleven mogen, brengt ons dichter bij het einde van tijd en wereld. Dat mogen we wel eens bedenken! Ook onze tekst staat in het teken van de eindtijd: het uur is voor u aangebroken! Het Griekse woord “kairos”, dat we vertalen met “uur” is een typisch woord van de apostel Paulus. Het heeft vooral de betekenis van “het beslissende ogenblik, het ogenblik van God gegeven, door God vastgesteld”. Ook bij Johannes vinden we deze bijzondere betekenis. Denk maar aan de bruiloft van Kana (Joh.2), waar Jezus tegen Zijn moeder zegt: “Mijn uur is nog niet gekomen”. En vlak voor Zijn dood bidt Jezus in het “Hogepriesterlijk gebed” (Joh.17): “Vader, het uur is gekomen; verheerlijk Uw Zoon, opdat Uw Zoon U verheerlijke.” Het is dus Gods tijd, de tijd van Gods ingrijpen, de heilstijd. Het is ook het “heden” van het Evangelie: “Heden, zo gij Zijn stem, hoort” (Hebreeën 3, 7 en 15; een aanhaling van Psalm 95, 7b). Het beslissende moment om voor God te kiezen! “Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet!”

Paulus doet hier een beroep op de Gemeente te Rome. Zij weten immers al van het Evangelie. Welnu, dan moeten ze ’t ook laten zien! “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het nu voor u het uur is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen van het licht”. De nadruk ligt hier op het weten om de tijd, Gods tijd, de heilstijd, de eindtijd, waarin Gods uur is aangebroken. Wij moeten weten, dat Gods uur geslagen heeft, zouden we nu zeggen. Het is belangrijk, dat ook wij dat beslissende uur onderkennen. Paulus zegt als ’t ware tot ons: als jullie die tijd niet kennen, de tijd die ligt in de verkondiging van Christus’ boodschap, de tijd van het hier en nu, de in Christus vervulde heilstijd, die de duistere macht doet wijken en de Paasmorgen doet komen, de tijd waarop de profeten reeds gewezen hebben: “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op” (Jes.60,1), de tijd van het ontwaken en opstaan ook voor ons, dan wordt het voor jullie niks met elke nieuwe dag, die je beleven mag! Dan blijft alles, wat jullie zullen doen en zeggen krachteloos en zinloos. Jullie zullen dan met blindheid geslagen zijn, alsof je het uur niet kent, dat met Jezus’ komst geslagen heeft. Jullie situatie lijkt dan op de mensen uit Mattheüs 16, die het uiterlijk van de hemel weten te beoordelen, maar de tekenen der tijden niet verstaan.

Elke nieuwe dag brengt ons niet alleen dichter bij de eindtijd, maar mag ook al iets laten zien van de heerlijkheid, die dan over ons geopenbaard zal worden. Zoals de oude Simeon getuigde in Lukas 2, 32: “licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid over Uw volk Israël”. Immers het heil, dat wij in de eindtijd verwachten, is reeds aangebroken door de komst van Christus op de aarde, door Zijn sterven en opstanding. De “Kairos” is er reeds, elke nieuwe dag. En daarom moeten we “de tijd uitkopen”, zoals Paulus zegt in Efeze 5, 16. “Daarom heet het: Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” (Efeze 5, 14). God geeft ons elke dag tijd om voor Hem te kiezen. Ken die tijd! Laat elke levensdag vooral voor ons veel “kairoi” hebben: momenten van geloofsbeslissing. Laten wij toch vooral mensen zijn, die “ja” zeggen tegen God en met Hem mee gaan doen in Zijn heilswerk voor mens en wereld. Wij zijn mensen, die leven in de nacht, maar de morgen al zien komen. Het oude is voorbij, ziet… het wordt alles nieuw! “Want Hij zegt: ten tijde des welbehagens heb ik u verhoord en ten dage des heils ben ik u te hulp gekomen; zie, nu is het de dag des heils!” (1 Kor. 6, 2).

In Galaten 6, 4 zegt de apostel het zó: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw…” NU, elke dag in ons leven, is het volle tijd, door Christus vervulde tijd, heilstijd! Laten we dat toch elke dag weer opnieuw beseffen! Het wordt tijd om wakker te worden en op te staan. ONTWAAKT, GIJ DIE SLAAPT. In het Nieuwe Testament wordt vaak over het moe worden, het inslapen en dromen gesproken, in die zin, dat er voor gewaarschuwd wordt. We lezen over de slapende knechten in de eindtijd-rede uit Markus 13, de dwaze meisjes uit de gelijkenis van de tien maagden (Math. 25), de in slaap gevallen discipelen in de hof van Getsemane. “Ontwaakt gij die slaapt!”

Ook in de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen (5, 6) roept de apostel zijn Gemeenteleden toe: “wij behoren niet aan de nacht noch aan  de duisternis toe; laten we dan niet slapen zoals anderen doen, maar laten wij waken en nuchter zijn”. Paulus argumenteert hier vanuit het nieuwe zijn van de Christen, zijn nieuwe bestemming dank zij Gods genade, die ons ten deel is gevallen. Vandaar: wees wie je bent! Gods actieve knecht of dienstmaagd! Beter nog: word wat je al bent! Een door Christus vrijgekochte slaaf of slavin. Dat moet je laten zien in alle aspecten van je leven. De slaap kan hier alleen maar een belemmerende factor zijn. Slaap verleidt tot passiviteit, tot dromen, tot vervalste en bedrieglijke beelden. Daarom moeten we ontwaken en de werkelijkheid, waarin we staan in Jezus Christus, gaan beleven. Het is vooral het ontwaken uit de duisternis, de macht van dood en doodsangsten, satanisme en goddeloosheid, dat ons bezig houdt en waarin we elkaar misschien ook kunnen helpen. Zouden we elkaar daarin ook niet wat wegwijs kunnen maken? Van de duisternis naar het licht? Als we elke dag dichter bij de eindtijd komen, dan mogen we er toch ook wel eens serieus rekening mee gaan houden en proberen daar wat mee inzicht in te krijgen, vindt u ook niet?

Hoe ziet het ontwaken van een Christen er vandaag uit? Uit welke nacht moeten wij ontwaken? Tot welke dag mogen wij opstaan? Geldt dat alleen voor ons persoonlijk of juist ook voor de grotere samenhangen van maatschappij, kerk en samenleving, rassen en volken? Waarin zien we dat de nacht ten einde loopt en de dag nabij is? Hoe kunnen we het ook zelf laten zien? De tijd is kort, en duurt toch al zo lang, hoe lang nog?

Niet vergeten: het doek IS opgegaan , Jezus IS gekomen, de dag IS al aangebroken, of zoals een bekend theoloog eens schreef: het is reeds D-day (de invasie in Normandië), maar Victory-day moet nog komen. De wereld staat in al zijn voegen te trillen, grotere en diepere scheuren ontstaan, de nacht is ver gevorderd… de dag is nabij! Mensen mogen ontwaken, want het Licht is gaan gloren: Jezus, Die zei: Ik ben het Licht der wereld! Wij leven in een lichtend perspectief, laat dat ons elke dag weer duidelijk zijn. En laten we dat Licht weerkaatsen, het waarachtige Licht, dat iedere mens verlicht, dat komende was in de wereld (Joh.1)… TOEN en NU!

Geroepen tot het licht

Ik ben blij dat de genade van het geloof in de liefdevolle God mij pas is overkomen toen ik niet meer bang voor Hem hoefde te zijn.

Deze keer een preek, gehouden in de Vredeskerk te Amsterdam, van mijn Franciscaanse broeder LEO JACOBS ofs.

Mattheüs 4, 12-23
Schriftteksten: Jes.8: 23b – 9: 3, Ps.27, 1 Kor.1:10 – 13 + 17, Mt.4: 12 – 23.

Waarschijnlijk konden zij niet eens lezen, de vier eerste geroepenen door die heel bijzondere Mens, die zij blijkbaar zonder enige aarzeling volgden en in wie zij de “Massiach”, de Gezalfde hebben herkend. En de tekst uit Jesaja, met die voorspelling van dat heldere licht dat een heel volk, dat in duisternis dwaalt, zal verlichten, die profetie konden zij zeker niet lezen want die werd geschreven in klassiek Hebreeuws en deze eerste vier apostelen spraken waarschijnlijk alleen de taal, die in die tijd het hele midden- Oosten sprak, het Aramees, en dat is een heel andere taal. En het evangelie volgens Matteus, waarin de woorden van Jesaja worden aangehaald  –  dat evangelie moest toen nog geschreven worden. En toch, zo maar, boing, volgden die vier ongeletterde vissers de Zoon des mensen.

Zou iemand van jullie het doen? Zou ik het zelf doen? Je ontmoet hier iemand op het Vredeskerkplein, een wat merkwaardig type, of misschien juist een heel betrouwbaar uitziend persoon, zo iemand als Pierre Valkering, en die zegt tegen je: “geef alles op en volg mij; ik maak je een visser van Amsterdammers”. Ik zou minstens even willen nadenken en er in elk geval met mijn vrouw over moeten praten. Maar ik ben ook geen bezitloze visser. Het zal ons waarschijnlijk vergaan als die rijke jongeling, die zo graag Jezus wilde volgen en zich keurig hield aan alle mitswoth, aan alle geboden, maar helaas ook heel rijk was. Hij werd diep treurig (Mt 19: 21-24). Jullie, en ik ook, ik denk dat wij in materiele zin meer te verliezen hebben dan die vissers. En de meesten van ons zijn ook wat ouder.

Waren die mannen 18 of 21 jaar? Op die leeftijd stort je je gemakkelijker in een avontuur. En toch: wat heeft deze 4 mannen zo snel over de streep getrokken? Het antwoord, dat de schriftteksten geven, Jesaja en Matteus, is, dat zij het Licht zagen, het Licht dat zo mooi verwoord is in de psalm van daarnet. En die teksten over het Licht  –  die deden mij denken aan wat mijzelf overkwam, bijna 14 jaar geleden. Tot die gedenkwaardige dag in maart 1997 had ik mijzelf altijd voor een ongelovige gehouden, actief in de linkse politiek en zonder enig geloof in God. Totdat DAT mij overkwam, ja, NB tijdens een wintersportvakantie in Frankrijk  –  toen mij in een flits duidelijk werd dat God bestaat. Een onbeschrijfelijke mystieke gelukservaring, waarvan ik behoorlijk ondersteboven was.

Ik wist aanvankelijk niet wat ik er mee aan moest en hield het voor mij. Mijn gezin had wel gemerkt dat er wat was, en na enkele maanden heb ik opgebiecht: ik geloof in God. Toen begon het kruisverhoor. Mijn jongste zoon vroeg heel rechtstreeks: “wat is dat dan, concreet, wat is God? Concreet!” Dat was lastig: je weet precies wat je gelooft maar dat beschrijven aan iemand die deze genade niet ontvangen heeft  –  ik kon niet veel meer uitbrengen dan “Licht. God is voor mij Licht.” Voor mijn zoon was het een weinig bevredigende uitleg. Ik vind het nog steeds moeilijk te verwoorden. Die vier vissers daar in het land van Naftali, aan de oever van het meer van Kinnereth, oftewel Galilea, die hadden blijkbaar dus geen beschrijving nodig.

Jezus was voor hen het Licht waarop hun volk al eeuwen wachtte. Zoals God voor mij het Licht was, waarop ik – dat weet ik nu – onbewust ook zat te wachten. Dat is geen tegenstrijdigheid, want God de Vader en Zijn Zoon vormen met de H. Geest een eenheid, zoals de kerk ons leert. Maar laat ik niet afdwalen: waren die vissers de eersten, die in Jezus het Licht der wereld herkenden? Nee: zo zag de zeer bejaarde Simeon het vlak voor zijn dood ook al, toen Maria en Jozef de tempel betraden om de piepjonge eerstgeborene op te dragen aan de Heer (Lc 2: 32). “Een Licht dat voor de heidenen straalt,” zei Simeon; m.a.w.: toen al was bekend dat Jezus er was voor de hele wereld en niet alleen voor het eigen volk van Israël. Dat was a.h.w. al een begin van het nieuwe verbond.

***

Die vier vissers lieten hun broodwinning, en de laatste twee ook hun vader voor wat het was, en volgden Hem, zonder zich af te vragen of er ’s avonds brood op de plank zou zijn. Eigenlijk zou je het hele Nieuwe Testament samen kunnen vatten in die zin: “Komt, volgt Mij; Ik zal u vissers van mensen maken.” Jezus vraagt in die korte tijd, dat hij de blijde boodschap aan Israël verkondigt, steeds weer Hem te volgen. En alles op te geven. Stel dat je die roeping volgt  –  hoe ritsel je dat in onze moderne consumptiesamenleving? Verlangt Hij werkelijk in alle radicaliteit van ons om alles op te geven?  Ik zou het niet kunnen. Maar er bestaat naast “Licht” nog een andere karakteristiek voor zowel de Vader als voor de Zoon: onvoorwaardelijke liefde.

Dat klinkt vrij abstract, tenzij je het hertaalt in liefde zonder voorwaarden.  Jezus vraagt veel van ons, maar als wij dat niet kunnen opbrengen  –  dan blijft Zijn liefde onvoorwaardelijk. Betekent die onvoorwaardelijkheid dat God niet straft? Onder het oude verbond wordt flink gestraft, zo lezen wij in het oude testament. Maar wij leven nu onder het nieuwe verbond. Jezus kwam om de verstoorde liefdesrelatie tussen God, Zijn Vader en Diens kinderen, de mensen te repareren. De wraakgierige God is in Christus een vergevende God geworden. Dat is een wezenlijk verschil met de God van bijvoorbeeld godsdiensten, welks aanhang afvalligen en andere vermeende zondaars stenigt, vermoordt, die de heilige oorlog predikt, kortom: die geweld stelt boven vrede-lievendheid.

Jezus zegt dat geen tittel of jota uit de wet zal verdwijnen, maar vervolgt: voordat alles geschied is. En Hij zegt ook: wet en profeten golden tot Johannes; sindsdien wordt de Blijde Boodschap van het Rijk Gods verkondigd (Mt 5: 17- 18, Lc 16: 16- 17; zie ook Gal 3: 23-25).  Er zullen er onder u heel wat zijn, die opgroeiden in zo’n ouderwets rooms gezin, waar de kinderen vreesden voor elk klein vergrijp de vlammen van vagevuur of hel te moeten doorstaan. Ongetwijfeld hadden ouders en priesters met die bangmakerij de beste bedoelingen, en uiteraard onthoud ik mij van een oordeel (Mt 7: 1), maar ik ben blij dat de genade van het geloof in de liefdevolle God mij pas is overkomen toen ik niet meer bang voor Hem hoefde te zijn (1 Joh 4: 18).

Jezus weet best dat wij nooit Zijn heiligheid zullen bereiken. Dat begint al met Petrus, wiens geest soms verblind is (Mc 6: 52); die Hem op het laatst maar liefst drie maal verloochent. Toch zal Petrus de hoeksteen van Zijn kerk worden. Wij kunnen wel ons best doen. Kleine zonden, niet bijvoorbeeld seksueel misbruik, maar kleine, helaas weer wel wijdverbreide zonden zijn bijvoorbeeld het geürm over de veronderstelde onveiligheid, en de klaagzang dat het in ons land steeds slechter zou gaan. Die ontevredenheid heeft iets zondigs, ook al omdat alle statistieken uitwijzen dat ons land nooit zo veilig is geweest als heden ten dage, dat Nederland rijker is dan ooit en dat het enige negatieve aspect aan die welvaart is, dat niet iedereen ervan profiteert: de kloof tussen arm en rijk neemt toe.

Formeel staat ontevredenheid niet als zodanig onder de zeven hoofdzonden, maar ik denk dat het heel goed past in het rijtje gierigheid, nijd, gramschap en gulzigheid. Hoe gaan wij om met al onze slechte eigenschappen? Van de Braziliaanse bevrijdingstheoloog en voormalig Franciscaan Leonardo Boff citeer ik:

Als je de roep van de Geest hoort, geef er dan gehoor aan en probeer met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten heilig te worden.

Wanneer wegens menselijke zwakheid het je niet lukt heilig te worden, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en met al je krachten volmaakt te worden.

Maar als je vanwege de ijdelheid van je leven er niet in slaagt volmaakt te worden, probeer dan met heel je ziel en je hart en met al je krachten goed te worden.

Als evenwel door de hinderlagen van de boze het je niet lukt goed te zijn, probeer dan met heel je ziel, met heel je hart en al je krachten verstandig te worden.

Wanneer tenslotte vanwege het gewicht van je zonden je er niet in slaagt heilig, volmaakt, goed of verstandig te worden, probeer dan deze last voor God te dragen en geef je leven over aan de Goddelijke Barmhartigheid.”*

***

Zou het kunnen zijn dat de 4 eerste apostelen dat zo direct herkenden in Jezus: de Goddelijke Barmhartigheid? Drie van hen, Petrus, Andreas en Jakobus, stierven volgens de overlevering niettemin de marteldood; bloedgetuigen dus. Vaak wordt dat in de taal van de kerk beschreven als “zij werden verheerlijkt in God” of woorden van gelijke strekking. Ik heb daar moeite mee. De marteldood zie ik als iets gruwelijks. Hoe het met Johannes afliep  –  dat weten wij niet. Er bestaat een mythe dat hij was aangekomen in de toen bloeiende gemeente van Efeze en daar zou hij voor de voltallige gemeente, omstraald door een oogverblindend licht, met ziel en lichaam zijn verheven in Gods heerlijkheid.

De kerk is niet blij met deze legende. Maria wordt in Efeze vereerd, en dat vindt Rome al moeilijk genoeg. Het schijnt, dat van Johannes geen graf bekend is, en dat van hem evenmin relikwieën worden aangetroffen. En de veronderstelde Hemelvaart lijkt wel erg op de manier waarop bijvoorbeeld Jezus in Joh 12: 32 aanzegt te zullen opstijgen en die ruim zes eeuwen later werd geïmiteerd door Mohammed, die op enigszins vergelijkbare wijze wordt meegenomen naar de hemel vanaf de rots in Jeruzalem. Maar waar of niet waar  –  omstraald door licht, door het Licht te worden opgenomen in Gods koninkrijk  –  is er iets mooiers denkbaar? “Vuur ben ik op aarde komen brengen” zegt Jezus (Lc 12: 49). Vuur geeft warmte en vooral ook: licht. Bidden wij dat het Licht ons blijft verlichten bij onze armzalige pogingen Hem te volgen, Adonai Elohenoe, amen.

* in “Sint Franciscus van Assisi “Tederheid en kracht” p.154

Preek, gehouden in de Vredeskerk te Amsterdam, van mijn Franciscaanse broeder LEO JACOBS ofs.

Nu is het de dag des heils

Paulus zingt in 1 Kor.13 van de liefde, die alle dingen doordringt: “alles bedekt zij, alles geloofd zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij… Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde”.Waar heeft Paulus dat geleerd? Dat zingen en die liefde?

2 Korintiërs 6, 2
Zie, nu is het de tijd des welbehagens, zie, nu is het de dag des heils.

Wat een machtig Schriftgedeelte is dat, dat woord van Paulus! Steeds krachtiger wordt zijn taal, steeds schriller warden de contrasten, als hij spreekt over het Christelijke leven. Tot hij het hoogtepunt bereikt in de paradoxen van de slotzin: “als bedroefd, maar altijd blij; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend, en toch alles bezittend”.

Het leven van een Christen is vol spanningen, vol tegenstellingen ook. Precies zoals we dat bij Paulus zien: een leven vol lijden, vol teleurstellingen, maar ook vol vreugde, omdat zijn leven bezield is van één groot verlangen: de genade van de Heer te mogen ontvangen en dichter bij Jezus te komen. Daarom kan Paulus in alle verschrikkingen toch nog zingen, het hooglied van het apostelleven. Daarom kan hij in 1 Kor.13 zingen van de liefde, die alle dingen doordringt: “alles bedekt zij, alles geloofd zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij… Zo blijven dan geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde”.

Waar heeft Paulus dat geleerd? Dat zingen en die liefde? Onder het kruis van Christus. Alle werkelijke echte diepe vreugde ontstaat uit het lijden, alle jubel is Paasjubel! En dat is vandaag nog zo, ook in ons eigen leven: alle blijdschap komt voort uit en wordt gedragen door Christus. “Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil”. Het kruis van Christus is onze genade; daaruit mogen wij elke dag leven en zingen.

Hoe ziet zo’n leven onder het kruis van Christus er uit? Het is in de eerste plaats geduldig, in de tweede plaats standvastig, in de derde plaats een zekere houding in alle tegenstand. Het vertoont in alle opzichten een zekere houding, in alle verliezen en teleurstellingen een overvloedige rijkdom en in alle droefheid een triomferende vreugde.

Ten eerste: een geduldige kracht. Wie wil beweren, dat geduld zwakheid is? Nee, geduld is kracht, die volhardt. “Wij doen ons in alles kennen als dienaren van God, in veel dulden, verschrikkingen enz.” Zo schrijft de apostel. “Geduld” is vanuit het Grieks eigenlijk “het er onder blijven” “Er onder” want er zijn dingen “waar over” de mens geen macht heeft, die hij dus over zich heen moet laten gaan. Maar aan de andere kant zit in geduld ook een volharden, altijd dezelfde zijn, in geluk en nood, in voorspoed en tegenspoed, in ziekte en gezondheid, in rijkdom en armoede. “In noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappeen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten…” In dat alles bleef Paulus ongebroken in moed en geloofsblijdschap. Hadden wij maar iets van dat geduld! Wij zijn zo’n zwak geslacht geworden, dat we bijna geen spanningen meer kunnen verdragen, dat we zonder zorgen bezwijken in plaats van er “onder” te blijven en dan in stille volharding er boven uit te groeien met Christus’ hulp. Oudere mensen weten dit vaak nog wel, om dat ze dit vroeger met scha en schande hebben geleerd. Maar voor jongeren is dit abracadabra, ze vinden dit eigenlijk maar “soft”. Totdat ook zij klappen te verwerken krijgen en geen kant meer uit kunnen. Het leven kan soms zo bitter hard zijn, voor oud en jong!

Dan de standvastigheid in alle schommelingen van het leven. Ik denk aanvechtingen, aan gemoedsstemmingen, jaloezie, onbegrip, lange tenen enz. Steeds dezelfde te zijn in de liefde, die alle dingen bedekt, die alles verdraagt, hoe kan een mens dat? Juist, alleen in die liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat! En tenslotte een zekere houding in alle tegenstand. “Onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht”. Vrij te zijn van de mensen, vrij van de omstandigheden, hoe ze ook zijn, alleen maar te rekenen met God en Zijn eer, dat is een geschenk, niet iedereen gegeven. Ook dat is alleen maar te krijgen in de liefde, waarover Paulus in 1 Kor.13 getuigt, dat zij lankmoedig is, goedertieren, niet afgunstig, niet praalziek, niet opgeblazen, dat zij niemands gevoel kwetst, zich zelf niet zoekt, niet verbitterd wordt en het kwaad niet toerekent. Kortom de liefde die van zich zelf afziet en alleen de ander zoekt. Deze liefde hoeft geen rekening te houden met omstandigheden, met mensen, want zij weet dat alleen die ander telt. Dat is zo in het huwelijk, in vriendschappen, in relaties op het werk, met de buren enz. Al wat gedaan wordt uit liefde, dat zal eeuwig bestaan! En wie dat doet, is vrij van de tirannie van omstandigheden en vertoont in alle tegenstand een zekere houding.

Er is ook nog een vierde facet aan de Christelijke levenshouding, zoals Paulus dat ziet: het dragen van je verliezen en je daarin toch overvloedig rijk voelen. “Als arm, maar velen rijk makend, als niets hebbend en toch alles bezittend”. In het voetspoor van de Heer, Die als een veroordeelde aan het kruis stierf en aan Zijn beulen alleen maar Zijn mantel naliet, maar Die daarmee toch aan ons allen de hemelheeft open gesloten en ons de genade geschonken heeft van Zijn hemelse Vader. Nooit is de tegenspraak tussen uiterlijk en innerlijk, tussen de schijn voor de wereld en het zijn in de goddelijke werkelijkheid van de liefde overweldigender aan de dag gekomen dan hier. Maar deze tegenspraak keert nu ook terug in het leven van ons gewone mensen. Het zal u wellicht naar de buiten kant niet altijd voor de wind gaan. Denk dan aan het woord van Paulus: “als niets hebbend en toch alles bezittend”. Wat hebben we al veel rijkdommen ontvangen in ons leven! Niet vergeten! Steeds maar weer zeggen, als het tegenzit: “EN TOCH, EN TOCH!” En toch ben ik rijk, want ik bezit de liefde en genade van God! Een hele hemel is van mij!

Al deze kanten aan het Christelijke leven worden tenslotte bijeengehouden door de triomferende vreugde. “Als stervend, en zie wij leven; getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blij”. Zo ziet ook ons leven eruit. Zo was het, zo is het en zo zal het altijd zijn. Het is de actualiteit van het menselijke bestaan ten voeten uit. Toch kunnen we blij zijn, omdat ons leven geborgen is in Zijn leven. Omdat de Heer is opgestaan! We gaan Pasen tegemoet, en dat maakt ten enen male het verschil. Alleen vanuit de zekerheid dat Hij leeft hebben wij moed voor de toekomst en kunnen wij elke dag blij zijn. Het leven van een Christen heeft het stempel van onoverwinnelijke kracht. Het is niet klein te krijgen, het kan niet kapot, want het is leven in en uit de Heer van het leven, die stervend ons het leven gaf.

Daarom is het NU tijd van het welbehagen, dag van het heil.

AMEN.

Het lied van de heer in ons midden

Omdat Hij niet ver wou zijn is de Heer gekomen. Midden in wat mensen zijn heeft Hij willen wonen. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Overal nabij is Hij menselijk allerwegen. Maar geen mens herkent Hem, Hij wordt gewoon verzwegen. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. God van God en licht van licht aller dingen hoeder heeft een menselijk gezicht Aller mensen broeder. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Wilt daarom elkander doen alle goeds geduldig. Weest elkaar om zijnentwil niets dan liefde schuldig. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Weest verheugd, van zorgen vrij: God die wij aanbidden in ons rakelings nabij, wonend in ons midden. Midden onder u staat Hij die gij niet kent. (Tekst: Huub Oosterhuis.)

De gelijkenis van de wijnbouwers

God heeft ons in het geloof een wijngaard toevertrouwd. En wij moeten daarvan verantwoording afleggen. Kunnen we ons zelf en onze levenswandel verantwoorden, als Hij ons bij Zich roept?

Lukas 20, 9-19

9 Hij richtte zich nu tot het volk met deze gelijkenis: ‘Iemand legde eens een wijngaard aan; hij verpachtte hem aan wijnbouwers en ging voor lange tijd naar het buitenland.
10 Toen het er de tijd voor was, stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers gaven hem een pak slaag en stuurden hem met lege handen terug.
11 Hij zond nog een andere slaaf, maar ook die gaven ze een pak slaag, ze mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug.
12 Hij zond nog een derde, maar ook die takelden zij toe en ze gooiden hem de wijngaard uit.
13 “Wat moet ik nu doen?” zei de eigenaar van de wijngaard. “Ik zal mijn liefste zoon zenden; hem zullen ze toch wel ontzien.”
14 Maar toen de wijnbouwers hem zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons.”
15 Ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen?
16 Hij zal komen en die wijnbouwers ter dood brengen, en de wijngaard zal hij aan anderen geven.’ Toen ze dat hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’
17 Hij keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan dit schriftwoord: De steen die de bouwlieden hadden afgekeurd, die is de hoeksteen geworden?
18 Iedereen die over deze steen valt, valt te pletter, en als hij op je valt, word je vermorzeld.’
19 De schriftgeleerden en de hogepriesters hadden Hem het liefst meteen opgepakt, ook al waren ze bang voor het volk, want ze begrepen dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)

Deze gelijkenis moet de omstanders van Jezus bekend in de oren geklonken hebben. Het herinnerde immers sterk aan het bekende gedeelte van Jesaja 5:

1 Ik wil zingen voor mijn dierbare vriend,
het lied van mijn dierbare vriend en zijn wijngaard.
Mijn vriend had een wijngaard op een vruchtbare helling.
2 Hij spitte hem om, verwijderde de stenen en beplantte hem met edelwingerd.
Hij bouwde er een wachttoren en kapte ook een wijnpers uit.
Nu verwachtte hij dat hij druiven zou dragen, maar hij bracht slechts wilde bessen voort.
3 Welnu, bewoners van Jeruzalem, mensen van Juda,
doe uitspraak tussen Mij en mijn wijngaard.
4 Wat kon Ik nog voor mijn wijngaard doen
dat Ik niet heb gedaan?
Waarom bracht hij slechts wilde bessen voort,
terwijl Ik verwachtte dat hij druiven zou dragen?
5 Welnu, Ik zal u vertellen wat Ik met mijn wijngaard ga doen.
Zijn omheining haal Ik weg, zodat hij kaal wordt gevreten;
zijn muren verniel Ik, zodat hij wordt vertrapt.
6 Een wildernis maak Ik ervan, hij wordt niet gesnoeid en niet gewied,
distels en doorns groeien er hoog, en de wolken verbied Ik om hem met regen te besproeien.
7 De wijngaard van de HEER van de machten is het huis van Israël,
zijn bevoorrechte planten zijn de mensen van Juda.
Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht,
Hij zag geen betrachting, maar verkrachting van recht.

Willibrordvertaling (herziene editie 1995)

U leest het: dit stuk heeft alles te maken met onze gelijkenis. Er zijn gemeenschappelijke trekken. Het eind verwijst zelfs naar wat er met Jezus gebeurd is: het verhoor voor de Hoge Raad en de kruisiging op Golgotha. Hij hoopte op recht, maar Hij zag onrecht! Geen rechtsbetrachting, maar rechtsverkrachting! De gelijkenis herinnert aan de oordeelsaankondiging, precies zoals de profetie van Jesaja 5. De wijngaard is het volk en de wijngaardeniers zijn de leiders van dat volk. Dat alles is voor de goede verstaanders heel duidelijk. De Heer van de wijngaard, die in het buitenland woont, is God. De knechten, die Hij stuurt, zijn de profeten, en de Zoon tenslotte doelt op Jezus als de Messias.

Aan de gelijkenis kan ook de actualiteit van Jezus’ dagen ten grondslag liggen. Want in die tijd was heel veel land, zeker in Noord-Israël rond het meer van Galilea in buitenlands bezit, in handen van grootgrondbezitters. Zij beschouwden de grond alleen maar als een goed belegging, zoals dat vandaag nog gebeurt, ook in ons eigen land. In de zogenaamde “arme” landen zie je dat overal: de rijken bezitten de grond en de armen kunnen daarop ploeteren. Geen wonder dat zij in opstand komen, want daar ligt een groot stuk onrecht! Er was in Jezus’ tijd ook zo’n opstandig gevoel bij de mensen: de Romeinen moesten het land uit, de grond moest vrij komen voor de eigen Joodse mensen. De oude staat Israël, het koninkrijk van David, moest in ere hersteld worden, De Zeloten, vrijheidsstrijders die zich zo noemden (de “ijveraars”), bereidden een dergelijke opstand voor, en de Galilese boeren waren daar best voor te vinden! ’t Is misschien best wel eens gebeurd, dat zij de knechten van de grondbezitter die om de pacht kwamen, hebben gedood en ook de zoon zelf. Misschien hebben zij gedacht: “daar komt de zoon, de erfgenaam, zijn vader is zeker gestorven en nu is hij de baas. Als wij hem doden, dan is het land van niemand meer en kunnen wij het in bezit nemen.” Er was ook een wet, die dat zei: grond dat van niemand meer is, kun je in bezit nemen, eenvoudig door er een omheining omheen te zetten; wie ’t eerst kwam ’t eerst maalde! In de praktijk zal dat best eens gebeurd zijn. Zo was die gelijkenis, die Jezus vertelde, voor de mensen best interessant. Dat met die zoon van de baas Jezus Zelf bedoeld werd, zullen ze -denk ik – eerst nog niet begrepen hebben. Pas later hebben ze gedacht: hé, daar bedoelde natuurlijk de Here Jezus Zich Zelf mee!

Maar de priesters en Schriftgeleerden hadden wel begrepen, dat de gelijkenis vooral op hen sloeg. We moeten niet vergeten: Jezus stond in de tempel. Het was op de dag, dat het tempelbestuur Hem ter verantwoording wilde roepen over wat Hij in de tempel gedaan had. Hij had immers de tafels met offergeld omgegooid en de duiven vrijgelaten om weg te vliegen. Daarbij had Hij gezegd: “Jullie maken van het huis van mijn Vader, dat een gebedshuis moet zijn, een rovershol, een marktplaats, waar de handel en het geld verdienen centraal staat”. Kijk, en daarom kwamen er zoveel priesters en Schriftgeleerden om Hem heen staan, want ze wilden Hem te pakken nemen. Als ’t even kon, wilden zij Hem zelfs er dood laten brengen. Want ze begrepen goed, nu weer, nu Jezus ’t over die wijnbouwers had , dat Jezus iets tegen hen had.

Ook wat Jezus zei over die winstmakerij in de tempel en wat die pachters deden. Zij plukten immers groot voordeel uit de tempelhandel, zij streken de winst op van de verkoop van de offerdieren en het omwisselen van gewoon geld in tempelgeld. Zij hadden de leiding van het volk in handen, bezetten de voornaamste posities en heel dat systeem hielden zij keurig in stand. Zij bedachten allerlei nieuwe godsdienstige regeltjes, waar het gewone volk zich nauwelijks aan kon houden, maar het was alles tot hun eigen eer… Zij trokken de wijngaard van de Heer naar zich toe, puur uit eigen belang. Niet om de belangen van de Heer te dienen waren zij zo druk in de weer, en ijverig waren ze, dat moet gezegd worden! Maar alleen om er zelf beter van te worden. De armen werden uitgebuit. God had hen de leiding van Zijn volk, de wijngaard, toevertrouwd. Hij verwachtte goed bestuur, maar zie het was bloedbestuur! Hij wachtte op rechtsbetrachting, maar zie het was rechtsverkrachting! Jesaja had gelijk gekregen.

Jezus eindigt de gelijkenis met een vraag, zoals Hij zo vaak deed. “Wat zal de Heer doen met die wijnbouwers, die Zijn Zoon zo schandelijk vermoord hebben?” Iemand uit het volk zei heel terecht: “Hij zal die booswichten een ellendige dood doen sterven en de wijngaard aan anderen geven”. Maar de overpriesters en Schriftgeleerden, die er bij stonden en best begrepen, dat zij er mee bedoeld werden, zij riepen uit: “Nee, dat niet, dat nooit!” Dan herinnert Jezus hen aan het woord van Psalm 118: “De steen, die de bouwlieden hebben afgekeurd, is tot een hoeksteen geworden. Een ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal Hij vermorzelen.” De hoeksteen, dat is de draagsteen van een gebouw, of de sluitsteen, die het gewelf boven bijeen houdt. De Zoon van de baas werd afgewezen, vermoord, maar denk er aan: Hij is als de hoeksteen! Je kunt Hem afwijzen, maar dan stort het hele gebouw in elkaar en je wordt er ook zelf door verpletterd.

God heeft ons in het geloof ook een wijngaard toevertrouwd. En wij moeten daarvan verantwoording afleggen. Hij stuurt ons Zijn knechten, de boodschappers van Zijn Woord, maar luisteren we naar hun boodschap? Kunnen we ons zelf en onze levenswandel verantwoorden, als Hij ons bij Zich roept? Nemen we de Zoon aan op wijzen we Hem af? Hij, Die de brenger van de boodschap en de boodschap zelf is?

Van de goede wijnbouwers zal gelden op de dag van het laatste oordeel, wat in Jesaja 27, geschreven staat:

2 Op die dag zal men zeggen:
‘Wat een prachtige wijngaard!
Zing daar een lied over!’
3 Ik, de HEER, bewaak hem,
elk ogenblik bevloei Ik hem;
dag en nacht houd Ik de wacht
opdat niemand hem beschadigt.
4 Mijn toorn is voorbij!
Wie wijst Mij doorns en distels?
Ik zou er strijdvaardig op afgaan
en ze allemaal in brand steken;
5 of men moet mijn bescherming zoeken
en vrede met Mij sluiten,
vrede sluiten met Mij!
6 In de toekomst schiet Jacob weer wortel,
Israël zal uitlopen en bloeien,
zodat de hele aarde met de vruchten wordt bedekt.

Dit geldt voor iedereen, die in de wijngaard van de Heer mag werken, ook u en mij! Dit geldt ook het volk van Israël vandaag, die prachtige wijngaard! Maar je mag ook heen wijzen naar die andere profetie: dat God Zelf Zijn wijngaard zal oprichten: “Israël zal bloeien en uitspruiten en de aarde zal vol vruchten zijn”. Toch moeten we ook voorzichtig zijn met die waarschuwing uit de gelijkenis. Het wordt zo gauw vergeten, dat het Gods wijngaard is en niet de onze! En dat niet alleen het volk Israël, maar alle volken tezamen, ook de Arabische volken, Gods wijngaard vormen, waarvan de vruchten Hem toebehoren en Hem alleen toegebracht moeten worden! Wie dat niet doet, zal het oordeel over hem moeten aanhoren, zoals geschreven staat in Openbaring 14:

“Zendt uw scherpe sikkel uit en snijdt de trossen van de wijngaard der aarde”. Dan is het te laat om nog te groeien, om nog iets aan je eigen vruchtbaarheid in dienst van Gods wijngaard te doen. Dan zal van ons gelden: “Het Rijk van God zal van u afgenomen worden”. Of zullen wij de roepstem mogen horen: “Komt, gij gezegende van Mijn Vader, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld!”

AMEN

De God van Jacob

Wij geloven wel, dat God onze sterkte is, maar als ’t er op aankomt, dan is toch ons vertrouwen vaak zoek en onze aandacht op andere dingen gericht.

Psalm 146, 5
“Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft”

Russisch orthodoxe icoon van Jacob, 18de eeuw (Iconostasis of Kizhi monastery, Russia).De God van Jacob, is dat niet een eigenaardige benaming? Had Jacob dan een God voor zich apart? We lezen toch ook niet van de God van Mozes en de God van David en de God van u alleen? Maar wel van de God van Jacob!

Dat komt, omdat Jacob een aparte betekenis heeft in het geloof van Israël. Het is immers niet alleen de naam van de persoon Jacob, de aartsvader, maar het is ook de naam geworden van het hele volk. Jacobs God is dan Israëls God!

Maar ik denk, dat het hier in de tekst vooral gaat om Jacobs God als de God, Die met Jacob meeging en voor Jacob als persoon zorg droeg. Daarom is de tekst ook zo actueel voor ons, aan het begin van het nieuwe jaar. Die Jacob zouden u en ik kunnen zijn. De God van Jacob wordt dan uw en mijn God. “Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft, wiens verwachting is op de Here, zijn God!” Wie was die Jacob dan wel, dat hij hier met zo veel ere genoemd wordt?

U kent de geschiedenis. Het was eigenlijk niet zo’n beste brave broeder, die Jacob! Het begon al met de manier, waarop hij het eerstgeboorterecht aan zijn broer Ezau ontfutselde. De schotel linzen werd de koopprijs, zogenaamd tenminste, want het was bedrog dan eerlijke koop. Dan volgt de tweede stap, de blindheid van zijn vader maakte het mogelijk hem te bedriegen! Jacob geeft zich voor Ezau uit en de list lukt: naast het eerstgeboorterecht heeft hij nu ook, op nog gemener manier, de eerstgeboortezegen verkregen. Dan moet hij vluchten voor zijn broer. Die natuurlijk vreselijk boos is. En hij komt terecht bij oom Laban. Onderweg, te Bethel, heeft hij een visioen, waarin de Heer hem verschijnt en hem belooft: “Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult en Ik zal u weerbrengen in dit land, want Ik zal u niet verlaten”. Jacob is er onthutst van, hij had er niet meer op gerekend dat God hem gevolgd was op zijn vluchtweg, hem, de bedrieger! Onverdiende genade!

Maar al gauw neemt de oude koopmansgeest weer de overhand. Hij legt een gelofte af: Wanneer God met hem zou blijven en hem te eten zou geven en kleren en een vredige terugkeer in het huis van zijn vader, dan zou de Heer hem tot een God zijn! Dat is dus mooi egoïstisch! Hij stelt zijn voorwaarden aan God. God moet hem eerst van alles en nog wat geven, pas dan zal Jacob er over denken Hem als God te gaan dienen. Tjonge, dat staat er toch zo maar, in de Bijbel! Moeten we die Jacob nou tot voorbeeld nemen? En moet de God van uitgerekend zo’n man ons tot hulp zijn?

Ho eens even, de geschiedenis gaat wel verder. Jacob komt bij Laban en oom en neef blijken aan elkaar gewaagd. Ze bedriegen elkaar bij het leven! Ondertussen vaart Jacob er wel bij. De Heer zegent hem in alles wat hij onderneemt, mooi en lelijk. Hij wordt een welgesteld man, krijgt zelfs beide dochters van Laban tot vrouw. En dan, als hij er genoeg van heeft, trekt hij – weer stiekem – weg met alles wat hij bezit. Natuurlijk is Laban kwaad, maar God komt terzijde. Een tweede gevaar dreigt: Ezau! Die trekt hem met een legertje tegemoet. Maar weer komt God tussenbeide en Jacob kan behouden terugkeren naar het land der vaderen.

Zo liggen de feiten. Ze werpen een helderlicht op onze tekst, vindt u niet? Welzalig hij, die de God van Jacob tot zijn hulpe heeft. Want Jacobs God – dat is duidelijk gebleken – is een God van onverdiend zegeningen, de God Die door dik en dun naast je blijft gaan en je door alles heen helpt. Nou, logisch, dat je dan goed af bent , wanneer je deze God “ter hulpe” hebt. Toch is dit wat al te gemakkelijk geconcludeerd. Uit Jacobs geschiedenis is heel wat meer te leren dan dat alleen!

Kijken we nog eens wat dieper achter de feiten. Het eerste, wat opvalt, is, dat Jacobs God een “man van de praktijk” is. Laten we ’t zo maar wat oneerbiedig zeggen! Steeds was God voor Jacob een Helper in nood. Met al zijn bedriegerijen, zijn mooie plannetjes en bedrog zou Jacob het alleen nooit gered hebben. Het was altijd weer zijn God, Die hem op het kritieke moment te hulp kwam. Wij zingen daar ook van met de woorden van Psalm:

Hij kan en wil en zal in nood
Zelfs bij het naad’ren van de dood
Volkomen uitkomst geven.
Psalm 68 vers 10

Maar Jacob zong er niet van! Bij hem was dat, waarvan wij zingen, levenswerkelijkheid. En dat is toch geweldig, vindt u niet? Wij geloven ook wel, dat God onze sterkte is, maar als ’t er op aankomt, dan is toch ons vertrouwen vaak zoek en onze aandacht op andere dingen gericht. Dan zijn we precies als Jacob, we doen het op onze eigen manier: als ’t niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks, met bedrog en gemenigheid. En als ’t ons dan ook nog lukken wil, dan danken wij God voor Zijn hulp! Toch is de bewegende kracht in ons leven meestal niet God, maar ’t zijn heel andere dingen, de dingen waaraan ook Jacob hechtte: aardse goederen en macht. Wij kunnen daaraan toevoegen: geld, gezondheid,veiligheid en rust. Kijk maar naar de hausse in de Oudejaarsloterijen! Wij kunnen ons het leven niet anders voorstellen dan met al die aardse zekerheden .Als we die niet hadden, zouden we geheel onthand staan. Maar als we God niet hadden, zouden we dan ook onthand zijn? Het zou misschien wel even vreemd zijn, maar onmogelijk? Nee, dat niet. We zouden ons er desnoods om redden, niet waar? Wie helpt ons het meest, als de nood aan de man komt? Een heel eerlijke vraag, op de man af. Ons geld en bezit, ons verstand en gezondheid, of God? Bemoeit God er Zich mee, als we verlegen staan en niet weten wat we moeten doen? Als de nood komt en we geen uitkomst zien? Zouden we echt verlegen staan en onthand zijn, als God er niet was? De landbouwer met al zijn technische middelen, de arts met zijn medische kennis, de winkelier met zijn duizenden artikelen, de banken met hun crisisproblemen, de politicus en bestuurder? Zouden ze verlegen staan zonder God? U en ik? Zege nou eens eerlijk! Ja, de dominee zou verlegen staan en onthand zijn, tenminste dat zou je mogen verwachten. Maar al die anderen?

Gelovigen sidderen voor de dood, net als de anderen, soms zelfs nog meer. Zieken zijn hulpeloos en radeloos. Jacobs God zou hen toch niet zo laten zitten. Hij zou minstens Zijn engelen gestuurd hebben om te helpen, dacht u niet? Dat is toch wel wat anders dan zingen van: Hij kan en wil en zal in nood volkomen uitkomst geven. Dit is toch het eerste, wat ons treft in onze tekst: dat God een man van de praktijk is, Die wij ook in de praktijk van ons leven best kunnen gebruiken. Het tweede, dat opvalt, is, dat God zo veel geduld met Jacob heeft. Vroeger spraken ze van “Gods lankmoedigheid”. Jacob kan blijkbaar doen wat hij wil, God blijft hem trouw, zonder één woord van berisping of verwijt. En wat Jacob deed, was toch heel erg! Het eerstgeboorterecht was voor hem bestemd. Op Gods tijd had hij het echt wel gekregen. Maar de mens kan niet wachten. Jacob moest God zo n nodig een handje helpen. Herkent u deze melodie? Jacob dorst het zelfs nog te zeggen ook: “Als God met mij zal gaan en mij zal zegenen, dan zal ik Hem eren (en anders niet)!”

Ik heb een tijd gehad, dat het verhaal van Jacob mij ergerde. Ik begreep Gods houding niet. Net als een te softe moeder, die altijd maar toegeeft aan haar kinderen, omdat ze te zwak is om te weigeren. Maar die kritiek op God heb ik nu niet meer. Ik weet maar al te goed, hoe ’t er met mij zelf voorstaat. Ik wou dat ik dat kind was van die zachte moeder, ik wou dat ik Jacob was met zo’n God! Ik heb begrepen, dat die lankmoedigheid van God, Zijn genade alleen, mijn enige kans tot redding en behoud is. Zoals de Paulus zegt: “Mijn genade is u genoeg” (2 Kor.12, 9). Dat heeft de apostel ook moeten inzien door scha en schande. MIJN GENADE IS U GENOEG! Zijn genade is de enige kans tot redding en behoud. Dat was het voor de aartsvader Jacob, dat is het ook voor mij. Daaraan heb ik het te danken, dat mijn leven niet is mislukt, dat ik nog kansen krijg ook in het nieuwe jaar 2011. Alleen maar, omdat God mij niet vergeldt naar mijn zonden. Wij moesten ons schamen, dat we nog kritiek op God hebben, omdat Hij soms niet is of doet, wat wij van Hem gedacht hadden! In plaats van kritiek te hebben moesten we ons dankbaar tonen: WELZALIG HIJ. DIE DE GOD VAN JACOB TOT ZIJN HULPE HEEFT!

Er is nog een derde punt in onze tekst, die ik u voor het nieuwe jaar wil doorgeven. Dat is de WIJSHEID van God, die het alles ten goede keert, die ons leidt in de rechte sporen om Zijns Naams wil, ook al gaat onze weg soms langs een heel krom spoor, zelfs door het dal van de schaduwe des doods. Kromme sporen had Jacob nogal eens getrokken, kromme sporen zijn er ook genoeg in ons eigen leven, daarvoor hoeven we niet naar andere mensen te kijken! Het lijkt wel of Jacob ongestraft zijn levensweg ging, alsof God zijn zonde niet zag en hem voorspoedig maakte in al zijn doen. Maar zó is het toch niet! Jacob heeft in zijn leven ook veel verdriet gehad. Daarmee heeft hij zijn trekken thuis gekregen, zou je kunnen zeggen. Denk maar aan Jozef en Benjamin. Bij de geboorte van de laatste stierf Jacobs geliefde vouw Rachel. En van Jozef werd door zijn broers verteld, dat hij door een wild dier was verscheurd. Ja, een mens kan soms veel verdriet hebben om zijn kinderen! Maar God heeft in zijn leven al die smarten bewaard tot de tijd, dat hij het dragen kon, zonder er door verpletterd te worden. Daar moesten wij ook maar eens meer aan denken! Soms zeggen we wel eens: waaraan heb ik dat toch verdiend? En we vergeten, dat het ons altijd goed gegaan is, onverdiend! En dat we nu sterk mogen zijn om de tegenspoed aan te kunnen. Dat God ons daartoe de kracht geeft. Jacob moest eerst “Israël” worden, strijder van God, voordat hij het leed in zijn leven kon dragen. Niet als straf, maar als verdieping en heiliging van het leven. Gods wegen zijn wonderlijk. Dat zien we ook hier bij Jacob: God strijdt eerst tegen Jacobs vijanden, en toen zij verslagen waren, keerde Hij Zich tegen Jacob zelf. En zo is Jacob Israël geworden. Ik bedoel: zo is uit die aartsbedrieger de gelovige aartsvader gegroeid. Zou dat bij ons ook niet kunnen? Gods zegeningen hebben Jacob innerlijk verrijkt, daardoor kon hij ook de ellende in zijn leven later verdragen.

Heeft Jezus zo ook niet Zijn discipelen onderwezen? Pas toen zij tot belijdenis van hun geloof gekomen waren en Christus als hun Heer en Koning aanvaard hadden, pas oen achtte Hij de tijd rijp om hen voor te bereiden op de erge dingen, die hen te wachten stonden. “Van toen aan”, zo staat in het Mattheüs-Evangelie, “Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te leren, dat Hij moest lijden en verworpen worden en gedood”. Zo heeft ook Jacobs God met Jacob gehandeld en hem behouden. Zou Hij dat met ons anders doen?

Dat alles zit in de uitdrukking “Jacobs God”. Is dat niet hetzelfde als wat Jezus van God heeft geopenbaard? Dat Hij is een God van genade, van onverdiende zegeningen. “Zou Hij, Die ons Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” (Rom.8, 31)

OOK IN HET NIEUWE JAAR 2011?

Verkondiging 26 XII 2010 – 2e kerstdag

Bidden wij op deze bijzondere dag om voorspoed en zegen voor allen die waarde hechten aan gezin en familie.

Sirach 3: 2 t/m 6, 12 t/m 14, Ps.128, Kol 3: 12 t/m 21, Mt 2: 13 t/m 15, 19 t/m 23

Het is een pracht boek, de bijbel, maar – het mag dan Gods woord zijn en daarnevens meestal glashelder – je mag dat woord wel met verstand lezen, om dan, open staand voor de Heilige Geest en daardoor geïnspireerd, je eigen conclusies te trekken. Je zou dan bijvoorbeeld tot de ontdekking kunnen komen hoe actueel het evangelie heden ten dage nog is. Wij vieren vandaag het feest van de Heilige Familie. Zojuist is voorgelezen hoe de Heilige Familie uit Judea naar Egypte vluchtte na een waarschuwing door een engel van de Heer. Die Heilige Familie verkeerde na de geboorte van de Verlosser in levensbedreigende omstandigheden. Wij kunnen daarin een parallel met onze tijd herkennen.

Velen van jullie zijn geboren na de bezetting van 1940 – 1945, en dan is het wat lastiger om je in te leven dat je met je gezin moet vluchten voor vervolging en massamoord. Maar zo kort geleden gebeurde dat in ons eigen land. Het Egypte van die gezinnen was een onderduikadres waar zij hoopten te overleven en niet verraden te worden. Onder ons zijn er nog die ervaringsdeskundige zijn. Dat is bijna 70 jaar geleden, maar ook vandaag den dag moeten gezinnen vluchten. Christengezinnen bijvoorbeeld, wier leven onmogelijk gemaakt wordt in het Armeense deel van Turkije, in Irak, in Somalië, Palestijnse christenen die bedreigd worden door eigen stamverwanten en door de Israëlische overheid.

Je hoeft niet eens zo ver van huis te gaan. Ook in ons land komt dit voor. Somaliërs bijvoorbeeld, die christen zijn geworden en moeten onderduiken omdat voormalige geloofsgenoten hen met de dood bedreigen. In de vlucht door de Heilige Familie herken je iets van de tragiek in de geschiedenis van het mensdom: altijd weer moeten gezinnen vluchten voor vervolging en genocide. Je zou verwachten, dat christengezinnen, die daarom hun land verlaten, in ons land gastvrij worden ontvangen. Nederland heeft de pretentie een tolerante natie te zijn met een christelijke traditie van gastvrijheid. In de praktijk valt dat lelijk tegen. Nederland was en is voor veel noodlijdende vreemdelingen geen Egypte.

Zou de Heilige Familie nu, in 2010 een verblijfsvergunning hebben gekregen? Ik denk het niet, want in materiele zin was die Familie arm. Arme vluchtelingen pasten nooit in ons vreemdelingenbeleid. Wat zouden wij trouwens zelf doen, als de bel ging, en er staat daar zo’n sjofel drietal, waaronder dat piepjonge moedertje met haar waarschijnlijk huilende baby. Zou je je driemaal bedenken en die asielzoekers dan doorsturen naar het Noelhuis – een leefgemeenschap die asielzoekers opvangt – of direct naar de grensgevangenis Schiphol-Oost? Of zou je, zoals de H. Franciscus van Assisi in de melaatse Christus heeft gezien – zou je in dat Kind de Verlosser herkennen en een logeerkamertje bedenken? Wij hebben iets om over na te denken, deze zondagmiddag.

Er zit ook een andere kant aan dat verhaal. Het is een warm en hecht gezin dat geborgenheid biedt. Jozef overwoog ooit om stilletjes weg te lopen, toen zijn verloofde zwanger bleek om haar niet – zo lezen wij in Mt 1: 19 – in opspraak te brengen. Dat was wat in die rigide joodse samenleving. Maar toen de engel – vrij vertaald: zijn geweten, geïnspireerd door de H. Geest – hem daarvan weerhield – toen stond hij pal voor zijn familie. Die vlucht naar Egypte was trouwens ook niet niks; de 4- of 5-voudige grensversperringen, die je nu van Bethlehem naar Egypte moet zien te passeren – die waren er nog niet, maar openbaar vervoer evenmin. Het jonge stel moest dus een zware voettocht maken door een super gevaarlijke woestijn.

“Blijf daar tot ik u waarschuw”, zei de engel na zijn waarschuwing aan de H. Familie; terugkeer uit Egypte zat er dus in. Maar niet naar Judea, omdat het daar te gevaarlijk was. Al weer zo’n parallel: nu zie je dat uit Judea gevluchte gezinnen niet MOGEN terugkeren naar hun geboorteland. Daarom ging het gezin terug naar Natzareth in Galilea, waar de H. Familie waarschijnlijk een gelukkig bestaan opbouwt. Een groot gezin dus, dat geborgenheid bood, aan Jezus en zijn vier jongere broers Jozef, Jakob, Sjimon en Juda (vg. Mt 13:55 en Mc 6:3) en een sloot niet bij name genoemde zussen. En daar is de parallel met onze tijd iets minder duidelijk.

Dat warme, conventionele, beschermende gezin: is dat nog van deze tijd? Steeds meer mensen leven met los- vaste, hetero- of homo- relaties. Of single. Het evangelie van Jezus Christus laat er geen twijfel over bestaan dat alle mensen gelijk zijn. Mannen, vrouwen, kinderen, wit of zwart, arm of rijk, moslim of christen of jood – allemaal zijn wij kinderen van God. Geldt die gelijkwaardigheid ook voor al die alternatieve leef- en samenlevingsvormen? Ik onthoud mij van een oordeel. Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt (Mt 7: 1). En hoe zit het met de uitwassen?

Buitengewoon veel aandacht krijgt dezer dagen seksueel misbruik in onze kerk, in crèches, o.m. hier in stadsdeel Zuid, in privé- en andere situaties. Tegenwoordig wordt dat breed uitgemeten in de massamedia. Ik ben daar niet blij mee. Toen ik ruim een halve eeuw geleden rechten studeerde hoorde ik van mijn hoogleraar strafrecht, prof. Enschede, dat incest blijkens de politie- en justitiestatistieken toen het meest voorkomende misdrijf was; in aantal stak het uit boven de ernstige gewelds- en vermogensdelicten. Ik was verbijsterd, want dat las je niet in de krant. Nu wel, en natuurlijk moeten wij geïnformeerd worden over wat er in de samenleving gebeurt, maar liefst wel wat terughoudend.

Want al gauw maakt die mateloze publiciteit ongezonde driften wakker bij bijvoorbeeld zieke geesten, die de meest gruwelijke straffen op internet zetten, of die – zo blijkt uit criminologisch onderzoek – gestimuleerd worden tot soortgelijke misdrijven. Onze maatschappij lijkt er de laatste tijd op vooruitgegaan te zijn wat betreft tolerantie en wederzijds begrip, maar behalve dat ik daar persoonlijk ernstige twijfels over heb – dat blijkt bovendien een duidelijke keerzijde te hebben. Ook daarom zou ik op het feest van de Heilige Familie willen vaststellen, dat er – onverminderd de gelijkheid van alle mensen – met dat ouderwetse gezinsverband tot de dood de echtelieden scheidt niets mis is.

Zeker als bijvoorbeeld de man zich houdt aan dat advies in de brief van de H. apostel Paulus: “hebt uw vrouw lief en weest niet humeurig tegen haar”. Die andere tekst uit de brief aan de gemeente van Kolosse – vrouwen, weest uw man onderdanig – die kun je beter met verstand relativeren in het licht van die tijd. Zoals ik al eerder zei. Maar wat daarna komt – vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij de moed niet verliezen – dat is mij uit het hart gegrepen. Ook al omdat die vaders zelf liever niet getergd worden opdat ook zij de moed niet verliezen. Wat dat betreft moet je misschien ook de tekst uit de eerste lezing, uit Wijsheid van Jezus Sirach lezen, al weer met verstand en in het licht van de 2e eeuw voor Christus toen dit bijbelboek ontstond.

Ik citeer dat fragment nu niet; het staat op een briefje achter in de kerk. Maar over vaders gesproken: er is een Vader, van wie ik intussen zeker weet, dat Hij Zijn kinderen niet tergt en op wie wij kunnen vertrouwen zonder de moed te verliezen. Dat deed ook de Heilige Familie. Een pater jezuïet, bij wie ik vorige maand in stilteretraite verbleef, vergeleek het huwelijksbootje met het vissersvaartuig waarop Jezus met zijn leerlingen in een zware storm verzeild raakt terwijl Gods Zoon op het achterdek een dutje doet. De golven slaan over het schip dat vol loopt en dreigt te zinken. In paniek maken de leerlingen Jezus wakker, die storm en wateroverlast prompt beëindigt (Mc 4: 39, Lc 8: 24). Jezus aan boord – scheepje kan voort.

Het feest van de Heilige Familie is de gelegenheid om een pleidooi af te steken voor dat prachtige Sacrament van het huwelijk en voor de niet altijd even heilige familie – wij hoeven er niet hoogdravend over te doen – voor dat doodgewone doordeweekse, ook niet volmaakte gezin, al dan niet met een logeerruimte voor een asielzoeker. Dat gezin, waarvoor in het algemeen geldt wat Jezus gezegd heeft: wat God verbonden heeft zal de mens niet scheiden (Mt 19: 6, Mc 10: 9). En voor die enkeling nu in de kerk, die niet gelooft, en waarschijnlijk lak heeft aan de verkondiging door Jezus zou mogen gelden dat afspraken afspraken zijn. Bidden wij daarom op deze bijzondere dag om voorspoed en zegen voor allen die waarde hechten aan gezin & familie, baruch haSjem, amen.

Deze preek is van mijn vriend en broeder in Xto LEONARDO JACOBS OSF. Hij heeft hem gehouden op de tweede Kerstdag in de Vredeskerk in de Pijp te Amsterdam. Ik stel het zeer op prijs, dat ik toestemming kreeg de “overweging” bij mijn preken op te nemen.

Wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd

De herders komen bij de kribbe en zien het kind. Een heel gewoon kind. Een armeluis kind zelfs. Zonder stralenkrans of enig uitwendig teken van heerlijkheid. Zijn ze niet teleurgesteld?

Johannes 1, 14

Zou het voor de herders niet een geweldige ontnuchtering geweest zijn, toen zij na de wonderbaarlijke gebeurtenissen in de nacht het kind in de kribbe zagen? De aankondiging van de engelen dat de Zaligmaker geboren was en het zien van zo’n gewoon kind in een armelijke omgeving lijken niet bij elkaar te horen. In het veld van Efratha is daar de hemelse heerlijkheid van de engelen van God, waar ze wel even van schrikken. Dat God ’s heerlijkheid zo maar openbaar wordt aan de nederigsten van de mensen, want zo voelden de herders zich toch en zo zagen de mensen ook op hen neer: randfiguren van de maatschappij. Geen wonder dat ze vreesden met grote vreze!

En als dan de engel gaat spreken van grote blijdschap, “die heel het volk ten deel zal vallen”, omdat de Christus geboren is in Davids stad, dan maakt hun schrik plaats voor ontzag, vreugde, verbazing, aarzeling, een mengeling van gevoelens, die nog sterker wordt, als zich bij de engel een menigte van hemelse legerscharen voegt, zeggende:

“Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde
 Bij mensen des welbehagens”
(Lukas 1, 14)

We kunnen ons voorstellen met hoeveel overstelpende gevoelens deze eenvoudige mensen tot elkaar zeggen: “Laten we gaan kijken! Kom, we gaan!”

Dat zij ineens volop die boodschap geloven is eigenlijk ongelofelijk. Maar bij de kudde blijven kan toch ook niet meer, als je zo iets gehoord hebt. En dan gaan ze, wat schuchter en aarzelend, op weg, in de richting van de stad, een goed half uur verderop westwaarts. En ze komen bij de kribbe en zien het kind. Een heel gewoon kind. Een armeluis kind zelfs. Zonder stralenkrans of enig uitwendig teken van heerlijkheid. Niets bijzonders eigenlijk. Dat was dus het kind, waarvan de engel had gesproken en waarover de hemelse legerscharen hadden gezongen! Dat moest dan de Heiland der wereld zijn! Het kan wel niet anders, of de scherpe tegenstelling tussen dit doodgewone toneel en de wonderbare openbaring in het veld moet de herders hebben getroffen, en het treft ons vandaag nog. Zij hadden stellig wat anders verwacht dan wat zij hier zagen. Iets indrukwekkends, iets bijzonders, iets dat, eer lag in de sfeer van wat zij ’s nachts beleefd hadden. Zijn ze niet teleurgesteld? Een beetje wel, denk ik. Ook aan de ouders is niets bijzonders te zien, zeker niet iets goddelijks. Alles is zo gewoontjes, zo alledaags. Wat zou er in hun hart omgegaan zijn, bij die herders? Dat zou ik wel eens willen weten, u niet?

Maar het Evangelieverhaal rept er met geen woord over. Het zegt alleen: “En toen zij het zagen, maakten zij alom bekend het woord dat van dit kind tot hen gezegd was”. Zij verkondigen niet wat zij gezien hebben, maar wat zij gehoord hebben. Zouden we hieruit niet mogen opmalen, dat de indruk van het Kind niet zo geweldig was, maar wat zij over Hem gehoord hebben wel. En daar raken ze niet over uitgepraat! Dat engelenwoord en dat gezicht van al die engelen had een bijstere indruk op hen gemaakt! En toch is dat Kind in de kribbe meer bijzonder dan al die engelenverschijningen! Dat Kind in de kribbe, dat Zich uiterlijk in niets onderscheidt van welk ander kind ook, dat is Gods grote daad jegens de wereld, Zijn geschenk aan de wereld. Dat Kind in de krib is de vervulling van de hele Oudtestamentische heilsverwachting. Naar dat Kind hadden zo vele geslachten uitgezien, en van dat Kind hebben de profeten vol verwachting gesproken. De engelen en hun lied zijn niets anders dan het voorspel, ze zijn er alleen ter wille van dat Kind.

Daar kunnen we iets van leren, namelijk om bescheiden te zijn en in alle bescheidenheid ook kerstfeest te vieren. Wij doen de dingen graag met veel ophef van woorden en opsmuk van de dingen. Hoe meer drukte, hoe meer grootsigheid, hoe belangrijker en indrukwekkender wij er door worden. Wij doen dat, denk ik, omdat wij zelf zo klein en onbeduidend zijn. Maar God is groot. Hij heeft die opmaak niet nodig. Hij kan schijnbaar kleine dingen doen zonder dat Zijn grootheid er door wordt aangetast. Gods grootste werk is het zenden van Zijn Zoon in deze wereld, zó dat niemand merkt wat er gebeurt, behalve het groepje herders dat wordt verwaardigd het uit de engelenmond te horen.

Zo is het eigenlijk Jezus’ gehele leven geweest. Toen Hij optrad in het openbaar, kwam Hij uit de timmermanswerkplaats in Nazareth. Niets wees er op, dat Hij iets bijzonders was. Wij zijn gewend het de Farizeeën en Sadduceeën kwalijk nemen, dat zij Jezus niet direct als de Messias hebben erkend en begroet. Maar eigenlijk moeten we ons er over verwonderen dat er nog mensen zijn geweest, enkelen slechts, die Jezus wel als Messias zijn nagevolgd. Het was immers zo gewoon, zo natuurlijk. In de tijd van Jezus hadden de mensen best wel een idee, hoe de Messias er uit zou zien. En Jezus had daar helemaal niets van weg! Ze zagen niet de wan in Zijn hand en de bijl aan de wortel van de boom, zij merkten niets van de “roede van Zijn mond”, waarmee Hij de heidenen zou slaan, zoals de profeten hadden voorzegd. Aan de Mensenzoon op de wolken van de hemel beantwoordde Hij al helemaal niet! De geestelijke leiders van hun volk liet Hij links liggen. Alleen een stelletje geminachte Galileeërs volgde Hem. En de wonderen, die Hij deed? Ach, wonderdoeners waren er in die oosterse wereld altijd al geweest.

Als wij toen hadden geleefd, zouden we in Jezus waarschijnlijk ook niets bijzonders ontdekt hebben. Toch waren er mensen, die in Zijn verschijnen “heerlijkheid” hebben gezien. Johannes zegt vooraan in zijn Evangelie: “En wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Maar daarmee is vast niet Zijn uiterlijke verschijning bedoeld, maar iets dat veel dieper lag. Die herders hadden er ook iets van geproefd, vandaar hun grote blijdschap, en die Galileïsche vissers, en de belangrijke heer Nikodemus en de Samaritaanse vrouw en die rijke juffrouw van lichte zeden Maria Magdalena, zij allen hebben ieder op hun eigen manier iets van Jezus’ heerlijkheid gezien. “Vol van genade en waarheid”, zegt Johannes er bij. Zou het dat niet zijn, wat God door Hem aan de wereld te brengen had? Genade en waarheid! Dat zijn geen dingen, die de natuurlijke mens kan verstaan. Het zijn vreemde zaken in deze zondige wereld. Alleen de geestelijke mens, die met andere ogen kijkt, die het Koninkrijk van God verwacht, die kan dat zien. Genade en waarheid, dat heeft het Kindeke Jezus ons gebracht. Genade van God jegens een in zonde weggezonken wereld; en waarheid, dat is wat bij God vast staat, in deze onwaarachtige schijnheilige wereld, dat is: dat Hij er Zijn Koninkrijk op vestigt. Jezus’ leven was één aaneenschakeling van getuigenissen van die genade en waarheid van God. Zo zelfs, dat zij die voor deze goddelijke dingen geen oog hadden Hem uitscholden voor een valse Messias. Maar ook, dat wie de heerlijkheid van Hem gezien hadden, voor Hem neervielen en Hem aanbaden, net als Thomas, de ongelovige Thomas, die na Pasen tot de bevrijdende ontdekking kwam van Jezus’ messiasschap en neerviel voor Zijn voeten, vol verbazing uitroepend: “Mijn Here en mijn God!” Dat was Zijn heerlijkheid, waarvoor Thomas ‘ ogen opengingen. Je ogen moeten daarvoor opengaan, anders gaat het niet. Sommigen overkwam dit. Maar wie niet door het zo gewone uiterlijk van Jezus heen kon kijken, merkte helemaal niets van die heerlijkheid. God opende het oog van de herders door de engelenboodschap. Zelfs de Emmaüsgangers zagen het niet, voordat hun ogen er voor geopend werden.

Voor ons, die achter de feiten staan, is het zoveel gemakkelijker de heerlijkheid van Jezus te zien dan Zijn tijdgenoten. Wij hebben de Schriften, wij kennen de Evangelieverhalen. Wij weten welk leven er volgde op de die armelijke kribbe, wij weten ook met welke dood dat leven eindigde. Gelukkig mogen wij ook weten hoe de opstanding en de Hemelvaart daarop volgden. Als wij in de geest bij de kribbe staan, hebben wij geen afzonderlijke boodschap van engelen meer nodig om ons te zeggen wat dat Kind betekent. Wij mogen de heerlijkheid van Jezus aanschouwen, vol genade en waarheid.

Maar juist daarom mag het kerstfeest voor ons niet zo maar een vrolijk feest zijn, gezellig, maar oppervlakkig. Daarvoor is de boodschap van Kerst te ernstig. Als God ons Zijn genade en waarheid toont, dan past het ons dat wij ons schuldig hoofd buigen, dat wij stil worden, dat ons schuldbesef wakker wordt, dat wij voelen deze genade van God niet waard te zijn. Bij de kribbe verstomt alle menselijke geredeneer. Daar kan een mens alleen maar stil zijn en zonder wil zijn, aanbidden Gods eindeloos erbarmen, zoals Nel Benschop zo prachtig gedicht heeft. En zij gaat verder met “Als Gij Heer ons hart wil verwarmen, zal de aarde niet langer zo kil zijn”. Dat zet Kerst in het goede perspectief. Het geeft ons een opdracht: warmte te brengen op deze zo kille aarde en te laten zien, wat Gods heerlijkheid in de praktijk is. Hoe het van binnenuit in de harten van mensen moet komen. Niet dat, wat wij misschien voor heerlijkheid hebben gehouden: gezondheid, welvaart, voorspoed, carrière, werelds vermaak en al die zo mooie aardse zegeningen, is het. Dat alles is o zo tijdelijk, breekbaar en bedrieglijk. Nee, het moet gaan om de heerlijkheid, die God ons schenkt, waarvoor Hij ons de ogen wil openen: dat een mens verzoend wordt met God en dus ook met het leven zoals het gaat en komt, ook als dat lijden en verdriet betekent. Een mens wordt verzoend! Zo willen wij het kerstfeest vieren .Niet met veel opsmuk en vermaak, maar ootmoedig en dankbaar, diep in ons hart, omdat God ons Zij genade en waarheid heeft gebracht en omdat ook wij Gods heerlijkheid mogen aanschouwen.

Nu kan ik alleen nog maar blij zijn
En zingen met nieuwe gezangen.
Geen duisternis houdt mij gevangen,
Ik mag tot in eeuwigheid vrij zijn.

Amen.

Zijt Gij het die komen zou?

Als ons Adventsgeloof niet stoelt op de Oudtestamentische belofte van de komst van de Vredevorst maar door andere meer eigentijdse en wereldse motieven wordt bepaald, dan zal ook onze teleurstelling niet uitblijven.

Mattheüs 11, 3
“Zijt Gij het die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?”

Wij leven in de tijd van verwachting, dan wel in de geest van het Oudtestamentische verwachten, zoals de profeten dat hebben verwoord: de Messias komt! De laatste van deze profeten is Johannes, bijgenaamd “de Doper”. Hij leefde in de verwachting, dat het Koninkrijk van God heel dicht bij gekomen was, omdat de Messias in aantocht was. Advent, verwacht de komst des Heren! Dat was zijn prediking. De mensen moesten gaan leven uit die hoop, die spoedig in vervulling zou gaan. “Bekeert u toch, want het Koninkrijk van God is op komst!” Johannes was de eerste, die in zijn neef Jezus de Christus, de Messias, erkende en Hem ook als zodanig beleed: “Zie, het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”. Zó wees hij op Jezus helemaal aan het begin van het Johannes-Evangelie (1, 29).

Later, in Mattheüs 4 vers 12, horen we, hoe hij gevangen genomen was door koning Herodes Antipas. Dat is de situatie, waarin hij zich bevindt in onze tekst: gevangenschap. Maar deze opsluiting verhinderde hem blijkbaar niet contact te hebben met zijn discipelen. Hij hoorde zo ook van hen, wat Jezus deed en zei, maar het is duidelijk dat hij daar niet erg van onder de indruk was. Hij hoort wel van “de werken van de Christus”, maar hij twijfelt wel of Jezus echt de Christus is. Vandaar de vraag: “Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?” Zoals elke rechtgeaarde Jood geloofde hij in de “Komende”, in Hem Die komen zou, en iedereen wist dat daar de Messias mee bedoeld werd. Hoe komt het nu, dat Johannes, die eerst zo vol vertrouwen was in Jezus als de Messias, zo onzeker is geworden juist op dat punt? Is hij teleurgesteld? Is hij zijn geloof kwijt? Ja, ik denk ’t wel, omdat zijn verwachting niet is uitgekomen. Precies zoals wij dat ook wel eens hebben: je hoopt ergens op, je hebt er ook het volste vertrouwen in, maar dan loopt het zo heel anders dan je gedacht had, en je bent teleurgesteld. De Doper heeft Jezus als de Christus aangekondigd, als de Sterkere “Wiens schoenriem hij niet waardig was los te maken” en Wie hij getuigde: “Ik heb gezien en getuigd, dat Deze de Zoon van God is”. (Joh.1, 27 en 34). En het Mattheüs-Evangelie voegt er aan toe: “De wan was in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer geheel zuiveren en Zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur” (Matth.3, 4). Hij zou dus aanstonds als Rechter optreden, echt de Messias Die komen zou met recht en gerechtigheid, zoals de profeet Jesaja het had voorzegd. Maar wat was er gebeurd? Sinds het optreden van Jezus is er nog niets veranderd, alles is bij het oude gebleven, ja zelfs nog erger geworden: de voorloper van de Christus, Johannes zelf, zit nu in de gevangenis.

Heel begrijpelijk, dat Johannes in grote onzekerheid en verlegenheid gebracht is. Wat Jezus doet, raakt immers ook hem zelf en zijn boodschap van het Koninkrijk van God, zijn oproep tot boete en bekering en zijn woorden van troost voor de mensen. Als Jezus daaraan niet beantwoordde, dan was ’t met Johannes als profeet gedaan, en ook met de komst van de Messias! Dan was het leven in verwachting, het grote Advent, voor niets geweest!

“Zijt Gij het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten?” De gevaarlijkste vraag uit heel het Evangelie! Zeker, ook Farizeeën en Sadduceeën hebben Jezus deze vraag wel eens gesteld en ze hebben herhaaldelijk gevraagd naar een teken, zodat Jezus zou bewijzen, dat Hij de Messias, de Zoon van God, was. Maar dat is niet te vergelijken met die vraag van Johannes. Zijn vraag komt van binnenuit, uit het hart van het Adventsgeloof, en hier wordt heel de zending van Jezus in de waagschaal gesteld en daarmee ook al de roepstemmen van de profeten monddood gemaakt. De vraag van Johannes de Doper komt er in het kort op neer, of Jezus de Christus is of niet. En ook of Jezus, op grond van datgene wat men van Hem hoort en ziet, in staat kan worden geacht om Israëls hoop te vervullen. Een echt moderne vraag ook. Want voor velen vandaag is het optreden van Jezus in al Zijn nederigheid en weerloosheid te weinig, te onbeduidend, om in Hem als de Messias te kunnen geloven. We moeten begrijpen, dat Johannes en zijn volgelingen echte geloofsactivisten waren, vrijheidsstrijders, opkomend voor het verdrukte land, vurig hopend dat het gehate juk van de Romeinse overheerser eindelijk eens afgeworpen kon worden. Daar zou de Messias toch zeker voor zorgen! Uit de vraag van Johannes klinkt de spannende verwachting van deze grootse dingen, het ongeduld ook, en dan nu de twijfel of ze zich in Jezus niet vergist hadden.

Hoe reageert Jezus hierop? Woedend? Onzeker, teleurgesteld, omdat hij in de rug aangevallen werd? Nee, helemaal niet. Hij laat Johannes heel eenvoudig boodschappen: “Wat gij hoort en ziet. Blinden worden ziende en lammen wandelen, en melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het Evangelie…”  Het zijn allemaal aanduidingen, dat in Jezus de heilstijd is aangebroken, precies zoals Jesaja het had voorzegd. Jij, Johannes, je kent je Bijbeltje toch wel, welnu dan, hoor en zie! Wat Jesaja voorzegd heeft, gaat nu in vervulling. Dat had Johannes kunnen helpen om zijn twijfel te boven te komen. Het is ook de enige mogelijkheid, die wij hebben als we onzeker zijn in het geloof. Terug naar de Schriften, hoor en zie! Maar heeft het Johannes ook geholpen? Waarschijnlijk niet. Immers even later zegt Jezus van hem, dat de kleinste in het Koninkrijk groter is dan hij. Dit zegt Jezus, nadat Hij eerst gezegd had dat onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, er niemand is opgestaan, groter dan Johannes de Doper. Waarom? Omdat de Doper, hij alleen, de voorloper was van de Messias om Zijn komst aan de mensen aan te kondigen. De grootste en toch de kleinste in Gods Koninkrijk. Omdat hij, die beter had moeten weten, toch in Jezus de Christus niet heeft erkend. De tekenen van de komst van Gods Koninkrijk, die Jezus zo overvloedig liet zien, heeft Johannes niet verstaan. “Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt!” (Matth.11,6). Dat is de mens, die Jezus als Christus belijdt en aanvaardt. Voor Johannes is het heel tragisch uitgelopen op een aanstoot nemen aan de Christus. Hij had niet begrepen dat in Jezus het Koninkrijk van God op aarde was gekomen.

“Onder u is Hij, die gij niet kent”. Johannes was zo’n echt Adventsmens, vol verwachting van de grote dingen die God zou brengen. En toch zou hij op het einde de kleinste in het Koninkrijk genoemd worden! Omdat zijn verwachtingen te hoog gespannen waren? Nee, omdat zij verkeerd waren ingevuld. Misschien te veel op zich zelf of op de uiterlijke dingen van glorie, gerechtigheid te vuur en te zwaard! De koning der ere, aan het hoofd van een machtig leger, daar droomde hij van. Onjuiste verwachtingen, veelal niet ingegeven door de Schrift, maar op o zo menselijke wijze ingevuld. Hebben wij ook niet zo onze eigen verwachtingen voor Kerst? Is niet het woordje “gezelligheid’ daarvoor het belangrijkst en “lief zijn voor elkaar”? En vooral “veel eten en drinken”?

Van Johannes de Doper kunnen we dit leren als de Christusverwachting van ons, zeg maar: dat als ons Adventsgeloof, niet stoelt op de Oudtestamentische belofte van de komst van de Vredevorst, maar door andere meer eigentijdse en wereldse motieven wordt bepaald, dan zal ook onze teleurstelling niet uitblijven. Wij hebben niets en niemand anders te verwachten dan juist DIE JEZUS van Nazareth, die nederig Zijn weg gegaan is tot de dood toe en Die ons roept in Zijn spoor.

De vragen van de Doper zijn actuele vragen. In dat opzicht staan wij dicht bij elkaar, Johannes en wij mensen van de eenentwintigste eeuw. Wij zijn twijfelaars, mensen die het vaak mooier willen maken en beter willen weten dan God Zelf. Maar God zij dank: naast ons staat ook de Christus, Die Zijn heilswerk met ons op Zijn manier reeds is begonnen en het ook volbrengt. Wij zullen staande voor Kerst opnieuw moeten leren, dat de kracht van Christus zich eerst en ten volle in de zwakheid van Jezus openbaart. De weg tot de opstanding en de glorie gaat via de vernedering en het kruis. De vernedering en het kruis zijn met Kerst begonnen. Wat vieren wij dan met Advent? Een ontluisterde Koning, gedoemd om geschandaliseerd te worden en als een misdadiger te sterven. Die komt in de wereld om onze schuld op Zich te nemen, Die mogen wij verwachten! Die moeten wij begroeten met Kerst! Op kerstfeest moeten wij ons eerst maar eens heel diep schamen en ons verootmoedigen.

ZALIG IS, WIE AAN HEM GEEN AANSTOOT NEEMT!

Amen.

Advent – God roept ons

Ook in onze tijd is er de tegenstelling tussen het propagandistische gebral en het stille werk van de Messias, tussen de ruwe wijze waarop in onze tijd het zwakke wordt vertrapt en de erbarming, waarmee de Messias het kwetsbare ontziet en in bescherming neemt.

Jesaja 42, 6
Ik, de HEER, heb u geroepen om heil te brengen,
Ik neem u bij de hand,
Ik vorm u, en bestem u
tot een verbond met het volk, tot een licht voor de naties;

In de Adventstijd laten we ons dikwijls leiden door de traditionele joodse schriftlezing voor het Chanoekafeest, het lichtfeest. Daarvoor hebben de joodse families een kandelaar in huis, waarin plaats is voor 8 + 1 kaarsjes of vlammetjes. Iedere dag steekt men eerst het extra (kleinste) lichtje aan, dat apart staat. Daarna spreekt men een Bijbeltekst uit, waarin het komende licht wordt uitgelegd. Vaak zet men de Chanoekalamp in het raamkozijn. Al met al lijkt dit feest erg op ons kerstfeest.

Vandaag lezen we de profetie over de Knecht van de Heer, die komt. “Zie, mijn Knecht, Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden tot Hij op de aarde het recht zal hebben gebracht.” Deze Knecht is de mens waarin God behagen heeft, Die Gods heilsplan op aarde zal vervullen. Zo spreekt ook de engelenzang uit Lukas 3 van “mensen van Gods welbehagen”. Daarmee worden mensen bedoeld, die werken mogen aan Gods heilsplan, aan Gods heerlijke toekomst. Dit reisplan kan worden samengevat in het woord “recht”. Het gaat hier niet om het juridische begrip, veeleer om een soort derde dimensie van het leven: het besef dat je voor God leeft, het leven onder Gods gezag en vandaar uit het vormen van een rechtvaardige samenleving. Als de Knecht van de Heer komt en het recht op aarde zal hebben gebracht, dan zal daarmee dus een heel anders geordende samenleving zijn gekomen, zoiets als wast Paulus noemt: met “een nieuwe wereld, waarin God alles in allen zal zijn”. En, zegt Jesaja, het zal geen luidruchtige boel worden, zoals bij de heidenen in Babylon met hun lawaaierige processies en geschreeuw op de straat, hun gejuich en handgeklap voor de voorbijtrekkende goden. Nee, integendeel, Hij zal niet schreeuwen noch Zijn stem verheffen, maar Hij zal Gods werkelijkheid op aarde zichtbaar maken door de zorg voor het arme en verschopte. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en een kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven. Mensen in het dagelijkse leven plukken een rietstengel om die als meetstok te gebruiken en gooien die, als hij geknakt is, weer weg. En een lampje, dat flakkerend brandt, wordt gedoofd, het oude pitje wordt er uit gehaald en weggegooid en een nieuwe er in gezet. Het geknakte riet en de kwijnende vlaspit, twee voorbeelden van alles wat door de mensen verworpen en vertrapt en versmaad wordt. De Knecht van de Heer zal dat niet doen, integendeel, Hij zal het verworpene en vertrapte en versmade opzoeken en hun rechten herstellen. En heel de wereld zal naar die rechtsherstelling verlangen. Op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden, dat zijn de uiterste grenzen van de toenmalig bekende wereld, wachten. En dan gaat Jesaja God loven en prijzen om Zijn grootheid van de schepping en Zijn leiding, om tenslotte nogmaals terug te komen op de Knecht van de Heer, :“Ik, de Heer, heb Hem geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën, om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis, die in duisternis gezeten zijn.”

Wat een prachtige belofte is dat voor onze adventstijd, in onze moderne wereld. Het werk van de Knecht gaat door ook in onze tijd en mensen worden er bij betrokken. Ook nu is er de tegenstelling tussen het propagandistische gebral en het stille werk van de Messias, tussen de ruwe wijze waarop in onze tijd het zwakke wordt vertrapt en de erbarming, waarmee de Messias het kwetsbare ontziet en in bescherming neemt. Voor alles brengt de Messias Zijn recht. We kunnen daar ook in de situatie van de Kerk vandaag over spreken. Het zal immers zo langzamerhand duidelijk zijn, dat het recht niet bestaat in een aantal gedragsregels, maar in erbarming en rekening houden met de ander, dat betekent medezeggenschap, broederschap, gelijkheid. Inzake het recht hebben we als Kerk en maatschappij maar al te vaak gefaald. Hoe lang duurde het niet, voordat de slaven recht begonnen te krijgen? En hoe lang zal het nog duren, eer de mensen in de derde wereld landen recht krijgen?

De Knecht des Heren confronteert de Kerk en de mensen met hun tekortkomingen en zwaktes. Zoals Israël door de omliggende landen, zo is ook de Kerk beroofd van zijn eigenlijke roeping. Verburgerlijkt, verwereldlijkt, onherkenbaar geworden door formeel-juridische structuren, vastgeroest en geremd door zijn verbondenheid aan bepaalde politieke en economische systemen, zo staat de Gemeente van Christus dikwijls in deze tijd, machteloos en krachteloos, zonder inspiratie en diepgang. Maar de Knecht brengt Zijn volk terug tot zijn oorsprong: Gods heil te brengen op aarde. Hij roept ons daartoe op! Dat is de eerste opdracht van Advent.

Een tweede opdracht is: een licht voor de volkeren te zijn. Menselijkerwijs gesproken is het voor ons ondenkbaar dat de massa’s van bv. India en China ooit toegankelijk worden voor hetgeen de Knecht van de Heer hun te brengen heeft. Het is even ondenkbaar als het 25 eeuwen geleden ondenkbaar was dat onze landen er voor open zouden gaan. In de Adventstijd mogen we veel verwachten, kunnen we eigenlijk alles verwachten. Want zo spreekt God: “Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond met het volk en tot een licht der natiën”. Ieder van ons persoonlijk en zeker ook de Kerk zal zich onder die opdracht hebben te stellen, naast de Messias, om het kwaad in de wereld uit te roeien en gerechtigheid te brengen, om het verworpene en vertrapte te beschermen.

Verbeter de wereld, begin bij u zelf, begin bij de Knecht. Ga anders denken en leven, zoals Hij dat deed. Samen delen, solidair zijn met de armsten, opkomen voor het recht, strijden tegen onrecht, zodat het geknakte riet en de kwijnende vlaspit aan hun recht komen. De Grote Knecht heeft God geroepen en Hij weer roept ons om ons daarvoor in te zetten. Moge Advent ook dit jaar ons daartoe inspiratie geven!

Adventsgedachten

De juiste voorbereiding op Kerst vinden we alleen, als we ons gaan verdiepen in de betekenis van het Kerstgebeuren voor ons en de gehele wereld.

Mattheüs 5,3
“Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen” .

We staan in het kerkelijk jaar nu aan het begin van de Adventstijd, dat wil zeggen: we gaan ons voorbereiden op Kerst. Als we in deze tijd door de winkelstraten lopen, dan zien we ook al overal Kerstversiering. Het is alsof Sinterklaas en Kerst een wedstrijdje houden, wie het belangrijkst is. Voor de etalages lopen de kijkers en kooplustigen in dikke drommen voorbij. Is dit onjuist? Zeker niet, Laat de kinderen maar hun cadeautjes kiezen! Maar de echte voorbereiding op Kerst is het niet. Kerstmis is zeker een feest van liefde, dat tot uitdrukking mag komen in het elkaar cadeautjes geven, maar dat alles blijft toch maar iets uiterlijks. Meer van economisch belang dan van geestelijke diepte. Ook de gezelligheid, die we met Kerst zoeken door bij elkaar te komen als ouders en kinderen en kleinkinderen, heeft meer daarmee te maken dan met de Kerstgedachte. De juiste voorbereiding op Kerst vinden we alleen, als we ons gaan verdiepen in de betekenis van het Kerstgebeuren voor ons en de gehele wereld. En dat is samengevat in de eerste zaligspreking van Jezus: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”. Om deze tekst te doorgronden, moeten we eerst begrijpen wat voor Jezus het Hemelrijk betekent. Pas als we daar inzicht in hebben gekregen, kunnen we ook vermoeden wie bedoeld zijn met de “armen van geest”.

Wanneer over het Koninkrijk der hemelen gesproken wordt, dan wordt vaak gedacht aan een rijk boven de wolken en sterren. Ook denkt men wel aan een bovenzinnelijke werkelijkheid, verheven boven de ruimte, verheven ook boven de tijd, echt surrealistisch. Toch heeft de Bijbel het zo niet bedoeld. Wel schijnt de uitdrukking “Koninkrijk der hemelen” aan te geven, dat dit Rijk in de hemel is. Maar in werkelijkheid gaat het om het Rijk, dat vanuit de hemel op aarde gekomen is. Het is dus geen wereldlijk rijk, geen politieke of nationale grootheid, dat historisch gegroeid is en door mensen in stand wordt gehouden. Nee, het komt van Boven af, maar ook werkelijk op aarde. Het Koninkrijk is niet iets zwevends en ongrijpbaars. Nee, het is voor ons mensen tastbaar, het is een gave van God aan ons mensenkinderen. Wanneer is dit Koninkrijk dan op aarde gekomen? Er is maar één antwoord mogelijk: in Jezus Christus! Want Hij stamde in diepste wezen niet van de mensen, niet van David en Maria, maar van God en Zijn Heilige Geest. Hij heeft daardoor het Hemelrijk van God op aarde gebracht. Kerstfeest is daarom in de eerste plaats het geboortefeest van Gods Hemelrijk. Met het kind van Bethlehem is het als een kiem verschenen, om daarna uit de geest van Gods Zoon uit te groeien zoals uit het mosterdzaadje een grote boom groeit, waarin de vogelen des hemels nestelen. Wanneer we dus willen weten wat het Koninkrijk der hemelen is, dan moeten we naar Jezus kijken, want Hij heeft het opgericht. Vaak heeft Hij het ook Zelf gezegd, dat men Zijn werkzaamheids zo moet beschouwen, dat daarmee op aarde het Koninkrijk zich zou gaan ontplooien.

Het Hemelrijk, dat Hij brengt, is in geen geval een totale verandering van uiterlijke omstandigheden dat mensen in de hand zouden hebben. Noch de politieke, noch de sociale, noch de economische omstandigheden heeft Jezus Zelf proberen te veranderen. Men had dat wel van Hem verwacht, men wilde Hem zelfs koning maken. Maar daar ging bet Jezus niet om! Ook al zou de wereld er aan de buitenkant niets door veranderen, dan toch zou het Koninkrijk der hemelen op aarde kunnen zijn. Ook niet bestaat dat nieuwe Koninkrijk in nieuwe wetten en nieuwe eisen, die God nu aan de mensen stelt. Nee, Jezus is niet als een nieuwe wetgever of rechter onder de mensen gekomen. Veeleer is Hij met gaven gekomen, gaven van God, om het hart van de mens tot nieuw leven te brengen, om aan de mens dat te geven, wat de mens uit zich zelf niet bezit en ook nooit verkrijgen kan. Wanneer wij ons voor God van onze zwakheid, onvolkomenheid en zondigheid bewust worden, omdat het zuivere beeld van Jezus ons laat zien hoe wij eigenlijk zouden moeten zijn, dan is dat een gave van het Koninkrijk der hemelen. Wanneer we daardoor inzicht krijgen in ons zelf en in alle oprechtheid voor God komen te staan, dan is dat winst voor ons leven. Dan gaat ons geweten spreken en komt er een verlangen naar vergeving en verzoening van onze schuld. Wij krijgen door Jezus’ werk en Woord vertrouwen in de vergevende genade van God. We krijgen vrede in het hart: het mooiste hemelse geschenk, dat er is! Wanneer dan te midden van de vergankelijkheid van het bestaan en het wegvallen van de mensen, die ons lief waren, de huivering voor de dood ons bevangt, en als we dan zien, hoe Hij, Jezus, de dood heeft overwonnen en horen dat Hij aan de Zijnen hetzelfde eeuwige leven beloofd heeft, dan is daarmee een schat in ons hart gelegd, dat alle aardse goederen overtreft, een schat van het Koninkrijk der hemelen.

Dat heeft de Here Jezus bedoeld, toen Hij riep: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen”. Daarom heeft Hij de vermoeiden en belasten ook uitgenodigd tot Hem te komen, om bij Hem rust te vinden. Daarom heeft Hij Zich Zelf het licht genoemd, dat in de wereld gekomen is om de donkere harten te verlichten. Maar, als wij dat Hemelrijk willen ervaren en deel willen krijgen aan al Zijn gaven, dan moeten we er wel op letten aan wie Hij dit beloofd heeft. Het zijn de “ARMEN VAN GEEST”. Daarmee worden niet de mensen bedoeld, die geen geld of goed hebben. Wel is het zo, dat armen mensen zich vaak ontvankelijker voor de gaven van het Koninkrijk hebben getoond dan de rijken der aarde. Maar uiterlijke armoede is niet voldoende om hemelse goederen te mogen ontvangen. Net zo is rijkdom alleen niet voldoende om die hemelse goederen te ontberen.

Met die “armen van geest” zijn ook niet de geestelijk armen bedoeld. Een tekort aan intellectuele vermogens en ontwikkeling zijn op zich zelf nog geen gunstige voorwaarden voor de ontvangst van hemelse gave en goed. Weliswaar hebben minder ontwikkelden zich altijd meer bereid getoond Gods gaven te zoeken dan de zogenaamde intellectuelen, maar dat ligt meer aan de trots en hoogmoed van de laatsten. De “armen van geest” zijn veeleer de mensen, die zich voor God arm voelen, arm aan kennis in hemelse zaken, arm ook aan kennis van Gods Heil en de wijsheid om het leven aan Gods hand te leiden. Het zijn de deemoedigen, die niet laten voorstaan op eigen deugden en verdiensten, maar zich voor God neerbuigen in het stof. Het zijn ook de mensen, die bidden, met open hart en omhoog geheven armen, omdat zij weten alles van God alleen nodig te hebben. Zonder zulk een gevoel van behoeftigheid en zonder zulk een hevig verlangen kan niemand in het Koninkrijk der hemelen komen. Wie tevreden is met zich zelf en de wereld, blijft daar buiten staan en zal nooit de hemelse gaven kunnen verkrijgen. Al die miljoenen mensen, die in de cultuur, de wetenschap, de kunst, de arbeid, het uitgaansleven of andere dingen van deze wereld hun hoogste goed zien, kunnen aan Advent en Kersmis niet de echte vreugde beleven. Zij worden door de zaligspreking van Jezus niet geraakt.

Maar zalig zijn zij, die arm zijn van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Deze zogenaamde armen zijn rijk, omdat zij leven vanuit de rijkdommen van Christus. De Bijbel noemt deze rijkdom “zaligheid”. Dat is het hoogste mogelijke geluk zonder meer, alleen maar geluk. Deze zaligheid is niet een toestand in een andere wereld, maar het hedendaagse leven zelf. Je kunt het ontvangen niet alleen in tijden van vreugde en voorspoed, maar vooral ook in tijden van nood en zorgen. Daarom is het veel waardevoller om “zalig” te mogen zijn dan “gelukkig”. Daarin weerspiegelt zich al iets van de rijkdom, die ons in het leven van straks, het eeuwige leven, te wachten staat.

Zo gaan we het Kerstfeest tegemoet. Als arme mensen, die alles alleen van het Kind in Bethlehem te verwachten hebben alle rijkdommen van de hemel. En we bereiden ons er op voor in gebed en verlangen naar die Heiland, Die rijk was bij God en voor ons arm is geworden, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden, als burgers van het Koninkrijk der hemelen.

Amen.

Tot wie zullen wij heengaan?

“Tot wie zullen wij heengaan?” Een vraag, die ook wij dikwijls stellen. Zeker in het politieke klimaat, waarin wij tegenwoordig verkeren. Wie kan en zal ons nog de goede weg wijzen?

Johannes 6, 68

“Tot wie zullen wij heengaan?” Een vraag, die ook wij dikwijls stellen. Zeker in het politieke klimaat, waarin wij tegenwoordig verkeren. Wie kan en zal ons nog de goede weg wijzen?

Ook de mensen in Jezus’ tijd zaten met dat probleem. Waarop moesten ze zich richten? Met name de onderdrukking door de Romeinen, de politieke afhankelijkheid en het wettische systeem van de toenmalige kerk onder leiding van het hogepriesterlijk gezag en de high society van Schriftgeleerden was velen een doorn in het oog. Was het een wonder, dat er ook reactionaire groepen waren en allerlei snipperpartijen en een soort El Fatah, ondergronds strijdend voor de vrijheid van het volk? Een grote groep van die mensen kreeg de welluidende naam van Zeloten, dat betekent “ijveraars”. Herhaaldelijk zien we Jezus met deze Zeloten in gesprek. Niet zo verwonderlijk, als we bedenken, dat er in die kring grote behoefte bestond aan een leidersfiguur, die de mensen kon samenbinden en met goddelijke autoriteit een partijprogramma van recht, vrede en vrijheid kon brengen. Zo zullen zeker ook Zeloten deelgenomen hebben aan de discussie in Johannes 6. Het moeten er duizenden geweest zijn, die na de wonderbare spijziging van de 5.000 nagebleven waren om met Jezus verder te praten en Hem zo boeiend hoorden vertellen over het Koninkrijk van Zijn Vader in de hemel. Van al die duizenden, waarmee Johannes 6 begon, bleven er tenslotte niet veel over, amper 12, en daarbij was ook nog Judas.

“Van toen af keerden velen van Zijn discipelen terug en gingen niet langer met Hem mee.” (vs.66). Waarom eigenlijk? Velen in Israël waren nooit discipel van Jezus geweest. De meeste Farizeeën, de gevestigde stand, hadden genoeg aan hun tempel en daarbij behorende inkomsten. De meeste Herodianen, die heulden met de Romeinse vijand, hadden genoeg aan hun collaboratie. Maar er waren er toch ook, bij wie de verwachting was gewekt, dat een nieuwe dageraad zou doorbreken, zoals het in de oude profetische boeken was aangekondigd. Men luisterde daarom graag naar de Koninkrijksprediking van Johannes de Doper. Dat sloeg aan in deze tijd van Romeinse bezetting en uitplundering. Vooral bij de Zeloten was de revolutie tegen het Romeinse gezag speerpunt van hun geloof geworden. Verschillende van Jezus’ discipelen zullen dan ook beslist uit die hoek afkomstig geweest zijn. Hierbij valt te denken aan het zwaard, dat Petrus droeg, en aan het ongeloof van de discipelen ten aanzien van het lijden van hun Heer.

Te midden van deze bruisende wereld vol politieke woelingen komt Jezus met Zijn boodschap van God. Hij bracht een nog nooit gehoord partijprogramma, uitgesproken boven op een heuveltop, waar de frisse winden waaien en vogels instemmen met het door God geleerde lied. Een Bergrede als partijprogramma! Met als aanhef de zaligsprekingen van armen van geest, treurenden, zachtmoedigen, hongerenden, dorstenden, barmhartigen, reinen van hart, vredestichters, vervolgden en gediscrimineerden. Wat een contrast met die keiharde wereld van politiek en onderdrukking en zelfhandhaving! Dit contrast is nog in alle volheid aanwezig, ook vandaag, en het vervult ons Christenen met grote zorg voor de toekomst. “Here, tot wie zullen wij heengaan?”

Johannes 6 zet in met het grote Messiasmaal, de spijziging van maar liefst 5.000 mensen. Zouden al die duizenden verstaan hebben, wat Jezus bracht? Het brood uit de hemel, de verzoening van schuld, uitzicht op Gods Koninkrijk? Zouden al die duizenden iets begrepen hebben van de opheffing van de paradijsvloek en het leven van Gods kinderen in de gemeenschap met de Geest van God? NEE, dat hebben zij niet! Johannes 6 toont het misverstand: zij wilden Jezus koning maken. Hij was de aanvoerder, die tot zege kon leiden. Voor Hem waren er geen provianderingproblemen, Hij kon zo maar brood maken, dan kon Hij beslist nog veel meer! Maar Jezus maakte Zich los van hen om in gebed opnieuw de wil van de Vader te verstaan. De volgende dag zien we hetzelfde beeld, in gesprekken, die Jezus voerde in Kapernaüm. Op de achtergrond keert steeds weer terug de vraag: Wat komt U eigenlijk brengen? Het aardse brood, de verandering van ons lot, de economische verbetering, de politieke bevrijding; of: het brood des levens, Jezus’ vlees en bloed, Golgotha, de opstanding, Pasen, Pinksteren… Gaat het om herhaling van het manna uit Exodus 16 of om de vervulling daarvan?

“Dit is het brood, dat uit de hemel is neergedaald, niet gelijk de vaderen gegeten hebben en gestorven zijn,; wie dit brood uit, zal in eeuwigheid leven…” Jezus wijst alle mogelijke politieke speculatie af. En dat roept verzet op: deze rede is hard, wie kan haar aanhoren? Niet omdat de mensen het niet geestelijk genoeg vonden, maar omdat ze het niet politiek genoeg vonden. De Zeloten wilden daden zien! Zij droomden van de grote omwenteling en wilden die door een opstand tegen de vijandige macht bewerkstelligen. De heiligen van de Allerhoogste uit Daniël 7 zouden de wereldheerschappij in bezit krijgen en zo zou het Koninkrijk  van God hier op aarde aanbreken. In 1947 is in een grot bij de Dode Zee een boekrol gevonden met het opschrift “De strijd van de kinderen van het licht tegen de kinderen van de duisternis”. Hierin kun je alle details van deze heilige strijd lezen.

Hier staan we voor de grote tegenstelling, die vandaag nog heel actueel is. Voor de Zeloten ging het om verbeteringen in de verhoudingen hier op aarde en in de strijd hiervoor in de dienst van God. Voor Jezus ging het allereerst om het herstelde contact met God en daaruit voortvloeiend de verbetering op aarde. Op de wijze van het zoutende zout en het lichtende licht en het gistende gist. Het ging Jezus om barmhartige met God verzoende mensen en van daaruit ook om een barmhartige wereld. Hier komen ook veilige wegen, ontwikkelingssamenwerking, het opruimen van krotwoningen en strijd tegen discriminatie in het vizier. Maar toen, en nu, wenden de Zeloten zich af. Het ging hen niet vlug genoeg! Voor Jezus is dit alles niet vreemd. Na het gebed in de nacht is de weg Hem weer klaar. Daarom stelt Hij nu ook de discipelen voor de allesbeslissende keuze: “Willen jullie ook soms niet heengaan?” Weg van mij? Terug naar je vrouw, Petrus? Terug naar het bedrijf van jullie vader, Jacobus en Johannes? Terug naar de opstandelingenleiders, naar o.a. Barabbas, die in het vooruitzicht stellen, wat Ik jullie niet kan bieden? Petrus antwoordt – en daarin klinkt de stem van alle eeuwen: “Heengaan? Tot wie? ” De wereld is inderdaad vol idealen, profeten, leiders, volksmenners, wereldverbeteraars. Hun woorden kunnen je meenemen en doen je het hart sneller kloppen, zij brengen je in vervoering, maar het is allemaal slechts tijdelijk, schone schijn, o zo vergankelijk. Maar, zegt Petrus, “Gij hebt woorden van eeuwig leven; op Uw Woord kan een mens bouwen, leven, sterven. Want wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods.”

“De Heilige Gods”. Een vreemde, nog nooit uitgesproken titel, waarmee Petrus wil zeggen, dat Jezus anders is dan de anderen, dat Hij apart staat tegenover alle anderen. “Tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven, en wij hebben geloofd en erkend, dat Gij zijt de Heilige Gods”. Wie Hem gevonden heeft, die heeft God gevonden, de weg, de waarheid en het leven, de wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing. Tot wie zullen wij dan heengaan? Tot Wie anders dan tot Hem?

De duizenden gaan heen .Zij hadden een strijder gezocht. Geen lijder; een aanvoerder, geen gekruisigde .Maar de discipelen blijven. Hun ogen zijn opengegaan, voor de leugens en schijn van mooi gepraat, hoe theologischer hoe mooier. Hun ogen zijn opengegaan, bovenal voor die Ene in hun midden, Jezus van Nazareth, Die woorden van eeuwig leven heeft, die een mens niet bedriegen, maar in de waarheid stellen, niet de dood, maar het leven brengen. Dat was de beslissing van Johannes 6. En als niet alle voortekenen bedriegen zal het ook de grote beslissing zijn van onze eeuw. De duizenden gaan heen, maar de Gemeente van de uitverkorenen blijft. Omdat zij mag ontdekken, dat Hij het is, de Heilige van God, die woorden heeft van eeuwig leven.

Tot wie zullen wij dan anders heengaan?

AMEN

Psalm 90 – een gebed van Mozes

Er zijn tijden, dat de mens die echt dicht bij God leeft, veel durft te vragen en ook veel mag vragen, want dan mag je het weten en ervaren, dat de hand die sloeg ook de hand is die heelt en sterkt; dat de hand die afbrak, ook weer opbeurt; dat de God van toorn en gericht uiteindelijk is de God van liefde en genade.

We willen vandaag het Evangelie beluisteren uit Psalm 90, een Psalm, die voor veel mensen een rijke troost heeft betekend op dagen van verdriet en rouw en eenzaamheid.

Een gebed van Mozes, de man Gods.

Here, Gij zijt ons een toevlucht geweest
van geslacht tot geslacht;
eer de bergen geboren waren,
en Gij aarde en wereld hadt voortgebracht,
ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.
Gij doet de sterveling wederkeren tot stof,
en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen.
Want duizend jaren zijn in uw ogen
als de dag van gisteren, wanneer hij voorbijgegaan is,
en als een nachtwake.
Gij spoelt hen weg;
zij zijn als een slaap in de morgen,
als het gras dat opschiet;
in de morgenstond bloeit het en het schiet op,
des avonds verwelkt het en het verdort.

Want wij vergaan door uw toorn,
door uw grimmigheid worden wij verdelgd;
Gij stelt onze ongerechtigheden vóór U,
onze heimelijke zonden in het licht van uw aanschijn.
Want al onze dagen gaan voorbij door uw verbolgenheid,
wij voleindigen onze jaren als een gedachte.
De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren,
en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren;
wat daarin onze trots was, is moeite en leed,
want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.
Wie kent de sterkte van uw toorn,
en uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Leer ons zó onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart bekomen.

Keer weder, o HERE! Hoelang nog?
en ontferm U over uw knechten.
Verzadig ons in de morgenstond met uw goedertierenheid,
opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen.
Verheug ons naar de dagen waarin Gij ons hebt verdrukt,
naar de jaren waarin wij onheil hebben gezien.
Laat uw werk aan uw knechten openbaar worden,
en uw heerlijkheid over hun kinderen;
de liefelijkheid van de Here, onze God, zij over ons,
en bevestig Gij het werk onzer handen over ons,
ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Er klinkt in deze oude verzen een diepe toon van ernst, de nood van de vergankelijkheid, de ellende van zonde en menselijke zwakheid. Maar die ernst wordt gedragen door de zekerheid dat de genadige God nabij is, en door het vaste geloof dat wie “Ja” zegt tot God ook “Ja” mag zeggen tot de werkelijkheid van het soms harde leven, zelfs tot de werkelijkheid van de dood. Het gaat in onze Psalm daarom over de eeuwigheid van God en de vergankelijke zondige mens, heel actueel dus.

De dichter voert ons in het land van de schaduwen des doods. Hij heeft het over de mens, die weerkeert tot nietig fijngestampt stof. De Bijbel tekent scherp de menselijkheid van de mens, dat is zijn vergankelijkheid, zijn nietigheid. Het leven is een gang naar de dood De mens lijkt op een vogel, verward in het net van een vogelaar, van de grote vogelaar: de dood. Het leven is als een verhaal, dat verteld wordt en dat plotseling afbreekt, heel droefgeestig. Het klinkt zelfs pessimistisch, alsof er niets anders over het leven gezegd kan worden. Vandaar dat veel mensen menen, dat Psalm 90 bij oudejaarsavond hoort. U weet wel: “Uren, maanden, dagen, jaren vlieden als een schaduw heen”, dat het een klaagpsalm is aan het einde van het leven, een klacht over het te korte leven, vol moeite en verdriet.

Maar er is gelukkig ook nog iets anders in dat lied, en op dat andere komt het zelfs aan. Let maar eens op het begin van de Psalm: “Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” En let ook eens op wat er aan het eind van de Psalm staat: “Verzadig ons in de morgenstond met Uw goedertierenheid, opdat wij jubelen en ons verheugen al onze dagen.” Dat zijn geen duistere woorden vol somberheid, integendeel, dat zijn fonkelende woorden vol diepe echte heerlijke blijde levensvreugde, boordevol optimisme. Hier jubelt een blijdschap, die geworteld is ineen geloof, in een hartelijk vertrouwen, dat de liefelijkheid van de Here God over ons is uitgebreid.

De dichter heeft een leven vol gevaren achter de rug. Boven de Psalm staat: “Een gebed van Mozes.” We weten, dat Mozes het niet gemakkelijk heeft gehad, dat hij door diepe afgronden moest gaan, maar daarbij ook de hulp van God ervaren heeft: de hand die hem vasthield. God was in zijn leven, God als bouwer en als gids, God ook als afbreker en straffer. Wanneer Mozes spreekt over zijn levenservaringen staat hij voor ons als een wijze man met diepe zelfkennis, zondekennis, Godskennis. Hij is in het gelukkige bezit van een onwrikbaar Godsgeloof en dat is Godsvertrouwen: “Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” Het wordt de grondgedachte van heel de Psalm. En als hij dan gaat vertellen, wie die God is, dan blijkt Hij de Eeuwige te zijn. Eer de bergen geboren waren, was Hij er al, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij is boven de tijd verheven, boven ons vandaag, gisteren en morgen. Zo almachtig en van een heel andere grootte dan ons mensen is God.

En deze Almachtige God doet de mens weerkeren tot nietig stof. We vragen ons wel eens af: waarom staat tegenover deze grote eeuwige God de vergankelijke nietige mens? Is dat een spelen van God, die Hij toch gemaakt heeft naar Zijn beeld en gelijkenis? Nee, God speelt niet met ons. Hij is niet onberekenbaar, willekeurig, barbaars. Let maar eens op de verzen 7-12. Vanwaar de dood? Omdat God, de Heilige en Rechtvaardige, toont over ons mensen, omdat we zondaren zijn. Wij waren eens goed, toen God ons geschapen had, maar dat is over en uit. Er is sinds Genesis 1 iets gebeurd, er is een donkere schaduwstreep getrokken. Er is iets gebroken en dat is voor ons mensen onherstelbaar. Daarom vergaan we door Gods toorn en is ons leven beperkt tot 60, 70, 80 jaar en een enkeling misschien wat langer. Hier dringt de dichter door tot de achtergrond van ons bestaan, tot de eigenlijke tegenstelling tussen God en mens: tussen heiligheid en zondigheid, iets wat wij met ons verstand niet beseffen kunnen. Dit is ook geen zaak van denken, maar van ons geweten, van ons hart, van ons diepste zijn. Het gaat hier om geloof. Wie gelooft, geeft alle geloof in zich zelf op en alle wijsheid staat voor hem op het tweede plan: “Leer Gij ons dit te verstaan en leer ons zo onze dagen tellen, dat we een wijs hart bekomen.” De dichter weet, dat het niet om het lange of korte leven gaat, want of het leven lang is of kort, het is toch opgenomen in de eeuwigheid van Gods leven. Als we maar onze dagen goed tellen, net naar het getal, maar naar de innerlijke betekenis die ze door Gods genade mogen hebben. Als we maar alleen op elke dag, die God ons geeft, acht slaan en als we Hem er maar voor danken! Dat is de wijsheid van de dichter. Hij weet, dat geen dag een verloren dag hoeft te zijn, want Gods liefde is er in. Gods zoekende liefde. Maart elke dag, die we on nadenkend en zonder verbondenheid met God, de God van die dag, doorleven, is een verloren dag, nog erger; een dag die onze schuld voor God vergroot. “De dagen en uren snellen heen en worden toegerekend. Al het heden wordt verleden , scheen ’t ons toegerekend blijft.” En daarom eindigt de Psalm met een gebed om genade: “Ontferm U, Here, over Uw knechten en verzadig ons met Uw goedertierenheid. Laat af van Uw toorn en ontferm U; verzadig ons met Uw genade en vervul ons met blijdschap.“. Dit alles en nog veel meer vraagt hij; hij vraagt veel, hij durft het aan om veel te vragen.

Er zijn tijden, dat de mens die echt dicht bij God leeft, veel durft te vragen en ook veel mag vragen, want dan mag je het weten en ervaren, dat de hand die sloeg ook de hand is die heelt en sterkt; dat de hand die afbrak, ook weer opbeurt; dat de God van toorn en gericht uiteindelijk is de God van liefde en genade. Hoe dikwijls hebben we ook zelf dat niet ervaren, dat mensen ons alleen laten, maart dat we op God afrijd aan konden. Hij wil toch een glans van eeuwige vreugde laten opgaan over ons schamele menselijke leven. En daarom is deze Psalm een lied voor u en voor mij, een blijde lofzang, een innig dankgebed, juist ook in onze droefheid. En op dagen van verdriet en rouw. Misschien lijkt uw leven u dikwijls heel klein en nutteloos en leeg, zonder God, zonder inhoud, zonder een beetje eeuwigheidglans. Weet het nu goed, de Psalm zegt het u: door het geloof in God, door het geloof dat Hij groot is en ons in Zijn werk gebruiken wil krijgt uw leven inhoud en glans. Zonder God is ons leven inderdaad zinloos en waardeloos. U weet het: Al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus, dat heeft zijn waarde en blijft eeuwig bestaan.

God en uzelf, uw leven van nu, uw dood van straks, daar gaat de Psalm over en daarin wijst hij u de weg. Midden in het leven zijn wij midden in de dood. Maar geloof ook hef andere, het ongelofelijke: midden in de dood zijn wij ook midden in het leven, het Eeuwige Leven. Als onze levensweg maar afgestemd is op Jezus Christus, die Heer geworden is over ons leven en onze dood. Die van Zich Zelf getuigd heeft dat Hij is de weg, de waarheid en het leven. Dat is het eerste, wat deze Psalm te bedenken geeft. Het tweede, wat daaruit voortvloeit, is, dat onze dagelijkse werkelijkheid soms wel heel mooi lijkt, maar dat het toch eigenlijk een werkelijkheid vol van zonde is, waardoor wij van ogenblijk tot ogenblijk het oordeel van God over ons wakker roepen. Die zonde was er al in de tijd van Mozes en David, van Jesaja en Paulus, ja zeg maar de eeuwen door. Sinds die tijd zijn wij wel veel in kennis en wetenschap en techniek vooruit gegaan, ons menselijk kennen en kunnen, maar in geestelijk en zedelijk opzicht staan wij nog op hetzelfde niveau als toen. Wij verkeren wat dat aangaat echt in een dal van de schaduwen des doods. Gelukkig laat gaat daarin een lamp branden, die schijnt voor onze voet, een licht op ons pad: Jezus Christus, de Heiland der wereld. “DE HERE IS ONS EEN TOEVLUCHT…” Golgotha is er geweest met zijn vreselijke doodsangst en vervloeking en duisternis en haat, maar direct daarna is er ook het lege graf geweest en niet ver daar vandaan ook de Hemelvaart en de uitstorting van de Heilige Geest.

De eeuwige God en de vergankelijke mens, in Jezus hebben zij elkaar voorgoed gevonden. God heeft de mens gezocht en gevonden en wat God heeft verenigd, kan geen macht ter wereld scheiden.

AMEN.

Kaïn en Abel

Kaïn doodt zijn broer Abel. In de Bijbel wordt Kaïn getekend als een waarschuwing tegen de zonde en de gevolgen ervan.

Genesis 4

Eva kreeg twee zonen. De oudste heette Kaïn en de jongste Abel. Kaïn werd landbouwer en Abel schaapherder.

Op een keer wilde Kain God een geschenk aanbieden, hij verzamelde vruchten van het land en de wijngaard om deze aan God te offeren. Ook Abel wilde een offer aan God brengen en slachtte daarvoor een paar van zijn mooiste lammetjes. Toen nam God het offer van Abel aan, maar voor het offer van Kaïn had Hij helemaal geen aandacht. Daarom werd Kaïn heel boos. Hij was jaloers en let het hoofd hangen. God zag dit en zei tot hem: “Waarom ben je boos, Kaïn, en laat je het hoofd hangen? Je mag gerust het hoofd omhoog houden, als je iets goeds doet. Als je het laat hangen, voer je zeker iets kwaads in je schild.” Maar Kaïn trek zich niets van Gods waarschuwing aan. Hij zei tot zijn broer Abel: “Laten we naar het veld gaan en een eindje omwandelen.” Maar toen zij daar in het open veld waren gekomen, greep Kaïn zijn broer beet en sloeg hem dood.

Toen zei God tot Kaïn: “Waar is je broer Abel?” En Kaïn antwoordde: “Weet ik veel? Moet ik soms op mijn broer passen? Ben ik mijns broeders hoeder?” Maar God zei: “Wat heb je gedaan? Je hebt je broer vermoord en daarom vervloek Ik je en verbied je te leven, waar het bloed van je broer gevloeid heeft door jouw schuld. Ga weg uit Mijn ogen, als een zwerver zul je voortaan ronddolen over de aarde”.

Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno, ca. 1084.
Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno Italië, ca. 1084.

Kaïn kreeg berouw en diep terneer geslagen zei hij tot God: “Wat heb ik gedaan? Mijn straf is te zwaar om te dragen. U wilt mij niet meer zien en verdrijft mij uit dit land; ik moet zwerven over de aarde en wie mij vindt zal mij zeker doodslaan.” Maar God zei: “Zeker niet! Wie Kaïn doodt, die zal het zevenvoudig boeten. Ik zal je aanraken, je een teken geven, en dan zal een ieder, die je tegenkomt, aan je zien, dat hij je niet mag doden.” Toen ging Kaïn zwerven over de aarde, maar later ging hij wonen in het land Nod, ten Oosten van het paradijs Eden.

Kaïn en Abel, een oeroude geschiedenis, maar nog steeds nieuw, boeiend en aangrijpend. Twee broers, die met elkaar ruzie krijgen en de een slaat de ander dood. “Eindelijk rust”, denkt hij, “die lastpost heef zijn verdiende loon”. Maar dan blijkt, dat juist nu de rust ver te zoeken is. Zijn daad achtervolgt hem. Steeds weer ziet hij zijn broer voor hem, met een bloedend hoofd, achterover gevallen op de grond. En hij is bang, slaat op de vlucht, wordt een eenzame zwerver en vindt geen rust meer. Dat is een oud verhaal, maar ook telkens weer nieuw. Deze geschiedenis herhaalt zich elke dag. Messentrekkerij, slaande ruzie, moord en doodslag. Kinderen, die elkaar in het water duwen en met stenen begooien. Elke dag kun je wel een paar van zulke verhalen op de beeldbuis zien: varianten op de eeuwenoude geschiedenis van Kaïn en Abel.

Nauwelijks had God de mensen geschapen, of zij sloegen elkaar dood. En waarom? Omdat ze jaloers op elkaar waren en zichzelf beter vonden dan de ander. Abel, de schaapherder, en Kaïn, de agrariër. Hun namen zijn veelbetekenend. Abel betekent zo veel als “niet, ijdelheid, damp”. En dat zou zijn leven zeker zijn: vluchtig, kort, het was zo voorbij. En Kaïn betekent “smid”. De smeden in de steppe vormden een volk zonder vaste woonplaats; zwervend als zigeuners, trokken zij van oase naar oase. Kaïn had zich voorgenomen een landbouwer te worden met een vaste stek, maar hij werd een zwerver.

Wij weten niet waarom God het offer van Abel aanvaardde en dat van Kaïn niet. Hoe het allemaal precies gegaan is, blijft ons ook duister. Paulus schrijft in zijn Hebreeënbrief: “Door het geloof heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn”. Het kan zijn, dat Kaïn God met andere gedachten geofferd heeft dan Abel. Misschien waren zijn gedachten toen helemaal niet bij God, misschien was hij alleen maar met zich zelf bezig en dacht hij: “Ik zal Abel eens laten zien, dat mijn sappige vruchten van het land veel beter zijn dan die magere lammetjes van hem, wat denkt ie wel!” Het komt er bij alles op aan, hoe je tegenover God staat, met welke bedoeling (intentie) je iets doet. Je kunt alle twee hetzelfde doen, en toch kan het van de één goed zijn en van de ander slecht. Kaïn dacht alleen maar aan zichzelf, hoe hij er beter van kon worden. Zo zijn er nog veel mensen, die heel veel goed doen, royaal en liefdadig, maar wel om er mee te pronken en zich er op te verheffen. Een heel verkeerde instelling! Jezus zegt: “Laat de rechterhand niet weten wat de linkerhand doet!”. Maar Abel bracht zijn offer uit dankbaarheid, om er God mee te eren, om te laten zien hoe lief hij God had.

En dan merkt Kaïn, dat zijn offer niet is aan genomen. Weer is zijn broertje voorgetrokken! En met een ijzig chagrijnig gezicht loopt hij rond, als een donderwolk, die nog maar een kleine vonk nodig heeft om te ontploffen. En die kleine vonk wordt ontstoken! God spreekt Kaïn toe en als een vader waarschuwt Hij hem: “Kaïn, wat doe je toch? Waarom is je gezicht zo betrokken? Denk er om, als je slechte gedachten hebt, dan moet je je niet laten gaan, want de zonde is sterk en hij ligt op de loer; wees toch flink, Kaïn, en beheers je zondige gedachten!”. Dat is de druppel, die de emmer doet overlopen! Wat denkt God wel? En de haat groeit en vergiftigt de man, die eens als een Gods geschenk door Eva was ontvangen. Hij roept Abel en op het veld houdt hij hem staande, Bevreemd kijkt deze hem aan, hij ziet de vreemde gloed in Kaïns ogen, hij hoort de wilde woordenstroom en dan… dan mokert Kaïn Abel neer met één slag… een zucht… en aan Kaïns voeten ligt zijn broer… Dood. Kaïn ontspant zich en over de dode buigt hij zich neer. Ook in Kaïn is iets kapot gegaan. De dode Abel klaagt hem aan, al kan hij dan ook niet meer spreken. Kaïn raakt op drift, het is uit met zijn rust. Eén is er, die het voor Abel opneemt: God, de Heer. “Waar is Abel, je broer?” Keihard is het antwoord: “Ben ik mijns broeders hoeder?”. Raakt hij die broer dan nooit kwijt? Maar ook in zijn eigen binnenste is er een stem, die hem aanklaagt: “Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan? Het bloed van Abel schreeuwt naar de hemel en de hemel antwoordt: je hebt een vloek over je afgeroepen, Kaïn, en het zal je geen rust meer brengen, een zwerver zul je zijn, je leven lang”. Kaïn krijgt het benauwd onder het strenge oordeel van God, het angstzweet breekt hem aan alle kanten uit: “O, wat heb ik toch gedaan, ik ben een uitgestotene, een vogelvrije, nu zal men mij zoeken en proberen te doden.”

Maar dan gebeurt het wonder, nu blijkt dat God zo heel anders is dan de mensen. Hij straft heel hard, maar Hij is ook genadig, ongelofelijk genadig. Zoals Hij met Adam had gedaan, doet Hij ook met Kaïn. Alle twee hebben ze de dood verdiend, maar God spaart hun leven. De ene moord zal de andere niet uithalen, tot in een oneindige reeks. God geeft de mens steeds weer een nieuwe kans om zijn leven te beteren. Kaïn ontvangt uit de handen van God een genadeteken. Zijn leven is God nog dierbaar, en ook de andere mensen zullen geen vinger naar Kaïns leven uitsteken, of zij zullen er zevenvoudig voor moeten boeten.

Dat is de boodschap van een van de oudste geschiedenissen van de Bijbel. De details van het verhaal zijn in vele opzichten niet meer duidelijk. De contouren zijn door de tand des tijds vervaagd, als het beeld van een film uit de oude doos. Maar de boodschap, die de Israëlitische vaders aan hun kinderen hebben doorverteld, van geslacht op geslacht, door de eeuwen heen, die boodschap is glashelder en kan ook niet geschonden worden, zelfs niet door de tand des tijds, want het is Gods boodschap van gerechtigheid, straf en vergeving, en God staat boven de tijd. Deze boodschap mag ik u vandaag doorgeven.

De Bijbel vertelt ernstige dingen, maar ook heel blijde dingen, en meestal gebeuren die dingen naast elkaar. Kaïn slaat zijn jongere broer dood en God spaart het leven van Kaïn, neemt hem zelfs nog in bescherming tegenover andere mensen. God straft en is tegelijk genadig, Hij spaart en vergeeft. Is dat niet prachtig? Ook voor ons? Want zijn ook wij vaak niet net zo bezig als Kain. Natuurlijk, wij doden ons broertje of zusje niet, zo ver gaan we niet. Maar zijn we niet vaak jaloers en gemeen? Juist ook op en tegenover mensen, die dicht bij ons leven? En maken we niet vaak ruzie en denken we niet vaak kwaad van een ander? In ons hart zouden we graag sommige mensen mores willen leren! Zelfs dood wensen! Natuurlijk, we doen het niet, we blijven zo veel mogelijk beschaafd en fatsoenlijk. Maar de instelling tegenover onze medemensen is toch vaak niet zuiver, net zo min als bij Kaïn. Veel mensen zouden we liever uit de weg willen gaan. Ook God zouden we wel uit de weg willen gaan, want Die kijkt ons ook te veel op onze vingers. En al dat bemoeien, daar houden we niet van! Maar gelukkig: God laat Zich zo maar niet aan de kant zetten. Hij ziet alles en gaat door Zich met ons mensen te bemoeien. En wat nog mooier is? Hij waarschuwt en straft niet alleen, Hij is ook nog genadig en hulpvaardig. Hij is zelfs een Borg voor ons. Als wij elkaar dreigen dood te slaan, gaat Hij midden tussen ons staan. Hij zegt: “Laat die ander met rust, neem Mij maar”. En de mensen hebben Hem genomen in Zijn Zoon Jezus Christus. Op Hem heeft zich heel de haat en de jaloezie van de mensheid uitgeleefd, Hij is er HET slachtoffer van geworden. Maar tegelijk heeft Hij met dit offer alle Kaïns op de wereld gered. Zijn dood is het teken geworden, dat Kaïn en zijn navolgdelingen tegen hun ondergang in bescherming neemt. Bij ons als Christenen is bij de Doop op onze hoofden dit teken aangebracht, het Kaïnsteken. Wij zijn als Kaïn, broedermoordenaars, maar mogen tegelijk door dit Christusteken het hoofd opheffen naar Hem, die niet wil dat wij dood gaan, maar dat wij leven tot Zijn eer. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

AMEN.

Moe

Moe van de onrust, moe van het werken, het jagen en jachten, moe van het leren, huiswerk maken, moe van het sporten, moe van de ellende in de wereld, moe van de geur en de sleur van alledag…

Jesaja 40, 31
“Maar wie de HERE verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat”.

Moe zijn is en teken van deze tijd. Je hoort het zo vaak: “Ik ben zo moe, ik ben ’t zo zat”.  Mensen hebben toch zo’n behoefte aan wat rust en ontspanning. Zeker in deze tijd, waarin het lijkt alsof de hele wereld op je af komt. Moe van de onrust, moe van het werken, het jagen en jachten, moe van het leren, huiswerk maken, moe van het sporten, moe van de ellende in de wereld, moe van de geur en de sleur van alledag, daar word je toch zo moe van! En dan hebben we nog niet eens gesproken van bijzondere omstandigheden, die een mens extra moe maken: ziekte, gehandicapt zijn, werkeloosheid, recessie, slechte vooruitzichten, het gedoe rondom Wilders en het nieuwe kabinet. Ik denk ook aan de huwelijken die stranden, relaties die kapot gaan, jonge mensen die zich het leven benemen, verkeersongelukken en zo vele dingen meer, die een mens ongelukkig en dood moe maken. En dan onze hoog geroemde vrije tijd, waarin we het dikwijls nog drukker hebben dan anders, al die mogelijkheden om je te “ontspannen”, al die inspanning maakt je alleen maar nog vermoeider! Als je op maandag de week begint of je eindigt de week op vrijdagavond, het maakt allemaal geen verschil meer. Ook de zaterdag en de zondag zijn werkdagen geworden. Om moe van te worden! Moe na de werkweek, moe na het weekend, moe na de vakantie, moe van het sloven elke dag, moe van het zorgen, moe van het piekeren, moe van het vechten tegen het onrecht dat je is aangedaan. Het gaat maar door, wanneer zal er eens een eind aan komen? Dat is wel de grootste hindernis in je leven: je vermoeibaarheid! Ook de jongeren, die onvermoeibaar lijken, hebben daar last van. Er komen te veel dingen op hen af, waardoor ze geen rust meer krijgen. Gelukkig hebben jonge mensen veerkracht om belasting te boven te komen. Ouderen hebben daar moeite mee. De generatie van eergisteren, die de oorlog nog heeft meegemaakt en waaraan Nederland zijn opbouw te danken heeft, wordt moe gemaakt door de onrust over de welverdiende pensioenen. De generatie van gisteren, die de teugels nu in handen heeft, is vertwijfeld onder de vele teleurstellingen van na de oorlog en over de uitzichtloosheid van het leven in de twintigste eeuw. Nog steeds is er geen vrede alom, nog steeds leeft 1 miljard mensen in de wereld met honger, nog steeds heerst er verdrukking in de vele dictaturen. Voor veel mensen is de muziek weg uit het leven, omdat het leven geen verrassingen meer te bieden heeft. Oud of jong, het geldt ons allemaal! We leven in een tijd van welvaart, een welvaart die onze vermoeidheid nog opvoert. De natuurlijke weerstand verslapt. Dat is duidelijk te merken aan de overvloed van alle dingen, die onder ons handbereik zijn komen te liggen. De keuze voor een auto onder wel duizend automerken, de keuze voor een vakantiebestemming te kust en te keur. Al die overvloed laat een leegte achter en maakt de mens vandaag extra moe. Geen wonder, dat grote groepen in onze maatschappij overhoop liggen met deze alleen maar moe makende maatschappij. Ik denk aan de krakers, de daklozen, maar ook aan de natuurzoekers en hen, die intreden in een klooster.

Jesaja wist het al: “jongeren zullen moe worden en mat, en de jongelingen zullen zeker struikelen”, op één uitzondering na: “Zij, die de Heer verwachten, zij zullen nieuwe kracht putten, zij zullen lopen en niet moe worden, zij zullen wandelen en niet mat worden”. U vraagt zich misschien af, wat dat voor mensen zijn, die de Heer verwachten. Denk maar niet, dat dit een nieuw Christelijk idee is om het moe zijn van vandaag te verbloemen, om van de wereld toch nog iets goeds te maken. In die woorden van Jesaja klinkt integendeel een oud geheim door, een geheim dat eeuwen lang mensen nieuwe moed en kracht gegeven heeft: DE HEER VERWACHTEN. Die twee woorden “de Heer” en “verwachten” horen bij elkaar. De Heer kun je toch eigenlijk alleen maar verwachten. En wil je echt iets van het leven verwachten, dan moet je de Heer verwachten. De Heer over leven en dood, de Heer van de wereld, de Heer van u en van mij. De Heer is niet een God, die de vroegere goden opvolgt; Hij is ook niet de macht, die aan onze moderne behoeften voldoet; Hij is niet de gelegenheidsfiguur, Die ons uit onze verlegenheid moet brengen. Hij is de God van Israël, Die alleen wonderen doet; Die met Zijn volk wandelt, Die wonden verbindt en heelt en rechtvaardig Zijn mensenkinderen liefheeft en bestraft, vergeeft en heiligt, Die ook ons moe-zijn heiligt., zodat je steeds opnieuw beginnen mag en ook kunt. Deze Heer komt! Het is niet genoeg, dat Hij bestaat, je mag Hem ook verwachten, Hij komt! Dat betekent tegelijk, dat alles, waar we zo moe van zijn, verdwijnt, en dat er een andere wereld en tijd, een nieuw leven voor in de plaats komt.

“Zij, die de Heer verwachten, putten nieuwe kracht…” Zij zullen de kracht vernieuwen, omdat zij ondanks alle ellende in de wereld, alle onrecht en teleurstellingen, alle vermoeienis en pijn een verwachting hebben van iets geheel nieuws: de wereld en de levenswerkelijkheid van die andere Heer! Jezus Christus kent onze vermoeienis. Ook Hij is vaak oververmoeid geweest van dat onbegrip onder de mensen, die onderlinge haat en nijd, die hoogmoed en eerzucht en vooral ook hebzucht. Juist omdat Hij wist, wat moe zijn betekent, heeft Hij met zo veel klem gesproken: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijn, en Ik zal u rust even”. Bij die Heer is het leven goed. Hij maakt, dat wij niet meer zo ijdel zijn en alleen aan ons zelf denken, Hij maakt ons moe met een lach en een grap; Hij doet ons neerliggen in grazige weiden (Ps.23). Hij maakt ons los van het zware slepen en jagen, zwoegen en zorgen.

“Wij mensen, wat denken wij dan wel?
 Of wij ons al vernemen iets te weten,
’t is maar en droom, een schaduwspel”

(gez.391).

Jezus opent onze ogen voor die droom, dat schaduwspel. “Hij doet ons het heil maanschouwen, niet op ons oog vertrouwen, niet blij zijn met de schijn. Hij doet ons de eenvoud vinden en als kinderen van God op aarde vroom en vrolijk zijn.” En dan mag je moe zijn, dan is ’t niet zo erg meer. Je krijgt namelijk telkens weer nieuwe kracht, als je maar die Heer verwacht. Als je maar telkens opnieuw denkt aan Hem en aan het werk, dat God met de wereld en ons heeft willen beginnen. Dat moet elke keer weer ons begin zijn, uitziende naar Gods beloofde toekomst van heerlijkheid en rust. Dat geeft je ook het uithoudingsvermogen, om ondanks je moeheid te volharden, stug door te gaan, met je werk, met je studie, met al je plichten en ook zorgen, met je geestelijk en lichamelijke zwakte. Het begin moet altijd zijn ons gebed om een betere wereld, om meer rechtvaardigheid onder de mensen, meer solidariteit, hulpbetoon, liefde en aandacht met respect voor elkaar. Dat is: “Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede”. Tussen het begin en het einde staan wij met onze moeheid, maar kijkend naar het einde, naar het Koninkrijk van de Heer, dat we mogen verwachten, zullen we nieuwe kracht putten om onze taak, van God gekregen, te volbrengen.

“Zijn wij zwak, belast, beladen,
En terneergedrukt door zorg;
Dierb’re Heiland, onze Toevlucht,
Gij zijt onze Hulp en Borg.”

Amen.

Des Heren tempel is dit

Het Heilig Avondmaal plaatst ons voor de oproep om tot zelfkennis te komen, onder het waarschuwende woord van Jeremia. Hoe staat we er persoonlijk bij? En als Gemeente?

Viering Heilig Avondmaal. Jeremia 7, 1-15

Als je vandaag aan een Jood in Israël zou vragen: “ben je nou niet een beetje bang met al die dreigende uitlatingen van de Palestijnen? Vrees je niet, dat jullie kleine landje niet bestand zal zijn tegen het geweld van wapenen van de Arabische landen rondom, als het weer eens tot oorlog mocht komen? ” Dan zal onze Israëliet ongetwijfeld zeggen: “Ja, ik ben wel bang, maar ik ben er ook heilig van overtuigd dat ons land niet klein te krijgen zal zijn, want het is onze bestemming om hier te wonen. Israël is de “navel” van de wereld. De plaats die God heeft gekozen om daar te wonen en vandaar uit Zijn plan met de wereld te volbrengen.”

En een Palestijn kan je de vraag stellen: “ben je nou niet bang dat de dag nooit zal komen dat jullie niet langer verdreven worden van jullie eigen geboortegrond? Dat soldaten, prikkeldraad en wegversperringen nooit zullen weggaan? Dat de reis- en handelsbeperkingen betekenen dat er geen toekomst voor jullie volk mogelijk is, behalve in armoede en ongeletterdheid? Vrees je niet dat jullie vergeten en opgegeven zijn, zelfs door jullie Arabische broeders?” Dan zal onze Palestijn ongetwijfeld zeggen: “Ja, ik ben wel bang, maar ik ben er ook heilig van overtuigd dat dit land onze bestemming is. Dit is de plek waar onze vaderen en voorvaderen geboren zijn. Het is Jeruzalem waar Abraham zijn zoon Ismaïl offerde, onze stamvader. Er zal een dag komen dat we het juk afwerpen en terugkeren uit de vluchtelingenkampen in Jordanië, Syrië en Libanon. We weten en kunnen niet anders dan bidden en vechten voor wat ons toebehoort en afgenomen is.”

De politieke toestand in Israël was zesentwintighonderd jaar geleden niet veel anders dan die van nu. Er heerste chaos en oorlog alom. Van Israël viel nauwelijks meer te spreken, want alleen het piepkleine landje Juda (het tweestammen rijk) was nog over gebleven. Het is maar een kleine rest van wat eens onder beroemde koningen als David en Salomo tot stand was gebracht. Eens was het een omvangrijk koninkrijk geweest. Dit kleine landje lag nu op het eind van de zevende eeuw vóór Christus ingeklemd tussen de politieke grootmachten Egypte en Babylonië. Van beide kanten was de bedreiging groot. De enige zekerheid, die men nog had, was de tempel, het huis van God. Daar hield men dan ook maar aan vast. Men geloofde vast, dat God Zijn eigen huis niet in de steek zal laten en dus ook over de veiligheid van de stad Jeruzalem zou waken. Ook regeerde in die stad nog een verre nakomeling van koning David, koning Jojakim, dat gaf de burger ook een beetje moed! Had Jahwe met koning David niet een verbond gesloten en gezworen: “Uw huis en uw koningschap zullen voor immer bestendig zijn voor uw aangezicht, uw troon zal vaststaan voor eeuwig?”( 2 Sam.7, 16). Het geloof in de uitverkiezing van Jeruzalem als de stad van God en het koningshuis van David had oude en diepe wortels. Jahwe kon Jeruzalem nooit aan de ondergang prijs geven, want Gods heil en trouw duurt in eeuwigheid. De tempel stond er nog in de tijd van Jeremia, de priesters vervulden hun diensten. Het volk trok op naar Gods huis. Jahwe woont te midden van Zijn volk. Wat zou er dan nog mis kunnen gaan? Wie durft te beweren, dat het niet zo is? Het is de eenvoudige waarheid, die vaststaat als een huis. God en Zijn volk zijn diep met elkaar verbonden. Is het dan een wonder, wanneer het volk in vers 10 zegt: “Wij zijn geborgen?” Gods genade is de grond van hun vertrouwen en zekerheid, het lot van Jeruzalem ligt uiteindelijk niet in handen van mensen.

Dat alles is ook voor ons Christenen heel goed te begrijpen. Ook wij zijn al gauw geneigd hetzelfde te zeggen. De tijd van het onverwoestbare vertrouwen in de trits “God, Nederland en Oranje” ligt nog maar kort achter ons. Nog rijzen de torens omhoog in ons land, van de kleine kerkjes op de terpen in Friesland tot de middeleeuwse kathedralen in grote steden. De klokken luiden en de Gemeente komt samen. Kerkmensen belijden overal: “Des Heren tempel is hier!” Dat is toch ons vaste geloof, niet waar? God is genadig en zal Zijn uitverkoren geslacht, de Kerk op aarde, bewaren.

Maar wat doet de profeet nu? Trekt hij dat geloof in twijfel? Het zijn leugenwoorden, zegt hij, wanneer jullie zeggen: “Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is dit!” Hoe kan de profeet dat nou zeggen? Heeft de geschiedenis van God met Zijn volk dan geen betekenis meer voor hem? Gelooft hij dan niet in de vaste uitverkiezing van Jahwe? Natuurlijk wel. Ook hij weet van de nabijheid van God en Zijn genade. Maar tegelijkertijd weet hij ook nog iets anders, wat God hem heeft laten weten: dat God in vrijheid Zijn volk en Jeruzalem heeft uitverkoren. In vrijheid… Het was Zijn genade en daarover kunnen de mensen nooit beschikken. De beloften van God kunnen door de mensen nooit worden ingekapseld in het raam van een onveranderlijk dogma. Heel oneerbiedig gezegd: God laat Zich in Zijn genade niet tot een pop maken in de poppenkast: je trekt aan het touwtje en de pop gaat dansen. Het is een vergissing, wanneer jullie denken, dat God op grond van Zijn beloften gedwongen is Zijn volk onder alle omstandigheden de hand boven het hoofd te houden. Het is een vergissing, wanneer jullie denken dat met de tempel in jullie midden de veiligheid gegarandeerd is. Dat is een valse zekerheid! Je kunt maar niet denken: het komt allemaal wel goed, want God is met ons. En voor de rest gewoon je gang gaan: roven, stelen, moorden, echtbreken, feestvieren voor de Baäls. Maar zo is dat niet! Dat God bij Zijn volk zijn zal en het volk in het beloofde land kan blijven wonen, geldt alleen, wanneer het volk zich ook op God richt en een goed gehoorzaam Gode welgevallig leven leidt. Wanneer dit volk werkelijk voor het  recht opkomt, de vreemdelingen, de wezen en de weduwen niet onderdrukt en vreemde goden geen kans geeft. Juist omdat God Zich in vrije genade aan het volk gebonden heeft, kan Hij ook in alle vrijheid Zich van het volk terugtrekken, wanneer het volk zich niet aan Hem laat binden.

Een erg actueel woord, ook voor vandaag, vindt u niet? Wij geloven, dat God de Gemeente heeft gesticht en haar beschermt; wij geloven ook dat God ons leven bestuurt en bewaart. Heel juist, maar het wordt leugen en bedrog, als we denken in dit geloof rustig en onbekommerd teven te kunnen, er op vertrouwend dat God ons vanuit Zijn genade niet kan laten vallen. “Des Heren tempel is hier”; later heet het: “Wij zijn Abrahams kinderen”, nog later: “Ik ben een kind van God, mij kan niets gebeuren”. Tegen deze zelfverzekerdheid komt Jeremia op. Zo spreekt de Here: “Ik waarschuw jullie! Als jullie geen rechtvaardig leven leidt door met God rekening te houden in je leven… God is geen slaaf van Zijn eigen genade. Hij laat Zich niet binden, maar Gods genade bindt ons wel! Kijk, daar komt het op aan: dat wij ons laten binden!” Het geeft geen pas God vast te prikken op Zijn beloften en zelf de afspraken van het Verbond te vergeten en Gods geboden in de wind te slaan. Hoe kun je van genade spreken, hoe kun je op Gods genade vertrouwen, wanneer je die genade niet in je eigen leven laat functioneren, heel gewoon in de praktijk van alle dag. We hebben te bedenken, zegt Jeremia, dat wanneer we Gods geboden  met voeten treden en dan in de kerk komen om het Avondmaal te veren en zo, we van de kerk een rovershol maken, omdat we ons vergrijpen aan wat ons rechtens niet toekomt. Toch ligt hier een moeilijk probleem. Jeremia verkondigt de genade van God, dat Hij bij Zijn volk zal blijven en dat het volk daardoor in het beloofde land kan blijven wonen, wanneer het de geboden van God nakomt, rechtvaardig is tegenover de armen, vreemde goden afweert, kortom wanneer het voor Gods Aangezicht zuiver en oprecht wil leven. Men zou kunnen vragen: betekent dit dan toch dat het lot van de stad, de toekomst van Gods volk, in handen van mensen ligt, om dat hun deugdzaam leven voorwaarde is voor het blijven van God bij Zijn volk? Is de ontvangst van de goddelijke belofte dus een gevolg van menselijke gehoorzaamheid? En wat ons betreft: is dan de zegen van het Heilig Avondmaal daarvan afhankelijk of wij goed geleefd hebben? Nee toch, Gemeente, zo is het niet, laten we er voor oppassen moralistisch te zijn, zo in de trant van: het goede wordt beloond en het kwade gestraft. Nee, de volgorde in Gods Rijk is heel anders. Daar gaat het om oprechtheid, echte liefde, in dankbaarheid uit de genade leven. De belofte van God wordt niet pas door de ongehoorzaamheid van de mens op het spel gezet. Het leven naar Gods wil is niet zo zeer voorwaarde, eerder een gevolg van een waarachtig geloof. Alleen wie in het geloof gehoorzaam is en Gods gebeden houdt, heeft werkelijk Gods genade als GENADE verstaan.

Voor ons, zoveel jaar later, liggen de dingen precies eender. De toekomst van de Gemeente hangt niet af van onze Christelijke deugden en van een meer of minder geslaagde Christelijke politiek. Maar aan de andere kant maken wij wel door een onchristelijke handel en wandel Gods genade bespottelijk en belachelijk. Christus is niet alleen gekomen om ons de vergeving van zonden te schenken en ons aan de rechterhand van de Vader voor eeuwig in bescherming te nemen, maar ook om op ons hele leven beslag te leggen. Wie dan ook de geboden van God veracht en zijn eigen wil doei in zonde en afgoderij, die maakt van de Kerk een rovershol en van zijn geloof leugenwoorden.

Het Heilig Avondmaal plaatst ons voor de oproep om tot zelfkennis te komen, onder het waarschuwende woord van Jeremia. Hoe staat het er bij ons, bij mij, bij? Persoonlijk en als Gemeente? Leugenwoorden, of met vallen en opstaan een God welgevallige Christelijke levenswandel, waarin de één de ander dient, die ander hoger aanslaat dan zichzelf? Het Avondmaal is de concretisering van Gods belofte, dat Hij in Christus bij ons wil wonen. Ook dat wij in Christus Gods volk mogen zijn en eens in het beloofde land zullen wonen: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Maar deze belofte mag nooit aanleiding zijn tot zelfverzekerdheid, vrome gelatenheid dat het wel goed zal komen. Nee, deze belofte stelt ons voor een keuze: vóór of tegen. Met je hele hart en met je hele verstand en met je hele hebben en houden God toebehoren, of alleen maar met de mond?

Laat het ons door God bij monde van zijn profeet Jeremia gezegd zijn!!

Amen.

Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die vrouw en blijkbaar zijn stervende kind vergat?

Schriftlezing: Marcus 5, 21-43 (Mattheüs 9, 18-26, Lukas 8, 40-56)

Het is met die genezing van de bloedvloeiende vrouw toch eigenlijk wat vreemd gesteld. Ik denk toch niet dat Markus het ons overlevert bij wijze van “nu zal ik eens een sterk staaltje van Jezus gaan vertellen”. Alle genezingen, waarover het Evangelie vertelt, zijn een moedwillige daad van Jezus, maar hier is dat niet het geval. De genezing gaat als ’t ware buiten Jezus om. De vrouw profiteert clandestien van de genezende kracht, die van Jezus uitstraalt.

Het gebeurde aan de overkant van het meer van Galilea, waarschijnlijk in Kapernaüm, zoals Markus ons vertelt. Ook de andere Evangeliën, Mattheüs en Lukas, hebben dit verhaal. We kunnen dus mooi vergelijken. Daar, bij het meer van Galilea, was Hij nauwelijks aangekomen of er verzamelde zich al weer een grote “schare” bij Hem, een geweldige menigte van mensen.

(vs.22) “En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neer aan Zijn voeten, en hij deed een beroep op Hem, dringend: “Mijn dochtertje is zo ziek, het loopt af, komt u toch en leg haar de handen op, dat zij nog wordt gered en blijft leven.”

Jaïrus is een lid van het synagogenbestuur in Kapernaüm, echt een man van aanzien, maar voor de dood is iedereen gelijk, zeggen we wel eens, en dat zien we ook hier. Zijn dochtertje is zo ernstig ziek, dat het gaat sterven. In het verhaal van Mattheüs is het al gestorven, bij Lukas heet ze “stervende”. Ook Markus vertelt, dat het met haar afloopt. Jaïrus vraagt van Jezus een handoplegging, zoals dat in de Joodse Gemeente en ook later in de Kerk gebruikelijk was. Er ging van die handoplegging een zegenende kracht uit. Wij zouden dat ook eens bij zieken moeten doen! De handoplegging met de Bijbelse zegen: “De Heer zegene u en behoede u”, precies zoals dat op het einde van de kerkdienst gebeurt. Vader Jaïrus zou zo graag willen dat zijn kind “behouden” werd. Behouden heeft hier duidelijk een dubbele betekenis: gered te worden uit de dood, maar ook het behouden worden door God, gered van zonde en schuld. Hier zal blijken, dat Jezus de grote Redder en Behouder is. Daar draait het eigenlijk in beide geschiedenissen om. Hij gaat ook inderdaad met Jaïrus mee, bereid om de Redder te zijn, zodat het profetische woord vervuld wordt “dat de Messias zal zijn de Redder er armen” (Ps.72, 4).

Maar dan gebeurt er weer iets. De schare mensen laat niet af, maar dringt op Jezus aan. Het is een grote kluwen van mensen, die zich daar voortbeweegt.

“En een vrouw, die al heel lang aan bloedingen leed – al twaalf jaar – en die heel wat had afgetobd met telkens weer andere dokters en zich arm had betaald en er niets mee was opgeschoten, integendeel: het was steeds maar erger geworden – nu, die vrouw, die veel over Jezus had gehoord, die kwam tussen al dat volk naderbij, achter Hem, en zij raakte zijn mantel aan. Want ze dacht: al gelukt het mij maar dat ik enkel zijn kleren aanraak, dan komt het met mij in orde.”

Die vrouw is er inderdaad slecht aan toe. Zij is niet alleen ziek, en iedereen die wel eens zulke bloedingen heeft gehad weet hoe ondermijnend dat is voor de krachten van het lichaam en ook van de geest. Zij is niet alleen ernstig ziek, maar ook voor de gemeenschap een uitgestotene. Volgens de Levietische wetten was zij immers onrein en mocht niemand haar aanraken en zij mocht anderen ook niet aanraken. Zou ze daarom zo stiekem, onopgemerkt in het gewoel van de mensen, Jezus als ’t ware “beslopen” hebben? Ik denk het wel, zij had geen andere keus. Zij heeft van Jezus gehoord en denkt: dit is mijn laatste kans, die moet ik pakken!

“En meteen was het over, het bloeden, en zij werd gewaard aan haar lichaam dat zij van haar kwaal was genezen. Maar Jezus, Zich onmiddellijk bewust dat er kracht van Hem was uitgegaan, wendde Zich tussen al dat volk om en zei: Wie raakte daar aan mijn kleren? Waarop Zijn leerlingen zeiden: U ziet hoe het volk zich om U verdringt, en dan zegt U: Wie raakt Mij daar aan? Maar Hij bleef rondzien om degene te vinden, die dit gedaan had. En de vrouw, bang geworden en bevend, maar beseffend wat er met haar was gebeurd, kwam naar voren, wierp zich voor Hem neer en vertelde Hem alles naar waarheid. Toen sprak Hij tot haar: Mijn dochter, dit geloof van u, dat is uw redding geweest. Ga nu, in vrede, wees gezond en vrij van uw kwaal.”

Eigenlijk was het geloof van die vrouw anders dan wat wij echt geloof noemen. Het was wel wat primitief: zij zag in Jezus een wonderdoener. Toch had zij zoveel vertrouwen in Hem, dat Hij het was, Die haar alleen nog redden kon, dat zij door de massa heen -ondanks het kerkelijke verbod- tot Jezus kwam. Niets kon haar daarvan weerhouden. En dat ziet Jezus, en daarom is het toch geloof! Precies zoals het ging met die vier mannen, die met hun verlamde vriend tot Jezus kwamen. Ook daar staat: “En Jezus hun geloof ziende…” Het “dat” van het komen is voor Jezus blijkbaar belangrijker dan het “hoe”. Daar moesten wij ook maar eens meer aan denken! Wij binden het geloof aan allerlei normen, vastgelegd in belijdenissen. En we zijn zo gefocust op de belijdenis, dat alleen al daarom kerken uit elkaar gaan. De belijdenis van woorden wordt dan belangrijker dan de geloofsdaad, het “hoe” belangrijker dan het “dat”. Anders is het geen echt geloof, zeggen we dan. Maar Jezus doet dat niet. Daar staat een vrouw voor Hem en die legt Hem haar nood voor, zij gaat voor Hem aan Zijn voeten liggen, zij beeft als een riet. Ze hoeft eigenlijk niet eens iets te zeggen, iedereen kon zien hoe erg ze er aan toe is. En toch zijn daar de discipelen, die Hem proberen af te houden. Jezus voelde dat iemand Hem nodig had, Hij zocht in de schare. Jezus weet dat ook van ons en Hij zoekt ons. Hij weet hoe u en wie u bent. Laat u niet van de wijs brengen door mensen, die net als de discipelen het allemaal zo goed weten. Misschien zeggen ze wel: och, het zijn er zo veel, daar is toch geen beginnen aan! Nee, voor Jezus is er op dat moment maar één, en dat is die ellendige vrouw, en dat bent u als u door de nood gedreven zich tot Hem om hulp begeeft. Dan zegt Jezus niet tot u:  “Nee, m’n goeie mens, zo gaat dat niet, je hebt er blijkbaar nog niets van begrepen.” Maar Hij heeft medelijden, zo dat Hij alleen maar troosten en helpen wil. Hij is niet boos om haar vrijpostigheid, Hij ziet haar ellende en haar vertrouwen in Hem, Die helpen kan. Daarom: “UW GELOOF HEEFT U BEHOUDEN!” Toch geloof, hoe vreemd het ons mag lijken. Want, stel nou eens dat zij Jezus voorbij had laten gaan, dan was ze ziek gebleven!

Intussen staat Jaïrus daar maar zielig en alleen tussen al die mensen. Hij voelde zich misschien ook wel in de steek gelaten. Daar heeft hij in het aller-uiterste moment de man ontmoet, die zijn kind nog zal kunnen redden. En die is ook bereid onmiddellijk met hem mee te gaan. En dan nu dit oponthoud! En tot overmaat van ramp kwamen daar ook al mensen vanuit zijn huis hem vertellen, dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is en dat hij de Meester verder maar niet moest lastig vallen. Door dat oponthoud met dat mens is nu zijn kind gestorven! Wat moet er niet door Jaïrus heengegaan zijn? Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die vrouw en blijkbaar zijn kind vergeten was? Zijn kind was nota bene in direct levensgevaar, en dat was die vrouw toch niet!

Was Jezus dat kind vergeten en die vader, die zich steeds ongelukkiger ging voelen? Nee, zo werkt dat niet bij God en bij de Zoon van God en de Zoon des mensen. Bij Hem is alle aandacht voor iedereen, die aandacht behoeft. Maar alles op zijn tijd. God kan wachten, Hij laat ons ook wel eens wachten. Alleen: wij zijn zo ongeduldig, wij hebben geen tijd om rustig af te wachten. Jaïrus moet nog leren, dat God nooit laat varen de werken van Zijn handen. Zult u ook een beetje geduld hebben met Gods genade? Het komt echt wel! Misschien worden we nog een beetje op de proef gesteld, misschien hebben we nog wat uitstel nodig om tot bekering te komen? Misschien ook heeft God eerst wat anders te doen? Zeker ook moet Hij zo doorgaan om de werken van God openbaar te maken, zoals hier in beide verhalen gebeurt. Zodat echt zal blijken, dat Hij is de Redder der armen, niet alleen van ziekte maar ook van de dood!

“Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zei tegen de synagogenbestuurder: Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen. En Hij wilde geen mens mee hebben dan alleen Petrus en Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Zo komen ze aan bij het huis van de synagogenbestuurder en daar ziet Hij het: rouwmisbaar, een groot gehuil en geweeklaag. En Hij gaat naar binnen en zegt: Wat moet hier dat rouwmisbaar. Wat valt er te huilen? Het kind is niet gestorven, het slaapt. Maar de mensen lachten om Hem. Maar Hij, Hij werkte ze allen de straat op. Die mee mochten waren: de vader van het meisje, de moeder, en die Hij had meegebracht. En zo trad Hij daar binnen, waar het meisje lag.”

Het zal je toch maar gezegd worden, als net je kind gestorven is: Vrees niet, geloof alleen. Wie zal in staat zijn, in zulke omstandigheden, dat bevel op te volgen? Wie kan nog geloven, bij de dood van je kind? En wat moet ik dan geloven? Dat God dit gedaan heeft? Nee toch zeker! Maar zo staat het er ook niet. Wij moeten hier geen bevel van maken. De oorspronkelijke Griekse woorden maken duidelijk, dat het geen bevel is, maar meer een bemoediging, dat werkelijk nog niet alles verloren is, al heeft het daar, menselijk gezien, alle schijn van. “Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen”.

Dan neem de Heer Petrus, Jakobus en Johannes mee, dezelfde discipelen die straks waardig zullen worden gekeurd om bij de verheerlijking op de berg aanwezig te zijn. Alles wijst er op, dat er grote dingen staan te gebeuren. Maar de mensen hadden dat weer helemaal niet in de gaten. Integendeel: zij lachten om Hem, zij lachten Hem uit! Het is de satan in de mens, die niet voor waar wil hebben, dat Jezus is de Machtige, ook over hem. Daar staat er met zoveel nadruk: maar Hij, Hij “ekballei”, Hij werpt ze uit! Er uit jullie! Waar de Zoon van God optreedt, is geen plaats meer voor jullie, satansgebroed. Zij er uit en Hij er in! Hij schrijdt als ’t ware met Zijn gevolg naar binnen, hier doet het leven intocht in de kamer, waar de dood zich had verschanst. Hij houdt intocht om satan en de dood te verslaan.

“Daarop pakte Hij de hand van het kind en zegt tot haar: Talitha koem: kom kindje, sta op! Meteen kwam zij overeind, het meisje, en ze liep al weer rond, ja, een meisje van twaalf jaar. Die mensen, meteen, waren buiten zichzelf, opgetogen. Maar Hij zei hun, heel duidelijk, dat niemand hiervan mocht weten. En Hij zei, dat het kind iets te eten moest hebben.”

In de doodskamer staat Jezus en Hij stak Zijn hand uit naar het dode meisje. Hij pakt haar hand vast. Doden mocht je niet aanraken volgens de reinigingswet uit Levieticus. Maar Jezus is de Heer over de dood en dat laat Hij hier al zien met die aanraking. Zo is het ook gebeurd met die jongen uit Naïn, de enige zoon van een weduwe, toen Jezus de baar liet stil staan en de jongen aanraakte. Aanraking is heel belangrijk, dat geeft contact, daardoor stroomt er iets van jou in die ander over. Kracht, liefde, zorg, aanwezigheid, aandacht vooral. Laten we elkaar meer aanraken om te laten zien dat je er voor elkaar bent. Zeker moeten we dat doen bij zieken en gehandicapten, die misschien zelf niet meer in staat zijn hun handen uit te steken om u aan te raken.

“Kom kindje, sta op!” Het is een dubbele opstanding. Zij kwam weer ter been en zij stond op uit de dood. Ze is 12, toevallig of niet staat hier hetzelfde getal als bij die bloedvloeiende vrouw. In ieder geval kan zij al lopen en daarmee bewijst zij de realiteit van haar opstanding.

De mensen raken opgetogen, zijn in extase, in vervoering. Zoiets zal je toch maar gebeuren! Dat hebben ze nog nooit meegemaakt! Ze zouden het kind daardoor bijna vergeten, maar zo niet Jezus. Hij blijft bij het kind, Hij maakt Zijn werk helemaal af en zegt doodgewoon: “Geef haar iets te eten”. Daarmee, ook tot ons, zeggend, dat het leven doorgaat. De zorg, die we aan elkaar hebben en geven, mag gericht zijn op het leven, dat komt. Ligt hier misschien ook de diepere betekenis van het broodjes eten na de begrafenis? Met Jezus er bij hoeven we niet stil te blijven staan bij de dood en de doden, wij worden tot leven opgewekt en wij moeten het leven in stand houden. GEEFT ELKAAR IETS TE ETEN!

Amen.

De verzoening door plaatvervanging

Er is een bodemloze afgrond tussen God en ons, geen brug voert ons er over heen, geen pijler kunnen we er in neerlaten. Wie is in staat te zien in die afgrond van vijandschap tussen God en ons?

Romeinen 5, 10
“Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden doordat Hij leeft; en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.”

De Kerk dient in de eerste plaats bekend te maken de boodschap van de verzoening. Deze genade van God mag zij niet vergeefs ontvangen, zodat er voor haar leden de opdracht is om als rentmeesters te leven en te werken. Op deze wijze zal zij haar taak vervullen voor heel de wereld tot eer van God. Dat is toch het hart van ons geloof en van ons Gemeente zijn: de verzoening, dat wij, vijanden van God, met God verzoend zijn. Hoe? Door de dood van Gods Zoon, Jezus Christus. Zoals Paulus het zegt in ons tekstwoord: Wij roemen zelfs in de dood van onze Heer Jezus, door Wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

Verzoening is voor veel mensen nog een moeilijk begrip. Wat betekent het immers, dat je verzoend bent? Onze tekst heeft daar een antwoord op. We horen daar allereerst, dat we vijanden van God zijn. Dat is een hard woord. We zouden liever zien, dat de Bijbel wat complimenteuzer over ons sprak, bijvoorbeeld dat we vrienden van God zijn. Natuurlijk geven we toe, dat we soms veel te kort schieten, maar vijanden van God? Dat we in staat van oorlog verkeren met God? Nee, dat kan men toch niet van ons zeggen. Toch is het zo, althans volgens de apostel. Het is een bittere waarheid, dat het kruis van Golgotha tegen ons getuigt:

“’t Zijn de Joden niet, die U kruisten…,
Ik ben ‘t, o Heer, ik ben ’t die U dit heb gedaan…
Ja, ik kost Hem die slagen.”

(Jacob Revius, 1586-1658)

Golgotha is de grote ontmaskering, waar wij allen openbaar worden. Wie niet vóór Mij is, is tegen MIJ. Het komt er op aan partij te kiezen. Wie stemt werkelijk vóór, met hart en ziel en lijf en leden, op leven en dood? Als ’t er op aan komt, zijn wij vijanden van God, en God is een vijand van ons. Zoals het water een vijand is van het vuur, zo is God een vijand van ons zondige mensen. Dat is iets verschrikkelijks, God een vijand van ons! Als je daaraan denkt, kun je je niet staande houden. Er is een bodemloze afgrond tussen God en ons, geen brug voert ons er over heen, geen pijler kunnen we er in neerlaten. Wie is in staat te zien in die afgrond van vijandschap tussen God en ons? Niemand, behalve de Ene, Die is gaan staan waar niemand van ons kan staan: Jezus Christus. Waar wij moesten wegkruipen ging Hij staan, in onze plaats. Zo kwam er een brug met stevige pijlers boven de afgrond. Wij zijn verzoend, van vijanden tot vrienden gemaakt. Natuurlijk vindt u dit vreemd: van vijand tot vriend worden. Het is ook onlogisch, helemaal niet vanzelfsprekend. Het is heel onnatuurlijk, dat er voor vijanden van God verzoening zou zijn. En het zou alleen maar consequent geweest zijn, wanneer God ons, Zijn vijanden, voor eeuwig veroordeeld had. Maar er is iets gebeurd, iets onbegrijpelijks en wonderlijks. Toen Jezus dáár ging staan, voor ons, in onze plaats, toen werd God ontroerd en wij verzoend.

Nu herinnert mij het woord verzoening aan allerlei kleinmenselijke dingen, die in ons leven soms levensgroot ingrijpen. Er zijn wel eens twee mensen, die kwestie met elkaar hebben, of families die jarenlang in onenigheid leven. Er zijn geslachten en rassen en volken, die het vuur van de haat de jaren door voeden, staten en regeringen die in vijandschap leven. Er is wel eens verwijdering in het huwelijk tussen man en vrouw, en in het gezin tussen ouders en kinderen Maar soms is er de weldaad der verzoening. Aanvankelijk worden er harde woorden gesproken, maar dan is er opeens het ongedachte van twee mensen, die op weg gaan naar elkaar toe om te proberen in vrede met elkaar te leven en al het vroeger voorgevallenen te vergeven en te vergeten.

Ook tussen God en ons is er de weldaad der verzoening, geheel en al van God uit. God was in Christus de wereld met Zich Zelf verzoenende. Hij werd van vijand onze Vriend Welk een Vriend is onze Jezus, die in onze plaats ging staan. Hoe komt God daar nu toe? Zou Hij misschien toch nog iets goeds in ons ontdekt hebben? Nee, want wij zijn absoluut Zijn vijanden en echt geen verzoening waard. Zou God medelijden gekregen hebben met ons? Dat wel natuurlijk, want Hij is één en al barmhartigheid. Onze tekst geeft dit antwoord op onze vraag: “wij zijn verzoend door de dood van Jezus Christus”. God is geworden van vijand tot Vriend door de dood van Zijn eigen Zoon, die plaatsvervangend voor ons het offer heeft gebracht. Plaatsvervanging, solidariteit, is een oude gedachte in onze mensenwereld. We komen het o.a. tegen in Jesaja 53, waar de lijdende knecht des Heren gaat lijden voor de anderen. Maar ook in oude heidense primitieve godsdiensten ontdekken we plaatsvervanging. In een studie van Prof. van der Leeuw heb ik gelezen, dat primitieve volksstammen soms bij de bouw van een huis een kind offeren in plaats van zichzelf. Hij vertelt van de Toradja, die wanneer hij bij een tocht over het water een leugen uitspreekt, zich haastig een haar uit het hoofd trekt en het in het water gooit met de woorden: ik ben schuldig, dit geef ik in mijn plaats. En in Indië was het een gebruik, dat een weduwe zich met haar overleden man liet verbranden en zo het medelijden en mede sterven in de praktijk bracht. De gedachte om de goden te verzoenen door de dood van een mens of dier is heel oud.

Deze gedachte is het ook, die in onze verzoening met God centraal staat. Wij zijn verzoend met God door de dood van Gods Zoon, Die met Zijn dood het offer van ons leven heeft gebracht. Als wij dus bijvoorbeeld aan het Avondmaal gaan, dan is het niet alleen om de gedachtenis aan het lijden en sterven van Jezus te vieren, maar vooral ook onze eigen dood en onze opstanding ten leven. Want “met Christus zijn wij gestorven en begraven en opgestaan”. Hierop worden wij terecht gewezen in het tweede gedeelte van onze tekst: “Nu wij verzoend zijn door Zijn dood, zullen wij behouden worden doordat Hij leeft! En daardoor roemen wij in God door onze Heer Jezus.” Er is behoud, er is redding! Er is leven! Redding van Gods toorn, redding van het geweld van Gods vijandschap, redding ten leven! “Want als God al naar ons heeft omgezien, toen wij nog vijanden waren, hoeveel te meer zal Hij naar ons omzien, nu wij verzoend zijn.” Indien de stervende Jezus naar ons heeft gegrepen, hoe veel te meer zal Hij, Die nu leeft aan de rechterhand van God en ons Zijn Heilige Geest geeft, de levende Heer in de hemel, hoe veel te meer zal Hij naar ons omzien en ons bewaren en leiden naar de heerlijkheid!

Amen

Wij roemen in de verdrukking

Wij zijn verzekerd van dat Godsrijk nu al, hier in dit leven, omdat wij weet hebben van Gods troost. Wat Hij beloofd heeft, de werken van Zijn handen, kan niet kapot. En daarom hebben wij hoop!

Romeinen 5, 3

Een geweldig woord, van een man, die wist waarvan hij sprak. Hoe vaak had hij niet verdrukking in zijn leven meegemaakt! Leest u maar eens 2 Kor.4: “Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons: in alles zijn wij in de druk, doch niet in het nauw;om raad verlegen, doch niet radeloos; vervolgd, doch niet verlaten; ter aarde geworpen, doch niet verloren; te allen tijde het sterven van Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare.”

Paulus kent de verdrukking uit ervaring. Deze man staat er midden in en hij heeft er volle vrede mee!Er is niets in hem van zelfbeklag of medelijden met zich zelf. Integendeel; hij kan er nog op roemen! Hij beseft, dat het een eer is, wanneer God het hem toevertrouwt zoveel verdrukking te lijden, zoals hij ook aan de Gemeente te Philippi schrijft: “Want aan u is de genade verleend , voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.” En wat heeft de apostel een strijd moeten leveren voor zijn geloof in de Heiland! We lezen opnieuw enkele verzen uit de Tweede Korinthebrief:  “in moeiten veel vaker, in gevangenschappen veel vaker, in slagen maar al te zeer, in doodsgevaren menigmaal; van de Joden heb ik 40 min 1 slagen ontvangen, drie maal ben ik met de roede gegeseld, drie maal heb ik schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee, telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door de heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders, in moeten en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten , in koude en naaktheid; en dan, afgezien van de dingen die er verder nog zijn, mijn dagelijkse beslommeringen, mijn zorg voor al de Gemeenten…” (11, 23-29).

Hij heeft in al die verdrukkingen de kracht van God ontvangen,omdat hij afweet van het lijden van Christus. Daarom kan hij er in roemen en wekt hij ook de geloofsgenoten in Rome op dat te doen. “WIJ ROEMEN OOK IN DE VERDRUKKINGEN…” Jullie ook? U ook? Doen wij het ook in onze verdrukkingen? Ik ben bang van niet. Wij zuchten er onder en tobben er mee rond. En dan hebben we ’t nog niet eens over de verschrikkelijke verdrukkingen, die Paulus heeft doorgemaakt: de geloofsvervolging en het kruisdragen om Christus’ wil, het martelaarschap. Daar zijn wij waarschijnlijk helemaal nog niet aan toe. Maar ik denk aan verdrukking van het bezwaarde geweten, herinneringen uit het verleden die op ons drukken; pijnlijke en beschamende ervaringen uit ons leven, die steeds maar weer in onze gedachten rondspoken, of bezwarende ervaringen nu, waardoor we ons gekwetst voelen. Ik denk aan al die dingen waarover we wel eens zingen: “Zijn wij zwak, belast, beladen en terneergedrukt door zorg” (Joh. de Heer) Misschien zijn het ook gedachten en beelden van de toekomst, die ons terneerdrukken. Angst om te moeten sterven, angst voor lijden en ziekte, rouw en vereenzaming, angst voor de “doorn in het vlees” waardoor je gehandicapt bent en je uitgeschakeld voelt in het leven. Paulus kende die gevoelens ook, de last van het geweten, omdat hij vroeger zijn geloofsgenoten had vervolgd. Hij spreekt van de doorn in zijn vlees. Wij weten niet welke handicap daarmee bedoeld wordt,  maar hij kan er nu in roemen, terwijl wij er nog door verdrukt worden en er onder gebukt gaan, misschien zelfs er moedeloos onder zijn geworden en verbitterd, opstandig. Wij hebben het gevoel dat ons bitter onrecht geschied, wanneer wij zo moeten lijden. Waarom ik en een ander niet? ’t Is allemaal zo onredelijk verdeeld in de wereld, ’t is niet eerlijk!

Hoe kan Paulus nu zeggen: “Wij roemen ook in de verdrukking”? Een wonderlijke uitspraak, onbegrijpelijk! Tegenstrijdig met de werkelijkheid en totaal onlogisch voor ons gevoel. Ja, maar geloof rekent met een heel andere logica, niet die van het verstand, maar die van het hart, niet die van de rekenlat, maar van de barmhartigheid van God, Die niet rekent. “Hij doet ons niet naar onze zonden, maar vergeeft ons.” Ook voor mensen als Paulus was het leven niet altijd even gemakkelijk, voor hen waren er veel raadsels in het leven, net als voor u. Voor Job bijvoorbeeld  heeft het heel lang geduurd, eer hij kon zeggen “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd”. Zij hebben allemaal strijd met hun verdrukkingen, zij zijn als ’t ware in barensnood, zoals Paulus het zegt in Rom.8,22): “wij zuchten, want wij weten, dat tot nu toe de hele schepping in al haar delen zucht en in barensnood is”. Toch hebben zij goede moed en vrede met God en kunnen noch juichen midden in hun nood, omdat zij Christus hebben leren kennen. “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard?” Zegt Paulus verder in de Romeinenbrief (8,35). Dat tekent ten voeten uit zijn onwankelbare geloof in de Heer, “want in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad” (vs.37). De apostel wil ook ons daarmee zeggen: weest getroost, het ligt niet aan ons, maar aan Hem, Wiens liefde ons tot overwonnenen en daarom tot “meer dan overwinnaars” maakt. Alleen in Christus kun je dat zeggen, kun je al die verdrukkingen dragen en zelfs er in roemen. Op eigen kracht gaat dat nooit. Alleen met Zijn hulp, de liefde en kracht in Hem, Die gezegd heeft: “In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.” (Joh.16,33).

Roemen in God wordt dan ook “roemen in de verdrukking”, en “roemen in de verdrukking” kan, omdat het tegelijkertijd “roemen in God” is, Die voor ons de verdrukking tot in het bitterste lijden en dood gedragen heeft. Juist in de verdrukking laat God Zich vinden! Als de Eeuwig Getrouwe, de Helper in nood, de Redder en Heiland. Juist in onze verdrukking leren wij verstaan, wat Christus voor ons heeft doorgemaakt. Onze lijdensweg brengt ons op Zijn lijdensweg. En wij kunnen onze lijdensweg alleen maar gaan, omdat wij daarmee op Zijn lijdensweg komen, dus niet met de moed der wanhoop, maar roemend in het kruis van de Heiland.

Daarom moeten we ook het lijden niet ontvluchten. Ik weet wel: als mens ben je daartoe geneigd, want niemand heeft zin in lijden, integendeel: je hebt er een afkeer van en je komt er tegen in opstand. Maar wetend van Christus’ lijden, wetend ook van al dat lijden in de wereld, dat bij het zondige leven hoort en dat zoveel mensen vaak op afschuwelijke manier treft, moeten we ons eigen lijden niet uit de weg gaan. We moeten ons lijden op ons nemen om er anderen mee te helpen en te ontlasten. We moeten het op ons nemen ter wille van Christus, Die het voor ons op Zich nam. Daar moeten we ook om bidden: dat God ons daartoe de kracht geeft. Ik kan het niet uit me zelf, maar zo waarlijk helpe mij God Almachtig! Het lijden kan ons ook tot zegen worden. Hoort u maar, hoe Paulus dat verder uitlegt in onze tekst: “Wij roemen ook in de verdrukkingen, omdat wij weten, dat de verdrukking volharding uitwerkt”. Volharding is meer dan lijdzaamheid. Ik ken mensen, die alles lijdzaam ondergaan, zeggend dat het Gods wil is en dat je dat dan moet aanvaarden. Ik denk niet, dat Paulus dat er mee bedoelt. Volharding is geloofsvolharding: je komt in de verdrukkingen, je gaat er onder gebukt, je kromt je rug, maar je wordt er niet door gebroken, het kan je niet kapot maken, je blijft er onder, maar je gaat er niet aan onderdoor! Begrijpt u? En dat komt door je geloof, omdat je ziet op het lijden van Christus. Wat zullen we die volharding nodig hebben! Wie weet wat ons allemaal nog te wachten staat!

En die volharding werkt beproefdheid uit, zo gaat Paulus verder. De Statenvertaling spreekt hier van “bevinding”. Dit oud-Nederlandse woord heeft te maken met “ervaring, ervaring van Gods hulp”. In de verdrukking leren wij dragen, maar in de verdrukking leren wij ook ons te Laten dragen en geleid te worden. Wij zullen ondervinden, dat de Heer ons leidt, elke dag. Zo worden wij “beproefde mensen”. Ook dat hebben we zo hard nodig.

Tenslotte noemt Paulus als derde vrucht van een leven in verdrukking: de hoop. Hiermee wordt het einde van de verdrukking, het einde van de lijdensweg, zichtbaar. Hoop is de samenvatting van alles wat wij van God mogen verwachten: heel ons heil, onze toekomst, de verlossing uit het lijden, de heerlijkheid van het nieuwe leven. Hoop doet de mens zingend leven:

” ‘k Zal dan gedurig bij U zijn,
in al mijn noden, angst en pijn
U al mijn liefde waardig schatten,
wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door Uw raad,
o God, mijn heil, mijn toeverlaat;
en mij hiertoe. door U bereid
opnemen in Uw heerlijkheid”

Psalm 73, 12

Die hoop beschaamt niet, zegt Paulus. Die hoop is vaste zekerheid, omdat zij rekent met God Zelf. Wij hopen niet, omdat wij graag de moed zouden hebben in latere tijden te geloven en omdat het toch maar het beste is optimistisch te zijn: kop op, het komt allemaal wel goed! Nee, wij hopen, tegen beter weten in, omdat wij rekening houden met de mogelijkheid dat er slechtere tijden zullen komen en God ons “door veel verdrukkingen heen zal doen ingaan in Zijn Koninkrijk” (Handelingen 14,22). Wij zijn verzekerd van dat Godsrijk nu al, hier in dit leven, omdat wij weet hebben van Gods troost. Wat Hij beloofd heeft, de werken van Zijn handen, kan niet kapot. En daarom hebben wij hoop! Wij worden niet overgeleverd aan de wanhoop, die is er genoeg in de wereld. Een Christen mag staan in de HOOP, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, zo zeker als Christus voor ons, goddelozen, is gestorven. Daar ligt het geheim van het roemen in de verdrukkingen: JEZUS CHRISTUS, Diens leven, Diens ingaan in de dood voor u en voor mij, dat is ons houvast, daarin wortelt onze hoop. God blijft ons trouw, dat maakt ons sterk en ook blij, dat geeft ons vrede met ons lot.

Ik roem in mijn God, ik juich in Zijn trouw,
De rots mijner ziel, waar ik eeuwig op  bouw.
Ik zal Hem nog prijzen in ’t uur van mijn dood,
dan rijst nog mijn loflied: Zijn goedheid is groot.

Gezang 470, 4

Amen.

Deze preek wordt opgedragen aan onze goede vriend Piet Zellmann, die ons na 23 jaar MS ontvallen is en is opgenomen in Gods heerlijkheid, en aan zijn dappere vrouw Paula, die in al die jaren Piet met haar liefdevolle zorg heeft omringd.

Wandelt in de liefde

Samen gelukkig zijn, er samen voor te staan in je leven, er ook samen aan te werken, aan dat geluk, aan die verbondenheid in de liefde, daar gaat het om! Dat is het devies voor elk gelukkig huwelijk!

Efeziërs 5, 2

Omdat wij vandaag, 28 augustus, ons gouden huwelijksfeest mochten vieren, dat eerder was uitgesteld wegens ziekenhuisopname, dacht ik er goed aan te doen eens over de liefde te preken. Zoals Paulus dat doet in Romeinen 12, waar boven het tekstgedeelte vs. 9-21 staat geschreven: “opwekking tot liefde”. Maar dit gedeelte komt voort uit hetgeen dat voorafgaat: de wandel in Christus. Blijkbaar komt de wandel in de liefde voort uit de wandel in Christus1 Wie Christus kent in zijn leven en Zijn genade dagelijks ervaart zal in staat worden gesteld echt lief te hebben. Liefde tot Christus weerspiegelt zich in liefde voor elkaar. De tekst boven aan de preek geeft dit precies weer:

“Wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer”.

In deze tekst komen tegelijk Christus’ lijden en dood in het vizier. En dat is heel goed, want lijden is de grondslag van de liefde van Christus voor ons en omgekeerd onze liefde tot Hem. Christus’ lijden komt voort uit Zijn liefde tot ons, laten we dat nooit vergeten! De apostel roept ons op om te wandelen in de liefde, omdat hij de liefde van Christus heeft gekend in Zijn lijden en kruisdood.  Liefde wordt hier zichtbaar in het iets, nee: HEEL VEEL, over hebben voor elkaar. Onze liefde wordt zelfs vergeleken met de liefde van Christus, die Zijn leven voor ons over had, opdat wij gelukkig zouden zijn. Geluk in het leven, zeker geluk in het huwelijk, stoelt op die basis. Je hebt verklaard elkaar lief te hebben en trouw te blijven tot in de dood. “Wandelt in de liefde zoals ook Christus u heeft liefgehad”.  Metterdaad: door Zich voor ons in de dood te begeven. Dat is pas echte gemeenschap, als je bereid bent je leven voor de ander te geven. Tegenwoordig wordt “gemeenschap” gelijk seksueel ingekleurd, toch – hoe belangrijk ook- is dat slechts één aspect van de liefde tussen man en vrouw. Wandelen in de liefde is veel breder en het gaat ook veel dieper: het is het samen optrekken van twee mensen, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, in lief en leed, in voor- en tegenspoed, in rijkdom en armoede, ja tot in de dood. Dat kun je alleen, als je daarbij van Hoger Hand  geholpen wordt, als jouw gemeenschap gedragen wordt door die andere gemeenschap van de Heer en jou met je vrouw. Samen gelukkig zijn, er samen voor te staan in je leven, er ook samen aan te werken, aan dat geluk, aan die verbondenheid in de liefde, daar gaat het om! Dat is het devies voor elk gelukkig huwelijk! Want geluk moet bevochten worden, steeds opnieuw, je krijgt het niet in je schoot geworpen. Soms gaat het met vallen en opstaan, langs schijnbaar onbegaanbare wegen. Maar het vuur van de Heilige Geest houdt de liefde brandende en wijst je steeds opnieuw de weg. Dat vuur moet je voedsel geven, het moet blijven branden, anders wordt het niks. Hoe doe je dat? Door met elkaar te communiceren, zwijgen is de dood in de pot. Door voor elkaar te bidden, door elkaar te respecteren en ook in de ruimte te stellen. Door strijd kom je tot overwinning, door lijden tot opstaan (Pasen), door vernedering tot verhoging. Dat is de weg die Christus ons wijst, waarin Hij Zelf ons is voorgegaan. Zo wordt ons leven een eenheid, iets gezamenlijks, dan let je er niet meer op of iets van jou is of van je levenspartner, of jij het moet doen of zij, maar dan gaat het vanzelf, want je doet het met elkaar en voor elkaar. Het wordt dan zoals de Prediker het zegt in hoofdstuk 4:

“Beter met z’n tweeën dan alleen, want dan loont het tenminste al dat gezwoeg. En als ze beiden vallen, dan helpt de één de ander overeind .Maar wee die ene mens die valt en hij heeft niemand om hem op te richten Twee mensen, die samen slapen, worden warm, maar hoe moet iemand alleen het warm krijgen? Goed, als iemand alleen is kan hij overweldigd worden, maar twee kunnen stand houden. En een snoer met drie strengen gaat niet gauw stuk!”

De hechte verbondenheid tussen God en mensen en de mensen onderling wordt in de Bijbel vaal aangeduid met het beeld van “wandelen”. Zo wandelde Noach met God. En de profeet Jesaja roept het ontrouwe volk toe: “Huis van Jacob, laten wij wandelen in het licht des Heren!”. En Paulus doet hetzelfde met ons: “Wandelt in de liefde”.

Wat is het specifieke van wandelen? Ten eerste dat je het samen doet, en heel rustig. Er staat immers niet: rennen of vliegen, maar gewoon wandelen, stap voor stap, eventueel hand in hand. Daar zit bezadigdheid in, en stilte en rust. De één loopt niet voor de ander uit, maar je wacht op elkaar en houdt elkaar vast. Je geeft mekaar een opstootje (een “kontje”), als het omhoog gaat, en je helpt elkaar over de brug of over de sloot. Zo blijf je met elkaar in de pas, je zorgt er altijd voor dat de ander kan bij blijven, en niet in ademnood geraakt.

Wandelen is ook samen stil staan, bij een mooi vergezicht, een bloeiende boom, een vogel in de lucht. Je staat stil bij de wonderen in je eigen leven, dat je elkaar gevonden hebt (dat God ons heeft samengebracht!), dat je samen kinderen hebt gekregen en die kinderen ook weer kinderen, en dat ze allemaal gezond zijn, en dat jijzelf met al je kwamen er ook nog bent, alle dagen liefdevol verzorgd door je eigen vrouw. “WANDELT IN DE LIEFDE !”

En -zegt Paulus – de liefde zij ongeveinsd. Veinzen is huichelen, doen alsof. Nee, de liefde moet ECHT zijn. Je moet niet kat en muis spelen, geheimen hebben voor elkaar, je moet elkaar altijd recht in de ogen kunnen kijken. “Weest afkerig van het kwaad, gehecht aan het goede.” Dat zijn de mijlpalen langs de weg, die bewandeld wordt. “Weest in broederliefde elkaar genegen, in eerbetoon elkander tot voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Heer”. We horen het: het moet gaan om het goede, altijd de goede kant kiezen en het kwaad uitbannen, de Heer dienen. Zegt Paulus het niet zo: “Weest blijde in de hoop, gelukkig in de verdrukking, volhardend in het gebed”. Met deze aanmoedigende woorden wordt samengevat alles wat we op de wandeling in de liefde nodig hebben. Hoop doet leven. Met hoop heb je een doel voor ogen, dat je bereiken wilt. In die hoop wordt ook duidelijk wat je hebt en graag wilt vasthouden:  elkaar, je huwelijk, je kinderen en kleinkinderen. Maar in die hoop wordt ook duidelijk wat nog mist: de totale overgave aan elkaar, het samensmelten van de twee harten, een huis op een rots gebouwd… Want we weten maar al te goed, dat het leven en zeker ook het huwelijk zo ontzettend kwetsbaar is. Niet voor niets gaan van alle gesloten huwelijken de helft op korte termijn weer uit elkaar!  Natuurlijk, je hebt je goede bedoelingen, maar die worden niet altijd zo begrepen. Je hebt een beeld voor ogen, als je gaat trouwen, een ideaal beeld, maar dit beeld van ons slaat zo gauw te pletter tegen de werkelijkheid van het leven. Kijk, daarom moet je leven uit de hoop. Liefde kan niet zonder hoop. De hoop wordt gevoed door de liefde. Want je weet het en je wilt het zo graag: ons huwelijk moet iets geweldigs worden. Blijf leven in die hoop! Deze drie zijn het, die ons leven en huwelijk vastigheid geven: geloof, hoop en liefde, deze drie. (1 OR.13). Dat geloof wordt  zichtbaar in het geduld, dat je met elkaar en met het levenslot hebt. Je kunt het niet afdwingen, dat geluk, je moet er ook voor open staan en geduldig zijn: het komt vast wel! Des te belangrijker is dat geduld, als er tegenslagen en verdrukkingen komen. Moeiten en zorgen in het leven zijn van alle dag. Met Gods hulp kom je er doorheen. Laat het je huwelijk niet kapot maken!  Laat geen verdeeldheid toe! Een grote hulp daarbij is het gebed: “Volhardend in het gebed”.  Leven uit de hoop, in geduld en gebed, dat is wandelen in de liefde zoals Christus u heeft liefgehad.

Wandel maar stillekens achter Hem aan –
Achter de Heiland – Hij wijst u de wegen.
Zijn die niet altoos zo lieflijk gelegen
Als gij zoudt wensen, wil ze toch gaan:
Hij gaat vooraan, Hij gaat vooraan!

Joh.de Heer 879

Amen

Grijp toch je kansen!

Als jouw ogenblik daar is, als de Heer op een gegeven ogenblijk bij je voorbij komt, vanavond of morgen of volgende week of misschien pas op het einde van je leven… pak dan die kans!

Mattheüs 20, 1-16

De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard wordt ons verteld tegen de achtergrond van een echt Palestijnse omgeving. We zien het boerenland en beleven het ritme van een Palestijnse arbeidsdag, die om 6 uur ’s morgens begint en om 6 uur in de namiddag tegen zonsondergang eindigt. Ook kunnen we in de gelijkenis de echte Bijbelse wijsheid beluisteren, dat de dag er is om te werken. Pluk de dag! Dat is allemaal puur uit het leven gegrepen. Ook dat het werk soms moeizaam is en vol teleurstellingen, keihard. Paulus laat de Thessalonicenzen weten “Wie niet wil werken, zal ook niet eten!” Vermoedelijk is dit net als bij ons een gangbare uitdrukking, maar in die tijd was het ook een praktische regel, toegepast op de arbeiders op het land. Paulus wijst de Gemeenteleden in Thessalonica daarbij op zijn eigen voorbeeld, dat hij “met moeite en inspanning werkte dag en nacht om niet het genadebrood van de mensen te hoeven eten, hoewel hij wel het recht tot ondersteuning gehad zou hebben!” Maar hij wilde de luiheid van de Thessalonicenzen niet in de hand werken. Er bestaat daarom geen twijfel hierover, dat de mens volgens Bijbelse maatstaven te werken heeft, zelfs “in het zweet van zijn aangezicht”. Tegelijkertijd mag hij ook weten, dat hij niet van zijn werk hoeft te leven, omdat het leven zelf een geschenk is van God en door Zijn zorg omgeven. “Niet van brood zult gij leven, maar van alle Woord, dat de mond Gods uitgaat”.

Met tussenpozen van drie uur gaat de heer van de wijnberg naar de markt om arbeiders te werven. Blijkbaar is de markt de plaats, waar de mensen die werk zoeken te vinden zijn, een soort Gewestelijk Arbeidsbureau dus of de vacaturebank. Ook vlak voor het einde van de dag worden er nog arbeiders aangeworven. Bij de eersten wordt nadrukkelijk overeengekomen dat ze voor één schelling zouden werken. Tot hen, die later in dienst zijn gekomen, zei de heer: “Wat billijk is, zal ik u geven”. De mensen vonden dat goed, ze waren al blij dat ze nog werk gekregen hadden. Toch was het loon ook wel belangrijk in die tijd, want ze moesten er van leven, met vrouw en kinderen. Niet voor niets wordt hier één schelling, een dinar, genoemd, precies het bedrag wat volgens de normen van het leven van toen toereikend was voor het leven van één dag. De arbeiders werkten echt voor wat ze elke dag nodig hadden voor hun gezin. Dat is het recht van de arbeid: dat je verdient wat je nodig hebt. Alleen God met Zijn goedheid gaat dit recht te boven: Hij geeft niet het verdiende loon, maar het loon van Zijn genade, wat iemand niet verdient maar dat hem geschonken wordt puur uit Gods goedheid. Dat wordt in de loop van onze gelijkenis duidelijk gemaakt. Op het eind namelijk krijgen we de afrekening. Merkwaardigerwijs begint de Heer bij de laatsten (anders zouden de eersten het niet gezien hebben!). Dit is waarschijnlijk ook de reden, waarom Mattheüs deze gelijkenis op deze plaats heeft ingevoegd. Het vorige hoofdstuk eindigde namelijk met de discussie tussen Petrus en Jezus over het loon, dat de discipelen die Jezus gevolgd waren en daarvoor alles hadden prijsgegeven later zouden ontvangen. Jezus zei toen: alles wat we in dit leven voor Hem over hebben gehad, zal ons later veelvuldig vergoed worden, “maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.” Ik denk dat Hij hiermee bedoeld heeft, dat het gaat om de intentie waarmee je iets doet. Is het echt uit liefde voor de Heer? Of om er straks beter van te worden? Als je denkt, dat je ergens aanspraak op kunt maken, dan heb je het mis. Dan ben je de eerste die de laatste wordt! Maar als je werkelijk iets met je hart voor de Heer over hebt, dan zul je er niet prat op gaan, maar in alle nederigheid de Heer tegemoet treden, wetend dat je eigenlijk niets verdient, dat het allemaal genade is. Het is net als de tollenaar in de gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. En net als de jongste zoon, die we ook wel de verloren zoon noemen. Zij wisten dat ze niets hadden om zich op te beroemen, integendeel! De laatsten, die toch de eersten werden! Zo is het ook in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard.

De heer begint bij de uitbetaling met de laatsten. Ze worden niet onheus bejegend, in het oog van de meester zijn zij niet minder dan de anderen. Zij hebben de hele lange dag moeten wachten om eindelijk werk te vinden. En ook zij moesten geld verdienen voor vrouw en kinderen. Pas op het eind van de gelijkenis wordt over die mensen met minachting gesproken, door de arbeiders van het eerste uur. Die hadden misschien wel gedacht iets extra’s te krijgen, omdat ze de hele dag gewerkt hadden. Maar wie schetst hun verbazing ( en woede!), toen zij zagen dat de arbeiders van het negende uur en die van het zesde uur allemaal evenveel uitbetaald kregen als die van het elfde uur. Ook de mensen van het derde uur kregen één dinar, en toen zij aan de beurt kwamen, de arbeiders van het eerste uur, was het precies zo. Om woedend van te worden! “Maar meneer toch, dat kunt u toch niet maken! Wij hebben een hele zware lange dag achter de rug en zij… maar één enkel uurtje!” “Ja vriend, dat kan ik wel maken, want ik ben de heer en ik wil in mijn goedheid u allemaal hetzelfde geven, omdat jullie het allemaal nodig hebben. Trouwens, wat klaag je? Hebben we niet voor één dinar met elkaar afgesproken? Welnu dan, is uw oog boos, omdat ik goed ben?”

Hier zien we weer eens duidelijk, hoe onlogisch het Evangelie is, als we het tenminste volgens menselijke maatstaven beoordelen. Het handelen van God gaat onze logica te boven en is elke keer weer een verrassing voor ons: het komt beslist anders dan wij denken, het Evangelie is het totaal onverwachte! “Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo totaal anders (en hoger!) is Gods denken!”

Dat is het eerste wat ons in deze gelijkenis duidelijk wordt gemaakt. En het tweede is de kwestie van de eersten en de laatsten. Ik heb al gewezen op de gelijkenis van de verloren zoon. Ook daar is de oudste zoon jaloers, precies zoals de arbeiders in de wijngaard van het eerste uur. Die oudste zoon heeft ook zijn leven lang gesappeld, terwijl dat broertje van hem het er in alle opzichten van genomen heeft. Dat zijn vader voor die knul het gemeste kalf laat slachten is hem totaal een raadsel, precies zoals de beloning van die arbeiders van het laatste uur voor de eersten een raadsel is. De oudste broer staat overdrachtelijk gezien voor het volk Israël, terwijl de jongste zoon de heidense volken vertegenwoordigde. In onze gelijkenis zou het ook zo kunnen zijn: de eerste die in de wijngaard van de heer mag werken is Israël, de laatsten zijn de volken, die later door het Evangelie geroepen zijn. Beide ontvangen bij de grote afrekening hetzelfde, maar wel in omgekeerde volgorde! De eerste is de laatste en de laatsten zijn de eersten!

Tenslotte de toepassing op ons persoonlijke leven. Jezus waarschuwt ons: denk er aan, de eerste zal wel eens de laatste kunnen zijn. Wij willen zo graag allemaal de eerste zijn, maar hebben wij wel het recht om ons tot de eersten te rekenen? Hebben wij soms zo veel om ons op te beroemen? Moeten we niet allemaal alleen van de genade en goedheid van de Heer leven? Als je dan toch op de een of andere manier de eerste bent, bijvoorbeeld met je verstand of op je werk, wat de gezondheid betreft of het geloof, in materieel opzicht of anderszins, dan verkeer je in een gevaarlijke positie. Je loopt het gevaar, dat je je er zo gemakkelijk op gaat beroemen en daardoor anderen, die niet mee kunnen, in diskrediet brengt. Het gevaar dus, dat je jouw voorsprong als verdienste gaat beschouwen en daardoor niet meer in de gaten hebt, dat ook jij alleen en helemaal bent aangewezen op Gods genade! Het komt er in je leven op aan, dat je die genade onderkent, dat je gehoor geeft aan de roepstem van God. Dat is, dat je de kans die God je geeft benut. Grijp toch je kans! De arbeiders van het derde, zesde en elfde uur, hebben niet dezelfde kans gehad als die van het eerste en derde uur. Niet voor iedereen liggen er dezelfde mogelijkheden om Gods stem roepstem te horen en met Zijn werk te beginnen. Maar, als jouw ogenblik daar is, als de Heer op een gegeven ogenblijk bij je voorbij komt, vanavond of morgen of volgende week of misschien pas op het einde van je leven… pak dan die kans!  En laat je inschakelen in Zijn wijngaard. Daar komt het op aan! Niet onze verdienste geeft recht op passende beloning, maar alleen wat God ons uit goedheid geven wil.

Amen.

Hij stelde er twaalf aan

Wij krijgen vandaag een drievoudige taak opgelegd van de Heer. Aan het werk dan maar!

Marcus 3, 14
“En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij ze zou uitzenden om te prediken, en om macht te hebben de ziekte te genezen en de duivelen uit te werpen”

De tekst begint zo: En Hij stelde er twaalf aan. Het gaat dus over de roeping van de discipelen. Het gebeurde ergens in de hoogte. De Statenvertaling vertaalt: op een berg. Jezus ging dus het bergland in, waarschijnlijk boven Kapernaüm, waar het bergachtig is en onherbergzaam. In die eenzame streek stelde Hij Zijn discipelen aan. Daar ligt dus één van de bronnen van de Kerk! Het bergachtige schijnt trouwens wel eigen te zijn aan de oorsprongen van de Kerk. Want ook de eerste belijdenis, die van Petrus: “Gij zijt de Christus”, had plaats in een bergachtige steek, het land van Caesarea Philippi. Het is zeker niet toevallig, dat de Kerk in het bergland is geboren en niet bijvoorbeeld in een wereldstad, zelfs niet in Jeruzalem. In het bergland is het woest en leeg, vol gevaren en weerstanden om te overwinnen. Het duidt op een onherbergzame wereld, waar voor de Kerk eigenlijk geen plaats is. Zo’n bergland vormt ook zijn mensen. Wij gingen vroeger altijd met vakantie naar Zwitserland en Oostenrijk en hebben daar veel bergmensen ontmoet, met verweerde gezichten, maar o zo eerlijk en gastvrij, recht door zee en hulpvaardig, mensen die dicht bij God leven, omdat ze weet hebben van de gevaren die de mens bedeigen. Als zulke bergbewoners zijn ook de Christenen in de wereld geplaatst. Laten we ook niet de zuivere lucht vergeten, die je als bergbewoner mag inademen! Zo wordt de Christen beademd door de Heilige Geest. In de Kerk moet dan ook een frisse zuivere wind waaien.

Wie riep Jezus? “Hij riep tot Zich, wie Hij wilde”. Jezus is vrij om dat te doen, dat is Zijn soevereiniteit. Hij riep wie Hij wilde, zonder enig voorbehoud, ook zonder voorbereiding. De discipelen waren geen haar beter dan andere mensen. Onder de twaalf zat ook een Judas. En Petrus niet te vergeten, die Zijn Heer tot drie maal verloochende. Maar door de vrijmacht van Gods verkiezing zijn zij tot vervulling van hun opdracht in de wereld gezet, alleen daardoor Jezus’ wil is de enige oorzaak, dat mensen tot discipelen geroepen werden.

Welke bijzondere opdracht krijgen zij? “Opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij ze zou uitzenden om te prediken en om macht te hebben de ziekte te genezen en duivelen uit te werpen”. Een drievoudige opdracht. Hij stelde er twaalf aan, in de eerste plaats opdat zij met Hem zouden zijn en Hem zouden volgen. Zij werden opgenomen in Zijn gemeenschap, de gemeenschap van Zijn woorden en daden, de gemeenschap ook van Zijn lijden en sterven en opstaan, ten hemel gaan. Gemeenschap in vernedering en verhoging! Dat is de eerste opdracht, die de discipelen en ook wij in de Kerk krijgen. Daar ligt de kern van elk Christen-zijn: innige verbondenheid en gemeenschap met de Heer. Hij is de Heiland, de Messias, de Middelaar. In Hem ligt de zaligheid en de heerlijkheid. Hij stelde er twaalf aan, maar in het voetspoor van die twaalf ook alle gelovigen in heel Zijn Kerk.

Een tweede opdracht is de prediking, de uitzending in de wereld om het Evangelie te verbreiden. Hieruit is de Kerk geworden. Dat is ook de eigenlijke taak van de Kerk: om te prediken, te verkondigen dat Jezus de Heiland van de wereld is. De zondagse preek is er dus niet omdat mensen het zo nuttig vinden, maar omdat Jezus het opgedragen heeft. En als Jezus iets opdraagt, dan zegent Hij het ook. Dat mag ons tot troost zijn!

Tenslotte stelt Jezus er twaalf aan, “opdat zij macht zouden hebben de ziekte te genezen en de duivelen uit te werpen”. Dit is het punt, waarmee wij altijd de meeste moeite hebben. Ziekte genezen en duivelen uitwerpen. Waarom komt dit toch nu en al vele eeuwen zo weinig voor in te Kerk? Het is er nog wel, hier en daar. Maar het is zo weinig en algemeen is de klacht: “Je kunt bidden wat je wilt, maar er gebeurt niets”. Dat kan liggen aan ons ongeloof, het kan ook liggen aan de machteloosheid van de Kerk. Zeker speelt hierin ook de vrijmacht van God een grote rol. Hij is immers vrij in het uitdelen van de zichtbare tekenen van Zijn Rijk. Het wordt in de tekst ook als laatste genoemd. Eerst de gemeenschap met Christus, dan de prediking, en tenslotte de zichtbare wonderen. Toch hoeven het niet speciaal wonderen te zijn, zichtbare zaken. Daar staren we ons dikwijls blind op, dat er geen wonderen meer gebeuren. Maar ziekten genezen is ook de ander in nood bijstaan. Helemaal niet zo spectaculair, maar wel zo effectief. Ziekten genezen is het kruis van Christus oprichten in een verloren wereld. En duivelen uitwerpen betekent ook, dat wij de wereld moeten bevrijden van allerlei demonen, die de macht naar zich toetrekken, materialisme, onrecht, allerlei werelds vermaak.

En zo worden we dan vandaag geroepen aan het werk te gaan, met de drievoudige taak die de Heer ook ons gegeven heeft. In gemeenschap leven met de Heer houdt ook in, dat je anderen tot die gemeenschap brengt. Het betekent ook, dat je er op toeziet dat er in de Gemeente tussen de leden onderling gemeenschap is, want gemeenschap met God sluit gemeenschap met de naaste vanzelfsprekend in. De tweede opdracht van de prediking van het Evangelie is tegelijkertijd ook een leven naar het Evangelie en het onderhouden van de sacramenten en het verantwoordelijkheid dragen voor de goede orde in de Gemeente in overeenstemming met het Evangelie. En het zieken genezen en duivelen uitdrijven in onze tijd heeft alles te maken met de bijstand en vertroosting van hen, die in geestelijke of materiële nood verkeren, de verpleging en verzorging van zieken en gehandicapten, hulp aan mensen met huwelijks- en gezinsproblemen, de maatschappelijk ontspoorden enz.

Wij krijgen vandaag een drievoudige taak opgelegd van de Heer. Aan het werk dan maar!

Amen

Als een palmboom

Vrucht dragen zit niet altijd in grote spectaculaire dingen, het zijn de vele kleine dingen die het ‘m doen! Denk er aan: de honderdduizend kleine bloesempjes vormen tezamen de pracht van de palmboom!

“De rechtvaardige zal groeien als een palmboom.”
Psalm 92, 13

De dichter van Psalm 92 bejubelt de gerechtigheid van God. Die gerechtigheid wordt vooral zichtbaar in het verschillende lot, dat de Godvrezenden en de goddelozen krijgen toebedeeld. De goddelozen zullen uiteindelijk vergaan, al lijkt het er in het begin helemaal niet op. Dan is het toch net alsof het de goddelozen in alles voor de wind gaat, uiterlijk tenminste. Maar hoe lang duurt dat? Het oordeel van God blijft niet uit: de werkers der ongerechtigheid zullen worden uitgeroeid. Maar de rechtvaardige zal bloeien als een palmboom!

De dichter gebruikt hier een beeld, uit het leven gegrepen. De tegenstelling tussen de rechtvaardige en de goddeloze laat hij zien in de tegenstelling tussen het kruid dat vergaat en de palmboom, die sterk en fier ten hemel rijst.

Wie worden er bedoeld met de “rechtvaardigen”? We moeten daarbij niet denken aan het beeld, dat de Bijbel ons geeft van bijvoorbeeld Schriftgeleerden en Farizeeën. Nee, we moeten ons gewoon de gelovigen voorstellen zoals Abraham, mensen die vertrouwen op God. Het zijn de mensen, die met Paulus zeggen: “Het leven is mij Christus en het sterven gewin.” Mensen, die vasthouden aan Gods beloften van genade en heerlijkheid en eeuwig leven. Zulke mensen zullen groeien als een palmboom!

Het beeld van de palmboom wil ons enkele dingen duidelijk maken. In de eerste plaats, dat de gelovige GROEIT. Zijn geloof is aan ontwikkeling onderhevig, het wordt van stap tot stap sterker en dieper. Een gelovige staat niet stil, want stilstand is in feite achteruitgang. Nee, hij is progressief, vooruitgaand, hij GROEIT net als een palmboom.

Dat mag ons moed en vertrouwen geven! Als u denkt: wat ben ik toch een armzalige gelovige, houd dan voor ogen dat een gelovig mens mag groeien. Een Christen wordt niet compleet geboren. Hij leert uit ervaring, dag na dag, wat het betekent om Christen te zijn. Hij groeit er als ’t ware in! De palmboom is ook geen wonderboom die er ineens is. Nee, eerst is daar een klein stekje in de grond, dan een buigzame stengel, die zich langzamerhand gaat verharden tot een dikke stam, en pas daarna volgt de volle pracht van bloemen en bladeren en vruchten. Zo groeit ook de gelovige, vooral naar binnen. Aan de buitenkant blijft hij misschien dezelfde, net als die schubbige stam van de palmboom. Maar binnenin daar lopen de sappen, daar zit de levensgroei. Het is een geheimzinnig groei- en wordingsproces, daar binnen in die palmboom. We groeien naar binnen, het geloof wordt steeds dieper en inniger, maar we groeien ook naar buiten, en we groeien aan elkaar. Mensen hebben mensen nodig om te groeien. Er is een oud Arabisch spreekwoord dat zegt: de ene palm groeit aan de andere, door elkaar aan te zien, door zich naar elkaar voorover te buigen.

Een tweede lering, die de Psalmdichter ons voorhoudt in het beeld van de palmboom, is: je groeit niet uit je zelf, maar uit de bodem waarin je bent geplant. Een gelovige ontvangt de levenssappen uit de gemeenschap der gelovigen. Als ’t goed is, speelt de kerkgemeenschap daarin terdege mee! Geloven is het leven ontvangen en doorgeven, uit de handen van God door de handen van de gemeenschap in de handen van zusters en broeders en de kinderen en kindskinderen. Het is beweging van levende sappen van beneden naar boven en omgekeerd. Zo groeit de rechtvaardige!

En hij groeit uit de bodem, waarop hij staat, waarin hij geplant is. En voor een palmboom hoeft dat niet persé een rijke voedingsbodem te zijn. Het is juist kenmerkend voor de palm, dat hij tiert op schrale bodem. Ik heb gelezen dat hij juist daar het weligst groeit, waar haast heen plantenleven meer mogelijk is vanwege de felle gloed van de Oosterse zon. Dikwijls staat hij daar geurig en fris midden in de akeligste zandwoestijn, en dat gedurende alle jaargetijden! Daar kunnen we nog iets van leren! Het betekent voor ons immers, dat groei van de gelovige niet afhangt van gunstige omstandigheden. Je hebt van die gelovigen, die alleen stand houden als alles meezit. Dat zijn mooi-weer gelovigen. Bij één windstootje vallen ze om. Dat is natuurlijk nooit de bedoeling, geloof is juist een kracht van God tot behoud, om òp te staan en niet om om te vallen. De palmboom laat ons zien, dat de rechtvaardige groeit tegen de druk in, onder zeer slechte omstandigheden, midden in de woestenij van het leven. Maar wel onder de zon: de zon van de gerechtigheid, die Christus is.

De rechtvaardige zal groeien als een palmboom. Groeien uit de schrale grond, recht omhoog, en zó, dat alleen zijn kroon van takken is voorzien. Een geweldige, maar kale stam, en helemaal in het topje een dak van schaduwgevende bladeren. Er zijn geen lagere takken. Die laat hij onder het groeien vallen. Zou dit ook iets te betekenen hebben voor ons geloof? Ik denk van wel. Wij willen altijd graag alles vasthouden, bij het oude houden ook, wij kunnen niet loslaten! Maar wat leert ons de palmboom? Groeien is ook loslaten wat geweest is. Soms moet je oude principes laten varen, omdat je gegroeid bent in nieuwere betere ideeën. Dat loslaten van oude waarheden wordt soms van ons gevraagd ter wille van de groei, die we door moeten maken. Vergeet niet: als de palmboom de takken niet laat vallen, kan hij ook niet groeien. Laten we daarom niet te star vasthouden aan het oude! Wie weet wat voor geweldige bevrijding het is en ook verdieping, als je het eens met nieuwe dingen waagt. Wij moeten onze persoonlijke groei niet in de weg staan met het blijven vasthouden van al die oude takken. En we moeten daarmee ook de jongeren niet in hun groei beletten. Daar is een oud Oosters gebruik, waarop ik u graag nog wil wijzen. De rechtvaardige groeit als een palmboom. Maar om die groei te bevorderen legt men vaak op de kruin van de boom een zware steen, zo zwaar dat de stam die maar nauwelijks dragen kan. Dat deed een oude bevriende fruitkweker in Wilhelminadorp ook. Toen een mooi boompje achter ons nieuwe huis groter en groter werd (wat niet de bedoeling was), knipte hij de top er van af en legde er een steen op, zodat het boompje meer in de breedte zou gaan groeien. Merkwaardig hé? Wij zouden denken dat de groei daardoor wordt tegen gehouden. Maar de Oosterling weet beter. Door de druk van die steen zal de stam straks te steviger worden en ranker opschieten en flinker het geweld van de storm kunnen doorstaan. De toepassing ligt voor de hand. God legt de rechtvaardige ook wel eens een sten, een zware last, op in het leven. Het is een last, die zo drukt dat men het haast niet uit kan houden. Soms denk je dan: als ik daar nu eens van af was, dan zou ik God veel gemakkelijker kunnen dienen. Toch konden we die last wel eens nodig hebben om te kunnen groeien! Onze klok kan niet zonder gewichten lopen, je moet ze steeds weer opdraaien. Dat doe ik ook met mijn Franse Comtoise-klokken thuis. Zo moeten we het juk op, onze schouders wel eens omhoog schudden. Maar ook hier weer: zonder juk geen groei! Echte groei ontstaat pas tegen de druk in!

Tenslotte wordt het beeld compleet, als we kijken naar de overdadige kruin van de palmboom. Hij wordt de koning van de oase genoemd. De gezegende boom, de zuster van de mensen. Wel een bewijs, hoe zeer de bewoner van die verre landen met zijn palmboom is ingenomen, en de Israëliet evenzo. Het beeld van de palmboom wordt dan ook gebruikt voor iets dat heel mooie en sterk is, bijvoorbeeld voor de bruid in het Hooglied en bij feestelijke optochten, denk maar aan Palmpasen. Het straalt zuiverheid uit en blijheid, kracht en schoonheid. Nou, zó zal de rechtvaardige ook zijn, zegt onze Psalm. Ik wou maart, dat ik dat van mezelf ook kon zeggen! Blij, zuiver, sterk en mooi, onbuigzaam onder alle omstandigheden, fier als een koning en toch eenvoudig als een kind, eerlijk en oprecht, met het hart omhoog en het oog naar Boven gericht! Maar zo zijn we niet, of moeten we zeggen: nog niet? Er moet nog heel wat gegroeid worden, eer we echt gaan lijken op een palmboom. Gelovige mensen geremd door hun karakter, opvoeding, een verstarde blik, ballast van vroeger, ja zeg maar gerust: door de zon de, die ons op zo veel manieren parten speelt.

God zij dank, zijn er onder ons nog rechtvaardigen, die groeien als een palmboom. Soms ontmoet je een mens en je zegt bij je zelf: dat is een echte gelovige, zo zou ik ook willen wezen! Een boom herken je aan de vruchten. Nou, dat is bij een palmboom heel duidelijk. Volgens de biologen draagt zo’n boom wel meer dan honderdduizend bloesems. Uit die bloesems vormen zich dadels, een kostelijk en smakelijk voedsel, erg geliefde bij de Arabieren, het symbool van rijkdom en vruchtbaarheid! Maar de palm biedt nog meer: zijn hout, dat zo hard is dat het nog gebruikt wordt voor het vervaardigen van gereedschap en wapens. En dan zijn er de bladeren, die soms 5 meter lang en meer dan twee meter breed zijn. Zij worden gebruikt voor het bewaren van voedsel en allerlei vlechtwerk. Uit het sap van de boom bereidt men wijn en olie. Zo is alles aan de palmboom nuttig, en menig mens, ja hele volksstammen danken hun bestaan aan de palmboom. En hele groepen vogels vinden er een schuilplaats!

Nou, meer hoef ik u niet te zeggen. Het beeld van de palmboom spreekt voor zich zelf. Een gelovige moet overvloedig zijn in goede werken, zoals de apostel Paulus het meermalen zegt. Dat geldt voor de Christen, maar ook voor de Jood en de Moslim, de Boeddhist en Hindoestaan. Een gelovige is letterlijk voor alles bruikbaar. Alles wordt in zijn handen tot een zegen voor anderen. Gelovigen zijn het “zout der aarde”, zoals Jezus het noemt in de Bergrede. Ik weet wel, wij vinden dat van onszelf vaak niet. Het is soms om mismoedig van te worden. Er gaat blijkbaar niets van je uit, al je goede bedoelingen zijn gedoemd te mislukken, je werk wordt bij je handen afgebroken, men vindt u een lastpost, een betweter, en na uw dood zult u wel gauw vergeten zijn… zo denkt u, Toch zeg ik u: geef u niet over aan die gedachten, het lijkt allemaal maar zo, want al wat gedaan werd uit liefde tot Christus en de medemens, heeft zijn waarde en zal blijven bestaan tot in eeuwigheid. Ook al die schijnbaar zo tot mislukken gedoemde pogingen van u! Zij zijn o zo waardevol en misschien zal men nog jaren lang na uw dood daarvan speken! Denk maar aan Maria Magdalena, die de voeten van Jezus zalfde met kostbare olie (palmolie?), hoe Jezus toen zei: “Al waar dit Evangelie gepredikt zal worden over de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden over hetgeen zij gedaan heeft” (Matth.26, 13). Vrucht dragen zit niet altijd in grote spectaculaire dingen, het zijn de vele kleine dingen die het ‘m doen! Denk er aan: de honderdduizend kleine bloesempjes vormen tezamen de pracht van de palmboom!

Amen.

Wees blijde in de hoop

Niet aflatende ijver in de strijd om het goede te verkrijgen. Ook in ons leven is is die ijver onontbeerlijk. Je moet er aan werken, het komt niet vanzelf.

“Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed.”
Romeinen 12, 12

In de liefde leven en wandelen, dat is in de Heer leven en wandelen. Zo lezen we herhaaldelijk in de apostolische brieven. Ook hier in Paulus’ brief aan de Romeinen.

Maar hoe gaat dat dan toe? Hoe zal ons leven “in de Heer” zijn? Laten we eens precies kijken wat er staat in ons tekstgedeelte. Het begint met de liefde: de liefde zij ongeveinsd. Veinzen is zoiets als huichelen, doen alsof, het niet echt menen, met een masker op lopen. Nou, zegt Paulus, dat moet in de liefde niet! Die moet echt zijn, ongeveinsd, niet huichelachtig. Je moet elkaar daarbij altijd recht in de ogen kunnen zien.

“Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede“, zo gaat onze tekst verder. Dit is het hoofdthema van het stuk, zou je kunnen zeggen, want het komt verder op in vers 17 weer terug: “Vergeldt niemand kwaad met kwaad, hebt het goede voor met alle mensen”; en ook  nog later, in vers 21: “Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede”. Dit is de afsluitende tekst, waarin de apostel het voorafgaande nog eens krachtig samenvat.

Goed en kwaad, daar gaat het om. Daar is het leven van de mens op betrokken. Daar wordt ook strijd voor gevoerd: vóór het goede, tégen het kwade! Een strijd in het klein en in ’t groot, een strijd tussen God en satan. God is de Goede, satan is de personificatie van het kwaad. Aan beider macht is de mens onderhevig. Jezus is Pleitbezorger van de goede zaak, daarvoor heeft Hij Zijn leven gegeven. Wij moeten dat ook zijn en dat ook doen, zegt Paulus. Wij moeten altijd de goede zijde kiezen, wat het ons ook kosten mag. Wie de oorlog nog heeft meegemaakt, weet wat dit in de praktijk kan betekenen. Veel mensen waren toen “fout”, omdat ze de verkeerde kant, die van de vijand, kozen. Wij worden ook voor een keuze gesteld: voor het goede, voor de Heer, tegen het kwade, tegen satan en zijn trawanten, tegen de liefdeloosheid en onderdrukking… ’t Is oorlog! De weg van de liefde, die ons hier wordt voorgehouden, is de weg van het offer, het is de weg van de Heer. “De liefde zoekt zichzelve niet, in de liefde acht de één de ander beter dan zichzelf. Weest in de broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld…”

Hier staat de zelfverloochening centraal. Paulus gebruikt in de verzen 10 t/m 13 twee vermaningen, die bij elkaar horen en ons de weg van de liefde duidelijk maken. De eerste roept op tot broederliefde en onderling eerbetoon. De tweede vermaant tot onverdroten ijver en brandende Geest: “in ijver onverdroten , vurig van Geest.” Niet aflatende ijver in de strijd om het goede te verkrijgen. Ook in ons leven is is die ijver onontbeerlijk. Je moet er aan werken, het komt niet vanzelf, dat goede in je leven, DE GOEDE in je leven. Het vraagt een voortdurende inspanning en strijd tegen het kwaad, dat zo dicht nabij ligt. Daar moet zeker ook Geest bijkomen, vuur van de Heilige Geest. Dit slaat op de tegenstelling, die Paulus dikwijls maakt tussen “vlees” en “geest”: het vleselijke leven en het geestelijke leven. Ons leven moet niet op vleselijke lusten gebouwd worden, het moet gedragen worden door de Geest, het moet altijd gericht zijn op God en het goede. Zonder die Geest is alle “vlees” zondig en dood. Maar met die Geest wordt ook het vleselijke mooi en goed. Daarom: in ijver onverdroten, vurig van Geest. Daar past ook precies de vermaning bij, die boven aan de preek staat:

Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking,
volhardend in het gebed.

Een verlamde vergeven en genezen

Jezus zei tot de verlamde: “Kind, uw zonden worden vergeven.” Niet gemakkelijk voor die verlamde en zijn vrienden! Niet het eerste, waaraan zij (denk ik) gedacht hebben. Zij kwamen voor genezing… en zij ontvangen vergeving.

Marcus 2, 1

Vrienden brengen een verlamde tot Jezus. Het zijn 4 mannen, die hun vriend dragen, ieder aan een punt van de brancard. Bij Jezus gekomen, staan er zoveel mensen, dat zij er niet doorheen kunnen. Voor gehandicapten wordt niet altijd (soms zelfs: meestal niet!) ruim baan gemaakt. Maar liefde maakt blind. Via de omweg van het dak komt de verlamde toch tot Jezus. Hij valt als ’t ware uit de lucht, uit de hemel. En dan staat daar in alle 3 synoptische Evangeliën. (Matth.8, Markus 2 en Lukas 5):

Daar Jezus hun geloof zag
zeide hij tot de verlamde
kind, uw zonden worden vergeven

When Jesus saw their faith
he said to the paralysed man
my son, your sins are forgiven

Jesus, vuyant leur foi
Dit au paralytique
Mon enfant, tes péches sont pardonnés.

Als nun Jesus ihren Glauben sah
Sagte er zu dem Gichtbruchigen
Mein Kind, deine Sunden sind dir vergeben.

Wat is het een geluk, wanneer je (ziek en/of gehandicapt) één of meer vrienden hebt. Vooral, als er een geestelijke kracht en bemoediging van hen uitgaat. In de nood leer je pas echt je vrienden kennen!
De verlamde in Kapernaüm was dan ook bepaald niet ‘ongelukkig’, wat soms van gehandicapten gezegd of gedacht wordt. Zijn ouders hadden geen ‘ongelukkig’ kind. Met zulke vrienden ben je immers een gelukkig mens! Gelovige vrienden, die niet alleen kijken naar je lichaam, maar ook naar wat daar binnen in zit: je geest, je hart, vrede en rust van binnenuit. Zij weten, dat een mens van vergeving moet leven. Misschien hebben zij er ook wel met elkaar over gesproken, want in die tijd werden ziekte en zonde nauw met elkaar verbonden. Eén ding weten zij zeker: een gezonde en een gehandicapte hebben beide vergeving nodig, de gehandicapte en zieke niet meer dan de gezonden, maar ook niet minder.

En in dat geloof komen zij tot Jezus. Hij ziet hun geloof. Het Bijbelse woord voor ‘geloof’ is hetzelfde als voor ‘vertrouwen’. Geloven in iemand = vertrouwen hebben in iemand. De vrienden hadden vertrouwen in Jezus, dat Hij de verlamde helpen zou. En dat vertrouwen laten zij zien. Zij gaan er zelfs het dak voor op! En Jezus ziet het: en Jezus hun geloof ziende, zei tot de verlamde: “Kind, uw zonden worden vergeven.” Niet gemakkelijk voor die verlamde en zijn vrienden! Niet het eerste, waaraan zij (denk ik) gedacht hebben. Zij kwamen voor genezing… en zij ontvangen vergeving. Ach ja, ze wisten het wel, ze hadden er misschien ook wel een met elkaar over gesproken …. maar een mens wil zo graag wat direct voorhanden ligt: gezond en sterk zijn! Theorie is nog wat anders dan praktijk! In theorie weten wij wel (net als zij) dat we ’t van vergeving, van de genade van God, hebben moeten. Maar in de praktijk bouwen we liever op zichtbare zekerheden. In theorie weten we ook wel, dat we elkaar moeten bijstaan, en dat we als die 4 mannen moeten zijn die hun gehandicapte vriend dragen. Maar in de praktijk voelen veel gehandicapten zich alleen staan in de kou, omdat die vrienden er blijkbaar niet zijn. Jezus ziet hun geloof. Wat ziet Hij eigenlijk? Dat ze hun verlamde vrienden op de brancard door het dak laten zakken… pardoes ligt hij voor Jezus’ voeten. Maar de Evangelisten zeggen: “Jezus zijn geloof ziende.” Blijkbaar is voor hen de DAAD van de 4 mannen HUN GELOOF. Geloven = doen! = goed doen = helpen = bijstaan = bij iemand zijn in zijn nood. Een geloof zonder werken is een dood geloof, zegt de apostel Jakobus in zijn brief. Een boom kent men aan zijn vruchten, zegt Jezus in Zijn evangelie (Mattheüs 7,17-20).

‘Draagt elkanders lasten en vervult zó de wet van Christus (Zijn gebod elkander lief te hebben)’ zegt Paulus in Galaten 6,2. De 4 mannen droegen letterlijk de last van hun verlamde vriend. En voordat Jezus van hen die last wegneemt verlost Hij hen van een nog veel zwaardere last: de last van de zonde: “Zoon, uw zonden worden u vergeven”. Letterlijk staat er: uw zonden zijn of worden weggenomen.

Zó helpt Jezus compleet. Hij is de barmhartige Samaritaan, die de rovers overvallen en half doodgeslagen reiziger uit Lukas 10, niet alleen op helpt staan, maar ook zijn ezel aanbiedt en tenslotte een nieuw leven geeft. Helpen voor de volle honderd procent ziel èn lichaam! Vergeving èn genezing. Het één (vergeving) is voorwaarde voor het andere (genezing). Maar ook: het andere (genezing) is een bevestiging van het éne (vergeving)! Maar let goed op: de vergeving gaat vóórop. Ook als er geen genezing op volgt zal de mens DAARUIT blij en gelukkig kunnen leven en kracht kunnen putten om zijn lichamelijke of geestelijke kwaal te dragen.

Verhoging

Laten we ook zo opkijken tot Hem, in onze menselijke zonde en verlorenheid. Er is redding: omhoog kijken naar Hem, onze Verlosser.

Johannes 3, 14
“En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe.”

We hebben pas geleden Hemelvaartsdag en Pinksteren gevierd. Dan denken we aan de “verhoging” van de Heer.

In onze tekst gaat het ook over “verhoogd worden”. Er is hier nog helemaal geen sprake van Hemelvaart, en ook niet van de verhoging van het kruis. En toch moeten we daaraan denken, dat ligt toch voor de hand, niet waar? En als we Johannes de Evangelist een beetje kennen, dan mogen we in dat geheimzinnige woord uit Johannes 3, 14 ook een diepere betekenis vermoeden.

De Heer spreekt deze woorden in een gesprek met Níkodémus, al direct aan het begin van Zijn openbare werkzaamheid, toen Hij dertig jaar oud was en zodoende de “jaren van volwassenheid” bereikt had, die voorgeschreven waren bij het optreden “in het openbaar” als rabbi of Schriftgeleerde. Nikodémus had van Jezus’ wijsheid gehoord en wilde graag een gesprek met Hem; zelf was hij ook een geleerd man.
Maar hij durfde niet openlijk naar Jezus toe te gaan, daarom ging hij ’s nachts. Of Nikodémus veel van Jezus’ woorden begrepen zal hebben? Waarschijnlijk is het eigenlijke hem ontgaan, want wist hij veel van Hemelvaart en Pinksteren af? Jezus wijst hem er wel op, maar Hij doet dit op een geheimzinnige manier. Hij zegt: “Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik u van het hemelse spreek? En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen.” (vs. 12 en 13)

En dan komt onze tekst. Voor een goed verstaander duidt de Heiland hier op Zijn drievoudige verhoging: aan het kruis, aan de rechterhand des Vaders, en ook in de prediking en de bediening van het sacrament. Of, zoals Paulus zegt: “Daarom (door het kruis) heeft God Hem ook uitermate verhoogd (Phil. 2,9) en is Hij de grote hogepriester geworden, die de hemelen is doorgegaan” (Hebr. 4,14). Op het kruis hemelwaarts, zó wordt de Heer verhoogd. Zó is Hij onze verhoogde Heer geworden.

En dan komt de tweede verhoging: die van de Hemelvaart, deze brengt ons vanzelf terug tot de eerste verhoging: de lijdende Heiland is de verhoogde Heer. Vandaar, dat wij op Hemelvaartsdag ook terug zien naar Goede Vrijdag. Door de ene verhoging -die aan het kruis- heen ontvangen wij ook het perspectief, de doorkijk tot de andere verhoging. En omgekeerd. Daarom is gemeenschap met de verhoogde Heer ook altijd gemeenschap met Zijn lijden en sterven. Laten we dat nooit vergeten: èn het een èn het ander. De Heer is daar boven in de hemel en Hij pleit voor ons, maar wij moeten nog verder hier op aarde, en dat gaat door lijden en dood heen… maar juist daarin is de Heer ons nabij. Ons lijden wordt immers gedragen door Zijn lijden. Wij hebben een Heer in de hemel, die Zelf het lijden is doorgegaan, waardoor Hij ons lijden invoelt, doorvoelt en mee dragen kan, zelfs wegnemen zal. Dat is mee de troost van Hemelvaart, verbonden met Goede Vrijdag. Wij ontvangen het nieuwe leven van Hem, die het met Zijn lijden en sterven verworven heeft.

Naast de verhoging aan het kruis en in de hemel is er ook nog een derde verhoging, die ligt in onze tekst: de verhoging van de prediking en het sacrament. Waarom heeft Mozes de slang inde woestijn verhoogd?

Was dat niet, opdat een ieder vanuit zijn nood, vanuit zijn eigen dodelijke lijden, de slang zou kunnen zien en daardoor kon genezen worden? Midden in het leger werd zij zo hoog opgesteld, opdat men tot in de verste rijen van het leger haar zou kunnen zien. Zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder op Hem een blik kan werpen, en zó -gelovende- in Hem het leven zou hebben in eeuwigheid. Elke zondag in de eredienst wordt Jezus zo verhoogd, op een hoogte gesteld, omhoog gehouden, opdat ieder Hem duidelijk kan zien. Opdat wij daardoor tot geloof zouden worden gewekt, in Hem, Die verhoogd is aan het kruis en verhoogd aan de rechterhand des Vaders…

“Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe …” Zó gaat Johannes verder in vers 16. Zou Nikodémus dàt begrepen hebben? Zou hij de vraag, die daarin doorklinkt, gehoord hebben: En jij, Nikodémus, zie jij ook op Mij omhoog? Geloof je ook in Mij, de verhoogde Heer?
En u? Hebt u de vraag gehoord? En antwoordt u: Ja, Heer, ik geloof, doch kom mijn ongeloof te hulp..

Laten we het drievoudige feest van Christus verhoging gaan vieren in grote dankbaarheid. Want het is alles ook voor ons geschied. Net als de mensen in de woestijn, die .vanuit hun dodelijke ziekte opkeken naar de omhooggestoken koperen slang en daardoor genezing ontvingen.

Laten we ook zo opkijken tot Hem, in onze menselijke zonde en verlorenheid. Vanaf ons ziekbed, met de pijn in ons lichaam, gevangen in onszelf, in zonde en schuld, met alle angst en zorg, te midden van dood en verderf, in een wereld, waarin de machten van Satan woeden. Er is redding: omhoog kijken naar Hem, onze Verlosser.

Hij lééft!

Hij lééft –
Waar is de prikkel van de dood?
Hij lééft –
Hij redt ons uit de angst en nood.
Hij lééft –
Hij kocht voor ons een nieuw bestaan.
Hij lééft –
De steen der schuld valt van ons af.
Hij lééft –
Wij zien door een geopend graf.
Hij lééft –
Wij zien een zonnig perspectief
Hij lééft –
en heeft ons boven alles lief.
Hij lééft –
Hij is voor mij in ’t graf gegaan.
Hij lééft –
Hij is voor mij weer opgestaan.
Hij lééft –
…maar wat heb ik voor Hèm gedaan?

Jelly Verwaal
(uit: Open vensters uit. H. Medema, Apeldoorn)

 

Een zomerse toekomst

Als Jezus ons een zomerse toekomst voorzegt, ziet het er niet mooi uit. De vijgenboom heeft geen goed nieuws. Vakantie is er niet bij!

Mattheüs 24, 32
“Leert dan van de vijgenboom deze les: wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan dat de zomer nabij is.”

Op 21 juni begint de zomer! Men hoeft dat woord maar te noemen en iedereen begint te stralen als de gelukkige mens die iedereen had willen worden.

Niet alleen het hout van de bomen wordt week: ons hart doet mee.

Wij willen graag iets leren van de bomen. Ze lijken ineens allemaal weer familie van de boom des levens. Wij voelen ons groeien, als wij merken hoe er groei in de bomen zit. O nee, wij denken dan niet: hoge bomen vangen veel wind. En ook niet: boompje groot, plantertje dood. Maar aan de vijgenboom uit Mattheüs willen wij wèl denken: die luidt immers de zomer in?

“Enkel troostwoorden”, schreef Luther over deze tekst, “Jezus ontleent niet een tekst en gelijkenis aan de herfst of de winter, als alle bomen kaal worden, maar aan de lente en de zomer en dat is vrolijke, lustige tijd!”

Ach wij, Europa centrische westerlingen… Moeten wij dan álles bekijken door onze bril? In Israël wekt het woord zomer héél andere associaties dan bij ons. Als de vijgenboom de zomer voorspelt, dan voorspelt dit weinig goeds. De mooiste maanden zijn dan al voorbij. De zomer is het toonbeeld van stof en dorheid en droogte en verzengende wind en drukkende hitte en epidemieën. De mensen en de dingen verschrompelen. De zomer doet Jezus niet denken aan de vakantie, maar aan het einde der wereld. De vijgenboom staat in de rede over de laatste dingen.

Jawel, zegt een slimme lezer, maar in die rede staat toch eveneens de bede: “bidt dat uw vlucht niet in de winter valle” (Matth.24,20)?

Maar ook daarbij denkt Jezus weer aan een heel ander klimaat dan wij.

Wij zien achter die tekst een stoet van slecht geklede vluchtelingen in een gure winterstorm. Maar in Palestina is de winter de regentijd. Het vluchten wordt dan bemoeilijkt door de vele aangezwollen stroompjes en de hoge waterstand van de rivieren. Het zou voor de discipelen niet vreemd hebben geklonken, als Jezus erbij had gezegd: bidt ook maar dat het niet in de zomer gebeurt.

De vijgenboom is een van de weinige bomen, die in dat land van de altijd groene loofbomen er in de winter kaal bij staat. Hij krijgt zijn bladeren niet spoedig terug. Er staat hier in het Grieks: als tenslotte, na lang wachten, de vijgenboom gaat werken. Het is een langslaper, het tegendeel van de waakzame amandel. Het is nooit te berekenen wanneer hij eindelijk wakker wordt. Maar als het zover is, dan weet ook iedereen: de zomer staat voor de deur, wij moeten ons op het ergste voorbereiden!

De Palestijnse zomer zou moeilijk te verdragen zijn, wanneer de temperatuur ’s nachts niet zou dalen, zodat het ’s morgens in de schaduw nog een tijd koel blijft. Bij het woord zomer moeten wij het beeld zien opdoemen van het zoontje van de Sunemietische, getroffen door een zonnesteek, en van Manasse, de man van Judith, gestorven van de hitte tijdens de gersteoogst, en van de dichter die wil overnachten in de schaduw van de Almachtige – een machtig-brede schaduw! – en van de dorstige bruidegom, die de ogen van zijn bruid met de vijvers van Hesbon vergelijkt. Als Amos spreekt van een zomerhuis, moeten wij niet denken aan het zomerwoningenterrein op Terschelling, maar aan een huis waarin men de warmte kan buitensluiten, met koele kamers!

Als Jezus ons een zomerse toekomst voorzegt, ziet het er niet mooi uit. De vijgenboom heeft geen goed nieuws. Vakantie is er niet bij! Er is maar één manier om op de been te blijven: wij mogen in de schaduw gaan zitten van de stellige belofte, die wij zelfs op de komende laatste dingen mogen toepassen:

“De zon zal u des daags niet steken!”

(uit: Daglicht, een Bijbels dagboek van Okke Jager, bij de 21e juni)

 

Het einde aller dingen is nabij
(naar 1 Petrus 4, 7 – 11)

1. Het einde aller dingen is nabij,
zo weest dan nuchter, waakt in de gebeden,
vurig van hart en staat elkander bij;
liefde dekt alle ongerechtigheden.

2. Staat voor elkander open, dient elkaar,
ieder gelijk hij gaven heeft gekregen;
maakt om u heen het heil des Heren waar
en deelt met een ruim hart Gods grote zegen.

3. Als iemand spreekt, hij spreke frank en vrij-
als iemand dient, hij diene met zijn daden,
dat God in taal en taak verheerlijkt zij:
Woord voor zijn Woord, genade voor genade.

4. Door Jezus de Messias wien behoort
de kracht, de heerlijkheid alle de dagen;
zo weest waakzaam nu en gedenkt het Woord- –
het einde aller dingen heeft geslagen.

ds. W. Barnard
gez. 106 uit het Liedboek der Kerken

Van Pasen tot Pinksteren

Er geen plek in heel Gods schepping (hemel en aarde) denkbaar is, waar God niet aanwezig zou zijn. Toch is de hemel de plaats, waar God de Heer in heerlijkheid troont.

Efeziers 4, 10
“Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.”

Het oud-Hebreeuwse woord “Pascha”, waarvan ons “Pasen” is afgeleid, betekent eigenlijk “voor de dag komen”, “doorbreken”, “er uit komen”, “doorgaan”. Daarom heeft Pasen ook zoveel verwantschap met het openbreken der natuur in de lente, het leven dat doorbreekt door de dood heen. Israël mocht dit ook zo ervaren, lang geleden in Egypte toen de doodsengel “omging”, maar aan de deuren van de Israëlieten voorbij ging … de schaduwen van de dood gaan voorbij, ook aan ons, en het licht breekt door, een nieuwe morgen breekt aan.

Pascha brengt ons op weg van Gods ontferming, wij mogen doorgaan van genade tot genade, van kerstfeest tot goede vrijdag, van Paasfeest tot Hemelvaart en tenslotte tot Pinksteren … nee, nog verder tenslotte tot in de hemel!!

Op Hemelvaartsdag gaan we  met de opgestane Heer op weg de veertig dagen door… .naar de hemel. Gelooft u, dat er een hemel is? Niet die hemel van het uitspansel, waarin de wolken jagen..  maar de hemel van het nieuwe Jeruzalem, de stad met de paarlen poorten, waar de engelen geschaard staan om Gods troon. Het is de hemel, die God geschapen heeft. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”, zo begint de bijbel. We kunnen ons er geen voorstelling van vormen, er eigenlijk alleen maar in beelden over spreken. Hoe zal het zijn, die gemeenschap van engelen en de doden, van wie gezang 242 betuigt: “Zalig, die in Christus sterven, de doden, die de hemel erven, wien Hij een woning heeft bereid?”

God woont in de hemel, maar zó dat de hemel, “zelfs de hemelen der hemelen”, hem niet kunnen bevatten. Dat betekent voor ons, dat er geen plek in heel Gods schepping (hemel en aarde) denkbaar is, waar God niet aanwezig zou zijn. Zelfs de plaats van de schaduwe des doods, van het verderf, van Satan’s rijk, is voor hem niet toegesloten. We mogen hem dan ook hier op aarde heel dicht bij ons weten. Toch is de hemel de plaats, waar God de Heer in heerlijkheid troont. Naar die hemel nu is onze Heer Jezus “opgevaren.” Hij was in die hemel reeds geweest, Hij was er uit neergedaald, zo zegt onze tekst. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat Hij er ook tijdens zijn omwandeling hier op aarde steeds gebleven is. Het contact met de hemel had Hij nodig voor zijn werk en met name in het bidden heeft Hij dit contact dagelijks gezocht. Maar Hij was niet meer direct in die goddelijke glorie en hemelse luister. Hij had zich “vernederd” om mens te worden, in de verdorven schepping in te gaan.

En wat gebeurde er toen?

Is Hij in die verdorven wereld ten onder gegaan? Ja en nee. Ja, omdat Hij die vreselijke kruisdood moest ondergaan. Nee, omdat Hij in die dood toch de hemel vasthield en omgekeerd ook door de hemel vastgehouden werd. Zo kon de diepste vernedering van de Zoon Gods tegelijk de hoogste verhoging worden. Maar niet alleen voor Hem!! Het was een doorbraak voor heel de zondige wereld, waartoe ook u en ik behoren. Jezus wierp in Zijn doodslijden de menselijke natuur niet af, integendeel, Hij hield die vast – samen met de hemel – en zo werden God en mens verzoend: voor de zondige mens was de hemel opengebroken.

In de hemelvaart: is ons de hemel geopend. “Ik ga heen tot Mijn Vader en Uw Vader, om u plaats te bereiden”. Paulus voegt er in onze tekst aan toe: “Om alles tot volheid te brengen”. Dat wil zeggen: om alles naar Gods wil te vervullen, zodat in de nieuwe wereld uiteindelijk God alles in allen zal zijn. Hemel en aarde zullen dan vervloeien… Jezus zal nogmaals de plaats van Zijn heerlijkheid verlaten en zich als rechter openbaren aan alle volken. En ik??

Ja, ik mag daar al van zingen:

‘k Zal eens myn Heiland in heerlykheid zien,
schitt ‘rend in schoonheid en pracht. _
Hem zal ‘k daar dankbaar myn hulde steeds bien,
dat Hy ’t voor my heefi volbracht.
Glorie, glorie voor my!
Jezus te zien en te gaan aan zyn zy,
o welk een glorie, ja glorie voor my!!

Voor myne schuld droeg Hy smaadheid en hoon,
stierf Hy aan ’t kruis zelfs voor 
En door gena wacht my boven een kroon.
Dat maakt my zalig en bly.
Glorie, glorie voor my!
Jezus te zien en te gaan aan zyn zy,
o welk een glorie, ja glorie voor my ! !

‘k Vind daar myn dierb ‘ren voor eeuwig dan weer
juub ‘lend in d ‘engelenrei.
O, welk een vreugd ‘ in die zalige sfeer,
’t is alles glorie voor my!!
Glorie, glorie voor my!
Jezus te zien en te gaan aan zyn zy,
O welk een glorie, ja glorie voor my!!

‘k Hoor dan het koor aan de zee van kristal:
’t bloed van het lam kocht ons vry.
Alles stemt mee in het ganse heelal.
O, welk een glorie voor my ya, voor my).
Glorie, glorie voor my!
Jezus te zien en te gaan aan zyn zy,
o welk een glorie, ja glorie voor my!!

Joh. de Heer 568

Ik hef mijn ogen op tot U

Uit de psalm, die eigenlijk een bedevaartslied is, blijkt dat ze rustig op weg zijn gegaan naar Jeruzalem. Nu denk ik: toch niet zo bepaald rustig, dat blijkt ook wel uit hun gebeden. Want bidden doen ze, hartstochtelijk roepen ze tot hun God.

Psalm 123, 1

Onze psalm verplaatst ons naar de tijd, dat de Joden in heel moeilijke omstandigheden waren. Het waren met recht ‘donkere tijden’. Het volk was zijn vrijheid kwijt en werd bovendien nog verdrukt. En dan komt de vraag: wat moeten wij doen? Uit de psalm, die eigenlijk een bedevaartslied is, blijkt dat ze rustig op weg zijn gegaan naar Jeruzalem. Nu denk ik: toch niet zo bepaald rustig, dat blijkt ook wel uit hun gebeden. Want bidden doen ze, hartstochtelijk roepen ze tot hun God. Zoals bij ons een arbeider let op zijn ‘voorman’ en zoals een kind kijkt hoe vader of moeder het doet, zo heffen zij hun ogen tot God in de hemel. “Zie, ik hef mijn ogen tot U”. En dan reizen ze gerust verder. Moet het voor ons ook niet zo zijn? De ogen opgeheven tot God mogen en kunnen we gerust verder ‘reizen’. Als de reis door moeilijke omstandigheden voert, raak dan niet in paniek, en wijk niet te snel af van de gewone gang van zaken. Ga rustig en gewoontjes door, gewoon doen wat de hand vindt om te doen. Immers God zorgt voor u. U heeft een goede Gids die met u meegaat, ook al moet het gaan door het ‘donkere hal van de schaduwe des doods’ (ps. 23). Gaat de reis door blijde omstandigheden, we gaan bv. op vakantie. We heffen biddend het oog omhoog. Alles voor God neerleggend, onze blijdschap, onze onzekerheid, onze onrust, maar ook ons vertrouwen in de goede afloop, want renslotte zijn we in Zijn handen veilig en wel geborgen. God regeert altijd. En dat is een rustig gevoel. Daarom, of we plezier hebben of verdriet ervaren, of we gebukt gaan onder een kruis of opgetild worden van vreugde, altijd op Hem letten, opdat Hij ons genadig zij en voor ons het leven zinvol en draaglijk make.

De Heer zal u steeds gadeslaan,
opdat Hij in gevaar
uw ziel voor ramp bewaar.
De Heer, ’t zij g’in of uit moogt gaan,
en waar g’u heen moogt spoeden,
zal eeuwig u behoeden.

Ps. 121 vers 4.

Worden zoals ik

Jullie lachen wel om me, maar ik wou dat jullie net zo waren als ik!

Handelingen 26, 29
“Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.”

Paulus is de gevangene van de Romeinse landvoogd Pan Caesarea Poncius Festus. Hij zit nu al twee jaar in de gevangenis op beschuldiging van ophitserij en oproer in Jeruzalem, uiteraard door zijn vroegere joodse medestanders die nu in Paulus een overloper zagen naar de verkeerde kant!

Hij had eerst terecht gestaan voor stadhouder Felix. Misschien had deze wel gedacht een hoog losgeld voor hem te ontvangen. Daarom hield hij hem in bewaring. Maar de vrienden van de apostel hebben zo’n losgeld niet. En nu, na twee jaren onschuldig gezeten te hebben, is er een andere landvoogd in Caesarea gekomen: Porcius Festus, een man met een edeler inborst en hogere principes dan zijn voorganger. Hij begrijpt zoveel van de godsdienstige discussie tussen de Joden en Paulus, dat hij denkt dat het gaat over een onbekende man, die Paulus nog voor levend houdt en waarvan de anderen zeggen, dat hij gestorven is. Voor hem is dat eigenlijke niet de moeite waard om daar zo’n drukte over te maken. Hij wilde de zaak in der minne schikken en vroeg Paulus of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan en dáár in zijn bijzijn terecht te staan. Daarmee dacht hij de Joden gunstig te stemmen. Maar Paulus wilde niet, hij beriep zich op de keizer.

Hij zei: Ik heb niets misdaan, noch tegen de joodse Wet noch tegen de keizer, ik sta voor de keizerlijke rechtbank, ik beroep mij op de keizer!

Toen kreeg Festus bezoek van de joodse koning Herodes Agrippa. Deze zou hem misschien in het geval van Paulus kunnen helpen, dacht Festus, Agrippa was immers een Jood, die zou het wel beter kunnen begrijpen! En zo kwam de apostel te staan tegenover Festus èn Agrippa. Met pracht en praal wordt de rechtszitting gehouden, alleen Paulus steekt er schril bij af met de zware ketens om enkels en polsen. Hoe moest hij zich voelen? Vastgeketend, en dat al twee jaar, terwijl hij zo graag de wijde wereld in wilde gaan om heel de wereld voor Jezus’ zaak te winnen. Ach, een zekere vrijheid werd hem nog wel gelaten: hij mocht zijn vrienden ontvangen, en menige brief kon hij in zijn gevangenschap dicteren, maar toch: hij mocht zijn taak in de wereld niet volbrengen, en daar leed hij erg onder. Gods wegen zijn wonderbaar… In plaats dat Hij Paulus de vrijheid teruggeeft om Zijn Evangelie te kunnen verkondigen, laat Hij de apostel zuchten in gevangenis. Wij weten vaak niet, waarom het zó moet en niet anders. Gods wegen zijn zoveel hoger dan onze wegen. Soms heeft een mens de verdrukking nodig om tot bezinning en innig vertrouwen in God te komen. De apostel heeft het de psalmdichter na mogen zeggen: ‘Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest’.

Ook hier, in de weerlegging van de beschuldiging, die hij uitspreekt voor de hoge heren, blijkt dat. Hij doet daarin het verhaal van zijn bekering, de tegenspoed en teleurstellingen, die hij daarna moest doormaken maar ook de kracht Gods die hij ervaren heeft, en de goddelijke roeping om de verheerlijking van Christus aan Jood en heidenen te prediken.

Maar op dat punt gekomen, laat Festus hem niet verder spreken. Hij valt hem in de rede met een spottende opmerking: ‘Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war!

Maar hierdoor laat Paulus zich niet van de wijs brengen. Hij richt zich nu tot koning Agrippa en hij hoopt bij hem gehoor te vinden. Die kent immers de geschiedenis van Jezus en de profetieën over de Messias. Maar Agrippa zegt spottend: ‘Gij beweegt mij bijna een Christen te worden!’

Dan spreekt de apostel de woorden van onze tekst: ‘Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij,maar ook allen, die mij heden horen„ok zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.”

Paulus meent dit! Zó groot is zijn geloof en zijn liefde voor God en de mensen, dat hij ze allemaal gelukkig wil zien, net als hij. Hij zegt eigenlijk: “Ik wilde wel, dat ik u iets van mijn rijkdom kon geven.” Want hij wist het: al die mensen om hem heen in die dure gewaden en met goud behangen armen zijn toch eigenlijk maar stakkerds, vergeleken met de rijkdom van zijn geloof. Natuurlijk zou hij wel vrij willen zijn, daarom zegt hij ook: ‘Uitgezonderd deze boeien’. Paulus is geen wereld ontvluchter, nee hij staat met beide benen op de grond, hij is geen fantast. Hij meent dan ook echt wat ie zegt: waren jullie maar zoals ik, behalve dan die boeien.

Paulus is ook geen opschepper. Wat heeft hij trouwens om over op te scheppen? Alleen maar zijn Heiland, en Die moeten ze niet! Het is vechten tegen de bierkaai, je kunt je geloof meestal niet op anderen overdragen, ze willen het niet, of vertrouwen ze jou niet? ’t Zou ook best kunnen, dat wij niet helemaal geloofwaardig bij de anderen overkomen, want zulke beste gelovigen zijn wij niet! Bij de mensen ontmoet je vaak geen begrip voor je geloof. Paulus deed een beroep op Fedstus, de Romein, die vond hem maar een warhoofd, toen deed hij een beroep op Agrippa, de Jood, die lachte hem in zijn gezicht uit: ‘Wil je van mij soms ook een Christen maken?!’ Wat bleef hem anders over dan zich te beroepen op God? ‘Ik zou God wel willen bidden… Hij kende God, Hij wist dat Die hem nooit in de steek zou laten. Tegenover mensen sta je vaak zo machteloos … maar God laat je niet vallen. En daarom beriep hij zich op God en wilde hij wel dat de mensen ook zo waren als hij, nl. dat zij ook God zouden kennen in hun leven! Het was immers het grote wonder in zijn leven, en dat moet ook het grote wonder in ons leven zijn: Hem te ontmoeten, die ons geheel in bezit neemt, die onze handen met kracht omvat houdt.

Vanuit zijn levensgeluk kon de apostel zó tegenover de hoge overheden getuigen. Het floepte er zo maar bij hem uit! Jullie lachen wel om me, maar ik wou dat jullie net zo waren als ik!

Daarmee laat hij zien, dat hij toch ook veel om hen gaf. Een ander zou kwaad geworden zijn of z’n mond dicht gehouden hebben; die mensen willen toch niet luisteren. Maar Paulus houdt het gesprek open en laat zien, dat hij met hen begaan is en hen wil werven voor de dienst van Jezus. Uit liefde alleen, niet uit hoogmoed, omdat hij zich beter voelt dan die anderen. Nee, beter is ie niet, maar wel gelukkiger in zijn Heer. Vandaar die drang om te getuigen… Hij vindt het zo erg, dat die mensen dat mooie geluk voorbij laten gaan. Waarom kan hij die mensen daar voor hem niet winnen? Dat moet hem pijn gedaan hebben, net zoals hij later in de Romeinenbrief schrijft, dat hij veel smart heeft over zijn broeders, de Israëlieten, die nog van Christus gescheiden blijven. ‘Ik wou maar, dat jullie allemaal net zo waren als ik, zó gelukkig in het geloof…’ Maar zover is het nog lang niet. Wij bidden daar misschien ook wel eens om: dat er wat meer geloof is bij de mensen om je heen, bij je zelf vooral. Dat God geloof mag geven aan je kinderen en vrienden. Je hebt wel eens het gevoel, dat je zelf daarvoor in de weg staat; dat jijzelf de grootste hinderpaal bent voor anderen om tot geloof te komen. Jij zelf en je levenshouding, je ongeloof en liefdeloosheid. Een heel verdrietige zaak! Wij kùnnen het niet, daarom bidden we tot God, dat Hij het doet.

Paulus werd door liefde voor zijn medemensen gedreven. Het was om hun bestwil, dat hij zei: ‘Ik zou God wel willen bidden, dat jullie net zo waren als ik, zo gelovig’. Is dat bij ons ook zo? Bidden wij er ook om, dat die en die en die tot geloof komen? En zo niet, hoe schuldig staan we dan tegenover elkaar! Hoe kun je gelukkig zijn in je geloof, als je weet, dat die ander dit geluk nog niet kent? Gelukkig ben je met-elkaar, dat is iets sociaals. Het grootste geluk zal er dan pas zijn in de wereld, als God zal zijn alles-in-allen. Iets daarvan proeven we, als mensen zijn één in en mèt de ander. Leven met God is niet een individueel, persoonlijk goed: in een hoekje met een boekje, het ‘eenzaam met Jezus gemeenzaam!’. Het is ondenkbaar in een man als Paulus, dat hij gedacht zou hebben: nu ja, jullie tweeën, Festus en Agrippa, daar tegenover mij, blijven jullie er maar buiten staan, Gods heerlijkheid is toch niet voor jullie bestemd, jullie moeten maar in je eigen sop gaar koken’. Nee, Paulus stond op de bodem van de Thora en de Profeten, en hij wist: de GEHELE aarde moet vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Dáár verlangt hij naar, dáár leeft hij voor!

‘Ik zou wel God willen bidden, dat jullie allen werden zoals ik.’

Geen vrome, schijnheilige opmerking. Ook geen vrome wens. Hij méénde ‘t, wat ie zei. Hij draagt ook die twee wereldse vorsten op aan zijn God. Hij is met hun levenslot begaan, ook al hebben zij hem in hun tang genomen. Toch is hij niet verbitterd, want hij weet: wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God!

Laten wij dat ook vasthouden in ons leven. Daarom: nooit opgeven de ander in gebed voor God te brengen. Dat is onze bestemming: dat we vechten moeten voor elkaars geluk. Dat is ook de diepste betekenis van het gebod: hebt uw vijanden lief.

En denk niet, dat dat zonde is, vergeefse moeite, verspilde tijd. Want wie weet…

Festus en Agrippa gaan met elkaar in beraad en zij komen tot de conclusie: deze man is geen misdadiger, geen oproerkraaier, hij zou kunnen worden vrijgelaten, als hij zich niet op de keizer had beroepen. Of de grootsheid van Paulus’ getuigenis hun iets gedaan heeft, het staat er niet. Mensen geven zich niet ze gemakkelijk over, zij zijn stoer, zij hebben geen oog voor de kleine dingen. Iemand heeft eens gezegd: “Alle ontwikkeling naar boven begint met verwondering. Grote mensen verwonderen zich niet meer. Zij zijn en blijven dom.” Agrippa en Festus hadden zeker wel de geloofsvraag gehoord, die de apostel in zijn verweer aan hen stelde: ‘en hoe staat het met jullie geloof? Geloven jullie ook in Jezus Christus?’ Maar achteloos gingen zij aan die vraag voorbij, de kans op bekering lieten zij liggen. Doen wij dat ook niet vaak?

Toch is Paulus’ woord niet zinloos geweest, immers: we praten er vandaag nòg over! Van de machtshebbers daar voor hem met al hun pracht en praal is niets meer over, maar Paulus, de kleine man,leeft nog voort, omdat hij van Christus was en Christus in hem.

Amen

Waar je niet wilt komen

Je kunt er misschien niet zo tegen, tegen al dat verdriet en die ellende van de ander. Het herinnert je teveel aan je eigen verdriet en zorgen.

Johannes 21, 18b
“Een ander zal u omgorden en u brengen, waar gij niet wilt.”

Je door iemand mee laten nemen naar plekken, waar je eigenlijk niet wilt komen. We hadden het de vorige keer over luisteren naar elkaar en spreken met elkaar, en dat je echt met die ander moet meegaan in zijn of haar verdriet. Je kunt er misschien niet zo tegen, tegen al dat verdriet en die ellende van de ander. Het herinnert je teveel aan je verdriet en zorg. En ons is altijd geleerd flink te zijn en niet te huilen, je verdriet zelf manmoedig te dragen… En als dan die ander met zoveel narigheid bij je komt, dan wordt het je zelf ook teveel. Je kunt niet meer… We zijn nu eenmaal geen ‘Atlas’ die de hele wereld op zijn schouders draagt. Nee, dat is zo. Alleen God Zelf kan de lasten van de hele wereld op Zich nemen…

En als ’t dan toch zo dicht bij ons komt, die ellende van de ander, en het beroep dat op ons gedaan wordt om te helpen, u weet wel: om aandacht te geven, te luisteren en te spreken en de handen uit de mouwen te steken, dan maken we er ons maar al te gauw van af met allerlei -best welgemeende- raadgevingen en smoezen. We zeggen bijvoorbeeld: “Als je nu eens dit doet of dat?”, “Heb je dat al een geprobeerd?”, “Zou je er niet eens met je kinderen over spreken of met de dominee?”, “Het komt best wel goed hoor, kop op!”, “Je moet maar denken: na regen komt zonneschijn…”, “Nee, dat moet je niet zeggen.”, “Nee, dat mag je niet denken.”, “Er zijn er die het zoveel zwaarder hebben, moet je maar eens kijken naar die en die.”, “Neem nou mevr. X eens… die is er toch ook doorgekomen?”

Misschien hebben wij dat ook wel eens gezegd, en tegelijkertijd gemerkt, dat die ander er niet zo leuk op reageerde… Geen wonder! Want met al je mooie praatjes heb je de ander niet geholpen, integendeel: die ander voelt zich door u in de steek gelaten, en zijn verdriet is nog groter…

We vieren a.s. zondag het Pinksterfeest: de Heilige Geest, onze Trooster, Kracht van omhoog. Om elkaar werkelijk te kunnen helpen kunnen we niet buiten die Kracht. Die Kracht, die sámenbindt. Die ons de hemel opent. Die ons in de diepte van het dal der schaduwe des doods staande houdt. Die ons opheft uit het stof (Pasen) en ons verheft in Gods hemelrijk (Hemelvaart).

We denken aan Job, zonder die Geest had hij het niet gered. Zijn vrienden probeerden het eerst met allerlei raadgevingen en vermaningen, goedbedoeld, net zoals wij dat meestal doen. Maar gelukkig: ze bleven bij hem, en uiteindelijk zwegen ze: “En zij zaten bij hem op de grond, zeven dagen en zeven nachten; niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat zijn smart zeer groot was” (Job. 2:13).

Luisteren en communiceren is bij elkaar blijven, vaak zonder woorden. Elkaar niet loslaten, elkaar vasthouden, waar je ook komt, al is de ander nog zo berooid en kwetsbaar en ontheemd, en al word je dat zelf ook… Gevoerd worden naar een plaats, waar je eigenlijk niet naar toe wilt! Daar is veel moed voor nodig en geestkracht. Bidden we om de Heilige Geest!! We mogen op die Grote Hulp rekenen, denkend aan Jezus’ woord uit Marcus 13: “…weest dan niet van tevoren bezorgd wat gij zeggen moet, maar zegt wat u in die ure gegeven wordt; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.”

Onze woorden zijn vaak zo stuntelig. We denken er een ander niet mee te kunnen troosten en helpen. Toch kunnen het woorden zijn, ingegeven door de Heilige Geest. Woorden, die in alle stunteligheid toch twee mensen elkaar naderbij brengen en samen dichter bij de Heer. Bemoedigende woorden, recht uit het hart, eenvoudig, hartelijk, welgemeend, warm…

Vaak heb je geen woorden. Je bent sprakeloos, zoals de dichter van Psalm 39 eens verzuchtte: “Ik was verstomd en ik deed mijn mond niet open.” Goed, laten we maar eens sprakeloos zijn. Beter niets te zeggen dan een woord teveel! Kom er maar gerust voor uit, dat je geen woorden hebt, geen antwoord op zoveel leed! Laat God maar spreken. Job deed dat, en de Psalmdichter beleed het even later: “Gij hebt mij de mond geopend!”

Gezegende Pinksteren!!

De Heer is waarlijk opgestaan

ik weet wel, dat ik niet ondankbaar mag zijn. Ik weet ook wel, dat -als ik kijk naar anderen- ik nog niet mag mopperen. Er zijn er zoveel, die er nog erger aan toe zijn dan ik. Maar toch…

Lukas 24 vers 34a

De boodschap van Pasen is als een bazuinstoot, een roep vol verrassing, een gevleugeld woord dat gaat van mond tot mond: De Heer is waarlijk opgestaan!

Dat mogen we ook in ons eigen leven ervaren, want dat stelt ons leven in een heel ander licht. Was het eerst nog somber, vol sikkeneurigheid, nu wordt het licht, vol blijdschap! Want als de Heer is opgestaan, betekent dat, dat ook wij zullen opstaan. Hij is de eerste van velen!

Leest u 1 Korintiërs maar eens en vooral hoofdstuk 15. Alles in ons leven verandert daarmee. Je weet nu waarheen je onderweg bent, waar je de kracht vandaan kunt halen om het in dit leven nog even vol te houden. Als er opstanding tot nieuw en eeuwig leven is, dan geeft mij dat moed in mijn lijden en uitzicht op de beantwoording van de vele vragen, die mij nog bezig houden. De cirkelgang van de dood, die absolute heerser, is doorbroken. Ook de cirkelgang van mijn gedachten.

– Waarom overkomt mij dat?
– Waaraan heb ik dit verdiend?
– Is dit nu rechtvaardig? Als er een God van liefde is… .
– Waarom maakt de almachtige God daar geen eind aan?

Alles cirkelt om die ene vraag: “Waarom?”

En dan weet ik wel, dat ik niet ondankbaar mag zijn. Ik weet ook wel, dat -als ik kijk naar anderen- ik nog niet mag mopperen. Er zijn er zoveel, die er nog erger aan toe zijn dan ik. Maar toch…  En dan weet ik ook, dat het in mijn leven nog zoveel erger had kunnen worden en dat gezondheid van het lichaam niet het enige dat telt. Maar toch… Ik zit er mee. Ik ben een getekend mens. Dit had ik nooit kunnen denken. De Heer is waarlijk opgestaan!

Gelukkig, met Hem is het toch nog goed afgelopen. Zo zag het er niet naar uit met die doornenkroon en Gethsemané en dat vreselijke kruis en die stikdonkere nacht die volgde… Met Jezus is het goed afgelopen: Hij is waarlijk opgestaan! Maar dat had een diepere bedoeling: opdat ’t ook met ons goed zou aflopen! “lk leef en gij zult leven” zegt Hij…

De Heer heeft met zijn lijden en zijn opstaan u en mij op ’t oog gehad. Zegt u nou niet: “och kom… geloof jij dat?” Ja, ik geloof dat heel zeker. Wuit u dat nou niet weg met: “maar dat kan toch niet!” In Jezus heeft God ons laten zien, dat Hij niet onze dood wil, maar dat wij leven!

“Jezus leven van mijn leven, Jezus dood van mijnen dood
die voor mij U hebt gegeven in de bangste zielenood,
opdat ik niet hoop’loos sterven, maar uw heerlijkheid zou erven,
duizend duizendmaal, o Heer, zij U daarvoor dank en eer!

Toen het begon te lichten

De dood werpt zijn schaduw vooruit, ook in ons eigen leven. Dat is de duisternis waarin we leven. Is daar enig licht? Ja, want het is Pasen!  Jezus is opgestaan en heeft de schaduw van de dood verdreven.

Mattheüs 28, 1
Tegen het aanbreken van de eerste dag, toen het begon te lichten…

Dat spreekt ons met Pasen wel aan: dat het Licht aanbreekt! We kunnen het best gebruiken in deze sombere tijden, in deze donkere wereld. Waar immers is nog licht te vinden? Je zou mogen verwachten: in de kerken, bij de gelovigen. Zij immers vieren Pasen: het feest van het Licht, van de nieuwe dag! Maar helaas: zij blijven maar al te vaak in het donker staan. In de vroegchristelijke kerk wisten ze nog wat Paaslicht was. Zij hebben het ook ervaren: de kracht van het Paaslicht. De eerste Gemeente was echt opstandings-Gemeente! Herboren mensen waren het, die eerste Christenen. Met een nieuw élan pakten ze de dingen aan. Ze lieten zien, dat zij van elkaar hielden en zorg voor elkaar hadden, er was plaats bij hen zelfs voor de allerarmsten… Wat een kracht had Pasen toen onder de mensen! Hongerigen kregen te eten, daklozen onderdak, zieken werden genezen, duivels uitgedreven, God werd lof toegebracht! Zelfs als het iemands leven moest kosten, zoals dat van Stefanus.

Toen het begon te lichten… Het was nog maar het begin. Het Paaslicht stond ook toen nog niet bij iedereen op de kandelaar. Maar er was een begin! Men zag uit naar het grote Pasen en nam er al vast een voorschot op. In dat begin mochten zij al iets van de volheid van het Paaslicht ervaren. Doen wij dat ook? Pasen is het feest van de hoop, dat het eens licht zal zijn over de hele wereld. Pasen is de voorbode van de nieuwe schepping, waarin ’t met de duisternis van mensen en machten gedaan zal zijn! Welk licht er dan zal schijnen? Welke duisternis verdreven? Een kort antwoord: de verschrikking van zonde en dood, want daar lijden we toch onder, allemaal. Angst voor de dood, het zit diep in ons. De dood is ook zo onoverkomelijk, zo onherroepelijk, zo absoluut. Je staat er helemaal alleen voor. Niemand kan je daarbij helpen. En ’t kan een heel pijnlijke gang zijn. Geen wonder, dat een mens daar bang voor is. En hoe zal het straks zijn, na de dood? Zal God daar op ons wachten? Als de Goede Vader? Als de strenge Rechter? De dood werpt zijn schaduw vooruit, ook in ons eigen leven. Dat is de duisternis waarin we leven. Is daar enig licht? Ja, want het is Pasen!  Jezus is opgestaan en heeft de schaduw van de dood verdreven. Doodsmensen worden door het licht des levens aangeraakt. Dat is het begin. Daarna volgt er dikwijls nog een hele weg. Sommige mensen zijn er een leven mee bezig, met die verandering van doodsmens in Paasmens. Waarom dat soms zo lang duurt? Waarom niet in een lichtflits, pats-boem?! Omdat de zonde in de mens o zo hardnekkig is. De duivel draagt niet voor niets zijn naam, want het griekse “diabolos” betekent “uiteengooier, dwarsligger”. Het is zijn steil om de mens voortdurend te verleiden “de duisternis liever te hebben dan het licht”. Daarom duurt het soms zo lang, eer de mens echt door het Paaslicht is aangedaan en paasmens is geworden.

Maar het begint te lichten… ook in uw leven?

De morgen is al aangebroken. En het zal lichten tot de volle dag toe. Want Jezus… Hij lééft! Halleluja!

Amen.

Verlos mij

Het is opmerkelijk van het Evangelie, dat niet alleen wij gewone mensen met het lijden geconfronteerd worden, maar ook Jezus: de Zoon van God!

“Vader, verlos Mij uit deze ure!”
Johannes 12, 27

Weer zijn we in de Lijdenstijd aangeland bij een vraag, die ons allen steeds weer bezig houdt: het lijden zelf, de vraag van het ‘waarom?’, het zoeken naar de zin ervan. Met veel dingen komen we tegenwoordig klaar, de wetenschap staat voor niets. Voor ‘niets’? En het lijden dan? En de dood? Ja, dat zijn problemen, waar zelfs de wetenschap nog vele vragen heeft en weinig oplossingen!

Nu is het opmerkelijke van het Evangelie, dat niet alleen wij gewone mensen met het lijden geconfronteerd worden, maar ook Jezus: de Zoon van God! “Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure!” Ook Jezus heeft er moeite mee, als de ‘ure’, dat is het lijdensuur, gaat komen. Hij is ontroerd, aangeslagen, uit zijn evenwicht, zoals wij dat ook van onszelf kennen, als het lijden in ons leven komt: verdriet, het ziekenhuis, een operatie, pijn, eenzaamheid, dood. Daar raak je goed van in de war. Je komt overhoop te liggen met je leven, jezelf, de mensen om je heen, de zekerheid van je bestaan. Wie ben je nog? Wat mag je nog verwachten van je leven, voor tijd en eeuwigheid? Het lijden brengt je van je stuk, van je voetstuk ook, waarop je je zo zeker waande…

Bij Jezus is het ’t heel bijzondere uur, waarvan Hij weet dat het komen móet, het uur van het lijden vóór de mensen: Gods beslissende uur! Hoe onbegrijpelijk ook, dat Gods uur voor Jezus een uur van lijden en dood moet zijn, Hij weet ervan en huivert er even voor terug, even maar, maar toch zo heel menselijk en zo heel intens. Het is alsof er in Zijn woord een angstkreet ligt: “Vader, verlos mij van deze ure!” We horen daarin iets van een geweldige schrik en benauwdheid, doodsangst overvalt Hem (de levende Heer en de Heer van het leven: “Ik ben de weg, de waarheid en het léven” … !)

Hier staat de Machtige, de Zoon des mensen en de Zoon van God, heel dicht bij ons. Wat een geweldige troost voor ons om dat te mogen weten. Wij staan met al deze droevige dingen niet alléén, Hij heeft ze ook gekend! Zelfs het lijden, het o zo menselijk, het vergankelijke van ons lichaam, de pijn van onze geest, de striemen in ons hart, het is Hem alles niet vreemd. ‘Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten…’ (gez. 34 oude bundel).

Het is o zo goed om dááraan te denken, om in de Lijdenstijd tot bezinning te komen, tot het ‘verzinken van je gedachten’. Niet dat dat ons lijden minder maakt of zelfs opheft, maar het wordt wel gemakkelijker om te dragen, als je weet dat Hij het ook droeg en jou daarin niet alleen laat!

We mogen weten, dat we in angst en verdriet en doodspijn niet alleen staan, want onze Heer is door diezelfde angst en pijn heengegaan, voor ons, als ’t ware in onze plaats.

Hij was ontroerd, aangeslagen, Hij huiverde… De verwarring is zelfs zogroot, dat Hij niet meer weet wàt te zeggen: “Nu is mijn ziel ontroerd, wat zal Ik zeggen?” Voor veel kun je nog woorden vinden, maar tegenover het lijden zelf, de diepste beproeving van de mens, de angst om zijn bestaan, de worsteling op leven en dood, dáár zijn geen woorden meer voor. Daar kun je maar ’t beste er het zwijgen toe doen… of roepen tot God, een angstige kreet: “waarom toch? Hoe moet ik verder?” Ook Jezus weet nauwelijks meer wat Hij zegt: “Vader, verlos mij uit deze ure!” Help mij toch, want uit mijzelf weet ik geen weg meer om verder te gaan! U moet mij helpen, Vader, verlos mij van de benauwdheid. “Hoor naar mijn stem en kermend smeken” (ps. 28). God is mijn hulp en toeverlaat, wie anders heb ik nog? Tot wie anders kan ik nog roepen in mijn nood?

Het wordt er uit geperst, één grote angstkreet ontsnapt aan het hart zo boordevol gevoelens, waar de mens geen raad mee weet. Gevoelens van angst en pijn, van vernedering ook en schande (wat word je niet aangedaan!), gevoelens van haat en rebellie, opstand en verzet. Het is de diepste nood van de mens, die zichzelf moet verliezen, die te gronde gaat, die zijn eigen ik, zijn zelfverzekerde bestaan, uit handen moet geven. De mens, die zichzelf bekennen moet: ik ben tekort geschoten, ik heb gefaald, het is alles zo anders gekomen dan ik gedacht had, mijn leven is tenslotte één grote puinhoop geworden. De ontluistering van het leven, de machteloosheid voor de dood. Wie wil daar aan? Niemand toch! Daarom: “Vader, verlos Mij uit deze ure!” Laat het toch niet waar zijn, laat het toch niet toe… komt tussenbeide… verjaag die angstaanjagende droom! Maar het is geen ‘droom’, het is beklemmende werkelijkheid. En de mens moet er doorheen, goedschiks of kwaadschiks. Maar dan gebeurt er iets, waaruit blijkt dat Jézus hier voor ons staat: de Lévende, die de dood niet houden kan, onze Redder en Heer. De meesten van ons mensen kunnen niet voorbij het lijden komen, het is als een ondoorkomelijke muur, een berg vol bedreigingen waar je niet overheen kunt komen. En wat doen we dan tenslotte? We leggen ons er maar bij neer, met de moed der wanhoop. Het is per slot van rekening een onoverkomelijk ‘1ot’, dat we dragen moeten. Heel fatalistisch leggen we ons er dan maar bij neer! Maar Jezus doet dat niet, Hij gaat vérder! Het is alsof in Zijn kreet om verlossing tegelijk al het licht van de uitredding doorbreekt! De zékerheid, dat God verlossing brengen zal, dat Hij Zelf die verlossing voor heel de wereld volbrengen zal. “Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomen; Vader, verheerlijk uw Naam!” Het lijkt alsof ook Jezus in zijn lot berust: “hiertoe ben Ik in dit uur gekomen”. Maar Hij zegt er direct iets anders bij: “Vader, verheerlijk uw Naam!” Vanuit het diepste punt van eigen angst kijkt Hij naar de Vader en ziet Hij de ‘gloria Deï: “Niet Ik, maar U moet de eer ontvangen!” Niet om mij gaat het, maar om U en úw Naam, dat is Uw héérlijkheid hier op aarde. Dat de Naam van God geheiligd, erkend en gerespecteerd wordt, en dat Gods heerlijkheid op aarde komt, dáár gaat het tenslotte om, in alle dingen, tot in het diepste en zwaarste lijden toe! Dat besefte Jezus als een flits in dat donkere moment, toen het lijdensuur zo dreigend op Hem af kwam. Opeens wist Hij het: Hij moest door het lijden héén om Gods Naam te verheerlijken, nee, ànders nog: IN Zijn lijden zal Gods Naam verheerlijkt worden, als Hij maar gehoorzaam is en Gods weg gaat.

Dat doet mij denken aan het schitterende boek van de Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross, getiteld ‘Lessen voor levenden’, waarin verslag wordt gedaan van gesprekken met stervenden. Mw. Kübler-Ross vertelt o.a. over een gesprek, dat zij had met een 50-jarige tandarts en zijn vrouw. De man had nog slechts kort te leven vanwege de ‘gevreesde ziekte’. Toen de vrouw gevraagd werd naar haar reactie op het slechte nieuws, zei zij: “Ik was werkelijk diep geschokt, want ik dacht dat het nu niet lang meer zou duren. Eén van de artsen had een termijn van 3 à 4 maanden genoemd.Het eerste wat ik gedaan heb was bidden. Tijdens de operatie heb ik gebeden, een erg egoïstisch gebed: dat het niet kwaadaardig zou zijn. Zo is de mens, je wilt dat het allemaal volgens je eigen wensen verloopt. “Vader, verlos ons van de ure!” Tot op het moment, dat ik het aan de wil van God heb overgelaten, heb ik niet de vrede gevonden, die ik zocht. De dag na de operatie was natuurlijk verschrikkelijk, evenals die lange nacht. Maar in die nacht heb ik werkelijk vrede gevonden, die me weer moed heeft gegeven. Ik las in de Bijbel en vond daar verschillende teksten, die me kracht hebben gegeven, vooral het woord uit Jesaja 58,9;: “Als gij dan roept, zal de Here antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: “Hier ben Ik”. Voor deze vrouw kwam er in het lijdensuur vrede, doordat zij zicht kreeg op de heerlijkheid van God, dat is Zijn machtige hulp, Zijn aanwezigheid. Dat Hij er bij is, is ons genoeg, Dat je ervaren mag heel gewoon: “Hier ben Ik”. Je bent niet alleen. Ik ga met je mee, Ik draag het mee. Zou het niet dat geweest zijn, dat ook onze Heer moed heeft gegeven? Waardoor Hij zeggen kon: “Vader, verheerlijk uw Naam!” Toen kwam er een stem uit de hemel: “Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!” En Jezus ging de donkere en tegelijk heerlijke lijdensnacht tegemoet. Alleen zó kan het bijna ondragelijke lijden zin hebben ook voor ons, omdat God er Zijn heerlijke Naam aan verbindt.

Amen.

Herodes en Pilatus bevriend

Is het niet opvallend, hoe alle dingen en mensen hebben samen-gespeeld om Jezus te vonnissen en ter dood te brengen?

En Herodes en Pilatus werden op dienzelfden dag met elkander bevriend.
Lukas 23, 12

Alleen Lukas vertelt ons die kleine episode in de lijdensgeschiedenis, waarin Jezus door Herodes werd verhoord. Een kleine episode, maar toch erg belangrijk, want het geeft ons een heel aparte kijk op de toedracht van Jezus’ rechtszaak.

Lukas vertelt ons, dat Jezus tijdens het verhoor onder Pilatus naar Herodes werd doorgezonden. Het bekende afschuifsysteem. Toen Pilatus hoorde, dat Jezus een Galileeër was, stuurde hij hem naar Herodes, die immers de viervorst van Galilea was. Herodes was toevallig ook in Jeruzalem, dat trof! Het op handen zijnde paasfeest bracht veel mensen en zeker ook hoogwaardigheidsbekleders samen in de heilige stad.

Herodes was de zoon van Herodes de grote, de kindermoordenaar van Bethlehem. Toen zijn vader gestorven was, werd hij viervorst van Galilea en Perea, het ‘Overjordaanse’. Ter onderscheiding van zijn vader wordt hij in de regel ‘Herodes Antipas’ genoemd. Net als zijn vader hield hij van pracht en praal, bevorderde hij de kunst en genoot van grote spelen en feestgelagen. Zo liet hij aan het meer van Galilea een prachtige hoofdstad bouwen: Tiberias, genoemd naar keizer Tiberius. Ook van hielenlikkerij was hij niet vreemd!

Herodes was een listig mens, daarom noemde Jezus hem een ‘vos’. Ook was hij ijdel en wreed, net als zijn vader. Hij had een overspelige verhouding met Herodias, de vrouw van zijn broer Philippus, die over Judea regeerde. U weet nog wel, hoe Johannes de Doper deze zonde aan de kaak stelde door naar Herodes toe te gaan en te zeggen: ‘gij moogt haar niet hebben!’ dat heeft hem toen zijn kop gekost: zijn hoofd werd op een zilveren schotel het feest binnengedragen. Tegenstanders werden ook toen al zonder pardon uit de weg geruimd.

Op zekere dag hoorde Herodes, dat er weer zo’n onheilsprofeet in Galilea was opgestaan. Misschien heeft de hoofdman van Kapernaum, wiens zoon door Jezus was genezen, hem wel over Jezus verteld… Er waren mensen, die in Jezus de weergekeerde Elia zagen en zelfs beweerden, dat Jezus wel eens de uit de dood opgewekte Johannes de Doper zou kunnen zijn, dat vond Herodes niet zo leuk; daar was hij eigenlijk een beetje bang voor! Hij zei: “Johannes heb ik doen onthoofden, maar wie is deze dan van wie ik dergelijke dingen hoor?” (Luk.9,9) Er was toch geen twijfel mogelijk, dat Johannes ter dood was gebracht, diens hoofd had hij zelf op die feestschotel gezien. Maar warempel, nu scheen het wel of alles weer van voren af aan ging beginnen!

Tenslotte kwam het zover, dat hij volgens Mattheüs 14,2 uitriep: “dat is Johannes de Doper; hij is opgewekt uit de doden en daarom werken die krachten in hem!” Om nu uit deze tweestrijd te komen wilde hij graag Jezus zelf eens ontmoeten. Maar voor het zover kwam schijnt Herodes nog een poging te hebben gedaan om Jezus met een list uit zijn gebied in galilea te verwijderen. Door geweld ging dat niet, want dat zou gemakkelijk aanleiding gegeven hebben tot opstootjes. Daarom maar een truc, hij was niet voor niets een ‘slimme vos’! Herodes nam de Farizeeën in de arm; daar kon hij het wel goed mee vinden. Zij moesten naar Jezus gaan en tegen hem zeggen, dat Herodes op hem loerde en dat-ie er verstandig aan deed om maar zo gauw mogelijk het land uit te gaan…

Zo gebeurde het ook. Zij kwamen bij Jezus met hun boodschap en welgemeend advies. Maar wat antwoordde Jezus hen? “Gaat en zegt die slimme vos: zie, ik werp boze geesten uit en volbreng genezingen… Doch ik moet heden en morgen en de daarop volgende dag reizen, want het gaat niet aan, dat een profeet zou omkomen buiten Jeruzalem” (Lukas 13,31-53). Wat zou de Heer daarmee bedoeld hebben?

Ik denk dit: ‘ik ben midden in mijn werk. Maar dat zal nog maar een paar dagen duren want mijn dood nadert. Doch de plaats waar ik werk en waar ik sterven zal, wordt niet door Herodes bepaald, maar alleen door God. Is de tijd van sterven gekomen, dan zal ik Galilea verlaten en naar Jeruzalem gaan, want Jeruzalem is de plaats, waar de profeten gedood worden.’

Hoe merkwaardig, dat juist daar, in Jeruzalem, de plaats die de profeten doodt, Herodes Jezus persoonlijk ontmoeten zou!! Is het niet opvallend, hoe alle dingen en mensen hebben samen-gespeeld om Jezus te vonnissen en ter dood te brengen? Niet alleen de schriftgeleerden en de farizeeën, maar ook een Pilatus en een Herodes? Het is alsof alle krachten van de hele wereld zich tegen Jezus samenbundelen…

Jezus wordt door Pilatus naar Herodes gestuurd. We weten, dat die twee een tijdlang met elkaar in vijandschap hebben geleefd. Ook dat vertelt Lukas ons. Pilatus schijnt eens tegenover Herodes in overtreding te zijn geweest. Het kwam er daarom voor Pilatus op aan zo gauw mogelijk weer bevriend te geraken met Herodes, voordat keizer Tiberius er zich mee ging bemoeien (bij wie Herodes nogal wat goodwill had!). No, het ‘geval Jezus’ kwam hiervoor goed van pas! Pilatus was dan mooi van die lastpost af en hij deed er tegelijkertijd Herodes een dienst mee! In dit geval was dus Pilatus eens de sluwe vos!

Onze tekst laat horen, hoe Pilatus bijzonder in zijn schik was, toen hij Jezus zag. Eindelijk mocht hij Hem dan ontmoeten, van wie hij al zo veel gehoord had en die misschien wel de opgestane Johannes de Doper was!

Zo werd ook Jezus de speelbal van die hardvochtige koning, door wiens toedoen zijn voorloper Johannes de Doper zo’n afschuwelijk einde gevonden had. Van deze man had hij beslist geen goeds te verwachten! Van een eigenlijk verhoor was dan ook geen sprake. Herodes zag in Jezus een soort wonderdoener, een stuk amusement.

Voortdurend zat hij te praten en ondervroeg hij Jezus, maar deze antwoordde hem met geen woord. De hogepriester Kajafas kreeg nog antwoord van Jezus, ook bij Pilatus heeft Jezus nog gesproken, maar voor Herodes zweeg hij als het graf. De stilte was te snijden. De over priesters en Farizeeën zagen dat ze op deze manier niet opschoten en zij overlaadden Jezus met beschuldigingen. Herodes redde zich er uit door de spot met Jezus te drijven. Wie niet horen wil, moet maar voelen, en zo heer, zo knecht… Tenslotte liet hij Jezus een prachtig wit kleed aantrekken, waarmee hij hem doorstuurde, terug naar Pilatus. Deze moest er -denk ik- smakelijk om lachen, en Herodes en Pilatus werden op diezelfde dag nog met elkaar bevriend!’. Waar Jezus’ lijden al niet goed voor was!!

Een kleine episode, ja,’maar het laat zien hoe het achter de schermen toeging. Bij Kajafas werd Jezus gehoond als de Messias. De Messias moest kunnen profeteren en daarom deed men een doek voor zijn ogen en schreeuwde hem toe ‘profeteer nu voor ons, Messias, wie is het die u geslagen heeft?’ Bij Pilatus werd Jezus bespot als een soort koning, misschien wel als kandidaat voor het keizerschap. De Romeinse soldaten deden hem een scharlakenrode officiersmantel aan, met een gespt op de rechterschouder… En hij kreeg net als de triomfatoren in Rome een krans op zijn hoofd, en zij gaven hem een rietstok bij wijze van commandostaf en zij vielen voor hem neer zoals de Romeinen voor de keizer knielden. Bij Herodes werd Jezus een wit koningskleed aangetrokken, de gangbare kleding van de joodse koningen.

Christus’ lijden en dood, allen hebben er aan mee gedaan! De joodse geestelijkheid, de joodse regering met de koning voorop, en de heidense overheid bij monde van Pilatus en de soldaten… Als koning, priester en profeet is de lijdende knecht des Heren. (Jes.53) De dood tegemoet gegaan, juist zoals het in de profeten over de Messias voorzegd was.

Jezus is het slachtoffer geworden van de zonden der gehele wereld, daar kunnen we niet om heen, joden en heidenen, mensen van vroeger en mensen van nu. De wereld immers is niet veranderd, en de mensen ook niet. Zij zijn nog net zo hoogmoedig en berekenend en slap als de geestelijke stand en de overheden uit Jezus’ tijd!

Maar juist daardoor, omdat iedereen er aan meedeed, zou Jezus ook in zijn opstanding voor iedereen tot een verzoening der zonden worden. Herodes heeft niet kunnen bevroeden, dat hij met recht verheugd kon zijn, toen hij Jezus zag… Wij, beste mensen, weten nu wel beter. Of niet soms? Wij moeten maar veel naar die lijdende Heer kijken en ons verheugen over Hem, want met Zijn Lijden had Hij ook ons op het oog: de verzoening van uw en mijn zonden!

Paradijs

De misdadiger naast Jezus vraagt niet direct om een plaats in Jezus’ Koninkrijk, alleen maar dat Jezus daar aan hem zou denken… dat zou voor hem al de grootste zaligheid betekenen!

“Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”
 Lukas 23, 43

Wij staan nu midden in de Lijdenstijd, ook wel vastentijd of veertigdagentijd genoemd. Wij gedenken het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus.
Naast Jezus zijn twee misdadigers gekruisigd.

“Een der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red U Zelf en ons! Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? En wij terecht, want wij ontvangen vergelding naar wat wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zeide: Jezus gedenk mijner, wanneer Gij in Uw Koninkrijk komt. En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.”

Gods Geest opent bij die ene misdadiger het hart voor Jezus, zodat hij tot geloof komt. In tegenstelling tot de man aan de andere kant, die alleen maar aan zijn eigen bevrijding denkt en ’t ondanks zijn benarde positie niet kan nalaten de spot met Jezus “de Gezalfde” te drijven.

Wat die mannen in hun leven hebben uitgehaald, dat weten we niet. In de traditie worden ze meestal met “moordenaars” aangeduid. Dat komt waarschijnlijk, omdat in dezelfde tekst bij Mattheüs en Markus in de Statenvertaling van “moordenaars” wordt gesproken. De Nieuwe Vertaling geeft “rovers”. Lukas spreekt in de oude vertaling van “kwaaddoeners” en in de Nieuwe Vertaling over “misdadigers”. In ieder geval zijn het mannen, die behoorlijk wat op hun kerfstok hebben. Die ene belijdt dat ook: “en wij terecht, want wij ontvangen vergelding naar wat wij gedaan hebben.” En hij belijdt direct daarop aansluitend ook zijn geloof in Jezus: “maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan”. Er staat letterlijk in het Grieks: “wat niet op zijn plaats is”. Bij de misdadiger is alles van zijn plaats gerukt, ’t was chaos bij hem, één grote puinhoop had hij van zijn leven gemaakt. Hij wist het: een verscheurd en verwoest leven, waarvoor hij straks God rekenschap moest geven. Maar bij Jezus is alles in orde, op z’n plaats. Die staat recht voor God, Die is onschuldig, heilig. Het is heel opvallend, dat juist een misdadiger tot dit geloof moest komen, waar zo veel anderen, van wie je het juist had verwacht, Jezus de rug toekeerden. Laten we er toch op bedacht zijn, dat het nog zo kan zijn. Uit het leven van mensen, die als “ongelovig” worden bestempeld, spreekt vaak meer geloof dan uit het leven van zogenaamde “gelovigen”. Geloof wel te verstaan als vertrouwen op de Heiland, zoals we dat hier bij de misdadiger zien.

Nu vraagt de man een gunst aan Jezus: “Heer, wanneer Gij in Uw Koninkrijk komt, gedenk mijner!” Deze man, die alles in zijn eigen leven en in dat van anderen van z’n plaats had gewerkt, vraagt niet direct om een plaats in Jezus’ Koninkrijk, alleen maar dat Hij daar aan hem zou denken. Als Jezus maar even aan hem zou denken… dat zou voor onze man al de grootste zaligheid betekenen!

Wat een geloof spreekt hieruit! En dit geloof wordt niet beschaamd. Hij vraagt iets voor de toekomst, hij krijgt alles in het heden: “Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn”.

De man begrijpt onmiddellijk, wat Jezus bedoelt. Het verloren Paradijs wordt voor hem geopend. De levenshof, die door de zonde van Adam en Eva was toegesloten, wordt heropend. Wat een heerlijke belofte! Zijn lijden is daarmee niet voorbij, hij moet er nog doorheen, maar hij houdt zijn ogen gericht op Jezus en op Gods tuin, die voor hem geopend zal worden. Dit zal hem verkwikt hebben in de zware doodsstrijd, die hem wachtte.

Nogmaals: wat een geloof! De Heer schenke in deze Lijdenstijd ook aan u en mij zo’n geloof!

En hij zeide: “Jezus, gedenk mijner, wanneer gij in Uw koninkrijk komt”.

Ik durf U niet te vragen een plaats in Uw Rijk,
Ik ben geen gezelschap voor eng’len en vromen.
Mijn ziel is zo zwart en ik leefde in het slijk.
Maar ‘k bid U, als Gij in Uw Rijk zijt gekomen,
Gedenk dan nog eens de gekruisigde boef,
Die naast U, vlak naast U aan ’t kruis was geslagen.
Gij weet het hoezeer ‘k Uw erbarmen behoef,
Daar ik deze foltering verdiend moet verdragen.
Ik durf U niet vragen een plaats aan Uw dis,
Maar wil slechts een kruimel van ’t brood voor mij breken,
‘k Verdien niet het brood, dat voor kinderen is.
Vergeef het mij, Heer, daarginds in Uw Rijk;
Het duister omvat mij; zo lang duurt dit sterven –

“Houd moed, want het leven is in uw bereik:
Nog heden zult gij ’t paradijs met mij erven”.

(uit een “Boom in de wind” van Nel Benschop)

Aanraken

De mens heeft er altijd behoefte aan gehad achter alles wat hem overkwam naar de oorzaken of de schuld te zoeken. Maar dat is niet altijd mogelijk…

“En Hij strekte de hand uit en raakte hem aan…”
Mattheüs 8,3

Een melaatse kwam tot Jezus, een getekend mens, vol met etterige zweren en littekens. Vingers en tenen zijn weggevreten. Alleen met zijn onafscheidelijke stok kan hij zich nog staande houden. Hij valt voor Jezus neer en zegt: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen? En Hij strekte de hand uit en raakte hem aan en zeide: Ik wil het, word rein. En terstond werd hij rein van zijn melaatsheid.

Een melaatse draagt een afschuwelijk lot. Hoe zou dat komen? De mens heeft er altijd behoefte aan gehad achter alles wat hem overkwam naar de oorzaken of de schuld te zoeken. Het lijkt ook logisch, dat er verband bestaat tussen oorzaken en gevolg, dus tussen iets in het leven van de mens en zijn ziekte of ongeluk. Zo zijn zegswijzen ontstaan als “het kwaad straft zichzelf’. Om nu het kwaad te kunnen bestrijden, dient men de oorzaak ervan te kennen. Maar dat is niet altijd mogelijk. Vaak is het een raadsel.

En dan ligt het voor de hand om naar God te wijzen! “God zal het kwaad wel gestuurd hebben om een mens te straffen of bij te sturen of te beproeven. God zal er wel Zijn bedoeling mee hebben.” Deze gedachte heeft dikwijls tot groot onrecht geleid: zieken zoals melaatsen werden uitgestoten, en soms zelfs werden hele kolonies uitgemoord; ze waren immers toch door God vervloekt! Nog hoor je wel eens de vraag: “Waar heb ik het aan verdiend?” Meestal gevolgd door een opsomming van dingen die men toch zo goed gedaan heeft in het leven: “Ik heb altijd iedereen het zijne gegeven, ik heb God geëerd en zoveel ik kon mijn medemens geholpen. Waarom pakt God mij nu, terwijl de grootste boeven vrij uit gaan…”

Vandaag weten we veel meer over ziekten dan vroeger. We weten bijvoorbeeld dat veel ziekten veroorzaakt worden door geheimzinnige bacteries, dat zijn minuscule één-cellige wezentjes die ook dienen om het leven in stand te houden. Wij zoeken dan ook nu het antwoord op ons “Waarom?” eerder in gebrek aan hygiëne of andere ongelukkige omstandigheden dan in Gods wil om de mens te straffen. Dat betekent een totale omwenteling in ons omgaan met zieken. Zij worden niet meer als “tweederangs-mensen”  beschouwd, maar veeleer als “de eersten”, omdat zij de hulp het meest nodig hebben. Wie heeft ons dat beter laten zien dan Jezus? Voor Hem is het oude verband tussen zonde en ziekte (lees Joh.9, 2 en 3), menselijke schuld en goddelijke wraak onmogelijk geworden, omdat Hij als de Zoon weet van de liefde van vader, Die niet wil dat één van Zijn mensen verloren gaat!

Daarom ook is er voor Jezus maar één manier om met onze melaatse om te gaan: Hij raakt hem aan! En dat was nu juist in de ogen van de mensen van toen hetgeen beslist verboden was! Melaatsen immers hoorden bij het uitschot van de samenleving, zij waren verdoemd door God en mensen. Je moest hen afzonderen, wèg! Maar voor Jezus waren ze niet “wèg”, integendeel: zij waren Hem heel nabij. Hij ging bij melaatsen op bezoek (Matth. 26,6 en Marc. 14,3). Hij raakte hen aan: de afstand smolt helemaal weg… Hij werd bijna één met hen (ís dat niet de betekenis van aanraking?). De God van Jezus is geen wrekende God, en de zieke mens is geen speciale ‘zondaar’, maar iemand die onder de ontferming van God staat en extra hulp nodig heeft.

De ‘armen’ en de ‘kinderkens’ worden ‘zalig’ geheten, de -niet in tel zijnde!- vrouwen dienen de Heiland, lammen, blinden en melaatsen worden met ere genoemd bij de openbaring van het goddelijke Evangelie: de blijde Boodschap was juist dat zij vrij waren, niet meer uitgestoten, maar in ere aangenomen.”Zelfs vindt de mus een huis, o Heer; en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen neerlegt; Uw altaren, o Here der Heerscharen!” Zo zong al heel vroeg de  Psalmdichter. De mus gaat vóór de zwaluw in Gods Koninkrijk. De hulpbehoevende mus krijgt een huis toegezegd, de fiere sterke zwaluw ‘slechts’ een nest. Wie het meeste behoeft, wordt het meeste geschonken! Jezus wil, dat wij daarop letten, en evenzo doen!

Denk aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: Jezus eindigt met de vraag: “wie is de naaste geweest van de man, die in handen der rovers is gevallen?” Het blikpunt ligt dus bij het slachtoffer, en niet  bij de helpers! Het slachtoffer, zijn nood bepaalt of ik ‘naaste’ wordt (als ik hem ga helpenl). Laten wij ons afvragen: van wie ben ik naaste? Wie heeft mijn hulp nodig? En dan niet weglopen, maar ‘aanraken’, zoals Jezus deed, de grote Barmhartige Samaritaan. ‘Wie hem barmhartigheid bewezen heeft’ moesten de Schriftgeleerden tenslotte erkennen in Luk. 10.

“Ga heen, doe gij evenzo!”

 

Afhankelijk en toch geborgen

De ene dag heb je nog alles en de andere dag is het alsof alles je wordt ontnomen. We blijven alleen met onze vragen:
Waarom overkomt mij dat?
Waar heb ik dat aan verdiend?
Hoe kan God dit toelaten?

De zeven zondagen voor Pasen worden in de kerkelijke traditie de Lijdenszondagen genoemd. We denken dan aan het lijden van de Heer en aan het lijden van mensen overal in de wereld. We kennen het verhaal van Job uit het Oude Testament. Sommigen van ons kennen dit verhaal uit hun eigen leven.

De ene dag heb je nog alles. De andere dag is het alsof alles je wordt ontnomen. We blijven alleen met onze vragen:

Waarom overkomt mij dat?
Waar heb ik dat aan verdiend?
Is dit rechtvaardig?
Hoe kan God dit toelaten?

En dan zijn daar die vrienden, zoals bij Job. Vrienden, die bij ons blijven -wat er ook gebeurt – die naast ons blijven zitten – zonder veel woorden – die ons de ruimte geven voor verdriet, voor woede en opstandigheid.

Maar ook zijn daar vrienden, die het niet langer kunnen uithouden. Vrienden, die zeggen: Hoe kun je zo ondankbaar zijn? Je hebt het toch altijd goed gehad? En je wordt nu toch ook goed verzorgd, niet waar? Of vrienden, die zeggen: Kijk eens naar anderen, die zijn er nog zoveel erger aan toe. Of: het had nog veel erger kunnen zijn, wees nu maar tevreden!

Lijden en verdriet maken ons zo afhankelijk. Lijden en verdriet kunnen ons ook sprakeloos maken, tot mensen zonder woorden. Zoals we de vorige keer gehoord hebben uit Psalm 39: “Ik was verstomd en deed mijn mond niet open.” En dan zien we uit naar mensen, die ons ruimte geven om ons verdriet te uiten, mensen die niet zoveel zeggen, die gewoon stil bij je zitten net als de vrienden van Job aanvankelijk… Mensen, die niet zeggen dat het erger had gekund, of dat we ons groot moeten houden; mensen, bij wie we zwak en kwetsbaar mogen zijn.

Zo’n mens is Jezus voor de mensen, die lijden. De Evangeliën staan er vol van: Jezus ziet de lijdende mens staan, loopt er niet aan voorbij… Hij Ziet die mens als een mens met een geheim, als een persoon met een naam, en niet als een “moeilijk geval”… Ook Zijn eigen lijden duwt Hij niet weg. Hij neemt het op Zich, het gaat iets voor Hem betekenen. Zo doet Hij ook met ons lijden: Hij zwakt het niet af, maar wel: Hij wil bij ons zijn, naast ons, en neemt ons lijden op Zich. In Zijn eigen lijden heeft de Heer zich ten diepste met ons verbonden. Hij is niet aan de kant gaan staan. Hij wilde niet van een hoogte toekijken naar onze martelgangen. Hij is kwetsbaar en open bij ons gaan staan, als één der onzen. Hij heeft Zichzelf niet willen redden, integendeel: Hij heeft Zichzelve gegeven in de diepste afhankelijkheid tot de dood toe… aan ons o zo afhankelijke diep gekwetste mensen.

Daardoor kan nu in ons de hoop groeien
– dat er geborgenheid is en redding in onze verlorenheid
– dat wij mensen eenmaal open zullen gaan en zullen zien en horen en verstaan
– dat wij niet alleen onze lijdensweg hoeven te gaan
Die hoop wordt telkens in ons bevestigd en kan dieper in ons groeien
door mensen om ons heen
– die ons blijvend de moeite waard vinden
– om naar ons te luisteren
– om bij ons te blijven
– om onze uitgestoken hand vast te houden
door mensen
– die aandacht voor ons hebben
– die ons nabij zijn als we”zwak” zijn,
weerloos, vertwijfeld en soms zelfs wanhopig
door mensen
– die ons bijstaan, wanneer we ons voelen als vogels in het net, als geboeide mensen, strompelend door het leven.

Het is de hoop van Gods kinderen, zoals Paulus die beschrijft in Romeinen 8, 18-30:
“Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden… Want in die hoop zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding…”

(Tekening van een jonge Lucy Kroes.)

Een nieuwe tijd

Daar wandelden zij nu in het Rijk van God, in het land van de Koning van het leven, en ze toonden zich geschrokken en beangstigd door de aanblik van de dood! Was dat nu hun geloof?

Lukas 7, 11-17 (13)
“En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet.”

Er trok een blijde stoet mensen uit de heuvels naar het stadje Naïn. De mensen zongen en hadden veldbloemen in de hand, waarmee ze zwaaiden. ln het midden van de stoet liep een jongeman, die de aandacht van allen vasthield. Ze keken naar Hem op, ze hingen aan Zijn lippen. Blijkbaar had Hij hen over iets moois verteld, want ze waren allemaal opgetogen. Het werd stil, toen Hij verder ging en zei, hoe dwaas de mensen toch zijn om zich altijd zorgen te maken en vaak voor niets, en hoe rijk en  eenvoudig het leven is van hen, die kinderlijk op God vertrouwen en die alles en elke dag opnieuw uit Gods hand aanvaarden, zonder zich zorgen te maken over de dag van morgen.

“Kijk toch, kijk toch eens naar die vogels, wat een kracht en wat een uitgelatenheid, wat een tempo, wat een kleur. Ach mensen, leer toch van die vogels daar hoven in de lucht – of kijk eens naar die bloemen daar, ze lijken zo onaanzienlijk, maar nee, ze doen het beter dan jullie mensen! De bloem maakt zich immers geen zorgen, hij heeft het niet druk met spinnen en zaaien, maar toch was zelfs koning Salomo in al zijn pracht niet zo mooi als dit gewone bloempje van het veld. Ach mensen, Ik zou wel willen, dat u allemaal net zo blij en onbezorgd waart als die vogels en die bloemen en ook als Ikzelf!
Waar blijft u toch met uw geloof? Geloof is vreugde van het hart. Voor wie gelooft staat toch eigenlijk nooit iets in de weg, neem dat nou van Mij aan.”

Toen Hij zweeg voelden alle mensen zich een beetje beschaamd, tegelijk ook waren ze blij en gelukkig, want  “de Meester” had gelijk. We moesten er veel meer aan denken dat God voor ons zorgt en dat Hij met ons Zijn weg gaat, zo dachten zij. Vredig keken zij voor zich uit en toen kwam de stadspoort in zicht.

Plotseling stond de blijde stoet tegenover een andere stoet. Daar heerste geen blijdschap, maar groot verdriet. De mensen huilden. Bleek als een dode lag in hun midden een jonge man op een draagbaar. Vier mannen in het zwart droegen de baar. En daar achter liepen een paar sjofel geklede mensen, diepbedroefd, zwijgend voort. Het leek wel een begrafenísstoet. Dat was het ook, want de jongen was werkelijk dood. Opeens is de blijdschap weg van de gezichten der mensen rondom Jezus. Hij was het immers die daar net nog zo over het mooie en onbezorgde leven gesproken had. Wat leek dat lang geleden. Nu is daar die vreselijke hardheid en donkerheid van het leven: een kind, dat moest sterven. De begrafenisstoet hield in en bleef stilstaan vlak voor Jezus en Zijn groep. Opeens hadden de mensen geen oog meer voor Jezus, alle aandacht ging uit naar die jongen en de huilende moeder. Jezus stond daar maar wat verloren bij, het deed Hem pijn te zien, hoe snel de mensen het leven en de brenger van het leven vergeten zijn, als zij geconfronteerd worden met de dood. Nieuwsgíerigheid en sensatie winnen het van geloofsvertrouwen…

Doodsangst blijkt altijd sterker te zijn dan lévensblijdschap. Daar wandelden zij nu in het Rijk van God, in het land van de Koning van het leven, en ze toonden zich geschrokken en beangstigd door de aanblik van de dood! Was dat nu hun geloof? Waren dàt de mensen, die zojuist de belofte hadden gehoord van Gods blijvende trouw en zorg, ook in de dood?

Tegelijk keek Hij naar die vrouw, de moeder die haar enige kind verloren had. Hij keek met andere ogen dan die van de omstaanders. Die straalden alleen maar nieuwsgierigheid, schrik en angst uit. Maar in Jezus’ ogen welden tranen op. Zijn hart schreeuwde en zuchte om het leed van die vrouw. En met ontferming over haar bewogen zei Hij tot de vrouw: “Huil maar niet.” Niet huilen, als de dood je kind heeft weggenomen? Je enig kind? Haar troost in haar ouderdom, haar houvast en steun… Nooit meer zouden de vogels voor haar zingen, nu haar hoop en zekerheid in enen waren vervlogen. Hoe kan een mens dan zeggen: ‘Huil maar niet.’ Dat moeten mensen ook maar niet doen. Alleen de Zoon des mensen is dan echt, want Hij weet waar Hij over spreekt. Hij kent het visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, wanneer God de tranen van de ogen der mensen zal afwissen en wanneer er geen verdriet en dood meer zal zijn.

En daar stond Jezus vlak voor de haar, er trilde iets om Zijn mondhoeken en er kwam een vochtige glans in Zijn zachte ogen, en Hij raakte de baar aan… de Lévende ontmoet de macht van de dood… “Jongen. Ik zeg je: sta op!” En de dode ging overeind zitten en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.

De nieuwe tijd was aangebroken, de nieuwe aeon, tijd van Gods welbehagen, in het leven van de jongen en van de moeder en van alle omstaanders, die beleden: God heeft naar Zijn volk omgezien!

Zou het bij u en bij mij anders zijn? Nee toch zeker?!

Lof zij de Heer
die uw bevende vrees zal beschamen!
Noem Hem uw Vader,
de kroon van Zijn heerlijke namen.
Dwars door de dood
neemt Hij u op in Zijn schoot.
Loof Hem in eeuwigheid!
Amen

Zoekt de Here en leeft

Van ons wordt gevraagd alleen op het kompas van de Heer te gaan varen. Je moet je zelf in de waagschaal stellen en uit handen geven. “Zoekt de Heer, leeft!”

Amos 5, 6

Doopdienst.

Vanmorgen willen we het Doopevangelie horen uit de oude prediking van de profeet Amos. Hij geeft daarin precies aan, denk ik, waar het bij de Doop op aan komt. Het gaat om het nieuwe leven. De nieuwe mens moet opstaan en de oude mens zeggen we vaarwel. Het was nodig, dat de mensen toen dat hoorden en het is nog nodig dat de mensen vandaag het horen. Want er is wel wat mis met die mensen! In de tijd van Amos waren ze nogal met zichzelf ingenomen. Ze dachten, dat ze ’t helemaal gemaakt hadden. We hebben toch een God en schitterende heiligdommen in Bethel en Gilgal en Beërseba? En niet te vergeten: de prachtige tempel in Jeruzalem! We offeren toch iedere dag en zingen daarbij onze mooie liederen tot eer van God? Wat wil je nog meer? Wat zou God nog meer willen?

God wil meer. Hij zegt: Zoekt Mij en leeft! Blijkbaar is al dat godsdienstige gedoe van de Israëlieten niet genoeg om echt te leven, om echt bij God te zijn. Want dat is duidelijk: leven is “bij God zijn”. Je leeft dan pas echt, als je bij God bent. “Zoekt de Here en lééft!” Het zoeken van de Here is het leven al zelf. Anders gaat het niet. Je kunt God niet buiten beschouwing laten in je leven. Deden ze dat dan, de Israëlieten? Ze gingen toch trouw naar de “kerk”. Ze bezochten de heiligdommen in Bethel, Gilgal en Beërseba. Ze herinnerden zich de geweldige geschiedenis van God en Zijn volk. In Bethel heeft Abraham het eerste altaar gebouwd in het van God geschonken land. In Beërseba bouwde Abraham opnieuw een altaar, omdat de Here hem daar verschenen was. En in Gilgal is het volk Israël het beloofde land binnen gekomen, nadat het Jericho had verslagen. Jozua heeft daar toen de man Gods ontmoet en een altaar gebouwd. Dus zijn het plaatsen met een oeroude traditie. Toch ziet Amos in die oude heiligdommen niet de plaats waar God echt gezocht en gevonden wordt. Daar is niet God te vinden, te midden van al het gedoe van offers, liederen en feesten. Nee, daar zijn vreemde goden. God spuugt er op en zegt: “Ik veracht uw feesten en kan uw samenkomsten niet luchten. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven en gerechtigheid als een immer vloeiende beek”. Wat nou? Is het dan niet goed om naar de “kerk” te gaan. Je kind te laten dopen, mooie psalmen en gezangen en praise-liederen te zingen? Ja, als het te maken heeft met “leven voor God”, “Hem zoeken en niet je zelf”, “het recht als water laten golven en gerechtigheid als een vloeiende beek”. En daaraan mankeerde het in Israël en ook bij ons. Israël was trots op zijn heiligdommen, een nationale trots, zoals wij ook trots zijn op onze oude kerken. En zij dachten: als wij de godsdienst daar maar goed in ere houden, dan komt het voor mekaar, dan komen we beslist in de hemel! Maar de eer, die zij gaven aan hun heiligdommen gold meer henzelf dan God. Herkent u deze melodie? Fascadegeloof wordt dit wel eens genoemd. “Kijk toch eens, hoe goed ik ben en wat ik allemaal doe!” Maar ondertussen kunnen de armen stikken en de noodlijdenden van ellende omkomen.

In de volgende verzen, vanaf vers 14, zegt de profeet hetzelfde: “Zoekt het goede en niet het kwade, opdat gij leeft en aldus de Here, de God der heerscharen, met u zij. Haat het kwade en hebt het goede lief, en houdt het recht hoog in de poort”. Ja, God is wel te zoeken, maar niet zoals het volk het doet en daar waar het volk Hem zoekt. Want over alle menselijke trots staat nog steeds Gods oordeel. Het zoeken van God mag niet vastzitten aan gebouwen en traditionele plaatsen, allemaal mensenwerk. De God, Die wij moeten zoeken, is de vrije God, de God Die Zich onttrekt aan het menselijke ingrijpen, de God Die leven schept uit het niets. Hanna zei het eens in haar loflied zo: “de God, Die doodt en doet herleven. Die naar het dodenrijk doet neerdalen en daaruit doet opkomen” (1 Samuël 2). Of zoals Paulus het verwoordde in Romeinen 4 vers 17: “Doe de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept”. Het is de God, Die Israël verkiest zonder enig andere voorwaarde dan alleen Zijn eigen liefde. Het is de Vader van Jezus Christus, Wiens kruis het oordeel is over alle menselijke vormen van religiositeit en vroomheid en wettelijkheid en Wiens opstanding het bewijs is van goddelijke macht. Het is deze God, Die we moeten zoeken, omdat Hij ons liefheeft en omdat wij zonder Hem niet kunnen leven. Ons leven wordt deze zoektocht! “Zoekt de Here en leeft!” De woorden staan in de gebiedende wijs: “Zoekt” en “leeft”. Leven is er alleen in het zoeken van de Heer, in de erkenning van Zijn heerschappij ook over je eigen leven, in navolging van Jezus Christus. Al het andere is dood, nietigheid, ijdelheid en het najagen van wind, zoals de Prediker het noemt. Het is in het beste geval slechts vegeteren, ook al lijkt het allemaal zo mooi, met die feestmaaltijden in Bethel en Gilgal en Beërseba. Wij hoeven wat dat betreft geen enkele hoop te koesteren. Gilgal voert onherroepelijk tot de galg, Bethel (huis van God) wordt tot Bet-awen (huis van teleurstelling, van nietigheid). Wie zich daarop verlaat, is verlaten. Wie hier leven zoekt, zal onherroepelijk de dood vinden. En dat is vandaag niet anders in onze kerken, met onze zogenaamde zekerheden, onze dogma’s en tradities, onze wetten en geboden. God zoeken wil in het woord van Amos zeggen, dat je niet langer je eigen theologische, confessionele, nationale en historische rechten behouden wilt. Deze bieden geen uitweg, alleen maar “de dood in de pot”. “Wie zijn leven liefheeft, die zal het verliezen” zegt de Heer in Johannes 12 vers 25.

Van ons wordt gevraagd alleen op het kompas van de Heer te gaan varen. Je moet je zelf in de waagschaal stellen en uit handen geven. “Zoekt de Heer, leeft!” Dat wordt vandaag ook het devies voor de dopelinge en haar ouders, voor ons allemaal!

De Doop wil ons vanmorgen betuigen, dat het waar is, wat Amos tot ons zegt. Want wie echt de Heer zoekt en Hem volgt in leven en sterven, die zal het ervaren, dat hij ook echt leven mag. De Doop wijst ons immers op Hem, die dood was en zie: Hij leeft! In de Doop reikt Hij ons Zijn leven aan. Gelukkig hoeven we niet meer te zoeken in Gilgal, Bethel en Beërseba, in Roomse of Protestantse kerken, Lutherse of Calvinistische dogma’s. Hij laat Zich vinden in Zijn Woord, in het teken van Zijn overgave aan het kruis voor verloren mensenkinderen: de Heilige Doop. Zoekt de Here, waar Hij Zich laat vinden: in de Doop. Daar is Hij helemaal, met al Zijn liefde en zorg voor ons, en met Zijn Zelfverloochening. “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft…” In die Doop is God ook op zoek naar ons, hij buigt zich voorover naar ons neer. En wie zijn wij dan wel? Zondige mensen! Daarom: grijpt Hem vast, u allemaal! Voor u geldt de belofte en voor uw kinderen: “Zoekt en gij zult vinden!” We hoeven vanmorgen niet ver te zoeken, want de Heer laat Zich vinden, Zijn hart staat helemaal voor ons open, in de Doop. Wij mogen het Doopskleed dragen, dat is het nieuwe leven zelf. Luther zei eens: wat er ook met gebeuren zal, het deert me niet, want ik ben gedoopt, ik wandel in het kleed dat Hij mij gaf, het kleed van Zijn vergeving en verzoening. Het Doopskleed. Ook uw kleine wandelt straks in dat kleed. “Zoekt de Here en leeft!”

Wie Jezus’ kelk wil drinken
Zijn doop wil ondergaan,
Zal in de dood verzinken
En uit die dood opstaan.

Hij zal Zijn leven geven,
Hij maakt Zichzelf tot brood –
Hij sterft en anderen leven,
Hij overleeft de dood.

Gez.347, 7 en 8

Amen.

Volg Mij

Het is niet leuk, wanneer anderen je links laten liggen. Jezus zegt heel eenvoudig: waar maken jullie je druk om? Wie niet tegen je is, is vóór je!

Lukas 9, 59a

Het lijkt zo gemakkelijk de woorden van Jezus te gehoorzamen: “Volg Mij”. Het zijn twee simpele woorden, die we vaak genoeg horen. Maar als Jezus die woorden spreekt, is het toch niet zo gemakkelijk om daar gehoor aan te geven. Want als voorwaarde voor het volgen van Hem heeft Hij het offer gesteld. Als je Jezus wil volgen, dan moet je rekenen met risico’s, die je gaat lopen. Het gaat je heel wat kosten, in tijd, in geld, in lichamelijke en geestelijke inspanning. Zonder offers te brengen kun je Jezus niet volgen. Jezus Zelf heeft het in het Mattheüs evangelie zó gezegd: “Wie achter Mij wil komen verloochene zichzelf, neme dagelijks zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar een ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden.”

Het volgen van Jezus is dus blijkbaar een levenskwestie, waarbij het offer en het zich zelf verloochenen centraal staat. Misschien denkt u: ja maar, dat is toch in elke godsdienst zo? Niets bijzonders, alle godsdiensten kennen offers. Ook het Jodendom had ze. Ja, dat is zo, maar daar gaat het toch niet om. Jezus bedoelt niet, dat je offers brengt, zoals een lammetje of een duif, maar dat je jezelf offert. En dat is toch wel iets heel anders! Het offer van jezelf, zoals Jezus dat ook zelf heeft volbracht, dat vraagt Hij van ons. In plaats van het altaar en de tempel is voor ons het kruis gekomen. Je leven behouden door het te verliezen! Geen gemakkelijke weg! Je wilt nu een keer als mens niet graag iets verliezen, laat staan je zelf! Ook Jezus’ volgelingen hadden daar moeite mee, geloof maar gerust. In onze Schriftlezing uit Lukas 9 komen we verschillende figuren tegen, ieder met hun eigen reactie. De Bijbel laat ons daarmee zien, wat het volgen van Jezus te weeg brengt in ons leven. We zouden die mensen in 4 groepen kunnen verdelen: de opscheppers, de onverdraagzamen, de wraakzuchtigen en de besluitelozen.

Eerst de onverdraagzamen. Onder de discipelen kwam de vraag op, wie van hen de beste was. Een echt menselijke vraag. Jezus weet, dat we allemaal meer willen zijn dan een ander, en daarom neemt Hij een kind en plaatst het naast Zich en zegt: “Een ieder, die dit kind ontvangt in Mijn naam, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Wat wie onder u allen de minste is, die is groot.” Een raak antwoord! Wie zich niet schaamt heel klein te zijn, die is groot. Al het kleine moet ons ter harte gaan. Al het zwakke, het noodlijdende, waar de wereld vol van is, daar moeten we aandacht voor hebben! Dat is al het eerste offer, wat we moeten brengen. Al dat kleine in de wereld vraagt Jezus ons op te nemen in ons leven, in ons meeleven, in ons hart, in onze gebeden, en wie dit doet, ontvangt Jezus Zelf. Dit doet me denken aan een schilderij, waarover ik eens gelezen heb. Daarop stonden verschillende personen afgebeeld, je zou kunnen zeggen: het uitschot van de wereld. Ik zag een blinde, iemand in lompen, iemand op krukken, bedekt met wonden, verschillende boeventronies. Maar te midden van die figuren kun je opeens de vage omtrekken ontdekken van een andere figuur, met wonderlijk zachte trekken in zijn gezicht en met een kruis op zijn rug, Jezus Christus, Die Zich te midden van de nood in de wereld ophoudt. Als we Hem volgen willen, zullen we ook daar moeten gaan staan: midden in de nood van de wereld. Dan zal het ons niet kunnen schelen of we klein zijn of groot.

Maar Johannes is met dit antwoord van Jezus niet tevreden. Hij zegt: “Wij hebben iemand in Uw Naam boze geesten zien uitdrijven en wij wilden het hem beletten, omdat hij niet met ons U volgt.” En Jezus zei tot hem: “Belet het niet, want wie niet tegen u is, is vóór u.” Een echt menselijke situatie. We zien het overal om ons heen: in de politiek, in de kerk en in ons persoonlijke leven. Het is plezierig als een soort voortrekker te fungeren, zodat anderen je gaan volgen. En het is niet leuk, wanneer anderen je links laten liggen. Jezus zegt heel eenvoudig: waar maken jullie je druk om? Wie niet tegen je is, is vóór je! Wat is er tegen dit woord van Jezus vaak gezondigd! Ook in de kerken. Het gaat altijd maar weer om vóór en tegen. Hoeveel kerkscheuringen zijn daaruit niet ontstaan? In de politiek is het al niet anders. Dagelijks worden we daarmee geconfronteerd. Wat is het toch moeilijk om die vóórs en tegens nou eens te vergeten en verdraagzaam met elkaar om te gaan!

Naast de opscheppers en onverdraagzamen staan in ons tekstwoord de wraakzuchtigen. Jezus gaat op weg naar Jeruzalem en onderweg komt Hij in een Samaritaans dorp. Hij stuurt mensen vooruit om voor Hem al vast onderdak te bespreken. Maar de Samaritanen nemen Hem niet op, omdat zij hoorden dat Hij op weg was naar Jeruzalem. En dat viel verkeerd, want de Samaritanen lagen overhoop met de Joden. Nee, met Jeruzalem moesten ze niets hebben! Jezus moest Zelf maar zorgen, hoe Hij daar kwam! Jakobus en Johannes waren woest. Was me dat een manier om hun Meester te behandelen? Dat pikten ze niet! Zij zeggen tegen Jezus: “Heer, wilt U dat we zeggen, dat vuur van de hemel zal neerdalen om hen te verteren?” Waarschijnlijk hebben ze daarbij gedacht aan de profeet Elia, die zo de Baälpriesters had vernietigd. Ze zien het al voor zich: die smerige Samaritanen te midden van het vuur. Natuurlijk, ze doen het voor de Heer, ze willen de belediging aan Zijn adres goedmaken. Maar toch… Jezus had ze wel door en daarom bestraft Hij hen, alle goede bedoelingen ten spijt. Hoe kon Hij ook anders? Hij, Die onderweg was naar Jeruzalem om daar het kruis op Zich te nemen en voor de zonden van heel de wereld te gaan boeten. Nee, het zou niet goed zijn de Samaritanen hun eigen straf te laten dragen, al zou het ook hun verdiende loon geweest zijn.

Wraakzucht, onder het mom van schone schijn, het is goed om daar ook bij je zelf eens op te letten! Met schijn alleen kom je er niet, zeker niet bij Jezus. Hem volgen betekent om met Paulus te spreken: “Laat niet het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede!” En dat goede is: de liefde.

Dan trekt Jezus naar een ander dorp en onderweg komt Hij weer andere mensen tegen. Een van hen herkent Jezus en zegt: “Ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat.” Maar Jezus zegt tot hem: “De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen.” Hier zegt Jezus ook tot ons, hoe moeilijk het is Hem te volgen. Het kost je de rust en je plaats, je hebt geen echt thuis meer, je blijft voortdurend onderweg, altijd bezig, zorgend, vol strijd ook met anderen en met je zelf, tweestrijd  Je bent een avonturier, een zwerver, zoals Abraham was en Mozes en Jezus Zelf en Paulus en Luther en al die andere volgelingen van de Heer. Zouden we zo’n mens kunnen en willen worden?  Dat is heel bedenkelijk. De meeste mensen houden van gemak en rust en hebben een hekel aan moeilijkheden. Hadden we maar een vonkje van dat Heilige Vuur, dat in Jezus is! Werden we maar eens enthousiast zoals Hij. Kwamen we met z’n allen maar eens in beweging! Wat zou er dan een andere wereld ontstaan! Dan zou het niet meer uitmaken, of je een klein holletje hebt of een grote villa. De hele wereld staat immers dan voor je open, ja hemel en aarde, want dan ben je een kind van God.

Jezus trekt verder, komt iemand tegen en zegt tot hem: “volg mij”. Maar die man is wel een beetje beduusd en antwoordt: “Sta me toe eerst mijn vader te begraven”. Maar Jezus vindt dit niet goed. Hij zegt: “Laat de doden hun doden begraven, maar ga heen en verkondig het Evangelie van God.” Een dergelijke discussie ontstaat ook verderop, bij de derde ontmoeting, op reis naar Jeruzalem. De persoon in kwestie wil eerst afscheid nemen van zijn familie. Maar dan zegt Jezus tot hem: “Niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar dat wat achter hem ligt is geschikt voor het Koninkrijk van God.” Deze laatste twee mensen willen Jezus wel volgen, maar zij stellen eerst hun voorwaarden. Dat is hun grote fout. Jezus vraagt absolute gehoorzaamheid en volgzaamheid zonder enig voorbehoud. Misschien dachten die mensen daarmee wel slim gehandeld te hebben. Ze hielden daarmee immers nog een slag om de arm, ze konden nog even hun eigen hang gaan. Laten we bij ons zelf nagaan, hoe vaak wij ons ook aan zulke praktijken schuldig maken. Mensen zijn in dat opzicht erg geraffineerd. Komt er iemand met een collecte, wordt gauw gezegd: wat jammer, we hebben al gegeven, of: ik heb al overgemaakt. Maar Jezus heeft onze smoesjes door! Als Hij zegt: “Volg Mij!”, dan hebben we maar te volgen! Niet: eerst dit en dan dat… Maar: direct en van harte! Stelt u zich eens voor, dat de Heer dat ook bij Zich Zelf gedacht had, toen Hij voor ons de dood in moest? Stel je voor, dat Hij zo over ons zou denken: “Och, laat ze maar, laat ze maar in eigen sop omkomen…” Stel je eens voor, wat een ramp zou dat betekenen. Denkt u ook niet, dat het Jezus veel moeite en pijn gekost heeft, toen Hij Zijn goddelijke opdracht moest vervullen? Hij moest van Zijn familie weg en werd een zwerver, een profeet, in eigen stad niet geëerd, verguisd, en door Zijn familie niet begrepen. Begrijpt u, wat dat voor Hem betekend moet hebben? Maar Jezus wist, dat hij het moest doen om zo de goddelijke opdracht te vervullen. Hij wist dat het Gods wil was, en daarom keek Hij niet achterom. Hij hield geen rekening met Zijn familie en andere mensen. Hij keek alleen maar vooruit, naar het doel, waarheen God Hem riep.

Kijk, zo moet het ook met ons zijn. In dit opzicht is er geen verschil tussen Jezus en ons. Als God roept hebben we maar te gehoorzamen en te volgen, zonder omkijken. Het verleden is dan afgedaan. Als we toch omkijken en om ons heen kijken, dan zijn we niet geschikt voor het Koninkrijk van God. Zo zegt Jezus het. Dan gaat onze “ploeg” scheve sporen trekken. Dan vergaat het ons net als die buschauffeur in Zwitserland, die zich liet afleiden en met bus en al in een ravijn stortte. De chauffeur droeg verantwoordelijkheid voor de inzittenden. Zo zijn ook wij verantwoordelijk voor een groep mensen om ons heen, je gezin en familie, vrienden en collega’s. Blijf daarom staan op je post en versaag niet! En als Jezus bij geval bij jou voorbijkomt, volg Hem dan, in dankbaarheid, niet omdat je meer bent dan een ander, maar omdat Hij meer is dan wij: de Heiland, wiens vrede alle verstand te boven gaat.

Amen.

Kerkhervorming

Veel Christenen verkeren nog in dezelfde duisternis van vóór de Reformatie, net zo verkramp, net zo steriel, net zo bevangen in eigen onmacht of -wat nog erger is- in de valse zekerheid dat je de hemel al bereikt hebt.

“Wie zal ons het goede doen zien? Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Verootmoediging en schuldbelijdenis
(gebed van Huub Oosterhuis)

Hoe zouden wij zijn, Heer God,
Als Gij ons niet gemaakt had.
Gij hebt ons gezien,
Gij hebt ons aanvaard en bemind –
Toen hebben wij tegen U gezondigd
Gasteren en vandaag.
Uit de diepten roepen wij U, Vader,
Want onuitwisbaar is Uw Naam in ons
En onvergetelijk de herinnering aan Uw liefde.
Rechteloos keren wij tot U terug,
Zogenaamde Protestantse Christenen,
Die vandaag de Hervorming herdenken,
Kom ons tegemoet met open armen,
Want Gij alleen kunt ons werkelijk hervormen,
Omdat Gij onze Vader zijt,
Toen, bijna 500 jaar geleden,
En vandaag, dit uur,
En tot in eeuwigheid.

Genadeverkondiging
(als gebed)

Gij ontkent en verkleint onze zonden niet,
Gij vergeeft ons, Here God,
En dat is Uw waarheid,
Zo doet Gij ons recht.
Wij kunnen weer verder, met onze schuld,
Omdat Gij ons niet hebt veroordeeld.
Wij durven weer opnieuw beginnen,
Omdat Gij ons aanvaardt zoals wij zijn,
Gebroken mensen, gebroken kerken, een gebroken Gemeente.
Wij danken U voor deze nieuwe levenskans.
Wij bidden U: geef ons de kracht
Om niet meer te zondigen
En U te zoeken,
O God van ons heil. Amen.

Vandaag op Hervormingsdag hebben we misschien een ietwat merkwaardige tekst genomen: een vers uit Psalm 4, nota bene het “Avondlied”! Staat het er dan zo slecht voor met onze Kerk dat we al een avondzang moeten gaan zingen?

En de tekst zelf: “Wie zal ons het goede doen zien?” Heeft Maarten Luther dat dan al niet gedaan toen hij in 1518 zijn geloofspunten op de kerkdeuren van de slotkerk in Wittenberg sloeg? En Calvijn, met zijn institutie? En al die andere bezielde reformatoren? “Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Ja wel, dat is heel goed, maar heeft God dat dan al niet gedaan, toen Hij Jezus zond om voor ons Zijn leven te geven?

Wij zouden voor ons gevoel, vandaag op Hervormingsdag, meer aan de andere Schriftlezingen hebben: Romeinen 1, vers16 en 17 en Mattheüs 9. De Romeinentekst spreekt van ons geloof: “Want ik schaam mij het Evangelie niet, want het is een kracht van God tot behoud van een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (voor ons allemaal), want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven!” Uit geloof alleen! Sola fide, sola gratia, sola Scriptura, coram Deï. Tot eer van God! Dat is nog eens een tekst!

Maar ook onze Evangelielezing, waarin verteld wordt dat Jezus zo maar een verlamde man genas, en al die mensen die er bij waren. Zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan mensen (en in ’t bijzonder aan die ene mens Jezus!) gegeven had. Drommen mensen hadden dat gezien, in ’t Grieks staat er “ochloi”, dat betekent massa’s. Allemaal nieuwsgierige mensen! Wij zouden er ook graag bijgestaan hebben. Om te ervaren hoe groot de macht van het geloof is, het vertrouwen op God, die zonden vergeeft en mensen geneest, zoals Jezus dat hier laat zien. Ook een geweldige tekst vandaag op Hervormingsdag!

Rechtvaardiging door geloof alleen, Romeinen 1, en de kracht van het geloof in Mattheüs 9. Dat is het toch: de grondslag van de Hervorming. Daar hebben we nu al bijna vijf eeuwen uit geleefd. Daar zijn onze voorvaderen voor gestorven. Zij werden verdreven uit hun land, ter wille van dat geloof. En toch gaan we daar niet over preken. Ik mag toch veronderstellen, dat u dat al vanaf uw geboorte bekend is gemaakt. Daarom heb ik een andere insteek gezocht, en gevonden: Psalm 4 vers 7 “Wie zal ons het goede doen zien? Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Wij hebben licht van God nodig, anders leven we in de duisternis. Het was Luther ook overkomen. In de kloostercel, in de kerk van toen, was het zo donker! Hoe kom ik aan Licht van God, moet Luther gedacht hebben? Toen was ’t er opeens, toen hij las in de Romeinenbrief. Hij kon met geen mogelijkheid een God vinden, Die hem genadig was. Daardoor drukte hem de last van zijn zonden zwaar. Wat hij ook deed, hij kwam er niet van af. Hij heeft zich zelfs daarvoor gemarteld met zweepslagen, maar het hielp allemaal niet. Hoe krijg ik een genadige God? Wat kan een mens daarover tobben! Maar opeens was die God daar, toen hij in de Romeinenbrief geconfronteerd werd met Gods rechtvaardiging door het geloof alleen. Wat een bevrijding was dat voor Luther! Weg met al die druk van je eigen onrecht, je zonden, de gewetensnood, van die onbereikbare God! Hij komt immers met Zijn macht in jouw onmacht (machteloosheid), met Zijn vergeving in jouw gewetensnood, met Zijn Heilige Geest in al wat van jouw kant onbereikbaar leek. Bevrijding, opluchting, was dat niet het kernwoord van heel Luthers beleving?

Maar wat heeft het uitgewerkt, in de loop der eeuwen? Dat vragen we ons vandaag af. Hoeveel Christenen zijn er nog, die zich werkelijk bevrijd voelen? Velen verkeren nog in dezelfde duisternis van vóór de Reformatie, net zo verkramp, net zo steriel, net zo bevangen in eigen onmacht of – wat nog erger is- in de valse zekerheid dat je de hemel al bereikt hebt. Niet alleen Protestanten in alle gradaties, maar ook Rooms-katholieken. Het is ook hierom, dat ik naar een andere insteek heb gezocht, een ander getuigenis van Gods bevrijdende macht in het leven van mensen en volken Het is Psalm 4 geworden, ten onrechte vanwege het “inslapen” in het laatste vers een “avondlied” genoemd en zo na Psalm 3, het “ochtendlied”, in het Psalmboek terecht gekomen. Maar het is zeker geen avondzang, het is een lied voor de hele dag, van de ochtend tot de avond. Een geloofsgetuigenis, dat je de hele dag op de been moet houden.

De achtergrond van deze Psalm moeten we zoeken in de gebeurtenissen rondom David en Absalom. Absalom, de zoon van David, had een samenzwering tegen zijn vader op touw gezet. U kunt dit nalezen in 2 Samuël 15. David zien we hier in de eerste verzen van Psalm 4 als de bedreigde koning, die alleen nog maar zijn God over heeft en gelukkig ook nog zijn Godsvertrouwen. Hij weet, dat die God hem vanuit zijn benauwdheid opnieuw in de ruimte zal zetten. “Als ik roep, antwoord mij, o God van mijn gerechtigheid, Die mij ruimte maakt in benauwdheid; wees mij genadig en hoor mijn gebed”. David geeft niet op. Met God aan zijn zij hoeft hij het ook niet op te geven. Dat is de eerste rol, die we hier in de psalm tegenkomen: David als geloofsheld. Hij wordt in de hoek gedrukt door een hofkliek onder leiding van zijn eigen zoon Absalom. David spreekt tot die samenzweerders: “Gij mannen, hoe lang is mijn eer tot versmading, hoe lang hebt gij ijdelheid lief, jaagt gij de leugen na?” Met die mannen worden waarschijnlijk de jonge edelen rondom Absalom bedoeld. We zien ze voor ons: de mannen, die het gemaakt hebben! Echte carrièremakers, ook als het ten koste van anderen gaat. Van God noch gebod moeten zij iets hebben, op een leugentje meer of minder komt het ook niet aan. Zij hebben de macht in handen. Wie kan hen iets maken? Toch is David niet bang voor ze. Hij zegt: “Weet toch, dat de Here Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de Here hoort, als ik tot Hem roep.” David is volkomen verzekerd van Gods hulp, hij is immers de “gunstgenoot”, de makker van God. En daarom kan hij ook in heel zijn onmachtige positie een machtswoord spreken: “Weest toornig, maar zondigt niet, spreekt in uw hart op uw leger (bed), en zwijgt, brengt offers aan de eis van God en vertrouwt op de Heer!” Hier zien we dis de tweede rol in Psalm 4, een slechte rol, vervuld door de mensen, die met Absalom samenspannen en kennelijk met koning David ook de Here God er maar aan hebben gegeven. Naast deze mannen zijn er de toekijkers, zij die de kat uit de boom kijken. “Velen zeggen: wie zal ons het goed doen zien?”  Een goede vraag! Er staat niet: “Wie zal het goede doen?” Er staat: “zien“. Heel juist, want je moet het eerst zien, voordat je het kunt gaan doen. Veel mensen zien het vandaag niet meer, net als toen tijdens de opstand van Absalom. Ook vandaag aan de dag worden er zoveel dingen op de kop gezet. We spreken niet voor niets van een machts- en gezagsproblematiek, het is overal: in de Kerk, de maatschappij, politie, op scholen, bureaucratie op het Gemeentehuis, in bedrijven, het is overal. Wie zal ons het goede doen zien? Waarop moeten wij ons richten? Hoe lossen we de wereldproblemen op? Wat gaat de nieuwe klimaattop opleveren? Welke overlevingskansen zijn er voor de kredietcrisis? Hoe krijgen we meer stabiliteit in de politieke verhoudingen? Ook in de kerken is er onrust en nemen de tegenstellingen hand over hand toe. Wie zal ons het goede doen zien?

Overal wordt er geroepen om sociale vernieuwing, in die zin, dat we elkaar weer gaan “zien”. Ook in de kerk is dit broodnodig: sociale contacten, in de vorm van kringenwerk, huisgemeente, met elkaar op weg gaan. Maar hoe bereiken we dat? Ik hoorde laatst een dominee zeggen, en hij vertolkte de gevoelens van velen: “Zeg ons, hoe dat moet, hoe moeten we dat bereiken in onze Gemeenten? Geef ons alstublieft een handvat, zodat we niet als geslagen honden straks weer de Gemeente in hoeven…” Dat is heel typerend voor het onmachtsgevoel, waarin predikanten, maar ook de mensen in het onderwijs en de politiek en allerlei gezagsinstanties zich bevinden. “Wie zal ons het goede doen zien.”

David had op deze vraag nog wel een antwoord: “Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”  In ons geval en in deze tijd zou dat een nieuwe reformatie betekenen, een totale vernieuwing van ons denken en samen kerk-zijn.

“Verhef over ons het licht van Uw aanschijn, o Here!” Niet wij zijn het, die het nog kunnen zien. Wij zijn stekeblind! Wij hebben te lang gedacht, dat we het zagen, met al onze beredeneringen en goede bedoelingen, met heel onze techniek en wetenschap, totdat het zo ver moest komen, dat we onze naaste en achter hem de Here God met Zijn macht uit het oog zijn gaan verliezen. Daarom zeg ik u: dit vraagt om een nieuwe reformatie! Een ommekeer in ons denken, in ons leven, in ons geloven, ook een ommekeer in het hanteren van Gods Woord, in het kerk-zijn, zal nodiger zijn dan ooit.

“Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!” Dit te bidden, steeds weer opnieuw te bidden, is het begin al van dat licht. Een eerste flits! We zullen dat licht niet direct in alle omvang omvatten kunnen. Als we het maar zien flitsen! Zoals David dat zag in zijn benauwdheid, bedreigd van alle kanten. Dan zullen ook wij ons toch nog te ruste mogen begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o Here, doet mij veilig wonen. De Bijbelse geschiedenis leert ons, dat ook een man als David er toen nog lang niet was. Hij moest nog dikwijls door veel onrust en verdrukkingen heen, voordat hij voorgoed bevrijd en verlost was van de bedreiging van de machten om hem heen en ook in hemzelf. Telkens opnieuw moest hij in geloofsvertrouwen de weg zoeken naar God toe om te ervaren, dat God hem veilig deed wonen. “Een vaste burcht is onze God!” Zo heeft Luther het ook ervaren. Dat is echt reformatie! Een enkele flits, waarin je het goede ziet. De goede, Jezus Christus, Die ons bevrijdt van alle onmacht en ons op God weg ook vandaag nog tijd en plaats en zin om te leven geeft.

Amen.

Feest en vrolijkheid

Eens zal de aarde vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. Het is het aller-heerlijkste, wat ons te wachten staat.

Lukas 15, 1
“En al de tollenaren en zondaren naderden tot Hem om Hem te horen.”

Lukas 15 is het hoofdstuk van de vreugde, omdat het verlorene gevonden wordt.

De herder, die het verloren schaap gevonden heeft, gaat blij naar huis. De vrouw, die de verloren penning gevonden heeft, roept haar buurvrouwen bijeen om het te vieren. En de vader in de gelijkenis van de verloren zoon richt een feestmaal aan. Zó blij zijn ze allemaal! Wat zal Jezus Zelf ook blij geweest zijn, toen Hij dit alles aan de mensen mocht vertellen!

Geen wonder, dat er aan het begin van het hoofdstuk staat, dat alle tollenaars en zondaars tot Hem naderden om Hem te horen (vertellen). In de Nieuwe Vertaling staat zelfs, dat zij plachten tot Hem te komen. Daar zit dus iets van herhaling in. Het is al een gewoonte geworden! Niet maar één keertje, maar telkens weer, voortdurend kwamen zij tot Jezus, zo graag luisterden zij naar Hem! De mensen zullen dat nodig gehad hebben, net als u en ik. Een wereld van vreugde, van mensen die elkaar gelukkig maken, dat is Lukas 15!

Het is de wereld van het Koninkrijk van God, een voorproefje van de wereld die komen gaat. Wel een schril contrast met onze wereld. Bij ons staat alles tegen de donkere achtergrond van weemoed en droefheid, van ellende en angst, van schaamte en schuld. In de wereld van de Messias vinden we niets daarvan, er heerst alleen maar vreugde. Alles staat afgetekend tegen de lichtende achtergrond van de redding van tollenaars en zondaren. Het is alsof we het lied horen van Psalm 62: “Mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is mijn heil”. Mensen gaan uit vreugde zingen! Als je weten mag: van Hem is mijn heil, ik ben door Hem gevonden, dan gaat het gloeien in je binnenste. ’t Is één en al vreugde, dat je leven omstraalt.

Nu zijn beide werelden nog gescheiden. Die van ons en die van Hem, maar eens zullen zij samenvallen en dan zijn wij net als de mensen uit Lukas 15: boordevol vreugde. Wat zal dat heerlijk zijn! Dat geloven we toch? Het is ons toch beloofd door God Zelf, dat het eens zo zal zijn, en geen van Zijn Woorden zal ledig tot Hem terugkeren… Eens zal de aarde vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. Het is het aller-heerlijkste, wat ons te wachten staat.

De tollenaars en zondaren. Die tot Jezus plachten te komen, hadden daar al iets van begrepen. Sterker nog: zij hadden vast al iets van die heerlijke toekomst gezien. Kwamen ze niet daarom zo graag naar Jezus toe? Zij lieten zich vinden door Gods zoekende liefde naar verloren mensen. Als je ’t hun had gevraagd, hadden ze misschien met hun hoofd geschud en gezegd: “Ik? Kom nou toch! Ik moet van God niet veel hebben en Hij vast ook niet van mij! Maar die Jezus vind ik een fijne vent, die doet tenminste niet zo uit de hoogte, die eet en drinkt met ons, die is niet vies van ons, hij lacht ook met ons, hij wil met ons iets te maken hebben. Nou, en dat gebeurt ons nou nooit!” Daar zat dus iets opmerkelijks, iets ongewoons, in de houding van Jezus. Daardoor werden mensen aangetrokken. Niet alleen de Farizeeën en Schriftgeleerden merkten dit op, toen ze zeiden: “Deze ontvangt zondaars en eet met hen!” Ze waren er boos om. Maar de mensen, om wie het ging, de tollenaars en zondaren zelf, zij vonden dat juist fantastisch. Nog nooit hadden ze een rabbi of iemand anders van de geestelijkheid meegemaakt, die dat deed. Integendeel, zij werden altijd genegeerd, in de hoek gedrukt, belachelijk gemaakt. Zij hoorden tot het uitschot, het volk “dat de Wet niet kent”. En nu opeens is daar die rabbi Jezus!

Soms komt bij ons ook wel eens de gedachte op, dat het fijn zou zijn, wanneer er zo iets onverwachts in ons leven zou gebeuren. Wanneer bijvoorbeeld Jezus eens bij ons in de straat zou komen of liever nog: bij ons in huis. Wanneer Hij dan met ons zou mee-eten, een schotel uit de magnetron. En wanneer Hij daarna aan ons gelijkenissen zou vertellen, heel nieuwe, nog ongehoorde! Dat zou een mirakels feest zijn, dacht u niet? Een geweldige verrassing, net zo iets als bij die tollenaren en zondaren in Lukas 15.

En toch, wie weet? Die verrassing houdt God misschien ook wel voor ons in petto, blijf geloven in dat wonder! En als ’t niet komt, zoals wij gehoopt hadden, dan toch mogen we het weten met Lukas 15: Hij heeft ook met ons te doen! Wij mogen naar Hem luisteren en met Hem eten, zondaars en tollenaars, die we zijn.

Het onverwachte is nog sterker, omdat het ook het onverdiende is. Zij wisten ’t heel goed, hoe ze er voor stonden, die tollenaars en zondaars bij Jezus. Te groter was hun verbazing en blijdschap.

Alle roem is uitgesloten
Onverdiende zalig heên
Heb ik van mijn God genoten;
‘k roem in vrije gunst alleen!

Gez.173, 1 Oude Bundel

Doet u mee? Laten wij ook maar feest vieren en vrolijk zijn, want we waren dood en zijn levend geworden, we waren verloren en zijn gevonden!

Amen.

Het recht van de keizer

Het is een heet hangijzer, die belasting aan de gehate vijand! Ouderen kennen dat gevoel nog wel uit de oorlog: moet je nu voor je eigen bestwil meedoen met de bezetter of juist niet? Wat zegt Jezus nu over deze gevoelige kwestie?

Marcus 12, 13-17

“Geef de keizer wat van de keizer is”. Dat is een gevleugeld woord geworden. Het betekent zo veel als “ieder het zijne geven, iemand geven wat hem eerlijk toekomt. Maar bij Jezus gaat het om een echte keizer, en om echt iets aan de keizer te geven, namelijk belasting! En dat lag niet zo eenvoudig. De meeste mensen, ook vandaag, hebben moeite met belasting betalen. Het is nog erger, als je dit moet doen aan je vijand, zoals hier de Romeinen.

De geschiedenis, die Marcus vertelt staat in een reeks twistgesprekken tussen Jezus en de overpriesters, Schriftgeleerden en oudsten. Het zijn de gezagsdragers van de toenmalige kerk, de bewaarders van de traditie en de geestelijke orde. Vier brandende kwesties komen achtereenvolgens ter sprake: de vraag naar Jezus’ bevoegdheid, het recht van de keizer, de vraag naar de opstanding en het grote gebod. Het zijn eigenlijk allemaal strikvragen, bedoeld om Jezus er in te laten lopen. Dat wordt in ons verhaal ook duidelijk gezegd:

“Maar nu stuurden zij een paar op Hem af uit de kring van de Farizeeën en van de Herodes-partij, in de hoop dat die Hem op een woord konden vangen”.

Farizeeën en Herodianen zijn het meestal niet met elkaar eens, maar hier – nu het tegen die rabbi Jezus gaat- trekken ze toch één lijn. Ook hier zien we al, hoe alles samenwerkt om Jezus te gronde te richten. Een stelletje provocateurs wordt op Jezus afgestuurd, letterlijk om Hem “te vangen”. Wie de opdrachtgevers zijn staat er niet bij. Het Sanhedrin (de Hoge Raad) zal er wel meer van weten!

“Die kwamen en spraken Hem aan”. Ze doen het heel keurig: “Rabbi, het is ons bekend, u bent een man van de waarheid en u gaat daar voor niemand van af. U ziet geen mens naar de ogen, maar u leert in waarheid de weg van God”. Ze tonen respect en waardering voor Jezus’ waarheidsliefde en integriteit. Dat is heel mooi! Hij blijkt echt een man te zijn naar hun hart. Maar pas op, als mensen dat tegen je zeggen! Hij is ook een man, die in waarheid “de weg tot God” leert. Die weg van God zochten de rabbijnse geleerden al heel lang. Ze bedoelen daarmee de manier, waarop de mens naar Gods wil heeft te handelen. Discussies, die daarover zijn gevoerd, zijn later opgeschreven in de rabbijnse “Halacha” (= de gang, de weg die je gaan moet). Later zouden de Christenen ook de mensen “van de weg” genoemd worden, omdat zij de weg van de Heer leerden (zie Handelingen 18, 25 en Matteüs 21, 32).

 Jezus wandelt dus naar waarheid “de weg van God”, ook als die tot conflicten leidt. Dat bedoelen die provocateurs eigenlijk te zeggen, en daar hopen ze ook op! Jezus moet in conflict komen met Zichzelf! Om dat te bewerkstelligen stellen ze een vraag: “Is het nu geoorloofd de keizer cijns (accijns) te betalen of niet?”

Het is een heet hangijzer, die belasting aan de gehate vijand! Ouderen kennen dat gevoel nog wel uit de oorlog: moet je nu voor je eigen bestwil meedoen met de bezetter of juist niet? Velen stonden toen op het standpunt, dat er nu eenmaal niets aan te doen was, en dat het verreweg het beste was zich er niet tegen te verzetten, omdat men daarmee nog heel wat ergere dingen riskeerde. Dit was ook het standpunt van de Farizeeën. Maar anderen, zoals de Zeloten, vurige vaderlanders die in het verzet zaten, waren radicaal tegen. Want daarmee maakte je jezelf tot een collaborateur! De Herodianen waren dat in feite ook, want zij werkten samen met de Romeinen. Zij hadden dus ook helemaal geen moeite met het betalen van belasting aan de Romeinse overheid.

Wat zegt Jezus nu over deze gevoelige kwestie? Hij heeft natuurlijk best gehoord, dat in die vraag een aanmoediging lag opgesloten om “nee” te zeggen. U bent zo eerlijk en flink, dat u er wel voor durft uit te komen! Ja wel, en daarmee hadden ze een mooie aanleiding om Jezus als opruier aan te brengen bij de Romeinen. Aan de andere kant: als Jezus vóór het betalen van de belasting zou zijn, dan verspeelde hij daarmee de sympathie van het volk. Het was dus een hele gemene vraag!

“Maar Jezus doorzag hun ‘hypocrisie’, hun huichelarij. Waarom probeert u dit met Mij? Laat mij eens zo’n belastingmunt zien”. En zij kwamen er mee. Daarop zei Hij: “Wie z’n beeltenis staat hierop, wie z’n opschrift?” Zij antwoordden: “Van de keizer”. Jezus antwoordt: “Wat van de keizer is, geef dat aan de keizer. Wat God behoort, geef dat aan God!” Wat is dat nou? Zij stonden met Hem voor een raadsel! Jezus vroeg om een denarius, een zilveren munt, waarop het hoofd van de keizer stond afgebeeld, van keizer Tiberius, met het randschrift: “Tiberius keizer, verheven zoon van de goddelijke Augustus”, en toen sprak Hij de beroemde woorden: “Wat van de keizer is, geef dat aan de keizer!” Je ziet toch, dat die van hem is? Zijn portret staat er toch op? Dus: geef ‘m dan ook maar gauw terug aan de eigenaar!

Hiermee ontloopt Jezus de valstrik, die ze voor Hem gespannen hadden. Maar het gaat Jezus niet om dat geld, van wie het is, dat is allemaal niet zo belangrijk. Het gaat Jezus om God, en zo eindigt de discussie met de verwijzing naar God: “Maar wat God toebehoort, geef dat aan God!”

Hier ligt de klemtoon van het verhaal, denk ik. Aan God komt in feite alles toe, ook ons geld. “Des Heren is de aarde en haar volheid, de wereld en die daarop wonen” (Ps.24, 1). Ook de keizer en zijn belastinggeld behoren uiteindelijk de Heer toe! Daarom moeten we hier ook niet denken, dat Jezus hier een scheiding maakt tussen een gebied wat van de keizer is en dat wat God toebehoort, een soort wereldlijk en goddelijk regiment. In de Kerkgeschiedenis is dat maar al te vaak gebeurd. Omdat Jezus deze woorden heeft gesproken, heeft men wel gepleit voor een gehoorzaamheid van de Christen tegenover de Staat, ook als het om een vijandige Staat gaat. Maar ik denk toch, dat je deze tekst daarvoor niet mag gebruiken. Jezus heeft Zich nu eenmaal over politieke kwesties nooit uitgelaten, en we mogen het Hem ook niet in de mond leggen. Het ging Jezus altijd om God en Zijn Koninkrijk!

Het is wel zo, dat de macht van de keizer hier wordt gerelativeerd en gereduceerd. De keizer en God worden hier samen genoemd. Het is goed om aan de keizer te geven, wat van hem is, maar geeft dan ook aan God wat Hem toebehoort! Ik hoor in dit antwoord van Jezus toch ook een zekere kritiek op de keizerlijke macht en wellust en het egoïsme van de mensen. Hoe hebberig zijn zij allemaal! Alsof het van hun is! Maar tenslotte is het allemaal van God. Ook de keizer staat onder de regeermacht van God!

Zo moet het ook in ons eigen leven zijn. Het is goed om geld te hebben en het te mogen beheren om er goed mee te doen, ook om er belasting mee te betalen, opdat de overheid er goed mee kan doen. Uiteindelijk moet het er toch om gaan om er God mee te eren. Iedereen moet zelf maar uitmaken, wat dat in zijn persoonlijke situatie te betekenen heeft. Als God er maar om geprezen kan worden!

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen,
Men loov’ Hem vroeg en spa.
De wereld hoor’ en volg’ mijn zangen
Met amen, amen, na!
Psalm 72, 11 O.B.

Amen.

Ja, Here, doch…

Door de weerstand, de tegenslagen, de beproeving, die we ontvangen in ons leven moeten we groeien en sterk gemaakt worden. Sterker worden in geloof, in liefde voor anderen, in vertrouwen op God, Die niet laat varen de werken van Zijn handen.

Mattheüs 15, 27a

Wat God doet, dat is welgedaan,
Zijn wil is wijs en heilig.
‘k Zal aan Zijn hand vertrouwend gaan.
Die hand geleidt mij veilig.
Gez.186 O.B./ Gez.432 Liedboek

Het valt mij zwaar om dit vers te zingen. Ergens in mij weert zich iets daartegen, Vindt u dat gek? Misschien is juist dit lied u bijzonder vertrouwd en heeft u er al vaak troost uit geput. Het was voor u misschien wel een  hulp om u naar Gods wil te schikken, toen u het zo zwaar had in uw leven. Er zijn ook nog andere liederen met dezelfde strekking: “Wie maar de goede God laat zorgen” (Liedboek 429) en “Wat God wil, dat geschiedt altijd” (Gez. 192 O.B.).

Er zijn dagen, waarop ik die gezangen ook graag zing. Maar er zijn ook dagen, waarop ik daartegen in opstand kom. Hebt u dit ook wel? Ik ben blij ook in de Bijbel verschillende stemmen te horen. De mensen zijn daar niet allemaal gelijk en ook hun stemmingen niet. De ene dag verschilt nogal van de andere, dat is ook zo in de Bijbel. Soms schijnt de zon, soms is het om te huilen. Nu eens waan je je op een berg en kun je alles aan, dan weer zit je diep in een dal, zeg maar: in de put. In de Bijbel hoor ik ook stemmen van mensen, die met God worstelen en tegen “Zijn wil” in opstand komen. In onze Evangelietekst wordt zulk een ervaring overgeleverd:

“En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon. En zie, een Kananese vrouw uit dat gebied kwam en riep: Heb medelijden met mij, Here, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten. Hij echter antwoordde haar geen woord, en Zijn discipelen kwamen bij Hem en vroegen Hem, zeggende: zend haar weg, want zij roept ons na. Hij echter antwoordde en zeide: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls. Maar zij kwam en viel voor Hem neer en zeide: Here, help mij! Hij echter antwoordde en zeide: Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te werpen. Maar zij zeide: Ja, Here, doch de honden eten ook van de brokjes, die van de tafel van hun meesters vallen. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: o vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst! En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.”

Dat klinkt wel wat anders dan “Wat God doet, dat is welgedaan”. Stelt u zich eens voor, dat deze vrouw zich direct bij het lot van haar zieke kind had neergelegd, dat zij in vertrouwen op Gods wil “ja en amen” had gezegd. Misschien had Jezus haar daarom ook kunnen prijzen, natuurlijk. Maar het geloof kent vele deugden. Had zij direct “Ja en amen” gezegd, dan zouden wij nu niet aan haar kunnen zien, dat het ook geloof kan zijn om niet akkoord te gaan met je lot en er tegen te vechten en te zeggen: Ja, Here, doch… Ja maar, en toch… En zeker als het gaat om een ander, die je lief en dierbaar is.

Luisteren we nog eens naar onze tekst.

“En Jezus vertrok vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.” Dat betekent wel meer dan een eenvoudige plaatsbepaling. Het is een grensoverschrijding! Jezus ging over de grenzen, waarin de Joodse vroomheid gold, heen. Hij laat de vertrouwde omgeving achter Zich. Hij begeeft Zich in een wereld, waarin geloof en veel ongeloof te vinden is. Het is het “Over-Jordaanse”, dat gold als “doodsgebied”. In die wereld is ook de Kananese vrouw. Het ziet er eerst niet naar uit, dat Jezus’ komst haar zal helpen. Hij doet er het zwijgen toe! Deze arme moeder smeekt vergeefs om genezing van haar kind. Hij zwijgt. Dat is voor haar de zoveelste teleurstelling. Heel herkenbaar!  Menigeen zou hier al aan de grens van zijn eigen incassering gekomen zijn. Bitter en teleurgesteld zou hij zich afgewend hebben. Dit risico liep Jezus ook bij de vrouw. Waarom Hij dan toch zo handelt? Misschien was ’t Hem allemaal te veel geworden, al die mensen die iets van Hem wilden. Nu even alleen zijn…

En dan komt me daar weer zo’n mens! Zou Jezus dat niet hebben kunnen voelen? Een tegenzin tegen het alsmaar te moeten helpen, altijd maar lief en aardig zijn tegen de mensen, altijd maar klaar moeten staan voor een ander. Het kan wel eens te veel worden! Jezus was toch een mens als wij. Misschien dat dit verklaart, waarom Hij er het zwijgen toe deed.

Maar de vrouw laat niet af! Zij houdt vol, zij geeft niet op. We kunnen haar daarom bewonderen. Wellicht had ik hier de moed al laten zakken. Misschien had ik me zelfs bedrogen gevoeld in mijn geloof. Veel mensen hebben zich om zo iets van de Kerk afgekeerd. Zij niet, zij blijft maar roepen: “Here, heb medelijden met mij, help mij toch!” De discipelen werden er tureluurs van. Hadden zij niet wat meer compassie kunnen voelen met die arme vrouw? Dat zijn nou de eerste mensen van de Kerk! Zij zeggen tot Jezus: “Stuur haar toch weg!” Misschien zijn zij ook oververmoeid, van de reis en de opdringerige mensen. Toch blijft het treurig, dat kerkmensen zo zijn! Blijkbaar moeten we ons niet te mooie voorstellingen maken van de Christenen! Wat kun je teleurgesteld uitkomen! Ook persoonlijk mag je je dat aantrekken. Hoe vaak zouden er niet mensen in mij teleurgesteld zijn geweest? Overal en altijd komen wij aan grenzen te staan, en wie zal de eerste steen werpen? Bedelaars en Jehova’s getuigen worden afgescheept, een verzoek om hulp wordt even gauw afgedaan, rouwenden en zieken worden snel vergeten, het mag allemaal niet zo veel moeite en tijd kosten. Geen tijd en geen geduld, zo is de mens toch? Net als de discipelen. Naastenliefde is maar een vinger lang en duurt maar even. Ook het antwoord, dat Jezus geeft, is niet bepaald hartverwarmend.

“Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls”. Het is alsof we een ambtenaar uit onze tijd horen spreken: “Ik ben daar niet verantwoordelijk voor, het is niet mijn afdeling”. Ook een manier van afschepen, weliswaar heel netjes, maar toch… Wat erg voor die vrouw. Als u zelf wel eens zo iets hebt meegemaakt, dan weet u, wat dat een pijn doet. Je hoopt op iemands hulp, je vertrouwt op iemand en rekent op hem, en dan dit…” Ik ben er niet voor jou! Ik ben er alleen voor anderen!” Het is een tweede afwijzing van Jezus aan die vrouw, die bij Hem komt om hulp te krijgen. Daar heb ik best moeite mee! Waarom doet Jezus nou zo? Ik begrijp het niet. Hij is toch de Heer?

Maar ook begrijp ik het wel een beetje, als ik kijk naar me zelf. Het is zo moeilijk om altijd maar klaar te moeten staan! En een mens kan toch niet alle ellende van de wereld op zich nemen? Daarom trekken we onze grenzen. Het is al moeilijk genoeg om er te zijn voor je gezin en je familie. Dat zie ik Jezus hier ook doen. Dat is zo heel menselijk. Hij gedraagt Zich niet als de Almachtige, die wel gauw iemand beter zal gaan maken. Nee, Hij moet ook een weerstand overwinnen. Zo heb ik ook een dubbel gevoel. Ik leef met die vrouw mee, herken me ook in haar, maar ik leef ook met Jezus mee, die de vrouw afwijst, want ik herken me ook in Hem! Zo zal het ook met u gaan, die dit leest.

Maar onze geschiedenis gaat verder. Blijkbaar gebeuren alle dingen in drieën, niet alleen de goede maar ook de slechte dingen. Jezus neemt de in die tijd gebruikelijke aanduiding van de heidenen, die door de Joden “honden” worden genoemd, over. Hij zei: “Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en de hondekens voor te werpen”. Ook het verkleinwoord “hondekens”, zoals het in de Statenvertaling staat, maakt het voor de vrouw niet gemakkelijker! Zij wordt toch maar mooi “hond” genoemd, ze wordt eigenlijk uitgescholden en gediscrimineerd. En voor de derde keer wordt zij door Jezus afgewezen! Maar zij houdt vol, zij laat zich niet terugwijzen. En de volhouder wint, zegt het spreekwoord, en zo is het ook in het Evangelie. “Zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden, bidt en u zal gegeven worden!” Wij moeten volhouden! Daar zijn verschillende voorbeelden van gegeven in de Evangeliën. Bijvoorbeeld die vrouw in de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. Maar ook hier blijkt het weer, hoe waar het is, dat de volhouder wint. Die vrouw, zij mag dan zo net “hond” genoemd zijn, het is voor haar niet oneervol, het pijnlijke daarvan treft haar niet, omdat zij vervuld is van dat ene verlangen, dat haar dochter weer gezond mag worden. “Ja, Here, doch de hondekens eten ook van de brokjes, die van de tafel van hun meesters vallen”. Die brokjes zijn voor mij en mijn dochter genoeg! Alstublieft, geeft U ze aan ons!

En als Jezus dit geloofsvertrouwen van de vrouw ziet, roept Hij uit: ”O vrouw, groot is uw geloof! U geschiede gelijk gij wilt.” En haar dochter werd gezond vanaf dat uur, waarmee onze Evangelielezing eindigt.

Prachtig, mooi, hoopvol en moedgevend! Maar toch blijf je je afvragen: waarom wordt het een mens soms zo moeilijk gemaakt? Kon Jezus niet wat vlugger helpen? Waarom moest Hij die vrouw zo op de proef stellen? Daarin ligt misschien het antwoord al opgesloten: op de proef stellen. Door de weerstand, de tegenslagen, de beproeving, die we ontvangen in ons leven moeten we groeien en sterk gemaakt worden. Ik weet wel: zo’n antwoord kun je aan een ander, die in nood verkeert, nooit geven, dat helpt niet echt, je kunt het wel zelf ontdekken in je leven. Het moest zo zijn, ik ben er sterker door geworden in mijn geloof, in mijn liefde voor anderen, in mijn vertrouwen op God, Die niet laat varen de werken van Zijn handen.

Misschien had Jezus dat doorzettingsvermogen van die liefhebbende vrouw ook wel nodig om tot Zich Zelf te komen, om opnieuw Zijn taak te zien, om een grens te kunnen overschrijden: van de Joden, Zijn volk, de kinderkens, naar de heidenen, de hondekens! Uit de Messias van de Joden moest immers de Heiland voor alle mensen worden. Misschien moeten wij soms ook door veel weerstand heen om een grens te kunnen overschrijden: van klein geloof tot geloof, van onvrede naar vrede, van wantrouwen naar vertrouwen, van hardheid naar tederheid, van gezondheid naar ziekte, van leven naar sterven. Laten wij dan volhouden net als die Kananese vrouw: “Ja, Here, maar toch….”.

Amen.

Wij geloven niet meer om wat gij zegt

Handelen met moed wanneer anderen bang zijn, handelen in hoop wanneer je medemensen wanhopig zijn en handelen in liefde en vergevingsgezindheid wanneer anderen haten en op wraak belust zijn.

Johannes 4, 42
Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.

Jezus heeft gesproken met een vrouw, een Samaritaanse nota bene! Dat is voor een rabbi dubbel fout: een vrouw en een heidense. Maar Jezus doorbreekt de gebruikelijke grenzen. Voor Hem is ieder mens gewoon een mens. Die vrouw, die het zo moeilijk gehad had in haar leven, was enthousiast om de aandacht die Jezus haar gegeven had. Toen zij weer thuis kwam in de stad vertelde zij daar natuurlijk over. En de mensen in Samaria nodigden Jezus uit bij hun te blijven. En Hij bleef er twee dagen. En nog meer mensen kwamen tot geloof en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.

Nog ver voordat Petrus zijn beroemde belijdenis deed: Gij zijt de Christus, wordt hier door eenvoudige mensen erkend, dat Hij de Heiland der wereld is. Het is een belijdenis, recht uit het hart, heel sterk en heel duidelijk. Het is het geheim van heel ons geloven, waar alles om draait: Deze is waarlijk de Heiland der wereld!

Laten we eens gaan kijken, hoe dit geloof tot stand is gekomen. In de eerste plaats heb je daar de mannen van Sichar, een klein plaatsje in de provincie Samaria. Het is een wat achter gebleven gebied, ingesloten tussen Judea en Galilea. Die mannen van Sichar hebben een boodschap gehoord. Maar de boodschapper had eigenlijk alles tegen! Het is geen geschoolde theoloog, ook geen opwekkingsprediker, helemaal niet beroemd en bekend, nog wel iemand uit de eigen plaats, waarvan het spreekwoord zo duidelijk zegt dat een profeet in z’n eigen plaats niet geëerd wordt. En wat het ergste is: deze boodschapper is ook nog een vrouw! Van zo iemand kun je toch geen waarheidsgetrouwe boodschap verwachten? Zegt het Joodse spreekwoord niet: “woorden van vrouwen gelden niet als bijzonder betrouwbaar”? Tenslotte kan ook nog gezegd worden, dat het hier gaat om een vrouw van dubieuze reputatie. En toch beweegt zich die merkwaardige stoet door de velden van Sichar naar de Jakobsbron, waarvan de overlevering weet te vertellen dat hier Jakob met zijn zeven zonen het veel liet drinken. God zit blijkbaar niet verlegen om geweldige theologen, machtige redenaars en zo. Hij zendt ook geen engelen naar de mannen van Sichar. Hele gewone, zelfs dubieuze mensen kunnen voor Hem al genoeg zijn om een heel dorp in beweging te brengen. Dit mag ook ons weer een beetje moed geven! Zwakke werktuigen gebruikt God, ook ons armzalige onwetende mensen. En door slechts één vrouw te onderwijzen heeft de Heer Zijn onderwijs door een hele stad verspreid. Ik zei daarnet al: dat is ook bemoedigend voor ons vandaag. Als er niet meer zo veel mensen naar de kerk komen, hoeven we toch niet ontmoedigd te worden. Al is er maar één, die de boodschap gehoord heeft! Door die ene kunnen veel andere mensen de boodschap gaan horen. Als iedereen het aan zijn buren zou door vertellen, dan konden heel veel mensen bereikt worden! Philippus verkondigde het Evangelie één enkele keer, bovendien nog aan een allochtoon, een zwarte meneer, die onderweg was. Maar daardoor werd wel een heel volk, het Ethiopië van vandaag, in het Evangelie onderwezen. Dat zit ‘m in de kracht van de boodschap, die niet van mensen, maar van God komt.

En toch kwam die vrouw van Sichar niet met het verhaal van een visioen of van een of andere mystieke belevenis, zoals sommige mensen dat wel eens hebben meegemaakt, ook kwam zij niet met een sterk verhaal van een teken aan de hemel of zo, ook geen wonderteken zoals Mozes had gekregen of Jezus had gegeven met de vele genezingen. Zij kwam ook niet met een verbluffende Bijbeluitleg over het einde der dagen, waar veel mensen vandaag mee worstelen. Al evenmin verkondigde zij een nieuwe leer betreffende de diepste bedoelingen van Gods geboden, bijvoorbeeld dat de mensen weer tienden moesten geven of de sabbat meer moesten heiligen, dat ze meer aandacht moesten geven aan de natuur en de dieren, niet meer roken, niet meer drinken, geen drugs enzovoort. De kerkgeschiedenis staat daar vol van! Maar die vrouw had gelukkig van al die dingen geen benul. Wat zij te zeggen had, was heel eenvoudig: Hij heeft mij gezegd… Toch was het voor iedereen duidelijk, dat zij werkelijk in het hart geraakt was. Dat ze gevonden had, waarnaar ze zo lang had gezocht. En wat had ze gezocht! Blijkbaar was ze ontevreden geweest met het conventionele vrouwenbestaan van haar tijd en had ze geprobeerd een carrière op te bouwen in de wereld. Kunnen we in haar een eerste feministe zien van 2000 jaar geleden? Heel goed mogelijk. Zij had het bij de mannen gezocht, keer op keer, zoals zoveel mannen het in onze dagen bij vrouwen zoeken, keer op keer. Zij had het niet gevonden. Hoe zullen zondaren elkaar het leven ook schenken? Veel teleurstellingen had zij te verwerken gekregen. Van mensen moet je ’t ook niet hebben! En zo ging zij schuw haar weg: midden op de dag ging zij water putten, in de brandende zon, om maar alleen te zijn vanwege de kletspraatjes. Maar nu is alle krampachtigheid en schuwheid van haar afgevallen. Zij is niet langer de slavin van haar eigen verleden. Ze heeft ook geen behoefte meer dat verleden te rechtvaardigen. Sprak tot nog toe haar hele stadje daarvan, nu roert zij het zelf aan: “Hij heeft mij gezegd: Gij hebt geen man, want gij hebt vijf mannen gehad. En de man die gij nu hebt, is uw man niet.” Dit zegt zij zo maar, vanuit een vrijheid, die haar deugdzame medeburgers in Sichar toch niet hadden.

Zo is de eerste etappe van het geloof: het doodsimpele getuigenis van een mens, wier ogen stralen, omdat zij gevonden heeft, gevonden IS, en dat nu doorgeeft: dat dank ik aan Jezus, kom mee naar Hem!

En nu de tweede etappe. De Sicharieten gaan naar Jezus en vragen Hem dringend bij hun te blijven. En Jezus blijft twee volle dagen in hun midden. En dan geven zij aan de vrouw als ’t ware haar getuigenis terug: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is. Het kan een preek zijn, waardoor je zo ver komt. Ook het getuigenis van iemand anders, een zieke of een stervende. Of je hebt een mooi lied gehoord: Elly Ameling, die Bach zingt: Bist Du bei mir, geh ich mit Freuden. Of er is een andere belevenis geweest in je leven, waardoor je bent gaan ontdekken, wat je tot nog toe te kort bent gekomen. Je dacht dat je er was, maar helemaal is. Je hebt het ware nog niet gevonden! Maar die ander, die je tot nu toe helemaal niet hebt zien staan, die heeft het, om jaloers op te worden!  En van die eenvoudige, vergeten mens hebben we het te ontvangen: het getuigenis van God. Misschien word je op straat aangesproken door iemand van de Pinkstergemeente of een Jehova’s getuige. Je raakt in gesprek en in vervoering! Zo’n “Godvergeten” mens was ook Jezus voor de Joodse godsdienstigheid en het fatsoen van die dagen , veracht en bespot, aan het kruis gehangen, van God en mensen verlaten. Maar van Hem hebben we het te leren, van Hem alleen, omdat Zijn getuigenis echt was en eerlijk. Zo’n getuigenis vraagt God ook van ons, in ons gelovig leven en werken.

Handelen met moed, wanneer anderen bang zijn, is uitkomen voor je geloof en is welsprekender dan menige preek. Handelen in hoop, wanneer je medemensen wanhopig zijn, is geloof in het Evangelie en zal anderen tot geloof brengen. Handelen in liefde en vergevingsgezindheid, wanneer anderen haten en op wraak belust zijn, wordt door iedereen die het ziet verstaan. Dat alles is effectiever dan gebrekkige woorden.

Zo was het ook bij de Samaritaanse vrouw. Zij was eerlijk en oprecht in al haar gebrekkigheid. Zij schaamde zich niet voor Jezus in haar omgeving. De rest moesten de mannen van Sichar zelf doen. Niet thuis blijven, zich niet van het getuigenis van de vrouw afmaken met de opmerking, dat zij altijd al zo’n praatjesmaker geweest was. En niet verontwaardigd protesteren: wat, een Jood! Moet die het ons vertellen? Nee, dat doen zij allemaal niet. Zij gaan de straat op om te getuigen: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat Hij de Heiland der wereld is.

Twee etappes van het geloof: de verkondiging, geloven wat een ander zegt, en Hem Zelf horen en weten, dat Hij de Heiland der wereld is. En tenslotte ook zelf een getuige van die Heiland worden! Op deze twee etappes moeten we ons bewegen. Dat is de reisroute van ons geloof. God werkt door mensen, maar niet om ons aan hen vast te klampen. Het is om ook zelf op zoek te gaan, totdat we gevonden hebben wat we zochten, totdat we door Hem gevonden zijn. Jezus zit niet langer op ons te wachten bij de Jakobsbron. Wie daar zoekt, vindt alleen maar een kerk, die hem niets doet. Maar die kerk geeft ons wel een boek in handen en twee prachtige sacramenten: Doop en Avondmaal. Dat zijn de monumenten op uw reisroute, het zijn vingerwijzers: waarheen u moet gaan, waarheen u moet kijken, en waar u hebt te zoeken. Soms heb je daar veel tijd voor nodig. Augustinus zocht 13 jaar. Luther getuigde later, dat hij zeven jaar in de hel geweest is. Maar wij hebben een belofte: Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden.
 
Amen.

De herder en het schaap

Hoe ervaar ik, dat de Heer mijn Herder is? Dan hebt u dit antwoord, dat u al heel jong meegekregen hebt van God: u bent gedoopt! Door die doop bent u een schaap geworden van de kudde van die Goede Herder, misschien een verloren schaap, misschien zelfs het zwarte schaap. U draagt wel Zijn merkteken!

Psalm 23

Gemerkt schaapDoopdienst.

De dichter van Psalm 23 zegt, dat hij zich aan God toevertrouwt, zoals een schaap vertrouwt op de herder.

Herders trekken van hot naar her op zoek naar weideplaatsen, bronnen en riviertjes. Soms gaat het dan langs sombere diepe ravijnen, maar de kudde ziet rustig naar de herdersstaf op, want de herder weet wel wat hij doet. Maar dan lijkt het opeens alsof in vers 5 het beeld van de goede herder wordt losgelaten. Dan wordt er gesproken over een gastheer: “Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.” Deze beeldverschuiving, van de herder naar de gastheer en van de wei naar de feesttafel, heeft al veel theologen en ook taalgeleerden bezig gehouden. En men heeft er geen bevredigende verklaring voor kunnen vinden. Men heeft wel gedacht, dat hier een verschrijving heeft plaats gevonden. Je hoeft maar één letter te veranderen en iets te verschuiven naar het volgende woord en je krijgt weer het beeld van de herder. Het woord “tafel” wordt dan “speer”. De tekst wordt dan: “Gij houdt een speer gereed voor mij tegenover mijn belagers.”

Zo’n verschrijving kan heel goed gebeurd zijn, want in het Hebreeuws lijken de letters erg op elkaar. Bovendien zijn het medeklinkers en moet je de klinkers zelf invullen. En als zo’n tekst in de loop der eeuwen vele malen is overgeschreven, zou zo’n verschrijving heel denkbaar zijn.

Wie zijn het die belagers, als de dichter het heeft over “de ogen van wie mij benauwen”? Ik denk in de eerste plaats de wilde dieren zoals de wolf en de leeuw. Die konden in die tijd in Israël nog goed te keer gaan. Zo erg, dat de herder een wond kon oplopen, bijvoorbeeld op zijn hoofd. Je deed er dan goed aan op die wond wat vet te smeren of geneeskrachtige olie. Zou dit de betekenis kunnen zijn van “Gij zalft mijn hoofd met olie”? En de beker, die overvloeit, zou de drenkplaats van de schapen kunnen betekenen. Het is bekend, dat de herders in die tijd soms zelf waterplaatsen voor hun kudden maakten door bij een bron een grote kuil te graven en deze te beleggen met dierenhuiden. Als zo’n kuil vol met water liep konden de dieren gemakkelijk drinken. In Arabische landen gebeurt dit nog zo. Zo’n drinkplaats kan dan de “beker” van de kudde genoemd worden.

De Psalmdichter voelt zich dus in alle opzichten door de Heer verzorgd, net als een kuddedier door zijn herder. Dit beeld wil ik graag vandaag de dopelingen en hun ouders meegeven. Daarbij gaat het natuurlijk niet alleen om het beeld, want aan een beeld heb je niets. Het moet ook werkelijkheid worden wat het beeld betekent. En dat is, dat je gerust kunt zijn, dat je veilig bent, dat je een Gids hebt, die met je meegaat, een hulp, als de belagers komen. Mooier dan de Psalmdichter kan ik het niet zeggen. Hij geeft een geweldig getuigenis van Gods goedertierenheid en trouw, waar een mens zich altijd op kan verlaten. Dit getuigenis zult u nodig hebben, dopelingen en doopouders. Het leven pleegt nu eenmaal niet over rozen te gaan, en zelfs de mooiste rozen kunnen prikken. De dichter heeft het zelf ook meegemaakt. Hij spreekt uit ervaring. Hij kende zijn belagers. Israël kende die ook en kent ze nog. Belagers van het leven, van binnenuit en van buitenaf. Maar de Israëlieten hebben ook ervaren, en dat zullen jullie ook, dat heil en goedertierenheid hen volgen al de dagen van hun leven.

Het betekent niet, dat de Psalmschrijver een idylle voor ogen heeft. Juist het beeld van de herder getuigt van de hardheid en de vele gevaren van het leven. Het getuigt van de strijd, die om het levens behoud gevoerd moet worden. Maar des te groter is ook de kracht van de goede herder en van je eigen zekerheid, als je die herder de jouwe mag noemen.

“Zeg mij, hoe gij Christus uitbeeldt, en ik zal u zeggen, wat voor Christen gij zijt.” Ik weet niet, wie dit gezegd heeft, maar het is een gevleugeld woord geworden. We kunnen het zeker ook toepassen op het beeld van de goede herder. Want Psalm 23 heeft een vervolg gekregen in de gelijkenis van het verloren schaap uit Lucas 15 en de uitwerking daarvan in Johannes 10, waar Jezus Zich de Goede Herder heeft genoemd. Zo hebben ook de eerste Christenen in Rome Hem gekend en ontmoet. In de onderaardse gewelven, de catacomben, waarin de Romeinen hun doden begroeven, kwamen de Christenen samen, in het geheim. Daar vinden we één van de oudste afbeeldingen van Christus, hun Heer. Het is een simpele krabbel van een baardloze jonge man, met een lamp op zijn schouders, het beeld van de Goede Herder. Een Goede Herder is Christus al voor de eerste gelovigen geweest, een herder die op zoek was naar zijn verloren schaap en die het gekneusde dier Zelf zalft en verzorgt. Voor hen, de slavenbevolking van een wereldstad, verscheen Christus niet als de koning van het heelal zittend op een troon, zoals de Byzantijnse wandschilderingen uit de Middeleeuwen Hem afbeelden. Hij is ook niet de Man van Smarten met de stralende doornenkroon, maar gewoon een herder, voor wie zijn dieren geen nummers zijn, geen marktkoopwaar met een streepjescode, maar wezens met een eigen leven en een eigen ziel. Zijn dieren zijn schepselen van God, van welke God niet wil dat er één verloren gaat. Zijn schapen hebben ter ere van de Schepper te leven. Zij moeten gelukkig zijn! Zo hebben vele miljoenen Christenen in navolging van de catacombenbewoners Christus ontmoet en nog gebeurt dit overal in de wereld. Christus is de Goede Herder, Die als redder in nood verschijnt met heil en goedertierenheid. Zij hebben Zijn stem gehoord, het blijde Evangeliewoord; zij hebben Zijn sterke armen ervaren.

Blijft voor ons de vraag: kan dat in ons leven ook? Hoe ervaar ik, dat de Heer mijn Herder is? Dan hebt u dit antwoord, dat u al heel jong meegekregen hebt van God: u bent gedoopt! Door die doop bent u een schaap geworden van de kudde van die Goede Herder, misschien een verloren schaap, misschien zelfs het zwarte schaap. U draagt wel Zijn merkteken! Hoe kunt u dan nog vragen: hoe merk ik het? U draagt Zijn merkteken! U bent gemerkt, net als vanmorgen die kleine dopelingen. En als u gemerkt bent, dan bent u toch iemands eigendom? Ja, u bent eigendom van de Goede Herder. Geen macht kan u uit Zijn handen wegrukken, zelfs als je midden tussen de wolven zit. Het leven is op vele terreinen vaak een strijd. Ook het herdersleven Maar het kan een strijd zijn, die “sjaloom”, vrede van God, aanbrengt, want heil en goedertierenheid zullen volgen.

Dat zo ook de Goede Herder de kleine dopelingen en u, doopouders, heil en goedertierenheid mogen brengen al de dagen van het leven!

De mensen zijn gebonden
door herders zonder hart,
zo hebben zij gezondigd
en allen zijn zij zwart…..
Maar God wil van de schapen
de goede herder zijn,
Hij heeft de kooi verlaten,
Hij zoekt in de woestijn.

(W. Barnard, Liedboek Gezang 58, 4.)

Amen.

Naäman

Naäman liet zich overhalen zich te dompelen in de rivier de Jordaan, onder het motto: “Baat het niet, het schaadt ook niet”.

2 Koningen 5, 1-15

De rivier de Jordaan, net zuidelijk van het meer van Galilei.Het verhaal, waarvan we uitgaan is heel eenvoudig. Naäman, generaal van de Syrische koning Aram, is melaats. Zijn lichaam was bedekt met zweren en de mensen gingen hem uit de weg. En dat voor een generaal! Sommige gevallen van melaatsheid zijn niet ongeneeslijk. Kennelijk was men ook bij Naäman al jaren bezig geweest hem van zijn ziekte af te helpen.

Op een gegeven dag doet een gevangen genomen Joods dienstmeisje in het huis van Naäman de hoop weer opleven. Haar heer moest maar eens naar de profeet in Samaria gaan! Die wist daar wil raad mee. En als het om zoiets als genezing gaat, worden zelfs allochtone dienstmeisjes serieus genomen! Dus vroeg Naäman aan de koning toestemming om op reis te gaan. Beladen met geschenken komt hij in Israël aan. Een aanbevelingsbrief van de koning van Aram heeft hij in de zak. Maar de koning van Israël vindt het maar een vreemd zaakje. Uit ervaring weet hij, dat die Arameërs niet zo goed te vertrouwen zijn Ook toen waren de verhoudingen in het Midden-Oosten niet al te best. Toen kwam de brief te voorschijn, met een vriendelijk verzoek: “Zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid.” Nou, nou, dat is nog al wat! De koning is er niet gerust op: “Ben ik God om iemand beter te maken?” Natuurlijk, het zal wel een smoes zijn, een aanleiding om oorlog met hem te kunnen beginnen!

Maar er is nog iemand anders in het land, de profeet Elisa. En als die hoort, dat de koning een probleem heeft, en waar het om gaat, zendt hij de koning een boodschap: “Laat die Naäman toch tot mij komen, opdat hij wete dat er een profeet in Israël is.” En Naäman kwam met zijn paarden en wagens en hele gevolg bij het huisje van Elisa. Helaas, de ontvangst werd een teleurstelling. Elisa weigert hem een interview en stuurt alleen maar een persoonlijke boodschap: “Ga heen en baad u zeven maal in de Jordaan , dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn.” Naäman wordt boos, hij vindt dit geen behandeling. En dat de profeet niet eens de moeite neemt zelf bij hem te komen, nota bene een generaal! Hij zou er nog goed voor betalen ook! En dan de behandeling: zich onderdompelen in zo’n zielige beekje! Want dat was de Jordaan en dat is zij nog. Geen wonder dus, dat Naäman uitroept: “Zijn de zuivere en koele rivieren van mijn eigen land, de Abana en de Parpar, die de oase van Damascus tot een paradijs maken, niet beter dan die Jordaan?” Waarom kon die profeet hem niet gewoon de handen opleggen zoals alle dokters in die tijd deden in een soort bezweringsritueel?

Gelukkig liet Naäman zich nog net op tijd door zijn dienaren overhalen het toch maar te doen, onder het motto: “Baat het niet, het schaadt ook niet”. Dus daalde hij af in de Jordaan en dompelde zich tot zeven maal onder, zoals Elisa gezegd had. En zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, helemaal blank zonder een enkel zweertje.

Het zijn soms vreemde wegen, die een mens moet gaan. De heilsweg van God voert soms door de rimboe, langs karrensporen in de woestijn, op onbegane wegen. Maar het wonder van die heilsweg is altijd, dat er op het eind van die weg iets moois is : wat God voor je heeft weggelegd. Aan het eind van veel zorg en spanningen wordt je soms man en vrouw, het karrenspoor leidt tot de warmte van een veilige boerderij of een verkwikkende oase. De weg door de rimboe geeft uitzicht op nieuwe nederzettingen en ontginningen. Zo houden Gods wegen altijd een belofte in, iets wat voor je is weggelegd.

Dat is ook het geval met de weg, waarop God ons roept. Het zal een heilsweg zijn, die tenslotte uitkomt in Gods Koninkrijk. Maar vaak beginnen wij ons dan net als Naäman te ergeren. En wel aan twee dingen: in de eerste plaats, dat God niet Zelf tot ons komt om ons te leiden en thuis te brengen. Wij moeten het doen met Zijn boodschap, een boek, de Bijbel. Dat is soms een grote ergernis. God houdt zich op een afstand van ons. Nooit kun je eens persoonlijk bij Hem te rade gaan. Je moet het doen met die vaak onbegrijpelijke preken van de dominee. En je hebt het idee, dat die vaak slappe aftreksels zijn van het eigenlijke Woord. Vaak zou je God wel eens willen toeroepen: “Komt U nou Zelf eens te voorschijn!” Dat is een grote ergernis.

Een tweede ergernis is, net als bij Naäman, de manier waarop God wil dat wij de heilsweg bewandelen. Zou er niet een andere, betere weg bestaan? De Boeddhisten met hun gelatenheid bijvoorbeeld en de humanisten met hun medemenselijkheid. Zou dat niet beter zijn dan die zogenaamde Christelijke activiteit, waar zo weinig uit voortkomt? Natuurlijk, op papier en in theorie is het allemaal waar. Ook vandaag zijn er Abana’s en Parpars genoeg, die beter en prettiger voor ons heil lijken te zijn dan de stroom die God ons wijst in Zijn Woord. Stel je eens voor, wat Jezus zegt: “Wie achter Mij wil komen, die verloochene zich zelf en neme zijn kruis op en volge Mij”. Wat een weg! En het zou misschien nog wel te doen zijn, als er maar eens iemand was, die het ons voordeed. Natuurlijk, dat heeft Jezus gedaan, maar dat is al zo lang geleden en dat was zo’n heel andere tijd. Wat moeten daar nu vandaag mee aan? Dat irriteert ons geweldig! Wij hebben de weg tot ons heil niet in onze handen en ook niet in ons hoofd, we weten er eigenlijk geen raad mee. Waarom doet God het nu zo? Elke keer weer vragen we ons geërgerd af: waarom toch?

Zo zijn we allemaal op onze beurt Naämans. Maar God zij dank blijft het daar niet bij. Wij mogen ook horen, dat het met Naäman op een andere wijze is afgelopen dan hij zich had voorgesteld. Zijn weg mocht toch het doel bereiken! Al zijn ergernis ten spijt ging hij toch kopje onder en werd hij genezen. Hieruit blijkt, dat het niet op onze gedachten en gevoelens aankomt, maar op het doen wat God ons zegt. We moeten de weg gaan, die God ons aanwijst, ook al gaat deze lijnrecht tegen onze gedachten en gevoelens in. Als je dan toch die weg gaat, dan merk je pas, dat de door God gewezen weg de enige weg voor je behoud is.

Dat komt, omdat God aan die weg Zijn heil gebonden heeft. Aan de Jordaan, en nu eenmaal niet aan de Abana of de Parpar. Dat is Gods vrije wil, en daar helpt geen protesteren tegen, ook al is ons protest menselijkerwijs gesproken nog zo gerechtvaardigd! Aan het eind van deze weg gekomen merk je wat God daar voor je heeft weggelegd. Dat was voor Naäman de genezing van zijn melaatsheid. Dat is voor u misschien de vervulling van uw diepste wens. Dat kan van alles zijn. Als we maar Gods weg gaan, zoals die in de Bijbel is beschreven, zoals die ook door Jezus is getoond. Er zijn natuurlijk legio andere wegen, maar die wil God niet. Hij wil alleen die ene weg, die Hij voor ons heeft vastgelegd, zoals Naäman mocht ervaren, zoals ook Jezus die heeft bewandeld. Het is de weg, die Hij Zelf is: “Ik ben de weg, en de waarheid en het leven”. Het is een weg in nederigheid, in zelfverloochening, die tenslotte voerde tot het kruis. Het is bepaald niet glorieus om Gods weg te bewandelen. Voor glorie hoef je geen Christen te worden! Dat laat Jezus ons zien en al die martelaren, die om hun geloof zijn gestorven. Zo heeft Luther het ook beschreven. Vaak heeft hij tegenslag in zijn leven gekend, de strijd met satan en de mensen, hoge heren als de paus, geestelijke en wereldse magistraten. Steeds weer zei hij dan: “Wat kan een mens mij doen? De Here is met mij!” (Psalm 118).

Vandaag is het nog zo. Gods wegen zijn wonderbaar, maar soms heel moeilijk. Kijk naar de mannen en vrouwen in het zendings- en ontwikkelingswerk. Het werk onder de melaatsen vandaag, onder hen die door een epidemie of armoede getroffen zijn, de miljoenen vluchtelingen in de wereld. Kerk in Actie, EO- Metterdaad, Cordaid en die vele andere hulporganisaties hebben handen vol werk om mensen voor de dood weg te halen. Het is steeds weer een weg door vernedering en moeiten heen, de weg die Naäman moest gaan, de weg van Jezus. Maar het is ook onze enige weg tot echt geluk in het leven.

Amen.

Dit geheim is groot

Ook in de intiemste vormen van de liefde, ontmoet de vrouw haar Heer en de man zijn uitverkorene als een open hof. Geloven is elkaar in vlees en bloed, sacrament van Christus zijn.

Efeziërs 5, 32a

Een huwelijkspreek.

Wij hebben daarnet gezongen: ’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis (Gez.479 uit het Liedboek der Kerken).

Ons leven is alleen maar antwoord, reactie op het spreken van God. God heeft het eerste woord! Ons leven is een gelijkenis van het wezen van God. Zo noemt de dichter het. Maar we begrijpen het niet, het is “een gelijkenis van meer dan aards geheimenis”. We mogen het leven koesteren als een geheim tussen God en mensen. Dat mag iemand, die gelooft, rust geven en zekerheid. Juist ook, als je de stap maakt om samen door het leven te gaan.

Wie niet gelooft of niet geloven kan, heeft daar moeite mee. Die leeft in onrust en angst. Je laat je dag bederven door een beetje regen (bij de was!) of omdat je een kopje gebroken hebt of iets anders, dat tegen zit. Zo iemand kan een leven lang tobben over een fout, die hij vroeger eens begaan heeft. Het leven wordt dan een en al onrust en onzekerheid. Het wordt bepaald door angsten en depressies. De keerzijde is dan: probeer er alles uit te halen, wat er nog in zit! Halen wat er te halen valt! Carpe diëm, pluk de dag! Laten we eten, drinken en vrolijk zijn!

Voor de Christen, die gelooft, verdwijnt dat alles naar de einder van Gods werkelijkheid. “Dit geheim is groot”. De apostel Paulus wist daar ook alles van. “’t Is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis”. Hetzij dat we leven, hetzij dat we sterven, wij zijn van de Heer! Zo zit dat! De rest is humbug! Het is alles van U, o God, hetzij Paulus, Apollos of Cephas, hetzij Bleiswijk of Barendrecht of De Bilt, hetzij wereld, leven of dood, hetzij heden of toekomst, het is alles het Uwe, en U geeft het aan ons om er gelukkig en tevreden mee te zijn, en zó is het “van ons” geworden. Een geheimenis, omdat het van God komt en wij nooit kunnen begrijpen, waarom God het ons geeft. Een meer dan aards geheimenis, heel die genade en dat leven dat ons in Christus gegeven is. Hoe zouden we het dan ook kunnen terugprojecteren in iets van je zelf? Te veel eer!

Wij zijn niet bij machte om het leven van God uit ons zelf voort te brengen, we mogen het alleen maar weerspiegelen. Zo is het ook met jullie huwelijk, want het is alles een gelijkenis van meer dan aards geheimenis! Hetzij vreugde of verdriet, hetzij zonde of gerechtigheid, ook jullie liefde, wij weten dat God alle dingen doet medewerken ten goede, omdat Zijn Geest ons vervult. Dat is een ding, dat zeker is. Daarom wordt in de Hebreeënbrief het geloof ook genoemd: een zeker weten, de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet! Ja, dit geheim is groot! Het leven in geloof draagt in zich een groot geheim.

Je hoeft het leven niet zo ernstig te nemen, zo doodernstig, zodat je er kapot aan gaat. Dit is gebrek aan geloof! We hoeven ook niet zo nodig alles zelf te doen, omdat er anders niets van terecht komt. We mogen vertrouwen op Iemand anders, die in ons leven de antwoorden geeft en de actie onderneemt. Geloven is, dat je niet zo zwaar hoeft te tillen aan de levenswerkelijkheid. Geloven is prijsgeven van die hele dodelijke werkelijkheid. Het is zingen en springen voor Gods Aangezicht, gestorven en gekruisigd met Christus, leven in Hem alleen.

Gods liefde voor Zijn Zoon –
Uitgezet tegen de diepten van de zonde,
Tegen de einden der aarde,
Ontvangen als een bruid
Die zich ontsluit
Voor haar Geliefde.

Geloven is leven als antwoord, echo, verwondering en toewijding op het Hoge Woord, waardoor God schept en leven wekt en verwachting. Geloven is niet meer willen zijn dan wat je bent, zoals je geschapen bent: beeld en gelijkenis van Hem, God met ons, en wat meer is: mensen met God door het eeuwig verbond met de Zoon, in Wie Gods leven open bloeit voor mensen zoals wij zijn.

Geloven is: voor elkaar niet meer willen zijn dan je geschapen bent: jij een rib uit zijn lijf, jij een kop op haar leven! Geloven is een leven van liefde waarmee God Zichzelf liefheeft. Ja, als het om de liefde gaat, dan komt het aan op geloven, het er op wagen met die liefde van God, die alle hartstocht vervult en onenigheid versmaadt. Geloven wordt zo leven als antwoord, beeld en gelijkenis, sacrament en geheimenis, je leven feil hebben voor Gods zaak. Geloven is getrouwd zijn, elkaar met trouw omringen vanwege Gods trouw met ons. Geloven is gemeenschap hebben, gemeenschap zijn met Hem, Die zegt: Ik ben met jou, jij bent met Mij, een groot geheim: één lichaam en één Geest! Ik ben met jou en ga met jou een weg, die waarlijk tot het leven leidt. Ik leef met jou een liefde, die door hopen en geloven bewaard wordt en straks openbaar wordt in de eeuwigheid.

Geloven is er op vertrouwen, dat deze liefde, dit getrouwde leven, dit geheimenis, deze gemeenschap tot in alle gestalten dag en nacht kan worden vol gehouden; dat deze liefde als een Hooglied doorzingt tot in de hartstocht van onze sexualiteit. Ook daar immers, in de intiemste vormen van de liefde, ontmoet de vrouw haar Heer en de man zijn uitverkorene als een open hof. Geloven is elkaar in vlees en bloed, sacrament van Christus zijn. Dit geheim is groot! Het is werkelijk een Hooglied.

Nu zijn er mensen, die bij het zingen van dit hartstochtelijke Hooglied innerlijk zitten te protesteren van: ja maar, dat gaat zo maar niet, denk eens aan de zonden, de gebreken, de wellust, het pad dat niet over rozen gaat, de schuld die nimmermeer vergaat, denk eens aan de haat die mannen en vrouwen elkaar toedragen soms ook in het huwelijk en vaak daarna in de scheiding. Ja, wilt u dan denken aan wat God niet meer gedenkt? Wilt u dan bij het oude stil blijven staan, wat God nieuw maakt? Wilt u dan op zonde en schuld hameren, waar God vergeving heeft gebracht?

Zo denkt men en zo spreekt men op een bruiloft niet. De bruid staat voor de bruidegom: heilig, onbesmet, zonder vlek of rimpel. En zo moge het altijd blijven! Natuurlijk neem je jouw oude zelf mee in het huwelijk, maar op dit moment maakt God alle dingen voor jullie nieuw, ook je zelf en de verhouding tot elkaar en elkaars familie. Laat het altijd nieuw blijven, ongerept, zonder vlek of rimpel. Dat kan alleen, als jullie leven in het grote Geheimenis van God en mens. Zing van Zijn Liefde en zoek Zijn kracht in de Bijbel, de kerkgang, in bidden en in smeken.

Dan wordt ook jullie huwelijk een groot geheimenis,
een gelijkenis van meer dan aards geheimenis!

Laat dan mijn hart U toebehoren
En laat mij door de wereld gaan
Met open ogen, open oren,
Om al Uw tekens te verstaan.
(Gez.479)

Amen.

Het schip in de storm

Dit is misschien wel het moeilijkst te verteren stukje uit de Bijbel: een slapende Jezus, terwijl de discipelen in nood zijn. Hoe velen is dat zelfde al niet overkomen? De roepstem: Waar bent u nu? Waarom slaapt U, terwijl ik U zo nodig heb?

Mattheüs 8, 23
“En toen Hij in het schip ging, volgden Zijn discipelen Hem.”

De discipelen volgden Hem! Hebben wij dit wel goed verstaan? Jezus ging in een schip en de discipelen volgden Hem. Het is dus niet zo, dat wij in een schip gaan en Jezus bij ons uitnodigen! Nee, zo is het niet! Jezus gaat voorop en wij hebben maar te volgen!

“Toen Hij in het schip ging, volgden Zijn discipelen Hem.” In de Kerk moet dat niet anders zijn! De Kerk mag niet onze onderneming zijn, maar altijd in de eerste plaats zijn werk. Hij gaat daarin voorop en wij mogen Hem daarin volgen. Wij mogen er bij zijn, daar waar Hij is en waar Hij spreekt en handelt. Hij wil ons er wel bij hebben, om ons te gebruiken in Zijn dienst.

Hij ging in het schip en de discipelen volgden Hem. Dat is de grondregel van de Kerk, eigenlijk van heel onze handel en wandel. God roept mensen om er bij te zijn, in de Kerk. Vaak wordt voor de Kerk de afbeelding van een schip gebruikt. Dat is niet zo verwonderlijk, omdat de Kerk net als een schip altijd onderweg is. De Kerk staat midden in de wereld, hoort eigenlijk nergens thuis, omdat iedereen er zich thuis mag voelen. Mensen van alle rangen en standen, rassen en volken, zij horen allemaal thuis in de Kerk. En daarom is de Kerk als een schip, altijd op reis. Maar het is als de tegeltjeswijsheid: God heeft u geen voorspoedige reis beloofd. De reis kan alle kanten uitgaan: in voorspoed en tegenspoed. Dat zien wij hier ook bij Jezus, “En zie, er kwam een grote onstuimigheid op de zee.” Ja, zo iets kan gebeuren, zo iets gebeurt vaak ook in ons leven. Hoe gevaarlijk de wereld is, waarin de Kerk haar opdracht vervult, is niet altijd direct voelbaar. Er zijn ook stormen, die op grote afstand van ons verwijderd woeden: orkanen, aardbevingen, bosbranden, epidemieën enzovoort. En dat is op onze aardbol nooit anders geweest. Het is in onze wereld gevaarlijk. Mensen zijn gevaarlijk. Zij luisteren niet naar God en Zijn geboden. Satan heeft macht over hen en gebruikt mensen voor zijn dodelijke werk. Daarom is onze wereld zo gevaarlijk.

“Zodat de golven over het dek sloegen.” In deze gevaarlijke wereld met zijn grote onstuimigheid leeft ook de Kerk. Zij lijdt er onder, maar is er ook debet aan. We zouden dat graag anders hebben. De Kerk zou eigenlijk te midden van de gevaren en onstuimigheid een eiland van rust moeten zijn, een eiland van zaligheid en van vrede. Maar helaas, zo is het niet! Integendeel, alle dwalingen en leugens, alle goddeloosheid van de wereld treft ook de Kerk. Een dominee heeft daar onlangs een boek over geschreven met de aansprekende titel “Lijden aan de Kerk”. Soms is het zo erg, dat “de golven over het schip sloegen”. Alle nood, die de mensen overkomt en die ze ook zich zelf aanhalen, is ook de nood van Christenen, van de Gemeente van Christus, En dat is niet een nood, die alleen van buiten op haar afkomt, die dus anderen haar aandoen. Het zit ook binnen in de Kerk! De Kerk bestaat uit zondige mensen. Geen zonde is die mensen vreemd. Juist in de Kerk wordt die zonde pas goed duidelijk en zichtbaar. Daar wordt ons de spiegel voorgehouden: zó ben je nou! Geen wonder, dat het kwaad aan de Kerk op bijzondere wijze wordt gestraft. Veel Kerken leven daardoor in de verdrukking. En in ons eigen land: hoe moeten we de leegloop anders verstaan? Wij zijn er schuldig aan! Deemoed en schuldbelijdenis past ons meer dan ooit. Ook met Jezus aan boord kun je in stormen terecht komen, vergeet dat niet!

“Maar Hij sliep”. Dat is misschien wel het moeilijkst te verteren stukje uit de Bijbel: een slapende Jezus, terwijl de discipelen in nood zijn. Hoe velen is dat zelfde al niet overkomen? De roepstem: Waar bent u nu? Waarom slaapt U, terwijl ik U zo nodig heb? Die roepstem wordt overal gehoord. Toch is Hij in Kerk en wereld de enige redding. Alles kan gebeuren met de Kerk. Zij kan klein worden en machteloos, maar ondergaan kan zij niet. Want haar Heer is en blijft in haar midden. Wat de Kerk redt, zal dan ook nooit en te nimmer haar macht zijn, het grote getal van haar leden, hun werkkracht en enthousiasme, haar prachtige kathedralen en krachtige theologie. Wat de Kerk redt, is de hand van God, die in Jezus Christus wordt uitgestrekt naar de mensen. Alleen deze hand redt en behoedt de Kerk. Maar wat is het dan toch merkwaardig, dat daar staat “…en Hij sliep in het schip” ? Zo verborgen is dus Gods handelen, zo onzichtbaar, zo heel anders als het pronkzuchtige van mensen. En toch is Hij machtig bezig, al lijkt het dat Hij niets doet, dat Hij slaapt. Misschien moeten we het zo zien: als mens lijkt Jezus te slapen, maar Zijn godheid in Hem is wakker en waakzaam.

“En de discipelen kwamen tot Hem en maakten Hem wakker en zeiden: Here, help ons, wij vergaan.” Zeg nu niet te gauw: wat laf van ze! Het zou u ook zo maar kunnen overkomen. Als de zee rustig is, kan iedereen sturen, maar als het gaat stormen, staat wel eens de meest ervaren stuurman machteloos. In de Kerk is dat ook altijd zo geweest: in tijden van nood stroomden de Kerken vol. Denk maar aan de laatste oorlog! Juist daar, waar wij niet verder kunnen, begint Gods kracht en heerlijkheid. Ook in ons persoonlijke leven is dat zo. Je moet eerst zelf in een diep dal terecht komen om Gods heerlijkheid pas goed te ervaren. Zeg dan gerust: “Here, help ons, wij vergaan!”

En Jezus werd wakker. Hij laat Zich door ons wakker roepen! Hij zegt: “Waarom zijt gij bevreesd, kleingelovigen?” Niet bepaald verheffend voor die discipelen, maar wel heel raak. Waar Jezus wakker wordt en opstaat in de Kerk en in ons leven, daar wordt de mens heel erg klein en ook schuldbewust. Daar wordt ons gewezen op ons kleine geloof. Dat wij geen vertrouwen hebben in God, dat is ons grootste gebrek! Daar worden we gewaar, hoe bang we eigenlijk zijn! Waarom zijn we zo gauw uit het veld geslagen en moedeloos? Waarom niet eerder tot Jezus geroepen: “Heer, help me toch”? Jezus wijst ons terecht: “Waarom zijn jullie zo bang, kleingelovige mensen?Ik ben toch in jullie midden, op Mij kun je toch vertrouwen?”

“Toen stond Hij op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil.” Jezus laat zien Wie Hij is: de Machtige. Aan al het woeden van satan in deze wereld wordt een einde gemaakt! De dood heeft niet meer het laatste woord. Er straalt licht in de duisternis, alle dingen worden nieuw. Jezus staat op en bestraft de winden en de zee! “En het werd volkomen stil.” En van verwondering vroegen de mensen zich af: “Wie is toch Degene, Die dat gedaan heeft?”

Ook vandaag nog kan zo iets gebeuren. Sterker nog: het gebeurt. Het zijn allemaal getuigenissen van Hem, Die met de Kerk en ons persoonlijk bezig is. Het lijkt misschien dat Hij slaapt. We moeten Hem ook niet altijd wakker roepen, We mogen toch weten, dat Hij ons nabij is? Dat mag ons de zekerheid geven, dat we niet verloren gaan! Net als bij de discipelen.

Keren we nu weer terug naar het begin: “Toen Hij in het schip ging, volgden Zijn discipelen Hem.” Dat Hij voorop gaat en dat wij Hem volgen, dat is waar het op aan komt. Volgen is meer dan gewoon meegaan, het is in iemands voetsporen treden. Je komt op de weg, die Hij gegaan is. Niet altijd een gemakkelijke weg, soms ook een lijdensweg. Maar Hij leidt ons er doorheen, elke dag opnieuw. Dat heeft dit prachtige verhaal uit de Bijbel ons willen leren.

Jezus, ga ons voor
Op het levensspoor;
Doe ons als getrouwe leden
Volgen U op al Uw schreden;
Voer ons aan Uw hand
Tot in ’t Vaderland.

Richt ons leven lang,
Jezus, onze gang;
Voert Gij ons op ruwe wegen,
Geef ook daar Uw hulp en zegen;
En aan ’t eind der baan,
Laat ons binnen gaan.

Gezang 222 Herv. Bundel

Amen.

Hoe lang nog?

Je wordt er moedeloos onder en vraagt steeds maar weer “Hoe lang nog?” Daar komen ook nog bij je eigen tekortkomingen, de schuld die je meedraagt, de duivel die je in zijn greep heeft. En de laatste vijand, satans grootste wapen: de dood, die aan alle levenskansen radicaal een einde maakt.

Psalm 13

“Hoe lang, Heere, zult Gij mij voortdurend vergeten?
Hoe lang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?
Hoe lang zal ik plannen koesteren in mijn ziel des nachts?
Kommer in mijn hart des daags?
Hoe lang zal mijn vijand over mij triomferen?
Aanschouw, antwoord mij, Heere, mijn God:
Doe mijn ogen lichten, opdat ik niet in de dood ontslape;
opdat mijn vijand niet zegge: ik heb hem overmocht;
mijn tegenstanders juichen, wanneer ik wankel.
Maar ik vertrouw op Uwe goedgunstigheid,
Mijn hart zal juichen over Uw heil;
Ik zal de Heere zingen,
Omdat Hij aan mij welgedaan zal hebben.”

Een mens heeft dikwijls veel te zuchten en te klagen, ook als hij of zij een gelovig mens is. Hierin zijn alle mensen gelijk. Daarom is de klacht in onze Psalm ook heel begrijpelijk. Het is een verzuchting die wij ook zelf dikwijls slaken. De Psalmdichter weet te leven in een vijandige wereld. Twee maal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders. Wie dat zijn, wordt niet direct duidelijk. Ik denk, dat u mag invullen wie en wat u zelf als “vijandig” ervaart. Er zit nogal eens wat “tegen”. Niet alleen mensen, maar ook omstandigheden, zoals de gezondheid of een verlies, verdriet. Mensen kunnen ons treiteren, dwars liggen, waardoor je onzeker wordt en teruggeworpen. Erger nog is, wanneer er ziekte gekomen is in je leven, waar niet meer tegen te vechten is. Allerlei handicaps kunnen je leven verzuren. Relatieproblemen. Of een groot verlies, als je partner overlijdt of één van de kinderen of kleinkinderen.

Je wordt er moedeloos onder en vraagt steeds maar weer “Hoe lang nog?” Daar komen ook nog bij je eigen tekortkomingen, de schuld die je meedraagt, de duivel die je in zijn greep heeft. En de laatste vijand, satans grootste wapen: de dood, die aan alle levenskansen radicaal een einde maakt.

Dat alles kan in onze Psalm ingevuld worden bij de woorden “Vijanden” en “Tegenstanders”. Daarom zijn de Psalmen ook tijdloos en actueel voor alle tijden, ook voor de onze. En ze zijn voor alle mensen, toen en nu, gelijk! Het leed waaraan de dichter denkt bestaat al lang. Roept hij niet uit “Hoe lang nog?”

Het duurt al zo lang. Komt er dan nooit een einde aan? Zou God hem misschien vergeten zijn? Een verschrikkelijke gedachte! “Hoe lang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?” En we weten: in de Bijbel is Gods Aangezicht God Zelf. De mens hier heeft dus het gevoel, dat hij God kwijt is. Kent u dat gevoel ook?

Ik weet, dat er mensen zijn, die daaronder vreselijk lijden. Het is inderdaad het ergste, wat een mens overkomen kan. Het is dan van binnen net een dor en dood huis. Het licht is gedoofd, je gevoel verlamd, alle blijdschap is weg. Dat zijn verschrikkelijke tijden voor een gelovig mens, die anders zo innig met zijn God kon leven. “Hoe lang nog?” God geeft geen antwoord, Hij is zo ver weg!

Toch blijft onze dichter roepen: “Aanschouw, antwoord mij, Heere, mijn God!”

Hij haalt God hel dicht naar zich toe, hij zegt: mijn God. Als hij maar even naar mij wil omzien, dan zal het weer goed worden! Wat een geloofsvertrouwen! Later in de Psalm spreekt hij dit vertrouwen opnieuw uit:

Maar ik vertrouw op Uw goedgunstigheid,
Mijn hart zal juichen over Uw heil;
Ik zal de Heere zingen,
Omdat Hij aan mij welgedaan zal hebben.

Laat ons daarin zijn voorbeeld navolgen! Al schijnt alles ons tegen te zitten, al wankelt onze ziel, al hebben we in ons leven nog zo fel te lijden, al zijn we levensmoe en moedeloos, laat nooit het vertrouwen los! Het geloof, de zekerheid dat wij en God in de hemel hebben, Die op ons neerziet, Die we aan mogen roepen, tot Wie we mogen klagen… Die ons heil is en daarom ook ons heil bewerken zal. Hoe kan de dichter zo’n vertrouwen hebben, temidden van al zijn tegenstanders en vijanden? Je zou zeggen: het leven moet er toch ook een beetje naar zijn? Hij kan het, omdat hij vasthoudt aan Gods goedgunstigheid. Wat is dat precies? Het Hebreeuwse woord, dat daar achter zit, betekent zo veel als “trouw”. God blijft trouw aan Zijn beloften, Die Gij in Zijn verbond gegeven heeft, Hij zal die stellig vervullen! Op die verbondstrouw van Zijn God waagt de dichter het met al zijn kracht! Op grond van die trouw is de biddende dichter overtuigd, dat het heil ook eenmaal voor hem dagen zal. Ook wij mogen daarvan overtuigd zijn: dat die trouw van God ons allen geldt, en dat het heil daarom eens ten volle ons deel zal zijn, als wij het met Hem gewaagd hebben!

Gods goedgunstigheid is ons betoond in Jezus Christus. Het is Zijn genade “waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods” (Rom.5,2). Wij mogen klagen tot God, maar laten we ook niet vergeten te roemen tot God! De lof te zingen van Hem, Die zoveel uitreddingen gedaan heeft, ook in ons leven! Laat ons toch wat meer de lof des Heren zingen! Al kunnen we het misschien niet meer zo met onze lippen, als we ’t dan maar met ons hart doen! Zingen, tegen de druk in, is het beste van God gegeven genademiddel om het vertrouwen weer te voeden.

Hoe lang nog?

Het ligt alles in Gods hand…

Amen.

Roepen tot God (Psalm 4)

Het leven kan zo wreed zijn, zo meedogenloos hard, het breekt onze mooiste dromen en plannen stuk. Het knakt de sterkste gezondheid, het rooft ons de dierbaarste geliefden. In de plaats daarvan krijgen we een zwaar kruis te dragen.

Bij mijn roepen antwoord mij,
O God mijner gerechtigheid.
In de benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt,
Wees mij genadig en hoor mijn gebed.

O mannen. Hoe lang zal mijn eer tot schande zijn,
Daar gij ijdelheid liefhebt, leugen zoekt.
Weet toch, dat de Heere Zijn goedgunstigheid aan mij
Wonderlijk bewezen heeft;
De Heere hoort, als ik tot Hem roep.
Weest verschrikt en zondigt niet,
Spreekt in uw hart op uw leger en weest stil.
Brengt offers der gerechtigheid,
En vertrouwt op de Heere.

Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien?
Verhef over ons het licht Uws Aanschijns, o Heere!
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven,
Meer dan wanneer hun koren en hun most veelvuldig waren.
In vrede zal ik en nederliggen en slapen,
Want Gij alleen zijt de Heere,
Gij zult mij veilig doen wonen.

In deze psalm is een koning aan het woord en wel: een zeer teleurgestelde koning. Volgens het opschrift is het koning David. De koning heeft te lijden onder de verguizing van zijn volk. Hij is bij zijn onderdanen tot schande geworden. In vertwijfeling vraagt hij zich af, hoe lang dat nog zal duren.

Tegenover de koning staan mensen, die volgens de koning “de ijdelheid liefhebben en de leugen zoeken”. Dat zijn dus mensen, die met allerlei intriges proberen de koning van de troon te stoten. Waarom zij dat doen? Omdat zij teleurgesteld zijn in de koning. Zij hadden van hem meer verwacht, namelijk het goede. Velen zeggen daarom: “Wie zal ons het goede doen zien?” Wat zij daarmee bedoelen wordt duidelijk in het volgende vers: “Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan wanneer hun koren en hun most veelvuldig waren.”

Het “goede” bestond dus volgens die mannen uit overvloed van most en koren.

Wanneer er eenmaal materiële overvloed zou zijn, dan zou het “heil” er zijn en de koning zou een echte “heilskoning” zijn geweest, een “messiaanse” koning!

Het ging die mannen niet zo zeer om de geestelijke zegeningen van de Messias, de gemeenschap met God, de vergeving van de zonden, Gods koningschap, maar veeleer om het aardse en stoffelijke welzijn. Het was hun te doen om er zelf beter van te worden, eten, drinken en vrolijk zijn!

Nu waren die mensen teleurgesteld, want de koning had niet gebracht, wat zij verwacht en gehoopt hadden. Daarom haalden zij zijn naam door het slijk.

Dit moet voor de koning vreselijk geweest zijn! Begrijpt zijn volk er dan niets van? “Weet toch, dat de Heere Zijn goedgunstigheid aan mij wonderlijk bewezen heeft.” Met “goedgunstigheid” bedoelt hij: Gods trouw, dat Hij niet laat varen het werk van Zijn handen. Heeft de koning die trouw niet meermalen gemerkt, in zijn regering en ook in zijn persoonlijke leven? “Wonderlijk” zegt hij. Ja, het is een wonder, ook als wij zelf in ons leven terugkijken. Daarom kan hij ook bidden: “De Heere hoort, als ik tot Hem roep.”

De psalm begint ook met dit bidden: “Bij mijn roepen antwoord mij, o God mijner gerechtigheid. In de benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt, wees mij genadig en hoor mijn gebed.”  Hij vraagt om antwoord, wetend dat God hem nooit in de steek zal laten (dat is Zijn goedgunstigheid!). De koning wil, dat zijn volk dit ook weet en dat het zich meer tot God zal wenden. Het volk moet zich minder met aardse zaken bezig houden, maar veel meer met God. Het is daarom, dat hij zich in het tweede gedeelte van de psalm richt tot het volk:

“Weest verschrikt en zondigt niet, brengt offers der gerechtigheid en vertrouwt op de Heere.” De koning weet waarover hij spreekt. Hij zelf heeft Gods genade mogen ervaren: “Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven….. In vrede zal ik en nederliggen en slapen, want Gij alleen zijt de Here, Gij zult mij veilig doen wonen.”

Het is een psalm voor u en voor mij. Zijn ook wij niet vaak teleurgesteld? Je had van het leven zo veel verwacht! Het zou ons “het goede” doen zien, het geluk, welvaart, voorspoed… Hoe vaak hebben wij ’t elkaar niet toegewenst, als er weer een nieuw jaar begon? Maar het leven heeft dit dikwijls niet gebracht! En zo werden we teleurgesteld. Het leven kan zo wreed zijn, zo meedogenloos hard, het breekt onze mooiste dromen en plannen stuk. Het knakt de sterkste gezondheid, het rooft ons de dierbaarste geliefden. In de plaats daarvan krijgen we een zwaar kruis te dragen.

Ga met uw teleurstelling niet naar mensen, zij kunnen het toch niet helemaal invoelen, wat u doormaakt. Ga er mee tot God: spreekt in uw hart op uw leger (=bed) en weest stil. Ga er mee in de stilte, lig er desnoods maar eens een nacht over wakker en denk na over al de zegeningen, die u van Godswege óók ontvangen mocht. Ik wens u toe, dat het dan ook in u gaat zingen, net als bij koning David:

Vertrouw op Hem. O volk in smart,
Stort voor Hem uit uw ganse hart;
God is een toevlucht ’t allen tijde!

Het lied van de herder

Veel mensen verkeren in de waan juist dan gelukkig te zijn, als zij zo min mogelijk merken van Gods bemoeienis…

Psalm 23

Schaap in gras aan het waterDe Heere is mijn herder, ik zal geen gebrek hebben,
Hij doet mij nederliggen in grasrijke weiden.
Hij voert mij aan wateren der rust,
Hij geeft mij verkwikking,
Hij leidt mij in rechte sporen
Ter wille van Zijn naam.
Zelfs wanneer ik ga in een donker dal,
Zal ik geen onheil vrezen,
Omdat Gij bij mij zijt;
Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.

Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht
Tegenover mijn tegenstanders;
Gij maakt mijn hoofd vet met olie.
Mijn beker stroomt over.
Voorzeker achtervolgen mij geluk
En goedgunstigheid
Al de dagen van mijn leven.
En ik woon in des Heren huis
Tot in lengte van dagen.

Bekend is deze psalm, bekend is ook het beeld van de Herder: God, Die de mensen hoedt en verzorgt zoals een herder zijn schapen weide geeft. Hij doet ze neerliggen in grazige weiden.

Dit doet heel veel denken aan wat Jezus gezegd heeft over de goede Herder in Johannes 10. En ook aan wat Hij Zelf gedaan heeft: de goede Herder zet Zijn leven in voor zijn schapen. Hij kent zijn schapen bij name, en de schapen horen naar zijn stem en hij voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen allemaal naar buiten heeft gebracht, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zijn zijn stem kennen. (Joh. 10, 3 en 4).

Naast het beeld van de herder, vinden we in onze psalm ook nog de beelden van de gids en de gastheer. “Hij leidt mij in de rechte sporen, ter wille van zijn naam. Zelfs wanneer ik ga in een donker dal, ik vrees geen kwaad, omdat Gij bij mij zijt; Uw stok en Uw staf die vertroosten mij.” Met dat donkere dal wordt heel concreet het doodsdal bedoeld. De Oude Vertaling spreekt dan ook van “dal der schaduwe des doods”. Hij is een goede Gids, Die mij zelfs door de dood heen bij mijn bestemming brengt! Het leven haat dikwijls langs veel kromme sporen, toch gaat het naar Zijn doel, om Zijns naams wil.

“De Heer is mijn Herder, ‘k heb al wat mij lust…”

Toch ligt hier voor ons een moeilijkheid! Als God onze Herder is, dat heeft men toch niet alles wat men lust! Ik bedoel: dan gaat het toch niet alles van een leien dakje. Dat bewijst het leven van alle dag wel zonneklaar. Maar dat bedoelt de dichter ook niet, denk ik. Als God zijn herder is, dan heeft hij al wat hij nodig heeft. Immers: heeft hij niet eigenlijk maar één ding nodig: GOD? En aan die God mag hij zich volledig toevertrouwen!

Dat geldt ook voor ons. En dan ontvangen we de belofte van het tweede deel van de psalm:

“Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenstanders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker vloeit over.”

God overlaadt ons als een goede Gastheer met weldaden. De Psalmdichter getuigt hier van een rijk leven met zijn God. De grazige weiden, waar de Herder mij brengt, en de maaltijd, waarmee de Gastheer mij verzorgt, getuigen van Gods nimmer aflatende zorg voor ons. Als de mens dat ervaart, dan voelt hij zich gelukkig en vredig en rustig. Hij voert mij aan wateren der rust, Hij geeft mij verkwikking. Heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven! Ik woon in het huis van de Heer tot in lengte van dagen!

Water is heel belangrijk voor het leven van de mens. Voor de dorstige ziel is er water. “Kom tot de bron van het levende water en Ik zal u water putten. Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.” (Joh. 7, 38).

In al deze teksten spreekt Jezus van de Geest als het levende water. Water en geest staan borg voor het echte leven uit God en tot God. Is dit ook niet de rijkdom van de Heilige Doop? Rust en verkwikking, waar onze Psalm heenleidt, mogen we nog ervaren in de kerk en de kerkdienst:

“Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot
O Heer der legerscharen, God,
Zijn mij Uw huis en tempelzangen!”

Psalm 84, 1

Wat jammer toch, dat dit vandaag nog door zo weinig mensen beseft wordt! In het jachtige rusteloze leven heeft de mens juist zo’n plekje van rust en vrede nodig, als een soort voorbode van de hemelse zaligheid,. God wil ons daartoe het onderpand geven in Woord en sacrament, als een voorschot. De Psalmdichter kende dat: “Ik zal in het huis van de Heer verblijven tot in lengte van dagen.” Hij hield van zijn kerk (de tempel), waar God woont en Zijn heil toebereidt voor degenen, die Hem liefhebben. “Voorzeker achtervolgen mij geluk en goedgunstigheid”. Het is één en hetzelfde gebeuren: geluk en goedgunstigheid, het één hoort bij het ander. God is trouw aan wat Hij ook aan ons is begonnen. Dat is Zijn goedgunstigheid, waaruit het geluk van de mens voortvloeit.

Ik weet wel, voor veel mensen is dat tegenwoordig anders. Zij verkeren in de waan juist dan gelukkig te zijn, als zij zo min mogelijk merken van Gods bemoeienis. Zij hebben God voor hun leven niet nodig. Nu is het maar de vraag of je dan ook echt gelukkig bent. Je kunt je wel gelukkig voelen natuurlijk. Een mens is al gauw gelukkig, bij een beetje liefde en gezelligheid. Maar als ’t dan tegen zit, raken we de kluts kwijt en is het geluk verdwenen. Is dat dan geluk? Nee toch! Eigenlijk niet. Het heeft geen houvast, geen wortels, het beklijft niet. Maar geluk tegen de druk in, wat we normaliter “ongeluk” zouden noemen, dat is pas echt geluk! Een mens, die gehandicapt is, wordt vaak “ongelukkig” genoemd. “Ze hebben een ongelukkig kind” zeggen we dan, of: “hij loopt ongelukkig”. Maar zit het wel in je gezondheid of materiële welvaart of je gelukkig bent? De dichter weet wel beter: “Heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven…” dat is: in voor- en tegenspoed, in ziekte en gezondheid, in rijkdom en armoede! Wie Gods trouw kent, die heeft geluk. Kennen in de Bijbel betekent: uit ervaring kennen, in de omgang met iemand anders kennis opdoen. Zoals van een jongen en een meisje gezegd wordt, als ze verkering hebben: zij (of hij) heeft kennis. Zo is ook het kennen van God. Hij heeft omgang met ons en wij hebben omgang met Hem. Wie dat beleeft, die heeft geluk! Maar dat betekent ook dat je bedacht moet zijn op het omgekeerde: veel mensen zijn diep ongelukkig, ook al lijken ze van buiten heel voorspoedig en gelukkig.

Daarom: houdt goede moed en bidt of God u in Zijn spoor mag houden en waarachtig geluk mag geven. We zeggen wel eens: “In moeilijkheden en tegenslag leer je je echte vrienden kennen”. Nou, dat geldt zeker voor God en de mens die Hem vertrouwt.

God kent alleen het naaste pad,
Dat uitloopt op de hemelstad;
Hij weet, wanneer in ons gemoed
Of smart of blijdschap voorveel doet.

Komt treên wij dan bemoedigd voort
In vast vertrouwen op Zijn Woord!
Hoe moeilijk ons de weg ook schijnt,
Het eind zal zeker zalig zijn!

Gezang 196, 4 en 9 (Oude Bundel)

De lofzang klimt uit Sions zalen

Wie God vindt, dat wil eigenlijk zeggen: wie door God gevonden is, wie zich door God heeft laten vinden… wie eens ervaren heeft dat Hij een “Hoorder der gebeden” is, die kan toch niet anders dan een blij mens zijn?!

Psalm 65
“De lofzang klimt uit Sions zalen, tot U met stil ontzag”

Zo luidt het bekende begin van Psalm 65 in de oude berijming.

De Psalmdichter dankt. Waarvoor? Voor heel veel! Vooral, dat er nu regen gekomen was, na een lange periode van droogte. Droogte betekende hongersnood. En elke rechtgeaarde Israëliet wist, dat Gods hand daarin voelbaar was, want God zegent niet alleen, maar moet ook soms straffen. Daarom belijdt de dichter: “een stroom van ongerechtigheden had d’overhand op mij”. Maar nu had God Zijn hand opgeheven en de droogte weggenomen. Een milde regen was neergedaald, en er staat er een goede oogst op het veld. Daarvoor wil de dichter God danken. Hij trekt op naar Jeruzalem, naar de tempel. Hij zal daar de geloften, aan God gedaan (om Hem te dienen, als de nood voorbij was!), inlossen.

“De lofzang klimt uit Sions zalen, tot U met stil ontzag.
Daar zal men U, o God betalen, geloften dag aan dag!”

Zo zingend komen de pelgrims Jeruzalem binnen. Overal staan er al mensen, die zingen:

“Welzalig hij, die Gij verkiest en doet naderen om te wonen in Uw voorhoven!”

Hierna zingen alle mensen samen een loflied ter ere van God. Zij beginnen met “stilheid”. “U komt stilheid toe, een lofzang, o God in Sion” (vers 2). Je kunt nog zulke mooie woorden hebben, maar stilheid moet er ook bij. Stille persoonlijke overgave aan de Heer. Als dat ontbreekt, is elke lied, hoe mooi ook, dood.

“Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft” (vers 3). Wat een geweldige naam: Hoorder van het gebed! Het is een naam met een belofte voor al die mensen die op Hem vertrouwen en tot Hem bidden. God is een hoorder van het gebed voor iedereen, die tot Hem roept, voor “al wat leeft”. “Bidt en gij zult ontvangen, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal open gedaan worden.”  Nog mogen wij leven onder deze hoopvolle belofte!

“Ongerechtigheden hadden d’ overhand over mij” (vs.4). Letterlijk staat er: zaken van zonden waren sterker dan ik – zij waren mij boven het hoofd gegroeid! De zonde is zo sterk, wij weten het. We kunnen er niet tegen op. Niet zo verwonderlijk dus, dat de dichter, die God eerst aanroept als “Hoorder der gebeden”, nu denkt aan zijn eigen positie als zondig mens. Tegenover God zijn wij zulke kleine nietige mensjes! De dichter gaat zijn eigen zonden niet uit de weg, hij verontschuldigt zich ook niet. Hij staat eerlijk tegenover God en belijd Hem zijn zonden. Maar dan spreekt hij ook al snel over vergeving:

“Onze overtredingen, Gij verzoent ze”. Wat heeft die man een geloof in zijn God! Hij twijfelt er niet aan, of God vergeeft. Dat is vanzelfsprekend! Een andere God kent hij niet. Aan de ene kant zijn verschrikkelijke zonde, aan de andere kant Gods royale vergeving. Wat een wonder, dat die twee dingen samen kunnen gaan! Zonde-besef en genade-besef, wat hebben we dat beide nodig!

Dan volgt vanaf vers 6 een lofzang van de hele Gemeente. Zij zingen van de geduchte daden van God en van Zijn heil. “Met geduchte daden antwoordt Gij ons in gerechtigheid, o God van ons heil”. Misschien mist u hierin het woordje “liefde”. De Israëliet kende dat wel, maar niet zoals wij. Bij ons wordt liefde gauw sentimenteel. De Israëliet geloofde in een heilige liefdevolle God, die de mens soms doet boeten en tegelijkertijd ook zijn schuld vergeeft. Dat is wel wat anders dan ons spreken over God in de zin van “God is liefde”. Nee, de Bijbel spreekt over God, Die ons liefheeft, opdat wij Hem zouden vrezen.

“Gij, Die de bergen vastzet door Uw kracht, met sterkte omgord; Die het bruisen der zeeën doet bedaren…” We denken aan Jezus, Die de storm op het meer stilt.

“Daarom vrezen zij, die de einden der aarde bewonen.” Daarmee worden alle mensen op aarde bedoeld. Zij vrezen voor de tekenen van God, zoals storm en onweer, droogte, kometen, aardbevingen.

“Waar de morgen gloort en de avond daalt -dat wil zeggen: in oost en in west – overal brengt Gij gejuich.”

Tenslotte volgt er een gedeelte, dat handelt over Gods zegeningen in de natuur, over de regen en de plantengroei. Pas nu komt hij daartoe, terwijl dat toch de aanleiding was van deze psalm. Maar eerst moest hij schuld belijden en God loven als “Hoorder der gebeden”.

“Gij bezoekt het land en verleent het overvloed, Gij maakt het zeer rijk. De beek Gods (het regenwater!) is vol water. Gij bereidt hun koren. Ja, zo bereidt Gij alles” (vs.10). God is een God van overvloed. Hij staakt nooit. Beseffen wij dat eigenlijk wel? Wie, die hier in welvaart leven? Begrijpen we eigenlijk nog wel, dat we alles uit de hand van God ontvangen?

“Gij kroont het jaar van Uw goedheid” (vs.12). Dat is de tijd waarin wij leven: het jaar van Gods goedheid!

“De dreven der steppe druipen, de heuvelen omgorden zich met gejuich; de landouwen zijn bekleed met kudden, de dalen tooien zich met koren: zij jubelen elkaar toe, ook zingen zij” (vs. 13 en 14). Hoort u het? Wat een blijdschap klinkt er op uit deze woorden! Echte blijdschap is een groot goed. Het is nog maar zeldzaam in onze tijd. Blijdschap gaat gepaard met tevredenheid en stil geluk. Dan worden de kleine dingen groot, je ziet alles met de ogen van de zorgende God. Echte vreugde is er ook alleen in gemeenschap met Hem. Hij is de Vader, Die voor ons zorgt. Echte blijdschap ontvang je van Hem, als je op Hem vertrouwt. Hoeveel mensen lopen vandaag niet chagrijnig rond, ook Christenen, die beter zouden moeten weten. Soms lijkt het wel alsof in de Bijbel staat: het Koninkrijk van God is somberheid en droefgeestigheid. Helemaal fout! De blijdschap moet van ons afstralen!

“De lofzang klimt uit Sions zalen…” Maar die lofzang was er niet zo maar. Dit “Hosanna” is heen gegaan door een chaos van bittere levenservaringen. De Psalmdichter heeft een strijd achter zich, strijd om zijn bestaan tegen de grote droogte. Soms kan het in ons leven ook heel “droog” zijn. In die strijd had de dichter God gevonden als zijn grote Hulp. En wie God vindt, dat wil eigenlijk zeggen: wie door God gevonden is, wie zich door God heeft laten vinden… wie eens ervaren heeft dat Hij een “Hoorder der gebeden” is, die kan toch niet anders dan een blij mens zijn?!

Laten we daarom besluiten met het Psalmvers nog eens te horen, maar dan in de nieuwe Psalmberijming:

De stilte zingt U toe o Here,
In Uw verheven oord.
Daar zal men tot Uw lof inkeren,
Gij, Die het bidden hoort.
Daar zal men, Heer, tot U zich wenden,
Tot U komt al wat leeft,
Tot U, o Redder uit ellende,
Die alle schuld vergeeft.

Vrees niet

“Vrees niet, Ik de heer grijp uw rechterhand vast, die tot u zeg: vrees niet, Ik help u!” Dan zeg ik tegen de Heer: Gij hebt het Zelf beloofd en dus is het waar, ook voor mij, ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp!”

“Vrees niet, want ik ben met u”
Jesaja 41, 10

Pinksteren is het feest van de Heilige Geest en van ons. Van de Heilige Geest, omdat wij gedenken, hoe Deze op die eerste gedenkwaardige Pinksterdag is uitgestort. Van ons, omdat die Heilige Geest voor ons gekomen is als Helper en Trooster. Wij geloven, dat die Heilige Geest aan mensen geloof en aan die mensen het Evangelie uitlegt en zo die mensen tot Kerk en Gemeente maakt. Het eerste wat wij geloven van de Heilige Geest is: dat Hij de Heer Zelf is. Dat Hij kracht naar ons toe is, een helpende en zegenende hand. Door de Heilige Geest blijft de Heer Jezus onder ons en hoeven we niet bedroefd te zijn om Zijn heengaan met Hemelvaart. “Ik zal u niet als wezen achterlaten, Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven” (Joh.14, 18).

De Heilige Geest brengt mensen tot geloof. Wat houdt dat nu precies in? Ik denk, dat het alles te maken heeft met “vertrouwen”. Geloven is vertrouwen hebben in God. De Geest schenkt vertrouwen en wekt ook vertrouwen. Het is zo een dubbele beweging! Van God uit: “Wees maar niet bedroefd, want Ik blijf bij jullie, vertrouw daar maar op!” Maar ook van ons uit: “Wij geloven Uw Woord en vertrouwen er op, dat U ons nabij wilt zijn!”

Eens kreeg ik van een mevrouw een doos met oude boeken op het gebied van Kerk en theologie. Daar was ook het bekende juweeltje van Dr. Buskes bij: “Ziekentroost”. Ik bezat het nog niet en was er daarom erg blij mee. Toen ik er laatst in las, werd ik getroffen door wat de oude meester over het vertrouwen schreef. Mag ik het u doorgeven? Ik moet het u wel doorgeven, want voor in het boekje had iemand met beverige hand geschreven: “Na gebruik gelieve u dit boekje door te geven aan een zieke of eenzame”. Dat doe ik dan ook bij deze met het allergrootste plezier, want beter dan Buskes kan ik het toch niet zeggen! Hieronder volgt dus een hoofdstukje uit de Ziekentroost. Ik hoop, dat u er veel aan mag hebben en zo een gezegend Pinksteren mag beleven!

Vertrouwen

Ik roem in God, ik prijs ’t onfeilbaar Woord,
Ik heb het zelf uit Zijn mond gehoord.
Ik roem in God, door gene vrees gestoord (Ps.56, 5).

De nieuwe Psalmberijming zegt hetzelfde op een andere wijze:

God is mijn deel, mijn vreugd, mijn levenslicht,
Ik prijs Zijn Woord, dat mij heeft opgericht.
Dit Woord houdt stand, dit is mijn toeverzicht.

Het woord “onfeilbaar” is wat negatief. Het zegt wat Gods Woord niet is: feilbaar. De nieuwe berijming zegt het positief: Gods Woord houdt stand. Het woord “onfeilbaar” spreekt bovendien meer tot het verstand dan tot het hart. Ik zou liever zingen “ik roem in God, ik prijs ’t betrouwbaar Woord!”

Echt vertrouwen is Gods vertrouwen en dat Godsvertrouwen is een werkelijkheid in uw leven, als God Zijn betrouwbaar Woord tot u spreekt en u zich zelf op dat betrouwbare Woord verlaat, zodat u dit Woord vasthoudt en door dit Woord vastgehouden wordt.

Een eenvoudige vrouw op Texel, die jaren lang ziek was en het daarmee moeilijk had en daarom nogal eens twijfelde, zei eens tegen mij:

“Als ik het kwijt raak, lees ik Jesaja 41, 10 en 13. Ik lees die woorden hardop:
Vrees niet, want Ik ben uw God, Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand, Ik de heer grijp uw rechterhand vast, die tot u zeg: vrees niet, Ik help u!
Dan leg ik mijn vinger bij die woorden en zeg ik tegen de Heer: Gij hebt het Zelf beloofd en dus is het waar, ook voor mij, ik geloof Heer, kom mijn ongeloof te hulp!”

Er was eens een kleine jongen, die voor zijn moeder op zolder iets moest halen. Na het avondeten had vader uit de kinderbijbel voorgelezen en het slot was: God is overal en dus hoeven we nooit bang te zijn. De kleine jongen ging naar boven, maar kwam niet terug. Toen moeder ging kijken, zat hij halverwege op de zoldertrap. Hij durfde niet verder naar boven, omdat het donker en ruw weer was. De pannen rammelden op het dak. Hij durfde ook niet naar beneden, omdat hij zijn opdracht niet had vervuld. Moeder zei: nu hebben we dat mooie verhaal uit de Bijbel gelezen, je hoeft toch niet bang te zijn, God is overal! De kleine jongen zei: dat weet ik ook wel, maar ik had toch liever dat Hij mij een handje gaf!

Aan een God op bergen en in dalen, een God van overal en nergens, hebt u niets. U kunt niet op Hem vertrouwen. U hebt een God nodig precies daar, waar u het moeilijk hebt, halverwege op de zoldertrap, als niet vooruit en niet achteruit kunt. Als de mensen dan zeggen: je hoeft niet bang te zijn, God is overal, denkt u bij u zelf: het zal wel waar wezen, maar ik had toch liever, dat Hij bij mij was en mij een handje gaf.

Hier hebt u Gods belofte: “Ik de Heer grijp uw rechterhand vast, zie niet angstig rond, Ik help u!”

Op deze belofte en op God, die in deze belofte u Zijn hulp toezegt en uw hand vastgrijpt, moogt u vertrouwen. Geen vraagteken er achter, maar een uitroepteken er voor: !Vertrouwen!

Pinksteren
Het is niet waar, dat Gij ons hebt verlaten,
Gij zijt niet ver van ons vandaan gegaan,
En zelfs voor ons, die U zo vaak vergaten
Blijft elke dag U hart wijd open staan.

Het is niet waar, dat wij Uw hand niet voelen,
En dat wij tastend door het donker gaan;
Gij weet nog vóór ons spreken ons bedoelen,
Als wij alleen zijn, komt Gij baast ons staan.

Ons leven is toch veilig in Uw handen?
Het is toch waar, dat Gij nog wond’ren doet?
Ook in ons hart kunt Gij Uw vlam doen branden,
Luid roept in ons de stem, heer, van Uw bloed.

Door onze handen zegent Gij de mensen,
Door onze mond spreekt Gij Uw troostend Woord,
Door onze daad doorbreekt Gij alle grenzen,
Door ons gebed trekt G’ overwinnend voort!

Nel Benschop
(uit “Een boom in de wind”)

Toen keerden zij terug naar Jeruzalem

De Geest komt niet tot het individu, dat zich in hoogmoed van de anderen afzondert, de egoïst die alleen maar met zichzelf bezig is. Maar de Geest komt tot hen, die zich samen verbonden voelen en zich verantwoordelijk weten voor een heilige taak.

Handelingen 1, 12a

Toen keerden zij terug naar Jeruzalem. Het zijn de 11 discipelen, nadat zij op de Olijfberg hadden gestaan en de afscheidswoorden van de Heer hadden gehoord. Toen hadden zij de Heer naar de hemel zien gaan.

Dat was een mooi moment geweest in hun leven, het mooiste, dat zij ooit hadden meegemaakt. De Meester, Die op Golgota nog zo was vernederd, was nu door de Vader verheerlijkt en opgenomen in heerlijkheid. In de heerlijkheid, Die Hij vóór de wereld al bezat Een geweldige ervaring voor de discipelen, die eigenlijk al alle moed en hoop verloren hadden. Dat kunnen we ons toch indenken. Wat een verheven moment! En toen keerden zij terug naar Jeruzalem!

Er ligt een tegenstelling tussen die twee plaatsen: de Olijfberg en Jeruzalem. De berg van de verheerlijking en de stad, die de profeten doodt en kruisigt die tot haar gezonden zijn. Hadden zij niet liever die stad vermeden? De stad, waaraan zij zulke droeve herinneringen bewaarden? Zouden ze niet liever de stilte van het Judeese berglandschap opgezocht hebben om daar wat na te genieten van die heerlijke Hemelvaartgebeurtenis?

Natuurlijk had Hij daar wel over gesproken tijdens Zijn leven. Dat Zijn Koninkrijk zou beginnen in de Godsstad Jeruzalem. Maar dat zou een Jeruzalem zijn, dat overwonnen was, een hemelse stad. Maar nu moeten zij terug naar dat aardse Jeruzalem, dat nog vol is van strijd en verzet tegen het Evangelie. En zij moeten daar maar afwachten de tijden en gelegenheden, waarover alleen de Vader de beschikking heeft. Het moet voor die discipelen wel een heel moeilijke gang geweest zijn, terug naar Jeruzalem. Bijna net zo moeilijk als enkele maanden geleden, toen de Heer tot hen zei: “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de Schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood brengen” (Matth. 20,18).

Wij kunnen ons dat alles vandaag ook nog indenken, hoewel wij met onze Hemelvaartsbeleving maar een zwak aftreksel hebben van wat zij toen beleefd hebben. Wij geloven in de Hemelvaart van onze Heer en Hemelvaart wordt wel eens terecht de hoogste Christelijke feestdag genoemd. “God heeft Hem bovenmate verhoogd en de naam boven alle naam gegeven” zegt Paulus in Philippenzen 2. We zijn daar echt blij om en we zouden zoiets voor onszelf ook wel willen meemaken. Misschien hebben wij ook wel eens zulke verheven momenten in ons leven meegemaakt, waarin je je al in de hemel waande. Maar dan moest je weer terug, naar de harde werkelijkheid van elke dag, naar een wereld die niet op geloof berekend is. Je hoort daar wel eens van, als iemand op de rand van de dood gelegen heeft en toen door reanimatie weer terug moest, het harde leven in. He was er zo mooi, zo prachtig licht, aan die andere kant van de tunnel. Maar dan moet je weer terug naar het profeten-dodend Jeruzalem!

Die terugkeer van de discipelen is een daad van gehoorzaamheid. De Heer had het hun immers bevolen. De wereld, ja zelfs Gods eigen volk, laat God los. Maar God laat die wereld en Zijn volk niet los! Al worden zij ontrouw, God blijft trouw. Het is daarom, dat zij weer terug moeten, de discipelen. Want God wil het wonder doen, dat Hij uit deze kring van zwakke mannen, die allemaal van Golgota waren weggevlucht, een gemeenschap sticht om Zijn Naam en Evangelie over heel de wereld uit te dragen.

Zij moeten terug gaan naar Jeruzalem om de strijd aan te gaan. Maar niet als wanhopige en machteloze mensen, maar als mannen die zich gesterkt en aangespoord weten door hun Heer in de hemel. Had Jezus hun bij Zijn heengaan niet beloofd, dat zij kracht van Boven zouden ontvangen? “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria tot het uiterste der aarde” (Handelingen 1, 8). En dat geeft hen moed om weer terug te gaan, hoe moeilijk het ook is. Het is geen blinde gehoorzaamheid, er zit verrouwen in: zij mogen daar wachten op de vervulling van de belofte van de Heiland. Er wacht hun wel een ontzaggelijke arbeid, waar zij zich veel te gering voor vinden. Maar zij hoeven niet te vertrouwen op eigen kracht, zij mogen rekenen op de grote Bijstand, de Trooster, de Geest van Hierboven.

En precies zo ligt dat ook voor ons, die Hemelvaart gevierd hebben. Net als de discipelen zouden ook wij wel eens de neiging hebben om de wereld te ontvluchten, om je in je geloof terug te trekken en je af te zonderen van ’t o zo zondige en ongelovige Jeruzalem. Maar wij moeten terug, de wereld in. Wij krijgen die opdracht van God. Maar God helpt ons ook daarbij: wij krijgen de hulp van de Heilige Geest. Het is genade van God, dat die Geest komt. Volgende week zondag gedenken wij dat weer: de uitstorting van de Heilige Geest. Wij mogen ons er nu al op voorbereiden. In onze tekst zien wij dat ook gebeuren. In de eerste plaats is er het vertrouwend wachten van de discipelen. Wachten en tegelijk al getuige zijn! Die taak is ook ons opgedragen. Het betekent, dat wij Zijn Woord bewaren, het blijde Evangelie steeds weer bekend maken. Laten zien, dat je Hem toebehoort. “Dat ik Jezus toebehoor, dankbaar is mijn hart er voor!”

Van Jezus getuigen is geen eenvoudige opgave. Dat kan veel strijd en moeite kosten. Het heeft zelfs honderdduizenden het leven gekost. Het is vaak vechten tegen de bierkaai. Het is de haat van de wereld over je heen laten komen en toch ongebroken blijven. Maar wij mogen op Gods bijstand rekenen, en dat maakt het verschil. Het is afzien van je zelf en opzien tot de Ander! Laten we de anderen tonen welke kracht er in het geloof zit. Maar dan moet je er ook zelf voor open staan en het voeden. Uit ons zelf kunnen we het niet, we zijn niet sterk in het geloof. Wij blijven zwakke, zondige en twijfelachtige mensen. Net als de discipelen trouwens. Ook Paulus wist dat van zich zelf. Maar de Heer spreekt ons aan om ons telkens opnieuw moed te geven: “Gij zult kracht ontvangen, als de Heilige Geest over u komt!” Op Hem en Zijn Woord mogen we vertrouwen, want Hij is gisteen en vandaag en tot in eeuwigheid Dezelfde. Van Hem gaat de kracht uit, die wij vanuit onszelf niet kunnen opbrengen.

Vertrouwend wachten op de Heilige Geest is dan ook in die kracht geloven, dat die ook in je zelf komt! Maar dat kun je niet alleen. Het is daarom nodig, dat je niet op je zelf blijft staan. Daarom staat er in onze tekst: “Zij waren eendrachtig bijeen”. De elf discipelen en de vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en zijn broers, die tijdens Zijn aardse leven niet in Hem hadden geloofd. Er wordt zelfs gesproken over 120 personen! Dat is een hele Gemeente! Eendrachtig bijeen wachten zij op de Heilige Geest. De Geest komt niet tot het individu, dat zich in hoogmoed van de anderen afzondert, de egoïst die alleen maar met zich zelf bezig is. Maar de Geest komt tot hen, die zich samen verbonden voelen en zich verantwoordelijk weten voor een heilige taak. Deze taak: het Evangelie uit te dragen! Ons is een machtig goed toevertrouwd. Wij weten, dat Christus leeft, dat Hij verheerlijkt is, dat Hem macht is gegeven, alle macht in hemel en op aarde. Wij weten ook, dat Hij ons vasthoudt, Dat alles kunnen wij alleen voelen en uitdragen, als wij ons met anderen verbonden weten in een heilig werk. Wij geloven in de gemeenschap der heiligen, één heilige algemene Christelijke Kerk!

Daarom waren zij allen eendrachtig bijeen. Dat betekent niet, dat zij het in alle opzichten met elkaar eens waren. Er zullen ook toen al verschillen in opvattingen geweest zijn. Maar dat geeft niet, je kunt toch samen eendrachtig wachten op de Heilige Geest.

Tenslotte staat er nog, dat zij volhardden in het gebed. Het is niet maar afwachten met de armen over elkaar. Nee, het is werkzaam afwachten, met de handen in elkaar, volhardend in gebed en smeking. Wat zullen die discipelen daar in de Opperzaal gebeden en gesmeekt hebben? Ik denk in de eerste plaats dit: Dat de wrok jegens het profeten-dodend Jeruzalem, de haat tegen hun vijanden, die hun Heer aan het kruis hebben genageld, van hen weggenomen mocht worden. Die afkeer en haat was in de dagen na de kruisiging tot angst geworden, doodsangst. Zij baden, denk ik, vooral om van die angst verlost te worden. Zij zullen gesmeekt hebben om een ontvankelijke geest, de geest van Christus, die voor Zijn vijanden bad: “Vader, vergeef het hun”. Alleen, wanneer we zo’n geest hebben, een geest van vergeving en boetedoening, zal de Heilige Geest in ons kunnen komen.

We moeten terug naar Jeruzalem! De wereld in, vol vertrouwen in de macht van de Heer, ook in ons eigen leven. Wachtend en biddend en eendrachtig bijeen.

Amen.

De Kananese vrouw

De Kananese vrouw is verworpen door God, zij is maar een hond! Wat erg. Daar staat ze nu: verbijsterd, diepongelukkig, vernederd, afgewezen, verworpen. Zij zou het kunnen uitschreeuwen, net als Jezus aan het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”

Mattheüs 15, 21-28

In onze Schriftlezing staat de aanvechting van het geloof centraal. Veel mensen herkennen dat in hun leven. Het is een grote beproeving, door allerlei oorzaken: ziekte, teleurstelling, tegenslag, twijfel, ruzie, eenzaamheid en verlatenheid. Hier, in onze tekst, is het de ziekte van een dochter, die de vrouw tot Jezus doet komen. “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten”.

Maarten Luther zag in deze vrouw een voorbeeld, hoe het geloof de aanvechting kan overwinnen. Die vrouw staat hier voor al die mensen, die in hun aanvechting God toch niet loslaten. “Want”, zo zei Luther, “zoals het deze vrouw gebeurt, zó zal het gaan met allen, die in het geloof volharden.” Ja, dat is mooi gezegd. Maar we weten allemaal ook, dat het niet zo maar gaat! Het moet vaak door veel beproevingen heen! Het leven is soms een kruis, dat moeilijk te dragen is. En kruisdrager te zijn is een hard bedrijf, waar menig mens onder bezwijkt.

Onze vrouw stond er middenin. Haar kind was ziek, zelfs “deerlijk bezeten”. Heel ernstig. Wat moeten we daar onder verstaan? Dat zij zwakzinnig was? Ja, misschien wel dubbel gehandicapt, met epileptische toevallen. We weten het niet precies. Het was voor de moeder een vreselijk kruis, een grote zorg, zoals ouders dat ook vandaag nog meemaken. En wat doe je dan al niet om je kind te helpen? Je bent er altijd op gespitst of er niet ergens een dokter is of een nieuw medicijn of een alternatieve geneeswijze, waardoor er misschien nog hoop is voor je kind.

De vrouw had van Jezus gehoord, hoewel de Heer Zich verborgen had in een huis, zoals Marcus in hoofdstuk 7 vertelt. Hij was dus eigenlijk niet te spreken. Hij had geen spreekuur, zeg maar. Toch had de vrouw al van Hem gehoord en dat Hij daar was. En voor een moeder, die opkomt voor haar kind, telt een spreekuur niet! Opeens staat zij daar voor Hem en schreeuwt het uit: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten!” Zij heeft over Jezus gehoord, wie Hij is en wat Hij kan. Maar wat heb ik daar aan, als het aan mij niet gebeurt? Ik heb die Jezus nodig, mij moet Hij helpen! Geloven is een persoonlijk iets, het raakt mij in hart en nieren. Mij persoonlijk, in mijn nood en aanvechting, in mijn twijfel en hoop.

Dan staat zij daar en zij schreeuwt het uit alsof ze zeggen wil: “Hier ben ik dan, Heer, help mij toch, U kunt toch zo veel? Ik heb U nu zo nodig!” Het gaat om Hem en om mij in het geloof. “Mijn Heer en mijn God!” Als je dat niet kunt zeggen, blijf je toch een buitenstaander en zal het geloof je niet veel te bieden hebben. Alleen in persoonlijke ontmoeting met de Heer wordt geloof zichtbaar. Maar het gaat wel door de aanvechting heen! Dat laat het vervolg van onze geschiedenis duidelijk zien. De aanvechting komt niet alleen van buiten af, zoals ziekte en tegenslag. Maar soms gaat het dieper en komt die aanvechting van binnenuit, uit je zelf, uit je wantrouwen en ongeloof. Misschien zelfs vanuit de Heer Zelf, Die niet naar je luistert. Die vrouw moest dat ook ervaren. Daar staat: “Hij echter antwoordde haar geen woord”. Wat erg zeg! Het geloof van die vrouw wordt wel op de proef gesteld. Maar zij geeft niet op! Zij klampt zich aan Jezus vast en blijft roepen. Het irriteert ook de discipelen. Zij zeggen tegen Jezus: “Stuur dat mens toch weg, want zij roept ons na!”

“Hij echter antwoordde en zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël”. Begrijpt u dat nou? Waarom laat de Heer zo’n arme vrouw nou in de kou staan? Dat doe je toch niet! Waarom voelen zo veel mensen zich van God en mens verlaten? Hoe komt het toch, dat God vaak zo ver weg lijkt? Waarom hoort hij dat schreeuwen en om hulp roepen van arme mensen niet? De vrouw had nog zo geroepen: “Zoon van David”. Zij wist, wie Hij was: de Messias, volgens de oude profeten “Zoon van David” genoemd. Zij is maar een heidense vrouw, dat weet zij maar al te goed, toch komt zij tot Hem, omdat Hij de Messias is! Ook dat weet zij. Hij zal het Koninkrijk van God brengen, dat in de Messiaanse tijd niet alleen Israël zou omvatten, maar dat ook vanuit Israël tot de heidenen zou komen. Hier staat een heidense vrouw, die zich daarvan heel goed bewust was. Dat betekent toch ook, dat de God van Israël er voor haar was? Zij had dat, denk ik, beter begrepen dan de discipelen, die alleen maar dachten dat Israël was uitverkoren en de heidenen verworpen. Daardoor stond die vrouw er bij de discipelen slecht op: zij was maar een heidense vrouw! Ach, die mannenbroeders hadden beter moeten weten! Maar is het niet vaak in de kerk nog zo? Kerkmensen denken het soms beter te weten dan God Zelf! In ieder geval is dit al de eerste aanvechting, waartegen die vrouw moet opboksen: het vooroordeel van de mensen, dat zij tegen heeft.

Dan volgt al snel de tweede aanvechting. Jezus geeft “niet thuis”. Hij antwoordt niet. Het zwijgen van God is de grote aanvechting van iedereen, die bidt. Ook in de Psalmen horen we dit: “Tot U roep ik, Here, mijn rots, wend U niet zwijgend van mij af…” (Ps.28) en Psalm 83: “O God, houd U niet stil, zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God!” Het zwijgen van God is iets vreselijks. Je kunt het niet verdragen. Zoals het horen en verhoren van God voor ons redding betekent, zo is het zwijgen van God voor ons verwerping. De mens voelt zich dan buiten gesloten. Dat is het ook ergste tussen mensen die om elkaar geven, als er soms gezwegen moet worden, als men soms in een ruzie dagen lang geen woord tegen elkaar zegt. Dit stommetje spelen is moordend, is de dood zelf, elkaar doodzwijgen De dichter van Psalm 28 zegt het heel duidelijk: “Als U blijft zwijgen, o God, word ik als iemand die in de groeve neerdaalt, dan ben ik dood.”

Wat moet die vrouw zich ellendig gevoeld hebben! Buiten gesloten door de mensen en nu ook door Hem, de Zoon van David, op Wie ze zo gerekend had! De kerkvader Augustinus tekent hierbij aan: “Zo handelt God met allen, die tot Hem komen, niet opdat de barmhartigheid wordt genegeerd, maar opdat het verlangen wordt vermeerderd!” We zien dat ook bij de vrouw. Zij laat zich niet wegsturen, zij blijft roepen en vragen! In haar isolement, in die grote aanvechting van haar geloof, blijft ze toch de Heer zoeken. De volhouder wint! Daar gaat het om in het geloof! Dat wil de Evangelist Mattheüs ons hier leren.

Eerst zegt Jezus nog “nee”. Nadat Hij gezwegen heeft komt de afwijzing: “Nee!”. Dat is de derde beproeving en aanvechting van het geloof van de vrouw. Jij bent Mij niet waard! Jij bent maar een zondige heidense vrouw, wat denk je wel! Er zijn mensen, die het juist met deze laatste aanvechting heel moeilijk hebben. Ze weten het immers zelf ook maar al te goed, hoe en wat ze zijn: zondige mensen. Zij ervaren hun schuld als onoverbrugbaar. Gelukkig is God bij machte die schuld toch te overbruggen. God kent u dieper dan u zich zelf kent, niets blijft voor Hem verborgen, daarom weet Hij er ook raad mee. Hij kan het overbruggen, het wegdoen.

Dat mocht de Kananese vrouw ervaren. Zij had een ontmoeting met Jezus. Maar Jezus zei “nee”. Toch laat de vrouw zich niet afschrikken. Des te sterker wordt haar verlangen naar Hem. Zij loopt niet meer achter Hem aan, maar werpt zich voor Zijn voeten! Alles, wat zij nog te zeggen heeft is één lange schreeuw: “Heer, help mij toch!” Hoe groter de nood, hoe korter het gebed. Dan is er alleen nog maar die ene kreet, recht uit het hart: “Here, help mij!” Dat is het antwoord van het geloof op het “nee” van Jezus.

Nu komt het ergste nog. De vrouw moet door de diepste diepte van de beproeving heen. Jezus antwoordde en zeide:  “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het de honden toe te werpen…” Het brood, misschien wordt hiermee het levensbrood bedoeld. Na deze geschiedenis verhaalt de Evangelist immers de tweede wonderbare spijziging. Het levensbrood is niet voor de honden, maar voor de kinderen! Hiermee wordt de vrouw gelijkgesteld aan die schurftige straathonden, die elke dag moeten vechten om iets te eten te krijgen. Het is je reinste discriminatie! Zij is verworpen door God, zij is maar een hond! Wat erg. Daar staat ze nu: verbijsterd, diepongelukkig, vernederd, afgewezen, verworpen. Zij zou het kunnen uitschreeuwen, net als Jezus aan het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”

Maar dan gebeurt het wonder. Juist in die verlating blijkt Gods liefde het dichts nabij. De vrouw krijgt de kracht om in die diepte van de verlating en aanvechting overeind te blijven en God te houden aan Zijn Woord. Zij vangt Jezus in Zijn eigen woorden: “Zeker, Here, maar ook de honden eten van de kruimels…” In dit “Ja, Heer, maar toch…” ligt de grote kracht van haar geloof  Zij buigt zich onder Gods oordeel, zij wordt niet boos en gaat niet met God de discussie aan, nee, zij geeft zich over: “Zeker, Heer, maar toch…”  Maar zij laat Hem niet los! Zij blijft “ja” zeggen tegen het “nee” van Jezus. En toch, en toch… In alle beproeving blijft het geloof overeind. Daarin ligt tenslotte de verhoring van het gebed. Nooit kan het geloof te veel verwachten (gez.291).

“O vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst.”

En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.

Amen.

Hinkende mensen

Je weet wel wat het geloof leert, maar eigenlijk denk je er niet meer aan op een doordeweekse dag. Zo liggen leer en leven soms mijlenver uit elkaar! Geloven met de mond, maar de daden… ho maar!

Jacob worstelt met de engel. Rembrandt, 1660.Romeinen 6, 8
“Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.”

In onze tekst klinkt het Paasgebeuren nog na, tegelijk voelen we er al iets van Pinksteren. Ik geloof in de opstanding van het vlees, dat is het lichaam, zo klinkt het in Apostolische Geloofsbelijdenis. Dat is Paasgeloof. “Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven”. De oude mens sterft en de nieuwe mens staat op. Zoals wij het met één van onze oude gezangen uitzingen:

“Leer mij daaglijks, leer mij duizendwerven,
In Uw kruisdood meegekruisigd sterven,
En herboren, opgestaan,
Achter U ten hemel gaan.”

Paasgeloof opent voor ons de hemel: wij gaan ten hemel in en erven Koninkrijken! Ons wacht het nieuwe leven, de Heilige Geest komt! Dat alles is als ’t waren één geweldig gebeuren: Pasen – Hemelvaart – Pinksteren. Zoals het voor de Heer ook één levenslijn was: van het kruis tot in de Hemel, zittende ter rechterhand van God, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Daar hoort ook Goede Vrijdag bij, ja, ook het lijden:

“Leer mij daaglijks, leer mij duizendwerven,
In Uw kruisdood meegekruisigd sterven…”

Weten we eigenlijk wel, wat we daar zingen? Dat lijden en meegekruisigd sterven kun je toch alleen, als je terugziet op Pasen en uitziet naar Pinksteren. Alleen zó komt er vastheid en zekerheid in ons leven. Met de blik gericht op Pasen en Hemelvaart en Pinksteren, biddend wachtend op de komst van de Heilige Geest, wat de discipelen ook gedaan hebben na Pasen. Maar ja, daar moeten we wel ons best voor doen. Ik bedoel: je moet er wel aan denken en er mee bezig zijn. Het komt allemaal niet vanzelf! Leer en leven moeten in elkaar overgaan, een eenheid worden. Wat je in de kerk leert, moet in het leven van alle dag z’n uitwerking krijgen. Vaak is het niet zo bij ons Kerkmensen. Je weet wel wat het geloof leert, maar eigenlijk denk je er niet meer aan op een doordeweekse dag. Zo liggen leer en leven soms mijlenver uit elkaar! Geloven met de mond, maar de daden… ho maar! Ze zeiden vroeger al: als het erts blijft liggen naast de smeltkroes wordt het nooit tot zuiver goud, het wordt eigenlijk helemaal niets, niet eens doublee! Zo is het ook met ons geestelijk leven na Pasen: als wij niet gaan leven door het proces van de afsterving van de oude mens heen, wordt die nieuwe mens nooit geboren.

Dat zien we heel duidelijk bij Jacob in Genesis 32. We zien daar een man sterven en opstaan. Jacob, de “bedrieger”, zo heet hij toch? Maar als hij opstaat is hij een heel ander mens geworden, daarom geeft God hem een nieuwe naam: Israël, strijder Gods. De oude naam past niet meer bij hem in zijn nieuwe leven. Die geschiedenis van Jacob kan ons heel wat leren! Wij zouden dat ook wel willen, maar het lukt ons niet. Nou ging dat bij Jacob ook niet zo maar. Het is een hele lange weg van vallen en opstaan! En dat komt, omdat wij zo hardleers zijn. Op school kwam je wel eens goed weg, als je afkeek bij je buurman of buurvrouw. Je kreeg dan een hoger cijfer. Maar in het werkelijke leven is dat anders. Daar moet je op eigen benen staan en je eigen peultjes doppen. Daar wordt ook veel afgekeken. Mensen apen elkaar graag na. In het geloof is dat niet anders: napraterij, allemaal vrome woorden, maar als ’t er op aan komt, blijkt het niet echt je bezit te zijn, je gelooft er niet echt in en leeft er niet echt uit. In het geloof is er vaak geen vastigheid, zeker vertrouwen. Mensen zijn hardleers. En daarom duurt het vaak zo lang, voordat een mens tot bezinning komt en rust in God vindt, zoals Jacob dat uiteindelijk overkwam. Het moet voor God ook moeilijk zijn, om zulke hardleerse mensen tot de orde te roepen. Jacob was ook zo’n mens. “Hielelichter” heet hij, niet zo’n beste naam. De Bijbel verklaart het nog wel door te vertellen, dat, toen hij als tweeling geboren werd met zijn broer Esau, dat hij toen de hiel van zijn broer vasthield. Maar later blijkt, dat het hielelichten ook met zijn karakter te maken had. Als je iemand bij de hiel beetpakt, doe je dat met de bedoeling om hem te laten struikelen. Beentjeslichten noemen we dat. Het komt in de voetballerij nogal eens voor. En het wordt daar dan ook fiks bestraft! Nou, Jacob had daar ook best aanleg voor. Van onze aanleg hebben we soms veel last. Dat zal bij Jacob niet anders geweest zijn. Nou is het heel bijzonder, dat God ons nou juist op die zwakke punten, waar we zelf ook zo’n moeite mee hebben, aanpakt. Je zou kunnen zeggen, dat God van onze zwakheden een dankbaar gebruik maakt om ons her – op te voeden.

Jacob bedriegt zijn broer. En dat is nog tot daar aan toe. Esau is een beer van een kerel, die best voor zich zelf kan opkomen. Maar later ziet hij er ook niet tegen op om zijn oude blinde vader te bedriegen. Hij deinst er niet voor terug om voor dit doel een hele komedie op te zetten. En ’t hangt niet van hem af, dat het allemaal als een tragedie eindigt. Ja, wie in de wereld wil slagen, moet wel eens wat sjoemelen met z’n geweten! Dat was vroeger zo, dat is nog zo. Die slimme Jacob toch! Hij had alles mooi voor elkaar. Tenminste: dat dacht hij! Maar dan komt de eerste slag: Esau is vreselijk boos, als hij merkt dat hij bedrogen is, en Jacob moet vluchten. Op zijn vlucht slaapt hij onder de blote hemel en daar heeft hij een wonderlijk visioen. God spreekt met hem, en Hij is nog aardig ook! Hij geeft hem de belofte hem niet te zullen verlaten. Als dat geen geweldige troost was voor een man die vlucht voor z’n leven! Maar zou hij daardoor ook iets geleerd hebben? Is hij klein en beschaamd geworden onder de genade van God, Die niet boos op hem is? Welnee. Aan de buiten kant lijkt het wel zo, want hij richt nog een altaar op. Maar van binnen… hoor maar hoe hij tot God spreekt: “Als U mij bewaart en brood en vooruitgang geeft, dan zal ik U dienen.” Alles draait weer om z’n eigen “ik”. Spreekt hier een mens, die tot bekering gekomen is? Nee toch! Hij is een hardleerse man, en dat zal zo blijven, jaren lang. Hij krijgt nog veel te verwerken, maar zal toch steeds weer proberen zich zelf te handhaven. God krijgt geen vat op hem. Naar buiten wordt zijn leven een groot succes. En dan moet ik denken aan de tekst waar ik vorige week over gepreekt heb: “Wat baat het de mens, als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?”. Het ging Jacob in alles voor de wind, maar toch… arme Jacob!

Het is nu zo’n twintig jaar later. In zo’n lange tijd kan een mens heel wat leren, zou je zeggen. Maar Jakob heeft nog niet veel bijgeleerd. Tenminste niet datgene, wat God hem graag bij zou willen brengen. Bij ome Laban is ’t hem voor de wind gegaan, althans materieel. Maar luisteren naar God is er niet echt bij. ’t Is een man, die nooit stil wordt voor Gods Aangezicht. Altijd maar aan ’t werk en plannetjes smeden voor zichzelf. En nu zijn we twintig jaar verder en Jakob krijgt heimwee naar huis, naar z’n vaderland. Alles wordt bijeen gepakt en Jakob gaat op reis. “Ik vertrek”. ’t Is hem wel een beetje bang te moede en daar heeft hij ook alle redenen voor. Hoe zou ’t met Esau zijn? Nog steeds op wraak belust? Voor alle zekerheid komen daarom alle kostbaarheden en zijn vrouwen en kinderen, achteraan in de stoet. Maar er is ook nog iets anders, dat hem verontrust: de confrontatie met het verleden. Het verleden, dat als een schaduw met je mee trekt. Heeft u dat ook wel? Je denkt terug aan vroeger, aan je idealen, aan je verwachtingen, je tekortkomingen, en dan schrik je. Het verleden staat voor je op en het beschuldigt je: wat heb je er van gemaakt, van je leven? Het verleden grijpt ook Jakob aan: één aaneenschakeling van schulden en tekortkomingen.

Nu komt hij bij de beek Jabbok. Iedereen is er over, hij alleen blijft achter. Hij zoekt de eenzaamheid. En in die eenzame nacht, waarin een mens vecht met zichzelf, vindt de worsteling met God plaats. Hier maakt Jakob die geestelijke ervaring door, die duizenden na hem gemaakt hebben. Het lijkt alsof God geen aandacht voor hem heeft, alsof Hij verder wil gaan. “Laat Mij gaan Jakob, want de dageraad is gekomen.” Maar de dageraad kon voor Jakob niet het licht brengen, waarnaar hij verlangde: een genadige God, rust en zekerheid in zijn leven. Het is dezelfde worsteling, die Maarten Luther later zou doormaken, toen hij zichzelf afmatte in het verkrijgen van een genadige God. Er kunnen ogenblikken in ons leven zijn, waarin God doet alsof Hij met ons niets te maken heeft. Denk aan Jezus en de storm op zee. De discipelen waren in doodsangst, maar Jezus sliep. Jakob had aan zichzelf altijd genoeg gehad, net als wij, altijd met onszelf bezig. Het is de handhaving van de oude mens in je. En dan komt God en zegt: doe het dan maar met die oude mens, red je zelf dan maar!~Je kunt het toch zo goed? Je bent toch zo’n slimmerd, Jakob? Doe het maar zonder Mij! Maar dan blijkt, hoe hopeloos je er voor staat en dat het niet gaat zonder Hem.

“Willen jullie ook maar niet liever weggaan?” vraagt Jezus aan Zijn discipelen, als iedereen Hem verlaat. Willen jullie ook maar niet liever gaan? Want nu wordt het gevaarlijk om bij Jezus te zijn! En dan komt de bezinning, als Petrus in één grote schreeuw antwoordt: “Heer, tot Wie anders zullen wij heengaan?”

Het is een echo van Jakobs schreeuw: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!” Eindelijk inzicht: dat het leven zonder God niet kan. Hem nooit meer loslaten, al zou je ook met Hem moeten lijden en sterven! In Zijn dood vinden wij het leven. Zo werd het Pasen voor Jakob en het Pinksterfeest ligt voor hem in het verschiet. Hij krijgt een nieuwe naam en wordt een nieuwe mens. En de geschiedenis van Jakob eindigt zo mooi: “En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was.” Pniël: aangezicht van God, Jezus. Hij zei toch: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien?” Een mens mag voor Gods aangezicht verschijnen! Wat een wonder is dat!

Nu is de worsteling ten einde en de duisternis voorbij. Na die donkere nacht komt echt de dageraad, als voorbode van de nieuwe dag, voor hernieuwde mensen, die leven mogen met en voor God.

Jakob, een man die hinkend zijn weg gaat, zoals Paulus met een doorn in het vlees verder moest en zoals u en ik ieder met eigen gebreken verder moeten, hinkende mensen zijn wij, maar aan God hebben we genoeg.

U toch ook?

Amen.

Schade aan de ziel

Een lijdende Heiland, dat kon toch niet! “Nee, Heer, dat in geen geval! Wat hebben we daar nou aan? Wat geeft dat? Niets, niets dan ellende! En dat moeten we niet!” Een zegevierende Messias moesten ze hebben!

Marcus 8, 36
“Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?”

Wat baat het? Of, zoals wij gewoon zeggen: wat geeft ‘t, wat heb je er aan? Wat geeft het? Echt een materialistische vraag! Ook echt iets van deze tijd! Wij zijn gewend om altijd naar het resultaat te vragen, of het ook iets oplevert. Wat niets “geeft” is waardeloos, wat veel “geeft” is de moeite waard. We hebben hier dus echt een actuele tekst, zeker in onze tijd van de creditcrisis. Een tekst, die spreekt van verlies en winst.

Wat geeft het? Wat heb ik er aan? Wat koop ik er voor? Veel mensen stellen die vraag ook aan de Bijbel en de Kerk en het geloof. Wat heb ik er aan? Velen concluderen dan: niets, helemaal; niets. En zij moeten er dan ook niets meer van hebben! Vroeger, in de dagen van Constantijn de Grote in de 4e eeuw n.C., toen het christendom staatsgodsdienst werd in het grote Romeinse Rijk, toen “gaf” het wat om Christen te heten. Het opende de weg tot allerlei voordelige betrekkingen en zo. Ook later was het geloof en het behoren tot de Kerk zo gunstig, dat velen alleen al om die reden zijn overgestapt. Nog in mijn jeugd waren er bedrijven, waar je niet binnen kwam, als je niet je Hervormde of Gereformeerde doopbriefje kon laten zien. U hebt dit waarschijnlijk ook nog wel meegemaakt. En ook vandaag nog zijn er jonge ouders, die hun kinderen laten dopen, omdat ze anders op school voor heidenen worden uitgemaakt.

Wat baat het, wat geeft het? Jezus kende de mensen ten voeten uit. Hij wist, dat de mens altijd op eigenbelang en winstmakerij uit is. ’t Liefst zou de mens de hele wereld willen winnen! Nou waren die mensen rondom Jezus niet zulke hoogvliegers: de hele wereld is wel wat veel, maar toch…Wie weet? Zou van Israël niet het heil tot de wereld uitgaan? Heeft de profeet niet gezegd, dat eens alle volken naar Jeruzalem zullen komen, dat zal staan als een banier der natiën? Ja, er waren velen in die tijd, die geloofden in een verovering van heel de wereld voor God en Zijn Koninkrijk. Als de Messias kwam, zou het koningschap van David hersteld worden. Daar denken de mensen aan, als Jezus tot de mensen zegt: “Wat baat het de hele wereld te winnen?” Dat zien we ook, als we kijken naar de omstandigheden, waarin Jezus dit woord spreekt.

Jezus is juist begonnen de discipelen voor te bereiden op zijn naderende einde. Hij heeft al enkele keren in bedekte termen daarover gesproken. Maar de discipelen begrepen daar niets van. Hoe kun je ’t ook begrijpen, wanneer iemand, van wie je zo veel houdt, tot je zegt, dat hij moet lijden en gaat steven. Als kinderen van hun tijd en van Israël waren zij helemaal gefocust op het Messiasideaal, dat vanouds gold. De Messias zou komen om Zijn volk te bevrijden uit de onderdrukking van de Romeinen. Toen de discipelen zijn verborgen aanwijzingen niet schenen te begrijpen, ging Jezus duidelijker taal spreken. Klip en klaar zegt Hij, hoe het met Hem gaat aflopen. “En Hij begon hen te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden en gedood worden en na drie dagen opstaan.” Hij sprak dit woord vrijuit. Petrus kon dit niet verdragen, hij nam Hem terzijde en begon Hem te bestraffen. Hij nam het Jezus kwalijk dat Hij zo sprak. Een lijdende Heiland, dat kon toch niet! Een zegevierende Messias moesten ze hebben! “Nee, Heer, dat in geen geval! Wat hebben we daar nou aan? Wat geeft dat? Niets, niets dan ellende! En dat moeten we niet!”

Jezus weet, dat het heel moeilijk is voor mensen om te begrijpen wat er met Hem ging gebeuren, om de lijdensweg te aanvaarden. En toch, zó moest het, het kon niet anders. En daarom bestrafte Hij Petrus en zei: “Ga weg, achter Mij, satan! Gij zijt niet bedacht op de dingen van God, maar op die van de mensen.”

Daarna spreekt Hij alle mensen toe, die om Hem heen staan: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want een ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal het behouden.” Hierop volgt ons tekstwoord: “Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en schade te lijden aan zijn ziel?”

Laten we goed luisteren! Jezus zegt hier niet, dat het winnen van de wereld niets waard is, Hij zegt zelfs niet dat het zondig is of zo, nee, een mens mag best doelen in zijn leven najagen die de moeite waard zijn. Zo is het best fijn om een eigen huis te hebben en in deze dagen eens flink aan de schoonmaak te gaan. Je mag je ook gelukkig weten met een goede gezondheid of een aardig inkomen, hoewel je weet dat het alles slechts betrekkelijk is. Het is mogelijk, dat al die dingen, die we hebben, tenslotte “niets” geven, omdat ze niet echt van waarde zijn voor ons zielenleven. Misschien brengen de dingen, waarnaar wij zo hartstochtelijk streven, meer onrust dan rust in onze ziel. “Wat baat het de mens de hele wereld te winnen en schade te lijden aan zijn ziel?”

Om dit woord van de Heiland te begrijpen, moeten we weten wat het Bijbelse “ziel” inhoudt. In de Hebreeuwse taal wordt dit woord gebruikt voor “heel de mens”, dus niet voor een gedeelte van de mens, zoals wij wel eens zeggen “lichaam en ziel”. Nee, in de Bijbel is “ziel” een totaliteit. De ziel is het wezen, de identiteit van de mens. Als daar dan ook in Ps. 42 staat “Wat buigt ge u neder, o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij?”, mag je gerust vertalen: “Wat ben je toch terneergeslagen en onrustig?” Zo mogen we ook onze tekst gerust vertalen met: “Wat baat het de mens de hele wereld te winnen en ZELF schade te lijden?” We kennen dit gebruik van ziel voor de mens ook in het Oudnederlands, bijvoorbeeld: Het schip is vergaan met 100 zielen aan boord.

Het is dus mogelijk om de hele wereld te winnen en daarbij zelf schade te lijden. Kijken we nog eens naar de omgeving van de tekst. De discipelen van Jezus willen de Heer er toe brengen de wereld in bezit te nemen. Hij moet Zichzelf als de Messias openbaren, de troon van David bestijgen en Israël brengen tot zijn oude glorie. Dan zullen de profetieën in vervulling gaan. Jezus kent die gedachten! Hij weet, hoe de mensen Hem zouden toejuichen met hun Hosanna: gezegend Hij die komt in de naam des Heren. Toch stoot Hij al zulke verwachtingen van Zich af met het nuchtere argument: “Wat geeft het?”

Het is niet de eerste keer, dat Hij staat voor dit conflict. Bij de verzoeking in de woestijn werden Hem alle koninkrijken van de wereld aangeboden. Hij weigerde toen en nu. Hij gaat een andere weg: de weg van smarten, van zelfverloochening en kruisdood. En langs die andere weg heeft Hij de wereld gewonnen! Dat hebben we met Pasen mogen vieren.

En nu, wat moeten wij nu met dit tekstwoord van Jezus? Natuurlijk weten we ’t direct toe te passen op andere mensen. Dat gebeurt ook om ons heen. De bankiers, die vette bonussen opstreken, worden aan de schandpaal genageld. Al die mensen, die zich mateloos verrijkt hebben aan de armoede van anderen, wordt het woord van Jezus voorgehouden: “wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen”. Wij herinneren ons wat Jezus gezegd heeft van die boer, die grotere schuren bouwde, maar daarbij ’s nachts getroffen werd door een acute hartstilstand. We zeggen dan heel plastisch: “Het laatste hemd heeft geen zakken!” Bij anderen weten we dat haarfijn op te merken. Maar bij ons zelf? Spreekt Jezus dit woord juist ook niet tot onszelf? Hoe staat het er met ons eigen leven voor? Zie ik ook bij me zelf, dat heel veel van wat ik vroeger winst achtte verlies is geweest? Wat baatte het immers? Zie ik ook van wat ik angstvallig heb vastgehouden, dat ik daarvan nu kan zeggen: wat gaf het? Ben ik er beter van geworden? Heeft het me in het leven voortgeholpen? Nee! En nogmaals: nee! Veel van die wereldse zaken hebben mij van God en mijn geloofsvertrouwen af gebracht. Ik heb eigenlijk mijn diepste zelf verloren, ik ben de weg naar God kwijt geraakt. Ja, ik heb schade geleden aan mijn ziel. Ik was hebzuchtig, jaloers, gemeen, bedrieglijk, kwaadsprekend… en dat alles om zogenaamd “winst” te boeken, om me zelf omhoog te steken, me zelf breed te maken, alles voor eigen roem. Misschien heb ik daardoor ook wel veel bereikt in het oog van andere mensen, maar toch: wat geeft het? Ben ik er echt rijker en beter door geworden?

En dan zie ik de weg voor me, die Jezus is gegaan. En ik hoor Paulus van zijn weg getuigen: “Wat ik vroeger winst achtte, is mij schade geworden.” En ik buig mijn hoofd en schaam me diep. Maar Gode zij dank, het is Pasen geweest. Jezus is voor ons de weg gegaan, die ten leven leidt. En de opgestane Heer wijst ook ons vandaag die nieuwe weg. Zijn Zelfverloochening is ons winst geworden, Zijn dood bracht ons de overwinning, in Zijn lijden en sterven ontvang ik nieuw leven.

De hele wereld winnen? Ach, wat geef ik er om! Wat ik mag hebben, al is het niet veel, ik wil er graag dankbaar voor zijn. Als ik nog een thuis heb, waar ik wonen mag, of een tehuis, waar ik verzorgd word, ik ben er dankbaar voor. Nu het voorjaar is geworden en alles om me heen in bloei staat, ik mag er van genieten. Maar het belangrijkst is toch, dat ik Hem mag kennen en volgen.

Alleen de weg achter Hem, hoe moeilijk soms ook, brengt mij tot het licht. Alleen het leven in Hem, hoe zwaar soms ook, is echt leven, eeuwig leven. Van alles buiten Hem geldt alleen maar:

Wat geeft het? Wat baat het?

Amen.

Wat niet beschreven is

Afgemeten naar de huidige stand van de romanliteratuur zijn de Evangeliën amper meer dan eenvoudige kinderlijke opstellen. Hoe komt dat nou? Was er niet meer te vertellen geweest?

“Jezus heeft nog wel veel andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam” (Joh.20, 30).
“Er zijn echter nog veel andere dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan zou naar ik meen de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten” (Joh.21, 25).

Het Evangelie van Johannes neemt naast de drie andere Evangeliën een geheel eigen plaats in. Dit blijkt al direct uit de woordkeus en de manier van beschrijven, maar vooral ook uit de bijzondere dingen die alleen in het Johannes-Evangelie te vinden zijn. Johannes plaats Jezus van meet af aan in Zijn heerlijkheid als Zoon van God. Daarom is er ook niets geheimzinnigs rondom de persoon van Jezus, wat bij de andere Evangeliën nog wel het geval is. Bijvoorbeeld als Jezus de discipelen gebiedt hun mond te houden over de wondere dingen die zij gezien hebben. Johannes ziet Jezus als de Godsgezant, die gekomen is om Gods macht en heerlijkheid aan de mensen bekend te maken. Tegelijk is Jezus ook de Zoon van God, Die één is met de Vader en daarom ook alleen maar de werken van Zijn Vader doet. “Ik ben het licht der wereld, het brood des levens, de weg, de waarheid en het leven, de ware wijnstok….” Dat Jezus het zó openbaar maakt, wie Hij is en wat Zijn opdracht is, dat is typisch voor het Johannes-Evangelie. Zo zijn er ook bijzonderheden in dat Evangelie, die wij vanuit onze tijd niet zo gemakkelijk meer kunnen plaatsen. Toch zit er in dit Evangelie een strakke lijn en weten we precies, waarom Johannes het Evangelie geschreven heeft: “opdat gij gelooft, dat Jezus is de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam”. We noemen dit het eerste slot van het Johannes-Evangelie, omdat er daarna nog een hoofdstuk komt: hoofdstuk 21. Dit hoofdstuk, wat later is toegevoegd, is een grote rol gaan spelen in de prediking na Pasen. Johannes is immers daarmee de enige Evangelist, die aan het eigenlijke Paasverhaal nog iets toevoegt. Daarmee wordt te kennen gegeven, dat het leven met Pasen niet ophoudt, maar dat Gods zorg voor ons doorgaat, alle tijden door, juist omdat het Pasen geweest is.

Dit merkt als één van de eersten Petrus. Hij is bezig aan het meer van Galilea, in de buurt van Tiberias. Hij is druk doende met andere discipelen het oude beroep weer op te vatten. Ze zijn met hun zevenen. Vast niet toevallig, dit getal zeven. Vijf worden bij naam genoemd, twee blijven ongenoemd. Wij denken aan de vijf broden en twee vissen. Het getal zeven is een Bijbels getal, het geeft de goddelijke volheid aan. Die zeven discipelen staan voor het geheel van de discipelen. Allemaal zijn ze weer met hun normale werk en bezigheden begonnen. Die zeven gingen weer vissen, ’s nachts, als de vissen boven komen, maar zij vangen niets. Dan staat daar een man aan de oever, die zegt, dat zij de netten aan de rechterkant moeten uitzetten, heel ongewoon. Maar als zij het toch doen zijn de netten barstensvol van vissen. Als ze geteld worden zijn het er 153. Weer zo’n intrigerend getal! Wat zou dat betekend hebben? De oude kerkvader Hiëronymus heeft het al in de vierde eeuw na Christus zó uitgelegd: het zijn het aantal vissoorten, dat de mensen in zijn tijd kenden. Het getal duidt dan op volledigheid. Het wijst op de christelijke zending, die de hele wereld moet omvatten. Andere geleerden hebben uitgevonden, dat het getal 153 een driehoeksgetal is met als basiscijfer 17. Een driehoeksgetal is de optelsom van een reeks, bijvoorbeeld 1-2-3-4 enz. Als je doorgaat tot 17 en dan al die cijfers bij elkaar optelt, krijg je 153. Ook het befaamde getal 666 uit de Openbaring is zo’n driehoeksgetal, met als basis 36. In de kringen van de getallenmystiek wordt daar veel over gespeculeerd. Maar voor onze uitleg van Johannes 21 heeft het niet veel zin. Het belangrijkst is, dat we moeten geloven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en zó gelovende het leven hebben in Zijn naam.

Het geheimzinnige tweede einde van het Johannes-Evangelie vertelt weer iets over Petrus. Hij heeft zijn Heer drie maal verloochend tijdens het proces van Jezus. Mattheüs vertelt nog, dat het Petrus berouwde en dat hij bitter weende. Maar verder is het niet tot een oplossing gekomen. Petrus droeg het nog met zich mee als een steen op het hart. Op het einde van het eenentwintigste hoofdstuk van het Johannes-Evangelie wordt nu verteld, dat Jezus daar iets aan doet. Het moet tot een verzoening komen tussen Hem en Petrus! Tegenover de drievoudige verloochening stelt de Heer drie vragen aan de discipel: Heb jij me lief? Jezus verwijt Petrus niets, de vraag is ook geen uiting van teleurstelling of verdriet. Wij zouden dat logisch hebben gevonden, wanneer ons zo iets was aangedaan. Maar Jezus leeft niet uit verwijt of medelijden, de Heer leeft uit liefde en Hij verwacht ook die liefde bij Petrus en bij ons.

Hebt gij Mij lief?” Petrus antwoordt tot drie keer toe met een krachtig “Ja, Heer, ik heb U lief!” Daarop krijgt hij de opdracht om de Gemeente te hoeden, waarbij een profetie aansluit, die een donker vermoeden geeft van Petrus’ marteldood: hij zal, als hij oud is geworden, zijn handen moeten uitstrekken en dan omgord worden door een ander en gebracht worden naar de plaats, die hij zelf niet gekozen heeft. Dit duidt de gevangenneming aan en het wegvoeren naar de plaats van de terechtstelling. Volgens een latere traditie is Petrus de marteldood gestorven tijdens de grote Christenvervolging onder keizer Nero. Hij is net als zijn Heer gekruisigd, maar met het hoofd naar beneden.

En zo kon Johannes na het eerherstel van Petrus en de aankondiging van diens levenseinde het slot van zijn Evangelie schrijven, waarbij hij nogmaals benadrukt hoe onvolledig zijn berichtgeving is. Als alles opgeschreven zou worden, wat Jezus gedaan heeft, zou de wereld de boeken niet kunnen omvatten.

Het is goed, dat Johannes hier nog even de nadruk oplegt, want wij zouden ook veel meer over Jezus willen weten, zeker ook over wat Hij gedaan heeft in de tijd na Pasen. Het Nieuwe Testament is maar een dun boekje. De vier Evangeliën tellen samen129 bladzijden. Dat is zoiets als een Boekenweekgeschenk! Over Jezus’ jeugd weten we praktisch niets. Uit de korte tijd van Jezus’ openbare optreden weten we zo weinig, dat dit eigenlijk in enkele maanden had kunnen gebeuren. Ongeveer de helft daarvan heeft dan nog plaats in de laatste week, in ’t bijzonder de laatste nacht en dag van Jezus’ leven. Afgemeten naar de huidige stand van de romanliteratuur zijn de Evangeliën amper meer dan eenvoudige kinderlijke opstellen. Hoe komt dat nou? Was er niet meer te vertellen geweest? Natuurlijk wel! Maar Johannes zegt ons vandaag, dat het nodige verteld is: wat wij nodig hebben om te kunnen geloven! De Evangeliën zijn in de eerste plaats geloofsgetuigenissen. Zij beogen geloof te wekken en dit geloof te voeden. En Daarom is er door de schrijvers Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes een keuze gemaakt uit de dingen, die zij wisten en waaruit zij leefden. Daar komt bij, dat deze geloofsgetuigenissen bestemd waren om in de Gemeente voorgelezen te worden. Zij zijn als ’t ware instrumenten in Gods hand om het geloof te voeden en de Gemeente op te bouwen. Ze laten ons zien, dat God er bij is, in de Gemeente, waar twee of drie gelovigen samen zijn. Hij is het fundament van de Gemeente! Daartoe lezen we elke zondag uit de Schrift. Wij moeten er bij bepaald worden, dat het leven ons niet toebehoort, maar Hem. En dan mag het Nieuwe Testament maar een dun boekje zijn, toch staat daar alles in, wat we voor het leven nodig hebben. God woont er in en is er voor iedereen te vinden!

Dit maakt het tweede slot van het Johannes-Evangelie ons duidelijk: ons onvermogen om Gods rijkdom onder woorden te brengen. Alle boeken, die mensen kunnen schrijven, blijven immers mensenboeken en zij kunnen juist daarom Hem niet bevatten, die meer is dan een mens. En als zij het wel konden, dan zou de wereld te klein zijn om al die boeken te bevatten, zo veel zou er immers over Jezus te vertellen zijn. Maar het eerste slot van het Johannes-Evangelie laat ons gelukkig zien, dat ’t ook helemaal niet nodig is. Immers wat geschreven is, is voor ons genoeg, meer dan genoeg: om te geloven en gelovende leven te hebben in zijn naam. Hij is het, Die het leven schenkt: aan Petrus en aan een ieder van ons.

Gelooft dan ook dit Evangelie en leeft in Jezus’ naam!

Amen.

Hij is waarlijk opgestaan

Het is zoals Paulus later zou schrijven: “Als wij met Christus gestorven zijn, dan geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.” Dat is nou Pasen! Niet het graf is meer ons eeuwig huis, maar het huis van God.

Marcus 16, 1-8

Wij verplaatsen ons naar één van de grote Russische kathedralen. De geweldige kerk ligt daar in het halfdonker. Een paar flikkerende kaarsen verspreiden een spaarzaam licht over de honderden die daar biddend neergeknield liggen op de vloer en op de bidstoelen. Met een gevolg van priesters treedt de aartsbisschop naar voren. Hij mengt zich onder de knielenden en zoekt naar Christus, de Gekruisigde. Waar hebben zij Hem neergelegd? Hij zoekt tussen de biddende gelovigen, hij zoekt onder de booggewelven, hij gaat dan met zijn gevolg naar buiten om ook daar te zoeken, op het kerkplein en ten slotte het kerkhof. Dan komt hij de kerk weer binnen, hij sleept zich mistroostig voort naar het altaar en daar begint plotseling de grote klok van de kerk te luiden met zware slagen. Tientallen koorknapen vullen de kerk met licht en gezang. De bisschop heft zijn handen omhoog in extase en roept jubelend uit: de Heer is opgestaan! Christus is waarlijk opgestaan! En dat nieuws plant zich voort, bliksemsnel, van binnen naar buiten. Alle mensen roepen het uit: Christus is waarlijk opgestaan! En de Russen vallen elkaar in de armen, tranen stromen uit hun ogen, zij kusten elkaar en huilden en lachten. Ja, Hij is waarlijk opgestaan!

Ik denk niet, dat wij nuchtere Hollanders zo’n schouwspel zouden kunnen opvoeren, dat zou ook niet bij ons opkomen! Toch zal, als ’t goed is, die ontroering ook aan ons Paasmensen niet vreemd zijn. Ook wij zijn ontroerd, als we de blijde boodschap horen: De Heer is waarlijk opgestaan! Voor u en voor mij! Een ongekende vreugde gaat dan door ons heen. Maar wij zijn te nuchter om dat zo direct te uiten. Na de pijn van Goede Vrijdag wordt het Pasen, het feest van blijdschap.

“Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag van de week, gingen Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezoeken.” Vroeg op de zondagmorgen gingen de vrouwen naar het graf, om te zien hoe ’t er bij stond. In de oudheid was het graf een veel gewichtiger aangelegenheid voor de mens dan in onze moderne tijd. Bij ons liggen de graven er meestal wat vervallen bij. Wij nemen er ook genoegen mee om in een eenvoudige houten kist ter aarde besteld te worden. Een houten kruis, zoals veelal in de zuidelijke landen, of een stenen zerk duidt de plek aan, waar iemand begraven ligt. In de oudheid stelde men hogere eisen aan een graf. Denk maar aan de Egyptische piramiden en in ons land aan de hunebedden. Dat heeft hier mee te maken, dat men vroeger dacht in een graf verder te moeten leven. Dat moest dus ook voorzien zijn van alle mogelijke levensbehoeften. Bij de Christen was dat helemaal niet nodig, want die wist dat zo’n graf maar tijdelijk was, omdat men daaruit zou opstaan ten eeuwigen leven. In Israël werden de graven meestal uitgehouwen uit de rots en dan werd er een grote ronde steen voor gerold. Bekend is het graf van Abraham, een echt familiegraf, waarin later ook Isaac en Rebecca en Jakob en Lea werden bijgezet. In het Nieuwe Testament kennen we het graf van Lazarus. De rotswand aan de buitenkant van zo’n graf werd wit bepleisterd om te verhinderen dat iemand het zou aanraken. Had Mozes niet gezegd, dat ieder die een graf aanraakt zeven dagen onrein zou zijn? Het bekendste rotsgraf is natuurlijk het graf van Jozef van Arimatea, waarin Jezus Zelf begraven is. Bij Mattheüs lezen wij: “Jozef nu nam het lichaam, wikkelde het in fijn lijnwaad en legde het in het nieuwe graf, dat hij voor zich zelf in de rotsen had laten uithouwen; daarop wentelde hij een grote steen voor het graf en ging heen.” De hogepriester liet het graf verzegelen en plaatste er een wacht bij. Maar plotseling ontstond er een hevige aardbeving en een engel van de Heer daalde neer uit de hemel, kwam naderbij, rolde de steen weg en zette zich daarop neer. Hij straalde als een bliksemschicht en zijn kleed was wit als sneeuw. De bewakers begonnen van schrik voor hem te beven en het leven scheen uit hen geweken, zij werden als doden. De engel sprak de beide vrouwen aan en zei: “Jullie hoeven niet bevreesd te zijn; ik weet dat jullie Jezus zoeken, de Gekruisigde. Hij is niet hier, Hij is verrezen, zoals Hij gezegd heeft; komt en ziet naar de plaats, waar Hij gelegen heeft.”

Van dit ogenblik af heeft het graf als “eeuwig huis” voor de Christen zijn zin verloren. Het is zoals Paulus later aan de Romeinen zou schrijven: “Als wij met Christus gestorven zijn, dan geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.” Dat is nou Pasen! Niet het graf is meer ons eeuwig huis, maar wij hebben toegang verkregen tot een ander huis: het huis van God, het huis met de vele woningen, echt een eeuwig huis! Niet de aarde is onze eeuwige rustplaats, maar de hemel! Niet de dood heeft het laatste woord, maar opstanding tot LEVEN!

Aquarel van Huub Stringa.En de engel spreekt verder: “Gaat nu direct aan Zijn leerlingen zeggen: Hij is verrezen uit de doden en nu gaat Hij u voor naar Galilea, daar zullen jullie Hem zien.”

Wij kwamen aan Zijn graf, Hij was er niet.
Gods engel zei, dat Hij was opgestaan,
naar Galilea ons was voorgegaan.
Hij is ons voorgegaan, wij volgen Hem.

Hij is verschenen, maar Hij ging weer heen.
Hij is verschenen en weer heengegaan
ten hemel, en wij bleven eenzaam staan:
Wij bleven eenzaam, want Hij ging weer heen.

Maar wie met Hem naar Galilea ging
heeft Hij dit wonderteken doen verstaan:
Hij is hier niet, Hij is ons voorgegaan
als een vertroostende herinnering.

Zo heeft de dichter Muus Jacobse de indrukken van de beide vrouwen aan het graf onder woorden gebracht. De Heer is ons voorgegaan in Zijn sterven, voorgegaan in de opstanding uit de dood. En wij? Wat moeten wij dan doen? Wij hebben maar te volgen! Volgen, in gehoorzaamheid en eerbied voor dit heilige gebeuren, en in grote blijdschap, zoals de vrouwen ons het goede voorbeeld gaven. Direct gingen zij weg van het graf, in vrees en grote vreugde!

Pasen betekent een nieuw begin. Na de dood een nieuw leven, een nieuw begin ook in blijdschap en eerbied voor God, je zou het “bekering” kunnen noemen.

“De Heer is waarlijk opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan, een leven vol van heerlijkheid, een leven tot in eeuwigheid!” Zoals het Joodse volk opnieuw mocht beginnen na het eerste Pascha in Egypte, zoals in de lente het eerste jonge groen opnieuw ontspruit, zoals in de weilanden opnieuw het jonge leven ronddartelt, zo beginnen ook wij Christenen opnieuw. Want de Heer is waarlijk opgestaan!

Amen.

Aquarellen geschilderd door Huub Stringa.
In memoriam Huub Stringa.

Roemen in het kruis

Het woordje “kruis” heeft een bijzondere betekenis. Niet alleen in Christelijke zin, maar ook buiten het geloof is het kruis symbool geworden van redding, moed en trouw.

Galaten 6, 14

Het ene woordje “kruis” heeft voor veel mensen in de loop der eeuwen een bijzondere betekenis gehad. Niet alleen in Christelijke zin als het kruis van Christus, het kruis van lijden en sterven, het kruis op de graven, het kruis op de kerken, het kruis ook van overwinning zoals bij de middeleeuwse “kruisridders”. Maar ook buiten het geloof is het kruis symbool geworden van redding, moed en trouw. We kennen de verschillende kruisverenigingen, waarvan het rode kruis echt zinnebeeld is van reddende liefde in oorlogsomstandigheden, hongersnood, rampen en verkeersongelukken. Maar ook het groene kruis en het oranje kruis zijn bekend in het maatschappelijke hulpbetoon. Veelal is het kruis in al deze vormen een teken geworden van menselijke liefde en hulp.

Hoe anders was dit in de tijd toen het voor Jezus werd opgericht en door Paulus in zijn prediking de wereld werd rondgedragen. Niets was er toen zo verachtelijk als juist het kruis! Het was iets afschuwelijks, een vloek, een schande, zo iets als voor ons de galg betekent. En toch zegt Paulus in onze tekst: “Ik moge er voor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Heer Jezus Christus.” Wist die Paulus dan niet hoe minderwaardig het was? Maar al te goed! Want op verschillende plaatsen in zijn brieven lezen we van de ergernis van het kruis en van de dwaasheid van de prediking van het kruis. En toch wil hij niet anders roemen dan juist in het kruis! En dat, terwijl hij zich toch op zo veel andere dingen had kunnen beroemen, zoals op zijn wetsbetrachting als Farizeeër, zijn geleerdheid en kennis van de Thora, zijn moed en geduldig lijden in al zijn gevangenschappen, het martelaarschap, de doodsgevaren, heel zijn leven in zo veel moeiten en zorgen. Hij had zich ook kunnen beroemen op al die Gemeenten, die hij heeft gesticht, En wat dat betekent zien we bij de nieuwe Gemeenten, die nu nog gesticht worden. Ik las in de krant, dat sommige kleiner wordende Gemeenten in grote steden er mee moesten stoppen en dat sommige van hen weer opgestart werden. We noemen dat een “herplanting”. Wat een moeiten en zorgen daarmee gemoeid zijn! Je kunt dus gerust stellen, dat het zo ook bij Paulus is geweest. Wat moet die man een energie gehad hebben! En als zo ’n Gemeente er was, bleef hij die volgen als zielzorger. Al zijn brieven getuigen daarvan! Maar dat alles achtte hij van ondergeschikt belang. Slechts één ding is het roemen waard: het kruis van de Heiland. In leven en sterven het kruis, in nood en dood het kruis, in tijd en eeuwigheid het kruis! Niets anders dan het kruis!

Drie kruisen op Golgota. Aquarel van C.Stringa-Blom.

Zo mag het ook met ons zijn, in de Lijdenstijd. Wij roemen in het kruis! We zijn er dankbaar voor, we zijn er gelukkig mee, wij mogen ons er op beroemen! In het bekende boek van Bunyan “Een Christenreis naar de eeuwigheid” komt een tafereel voor, waar de pelgrim staat bij het kruis. Na veel teleurstellende omzwervingen komt de pelgrim, beladen met zijn zware zondepak, op een heuvel. Daar op de top staat een kruis en onderaan de heuvel ligt een graf. Zuchtend klimt de pelgrim naar boven, want reken maar: dat zondepak van hem is heel zwaar! Maar dan gebeurt het wonder, dat het zware pak zo maar van hem afvalt. Als hij bij het kruis is aangekomen knappen de banden van het zondepak ineens af en de zware last viel omlaag, in het donkere graf. Hij blijft stil staan, vol verbazing, en hij vraagt zich af hoe dat zo plotseling gebeuren kon. Dan staan er opeens drie mannen om hem heen, zij groeten hem: vrede zij u! En de eerste zegt: uw zonden zijn u vergeven. De tweede trekt hem zijn oude vieze kleren uit en kleedt hem in een nieuw gewaad. De derde geeft hem een verzegelde rol, die hij aan de poort van de Godsstad, waarheen hij onderweg is, moet laten zien. Als die drie mannen hem verlaten hebben, begint onze pelgrim te zingen:

Hoe zwaar was ik beladen,
Hoe knelde mij het juk!
Hoe bad ik om genade
In al mijn angst en druk!

En zie…. weg zijn mijn zorgen,
Mijn zonden, mijn verdriet.
Eén blik slechts op mijn Heiland,
Die ’t leven voor mij liet.

Eén blik op ’t kruis der smarte
Nam ’t pak der zonden af!
Verblijd u, o mijn harte,
Gij zijt verlost van straf!

 

Kijk, Gemeente, deze wonderlijke, heerlijke ervaring had ook Paulus doorgemaakt. Hoe verschrikkelijk was het geweest, de verschijning van de Heer op weg naar Damascus, toen hij met blindheid werd geslagen. Maar het betekende ook de ommekeer in zijn leven. Van het vloekhout was het kruis opeens voor hem het wondere kruis geworden, het heerlijke wonder om in te roemen. Ananias had daarvan getuigd, daar boven in het kamertje aan de Rechtestraat van Damascus. En de blinde Paulus waren de ogen opengegaan, letterlijk en figuurlijk. Nu kon hij pas werkelijk dat echte kruis in ’t oog krijgen. Hij begreep, dat het kruis van Christus voor hem de enige weg was, het begin van het eeuwige leven zelf. Het is ook daarom, dat de rest in zijn leven niet meer telde. Al die dingen, waarvoor hij zich inzette, en waarop hij zich had kunnen beroemen, het telde niet meer; alleen het kruis daar leefde hij voor. Om de glorie van dit kruis te verheerlijken! We denken dan ook aan het Woord van de Heiland: “Wat baat het de mens als hij alles bezit, maar schade lijdt aan zijn ziel?” Het kruis is de enige weg tot behoud van die ziel, van het leven voor ons en onze kinderen en kleinkinderen. Laten wij dan ook roemen in dat kruis! En alle eigen roem achter ons laten, net als dat zondepak van Bunyan’s pelgrim, en zó verlost, bevrijd en herboren het nieuwe leven beginnen, op weg naar Gods heerlijkheid. Eén blik slechts op mijn Heiland, Die ’t leven voor mij liet!

Drie kruisen op Golgota. Aquarel van C.Stringa-Blom. Detail.

Amen.

 

Hij voert mij naar vredig water

Psalm 23 is uit het leven gegrepen. Daarom is hij ook zo bekend en geliefd geworden. In klein bestek bestrijkt hij het totale leven, van de wieg tot het graf, en zelfs nog over het graf heen: door het dal van de schaduwe des doods tot aan de waat’ren der rust! In dierbare herinnering aan Janna de Munck te Wilhelminadorp.

Rouwdienst
In dierbare herinnering aan Janna de Munck te Wilhelminadorp

Psalm 23, 2
“Hij voert mij aan waat’ren der rust”

Mevrouw de Munck 1980Uw moeder en Oma, Jannetje de Munck, is heengegaan. Maar zij wist waarheen. Dat de Heer haar Thuis zou brengen: Hij voert mij aan waat’ren der rust! Hoe vaak zal zij dit niet gezongen hebben, in zichzelf thuis en in de kerk, al die zondagen in haar leven, waarop zij zo trouw naar de kerk is gegaan. Zij zal het ook de laatste jaren nog gezongen hebben in Poelwijk en Ter Valcke. En wij? Wij mogen ’t ook weten: dat de Heer een herder is, die de Zijnen niet loslaat, maar ze thuisbrengt, aan waat’ren der rust. Daarin ligt ook opgesloten, dat we elkaar niet loslaten, ook als de dood ons scheidt. Wij blijven aan elkaar denken, omdat God aan ons denkt. Wij houden elkaar vast, omdat Hij ons vasthoudt: oma en opa en ome Cor en ons allen, kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen.

De dichter van Psalm 23 spreekt van een zekerheid, waar een mens jaloers op kan zijn! Wat heeft die man zijn God gekend, leren kennen, misschien wel door schade en schande heen, met vallen en opstaan. Maar toch… wat een getuigenis! Hij wist het nu toch heel zeker: “De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.” Ach, wie weet, hoeveel hij nog tekort kwam in zijn leven! Maar het belangrijkste had hij: de Heer, zijn Herder. En wat heeft een mens dan te klagen? Dan heb je toch alles, wat je nodig hebt? Of niet soms? Het beeld van de herder was voor de mensen in Israel heel vertrouwd. Voor ons gelukkig ook weer, nu er kudde schapen lopen in de zak van Zuid-Beveland. Zo’n herder is God ook – zegt de dichter. Zoals zij voor hun schapen zorgen, elke dag, ook als ze ziek zijn, zo doet God het met zijn mensen. Zo rijk is de genade, die de gelovige van God ontvangen mag!

Er is ook nog een ander beeld, waarmee de dichter God vergelijkt: dat van de gids. “Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij. Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.”

Tenslotte gebruikt de dichter nog een derde beeld om Gods overstelpende genade voor ons, mensenkinderen, uit te drukken: het beeld van de gastheer: “Gij richt voor mij een dis aan…”

De psalm is uit het leven gegrepen. Daarom is hij ook zo bekend en geliefd geworden. In klein bestek bestrijkt hij het totale leven, van de wieg tot het graf, en zelfs nog over het graf heen: door het dal van de schaduwe des doods tot aan de waat’ren der rust!

Het beeld van de herder, dat zou je het gewone dagelijkse leven kunnen noemen. Het leven van Jannetje de Munck, die een kruidenierszaak dreef in Wilhelminadorp. ’t Was een goed en degelijk leven met man en drie kinderen. Een hardwerkend gezin, waaraan God Zijn zegen niet onthield. En zondags werd daarvoor dank gezegd in de kerk, zoals het hoort. Herinneringen te over! De Heer was echt een herder, en dat waren jullie ook voor elkaar, vader, moeder en kinderen.

Dan is daar het tweede beeld: dat van de gids. Ik zou het ’t leven in de diepte willen noemen. Soms komt een mens in een diep dal terecht, waaruit nauwelijks uitkomst mogelijk is. Vader overlijdt, terwijl het leven samen voor hen nog open lag. Moeder hield zich gelukkig staande. Zij had het gezellig op de Hankenstraat: een Zeeuws huis, vol met poppen in klederdracht, overal lagen tupmutsen en kappen en de naaimachine stond op tafel. Moeder was altijd druk in de weer. Zij waste kleding van de mooie Zuid-Bevelandse dracht en maakte die weer mooi voor een winkeltje in Goes, naar ik meen. Zij deed dat ook voor mensen in de naaste omgeving, die nog op hun boers waren. En dat werden er allengskens minder. Toen ik in 1978 in Wilhelminadorp kwam, waren er nog zeven boerinnen in de kerk. Toen ik in 1991 stopte, was Jannetje de Munck nog maar de enige! Hoevele kappen zal zij niet hebben geplooid, en wat heeft zij niet allemaal prachtige spullen gemaakt voor de vrouwenvereniging, voor de jaarlijkse bazaar. Zij was een heel pronte boerin, een vrouw die oogde en trots was op haar mooie dracht.

Later kreeg zij nog een vreselijke klap te verwerken, toen zoon Cor overleed. Ik was toen al weg uit Wilhelminadorp, maar Cor heb ik goed leren kennen in de kerkenraad van Kortgene, zo’n echt aardige meevoelende man, die zich helemaal gaf aan het kerkenwerk. Wat moet Moeder dat een verdriet hebben gedaan! Hoe het haar de laatste jaren vergaan is, hoef ik u niet te vertellen. Het werd minder en minder… tot de Heer haar riep. Maar ik weet zeker, dat de Gids toen ook bij haar gebleven is, precies zoals de psalmdichter het in droeve tijden had mogen ervaren. Wie zo’n gids heeft, komt terecht. Ja, maar soms is het wel heel moeilijk: :Al ging ik ook in een dal van diepe duisternis -eigenlijk staat er: dal der schaduwe des doods- alle duisternis en ziekten zijn schaduwen van de dood, die onherroepelijk komt. Alle lijden is hier in het geding, zeker ook rouw en verlies, wat moeder heeft moeten meemaken. Een mens moet wel eens net als de pelgrim door de diepte heen, onbegaanbare wegen afleggen… En toch kan hij zeggen: “Ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij, Gij leidt mij in de rechte sporen.” Uiteindelijk kom ik dan terecht op de plek, die God voor mij bestemd heeft, en dat is het Huis van de Vader met de vele woningen. Daar mogen we moeder nu ook weten.

U kent het wel, de spreuk op een wandbord: “God heeft ons geen veilige reis beloofd, maar wel een behouden thuiskomst.” Dat is het wat de psalmdichter ons vanmiddag te zeggen heeft.

Er zijn kromme sporen, die een mens heeft te gaan, maar Hij brengt ons er doorheen, door die hele wirwar van het leven, totdat wij belanden bij de veilige waat’ren der rust. Juist daarom is Hij zo’n goede Gids, die we niet kunnen missen. Laten we Hem dan ook vasthouden.

Tenslotte het beeld van de Gastheer, dat brengt ons in herinnering, hoe er ook vreugde was en blijdschap in haar en ons leven. We herinneren ons de verjaardagen thuis, trouwdagen, geboortedagen, al die hoogtepunten in het leven van vader en moeder en ook in uw eigen leven. Wat is er veel te vieren in het leven van ouders met hun kinderen, waar dan de kleinkinderen bijkomen en zelfs de achterkleinkinderen! Wie 93 jaar mag worden heeft heel wat om in dankbaarheid op terug te zien. De dichter zegt het zo: “Heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven.” Wel, dat is bij moeder ruimschoots gebeurd. God was een goede Gastheer voor haar. Hij heeft haar leven vol gemaakt! En nu mag zij blijven in het Huis des Heren, tot in lengte van dagen!

Amen.

Goes, 9 december 2002

Zij zalfde de voeten van Jezus

Liefde is meer dan alleen wat gevoeligheid, sentimentaliteit, romantisch gedoe. Liefde is veel meer dan lief doen. Liefde mag wat kosten, liefde is actief, met heel je hart en wezen. Alles, ook het kostbaarste voor de ander over hebben.

Het beste dat wij in ons leven kunnen doen is liefhebben. Het enige dat wij in ons leven moeten doen is liefhebben. Kunnen en moeten we dan niet allerlei dingen doen? Ja wel, natuurlijk. We kunnen bijvoorbeeld vandaag naar de kerk gaan, we kunnen ons er deze crisistijd op toe leggen even nog veel geld te verdienen door heel hard te werken; we kunnen dikke boeken gaan schrijven, geïnspireerd door de achter ons liggende Boekenweek; we kunnen gaan studeren of in de politiek gaan om het leven in Nederland beter te maken, Rita kan nog wel wat steun gebruiken. Dat kunnen we allemaal gaan doen, en als we zoiets doen, doen we dan eigenlijk niets? Inderdaad: als wij zulke dingen doen zonder liefde, dan doen wij niets. Het heeft dan geen kern, geen echte diepe inhoud. Het beklijft niet. Er zit geen eeuwigheid in. Het is eigenlijk allemaal prutswerk! Voor God heeft het dan geen betekenis, en dus heeft het in ’t geheel geen betekenis. Het enige, dat wij mensen in dit leven moeten doen is liefhebben. Als wij in de hemel komen, zullen we ook daar niets beters te doen hebben dan liefhebben.

De hemel bestaat immers uit liefhebben, God is liefde. God doet niets anders dan liefhebben. God kan niet anders dan liefhebben. Dat is juist Zijn heerlijkheid, de heerlijkheid van Zijn heerlijkheid. En wanneer mensen liefhebben worden zij in die heerlijkheid opgenomen, hebben zij contact met God, leven zij uit Zijn liefde. Wanneer mensen liefhebben, staan zij al in de hemel van God. Liefhebben is het einde! Paulus zegt niet voor niets: zo blijven dan geloof, hoop en liefde, maar de meeste van deze is de liefde (1 Kor.13). Het geloof is o zo waardevol, maar als het zich niet uitwerkt in de liefde, is het niets waard. Zo is het ook met de hoop.

Maar wat moeten wij dan liefhebben? Wie moeten wij dan liefhebben? Je kunt toch niet de hele wereld en alles wat daar in is liefhebben? Gods gebod is duidelijk: je moet je ouders liefhebben, en je levenspartner en je kinderen. Toch is ook die liefde soms een wankel geheel, getuige de vele echtscheidingen en het “Familiediner” van Bert van Leeuwen. Ook die liefde bevredigt niet helemaal, want in de diepste noden van onze relaties staat zij machteloos. De Bijbel wijst ons op God: hebt God lief! Ja, dat is het juist: maar God is zo groot en zo machtig! Wat moet ik als klein mensje tegenover die majestueuze God? Ik doe het altijd verkeerd. Ik sta onder het oordeel van God. Mijn schuld tegenover God wordt met de dag groter en zwaarder. Heb Jezus lief! Zou het dat niet zijn? Ja, dat is het helemaal! Hij is de vervulling van de Wet, Hij is Gods liefde in eigen persoon. Hij is ten volle het antwoord op onze vraag waar we met onze liefde naar toe moeten. In Hem ontmoeten we het liefdevolle hart van God.

Wij staan nu midden in de Lijdenstijd en we maken ons op om Jezus te vergezellen op Zijn bange tocht naar Getsemane en Golgota Zouden we dat wel kunnen zonder Hem lief te hebben? En Hem juist door dat lijden van het kruis voor ons meer en meer lief te krijgen?

Al tijdens Zijn leven hebben mensen dat ingezien. Een vrouw als Maria bijvoorbeeld, die Jezus de voeten heeft gewassen. De Arabieren hebben daar een goed spreekwoord voor: de ene palmboom groeit door de andere palmboom aan te zien. Misschien dat onze liefde vandaag wat gaat groeien door te kijken naar de liefde van die Maria. God geve ons daartoe een paar goede ogen!

Even aan de andere kant van de Olijfberg, een half uurtje van Jeruzalem, ligt het dorpje Betanië. Een mooi, zonnig plekje, heel rustig ook. Daar ontmoeten we de Heiland vrijdag ’s avonds, een week voor Pasen. Zijn tochtgenoten en discipelen hebben misschien bij bevriende inwoners van het dorp onderdak gevonden of in de buurt, in de vallei van de Kedron, hun tenten opgeslagen. Maar Jezus Zelf viert de sabbat in het huis van zijn vriend Lazarus. En dat is voor Hem een heerlijke verademing. Straks moet Hij alleen verder en Zijn beste vrienden zullen Hem verlaten. Maar hier is het nog gezellig, zo bij elkaar. Maria zit er stil bij. In zich zelf gekeerd, terwijl Marta zoals altijd druk in de weer is. Maria luistert naar wat Jezus vertelt, zij kijkt naar Hem en zij vergeet heel de rest. Maria heeft Jezus lief. In het Evangelie vinden we niemand, die Hem meer lief heeft gehad. Hoe is dat gekomen, die liefde voor Jezus bij Maria? Ik weet het niet. Hoe komt het, dat wij elkaar liefhebben, man en vrouw, ouders en kinderen en zo. U vindt het waarschijnlijk heel vanzelfsprekend. Maar zo is het niet. Het is een mysterie, waar alleen God het geheim van kent.

Als we ’t eens vroegen aan Maria zelf, hoe het komt dat ze Jezus heeft lief gekregen? Ik denk dat ze een kleur zou krijgen. Misschien zou ze zeggen: maar dat moet je mij niet vragen, vraag het aan Jezus, het is Zijn schuld. Hij toch is er de oorzaak van! Maria heeft het niet van zichzelf, Jezus heeft die liefde in haar hart uitgestort. Hij heeft door Zijn woord en daden beslag op haar gelegd. Dit is ook voor ons de weg. Wij krijgen Jezus niet lief door tegen ons zelf te zeggen dat het moet, omdat we anders verloren zouden gaan. Liefde laat zich niet opdringen. Liefde laat zich niet dwingen! Kijkt u maar naar die vele ongelukkige huwelijken. De beroemde Duitse dichter Goethe zegt ergens: een mensenhart is voor goud niet te koop; een mensenhart is slechts te koop voor een ander hart. Zo is het. Jezus heeft ons Zijn hart gegeven, Hij heeft ons Zijn leven gegeven. En als wij Zijn hart, Zijn leven, aannemen, dan geven wij Hem ons hart en ons leven terug. Ons laten liefhebben door Hem, dat wordt: Hem lief krijgen. Anders gaat het niet.

Hoe openbaart zich nu die liefde van Maria? Zij komt met een kruik, gevuld met heerlijke nardusolie en giet deze over Zijn voeten. Zij maakt vervolgens haar haren los en droogt daarmee Zijn voeten af. Zo is de liefde! Alles, ook het kostbaarste voor de ander over hebben. Met alleen luisteren kom je er niet. Liefde is meer dan alleen wat gevoeligheid, sentimentaliteit, romantisch gedoe. Liefde is veel meer dan lief doen. Liefde mag wat kosten, liefde is actief, met heel je hart en wezen. Liefde is nooit goedkoop, het opent je hart, maar ook je portemonnee. Liefde vraagt ook niet “waarom?” En de liefde antwoordt niet “daarom”. Zij doet alleen wat zij doet, omdat ze er toe de drang heeft.

Maria heeft haar zalf over Jezus uitgegoten, en wie weet wat ze daarbij gedacht heeft. Het was best een sensatie. De mensen, die er bij waren, zullen er van opgekeken hebben. Er is zelfs iemand, die mompelt: “Zonde toch, hoeveel arme mensen hadden daarmee niet geholpen kunnen worden?!” Dat is de stem van Judas, die de kas van de discipelenkring beheerde. Misschien had hij wel op een flinke bijdrage gerekend! Mensen zijn vaak zo onbarmhartig in hun kritiek, en meestal uit eigen belang. Maar Maria merkt daar niets van, zij gaat helemaal op in haar Jezus, de rest bestaat voor haar niet. Maar Jezus zal het wel gemerkt hebben, het zal Hem pijn gedaan hebben. Nee, het zijn niet enkel de Farizeeën en Schriftgeleerden, die Jezus aan het kruis hebben gebracht… Het zijn de Joden niet, ik ben het, ik kost Hem die slagen, die smarten en die hoon (Herv. Bundel Gez. 43). Vooral de penningmeestergeest, die ook mij eigen is. Rekenen, rekenen en nog eens rekenen, dat is onze zelfzucht, ons egoïsme. Bekijk het verstandig: die kruik was misschien wel driehonderd Euro waard geweest, waar een arm gezin toch mooi een maand van had kunnen leven. Verstandelijk gesproken had hij natuurlijk wel gelijk, maar de liefde ontbrak. Het was jaloezie en zelfzucht, waarom hij zo sprak, maar er was geen liefde bij. En zo gaat het met alle kritiek, die niet uit liefde voortkomt: zij heeft altijd ongelijk!

Alleen wat uit liefde gedaan wordt voor Jezus en de naaste zal blijven bestaan. De liefde vergaat nimmermeer, zegt Paulus. Wat de liefde doet is eeuwigheidswerk. Judas zegt: waartoe dat verlies? Verlies? Maria heeft juist door haar liefde dit grote wonder gedaan, dat ze die zalf die anders in een paar weken verdwenen was, eeuwigheidswaarde heeft gegeven. De kruik stond voor eeuwig leven! Luister maar, hoe Mattheüs deze geschiedenis overlevert: “Jezus zei: waarom vallen jullie deze vrouw lastig? Want zij heeft een goede daad aan Mij verricht. De armen hebben jullie immers altijd bij jullie, maar Mij hebben jullie niet altijd. Want toen zij deze mirre over mijn lichaam uitgoot, heeft zij dit gedaan om mijn begrafenis voor te bereiden. Voorwaar, ik zeg u, overal waar dit Evangelie verkondigd zal worden in de gehele wereld, zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van wat zij gedaan heeft.”

Van die liefdedaad spreken wij nog, ook vandaag hier. De liefde vergaat nimmermeer! Daarom, Gemeente, heb Jezus lief! Waar zijn onze liefdedaden? Waar is de heilige geestdrift van onze liefde, die zich aan niemand stoort dan aan Hem alleen? Laten we in deze Lijdenstijd toch bedenken, dat we Hem alleen ten volle kunnen liefhebben, wanneer ten volle Zijn liefde in ons wordt uitgestort en we onze eigen belangetjes vergeten. Maar staan we daar wel voor open? Voor die liefde van Jezus?

Cyrus, de Perzische veroveraar, had eens een jonge koning met zijn gezin gevangen genomen. In een goede bui riep hij die koning voor zijn troon en vroeg hem: wat geeft u mij, als ik uw kinderen vrijlaat? Antwoord: de helft van mijn bezittingen. En wat geeft u als ik u zelf vrij laat? Al wat ik heb, antwoordde hij. En wat geeft u, als ik uw vrouw vrij laat? En de gevangen koning keerde zich in diepe ontroering tot zijn vrouw en zei: voor haar geef ik mijn leven! Toen kwamen ze allemaal vrij. En de jonge koning sprak, toen ze naar huis terugkeerden, tot zijn vrouw over alle pracht en praal aan het hof van Cyrus. Maar de vrouw zei: ik heb er niets van gezien, ‘k had alleen maar ogen voor u, die uw leven voor mij wilde geven!

Jezus heeft Zijn leven niet maar voor ons willen geven, Hij heeft het ook gedaan. En nu is het aan ons ogen te hebben voor Hem alleen. Net als de palmboom, die groeit door de andere palmboom aan te zien. Als je kijkt naar Jezus, weet je precies wat je moet doen. Hoeveel voeten moeten er nog niet gezalfd worden?

Amen.

Ergernis

Lijden is moeilijk, het went nooit. Jezus gebruikt daar zelfs het woord “ergernis” voor. Ergernis gaat heel diep. Het raakt een mens zelfs lichamelijk. Je wordt er misselijk van. Het is een aanslag op je hele wezen, geestelijk en lichamelijk.

Mattheüs 26, 31
“Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.”

Wij ergeren ons aan lijden. Jezus wist daar ook van! In één van de lijdensliederen wordt het zó gezegd: “Hoe vreemd, dat voor de schapen Zijner weide de herder zelf ter slachtbank zich liet leiden, de heer zich voor de schulden zijner knechten aan ’t kruis liet hechten” (Oude Hervormde Bundel Gez.42, 4).

Lijden is moeilijk, het went nooit. Jezus gebruikt daar zelfs het woord “ergernis” voor. Hij zegt tot zijn discipelen: “Gij zult allen aan Mij aanstoot nemen in deze nacht.” De oude Statenvertaling zegt het nog sterker: “Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht.” Ergernis gaat heel diep. Het raakt een mens zelfs lichamelijk. Je wordt er misselijk van. Het is een aanslag op je hele wezen, geestelijk en lichamelijk. Dan is er een weerstand, ja zeg maar gerust: een weerzin, een opstandigheid tegen God, die jou zo’n zwaar lot te dragen geeft. Veel mensen willen met de kerk niets meer te maken hebben juist vanwege deze ergernis, omdat zij een hekel gekregen hebben aan dat “kerkelijke gedoe” en aan die schijnheilige mensen, die daaraan meedoen. Ten diepste is het ergernis aan God, van wie je afhankelijk bent. En dat wil een mens niet: afhankelijk zijn, van niets en van niemand! Ook dit is een stukje ergernis voor ons hoogmoedige hart, dat het de lijdende Christus is door Wie wij behouden worden. Wij kunnen het niet verdragen, dat wij door het offer van iemand anders leven gered worden. Daar wil ons hart niet aan. Daar verzet onze hoogmoed zich tegen!

Aan deze ergernis lijden we allemaal. We moeten niet zeggen, dat we daar overheen zijn. We denken dat wel, als we gewoon “Christelijk” leven, maar diep in ons binnenste schuilt toch de opstandigheid. Net als bij Petrus. Die dacht ook, dat hij zo vroom en zo sterk en zo trouw was aan Jezus. Hij was toch de eerste, die de Heer als zijn Heiland beleed, toen hij sprak: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!” Maar hij was ook de eerste, die de Heer als zijn Heiland verloochende, toen hij zei: “Ik ken de mens niet”, zelfs tot drie keer toe.

Is het niet vreemd, dat mensen zich ergeren aan de Heiland, dat mensen zich verzetten tegen hun eigen redding? Toch gebeurt dit! We kunnen ons nog wel voorstellen, dat mensen in opstand komen tegen de Wet, de geboden van God, want die kunnen het ons behoorlijk lastig maken. Maar je ergeren aan het Evangelie? Is dat niet raar? Nee, helemaal niet. Want als we echt met het Evangelie in aanraking komen, als we iets gaan vermoeden, van wat het betekent, dat we alleen door het offer van onze Heiland gered kunnen worden, dan komt alles in ons in verzet. Dat wij daar in ons leven gewoonlijk niet zo veel van merken, komt niet doordat wij zulke goed gelovigen zijn, maar integendeel: omdat wij zo weinig bij het Evangelie stil staan. Want als je werkelijk met het Evangelie in aanraking kwam, dat wil zeggen met kruisdagen en zelfverloochening en vergeving van je naaste, dan zou je het wel merken, hoe heel je menselijke wezen daartegen in opstand kwam.

Wat moeten wij nu daarmee? Wij staan nu midden in de Lijdenstijd, en Jezus zegt tot ons, dat we geërgerd zullen worden aan het Lijden. Ik denk, dat we naar Hem moeten luisteren, en ook dat we een ommekeer moeten maken in ons denken en leven. Er moet misschien wel iets in ons gebroken worden: heel ons opstandige harde hart. Dan worden we andere mensen, noem het”wedergeboren”. We leren de Messias te zien en met Hem te leven en te sterven en op te staan om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Die verbrijzeling van het hart wordt in onze tekst ook duidelijk beschreven: “Want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen van de kudde zullen verstrooid worden”. Als de herder wordt geslagen, dan worden automatisch de schapen van de kudde verstrooid. Die verstrooiing is een soort verbrijzeling van de kudde. Wanneer het Heil geschiedt en de verzoening van de schuld wordt aangebracht en het kruis wordt opgericht, dan komt alles uit elkaar te liggen. Het hart wordt verbrijzeld, de schapen worden verstrooid en straks scheurt het voorhangsel in de tempel en beeft de aarde. Daaraan ligt het, dat alles zo gebrekkig is: ons geloof, de gemeenschap der heiligen, de praktijk van de kerken, heel de wereld in deze crisistijd. Dat is alles zo gebrekkig, omdat het alles in zijn voegen staat te trillen en scheuren vertoont, als het kruis op Golgota wordt opgericht tot verzoening van onze zonden. Vanwege het heil in Christus is alles dus zo gebrekkig. Waar de scheuren gedicht worden, daar komt pas goed aan het licht hoe groot die scheuren wel zijn, hoe intens de gebrokenheid van de wereld wel is.

Maar wanneer je achter al die gebrokenheid heen ziet, dan zie je het wonder gebeuren, namelijk dat alles toch weer mooi en gaaf en onvergelijkelijk harmonisch wordt. De schapen worden verstrooid, zij stuiven naar alle kanten uiteen, omdat de herder geslagen wordt. Hij is de enige, die overblijft. Hij staat daar onwankelbaar, Hij staat daar in hun plaats. En in alle eenzaamheid heeft Hij de pers alleen getreden. Alles wordt op Hem samengetrokken. De nood van het mensenhart, de schuld van de zonde, de toorn van God, het leed en het onrecht in deze wereld. Hij is de Enige, Die dat alles draagt in de eenzaamheid en de duisternis van de Godverlatenheid. Al die gebrokenheid heeft Hij op Zich gebundeld en zó heeft Hij het heil op de aarde gebracht.

Als we dat gaan zien, dan wordt er iets in ons wakker, dat boven alle bevreemding en ergernis en verloochening uitgaat. Iets van schaamte en ook een diepe vreugde. Over het wonder, dat God Zelf, in de gedaante van een mens, de volle nood van het mens zijn draagt. Wij hebben Hem er niet om gevraagd, integendeel zelfs, wij lagen voortdurend dwars. Toch deed Hij het, dwars tegen ons streven in, zó dat wij nooit zullen begrijpen wat Hij doet. Als we dat gaan inzien, dit wonder, dan leren wij Hem Zijn gang te laten gaan, Zijn heilsgang, zonder ons er aan te ergeren… En dan gaan wij er om heen staan, perplex en sprakeloos. Het enige, wat wij dan nog kunnen doen, is schuld belijden en het loflied zingen. Wij verstaan het niet, het kruis van Christus, en we zullen het ook nooit kunnen begrijpen, maar laten we het prijzen en er ons over verheugen tot in eeuwigheid.

Mogen wij zo als Gemeente dit jaar opnieuw de Lijdenstijd beleven, als een ergernis, dat het grote Lijden van Christus nodig is geweest en nog nodig is. Als een ergernis, ook aan ons zelf, dat wij het nog steeds de Heer aandoen. Als een ergernis ja zeker, maar ook als het wonderlijke gebeuren, waarbij we alleen maar met ons hoofd kunnen schudden en zeggen: hoe is het mogelijk, dat God ons zo lief heeft, dat Hij Zijn enige Zoon gegeven heeft…; hoe is het mogelijk! En dan willen wij nog aanstoot aan Hem nemen!

Leer ons, Heer, Uw lijden recht betrachten,
In deze zee verzinken mijn gedachten:
O liefde, die, om zondaars te bevrijden,
Zo zwaar woudt lijden.

Amen.

Lijdenstijd

Verlies roept gevoelens op die je moet leren kennen, durven onder ogen te zien en vervolgens te uiten. Pas dan leer je je verlies te aanvaarden, er mee verder te leven. Pas dan kun je ook weer aan de toekomst denken en openstaan voor andere mensen.

1 Thessalonicenzen 4, 13
“Broeders, wij willen u niet in onwetendheid laten over het lot van hen die ontslapen zijn: gij moogt niet bedroefd zijn zoals de andere mensen, die geen hoop hebben.”

Wij zijn afgelopen zondag weer de Lijdenstijd ingegaan. En dan denken wij vanzelfsprekend aan al die mensen, die verdriet hebben, die een verlies hebben geleden. Verlies roept heel diepe gevoelens op: pijn, woede, teleurstelling, verlatenheid. Die gevoelens moet je leren kennen, durven onder ogen te zien en vervolgens te uiten. Pas dan leer je je verlies te aanvaarden, er mee verder te leven. Pas dan kun je ook weer aan de toekomst denken en openstaan voor andere mensen.

De Kerken hebben daar helaas niet altijd oog voor gehad! En nog voelen weduwen en weduwnaren zich door hun Kerk in de steek gelaten. Dat geldt ook voor hen, die op een andere manier een groot verlies geleden hebben. Je bent bijvoorbeeld gehandicapt geraakt of je bent je baan kwijt of je huis of je huisdier of gewoon iets waaraan je zeer gehecht was. Over het algemeen is daar weinig begrip voor, helaas ook in de Kerk. Hoe komt dat nou? Zou daar ook niet een verkeerde opvatting over ons geloof en de uitleg van Bijbelteksten in mee spelen? Zo wordt er wel gezegd, dat het niet goed is zoveel te rouwen, want waar blijf je dan met je geloof? We hebben toch Gods belofte van het eeuwige leven? En de doden hebben ’t nu toch beter, in Gods paradijs? Waarom dan zo getreurd? En dan wil men wel eens bovengenoemde tekst aanhalen: Jullie moeten niet bedroefd zijn als andere mensen, die geen hoop hebben.

Als we dus verdriet hebben om een groot verlies, dan zou dat alleen maar egoïstisch zijn en een teken van te weinig hoop (dus te weinig geloof!). Een heel ongelukkige tegenstelling! Rouw en geloof mag je zo niet tegenover elkaar plaatsen. Daar geeft onze tekst ook helemaal geen aanleiding toe. Het gaat daar helemaal niet om de tegenstelling rouwen en niet-rouwen (=geloven), maar er wordt gesproken over rouwen in de hoop op de opstanding en rouwen zoals de heidenen dat deden (met veel misbaar!). Er wordt niet gezegd: je moet niet rouwen en verdrietig zijn… maar: je moet niet bedroefd zijn zonder hoop, zoals mensen die geen hoop hebben. Het is niet hopeloos, maar daarom niet minder erg. Je lijdt er net zo onder. Het is hartverscheurend hoe sommige mensen lijden moeten. Dat dat zo is, wordt in de Bijbel ook nergens ontkend. Integendeel: ook Jezus rouwde over zijn vriend Lazarus en Hij weende bitter over Jeruzalem! We denken ook aan Job en aan de Psalmen en de Klaagliederen van Jeremia. Weeklagen over een verlies is niet on-Bijbels, maar juist heel Bijbels! Daar putten we dan ook de nodige troost uit. Dat is onze hoop in de lijdenstijd.

De derde lijdensaankondiging

Jezus gaat Zijn weg naar Jeruzalem, omdat alle nood van heel de wereld op weg naar Jeruzalem gedragen moet worden. Bartimeüs zat aan de weg, waar Jezus voorbij kwam. Zitten wij ook aan die weg?

Lukas 18, 31-43

Vandaag is het de eerste lijdenszondag. In de traditie wordt deze zondag genoemd: Estomihi, dat is: wees met mij, of: wees mij tot een…, en dan werden vanouds her de woorden van Psalm 31 ingevuld: “wees mij tot een beschuttende rots, een sterke vesting om mij te redden”. Vaak zijn de zondagen in het kerkelijk jaar genoemd naar de beginwoorden van een Psalmvers. Zo ook hier. Daarom hebben we ook Psalm 31 net gezongen in de dienst.

Lukas beschrijft ons in zijn tekst, hoe de Heer voor de derde keer wijst naar Zijn lijden en sterven. “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en al wat door de profeten geschreven is zal aan de Zoon des mensen volbracht worden.” Het moet zo gebeuren, zegt Jezus. Het staat in de Schriften en de profeten. De verwijzing naar het Oude Testament is in de leer van Jezus en daarna in de oude kerk heel belangrijk geweest. Dat is ook te begrijpen, want er was in die tijd niets anders. De boeken van het Nieuwe Testament waren nog niet geschreven en alles om Jezus heen was heel nieuw en onsamenhangend. Logisch dus dat men er enige lijn in trachtte te brengen en wilde laten zien, dat het geen ketterij was, wat Jezus deed en zei en wat er met Hem ging gebeuren. Nee, het was authentiek, want kijk maar: de profeten hebben het voorzegd; wat zij gezegd en beloofd hebben, dat gaat nu gebeuren. Hun woorden worden nu vervuld! “Want Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen en bespot en gesmaad en bespuwd worden, zij zullen Hem geselen en doden, en ten derden dage zal Hij opstaan.”

Lukas herinnert hier aan wat de profeet Jesaja gezegd had over de lijdende knecht des Heren (Jes.53). Deze verwijzing vinden we alleen bij Lukas. Ook in het gesprek van Jezus met de Emmaüsgangers komen we deze verwijzing naar de profeet Jesaja tegen. Luister maar (Luk.24, 25-27): “En Jezus zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” Natuurlijk wist Lukas al, toen hij dit opschreef, dat het allemaal zo gebeurd was. Wel een beetje gemakkelijk, zeggen we dan, om iets als profetie op te schrijven, als je weet dat het al gebeurd is. Maar dat gebeurt wel meer in de Bijbel. Wij vinden dat niet helemaal eerlijk, maar voor de profeten en apostelen gold dit wel als goddelijke waarheid, omdat daarmee de belofte van God werd vervuld. Zie je wel, zeiden ze dan, zo moest het gebeuren! Paulus doet dat ook vaak in zijn brieven. Dan haalt hij teksten uit het Oude Testament aan, waarvan wij zouden zeggen: “Moet dat nou? Is dat niet een beetje uit z’n verband gerukt? Zó kun je toch niet met Bijbelteksten omgaan?!” Ja, dat kon toen wel en dat mocht ook, vond men, dat gold als een waarheidsgetrouwe methode bij de Schriftgeleerden en de rabbi’s. Je zet een aantal Bijbelteksten naast elkaar, die allemaal een kernwoord gemeen hebben, en je krijgt een duidelijke bewijsvoering! Gewoon Schrift met Schrift bewijzen!

Wat wel opvalt in het rijtje dat Lukas noemt – overgeleverd, bespot, gesmaad, bespuwd, gegeseld en gedood en ten derden dage opgestaan – dat hier niet de kruisiging genoemd wordt. De nadruk ligt helemaal op het overgeleverd worden aan de heidenen en op de schande, die ze Hem aandoen, en tenslotte op het doden. De betekenis van het kruis is pas later, vooral door de theologie van Paulus, in de kerk op de voorgrond gekomen. Typisch voor Lukas is ook, dat hij de overlevering aan de heidenen benadrukt, terwijl Matteüs en Marcus in hetzelfde stukje spreken van overgeleverd worden aan de overpriesters en Schriftgeleerden. U ziet hieruit, dat de Evangelisten bij het schrijven van hun Evangelie rekening houden met het publiek, waarvoor zij schrijven. Matteüs schrijft voor de Joden en laat hun schuld zien aan de kruisiging van Jezus. Lukas schrijft voor de heidenen en laat hier horen, hoe zij schuldig zijn aan de dood van Jezus. Wij kunnen hieruit gerust opmaken, dat vanouds gevonden werd, dat zowel Joden als heidenen schuldig zijn. Inclusief wij zelf, die 2000 jaar later leven. Het is o zo gemakkelijk de schuld op de Joden te schuiven, wat de kerk maar al te graag door de eeuwen heen gedaan heeft en wat nog gebeurt. Het antisemitisme schijnt weer overal toe te nemen.

“En de discipelen begrepen niets van deze dingen en dit woord bleef hun duister en zij wisten niet, waarvan gesproken werd.” Wat zou Lukas hiermee bedoeld hebben? Het staat er nogal sterk, tot drie keer toe: zij begrepen het niet, het was hun duister, zij wisten niet. Wil Lukas aantonen, hoe alléén Jezus stond, toen Hij de weg naar Jeruzalem moest gaan? Wil Lukas ons het ongeloof van de discipelen laten zien? Juist misschien omdat zij zoveel van Jezus hielden en die ellende gewoon niet wilden en konden begrijpen? Het was toch ook voor de discipelen niet te begrijpen? Voor ons, die na Pasen en na Pinksteren leven, is het duidelijk dat het zó moest gebeuren, maar voor de discipelen?

Jezus gaat op naar Jeruzalem, letterlijk en figuurlijk. Letterlijk, omdat de weg omhoog gaat tot aan de heuvel Golgota, waar Jezus opgetild wordt aan het kruis. Johannes zal later ook zeggen, dat Jezus verhoogd werd. “Nu wordt de Zoon des mensen verhoogd en alles wat over Hem geschreven is zal worden vervuld.” Jezus’ lijden en sterven is “verhoogd worden”. Het is een Koninklijke weg, want aan het einde ervan is er niet alleen de vernedering en de schande en de dood, maar ook de opstanding en verheerlijking! Maar aan de discipelen was dit nog niet geopenbaard. Wij gaan in de komende weken met Jezus op naar Jeruzalem. Laten we in de komende lijdensweken met Hem meegaan!

Aansluitend op de woorden van Jezus vertelt Lukas ons de geschiedenis van Bartimeüs. Waarom hij dat zo gedaan heeft, weten wij niet zeker. Misschien, omdat de Koninklijke manier, waarop Jezus de blinde Bartimeüs tegemoet treedt en geneest iets wil laten zien van de Koninklijke weg, die Hij Zelf moest gaan naar lijden en sterven in Jeruzalem. Misschien ook omdat hier een link ligt naar de blindheid van de discipelen? Of laat Lukas ons zien, dat Jezus’ lijden en sterven voor alle Bartimeüssen, alle verdrukte en verslagen mensen in de wereld, heil en genezing betekent? We weten het niet. Zeker is in ieder geval, dat in de oude traditie beide stukken bij elkaar horen en ook op deze eerste lijdenszondag werden gelezen. In de Evangeliën van Matteüs en Marcus worden beide verhalen aan elkaar gekoppeld door de geschiedenis van de moeder van de zonen van Zebedeüs, die voor de jongens de beste plek in Gods Koninkrijk  beoogde: één aan de rechterkant en één aan de linkerkant van Jezus. U weet, dat de Heiland naar aanleiding daarvan gesproken heeft over heersen en dienen. “Wie de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn… gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Matt.20, 27v). In de lijn van het dienen ligt ook de genezing van Bartimeüs. Het is het Koninklijke dienen. De Koning, die zich vooroverbuigt naar die arme Bartimeüs, dat wil zeggen: naar iedereen, die in grote nood verkeert. Dat is de manier van het Koning zijn zoals Jezus het ons voordoet. Hij is Koning door ieders dienstknecht te zijn. Daarom geldt het: “Komt tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven!” Hij is de Koning, maar Hij is ook de knecht, de lijdende knecht des Heren, van wie Jesaja al gesproken had.

“Zie, wij gaan op naar Jeruzalem!” Eigenlijk bedoelde Jezus te zeggen: “Ik ga naar Jeruzalem, Ik alleen!” Want als het zo ver is, als de nood aan de man komt, is iedereen verdwenen. Alleen Hij hangt daar aan het kruis, met naast Hem een moordenaar, ook al weer zo’n eenzaam mens, tot wie Jezus Zich vooroverbuigt om zijn nood mee te dragen. “De Koning wordt een knecht, wat win ik veel daarbij!” Of zoals het prachtige Kerstlied Gez.147 zegt: “Hij wordt een knecht en ik een heer”. Jezus gaat Zijn weg naar Jeruzalem, omdat de nood van Bartimeüs, ja alle nood van heel de wereld op weg naar Jeruzalem gedragen moet worden. Daarom heeft Lukas de geschiedenis van Bartimeüs met de derde lijdensaankondiging verbonden. Om dat ook vandaag aan ons te zeggen, hoe Zijn overlevering aan lijden en dood moest gebeuren om aan Bartimeüssen zoals u en ik het leven terug te geven. De blinde Bartimeüs hoort zo helemaal bij de gang van Jezus op naar Jeruzalem, hij hoort er helemaal bij. Trouwens, genezing van blinden is één van de kenmerken van de Messias en van het aanbreken van het Messiaanse Koninkrijk. En dat is het nog! Daarom halen wij de drempels weg en brengen we blindengeleidelijnen aan en leiden we blindengeleidehonden op. De profeten hebben daarop gewezen: dat de blinden ziende zouden worden!

Bartimeüs zat aan de weg, waar Jezus voorbij kwam. Zitten wij ook aan die weg? Bartimeüs moest daar wel zitten, aan de weg, omdat hij dan alleen de kans liep om gehoord te worden en ook om zelf te horen! Laten we niet vergeten: wie niet zien kan is helemaal op het horen alleen aangewezen. Bartimeüs hoorde Jezus aankomen. Horen wij Hem ook, zittend aan onze weg? En wordt onze weg dan ook een stukje van Jezus’ weg, op naar Jeruzalem? Voor Maarten Luther ligt hier de kern van Bartimeüs’ geschiedenis: dat hij Jezus hoorde en blijkbaar ook naar Hem hoorde, in Hem geloofde. Hij bleef Jezus aanroepen, hij liet Hem niet los. “Zoon van David, heb medelijden met mij!” “Wat wilt gij dat Ik u doen zal?” “Here, dat ik ziende worde!” En Jezus zei tot hem: : “Word ziende; uw geloof heeft u behouden!”  Bartimeüs kon voortaan in dubbele zin zien: de dingen om hem heen en Jezus, hij zag met z’n ogen en met z’n hart!

Bartimeüs zat aan de weg, maar nu komt hij op de weg; op weg naar Jeruzalem! Hij volgde Jezus, God lovende. U ook?

Amen.

Een koninkrijk van priesters

De Gemeente zou je een plaatselijke afspiegeling van de kerk kunnen noemen. Elke Gemeente is daarom geroepen Christus’ lichaam te zijn.

“Een koninkrijk van priesters en een heilig volk.”
Exodus 19, 6

Kattendijke. Foto drhenkensteinGod heeft Zich een volk gekozen, te midden van alle volkeren der aarde. Hij heeft dat volk apart gezet. En Hij eist dat dit volk zich geheel wijdt aan Zijn dienst. Maar Hij belooft ook, dat Hij zich op bijzondere wijze met dat volk bemoeien zal. “Nu dan, indien gij aandachtig naar Mijn woorden luistert en Mijn verbond onderhoudt, dan zult gij uit alle volken Mijn eigendom zijn.”

En dat gaat gebeuren. God houdt Zijn beloften. Door Zijn toedoen, Zijn onvermoeibare hulp, wordt een nomadenstam in de woestijn tot een volk in een prachtig land, dat vloeit van melk en honing. Hij behoedt het volk voor uitsterven door het te bevrijden uit de onderdrukking in Egypte. Hij maakt er een samenhangend volk van door het Zijn regels en geboden te geven op de Sinaï. Hij zorgt voor een eigen land: Kanaän. Hij leidt het door aan het volk koningen en priesters en profeten te geven. Hij helpt het in veel oorlogen en in de ballingschap in Babylonië. Werkelijk, dit volk heeft alles alleen aan God te danken! Wat geweldig is dat! En toch is het geen pais en vree. In de overeenkomst tussen God en Zijn volk komt al gauw de klad. “Indien gij aandachtig naar Mij luistert en Mijn verbond bewaart…” Zo had God gesproken. Maar het volk luistert niet zo aandachtig en is steeds weer geneigd Gods verbond lost te laten. Dit volk, dat alles aan God dankt, wil niet voor God leven. Later is God zelfs genoodzaakt te klagen: “Toen Israël een kind was, had ik hem lief, uit Egypte riep Ik mijn zoon. Hoe meer Ik hem riep, hoe meer zij van mij weken!”.

Dit lezen we in Hosea. Hoe komt dat nou? Wat wil dan dit ongehoorzame volk? Het wil, wat alle mensen willen: twee tegenstrijdige dingen. Aan de ene kant wel een bevoorrechte positie innemen, aan de andere kant niet de lasten en bezwaren daarvan ondervinden. Dus wel de lusten, maar niet de lasten! Het volk wil van God zijn, maar ook weer zijn als iedereen. De vreugden, maar niet de smarten. De voordelen, mar niet de nadelen. Het is fijn om een kind van God te zijn, alleen het moest niet zo veel verplichtingen met zich meebrengen!

En zo zien we in Israël, dat het steeds weer van God afvalt, andere goden achterna loopt, heidense gewoonten overneemt en zo Gods weg verlaat. En hoeveel geduld God ook met Zijn volk heeft, er komt een punt waarop Hij moet ingrijpen. Zo kan het toch niet verder gaan! Wie niet luistert, moet maar voelen., Het volk werd gestraft, het moest lijden, opdat het zou leren te gehoorzamen. Maar omdat er mensen zijn, die nooit iets willen leren, integendeel: die zich in het lijden verharden, daarom neemt God een deel van Zijn beloften terug. Niet voor iedereen zouden deze voortaan gelden, alleen voor de mensen die echt naar God luisterden. Niet dus voor het hardleerse Israël, alleen voor degenen, die echt Gods volk waren. Van nu af aan zal er een scheiding zijn tussen het Israël van naam en de zogenaamde rest van Israël. Zoals Paulus het later zegt: “Want ze zijn niet allemaal Israël , die uit Israël zijn. Het ware volk zal bestaan uit kinderen van de belofte (Rom.9)”. En zo wordt de kring van Gods heil met de mensen steeds nauwer. God was Zijn werk begonnen met de hele mensheid. Hij zette het voort via één volk. Nu werkt Hij door met een rest, een trouw gebleven minderheid van dit volk. Vergeet God dan de massa, die Hem zo hard nodig heeft? Nee, dat niet. Hij concentreert Zich alleen op enkelen om via hen opnieuw het grote aantal te bereiken. Tenslotte blijft er slechts één over, de grote Ene, Jezus Christus. Wanneer Jezus naar Golgota gaat, is Hij helemaal alleen het volk van God. Hij draagt helemaal alleen de zwaarte van Gods werk hier op aarde, Op dit moment is er zelfs geen rest meer. Er is slechts één mens, die gehoorzaam is tot aan de dood van het kruis. Maar die Ene doet dit vóór allen! Wij horen dit in de woorden van Kajafas uit Johannes 11: “Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen van God bijeen te vergaderen.”

En zo, door de dood van de grote ene, is de weg vrijgemaakt voor een nieuw volk van God, dat eens de hele wereld zal omspannen. Echt een nieuw volk. In Christus is de herschepping van de wereld begonnen. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel! Het Koninkrijk van God doet zijn intrede in deze wereld. En de kerk mag dit laten zien. De kerk mag het niet alleen verkondigen, maar ook al laten zien. Dat het Koninkrijk gekomen is en onder ons aanwezig is. De kerk is een middel, dat God gebruikt om Zijn Koninkrijk zichtbaar te maken. Dat geeft ons kerkmensen een grote verantwoordelijkheid! Het gaat er immers om te worden, wat men is: een nieuw volk. We mogen en moeten leven op hoge toon, op de hoogte van de ons geschonken belofte. God zegt: “Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn”. Maar Hij zegt ook: “Daarom gaat weg uit hun midden en scheidt u af!” (2 Kor.6, 17). Het volk moet zich dus onderscheiden, het heeft niet het recht te zijn “zoals de anderen”. Het mag niet in dezelfde fout vervallen als Israël, het moet niet een lichtje zijn, maar het licht der wereld. Daarom is het nodig, dat het werkelijk als een volk leeft, een nieuw volk, verenigd met Christus, zoals het lichaam met zijn hoofd. Een clubje individuen zou in deze wereld nooit een werkelijkheid kunnen vertegenwoordigen als het Koninkrijk van God. Daarom wordt de kerk ook Gemeente genoemd, een geheel aparte gemeenschap, een nieuwe verschijning in de wereld. Zo hebben de eerste Christenen het ook gevoeld, zij waren het tertium genus, het derde geslacht, naast de Romeinen en de Joden. Het was bedoeld als een scheldnaam, maar het werd een erecode. Zij waren met recht het derde geslacht: een geheel nieuw volk!

In de 2e eeuw na Christus ontstond een anoniem geschriftje, met de bijzondere naam “Herder van Hermas”. Het staat vol met allerlei visioenen. In één ervan ziet de schrijver bergen, allemaal verschillend van vorm en kleur. Hij vraagt aan de herder, wat dit toch te betekenen heeft. De herder legt uit, dat deze bergen de volken laten zien, allemaal verschillend van gevoel en geest. Vervolgens ziet de schrijver, dat er stenen van deze bergen zijn gehaald om daarmee een toren te bouwen. Hij ziet, dat deze stenen dezelfde kleur aannemen, ze worden allemaal stralend wit. De herder legt uit, dat deze stenen de mensen zijn, bijeenverzameld uit zeer verschillende volken. Mensen, die verenigd zijn in eenzelfde geloof en eenzelfde liefde, vandaar dezelfde kleur, deze schitterende witheid als van de zon. Echt een prachtig beeld! Heel goed gezien, want het behoren tot het volk van Jezus Christus schept een onverwoestbare band en laat een gemeenschap zien, vanuit de hoogte bijeengebracht als een toren, die veel sterker en mooier is dan alle gemeenschappen in die bergen beneden.

Dit nieuwe volk heeft dezelfde opdracht als Israël: om God bekend te maken aan de wereld. Het heeft ook dezelfde verantwoordelijkheid: “Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.” Maar het heeft ook dezelfde gevaren als Israël: om gelijk aan andere volken te worden. Het gevaar ook van het compromis: een gemakkelijk leventje met toch een vooruitzicht om in de hemel te komen. Dit gevaar wordt al gauw tastbaar in de kerk. Terwijl de Christenen het ene volk na het andere onderwerpen, kunnen zij zich toch niet vrij houden van de geest van die volken. En zo komt er heel veel vreemd goed de kerk binnen, denk maar aan de heidense kerstboom. De geest van het aardse, het op deze wereld gerichte, doet de Heilige Geest concurrentie aan. Het kerkzijn wordt meer en meer een gewone aardse business. Op deze manier houdt de kerk op een echt nieuw volk te zijn. De oude misverstanden, die het volk Israël bedreigd hebben, hebben ook de kerk in zijn eigenlijke bestaan en opdracht uitgehold. Je ziet het in de verdeeldheid onder de Christenen, waardoor er meer en meer kerken zijn ontstaan. Christenen die uittreden en een nieuwe kerk gaan stichten, allemaal mensenwerk. De PKN wordt gesticht en er ontstaan weer drie nieuwe kerken. Slechts hier en daar en misschien ook op het zendingsveld weten de kerken elkaar weer te vinden om iets van die witte toren van de Herder van Hermas te laten zien. O ja, de kerken doen nog wel grote dingen. Vandaag krijgen ze weer een plek in de maatschappij, om de regering te helpen bij de uitvoering van de Wet op de Maatschappelijke Zorg, de WMO. Maar met haar eigenlijke taak: God te verkondigen en een heilig volk te zijn is het droevig gesteld.

En nu vraagt u zich natuurlijk af: wat moeten we daar nu mee als Gemeente van Kattendijke? Ik heb vanuit het Oude en het Nieuwe Testament laten horen wat kerkzijn is, wat God met ons als Zijn volk wil, welke opdracht we hebben en zo. Wij, zeg ik, want we zijn er allemaal bij betrokken, persoonlijk en als Gemeente. De Gemeente zou je een plaatselijke afspiegeling van de kerk kunnen noemen. Elke Gemeente is daarom geroepen Christus’ lichaam te zijn. Daarvoor zijn twee dingen nodig: dat je leeft in Christus, in afhankelijkheid van en verbonden met Christus, zoals een lichaamsdeel vast zit aan het lichaam. En het tweede is, dat je in Hem een gemeenschap vormt met andere gelovigen. Alle lichaamsdelen samen vormen het lichaam. Zo is het ook met de Gemeente. Als de organen van een lichaam allemaal goed functioneren, is het lichaam gezond en ademt het een gezonde geest. Praktisch betekent dit, dat een Gemeente geen vereniging is, want een vereniging wordt door de wil van haar leden gevormd en ook opgeheven. Maar de Gemeente is in ’t leven geroepen door de Heer. Een vereniging heeft alles te maken met een bepaald aspect van het leven van de leden, bijvoorbeeld voetballen of schaken. Maar de Gemeente moet een omlijsting zijn van alle aspecten van het leven. Een vereniging heeft reglementen, maar de Gemeente heeft tucht en leiding van de Heilige Geest. Als we zo gaan vergelijken, zien we al direct, dat de Gemeente – zoals wij die praktiseren- veel weg heeft van een vereniging. Is onze Gemeente hier eigenlijk meer dan een clubje mensen, die zich uitsloven wat voor elkaar te betekenen en te organiseren? Herkent u nog wel het gevoel van de eerste Christenen: een nieuw genus te zijn, een nieuw geslacht, een nieuw volk van God, een witte toren in het Zeeuwse land? Geheel afhankelijk van onze Heer en levend onder de tucht en de leiding van de Heilige Geest? “Een koninkrijk van priesters, een heilig volk zult gij zijn, en niet als de andere volken!”. Laten we daar eens serieus over nadenken! En praat daar ook eens met elkaar over, wat dit betekent voor onze Gemeente. Wij belijden te geloven in een heilige algemene Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen. Wat dat is en hoe we dat in de praktijk moeten brengen, denk daar over na en spreek daar over met elkaar. Koninkrijk van priesters, heilig volk!

Amen.

De storm op het meer

Toen draaide opeens de wind en het kalme water werd een kokende zee. Zij bidden en schreeuwen om hulp, maar Hij hoort het niet eens. Jezus slaapt gewoon door.

Marcus 4, 39-40
“Zwijg, wees stil! …hoe hebt gij geen geloof ?”

In de stormen van het leven wordt het geloof beproefd. Dat hebben we zelf wel meegemaakt, niet waar?

Je staat aan het begin van je leven en je gelooft best wel. Misschien heb je belijdenis gedaan, je bent in de kerk getrouwd, zoals het allemaal hoort. Net als de discipelen. Het schip gaat van wal en ze nemen Jezus in hun schip mee. Met Jezus aan boord, wat kan er dan nog gebeuren? Dat wordt een goede reis, daar mag je best wel vertrouwen in hebben. Wie Jezus volgt, is met Hem scheep gegaan. Of moeten we zeggen, dat Jezus met hem of haar scheep gegaan is? De discipelen hadden er best zin in. Na al die drukte op het land, met zo veel mensen die bij Jezus kwamen, was het goed uitrusten op de zee.

Maar ja, het gaat niet altijd zoals je het gedacht en gewild had. Van het concert des levens heeft niemand het program. Plotsklaps zijn daar de stormen Op het meer van Galilea kan het zo maar ineens gaan spoken, als de wind neervalt. Je rekent er niet op, het is er zo maar ineens. En het is zo erg, dat de golven over het schip heenslaan. Het water komt de discipelen aan de mond.

“Als op ’s levens zee de stormwind om u loeit….” dichtte Johannes de Heer, “tel uw zegeningen, tel ze één voor één!” Nou, vergeet dat maar. Daar ben je eerst nog lang niet aan toe! Integendeel, je kunt wel razen en vloeken, en je doet het in je broek van angst.

Zo is het u misschien ook wel eens vergaan. Het is zo heel menselijk. De discipelen laten het ons hier zien, wat er dan gebeurt. Ze staken van wal, ze hadden er echt zin in. Ze lachten elkaar toe. Toen draaide opeens de wind en het kalme water werd een kokende zee. En het gekke was: Jezus lag daar op het stuurmanskussen te slapen, alsof er niets aan de hand was. Om razend van te worden! In plaats van dat Hij het roer grijpt, ligt Hij nog in de weg ook! Zij maar bidden en schreeuwen om hulp, maar Hij hoort het niet eens, Hij slaapt gewoon door.

Het is een ervaring, die veel mensen in hun leven hebben opgedaan, u misschien ook wel. In Psalm 44 overkomt het een heel volk, toen het in de storm terecht was gekomen. De vijand heeft hen vernietigend verslagen, ze zijn verpletterd. En dan brult de Psalmdichter: “Waak op! Waarom slaapt Gij, o Heer? Ontwaak!” Hij klaagt zijn nood: “Waarom verbergt Gij Uw Aangezicht, vergeet Gij onze ellende en verdrukking?” Dat is misschien wel het ergste, als de storm z’n kop op steekt in ons leven, dat het is alsof Jezus slaapt, God ons niet hoort. God ligt van ons niet wakker! Dat is een vreselijke ervaring. Je kunt het niet begrijpen. Toch is het zo, Calvijn had daar ook al moeite mee. Hij schrijft in zijn commentaar op deze plaats: “Het lijkt alsof Jezus slaapt, maar dat is niet zo. Zijn lichaam is in rust, maar Zijn Geest waakt over ons, kijk maar: Hij laat Zich wakker maken en stilt de storm.” Ja, dat klinkt goed. We zouden hem ook heel erg daarin bijvallen: was het maar! Wij zouden hetzelfde zo graag zelf willen meemaken. Maar u weet het: het gaat meestal niet op. Je kunt bidden en schreeuwen, Jezus wordt toch niet wakker. Hij staat niet op in je leven om de storm te bezweren. Je voelt je van God verlaten, eigenlijk: in de steek gelaten. En dat betekent voor ons een enorme ontgoocheling! Je was immers van wal gestoken in je leven in het volste vertrouwen, dat Jezus aan boord was en je altijd zou helpen. Je had toch niet gedacht aan zulke stormen als ernstige ziekte, handicap of rouw?

Maar dan is daar toch die storm plotseling, zo maar. En u kunt er zeker van zijn, dat die storm door de discipelen werd beschouwd als een oordeel van God. Iedereen dacht toen zo, en vandaag denken nog velen zo. Mensen hebben we de neiging God van alles in de schoenen te schuiven. Maar zo is het toch niet. We moeten ons ook zelf eerst eens afvragen, of wij er soms zelf schuld aan hebben.

De discipelen hebben daar natuurlijk helemaal geen tijd voor. Hun leven staat op het spel! Waar blijven ze nu met hun geloof? ’t Is goed aan het wankelen gebracht, zoals meestal, wanneer de nood in het leven komt. Als de mens in nood komt, komt ook het geloof in nood. Reken maar! Ze raken hun vertrouwen in de Heer kwijt. Het water loopt al over het dek, en de Heer slaapt maar door. Wat doet een mens dan, in zijn nood? Hij gaat schreeuwen uit angst: Help mij toch! Waarom trekt U Zich niets van mij aan! Ongeloof en verwijt aan het adres van Jezus. Nog altijd gebeurt dit bij mensen, die de dood in de ogen zien. Wij weten dan niet meer wat te zeggen. Pure paniek. We schudden de Heer wakker en we verwijten Hem dat Hij egoïstisch is! Zeg nu niet, dat ze in Hem geloofden en dat ze wel wisten dat Hij hen zou helpen. Dat ze Hem dus wakker maakten uit puur geloof! Nee, zo is het niet. Ze doen het uit angst en onmacht, ongeloof en wantrouwen, agressie en boosheid. En dat is heel erg, dat we zo met de Heer omgaan. Jezus wakker maken, betekent dat wij geforceerde pogingen doen om Hem in onze nood te betrekken. We trekken Hem binnen in onze levenskring, in onze misère, en maken Hem zelfs daarvoor verantwoordelijk. Wie is er hier nu egoïstisch: de Heer of wij zelf, die zo heftig te keer gaan?

Is het niet een wonder, dat het soms toch nog effect heeft? Ook hier, bij de discipelen. Maar van al die mensen, die zijn omgekomen in een storm, hoor je nooit meer iets. Hooguit, dat ze te weinig geloof hebben gehad! Hier laat Jezus Zich wakker roepen en Hij neemt het de discipelen nog niet eens kwalijk ook. Hij staat op en zegt tegen de wind en de golven: “Zwijgt, weest stil!” En de wind gaat liggen en het water wordt kalm en de discipelen zinken uitgeput neer op de roeibanken. Ja, zeggen we dan, zie je wel: wie maar volhardt in het gebed, krijgt wat hij hebben wil. Wie klopt, wordt opengedaan! Ja, dat is waar, maar ook niet waar. Inderdaad wordt hier de storm gestild, maar tegelijk stelt Jezus ons met de discipelen onder kritiek: “Waarom zijt gij zo bevreesd, hoe hebt gij geen geloof?”

De storm wordt niet gestild, omdat de Heer ons dan maar tegemoet zal komen om van het gezeur af te zijn. Nee, onze Heiland is geen slappe moeder, die het zeurende kind tenslotte maar z’n zin geeft. Het is ook niet de beloning van het geloof van de discipelen. De storm wordt alleen maar gestild als een teken van Jezus’ macht, om te laten zien Wie Hij is: dat Hij de Messias is! Het is beslist geen uitvloeisel van het geloof van de discipelen, eerder het tegendeel: een teken, dat de discipelen nog eens tot geloof zullen komen! ’t Is voor de discipelen geen overwinning, eerder een nederlaag. Wij moeten daarom niet te gauw zeggen: zie je wel, wie gelooft wordt behouden! Jezus behoudt hier juist mensen, die niet geloven! “Hoe hebt gij geen geloof?” Hoe is het mogelijk, dat jullie nog geen geloof hebben? Ik ben al zo lang bij jullie en jullie hebben al zo veel van Mij gezien en gehoord en toch geloven jullie nog steeds niet! Goed, dan zal Ik dit er nog bij doen, misschien dat jullie nu gaan geloven en de mensen later ook, raak dan ook niet zo in paniek, als er een storm in je leven komt!

Wat moeten wij daar nu mee aan? Misschien hebt u het ook wel eens meegemaakt, dat Jezus u door een storm geholpen heeft en u daarmee heeft voorbereid op een volgen de storm? Vast wel. Als dan die andere storm opsteekt in je leven, kun je er beter tegen. Misschien dat we dan Jezus kunnen laten slapen. “Al staat de zee ook hol en hoog en zweept de storm ons voort, Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord……” Dan zal het er om gaan, dat we niet in paniek raken, maar dat we ons herinneren, hoe de Heer wel vaker in ons leven storm heeft gestild, zodat het weer volkomen stil werd. Dat is het geloof, waartoe de Heer ons brengen wil, met vallen en opstaan,. Wij, die met Jezus van wal zijn gestoken, moeten ons niet uit het veld laten slaan door een of andere storm, die opsteekt. “Wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord en het veilig strand voor oog”.

De woorden van Psalm 121 laten dit zo duidelijk horen: “Zie, mijn Bewaarder zal niet sluimeren, Hij zal uw uitgang en uw ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid. Uw voet zal niet wankelen!” De uitgang is “uit de moederschoot”, de in gang is “in de dood”. Het gaat dus om de totaliteit van het leven, waarin God ons bewaren zal. Om dat te bevestigen stilt Jezus de storm. De zee is de macht van de chaos, de macht van satan, de macht van de dood. “Dood, waar is uw prikkel thans?” (1 Kor.15, 55).

Jezus is overwinnaar!

Amen.

De rust van God

Het is een goede zaak om in deze woelige tijden eens wat aandacht te schenken aan de rust, die God ons heeft toegezegd.

Hebreeën 4, 11
“Laten wij er dus ernst mee maken tot die rust in te gaan.”

Het is een goede zaak om in deze woelige tijden eens wat aandacht te schenken aan de rust, die God ons heeft toegezegd. In ons Schriftgedeelte wordt daar op indringende wijze over gesproken. De tekst wekt ons op om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door het voorbeeld van ongehoorzaamheid te volgen. Dat slaat op het woestijnvolk Israël. Om dit te laten zien haalt de schrijver Psalm 95 aan. Heel zijn betoog is als ’t ware een preek over die Psalm met als enige bedoeling de Gemeente op te wekken het zó niet te doen! Niet zo ongehoorzaam te zijn als Israël, maar in alle gehoorzaamheid God te dienen en zo tot de heerlijke rust van God in te gaan.

Aan wie de brief gericht is weten we niet precies. Waarschijnlijk tot een Gemeente in Klein-Azië, waar veel Christenen van Joodse afkomst woonden. Vandaar de naam “Hebreeën”. Ze moeten wel goed thuis geweest zijn in de oude Joodse geschriften, want de brief is doorspekt met aanhalingen uit het Oude Testament. Zo gaat het in ons gedeelte helemaal over Psalm 95.

Wie de brief geschreven heeft, dat is ook niet bekend. Men heeft wel gedacht aan de apostel Paulus. Maar de stijl van de brief is zo heel anders dan die van Paulus’ brieven. Vandaar dat het ’t meest waarschijnlijk is te denken aan een Christen van de tweede generatie. Iemand van Joodse afkomst, goed onderwezen in de Schriften, en ook in het bezit van een degelijke Grieks-filosofische vorming, die bij de opvattingen van Paulus aansluit.

Wat wil deze man ons nu vertellen? Laten we eens gaan kijken naar onze tekst:

“Daarom, zoals de Heilige Geest zegt: Heden, als gij zijn stem hoort, verhardt dan uw harten niet zoals bij de verbittering op de dag van de beproeving in de woestijn, waar uw vaderen Mij uitdaagden door Mij op de proef te stellen… en toch zagen zij Zijn werken veertig jaren lang.”

De schrijver haalt hier Ps. 95 vs.7-11 aan, luister maar:

“Och, of gij heden naar Zijn stem hoordet!
Verhardt uw hart niet, gelijk bij Meriba,
gelijk ten dage van Massa, in de woestijn,
toen uw vaderen Mij verzochten ,
Mij op de proef stelden, ofschoon zij Mijn werk hadden gezien…
Daarom heb Ik gezworen in Mijn toorn:
Tot Mijn rustplaats zullen zij niet komen!”

Ja, de schrijver kent zijn Bijbel wel! Hij geeft de Psalm precies weer, en geeft er dan een verklaring van met het oog op de situatie van de Gemeente. Hij spreekt de Gemeente aan met “broeders”, precies zoals Paulus dat doet. Broeders, ik vermaan u! Eerst komt de liefde tot elkaar als broeders en zusters, en dan worden wij vermaand, vanuit die liefde. Daar zit iets warms in, iets wat ons ontroert: broeders, luistert, ons hart kan zo vol zijn van ongeloof, precies als bij onze voorvaderen in de woestijn, laten wij daar toch voor oppassen! De schrijver kent zijn Gemeente, hij weet wat haar zwakte is. En daarom vermaant hij zo hartstochtelijk. Als zielzorger weet hij, dat we op elkaar moeten letten en op elkaar moeten passen. Juist in alle aanvechtingen, die de gelovige moet doorstaan, is de gemeenschap onder elkaar van zo groot belang. In de wederkerige zorg aan elkaar, het troostende woord, de helpende hand, komt de stem van God tot leven. Alle dagen moeten voor ons zijn “het heden, zo gij Zijn stem hoordet.” Zo bedoelt de schrijver het. Laten we er toch voor zorgen, dat er onder u niemand zo’n trouweloze en slechte gezindheid heeft, die leidt tot afval van de levende God! Spreekt elkaar moed in, elke dag zo lang het “heden” duurt. Want wij zijn Christus’ deelgenoten geworden. Weest gewaarschuwd door het volk Israël, dat God bevrijdde uit Egypte en dat toch ongehoorzaam werd. Laten wij, die God ook bevrijd heeft op zo wonderbaarlijke wijze door Jezus Christus, laten wij gehoorzaam zijn en gelovig! Want dat is toch het grote gevaar: de zonde door ongehoorzaamheid en ongeloof.

De in de Psalm vermelde gebeurtenissen uit Mozes’ tijd bevatten dus een ernstige vermaning voor het heden. Toen ging het over het binnengaan in de rust van het beloofde land. Nu gaat het om Gods heerlijke rust bij het binnengaan in de hemel. Nu gaat het om de voltooiing van Gods heilsplan met ons mensen: de heerlijkheid van het eeuwige leven. In de oude Joodse literatuur worden rust, sabbat en eindvoltooiing ook samen genoemd. Een goed voorbeeld hiervan is Psalm 23, waar de gelovige ingaat tot de wateren der rust. God heeft beloofd, dat dit iedereen, die gelooft, zal overkomen. Aan die belofte houdt Israël vast. Die belofte geldt nog steeds, voor de Hebreeën en ook voor ons. Maar dat doel wordt alleen bereikt door de gelovigen, de rechtvaardigen die op God vertrouwen. Daarom heeft God de Israëlieten verworpen, omdat zij volhardden in hun ongeloof, zoals Psalm 95 zegt: “Daarom werd Ik toornig op dat geslacht en Ik zei: altijd dwaalt hun hart, Mijn wegen hebben zij niet willen kennen. En Ik heb gezworen in Mijn gramschap: nooit zullen zij ingaan in Mijn rust.” Maar voor ons geldt die belofte van God nog. Daarom, zo zegt de briefschrijver, moeten wij er voor zorgen dat niemand van u zou menen dat het te laat is. Want ook wij hebben het goede nieuws gehoord net als zij. Maar het heeft hun niet gebaat vanwege hun ongeloof. Wij, die geloofd hebben, gaan die rust binnen, voor ons wordt de belofte van God vervuld. Daarom: laat niemand ten val komen door het slechte voorbeeld van Israëls ongeloof te volgen!

Hieraan hoeven wij verder niets toe te voegen. Het is een heldere preek voor die eerste Joods-christelijke Gemeenten, zij is het nog steeds ook voor ons!

Want zijn wij anders dan die Jodenchristenen van toen? Zijn wij ook niet altijd bezig met ons zelf? Met rusteloos werken en zwoegen? Ook op de sabbat, onze zondag, kennen de mensen geen rust. Mensen die in de weer zijn, altijd. Wat wordt er niet gekissebist over de koopzondagen? En toch, mogen wij juist op zondag als de Dag des Heren al niet vooruit grijpen op die toekomstige sabbat en de sabbatsrust genieten? De toekomstige rust in de heerlijkheid van God wordt in de brief immers niet voor niets aangeduid met “Sabbatsrust”.

Eeuwenlang heeft de zondag dit kenmerk gehad. De gelovige Joden beleven de sabbat nog zo: als de voorsmaak van de eeuwige Sabbatsrust. Vandaar dat aan de sabbatsmaaltijd gasten worden uitgenodigd en er ook altijd een stoel klaar staat voor Elia, die zoals beloofd op het eind der tijden zal terugkomen, net als onze Heer. Er ligt altijd iets feestelijks over de viering van de sabbat. Hoe is dat bij ons? Een oud Joods gezegde luidt: “De sabbatsdag is de dag van de ware rust, er wordt niet gegeten of gedronken, niet gekocht of verkocht, maar de rechtvaardigen zullen aanzitten met kronen op hun hoofden en zich laven aan de glans van de eeuwige rust.”

Maar of deze eeuwige rust ook bereikt wordt, hangt af van de inspanning, die men zich daarbij getroost. Het gaat er om te voorkomen dat men in dezelfde zonde valt als de Israëlieten het ongehoorzame woestijnvolk. Het op weg gaan naar de eeuwige rust betekent een leven van gehoorzaamheid en geloof, een leven naar de wil van God, een leven onder Gods Woord. “Heden, zo gij Zijn stem hoort”. Het is nog steeds “heden”. We mogen nog steeds leven onder Gods genade, de belofte, vervuld in Jezus Christus. Ook het volk, waaruit Jezus geboren werd en dat God wegens zijn ongehoorzaamheid gezworen had nooit in Zijn rust te zullen laten ingaan, ook dat volk heeft in Christus nieuwe perspectieven gekregen. We zijn met elkaar een Gemeente-onderweg, met alle gevaren van dien: twijfel, menselijke onrust, zonde en hoogmoed, egoïsme en vermaterialisering van alle hogere waarden in het leven. In veel van ons leven in deze tijd zien wij de situatie van de Hebreeën terug. Toch mogen we nog steeds verder trekken, op weg naar de eeuwige rust! Dat is de vrede van God, die alle verstand te boven gaat. Als we maar luisteren naar Gods stem! In dit licht krijgen onze zondag en zondagsviering nieuwe betekenis, maar ook ons bezig zijn, ons werken en zwoegen, omdat het definitieve einde daarvan ons in het vooruitzicht is gesteld: een heerlijk einde! We hebben nog steeds deze zekerheid, maar we zijn ook gewaarschuwd door Psalm 95 dat het anders kan. Laten we er dan ook ernst mee maken, steeds weer opnieuw, met ons geloof en met de werken, die daaruit voortvloeien: barmhartigheid, zelfverloochening, naastenliefde en nog zo veel meer.

Amen.

Door God verlost

Alle mensen sterven en komen in het dodenrijk. Maar, zo wordt ons hier geopenbaard: de goddelozen blijven daarin, terwijl God de gelovigen daaraan ontrukt.

Psalm 49, 16
“God Zelf verlost mij uit de macht van het dodenrijk; Ja, Hij neemt mij op!”

Verlicht dal tussen bergen.Het gaat in de Psalm om een actueel onderwerp: de dood. En wel over tweeërlei lot van de mens na de dood. Alle mensen sterven en komen in het dodenrijk. Maar, zo wordt ons hier geopenbaard: de goddelozen blijven daarin, terwijl God de gelovigen daaraan ontrukt. Duidelijk horen we dit in onze tekst: “God verlost mij uit de macht van het dodenrijk; ja, Hij neemt mij op!” Dit is de kerngedachte van onze Psalm. Een bemoediging en troost voor alle gelovigen, die staan voor de dood.

Voor ons mensen van de 21ste eeuw klinkt die boodschap bekend in de oren. Wij hebben al zo vaak van hemelvaart en hellevaart gehoord, en dat er twee wegen zijn na de dood. Maar voor de oude Israëlieten was dit iets geheel nieuws De dichter heeft het ook niet uit zich zelf, maar hij heeft het van God geopenbaard gekregen.

Luister maar naar vers 5: Ik neig mijn oor tot een openbaringsspreuk, ik openbaar het mij geschonken geheim “Bij de citer”. De dichter is zich er ten volle van bewust dat hij iets nieuws, iets ongehoords, verkondigt. In zijn tijd had men over de toestand van de mens na de dood slechts vage voorstellingen. Het leven na de dood was een geheim, waarvan alleen God de sluier kon oplichten. Men wist dat de mens na het sterven in het graf kwam: in de kuil of groeve, zo noemde men dat. Men zei ook, dat men zo vergaderd werd tot zijn vaderen, dat wil zeggen men kwam in het familiegraf. We lezen in de Bijbel bijvoorbeeld, dat de oude Jacob en zijn zoon Jozef uit Egypte naar Kanaän werden gebracht om daar begraven te worden in het graf van Abraham, het familiegraf dus. Ook wist men, dat de dode in het dodenrijk kwam. Het woord “sjeool”, dat “dodenrijk” betekent, komt meer dan 60 keer in het Oude Testament voor. Daarheen gingen alle mensen, zowel de rechtvaardigen (gelovigen) als de onrechtvaardigen (de ongelovigen). Maar men wist nog meer! Men wist ook te vertellen van Henoch, die met God wandelde… en opeens was hij er niet meer: God had hem weggenomen! Ook van enkele anderen, zoals de profeet Elia, wist men dat te vertellen. Het waren wel uitzonderingen, het betrof alleen de bijzonder uitverkorenen, zeg maar: Gods lievelingen, maar toch… het was een tikje van de sluier, die werd weggenomen over het geheim van de dood.

Voor onze Psalmdichter wordt de sluier nu nog wat verder weggetrokken. Hem wordt geopenbaard, dat de gelovigen, de vromen, de rechtvaardigen, allemaal woorden voor de mensen die met God leven, dat die mensen wel eerst in de sjeool komen, maar dat God hen daaruit wegneemt. Hij geeft de Zijnen niet prijs aan de macht van de dood. De hoogmoedigen en trouwelozen, de praalzieke goddelozen en onrechtvaardigen, die blijven wel degelijk aan de dood overgeleverd.

De dichter van onze Psalm mag dus al zo’n duizend jaar vóór Christus weten, wat Jezus later zou openbaren in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. De rijke man sterft en zal wel een praalgraf gekregen hebben. Van Lazarus wordt niet eens verteld, dat hij wordt begraven, wie weet wat er met zijn dode lichaam is gebeurd, misschien wel weggesmeten in een massagraf, zoals dat met zoveel arme mensen is gebeurd. De rijke man heft zijn ogen op in pijn, terwijl de arme bedelaar wordt door Gods engelen wordt weggedragen in Abrahams schoot. Dat heil, zo bedoelt Jezus het, dat heil zal nu niet alleen deel zijn van uitverkorenen zoals Henoch en Elia, maar voor alle gelovige vrome mensen.

Over het tweeledige lot van de mens na de dood spreekt de dichter onomwonden in de verzen 10-16. Het is alsof we de Heiland horen, vanaf de berg van de zaligsprekingen de armen toeroept: “Zalig de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen“. Het bittere levensraadsel, waar zoveel mensen mee worstelen, dit: dat de een zo veel meer krijgt in zijn leven dan de ander, verliest hiermee zijn aller-hevigste bitterheid. Uiteindelijk zal er toch gerechtigheid geschieden! Er is een God, Die rechtvaardig oordeelt en ginds recht zet , wat mensen hier scheef hebben getrokken en altijd scheef hebben laten staan. Dat gebeurt nog altijd! Kijk maar naar der geweldige tegenstellingen tussen arm en rijk in onze wereld. Hier en nu, aan deze kant van de dood worden mensen van elkaar gescheiden door geld, macht, eer, kennis, rang en stand, gezond of gehandicapt; maar na de dood zijn er ook twee standen, niet afgemeten naar aardse waarden, maar naar de vaste door God ingestelde regel: “De Here kent de weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddelozen zal vergaan”. Voor de dood zijn alle mensen gelijk, wordt wel eens gezegd. Maar de dood máákt niet alle mensen gelijk, gelukkig niet! Een ieder sterft zijn eigen dood en heeft na zijn dood een eigen lot. De deemoedige blijft voorleven. God neemt hem weg uit de dood! Maar de praalzieke mens houdt geen stand: “Hij is gelijk aan de beesten, die vergaan”. (vs.13).

Aan duidelijkheid laten deze verzen niets te wensen over. De goddelozen en dwazen, die in hun hart hebben gedacht: “er is geen God, met Hem hoef ik dus ook geen rekening te houden, ik ga gewoon mijn eigen gang; ik hoef toch geen rekenschap af te leggen van mijn doen en laten, aan niemand!”, die goddeloze en praalzieke mens, die op zichzelf vertrouwt en op zijn bezittingen en macht, die hoogdravend neerziet op andere minder bedeelde mensen, de dichter kent ze maar al te goed. “Ach”, zegt hij, “wijsheid en inzicht hebben ze niet, ze zijn eigenlijk niet meer dan de beesten op het veld, die vergaan, en hun plaats kent hen niet meer! Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen” (vs.15). Een verschrikkelijk beeld! Niet aan wateren der rust en in grazige weiden komen zij, zoals Psalm 23 nog bezingt, maar in een oord van verschrikking, waar de dood zelf hen weiden zal. De rillingen lopen je over het koude lijf!

Zo anders is het lot van de gelovigen. Zij leven voor eeuwig. En het is een gekwalificeerd leven. Niet zo maar een vlak bestaan, een bestaan dat zich in de sleur voortsleept van dag tot dag. Nee, het is een door God Zelf gevuld leven. Als zij sterven, worden zij “bij name” genoemd, opgeroepen, zij stijgen op uit het land van de dood tot Gods heerlijkheid. De sterke hand van God neemt hen op, zo zegt de dichter in vers 16.  Precies zo vinden we ’t ook in Psalm 73: “Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid op nemen.” Ook van de knecht des Heren in Jesaja 53 wordt dit gezegd: “Hij is uit de angst en het gericht weggenomen”. Het zijn allemaal verwijzingen naar de Hemelvaart van Jezus, Het geeft ons een hemels perspectief. Eens zullen ook wij de Heer naar de hemel mogen volgen. De dichter jubelt het uit: “God Zelf verlost mij uit de macht van het dodenrijk, ja, Hij neemt mij op!” Het is maar een kort zinnetje, toch bevat het het hele Evangelie! ’t Is meer dan duizend andere zinnen kunnen zeggen! Een goddelijke openbaring, die inbreekt in onze onwetendheid. Opnemen – hoe? Daarover weet de dichter niets. Opnemen – waarheen? Daarover kan hij ook niet duidelijk spreken. De sluier is nog niet helemaal opgeheven. De dichter weet alleen nog maar van het dat. Dat God met de gelovigen is en hen bij Zich neemt. Maar dat is ook genoeg, vindt u niet? Bij God te zijn, veilig bij Hem geborgen. Wat kan een mens nog meer verlangen? Dat geeft je ook de kracht om rustig verder te gaan in je leven, het kwaad te weerstaan en je niet zo druk te maken over al die dingen, waar de wereld zo aan hangt. De dichter heeft geluisterd naar God, heel eerbiedig geluisterd, wie weet hoe lang, totdat het hem werd geopenbaard. En toen is hij een profeet geworden , want hij moest dit heerlijke nieuws aan al die mensen, die voor de dood staan, doorgeven. “Hoort dit, al jullie volken, neemt het ter ore, al jullie wereldbewoners, zowel geringen als aanzienlijken, rijken en armen tezamen”. Ik zei het al: voor de dood is ieder gelijk, de dood maakt geen uitzondering. Hij komt bij iedereen voorbij. In het middeleeuwse toneelspel “Elckerlic” wordt dit duidelijk uitgebeeld. De dood roept: elckerlic, elckerlic, Jedermann, Jedermann…

Alle mensen moeten ’t ook horen, want wie weet is er nog een weg terug. Voor de ongelovigen, die bewust buiten God leven. Want de boodschap is hard! Wie zich niet bekeert, is gedoemd in de dood te blijven. Maar gelukkig, er is nog tijd en gelegenheid om je te bekeren. We horen het de Heiland zeggen: “Wat baat het een mens, wanneer hij de hele wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel? Of wat zal een mens geven tot verlossing van zijn leven?” Laat dat voor ons een aanmoediging zijn om de Heer te vrezen. Zo steekt de dichter de armen en deemoedigen een riem onder het hart of moet je zeggen: een hart onder de riem? Dat ze niet minder zijn dan die rijken en hoogmoedigen, integendeel zelfs. Maar ze moeten wel hun verstand gebruiken, en inzicht krijgen in de wegen van God, en ze moeten zich onderwerpen aan Zijn wil. “O Here, laat mij Uw wegen kennen, en leer mij een wijs hart te bekomen!” Ik denk, dat de dichter hier vooral ook tegen zichzelf spreekt. Wie weet wat hij allemaal moest doormaken, zoals bespotting en pesterijen van de mensen. Want, zoals het spreekwoord zegt, een profeet is in zijn eigen plaats niet geëerd. Maar ook zijn eigen twijfels en strijd zien we hier weerspiegeld. Wie weet hoe lang hij heeft moeten zoeken naar het antwoord op de raadsels van leven en dood. Maar nu heeft God hem Zijn waarheid geopenbaard. Nu mogen wij daar ook van ophoren, na tweeduizend jaar! En wij moeten het doorgeven aan al die mensen, die nog in de schaduw van de dood leven. Want heel veel mensen hebben daar nog twijfel over, over het leven na de dood. Laten we het Evangelie doorgeven, ook uit voorzorg om het zelf niet weer te verliezen. Iemand heeft hier eens het beeld gebruikt van de Dode Zee. Die zee ontvangt elke dag uit de Jordaan vele kubieke meters water, levend water, maar ze geeft het niet door, en daardoor wordt het levende water bitter en zout en dood.

Wij kennen allemaal de dreiging van de dood, die onherroepelijk komt, vaak op een tijd waarop je ’t niet verwacht. Vandaag is ’t een ander, morgen ben ik ’t of u. Uit die oude Psalm 49 van zo lang geleden valt een lichtstraal op elk sterfbed en elk graf, een lichtstraal van Boven, ook straks in ons eigen graf. Het is de lichtstraal, die ons toeschijnt uit dat andere graf, het lege graf van Hem, Die gezegd heeft: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook mal is hij gestorven.” (Joh.11, 25).

We mogen eindigen met het woord van de apostel Paulus uit de Romeinenbrief: “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad (8, 37)… Dit is een getrouw woord: indien wij met hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met hem leven.” (6, 8).

Amen.

Laatste afscheid

Het land van zonde en dood en duisternis mag je achter je laten, om rust te vinden bij God, in het door hem beloofde land: het hemelse paradijs.

Genesis 50, 24
“En Jozef zeide tot zijn broeders: ik ga sterven; God zal zeker naar u omzien.”

Het boek Genesis eindigt met de begrafenis van Jacob en Jozef. Waar zouden zij hen neerleggen? Maakt het dan wat uit, waar je begraven wordt? Of misschien niet begraven, maar gecremeerd? Wij weten toch: as tot as, stof tot stof. In de wereld van Genesis 50 maakt dit wel wat uit, heel veel zelfs. We zien hier, dat de laatste rustplaats nog volop bij het leven hoort. De doden, zij horen nog bij ons.

De oude Jacob is gestorven als een vorst in Egypte. Zijn lichaam wordt gebalsemd en hij wordt 40 dagen beweend. Hij doet daarmee niet onder voor een Farao. Met het balsemen wordt de herinnering aan een geliefde persoon kracht bij gezet. De dode krijgt ook een paleis mee in zijn graf en alles wat daarbij hoort. Voor hem of haar moet het leven gewoon door gaan. Zo trotseert de mens in het oude Egypte de tijd. Wat geweest is, is natuurlijk ook voor hen voorbij, maar men bewaart het zoals het was. Zo blijven de doden onder hen aanwezig. Dat had men met Jacob ook willen doen, maar deze wilde dat niet. Hij had zijn zoon Jozef laten zweren hem in Kanaän te begraven. Israël kan nu eenmaal niet in Egypte blijven, zelfs niet in een koningsgraf. Daarom vraagt Jozef aan de Farao toestemming om zijn vader in Kanaän te begraven. Farao heeft daar begrip voor en stuurt zijn dienaren mee.

Daar gaan Jozef en zijn broers, ja heel het volk, begeleid door de staf van Farao.

Dwars door de woestijn gaan ze, en zo komen ze aan bij de Jordaan. Daar pauzeren ze en houden er 7 dagen rouw. Dan trekken ze de Jordaan over en begraven Jacob in het land van de belofte, in het graf van vader Abraham. Het is een teken van de dood, die overwonnen wordt, en van het nieuwe leven, dat gaat beginnen! Uittocht uit Egypte, het land van duisternis en dood! Het is ook de vervulling van de belofte aan vader Abraham: binnen te mogen komen in het beloofde land!

En dat is nog zo, voor elke gelovige, die sterft. Het land van zonde en dood en duisternis mag je achter je laten, om rust te vinden bij God, in het door hem beloofde land: het hemelse paradijs. In feite maken Jozef en zijn broers dezelfde tocht, die straks heel het volk Israël opnieuw zal maken. Nu zijn zij nog begeleid door de mannen van de Farao, straks zullen zij achtervolgd worden door diezelfde mannen, in een strijd op leven en dood. Maar het gaat er om, dat Israël zal rusten in het beloofde land. Daar moet het heen!Van Egypte naar Kanaän, van het land der duisternis naar het land der belofte. Daar moet het volk Israël heen, daar moeten ook u en ik heen!

Waar de dode blijft, maakt wel degelijk verschil. Het verleden moet niet gebalsemd worden, tot een stenen verleden. Nee, het moet in de belofte rusten! Niet wij hebben ons leven te voleindigen met balsem en mooie grafmonumenten, maar “De Here zal het voor mij voleindigen”. Wij leven uit de belofte. God maakt ons leven nieuw. In een piramide kan het licht niet meer binnendringen. Daarom wordt Jacob begraven in het land der belofte. Zo geven wij ook onze doden over aan de aarde, in het vertrouwen dat God dit leven voleindigen zal. Voleindigen is meer dan beëindigen. Wij zeggen te gemakkelijk dat God onze tijd bepaalt, hij geeft er een begin aan en een einde. Belangrijker is, dat we weten, dat God niet alleen het einde bepaalt, maar het VOL maakt. Hij maakt ons leven af, Hij maakt het nieuw! In die hoop begraven wij onze doden. Wij geven ze over in de handen van de levende God, niet aan mensenwerk: balsem en steen. Wij houden ze niet vast, maar laten ze los, in het vertrouwen dat God ze vastpakt. Ook als hun plaats ze niet meer kent, als ze helemaal vergaan zijn tot stof, herinnert God Zich hun namen echt wel en weet Hij ze wel te vinden.

Natuurlijk, de herinnering mag blijven. Dat is goed zo. Wij mogen de doden ook bewaren in onze gedachten, onze harten, op onze grafstenen. Jacob kreeg ook een herinneringsplaats, in het familiegraf van Abraham. En wij hebben onze kerkhoven ook goed te onderhouden, uit respect voor onze doden. En wat ligt ons oude kerkhof er altijd mooi bij, zeker in het voorjaar, als de prunussen bloeien! Maar boven de herinnering uit is er de verwachting: dat God uiteindelijk de doden Zijn tehuis geeft. Hij haalt ze thuis in het land der belofte. Juist daarom moet Jacob bij Abraham begraven worden, denkt u ook niet?

Tenslotte sterft ook Jozef. Vlak voor zijn dood spreekt hij zijn broers nog moed in: God zal naar u omzien en u uit het land Egypte voeren naar het beloofde land. Dat wordt me de tocht wel! Maar het zal er van komen, en dan moeten ze ook de gebalsemde Jozef meevoeren. Die kan toch niet achterblijven? De doden moeten mee op de tocht door de woestijn naar het land der belofte. Daar mogen ze slapen, tot God ze zal opwekken, op de jongste Dag. Zo leven doden en levenden tezamen in de hoop op het Koninkrijk van God.

Dit Koninkrijk is nabij gekomen, in Jezus Christus. Zo ziet Johannes het ook heel veel later. Hij ziet God naar de mensen toekomen. Niet de doden gaan weg, maar God komt op hen toe! En nu is het geen piramide van steen meer, dat hij ziet, maar een tent, die je mee kunt nemen op reis. Zo komt God naar ons toe, om heel dicht bij ons te kunnen wonen. Hij zal alle tranen uit onze ogen afwissen, de dood zal niet meer zijn, noch rouw. “Zie, Ik maak alle dingen nieuw!” Wat in het begin van de Bijbel al duidelijk werd gemaakt, in de graven van Jacob en Jozef, ziet Johannes hier heel duidelijk in zijn visioen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

“Als onze aardse tent wordt afgebroken”. Zegt Paulus in zijn tweede Korinthebrief. Het is de realiteit van het leven. Eens overkomt het ons allemaal! Het is zoals de Prediker beschrijft in hoofdstuk 12. De tent wordt afgebroken. Het leven is als een huis, dat langzaam vervalt. Langzaam, maar zeker. De afbraak is niet tegen te houden. De wachters van het huis, dat zijn de handen, zij gaan beven. De sterke mannen van het huis, dat zijn de benen, krommen zich. De maalsters, dat zijn de tanden, zij houden op, omdat zij uitvallen. En zij, die uit de vensters zien, dat zijn de ogen, verliezen hun glans: de ogen worden dof en krijgen staar. Zo wordt ons huis afgebroken. Ziekte en ouderdom zijn de geluidloze slopers.

Maar midden tussen Genesis en Openbaring hebben we nog een andere tekst gelezen, die van Johannes 11, 25:

“Ik ben de opstanding en het leven,
wie in Mij gelooft, zal leven,
ook al is hij gestorven.”

En dat kan de doffe ogen toch weer een innerlijke glans geven! Wij mogen weten van opstanding en leven! Zelfs door de dood heen! En dat komt door Christus. Doffe ogen worden nieuw, zij gaan nieuwe dingen zien: het land der belofte, zoals Johannes zegt in Openbaring 21: “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde…” Dat is het “tegenover” van God, het “en toch” van Gods belofte, in weerwil van afbraak en dood. Vanuit dat “en toch” schreef de jong gestorven predikant Henri Francis Lyte een beroemd lied: “Abide with me”: Blijf mij nabij! Hij wist dat hij ging sterven.

Wees mij nabij, nu de dag ten einde spoedt,
Alles verdoft, wat glans bezat en gloed.

En hij wist van uitzicht en nieuwe glans, net als Jacob en Jozef:

Houd, Heer, Uw kruis hoog voor mijn brekend oog,
Licht in het duister, wijs de weg omhoog.
Uw dag breekt aan, de schaduw gaat voorbij.
In dood en leven, Heer, wees mij nabij!

Het is de zekerheid van de mens, die ziet. Die met Jozef zeggen mag:

“Ik ga sterven, God zal naar u omzien”

Amen.

Gebed

Vader, God van alle troost,
Geef ons door Uw heilige Woord en Uw Geest
een vast. opgewekt en dankbaar geloof,
opdat wij mogen zien, wat Jacob en Jozef zagen
En de oude Johannes in zijn visioen.
Geef dat wij in het stervensuur
daaraan mogen vasthouden.
Ja, Heer, wij verlangen niet naar de dood,
maar wij verlangen naar Christus,
Die ons de opstanding en het leven heeft toegezegd.
Dat is ons geloof, daar vertrouwen wij op.
Geef, o Heer, dat wij in dat geloof
alle nood en pijn, de afbraak van ons lichaam,
het gedoofd worden van onze geest,
dat wij dat alles in Jezus Christus mogen overwinnen.
Laat ons eindelijk proeven en ervaren,
dat het de waarheid is,
wanneer Uw lieve Zoon Christus Zelf spreekt:
“Wees getroost, Ik heb de wereld overwonnen!”
Zo bidden wij U met de woorden van Nel Benschop:

Gebed voor elke dag

Voor allen, Heer, die eenzaam zijn,
Voor allen, die U zijn vergeten,
Voor allen, die zichzelf zo klein,
Zo hooploos onbelangrijk weten,
Voor ieder, die geen blijdschap kent,
Voor elk, die onder druk moet leven,
Voor ieder, wie Gij één talent,
Geen tien talenten hebt gegeven,
Voor allen, die met scherpe tong
De ander ondoordacht bezeren,
Voor ieder, die in lang niet zong,
Voor elk, die ’t liefste moet ontberen,
Maar ook voor allen, die zich rijk
Beschouwen, op zich zelf vertrouwen,
Voor allen, die een sterke dijk
Van haat rondom hun harten bouwen…
Voor allen bid ik U, o Heer,
Vooral voor hen, die zelf niet vragen;
En voor mij zelf bid ik steeds meer
Of ‘k blij en dapper ’t kruis mag dragen.

Amen.

Uw Vader weet wat gij van node hebt

Iedereen heeft zo zijn voorstellingen van wat de toekomst brengen zal. We hebben er ook allemaal zo onze verwachtingen van. Goede voornemens ook! Maar echt weten doen we ’t niet.

Mattheüs 6, 8
“Uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt”

Niemand gaat verhuizen of neemt een nieuwe baan aan, als hij niet eerst het nieuwe huis en de nieuwe omgeving van het werk heeft verkend. Je wil toch graag weten, waar je aan toe bent. Maar bij het ingaan van een nieuw jaar ligt dat anders! We gaan er in zonder verkenning, zonder ook maar enigszins te weten wat het brengen zal.

“Van het concert des levens heeft niemand een program” staat bij menigeen thuis op een wandbord. Voor ons ligt en nieuw jaar, een totaal onbekend land, waar je niets van weet. Wat ons daar wacht, kan heerlijk zijn,’t kan ook vreselijk zijn. Misschien is het wel een beetje van alles en nog wat. Mensen zouden dat graag willen weten. Daarom, zo las ik, hebben de waarzeggers het in de afgelopen tijd erg druk gehad. Wij moeten maar afwachten en gewoon verder reizen het leven door. Een filosoof heeft eens gezegd: Niet wij hebben de tijd, maar de tijd heeft ons, de tijd sleurt ons voort. Zoals wij daarnet gezongen hebben:

De tijd draagt alle mensen voort
Op zijn gestage stroom;
Ze zijn als gras, door zon verdord,
Vervluchtigd als een droom.

Liedboek Gez. 397, 5

Iedereen heeft er zo zijn voorstellingen van, van de toekomst: wat hij brengen zal. We hebben er ook allemaal zo onze verwachtingen van. Goede voornemens ook! Maar echt weten doen we ’t niet. Trouwens, zouden we ’t ook wel willen weten? Wie weet wat voor narigheid ons wacht. Je kunt het maar beter niet weten! Wat heb je er aan om op de dingen vooruit te lopen? We moeten maar afwachten, wat God ons beschikt. Want één ding is toch zeker in het nieuwe jaar: “Uw Vader weet…”  Juist daarom kunnen we toch ook met een gerust hart het nieuwe jaar binnengaan. Het is een avontuur, maar gelukkig: iemand weet daarin de weg: Vader. Wij gaan niet alleen door het leven. Wij gaan niet alleen al die nieuwe dagen, die God ons geven zal, tegemoet. Wij gaan aan de hand van Vader, en Vader weet…

Als we dat maar vast houden! Niet als een theorie, maar als levende werkelijkheid. Zoals een kind aan de hand van de vader loopt en niet bang meer is. Het vertrouwt de grote sterke man naast hem. Hebben wij dit vertrouwen ook in de Vader, Die niet alleen het verleden en de toekomst kent , maar ze ook in Zijn macht heeft, Die de dingen regelt en leidt naar Zijn wil, Die daarin ook het beste met ons voor heeft? Hebben wij vertrouwen in God, Die Zijn eigen Zoon niet spaarde en ons met Hem alle dingen schenken zal? U weet het toch wel, hoe de Heer gezegd heeft, dat alle haren op uw hoofd geteld zijn? Kunt u zich een moeder voorstellen, die ‘s-morgens de haren van haar kind uitkamt en ze gaat tellen om te weten of er ook eentje verloren is gegaan? Nou, dat doet God! Voor Gods zorgende liefde is niets te groot en ook niets te klein, ook in het komende jaar van uw leven!

“Vader weet…” en dan staat er bij: “wat gij van node hebt”. Nou, dat weten wij toch ook wel, niet waar? Ieder heeft het ons deze eerste weken van het jaar toegewenst: geluk en vooral gezondheid! We hopen en bidden maar dat God ’t ons geven zal. En als dat niet gebeurt, spreken we van beproeving of een kruis dat ons is opgelegd. Zo verwarren we voortdurend wat wij graag willen en wat ons “van node is”, wat God vindt dat we nodig hebben. Een mens berekent graag zelf zijn levenskansen en alles wat daarin past: welvaart, levensvreugde liefde, gezelligheid, vakantie, vooruitgang en allerlei pleziertjes. We kunnen niet laten voor onszelf voorzienigheidje te spelen. Natuurlijk, je moet ook wel plannen maken voor de toekomst, je moet de dingen in het leven ook wel naar je hand zetten, naar onze eigen hand. Onze hand? Ja, biddend dat het ook Gods hand mag wezen! Dat alles behoort nog tot de eigen verantwoordelijkheid. Daar wordt je door God toe geroepen en Hij geeft je er ook gaven voor en talenten. Maar het wordt tot zonde, als het niet steunt op het woord van onze tekst: “Uw Vader weet wat gij van node hebt”.

Daarom moeten we steeds weer goed onderscheiden: gaat het om mijn eigen wil of staat Gods wil voorop in mijn leven? Vind ik dat ik iets nodig heb, of vertrouw ik er op, dat Vader weet, wat ik nodig heb?

Natuurlijk hoeven we ook niet lijdelijk af te wachten wat God ons beschikken zal in het komende jaar. We mogen het goede ook naar ons toehalen, er op vertrouwend dat God het zegenen zal. We gaan aan het werk in de overtuiging, dat Vader meewerkt en weet, wat allemaal goed voor ons is. We hebben dus niet ons werk te doen, maar Zijn werk, niet onze weg te gaan, maar zijn weg met ons. Dat is toch nog heel moeilijk, want een mens houdt zich zelf graag voor de gek. Uiterlijk kunnen de dingen soms lijken alsof we ze voor God doen, maar in feite doen we ze vaak alleen voor ons zelf. De mens is soms zo schijnheilig, zonder dat we ’t in de gaten hebben. Het gevaar voor zelfbedrog is altijd aanwezig. Daar moeten we op bedacht zijn! Kijk maar eens terug in je leven en zie, hoe vaak zelfzuchtige bedoelingen hebben meegesproken in je leven. Hoe vaak hebben wij ook niet gebeden om zaken die we toch eigenlijk helemaal niet echt nodig hadden? En hoe dikwijls hebben we zaken, die we wel echt nodig hadden en die God ons geven wilde niet geaccepteerd? Dat alles zien we nu achteraf. Maar toen, toen het speelde, zag u het niet. Daarom, wees voorzichtig dat ’t u niet weer overkomt in het nieuwe jaar. Schrijf onze tekst maar in uw agenda, opdat u er dagelijks aan herinnerd worde.

Uw Vader weet, wat u van node hebt… En dan staat er gelukkig ook nog bij: “Eer gij Hem bidt”. Gelukkig, zeg ik. Want dat betekent toch, dat het niet van mijn bidden afhangt, of God voor mij zorgen zal. Wat een troost! Want ik ben er van overtuigd, als God ons eens één jaar geven zou wat wij bidden en ons liet beslissen wat Hij ons geven moest, dat het er dan niet zo best zou uitzien in ons leven. We zouden al heel gauw tot God bidden: Heer, geef ons toch maar alstublieft wat U het beste vindt voor mij.

Daarom, we kunnen over veel klagen in ons leven, want het leven is vaak niet gemakkelijk. We leven in een zondige wereld. En wat het jaar ons brengen zal, zien we met zorgen tegemoet. Maar voor één ding willen we vanmiddag danken: dat ons lot en ons leven niet rusten in eigen hand, maar in Gods hand. We hoeven niet op eigen risico het nieuwe jaar in te gaan. God heeft Zijn plan voor mij getrokken, mijn weg is door Hem uitgestippeld.

Als ik maar weet, dat hier mijn weg
Door U, Heer, wordt geleid,
En dat die weg, hoe moeilijk ook,
Mij nader tot U leidt…..

Evang. Liedbundel 178

Amen.

De volgende dag

“De volgende dag….” In de Statenvertaling staat het nog treffender: “des anderen daags”. Drie maal staat het er in die paar verzen! Het gaat maar door en het gaat maar door! Och, dat er maar eens een volstrekt andere dag over ons kwam!

Johannes 1, 29-52

“De volgende dag….” Drie keer staat het er in onze Schriftlezing! “De volgende dag!” Dat is typisch voor de menselijke tijdsbeleving. Op de ene dag volgt een andere, dat is de volgende dag. Soms verspringt het jaarcijfer tussen de ene en de andere dag, zoals deze week van woensdag op donderdag. Dan zijn we een nieuw jaar ingegaan, weer een jaar van Gods goedheid.

Vandaag leven we in de “volgende dag”, het is al weer de vierde dag in het Nieuwe Jaar. Het is een andere dag dan gisteren: zondag. Morgen zal het weer een andere dag zijn: maandag. Geen dag is aan de ander gelijk, en toch zijn de dagen vaak zo eentonig en lijken ze op elkaar. Er is geen nieuws in, of het moest zijn: slecht nieuws. De dagen staan bol van oude narigheid: oorlogsgeweld, onderlinge ruzies, en af en toe een beetje gezelligheid en een beetje geluk. De dagen, ze zijn vol van schuld en ongerechtigheid, daarom lijken ze ook zo op elkaar. Kwam er maar eens een andere dag, verzuchten we dan. Soms is voor ons gevoel een dag wat anders dan de vorige, zoals vandaag, nu we voor het eerst weer in de kerk zijn, in het nieuwe jaar. Natuurlijk wensen we elkaar mooie nieuwe dagen toe. Maar al gauw zijn de andere dagen weer gelijk aan de vorige.

“De volgende dag….” In de Statenvertaling staat het nog treffender: “des anderen daags”. Drie maal staat het er in die paar verzen! Het gaat maar door en het gaat maar door! Och, dat er maar eens een volstrekt andere dag over ons kwam! Iets totaal nieuws en moois! Dat het jaar 2009 eens echt totaal nieuw mocht worden! Beginnend met een dag, dat het rookgordijn boven de Gazastrook zou optrekken en de honger in de vluchtelingenkampen gestild, de oorlog in Afghanistan voorbij en de vrede in Irak teruggekeerd. Zo’n nieuwe dag, waarop de Kerstboodschap in vervulling is gegaan: “Vrede op aarde voor mensen van Gods welbehagen!”

We weten het ook wel en we belijden het: die dag komt, wis en zeker, Jezus heeft het beloofd en Petrus spreekt er van in zijn eerste brief: Het einde aller dinge is nabij gekomen (1 Petrus 4, 7). De Grote Dag van de Heer is in aantocht! We mogen uitzien naar die heerlijke, volstrekt andere dag, de dag van de Zoon des mensen, Die verschijnen zal op de wolken van de hemel. Dat zal uiteindelijk de dag zijn, die helemaal anders is dan onze dagen. Het is de dag, waarop God Zijn licht zal doen opgaan over de aarde. Dan wordt het alles nieuw!

Ach, Gemeente, zó nieuw zal ons jaar 2009 wel niet kunnen zijn, tenzij…

In de dagen van Johannes de Doper zagen de mensen wel allemaal nieuwe dingen. Je zou ze de tekenen van de Grote Dag kunnen noemen. Van dag tot dag gebeurde er iets nieuws, iets anders. Des anderen daags… des anderen daags… des anderen daags… Telkens wordt een nieuw heil aan dat van de vorige dag toegevoegd. Het zijn de dagen van Jezus’ verschijning aan Zijn volk en aan heel de mensheid. Dat waren me nog eens dagen! Dat waren echt andere dagen! Hoewel, aan de buiten kant zagen ze er net eender uit als die van ons. Maar van binnenuit was er iets aan ’t veranderen: Gods genade kwam in onze tijd! Het was het heden, waarin het Schriftwoord werd vervuld, waarin sinds oude tijden de komst van de Messias werd aangekondigd. Het heden van Gods genade! Voortaan zouden alle dagen van die genade licht ontvangen. Zoals we met Kerst gezongen hebben:

Dit is de dag, die God ons schenkt,
Waaraan thans ieder Christen denkt;
Hem viere, wat in ’t groot heelal
Door Jezus is en wezen zal.
(Gez.146, 1)

Deze dag, die we vorige week gevierd hebben, wil onze dagen tot andere dagen maken en het nieuwe jaar 2009 tot een ander jaar, een echt nieuw jaar!

Elke dag werd in het oude Israël ’s morgens en ’s avonds een lam geslacht, als belijdenis van menselijke schuld en teken van goddelijke vergeving. Dag en nacht van de mensen moeten worden gereinigd, verzoend. Maar eenmaal per jaar was er een andere dag en een ander lam. Dat was de Grote Verzoendag. Dan vierde het volk de uitredding uit Egypte. Dan werd ook het eerste gebod gevoerd: “Ik ben de Here, uw God, die u uit Egypte, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” De nacht werd herdacht, de nacht waaruit al Israëls dagen zijn begonnen.

Nu staat Johannes bij de Jordaan, hij wijst op Jezus en zegt: “Zie, het Lam Gods”. De andere dagen zijn gekomen! Eeuwenlang verwacht! Nu gaat Jezus’ werk beginnen. Hij is de Grote Verzoener. Daarom zegt Johannes: “Lam van God, dat de zonden der wereld wegneemt”. Hij geeft Zijn leven tot een verzoening van al onze zonden. Goede Vrijdag is Grote Verzoendag, daarom heet deze dag ook “goed”. De zonden der wereld neemt Hij weg. Geen van al die schuldeloze lammetjes, die bij honderdduizenden zijn geslacht, kon dit doen. Zij wezen eigenlijk alleen maar op dat andere Lam, dat komen zou. De Here God had Zich Zelf een brandoffer gekozen, u weet wel: dat lam dat verward was in een struik, toen bij Abraham en Isaac op de berg More, en nu voor goed in Zijn Zoon Jezus.

Op Oude Jaar hebben we misschien nog wel in de kerk gezongen: “Uren. Dagen, maanden, jaren, vlieden als een schaduw heen”. Uitgerekend in dat toch mooie lied staat de regel: “schoon ’t ons toegerekend blijft”. De zonden worden daarmee bedoeld. Als dat waar was, konden we de kerk maar beter sluiten! Dan had het ook geen zin meer om andere dagen te beginnen, laat staan een geheel nieuw jaar! Gelukkig is dat niet waar! De zonden blijven ons niet toegerekend, maar worden ons vergeven. Dat is het wonder van de nieuwe dag! Wij houden de kerk open en ook ons leven mogen wij openstellen juist om dit te laten zien! Onze zonden neemt Hij weg! Daardoor wordt ons leven pas echt de moeite waard. Denkt u zich eens in, wat dat wezen moest, als de zonden op ons bleven liggen: toegerekend nog wel! Al die zonden van voorgaande dagen, maanden, jaren… onafzienbaar, Verschrikkelijk zou dat zijn. We kunnen er maar beter niet aan denken!

“Maar”, zegt Maarten Luther, “men moet de zonden niet laten liggen, waar de Wet ze neergelegd heeft, als de ons toegerekende schuld.” Johannes wijst ons immers vanmorgen een Ander aan, op Wie God ze gelegd heeft, namelijk de Here Christus. “Da ligen sie recht wohl und besser denn auf mir.” Daar liggen ze heel goed en beter dan op mij! De gelovigen hebben dit al eeuwenlang uitgezongen met de oude woorden van Psalm 118:

Dit is de dag, de roem der dagen,
Die Israëls God geheiligd heeft,
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, Die ons blijdschap geeft!

Verheugd, van zorg ontslagen, zó mogen ook wij het Nieuwe Jaar ingaan en beleven, van de ene dag op de andere, totdat de dag komt. Want wij geloven en belijden: dit Lam is ook de Leeuw. Johannes, de ziener, heeft Hem gezien in de hemel, staande als geslacht, Hij is het, die de boekrol in Openbaring 5 opent en het geheim ontraadselt, de geschiedenis op dreef brengt en de dagen zin en richting verleent. Hij is het, het onmachtige Lam, die het beest bindt, de geweldige macht van het kwaad.

Het Lam staat als geslacht, nog in zijn verheerlijkt lichaam draagt Hij de sporen van de strijd. Maar het Lam heeft overwonnen! De vergeving van de zonden is het wapen, waarmee Hij de Boze weerstaat. De zonde der wereld neemt Hij weg, een nieuwe aarde gaat komen!

Intussen zijn wij op de volgende dag, op de oude aarde, weer een nieuw jaar begonnen. Het nieuwe zal er gauw af zijn, als wij niet dagelijks worden vernieuwd. Onze enige hoop en troost in deze wereld is, dat de zonden zijn weggenomen. Waar dat Woord wordt geloofd en beleden, daar worden de eerste sporen van de nieuwe aarde gevonden, daar worden ook de dagen anders. Wij bidden vanmorgen tot God, dat wij, en velen met ons, ja, dat alle mensen het Lam mogen liefhebben en dat zo al onze dagen nieuw mogen worden, omdat zij Gods goedertierenheid dragen. Dat wij onze dagen mogen vieren in het licht van de andere dag die komt, en waarop van Oost en West de volken zullen komen om het Lam te aanbidden, zingend:

Het Lam, dat geslacht is,
Is waardig te ontvangen
De macht en de rijkdom,
En de wijsheid en de sterkte,
En de eer en de heerlijkheid
En de lof!
(Openbaring 5, 12)

Amen.

Het einde aller dingen is nabij gekomen

Het einde van alle dingen is nabij gekomen. Zo spreekt de apostel Petrus. Wat bedoelt hij daarmee? Dat het laatste uur van de wereld heeft geslagen?

1 Petrus 4, 7
“Het einde aller dingen is nabijgekomen.”

Het einde van het jaar is bereikt. Het begin van een nieuw jaar staat voor de deur. Hoe is het dit jaar voor u geweest? Een jaar vol van genade?

Het einde van alle dingen is nabij gekomen. Zo spreekt de apostel Petrus. Wat bedoelt hij daarmee? Dat het laatste uur van de wereld heeft geslagen? Zeker ook. Want uit allerlei uitspraken van Jezus en de apostelen blijkt wel, dat zij de komst van de Dag des Heren als zeer nabij verwachten. De laatste dagen waren aangebroken. De oude profeet Joël had dit al verkondigd en met Pinksteren werd dit bevestigd:

“Het zal zijn in de laatste dagen, dat ik van Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees.”

Daarmee begint de eindtijd. De oude wereld is voorbij, zie de nieuwe wereld is gekomen. “Zie, ik maak alle dingen nieuw!” zegt de Here Jezus.

In die zin moeten we ook onze tekst verstaan: “Het einde van alle dingen is nabij gekomen.” Wij zitten er al middenin en we gaan haastig naar de Grote Dag! Gods dag! Hoe lang dat nog gaat duren, dat zegt de apostel niet. Wat hij wel weet is, dat het einde spoedig komt en dat wij daarmee rekening moeten houden in ons leven.

“Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden, opdat God in alles verheerlijkt worde!” Een Gemeente, die in afwachting is, bidt ook: “Kom Heer, kom spoedig!” En als wij zo bidden, dan mogen de jaren voorbijgaan, uren, dagen, maanden jaren, maar dan gaan we toch weer met nieuwe moed het nieuwe jaar in omdat het ons dichter brengt bij de heerlijke dag van de Heer, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Het einde van het jaar brengt ons de boodschap van het einde van alle dingen, van alle vergankelijke dingen, ook dat van ons leven, van het oude dat heeft afgedaan, omdat het nieuwe, het onvergankelijke, het eeuwige staat te komen. Daarom niet getreurd, het hoofd omhoog het hart naar Boven, hier beneden is het niet! We mogen uitzien naar grote en heerlijke dingen, die gaan beginnen!

Blijdschap aan het einde van het jaar, kan dat eigenlijk wel? De heerlijke dag van God is toch ook de dag van Zijn oordeel? Wat hebben we ook in het afgelopen jaar niet veel verkeerde dingen gedaan en gedacht! Wat een zonden, wat een gebrek aan dankbaarheid, wat een liefdeloosheid, wat een ongeloof! Als God Zelf ons er niet doorheen had geholpen, zouden we elke dag gestruikeld zijn. Wij, arme zondaren, hoe kunnen we op het eind van het jaar nog voor Gods Aangezicht verschijnen? Hoe kunnen we nog hopen op een nieuw begin? Met blijdschap nog wel. Nee, met angst staan we daar. Zoals Mozes zei in Psalm 90: “Wie kent de sterkte van Uw toorn en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht van Uw aanschijn.”

Mag ik dan toch nog op genade hopen? Ja! “Mijn genade is u genoeg!” zegt God tot Paulus, als de zonde hem benauwt. En de Psalmdichter heeft het ook al uitgezongen: “Uw genade is kostelijker dan het leven!” Het einde van alle dingen betekent, dat Gods oordeel over de wereld en de mensen zal gaan, maar nog veel meer: dat de volheid van Gods genade in Jezus Christus het oude zal bedekken: vergeven, verzoenen, wegdoen, om zó alles nieuw te maken, ook uw zondige leven!

Het einde van het jaar vieren we vanuit de boodschap, die we deze week gehoord hebben: “Zie, u is heden de Zaligmaker geboren!” en in het licht van Christus’ getuigenis op Golgota: “Het is volbracht”.

“Het einde aller dingen is nabij gekomen”. Het is niet alleen een vaststelling van de apostel, maar ook een ernstige waarschuwing. Bidt en weest nuchter en hebt bestendige liefde jegens elkaar! Je kunt zeggen: adeldom verplicht! Staan we in het licht van de heerlijke dingen die we mogen verwachten, dan moeten we dat ook laten zien! We moeten de hoop, die in ons is, uitstralen! Ze zegge wel eens: Christenen hebben vandaag te weinig uitstraling. Bidden en elkaar liefhebben, daar mankeert het aan. Ook in Petrus’ tijd waren de mensen zo. In deze dagen van het oude jaar kunnen we misschien, wat dat betreft, nog iets inhalen, iets goedmaken. Alle dingen vergaan, het einde van alle dingen is nabij. Maar Gods liefde zal eeuwig bestaan! En al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus… U kent dit lied wel.

Het is niet gemakkelijk uit liefde te leven, dat kost veel kracht. En op het einde van het jaar nog iets goedmaken, dat moet je gegeven worden, dat krijg je niet uit je zelf, daar moet eerst om gebeden worden. Liefde en gebed horen bij elkaar. Niet voor niets noemt Petrus beide in één adem. Liefde kan niet zonder gebed. Daar moet kracht van Boven bijkomen. “Tot U Heer hef ik mijn ziel op” zo bidt de dichter van Psalm 25. Je ziel, dat is je hele wezen. Alles mag je brengen tot God! Je hart en je zorgen, je treurnis en je tranen, maar ook je rust en vrede en vreugde en hoop. Niets hoef je achter te houden voor Hem, Die de zonden vergeeft, de zorgen verlicht, de tranen droogt en rust geeft in deze onzekere crisistijden In dit gebed ontvangen wij vergeving, je leert ook dat je van vergeving leven moet. Je ontvangt vergeving van God en schenkt vergeving aan elkaar. Zo komt verzoening tot stand. De Duitser heeft daar een prachtig woord voor: Widergutmachung. Dat het weer goed wordt gemaakt tussen u en die ander, zoals Christus het goed heeft gemaakt voor u bij God.

Als we zó het jaar kunnen besluiten, biddend en elkaar liefhebbend en goedmakend wat verkeerd is geweest, dan wordt het einde ook van dit jaar beslist goed.

Toch is daar het laatste nog niet mee gezegd. Tenminste, dat vindt Petrus. Nadat hij ons op het hart gedrukt heeft lief te hebben en onze gaven als goede rentmeesters ten behoeve van elkaar te gebruiken, eindigt hij met “opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.”

Het gaat dus tenslotte niet om ons zelf en om onze rust en zaligheid, maar het einde van alle dingen is in God. Het einde van deze wereld is, dat God onder ons zal wonen. Het einde van dit jaar mag en moet zijn, dat God verheerlijkt wordt. En de slotsom moet wezen: Geloofd zij God, Prijst de Heer! Ook als we een slecht of vervelend jaar achter ons laten, ook als wij verliezers waren, als we door de diepte heen moesten, toch blijft ons laatste woord: niet ik, maar U, Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen! “Amen”, zegt de apostel daarop. Het einde roept ons tot de eer van God! De laatste toon van het jaar mag niet zijn de roem van de mens, zo van “tjonge, tjonge, dat heb ik toch mooi voor elkaar gebracht dit jaar, nee, de laatste toon komt toe aan God: dank U, dank U voor die genade, die ik als zondaar niet verdien!

En als we nog eens terugkijken op het afgelopen jaar, dan moeten we toch wel zeggen, dat er veel in was wat we aan God te danken hebben, of niet soms? Hij heeft ons op de been gebracht en gehouden, Hij heeft ons getroost, Hij vergaf ons de zonden, elke dag weer opnieuw!

Laten we daarom God dankzeggen! Het einde van alle dingen is nabij gekomen. De Heer komt naar ons toe. De eeuwen snellen tot de voleinding. Alles telt af naar de grote dag van Christus, te beginnen bij het nieuwe jaar.

‘k Heb geloofd en daarom zing ik,
Daarom zing ik U ter eer,
’s werelds Heiland, Hogepiester,
Aller heren Opperheer.
Zoon van God en Zoon des mensen,
O, kom spoedig in Uw kracht
Op des hemels wolken weder!
Kom, Heer Jezus,, kom, ik wacht!

Amen.