Luther XXII – Lees de geschriften van Maarten Luther

In 2017 is het 500 jaar geleden dat Luther zijn plakkaat aan de kerkdeur van Wittenberg bevestigde. H. C. van Woerden (Lunteren) besteedt veel tijd aan het vertalen van Luther uit het oud-Duits, bij voorkeur uit geschriften die nooit in het Nederlands verschenen zijn.

“Ga heen tot Mijn broeders en zeg tot hen: Ik vaar op tot Mijn Vader en tot uw Vader, tot Mijn God en tot uw God’ (Johannes 20:18, weergave 1530).

In deze christelijke broederschap heeft de ene broeder niet meer dan de andere. Het is echter wel waar dat ik en u dit niet zo kunnen vasthouden en geloven als de heilige Petrus, maar toch bezitten wij één en dezelfde schat. Twee mensen kunnen samen één portemonnee met geld hebben, hoewel de ene mens zwak is en de andere sterk. Het maakt evenwel geen verschil of de zwakke hand of de sterke hand de portemonnee vasthoudt. De huichelaars houden het voor hoogmoed als ik zeg dat ik de heilige Petrus gelijk ben en met hem hetzelfde geloof heb. Het is echter de ware nederigheid als ik mijzelf geen en Christus alle eer geef. Wat zij doen, is hoogmoed en ondankbaarheid, namelijk dat zij aan hun werken willen toeschrijven wat zij aan Christus moesten toeschrijven. Het is toch geen hoogmoed als ik aanneem wat mij geschonken wordt? Als ik een geschenk niet aanneem, maar het veracht, dat is veel eerder hoogmoed te noemen! Op die manier is het ook geen hoogmoed als een bedelaar een jas aanneemt van iemand die kleding genoeg heeft. Zo zegt Christus ook: “Vrees niet, gij kleine kudde, want het is uws Vaders welbehagen u het Koninkrijk te geven”. (Lukas 12:32). Hij wil het u geven! Houd de zak maar op en ontvang wat Hij u geven wil en graag geeft. Een bedelaar zal vast niet weglopen als men hem een stuk brood wil geven. Loopt hij echter wel weg, dan moet men niet zeggen dat hij dit uit nederigheid gedaan heeft.

Anhang zu den Predigten des Jahres 1530, vgl. WA 32, 550, 31 – 551, 9

Door lijden tot heerlijkheid

Altijd scherp ik u in en herinner u eraan dat de woorden van de Heilige Schrift, woorden van geloof, hoop en liefde zijn. Daardoor worden we in Christus onderwezen, zodat we niet in iedere angst en vrees vallen en ondergaan. Dit Woord immers – zoals de apostel in Romeinen 15:4 zegt – is tot onze lering en troost geschreven, opdat wij door geduld hoop zouden hebben. Het is echter heel moeilijk en een werk van Gods genade dat men gelooft. Dit betekent: dat God ons het hoofd opheft en ons kroont midden in de aanvallen van dood en hel, namelijk dán als de uitkomst verborgen is, en ons niets anders voor ogen staat dan uiterste wanhoop en een God Die niet schijnt te verlossen.

Op die manier worden wij onderwezen om tegen hoop op hoop te geloven (Romeinen 4:18). Deze wijsheid van het kruis is in onze dagen bovenmate zeer verborgen in een diep geheimenis. Toch is er geen andere weg naar de hemel dan door dit kruis van Christus! Daarom moeten wij op onze hoede zijn dat niet het leven van doen en laten, met haar werken, én het beschouwende leven met haar overdenkingen, ons zouden bekoren. Zowel het een als het ander is heel lieflijk en rustig – daarom echter ook gevaarlijk! Dit is dan ook de reden dat dit leven altijd door het kruis ingetoomd en door tegenheden verstoord moet worden. De weg van het kruis echter is aller-pijnlijkst. Zalig de mens die dit verstaat.

Operationes in Psalmos, 1519-1521, vgl. WA 5, 84, 34 – 85, 5, (volgens weergave W 2, 4, 318).

N.B. De afbeelding en de tekst zijn mij ter beschikking gesteld door dhr.H.C.van Woerden.

Hij schreef mij het volgende: “Mag ik mij even voorstellen: ik ben H. C. van Woerden (Lunteren) en besteed veel tijd aan het vertalen van Luther uit het oud-Duits. Bij voorkeur uit geschriften die nooit in het Nederlands verschenen zijn. Verder houd ik een distributielijst bij voor het mailen van Luthercitaten aan belangstellenden. Luther staat nu toch al sterk in de belangstelling wegens het opkomende herdenkingsjaar van de Reformatie in DV 2017.

Wilt u regelmatig een tekst van Luther ontvangen, ga dan naar http://www.maartenluther.com of stuur een bericht naar  info@maartenluther.com

Luther XXI – Viva vox

Das “Neue Testament Deutsch” gaat in het voorjaar van 1522 naar de pers en het verschijnt dan in september, in een eerste oplage van 3000 stuks. Een exemplaar koste anderhalve gulden, best een groot bedrag voor die tijd. Je kon er twee geslachte kalveren voor kopen, het was het jaarloon voor een dienstbode. Maar vergeleken met de Gutenbergbijbel, die in 1454 was uitgekomen, was het een schijntje. Die kostte 42 gulden.

Luther heeft veel geschreven en gepreekt. Daarnaast gaf hij colleges, waarbij de vele studenten onder zijn gehoor het woord van de meester als ’t ware indronken. Hij had een levendige manier van spreken. Wat hij zei, kon je niet gauw vergeten. Het was ook zijn principe, dat het woord “gehoord” moest worden: viva vox, levende stem. Hiervan ging hij ook uit bij de vertaling van de Bijbel. Hij schreef in spreektaal, de taal die men onder het gewone volk sprak, thuis en op de markt. Door deze taal ook naar de Bijbel over te brengen, gevoegd aan zijn eigen gespierde en poëtische taalgebruik, heeft hij de Duitse taal sterk gevormd. Heel veel uitdrukkingen in het huidige “Hoogduits” komen uit de Luther-Bijbel. Net zoals in Nederland het geval is bij onze Statenvertaling. Deze is ook van grote invloed geweest op het Nederlandse taalgebruik.

Toen Luther door zijn vrienden ontvoerd werd naar de Wartburg, in 1521, heeft hij zich direct aan het werk gezet om het Nieuwe Testament te vertalen. Hij werd hierbij geholpen door een vriend, Philippus Melanchton, die een meester was in het Grieks. Hij wist, dat hier de grootste behoefte lag voor het gewone kerkvolk. Wilden zij kunnen begrijpen, wat hij hen te vertellen had, dan moesten zij ook zelf in de Bijbel kunnen lezen. In drie maanden was het werk klaar! Een hele prestatie, want zij hadden niet de Latijnse Vulgata (die zelf al een vertaling was en dus fouten bevatte) als uitgangspunt, maar de Griekse en Hebreeuwse oertekst. Het ging Luther daarbij niet om de enkele woorden, maar om de daarin uitgesproken zaak. Zo heeft hij niet woord voor woord, maar zin voor zin vertaald, soms in grote vrijheid, maar toch altijd in de betekenis van de tekst. Hij plaatst de heilige geschiedenis in het heden, het is alsof je er zelf bij bent. Zo wordt de Bijbel een boek om te horen, niet zo zeer om te lezen  Het is als ’t ware mensenwoord, ontvangen uit Gods Woord.

Das “Neue Testament Deutsch” gaat in het voorjaar van 1522 naar de pers en het verschijnt dan in september, in een eerste oplage van 3000 stuks. Direct daarna moesten er nog 3000 bijgedrukt worden, want de vraag bleek heel groot te zijn. Een exemplaar koste anderhalve gulden, best een groot bedrag voor die tijd. Je kon er twee geslachte kalveren voor kopen, het was het jaarloon voor een dienstbode. Maar vergeleken met de Gutenbergbijbel, die in 1454 was uitgekomen, was het een schijntje. Die kostte 42 gulden, waarvoor je in die tijd 14 ossen kon kopen! Tot 1534 kwamen er in Wittenberg nog 17 drukken van dit Nieuwe Testament uit. Daarnaast verschenen er in Basel, Augsburg, Neurenberg, Straatsburg en Zürich in diezelfde tijd nog 52 drukken.

Hierna zette Luther zich aan het werk om het Oude Testament te gaan vertalen. Dat was veel omvangrijker en ook veel moeilijker. Na twee jaar kwamen de vijf boeken van Mozes klaar. De poëtische en profetische boeken kosten heel wat hoofdbrekens. Gelukkig kreeg hij daarbij steun van vrienden. Elke woensdagmiddag kwamen zij daarvoor bij elkaar. Na tien jaar was het af. Luther vertelt zelf, dat het zo moeilijk was, dat zij bijvoorbeeld bij het boek Job in vier dagen nauwelijks drie zinnen vertaald hadden. Pas in 1534 kon de eerste volledige “Lutherbibel auf Deutsch” het licht zien. Maar tot zijn dood is hij er mee bezig geweest.

Luther XX – Strijd met Rome

Toen de 60 dagen bedenktijd om waren, riep hij zijn collega’s en studenten bijeen en wierp de bul met enkele boeken in een groot vuur. Hij sprak ook nog de banvloek uit over Rome: “Wie sie mich exkommunizieren nach ihren gotteslästerlichen Häresie, so exkommuniziere ich sie nach der heiligen Wahrheit Gottes. Christus wird als der Richter sehen, welche Exkommunikation bei Ihm gilt.” Toen was de breuk definitief.

Het was in de tijd van Luther gevaarlijk om je mond open te doen tegen de paus. Het had kort daarvoor nog aan de monnik Girolamo Savonarola het leven gekost.

Als “Rome” je in de ban deed, dan was je je leven niet meer zeker. Het is dus eigenlijk een wonder, dat Luther in leven gebleven is! Want hij heeft zijn leven lang met de paus in de clinch gelegen. Toen hij priester werd en later professor had hij nog de gedachte zich dienstbaar op te stellen aan de kerk. Maar van lieverlee gingen zijn ogen open voor wat er allemaal fout was in die kerk. Het begon met de aflaatverkoop. Luther schreef zijn 95 stellingen, in 1517, om het misbruik van de aflaat te bekritiseren. Het ging toen nog niet rechtstreeks tegen Rome. Toch kon de paus dit niet accepteren en Luther werd aangeklaagd en in 1518 door Cajetanus verhoord. Hier deed Luther een beroep op de Heilige Schrift die in zijn oog alleen autoriteit bezat, hoger dan de autoriteit, die de paus zich aanmat. Hij zei, dat de paus ook maar een mens is, die fouten kan maken en kan leren van andere Christenen (zoals Luther). Het werd nog erger in 1519, in het dispuut dat Luther had met Dr. Eck. Het ging vooral over de sleutelmacht, die volgens de paus aan hem als opvolger van Petrus toekwam (Matth.18, 18). Luther legde uit, dat die macht aan alle apostelen gegeven was, en niet alleen aan Petrus. Het gaat om de gehele kerk! En de rots, waarop de kerk gebouwd is, is Christus Zelf. Luther voegde daar nog aan toe, dat ook pausen en concilies kunnen dwalen. Dat deed de deur dicht, voor Luther! Hij werd in de ban gedaan.

Luther heeft nog geprobeerd de paus milder te stemmen en eventueel voor de reformatie van de kerk te winnen in zijn geschrift: Von der Freiheit eines Christenmenschen. Hij schreef, dat hij zelfs de voeten van de paus wilde kussen, als die het Evangelie maar liet prediken. Luther wilde in alles toegeven, behalve het Woord van God. Alleen daarom kon hij zijn geloof niet herroepen (wat de paus van hem verlangde).
 
Kort daarop schreef Luther zijn uiteenzetting met de paus in het bekende boekje “An den christlichen Adel deutscher Nation von des christlichen Standes Besserung”. In beeld laat hij de positie van de “Romanisten”(de pauselijke theologen)  zien. Om de reformatie af te weren gebruiken zij drie muren: de eerste muur is de opdeling van het volk van God in priesters en leken, waarbij alleen de priester iets te zeggen heeft; de 2e muur stelt vast, dat alleen de paus het recht heeft de Schrift uit te leggen. Daarmee stelt de paus zich dus letterlijk boven de Schrift. De 3e muur beweert, dat alleen de paus recht heeft om een concilie bij elkaar te roepen. Maar omdat hij weigert (Luther had de paus daar om gevraagd), brengt hij schade toe aan de kerk! Het antwoord vanuit Rome was de ban-aanzegging: Exsurge Domine (verhef U, o Heer, want een wildzwijn heeft Uw wijnberg verwoest!). Luther ontving de bul op 10 oktober 1520. Hij kreeg 60 dagen bedenktijd.

Maar Luther herriep niet, integendeel. Toen de 60 dagen om waren, riep hij zijn collega’s en studenten bijeen en wierp de bul met enkele boeken in een groot vuur. Hij sprak ook nog de banvloek uit over Rome: “Wie sie mich exkommunizieren nach ihren gotteslästerlichen Häresie, so exkommuniziere ich sie nach der heiligen Wahrheit Gottes. Christus wird als der Richter sehen, welche Exkommunikation bei Ihm gilt.” Toen was de breuk definitief.

Luther had het anders gewild. Hij had de paus willen verdragen, als deze maar de prediking van het Evangelie had geduld. Maar dat was helaas niet mogelijk. Het pausdom wilde van zijn alleenrecht om de Schrift uit te leggen geen afstand doen en verbood de Lutherse prediking van de rechtvaardiging van de zondige mens als ketters. Maar ook voor Luther was het onmogelijk om naast het geloof in de rechtvaardiging door Christus, alleen uit genade en door geloof, nog een andere voorwaarde voor de verkrijging van het heil te accepteren. Maar dat juist verlangde de paus: men moest hem onderdanig zijn als de plaatsvervanger van Christus. Luther zag in de paus eerder de antichrist. De paus heerst “anti-Christou”, in de plaats van Christus, hij wil Christus vertegenwoordigen, zodat in zijn stem alleen de stem van Christus te horen valt. Daardoor plaats hij zich in feite boven Christus. En dat is precies wat in het Nieuwe Testament beschreven staat als het werk van de antichrist. “Er ist der Widersacher, der sich erhebt über alles, was Gott oder Gottesdienst heisst, so dass er sich in den Tempel Gottes setzt und vorgibt, er sei Gott.” Aldus Luther.

Luther XIX – De Boerenopstand

Het jaar 1525 was voor Luther aan de ene kant een mooi jaar, vanwege zijn huwelijk met Katarina van Bora, aan de andere kant een rampjaar, vanwege de Boerenopstand. Om zijn houding in die boerenkwestie is Luther later vaak verguisd. Hij heeft de boeren te weinig support gegeven, hij heeft ze eigenlijk laten vallen. Toch moeten we ons afvragen: kon hij wel anders?

Het jaar 1525 was voor Luther aan de ene kant een mooi jaar, vanwege zijn huwelijk met Katarina van Bora, aan de andere kant een rampjaar, vanwege de Boerenopstand. Om zijn houding in die boerenkwestie is Luther later vaak verguisd. Hij heeft de boeren te weinig support gegeven, hij heeft ze eigenlijk laten vallen. Toch moeten we ons afvragen: kon hij wel anders?

Wat was er aan de hand? De boeren in Duitsland en Oostenrijk waren in opstand gekomen tegen hun overheden (de landbezitters, de ridderlijke stand). Waarom? Dat laten zij horen in de beroemde “12 artikelen van Zwaben”: men wil in de gemeenten de predikant zelf kiezen en ook ontslaan, als hij zich onbehoorlijk gedraagt; men is bereid de tienden van de oogst te betalen, maar vraagt dat die mede de armen ten goede komen; men wil lijfeigenschap en horigheid afgeschaft zien; men vraagt herstel van oude rechten, wat betreft schieten van wild en sprokkelen van hout uit de gemeentebossen; men verlangt verlaging van de pacht, die te zwaar drukt, en herstel van de oude gemeenteweiden, en men verklaart zich bereid om zich te laten beleren, indien het Woord van God daartoe aanleiding geeft. Het gaat hier dus duidelijk om sociale misstanden. Luther was het daar aanvankelijk best mee eens. Hij schreef daarvoor een pamflet: “Ermahung zum Frieden”. Het was vooral gericht aan de heersende stand. Hij zegt daarin zelfs: Niet de boeren, maar God Zelf komt in opstand tegen het onrecht. Helaas bereikten de reacties van Luther de boeren pas, toen de opstand al zeer snel om zich heen gegrepen had en verschrikkelijke vormen had aangenomen. Er vonden moordpartijen plaats en kastelen werden afgebrand. Dat was een gruwel in Luthers oog! Daardoor nam hij afstand van de boeren en schreef zelfs een stuk tot vermaning: “Wider die räuberischen und mörderischen Bauern”. De opstand werd in veel bloed gesmoord. Wat de boeren eerst hadden gedaan, werd hun nu ook zelf aangedaan. Na de slag van Frankenhausen, waar de boeren het onderspit moesten delven tegen de veel sterkere riddermacht, keerde het oude regiem in nog veel sterkere mate terug. Daar heeft Luther erg onder geleden. Te meer, daar een persoonlijke vriend van hem, een oude medestander, daarbij betrokken was: Thomas Münzer.

Münzer was predikant in Wittenberg geworden, maar was eerst predikant geweest in Zwickau. Daar was hij onder invloed gekomen van de Zwickauer profeten, die op spiritualistische manier de mensen tot bekering opriepen. Het ging om het inwendige Woord, de weg van de Geest, die de mens bracht aan de voet van het kruis. Dat innerlijke geloof was kenmerk van de uitverkiezing. De uitverkorenen hadden alleen te maken met de weg naar God. De wereld stond daar buiten! Het waren echte “Schwärmers” (dwepers). Toen Münzer met deze geloofsinstelling leiding ging geven aan de boeren, moest Luther wel afstand nemen. Want het ging Luther juist wel om de wereld en om de goede verhoudingen in de wereld. Münzer kende het volk het recht van opstand toe, wat Luther nooit zou doen. Hij immers ging uit van gehoorzaamheid aan de overheid. Hij beriep zich daartoe op Rom.13, 1vv en 1 Petrus 2, 12vv. (gehoorzaamheid van de Christen aan de staat). Bovendien ging hij uit van het Oudtestamentische principe: “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal  door de mens vergoten worden” (Gen.9, 6). Dan komen ook andere teksten in het vizier:

Bergrede Matth. 5, 38-41:
“Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: oog om oog, tand om tand.
Maar Ik zeg u, de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft
op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met
u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel.”

 Rom. 12, 19:
“Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn,
want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden,
spreekt de Here.”

 Petrus 3, 9:
“en vergeldt geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegent integendeel.”

Luther concludeerde daaruit, dat het de Christen niet gegeven was het wereldlijke zwaard te dragen. Zo kwam hij tot een twee-rijken-leer: het Rijk van God en het rijk van de wereld. Hij zegt het zó: “Deshalb hat Gott zwei Regimente verordnet, das geistliche, welches durch den Heiligen Geist Christen und fromme Leute macht, unter Chistus, -und das weltliche, welches den Unchristen und Bösen wehrt.”  We hebben het wereldlijke regiment gewoon nodig. Dat de Schwärmer dat niet hebben ingezien, is hun grootste fout geweest!

Het is prachtig om naar een “geestelijk rijk” te streven, maar voorlopig moeten we nog met beide benen op de grond blijven staan. Eens zal het anders worden…

Luther XVIII – Prediker-dichter

Toen Luther predikant in Wittenberg was, zag hij de grote behoefte van het kerkvolk. Als God met ons spreekt in de kerkdienst, dan moeten de mensen antwoorden in gebed en lofgezang. Maar er waren nauwelijks zingbare liederen voorhanden in de toenmalige kerk. Want in de godsdienst van de Middeleeuwse Kerk zong de priester, de monniken, het koor. Maar niet de Gemeente! Daarom vroeg hij zijn vrienden nieuwe liederen te dichten, die het Evangelie zouden verkondigen.

LiedboekVan Maarten Luther zijn veel liederen opgenomen in het Liedboek der Kerken:

Gez. 24  Jesaja, de profeet, zag in de geest
Gez .48  Vater unser im Himmelreich
Gez.122  Nun komm der Heiden Heiland (Kom tot ons, de wereld wacht)
Gez.133  Vom Himmel hoch da komm ich her
Gez.142  Gelobet seist Du Jesu Christ
Gez.146  Dies ist der Tag, den Gott gemacht
Gez.165  Christ unser Herr zum Jordan kam
Gez.203  Christ lag in Todesbanden
Gez.204  Jesus Christus, unser Heiland
Gez.239  Komm Gott, Schöpfer, Heiliger Geist
Gez.240  Komm Heiliger Geist, Herre Gott
Gez.241  Nun bitten wir den Heiligen Geist
Gez.272  Mitten wir im Leben sind
Gez.310  Erhalt uns, Herr, bei deinem Wort
Gez.331  Wir glauben all an einem Gott
Gez.354  Gott sei gelobet und gebenedeiet
Gez.401  Ein feste Burg ist unser Gott
Gez.402  Nun freut euch lieben Christen Gmein

Naast deze 18 zijn nog 21 liederen van Luthers hand overgeleverd. Het is jammer, dat enkele bekende Luther-liederen ons Liedboek niet hebben gehaald. Waarom, dat weet ik niet. Misschien was er geen dichter gevonden om de Luther-tekst zingbaar te vertalen? Ik noem bijvoorbeeld “Aus tiefer Not schrei ik zu Dir“.

Hoe is de theoloog Luther tot de poëet van zulke mooie liederen geworden? Ik denk in de eerste plaats, omdat hij zelf van zingen hield. Maar dan ook van de Gemeentezang. Het Evangelie moet uitgezongen worden! Want waar het hart vol van is, daar vloeit de mond van over!

Toen Luther predikant in Wittenberg was, zag hij de grote behoefte van het kerkvolk. Als God met ons spreekt in de kerkdienst, dan moeten de mensen antwoorden in gebed en lofgezang. Maar er waren nauwelijks zingbare liederen voorhanden in de toenmalige kerk. Want in de godsdienst van de Middeleeuwse Kerk zong de priester, de monniken, het koor. Maar niet de Gemeente! Daarom vroeg hij zijn vrienden nieuwe liederen te dichten, die het Evangelie zouden verkondigen. Toen dat naar zijn zin niet goed lukte, is hij zelf aan de slag gegaan. In 1524 kwam het eerste bundeltje uit, met 8 liederen, waarvan 4 door Luther gedicht. In het boekje schreef Luther een soort voorwoord: “Die Musik ist die beste Gottesgabe. Durch sie werden viele und grosse Anfechtungen verjagt. Musik ist der beste Trost für einen verstörten Menschen, auch wenn er nu rein wenig zu singen vermag. Sie ist eine Lehrmeisterin, die die Leute gelinder, sanftmütiger und vernünftiger macht.”  Luther’s liederen hadden zo’n “impact”, dat zij zelfs op de markt gezongen werden. Het waren echte volksliederen geworden, vooral voor de gewone mensen. Luther’s tegenstanders moesten verbaast en tegelijk ook woedend erkennen, dat zijn liederen meer mensen tot het Evangelie hadden gebracht dan zijn preken.

Luther’s lijflied was: Nun freut euch, lieben Christen G’mein (Gez.402 Liedboek). Daarin bezingt hij, hoe het met hem gegaan is. Hij was een verloren mensenkind:

De duivel had mij in zijn macht,

De dood stond mij voor ogen;
De schulden hebben dag en nacht
Zwaar op mijn ziel gewogen.
Steeds dieper zonk ik in ’t moeras,
Omdat ik niets dan zonde was
In ijdelheid geboren.

Mijn werken brachten mij geen baat,
Hun grond was boos begeren;
Mijn vrije wil was niets dan haat
Tegen de wil des Heren.
Zo raakte ik in angst en nood,
In wanhoop erger dan de dood,
Ter helle moest ik varen.

Maar in de coupletten, die daarop volgen, komt er een ommekeer, dank zij Jezus Christus en het werk, dat Hij voor ons volbracht heeft. U moet het zelf maar eens lezen! Laat dit tenslotte een les zijn voor iedereen die nog niet tot het geloof gekomen is! Zoals het mij vergaan is, zingt Luther, zo zal het u ook vergaan, want zó zegt de Heer:

“Wat Ik gedaan heb en geleerd,
Zult gij ook doen en leren,
Opdat mijn Vader wordt geëerd,
Zijn Rijk zal triomferen;
En loop niet ’s werelds wijsheid na,
Dat niet uw schat verloren ga,-
Laat u door Mij gezeggen.”

(Aldus de mooie vertaling van Ad den Beste en Jan Wit)

Luther XVII – Conflict met Zwingli

Luther verwijt Zwingli, dat hij beide naturen van Christus uit elkaar haalt en meer met zijn verstand te werk gaat dan te luisteren naar de Schrift. Er zijn zo veel wonderen, die we niet kunnen begrijpen, zegt hij. Bovendien, juist omdat Christus in de hemel is opgenomen, kan Hij overal hier op aarde aanwezig zijn.

In Zwitserland was ook een reformatorische beweging op gang gekomen, rondom Ulrich Zwingli in Zürich en Johannes Oekolompadus in Basel. Zij raakten in conflict met Luther over de betekenis van de inzettingswoorden van het Heilig Avondmaal. “Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed”. Hoe moeten we dat verstaan? Zwingli denkt, dat het symbolische betekenis heeft. “Dit is” moeten we dan verstaan als “Dit betekent”. Zwingli had vanuit zijn humanistische achtergrond moeite met het “mysterie” van brood en wijn, dat lichaam en bloed van Christus zou zijn. Het was voor hem verstandelijk niet te rijmen, dat Christus overal lijfelijk tegenwoordig zou zijn, waar het Avondmaal werd gevierd. Hij ging liever uit van een tweedeling tussen lichaam en geest, zoals Plato dat vroeger had geleerd. In de geest was Christus dus bij het Avondmaal aanwezig, maar niet lichamelijk. Zijn lichaam is in de hemel!

Luther verwijt Zwingli, dat hij beide naturen van Christus uit elkaar haalt en meer met zijn verstand te werk gaat dan te luisteren naar de Schrift. Er zijn zo veel wonderen, die we niet kunnen begrijpen, zegt hij. Bovendien, juist omdat Christus in de hemel is opgenomen, kan Hij overal hier op aarde aanwezig zijn.

Luther hecht erg aan het “vleesgeworden Woord”, dat God neergedaald is “in het vlees” en mens geworden is. Lichamelijkheid is Bijbels. Bij Zwingli, die meer georiënteerd is op het Griekse denken, is lichamelijkheid menselijk, van de tweede orde, en zeker niet goddelijk. Daarin ligt een groot verschil tussen de beide Hervormers.

Luther heeft Zwingli één maal in zijn leven ontmoet, in 1529 op de Marburg. Hij kwam tot de conclusie: “Er hat einen anderen Geist!” Als Christus niet Zelf bij het Avondmaal aanwezig is, wat heeft het dan voor zin? Het wordt dan een soort herinneringsmaaltijd voor de Gemeente. Maar bij Luther is het sacrament: Christus geeft ZICH Zelf en Hij is de Gastheer, de Gemeenteleden zijn de genodigden, die gevoed worden.

Luther XVI – De kerkelijke organisatie

De ambtsdrager wordt volgens Luther innerlijk door God, uiterlijk door de Gemeente beroepen. De Gemeente stelt vast, wie de hoogste gave tot de verkondiging van het Evangelie bezit. Die gave is er namelijk al. Zij komt niet plots uit de lucht vallen doordat de Gemeente iemand beroept en in het ambt stelt. Nee, door haar keuze bevestigt de Gemeente alleen wat al aanwezig is: het van God ontvangen charisma (=genadegave).

De ambtsdrager wordt volgens Luther innerlijk door God, uiterlijk door de Gemeente beroepen. De Gemeente stelt vast, wie de hoogste gave tot de verkondiging van het Evangelie bezit. Die gave is er namelijk al. Zij komt niet plots uit de lucht vallen doordat de Gemeente iemand beroept en in het ambt stelt. Nee, door haar keuze bevestigt de Gemeente alleen wat al aanwezig is: het van God ontvangen charisma (=genadegave). Ook hier blijkt in Luthers visie de roeping tot het ambt tweeledig te zijn: door God, die Zijn charisma schenkt, en door de Gemeente, die dat herkent. Dit betekent vanzelf ook, dat de Gemeente een ambtsdrager weer mag afzetten, wanneer blijkt dat het Woord van God toch niet op de juiste wijze door de gekozen ambtsdrager wordt verkondigd. Hij wordt dan gewoon weer Gemeentelid. Van een”character indelebilis” (onwankelbaar, onveranderlijk, zoals bij priesters in de Rooms Katholieke Kerk) is bij Luther dan ook geen sprake. Ambtsdrager is iemand alleen tengevolge het beroep door de Gemeente uitgebracht en voor zo lang dat beroep geldig is. Hij blijft in zijn ambtsperiode voor de uitoefening van zijn ambt afhankelijk van de goedkeuring van de Gemeente, die voortdurend verplicht is op de zuiverheid in leer en wandel van de voorganger toe te zien. Maar het is ook zo, dat de ambtsdrager niets met dwang aan de Gemeente kan opleggen. Want ieder Gemeentelid is persoonlijk verantwoordelijk voor wat hij gelooft en vanuit zijn geloof heeft te doen. Daarom kan hem niets “van boven” worden opgelegd. Iedere gelovige moet zelf vanuit zijn geloof de nodige beslissingen nemen.

Deze vrijheid van het geloof zien we ook bij alle verordeningen, die Luther geeft ten aanzien van de organisatie van de Gemeenten en de kerkdiensten. Hoofdzaak blijft, dat het Woord van God op de goede manier verkondigd wordt. Alle ceremonies in de kerkdienst zijn daaraan ondergeschikt: zij hebben alleen te dienen tot bevordering van het geloof en de onderlinge liefde. Luther is in dat opzicht dus eerder conservatief dan progressief te noemen. Alleen wat beslist tégen het Evangelie was, kon in zijn oog geen genade vinden! De Misliturgie werd door hem dan ook alleen gezuiverd van datgene, wat op het offer betrekking had. Maar het altaar bleef en ook de priestergewaden en wierook en kaarsen. Kerkgebouwen werden ongewijzigd van de Rooms.Katholieke.Kerk overgenomen. Zelf bouwden de Lutheranen in de beginfase kleine kapellen, meestal bij een kasteel. De eerste monumentale “Evangelische” kerk werd pas in het begin van de 17e eeuw gebouwd: De Mariënkirche te Wolfenbüttel. Beelden en kunst mochten wat Luther betreft ook best in de kerk gehandhaafd blijven. Het volk moest wel geleerd worden geen vertrouwen meer op de beelden te hebben. “Was hindert mir das Bild, wenn mein Herz nicht daran hängt”. Beeldenstorm, zoals wij dat hier in Nederland hebben gehad, was dan ook helemaal niet naar zijn smaak, te meer daar vele van zijn vrienden (zoals Cranach) echte kunstenaars waren.

Naast de voorganger (predikant) had elke Gemeente een kerkbestuur, dat voor de goede organisatie in de Gemeente moest zorgdragen en vooral ook leiding had te geven aan het liefdewerk: de verzorging van de behoeftigen.

In groter kerkelijk verband bleef de reeds aanwezige verdeling in bisdommen en vorstendommen gehandhaafd. Voor Luther was het voldoende om de “dienst aan het Woord” te ordenen. Alle macht in de kerk berust bij de totaliteit van de leden. Hiertoe behoren de roeping en indienststelling van de “dienaren”, maar ook het samenbrengen van hen in synodale verbanden.

Het is in Luthers kerk- en ambtsopvatting nog allemaal heel eenvoudig. Beide zijn gebaseerd op het éne Woord en op het éne universele kerkbegrip, dat er één geloof en één Doop is in de gehele Christenheid. Voor Luther was dit meer dan voldoende. Het éne Koninkrijk van God zou toch spoedig aanbreken. De jongste dag stond al voor de deur!

Luther XV – Ambtsopvatting

Luther ziet dit ambt in de vorm van een dienstpriesterschap: ministerium, en niet zoals in de toenmalige kerk een heerschappelijk ambt. Elke ambtsdrager is in feite alleen maar geroepen om boodschapper te zijn: niet om te heersen, maar om te dienen!

Hoe Luther over de kerk dacht, daar hebben we al over gesproken. Nauw samen daarmee hangt zijn opvatting over het ambt. Hij heeft veel kritiek op de Paus: op de plaats die deze in de kerk inneemt. Christus is het Hoofd van de kerk, en niet de Paus! In ’t bijzonder is hem een doorn in het oog, dat zich tussen Christus en de Gemeente een priesterstand heeft geschoven. Hij noemt dit zelfs een “kaste”. In plaats van verbinding zie je verwijdering tussen het gewone kerkvolk en Christus. Priesters zouden de mensen bij Christus moeten brengen! Je ziet die verwijdering ook in de middeleeuwse kerkbouw: de koorruimte, waar de priesters dienst doen, is sterk afgescheiden van het gewone kerkvolk. In plaats van dat priesters dienstbaar zijn heersen ze over het kerkvolk! Dat heeft in de loop der eeuwen steeds meer en meer z’n beslag gekregen. In de tijd van Luther was die priesterhiërarchie wel tot een hoogtepunt gekomen.

Natuurlijk weet Luther ook wel, dat er ambten nodig zijn in de kerk, voor de Evangelieverkondiging en om de sacramenten te bedienen en alles goed te laten verlopen. In principe is elke gelovige tot zo’n ambt geroepen. Luther noemde dit het “algemeen priesterschap van de gelovige”. Alle Christenen zijn priesters in de volle zin van het woord, met plichten en rechten. Het bijzondere van de “kerkelijke” priester alleen is dat hij dit priesterschap officieel uitoefent.

Luther ziet dit ambt in de vorm van een dienstpriesterschap: ministerium, en niet zoals in de toenmalige kerk een heerschappelijk ambt. Elke ambtsdrager is in feite alleen maar geroepen om boodschapper te zijn: niet om te heersen, maar om te dienen!

Omdat de verkondiging van het Evangelie centraal staat in Luthers denken, hecht hij ook veel waarde aan het ambt van de Woordbediening. De roeping tot dit ambt is tweeledig: God roept mensen en de Gemeente doet dat. Door beide roepingen voelen de predikers zich gedragen. Direct verbonden met de verkondiging van het Woord en er ook uit voorkomend noemt Luther als taak voor de priester de bediening van de sacramenten en het zogenaamde “gebruik van de sleutelmacht”. Wat dit laatste betreft spreekt Luther van de “kleine ban”, in onderscheiding van de “grote ban” van de paus, waarbij iemand niet alleen uit de kerkelijke maar ook uit de burgerlijke gemeenschap werd gestoten. Overigens heeft deze sleutelmacht niets met de uitoefening van heerschappij te maken. Uit het bezit van het Evangelie kan nooit heersersmacht voortvloeien! Integendeel: de sleutels moeten naar Gods wil uitsluitend een troost zijn. Zij zijn bestemd voor degenen, die troost behoeven, die zondenvergeving nodig hebben. Zo kon Luther in zijn geschrift “An den Christlichen Adel” (1520) van de paus zeggen: “Er soll täglich weinen und beten fúr die Christenheid und ein Exempel aller Demut furtragen. Das ist sein Amt.” Maar dat geldt niet alleen voor de paus, dat geldt voor alle Christenen. Het is het fundament van de “communio sanctorum” (de gemeenschap der heiligen): elkaar de zonden vergeven, elkaar troosten, elkaar in alle dingen bijstaan. Zoals burgers van een stad “namen, eere, freyheyt, handell, brauch, sitten, hulff, beystand, schutz und der gleychen, widerrumb alle gefar, fewr, wasser, feynd, sterben, scheden, aufsetz und der gleychen” met elkaar delen, zo komen ook tot elke Christen, die in nood is, “Christus und alle heyligen mit allen yhren tugenden, leyden und gnaden, mit dir zu leben, thun, lassen, leyden und sterben, und wollen gants deyn sein, alle dingk mit dir gemeyn haben.” Waar één lid lijdt, daar lijden allen mee! Daarin komt het algemeen priesterschap der gelovigen, maar ook het officiële kerkelijke priesterschap, ten volste tot hun recht, omdat daarmee aan het Evangeliewoord recht wordt gedaan.

Luther XIV – Geloof en goede werken

Elke goede boom draagt goede vruchten, maar een slechte (luie) boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Dat wil dus zeggen, dat de daden van een mens corresponderen met zijn aard, zijn wezen, zijn persoon. De werking gaat van binnen naar buiten. “Waar het hart vol van is, daar vloeit de mond van over”.

Het geloof staat bij Luther centraal. “Sola fide” was als ’t ware zijn lijfspreuk. Alleen door geloof kom je in de goede relatie met God te staan. Zelf kun je daar eigenlijk niets aan doen. Het moet je van God Zelf geschonken worden. Al doe je nog zo goed je best, met allemaal “goede werken”, je kunt God daarmee niet bereiken. Luther noemt dit zelfs “werkheiligheid”, alsof je Gods genade kunt “kopen”. Nee, het is alles genade. Daarom: “sola fide, sola gratia!” Een mens kan zich wel openen voor die genade door veel in de Heilige Schrift te lezen, want dáár horen we hoe God de arme zondaar vergeeft en in genade aanneemt. Dat is Gods gerechtigheid! Zo komen we tot: “Sola fide, sola gratia, sola Scriptura!”

Maar dat betekent toch niet, dat Luther de mensen ook niet aanmaant om “goed en recht” te leven, waartoe ook de goede werken behoren. Luther haalt daarvoor de tekst uit de Bijbel aan, waar Jezus spreekt over een boom, die goede vruchten draagt. Elke goede boom draagt goede vruchten, maar een slechte (luie) boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Dat wil dus zeggen, dat de daden van een mens corresponderen met zijn aard, zijn wezen, zijn persoon. De werking gaat van binnen naar buiten. “Waar het hart vol van is, daar vloeit de mond van over”.

Maar daar alle mensen zondaren zijn, moet er dus iets met de mens gebeuren. De boom moet “genezen” worden. Er moet een “nieuwe” mens geboren worden.

Van zichzelf uit is de mens daartoe niet in staat. Daarom zendt God Christus om in Hem de mensen genadig te zijn en nieuw te maken. Als iemand in Christus is, dan is hij een nieuwe schepping! Dat moet in ons leven zichtbaar worden. Daartoe dienen de goede werken, om de nieuwheid van ons leven zichtbaar te maken. Luther zegt het zo: fides facit personam (het geloof maakt de persoon). Dus het is niet zo, dat je door het doen van goede werken Gods gerechtigheid (Zijn genade en vergeving) verwerft, maar andersom: dat je staande in het geloof (dus als gerechtvaardigde) goede werken gaat doen.

In de R.K. Kerk van toen werd onderscheid gemaakt tussen goede werken, die te maken hadden met vroomheid en geestelijk leven, en gewone “aardse” goede werken. Die laatste waren natuurlijk niet zo belangrijk. Voor Luther is er geen verschil! Dat komt ook hierdoor, dat Luther geen verschil maakt tussen geestelijke en gewone aardse beroepen. Een priester of monnik is niet belangrijker dan een timmerman. In elk beroep kan een Christen zijn “roeping” uitleven. Het zou goed zijn, wanneer wij dat in onze tijd ook weer meer gingen beseffen. Wij maken dan wel geen onderscheid tussen geestelijke en aardse beroepen, maar zijn wel zeer gevoelig voor de plaats, die wij op de maatschappelijke ladder innemen. Voor Luther zijn alle mensen gelijk, hoog of laag, arm of rijk, gezond of ziek, iedereen moet leven naardat God hem gegeven heeft. Je doet gewoon wat voorhanden is, wat je hand je geeft te doen.

Een Christen leeft niet in zich zelf, maar in Christus en dan ook in zijn naaste, in Christus door zijn geloof, in de naaste door de liefde. In het geloof stijgt hij op tot God, uit God daalt hij weer neer door de liefde, en zó leeft hij altijd in God en goddelijke liefde.

Luther XIII – Het heilig avondmaal

Wat heeft zulk eten en drinken voor zin? “Dat laten ons de woorden zien: voor u gegeven en vergoten tot vergeving van zonden; namelijk dat ons in het sacrament vergeving van zonden, leven en zaligheid door zulke woorden gegeven wordt; want waar vergeving van de zonden is, daar is ook leven en zaligheid.”

Lucas Cranach, 1565. Avondmaal.

Op dit schilderstuk van Lucas Cranach, een vriend van Luther, uit 1565, zien we hoe in plaats van de apostelen enkele evangelische theologen, waaronder Luther zelf en zijn vriend Melanchton het Avondmaal bedienen.

In de Kleine Katechismus uit 1529 beschrijft Luther waar het in het Avondmaal om gaat: “Het sacrament van het altaar is het waarachtige lichaam en bloed van onze Here Jezus Christus, dat Hij ons met brood en wijn te eten en te drinken geeft.” Wat heeft zulk eten en drinken dan voor zin? “Dat laten ons de woorden zien: voor u gegeven en vergoten tot vergeving van zonden; namelijk dat ons in het sacrament vergeving van zonden, leven en zaligheid door zulke woorden gegeven wordt; want waar vergeving van de zonden is, daar is ook leven en zaligheid.”

Luther is tot deze woorden gekomen na een lange strijd in de kerk. Het ging hem immers om het verstaan van het Avondmaal vanuit de Bijbel. Toen hem de ogen open gingen voor Gods rechtvaardiging, dat God de zondaren rechtvaardig maakt door hen de zonden te vergeven, toen begreep hij dat dit ook de betekenis van het Avondmaal moest zijn.

In de loop der geschiedenis was het Bijbelse begrip van het Avondmaal veranderd. Sinds de dertiende eeuw mochten de leken niet meer uit de beker drinken. Het werd zelfs verboden op het concilie van Konstanz! Het Avondmaal mocht alleen door een gewijde priester bediend worden. Hierdoor werd de afstand tussen priester en leek nog vergroot. Het belangrijkste punt, waar Luther tegen streed, is, dat het Avondmaal als een offerhandeling werd beschouwd: het offer van Christus op Golgotha wordt in dit “misoffer” op onbloedige wijze herhaald door de priester. Zo’n misoffer maakte een mens zalig, zelfs kon het de gestorvenen beschermen tegen het vagevuur. Het misoffer werd dus als een middel gebruikt tegen allerlei kwalen en ziekten en rampspoeden. En daarom werd het steeds meer gebruikt. Het werd bijna een hele industrie. Eén altaar in de kerk was al lang niet meer genoeg, er kwamen er tientallen bij. En bij al die altaren hoorden priesters om de mis te “lezen”. Iemand heeft het zó beschreven: “Op het eind van de 15e eeuw dienden in de St. Elisabethkerk in Breslau aan 47 altaren 122 altaristen (priesters) en in de St. Magdalenenkerk aan 58 altaren 114 altaristen. Elke honderdste inwoner van de stad Breslau was altarist.”

Hoe zag men de verandering van brood en wijn in lichaam en bloed van Christus? Hiervoor ging men uit van de filosofie van Aristoteles, die onderscheidde tussen substantie en verschijningswijzen (accidentia). De substantie van brood en wijn veranderde dus in lichaam en bloed van Christus, waarbij alleen de “accidentia” (uiterlijke kant) behouden bleef. Als gevolg hiervan moest men uiterst voorzichtig met brood en wijn omgaan. De beker moest helemaal leeg gedronken worden en het brood (de hosties)  moest bewaard worden in een speciaal “huisje”, de tabernakel, die dan weer door de gelovigen vereerd werd. Ter vergelijking: bij Protestanten wordt het overgebleven brood na het Avondmaal uitgestrooid in de kerktuin voor de vogels!

Het Heilig Avondmaal heeft zich derhalve in de loop der tijden ontwikkeld van een eenvoudige maaltijd van Jezus met Zijn discipelen tot een cultische offerhandeling van de priesterkerk. In het middelpunt van heel het gebeuren staat niet meer de Gemeente, het gezamenlijke eten en drinken aan de tafel van de Heer, maar de offerhandeling van de priester. Daarmee is men heel ver van de Bijbelse wortels komen staan, aldus Luther. Voor hem moet Christus hier centraal staan. Hij beschrijft zijn visie in zijn boekje “Von der babylonischen Gefangenschaft der Kirche” (1520). De naam al laat horen, hoe Luther er over denkt. De kerk zit gevangen! En moet daaruit bevrijd worden! Het Evangelie spreekt van goddelijke belofte en menselijk geloof. “Drinkt ALLEN daaruit”, zo staat in Matth. 26,27. Daarom is het goddeloos om het gewone kerkvolk de beker te ontnemen. De monopoliepositie van de priester is ook uit de boze, een menselijke aanmatiging. En dan de leer van de verandering (de transsubstantiatie) in de R.K. Kerk, dat is filosofie en zeker niet Bijbels. Laten we toch gewoon naar de Bijbel luisteren, waar staat: “Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed.” Laten we nemen zoals het daar staat. God en mens komen daar samen, zoals dat ook in Christus gebeurt. Het is een goddelijk mysterie.

Geen wonder, dat Luther fel gekant was tegen de opvatting van het misoffer. Het is een al te menselijke vormgeving, dus mismaking, van wat de Bijbel bedoeld heeft met het Heilig Avondmaal. Begrijpelijk, dat hij ook de zgn. dodenmissen en alle nevenaltaren afschafte. De R.K. kerk nam hem dit niet in dank af, want daarmee liepen de inkomsten van de kerk drastisch terug.

Luther XII – De heilige doop

Doop en geloof horen wel bij elkaar, natuurlijk, maar toch niet zó, dat het geloof van de mens de doop pas echt en waar maakt. Dan zou de doop afhankelijk worden van de mens. Dat riekt naar werkheiligheid! De doop wordt dan een prestatie van de mens! Nee, zegt Luther, de doop draagt wel het geloof van de mens, maar niet andersom, dat het geloof van de mens de doop pas waar maakt.

DoopVoor Luther betekent de Doop het oude leven vaarwel zeggen en opstaan tot een nieuw leven. Hij gaat daarvoor uit van het Griekse woord “baptismos”, dat onderdompeling betekent. Het gaat terug tot de doop van Johannes de Doper, die de mensen (ook Jezus!) doopte in de Jordaan door ze volledig onder te dompelen en daarna uit het water op te trekken. Zo gaat het ook nog bij de Baptisten en in Pinksterkerken, waar ze in het kerkgebouw een bad hebben voor de doop. Zó ziet Paulus het ook in Romeinen 6: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen” (vs.4). Voor Luther betekent de doop dan ook een dagelijks sterven aan de zonde en opstaan in de genade van God. “Die Sünde wird in der Taufe ganz vergeben, nicht so, dass sie nicht mehr da sei, sondern dass sie nicht zugerechnet wird.”. Ook als je de doop hebt ontvangen blijft een mens nog zondigen, maar het wordt hem door de genade van God niet meer toegerekend. Het verplicht ons wel om tegen de zonde te vechten! Want we zouden de doop eens kunnen verliezen! Het is een genade van God, maar een mens kan die genade wel verwerpen! Daarom zijn de zogenaamde Wederdopers, met wie Luther een hevige strijd gevoerd heeft, voorstander van de volwassenendoop. Volwassenen weten wat ze doen, juist als ze zich laten dopen! Zij weten, dat voor de Doop geloof nodig is. Had Jezus niet gezegd: wie gelooft en zich laat dopen, die zal behouden worden! Kinderen kunnen nog niet geloven. Daarom kunnen ze zich ook niet verantwoordelijk voelen voor hun doop. Is het dan een wonder, dat ze later die doop verwerpen? Maar zó mag het toch niet zijn, zegt Luther. Doop en geloof horen wel bij elkaar, natuurlijk, maar toch niet zó, dat het geloof van de mens de doop pas echt en waar maakt. Dan zou de doop afhankelijk worden van de mens. Dat riekt naar werkheiligheid! De doop wordt dan een prestatie van de mens! Nee, zegt Luther, de doop draagt wel het geloof van de mens, maar niet andersom, dat het geloof van de mens de doop pas waar maakt. Ook niet zoals in R.K.kerk, waar de erfzonde bij de doop zó wordt vergeven, dat de gedoopte niet meer een echte zondaar kan zijn. Wanneer hij zwaar zondigt, helpt de doop alleen niet meer, dan is daarbij ook het sacrament van de boete nodig,. als een soort plaatsvervanging en vernieuwing van de doop. Luther vindt, dat de doop op zo’n manier iets magisch krijgt. Nee, het is en blijft altijd een daad van God aan de mensen om hen te vernieuwen en in staat te stellen tegen de zonde te vechten. We mogen uitgaan van de goddelijke belofte: “Wie gelooft en zich laat dopen, die zal zalig worden, maar wie niet geloofd, zal veroordeeld worden” (Markus 16, 16). Doop en geloof horen dus bij elkaar, evenals ongeloof en veroordeling. Wanneer je na de doop in ongeloof vervalt, moet een mens boete doen. De boete is dan eigenlijk een vernieuwing van de doopgelofte.

In de “Kleine Katechismus” (1529) legt Luther het zó uit: op de vraag “Wat betekent dan zulk een waterdopen?” antwoordt hij: “Es bedeutet, das der alte Adam in uns durch tägliche Reue und Busse soll ersäuft weden und sterben mit allen Sünden und bösen Lüsten; und wiederum täglich herauskommen und auferstehen ein neuer Mensvh, der in Gerechtigkeit und Reinheit vor Gott ewiglich lebe.” Daarna volgt de genoemde tekst uit de Romeinenbrief (6, 4).

De bediening van de Doop heeft Luther dus niet veranderd. Die is hetzelfde gebleven als hij eeuwen lang geweest is. Dit is nóg geen geschilpunt tussen de kerken. Daarom was er indertijd ook zo veel commotie, toen prinses Irene bij de overgang naar de R.K. Kerk zich in Rome liet “overdopen”. De Doop, die zij in de Hervormde Kerk had ontvangen was ook in de R.K. Kerk geldig. Dit wordt tegenwoordig van beide kanten volmondig erkend. Toch komt het nog wel voor, dat iemand, die in de Hervormde Kerk gedoopt werd, bij overgang naar een Pinkstergemeente opnieuw gedoopt wordt. Dit heeft ook te maken met een verschil in zienswijze op de Doop: kinderdoop of volwassendoop.

Van de zeven sacramenten in de R.K. Kerk nam Luther er twee over, de belangrijkste: Doop en Avondmaal. Die worden in de R.K. Kerk ook als belangrijkste gezien (de zgn. sacramenta majora), terwijl de overige vijf op deze 2 sacramenten betrokken zijn ( de zgn. sacramenta minora).

Luther XI – Persoonlijk heil

Een mens wil gelukkig worden. Daar gaat het dan ook om bij Luther: om zijn persoonlijke heil. En dat krijgt hij alleen, wanneer hij in de goede verhouding tot God staat. Hoe komt een mens in die verhouding? Door Christus te kennen en lief te hebben en te volgen! Daarom is de verkondiging van het Evangelie zo belangrijk: het maakt mensen gelukkig, omdat ze Gods genade mogen ontvangen.

We hebben al gesproken over Luthers geloofszekerheid. Een mens wil gelukkig worden. Daar gaat het dan ook om bij Luther: om zijn persoonlijke heil. En dat krijgt hij alleen, wanneer hij in de goede verhouding tot God staat. Hoe komt een mens in die verhouding? Door Christus te kennen en lief te hebben en te volgen! Daarom is de verkondiging van het Evangelie zo belangrijk: het maakt mensen gelukkig, omdat ze Gods genade mogen ontvangen. Dit zijn Luthers eigen woorden:

“Durchs Evangelium wird uns kundgetan, was Christus sei, dass wir Ihn lernen kennen, also dass Er unser Heiland ist, nimmt von uns Sünde und Tot und hilft uns aus aller Unglück, versühnet uns gegen den Vater und machet uns ohne unsere Werke fromm und selig. Wer nun Christus nicht also erkennt, der muss fehlen (irregehen). Denn ob du schon weisst, dass Er Gottes Sohn ist, gestorben und auferstanden, und sitzet zur Rechten des Vaters, so hast du dennoch nicht recht Christus erkannt, hilft dir auch noch nicht, sondern du musst das wissen und glauben, dass Er es alles um deinetwillen getan hat, dir zu helfen.”

Hoe het geluk van de mens samenhangt met Christus, Die ons gered heeft, laat dat prachtige lied van Luther zien, dat gelukkig ook in ons Liedboek is opgenomen: Gez.402 Nun freut euch lieben Christen g’mein. In de verzen 5 t/m 8 beschrijft Luther, hoe God Zijn heil op aarde gebracht heeft voor zondige mensen:

Hij sprak tot Zijn geliefde Zoon:
“Ik kan ’t niet langer lijden;
Nu is het tijd, verlaat Mijn troon
En stel U aan zijn zijde;
Sta voor hem in als bondgenoot,
Verdelg de zonde en de dood
En laat hem met U leven.”

De Zoon deed naar Zijn Vaders wens;
En uit een aardse moeder
Geboren, zoals ieder mens,
Werd Hij mij tot een broeder.
Zo nam Hij mijn gedaante aan
Om satans eigenwaan te slaan,
Hem in de val te lokken.

Hij sprak tot mij: “Zie, het is nu
De kentering der tijden.
Ik heb Mijn leven veil voor u,
Ik Zelf zal voor u strijden.
Want Ik ben d’ uwe, gij zijt Mijn,
En waar Ik ben, daar zult gij zijn,
Geen vijand zal ons scheiden.”

“De vijand zal Mij ’t hartebloed,
Het leven zelfs ontroven,-
’t is u ten goede, en daar moet
Gij rotsvast in geloven.
Mijn leven overwint de dood,
Mijn onschuld delgt uw schulden groot,
En zo zijt gij behouden.”

Luther X – Geloofszekerheid

Een vaste burcht is onze God,
Een wal, die ’t kwaad zal keren;
Zijn sterke arm houdt buiten schot
Wie zich niet kan verweren.

Luther PostzegelLuther had een sterk Godsgeloof, dat is vertrouwen in God. In zijn wereld hoorde God er ook gewoon bij. Iedereen geloofde wel in God. Het kon gewoonweg niet bestaan, dat er aan het bestaan van God getwijfeld werd. Voor Godloochenaars was er in die wereld geen plaats.

Dat is vandaag wel anders! Veel mensen vragen zich af: bestaat God wel? En als er een God bestaat, waar is Hij dan? Als Hij almachtig is, waarom gebeuren er dan zulke verschrikkelijke dingen in de wereld? Waarom grijpt God niet in? Is God dan wel rechtvaardig? Er zijn zelfs dominees, die moeite hebben om in God te geloven.

Voor Luther waren dat geen vragen. Nee, zijn grootste probleem was: hoe krijg ik een goede relatie met God? Dat God bestaat, daar twijfelde hij niet aan. Maar aan zichzelf twijfelde hij: hij, de grote zondaar, mag en kan die wel bestaan vóór God? En op deze prangende vraag vond hij een antwoord in de brieven van Paulus. Ja zeker, zondige mensen mogen bestaan vóór God, want God rechtvaardigt hen! God is barmhartig en vergeeft hun zonden. Daarvoor is Jezus Christus gestorven. Daarvan spreekt dat prachtige lied van Luther:

Een vaste burcht is onze God,
Een wal, die ’t kwaad zal keren;
Zijn sterke arm houdt buiten schot
Wie zich niet kan verweren.

Jezus Christus is ‘t,
De Heer van ’t heelal,
Die overwinnen zal,-
God Zelf staat ons terzijde.

Gods heilig Woord alleen houdt stand,
Gods waarheid zal ons staven.
Hij leidt ons en met milde hand
Schenkt Hij Zijn geestesgaven.
Al rooft de tiran
Ons wat hij maar kan,
Ons goed en ons bloed,-
Laat hem zijn overmoed!
Gods rijk blijft ons behouden.

(Gezang 401 Liedboek der Kerken)

Het laatste vers zal u beter bekend zijn in de oude vertaling:

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
En zal geen duimbreed wijken.
Beef, Satan! Hij, die ons geleidt,
Zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kind’ren ’t graf,
Neem goed en bloed ons af,
Het brengt u geen gewin:
Wij gaan ten hemel n
En erven Koninkrijken!

(Gez.96 Oude Hervormde Bundel)

Maar hoe je’t ook vertaalt, duidelijk klinkt door de grote geloofszekerheid van Maarten Luther. Hij is zich er van bewust in alles wat hij doet vóór God te staan: CORAM DEO (= vóór God, vanwege God, ter wille van God, met betrekking op God). Hij laat daarbij God in Zijn waarde! Als Degene, Die naar ons toekomt en zonder Wie geen mens leven kan. De mens heeft God nodig! Hij is op God betrokken! De mens heeft een hang “naar Boven”. De vraag is alleen: hoe vult hij dat in? Er zijn ook afgoden, zoals geld en goed en positie. Veel mensen geven hun ziel en zaligheid aan die afgoden. Luther gebruikt hier het beeld van een rijdier, dat door verschillende personen wordt bereden. Nu eens zit God op het zadel – dan gaat het de goede richting uit-, dan weer de satan, een valse god, die het dier te pletter rijdt.

Om God te leren kennen, moeten we in het Woord van God gaan lezen. God is Schepper. God schept “uit het niets”. Dat gebeurt nog elke dag. God schept niet alleen uit het niets, Hij schept zelfs uit tegenstellingen: het leven uit de dood, liefde en vrede uit vijandschap, het goede uit het slechte. Door het geloof worden God en mensen aan elkaar verbonden. Alleen door het geloof. Een mens kan niet op zichzelf tot God komen, ik bedoel door goed z’n best te doen en zo, via goede werken. Dat noemt Luther “eigengerechtigheid”. Sola Fide, Sola gratia (alleen door het geloof, alleen door Gods genade).

Hoe dat gaat, laat Luther horen in een herdichting van Psalm 130:

Bei Dir gilt nichts denn Gnade und Gunst,
Die Sünde zu vergeben,
es ist doch unser Tun umsonst
auch in dem besten Leben.
Vor Dir niemand sich rühmen kann,
Des muss Dich fürchten jedermann
Und deiner Gnade leben.
Darum auf Gott will hoffen ich,
Auf mein Verdienst nicht bauen;
Auf Ihn mein Herz soll lassen sich
Und seiner Güte trauen,
Die mir zusagt sein wertes Wort;
Das ist mein Trost und treuer Hort,
Des will ich allzeit harren.

Luther IX – De onzichtbare kerk

De uiterlijke orde van de kerk is onontbeerlijk ter wille van de ware kerk. Je hebt de buitenkant nodig ter wille van de binnenkant! Want, zegt Luther: koren wordt alleen op een akker aangetroffen, waar ook onkruid groeit. Zo is ook de ware kerk alleen dáár te vinden, waar de uiterlijke kerkgemeenschap goed en kwaad beide in zich bergt.

Luther ziet de kerk als “de gezamenlijke Christenheid”, de gemeenschap der heiligen: communio sanctorum, congregatio spiritualis hominum (de spirituele gemeenschap van de mensen). Hij maakt onderscheid tussen de “communio interna et spiritualis” en de “communio externa et corporalis”. Dit laatste is een duidelijke reactie op de spiritualisten, die van de kerk als uitwendig lichaam niets willen weten. Luther vindt, dat deze scheiding “interna – externa” als vanzelf door het Evangelie wordt aangegeven, want het Evangelie werkt twee-zijdig: het wint de één, terwijl de ander wordt afgestoten (“Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij”, zegt Jezus). De scheidslijn loopt niet via de grenzen van de uitwendige kerk, maar zij loopt daar dwars doorheen. Zij scheidt de ware gelovigen, de ware kerk van Christus, van de uiterlijke kerk af. Deze “inwendige” kerk is onzichtbaar. Luther drukt het zó uit: “populus spirituialis… vere populus Deï, renatus per Spiritum Sanctum” (herboren door de Heilige Geest). Elders heet het: “ecclesia est proprië congregatio sanctoprum et vere credentium, in qua Evangelium recte docetur et recte administrantur sacramenta” (de kerk is zuivere gemeenschap der heiligen en van de ware gelovigen, waarin het Evangelie op de juiste wijze wordt onderwezen en op de juiste wijze de sacramenten worden bediend). Dat deze kerk onzichtbaar is, betekent niet, dat zij niet werkelijk existeert. Want, zoals Christus, het hoofd van de kerk, nog verborgen maar toch werkelijk aanwezig is, zó is het ook met de kerk. Zij bestaat echt en werkt “virtualiter in Christo” en sticht waarachtige gemeenschap.

Duidelijk blijkt hierin, hoe Luther zich richt tegen de gangbare Rooms-katholieke opvatting van de kerk. Die leert, dat de kerk een genade-gemeenschap is. De genade ontvangt de kerk via de hiërarchische lijn, uitmondend in de paus. Duidelijk is ook, dat Luther niets moet hebben van de zogenaamde spiritualisten. Hij heeft hierbij vooral de doperse dwepers op het oog met hun zichtbare kerk. Ook zien we, hoe Luther in zijn kerkopvatting afwijkt van Augustinus. Wel neemt hij de onderscheiding tussen de zichtbare kerk en de ware kerk van de “bekeerden” van hem over, maar de praedestinatieleer (dat een mens “voorbestemd” is tot geloof), waar Augustinus van uit ging, vinden we bij Luther niet terug. Daarvoor was in de plaats gekomen: het in de geschiedenis werkzame Woord van God, die de “communio sanctorum”  bouwt (de mens moet Gods Woord “aannemen” en komt dan in de “gemeenschap der heiligen” te staan). Daardoor omvat Gods genade niet alleen de enkeling, maar meer nog de hele gemeenschap, de communio. De enkeling neemt aan die genade deel binnen de communio en wordt daardoor niet alleen op God gewezen, maar ook op zijn zuster en broeder.

De kerk van Christus wordt zichtbaar aan en rondom de genademiddelen, de sacramenten. De uiterlijke orde van de kerk is onontbeerlijk ter wille van de ware kerk. Je hebt de buitenkant nodig ter wille van de binnenkant! Want, zegt Luther: koren wordt alleen op een akker aangetroffen, waar ook onkruid groeit. Zo is ook de ware kerk alleen dáár te vinden, waar de uiterlijke kerkgemeenschap goed en kwaad beide in zich bergt. Die uiterlijke gemeenschap is nodig ter wille van de Woordverkondiging. Het Evangelie vormt de brug tussen de onzichtbare en zichtbare kerk.

Uit ervaring wist Luther maar al te goed, dat de “congregatio vere credentium” (de verzameling van ware gelovigen) niet van huichelaars ontbloot was. Er zijn zelfs ongelovigen in de kerk, dat zijn de mensen in wie Christus niet handelt, Toch dacht Luther wel, dat God geen enkele stand (je had toen rangen en standen!) in de kerk zó verlaten had, dat Hij er niet toch nog enkele goeden in had aangesteld.

Luther VIII – Het huwelijk

Het lukte niet Katharina aan de man te brengen. Ze had wel al een relatie gekregen met een student uit Neurenberg, maar -nadat diens vader bezwaar had gemaakt- liet die het afweten. Toen Luther daarover klaagde, moet Katharina gezegd hebben, dat zij zich wel kon voorstellen met hem zelf getrouwd te zijn. Luther was sprakeloos, maar nam het voorstel met beide handen aan!

Katharina van Bora door Lukas Chranach de oude, 1529In de kerk van toen (en nu nog in de Rooms-katholieke Kerk) kon je als monnik of priester niet getrouwd zijn. Je legde dan de kuisheidsgelofte af en was verplicht tot “celibaat” (ongetrouwd blijven). Zo is het ook met Luther gegaan.

In de vroegchristelijke kerk was het nog niet zo. We horen niet van ongetrouwde apostelen en ambtsdragers. Er staat in 1 Timotheüs 3, 3, dat een bisschop de man moet zijn van één vrouw. Het kwam dus zelfs voor dat ambtsdragers meerdere vrouwen hadden. Toen de kloosters opkwamen en invloed kregen, werd meer waarde gehecht aan het celibaat, als een navolging van de Heiland, die ook niet getrouwd was. Het was tegelijk ook een soort protestactie tegen de kerk, die toen steeds meer verwereldlijkt werd. Rijkdom en ook vrouwen kregen daar een steeds grotere plaats. De monniken preekten armoede en je helemaal geven in navolging van de Heer. De eis om zo te gaan leven klonk steeds luider in de kerk. Pas in de elfde eeuw werd het celibaat officieel verplicht voor alle priesters.

We hebben al gehoord, dat Luther geen onderscheid wilde maken tussen geestelijken en gewone kerkmensen. Als je dus de geestelijken het huwelijk verbiedt, dan moet je dat alle gelovigen doen. En andersom geldt hetzelfde: als het de gewone kerkmensen wordt toegestaan om te trouwen, dan moeten ook de geestelijken kunnen trouwen. Dit was uit het hart gegrepen van veel mensen, ook van monniken en nonnen in de verschillende kloosters. Hierdoor traden velen uit. Ook veel medestanders van Luther, die priester waren, gingen trouwen. Maar Luther zelf maakte nog geen aanstalten daartoe. Hij was zo lang alleen geweest en inmiddels ook al de veertig gepasseerd. Wie zou zo’n oude man nog willen hebben? (met veertig was je toen al oud!).

Hij werd daarbij door de omstandigheden geholpen. Zijn geschriften werden gelezen door nonnen in een klooster Mariënthron in Nimbschen bij Grimma. Twaalf nonnen werden daardoor zó beïnvloed, dat zij besloten het klooster te verlaten. Dat ging natuurlijk niet zo maar. Daarom bedachten zij een plan: om in de wagen, die het klooster wekelijks voedsel kwam brengen, te vluchten. Zij verstopten zich achter lege haringtonnen. Negen van haar konden niet meer bij familie terecht (stel je voor: een gevluchte non…) en zijn toen in Wittenberg door Luther opgenomen. Hij bracht ze onder bij vrienden. Zo is Katharina van Bora waarschijnlijk bij de beroemde schilder Lukas Cranach terecht gekomen. Luther probeerde de dames aan de man te brengen. En dat lukte goed, behalve bij Katharina. Ze had wel al een relatie gekregen met een student uit Neurenberg, maar -nadat diens vader bezwaar had gemaakt- liet die het afweten. Toen Luther daarover klaagde, moet Katharina gezegd hebben, dat zij niet in was voor een oude man (één van Luthers oudere vrienden), maar zich wel kon voorstellen met hem zelf getrouwd te zijn. Luther was sprakeloos, maar nam het voorstel met beide handen aan! Zij trouwden toen in 1525, het jaar dat de Boerenoorlog begon. Het was een heel onzekere tijd en zij waren praktisch zonder middelen. Daarom waren veel vrienden van Luther het helemaal niet eens met die trouwerij. En de Katholieke tegenstanders lachten in hun vuistje over dat schandalige huwelijk tussen een monnik en een weggelopen non.

Luther had wel een aardig salaris als theologieprofessor, maar hij gaf het ook zo weer uit aan voorbijkomende bedelaars en allerlei mensen, die op hem een beroep deden. En er waren in die tijd heel veel mensen in nood! Er viel dus in dat huishouden heel wat te “managen”. Gelukkig had Luther in Katharina een vrouw getroffen, die daartoe in staat was. Soms moest ze de twee zilveren bekers, die ze van de keurvorst gekregen had bij haar huwelijk, naar het pandjeshuis brengen om weer wat baar geld te hebben. Overigens had de keurvorst ook het jaarsalaris van Luther verdubbeld: van 200 naar 400 guldens.

Hij stelde ook een in onbruik geraakt klooster als woning ter beschikking van de Luthers. Daar moest natuurlijk veel in vernieuwd worden om het een beetje geriefelijk te maken. Met grote voortvarendheid wist Katharina deze klus en nog zo veel meer te klaren. Van het kerkhof in de kloostertuin maakte zij een kruiden- en groentetuin voor het dagelijkse gebruik. Naast die tuin was een beek met een visvijver. Die hebben ze kunnen kopen, zodat ze ook geregeld vis konden eten. Het oude klooster had een “Braurecht”, waardoor Katharina haar eigen bier ging brouwen. Op haar aanraden kocht Luther nog meer land, waarop zij veeteelt en fruitteelt ging bedrijven. Zo voorzagen zij in hun eigen onderhoud. En dat was nodig ook, want zij had veel mensen te voeden en te verzorgen. Bij Luther in huis woonden nog een tante van Katharina en een oude knecht van Luther, vier verweesde nichten, studenten en gasten en natuurlijk ook personeel. Altijd waren er wel mensen op bezoek, die Luther wilden spreken. Al met al zaten er wel zo’n 40 mensen en soms meer aan tafel. Luther zat aan het hoofd en moet veel gesproken hebben. Beroemd zijn de “tafelgesprekken”, waarin mensen hun problemen aan Luther voorlegden en hij hen antwoordde.

Samen kregen zij 6 kinderen. Heel moeilijk hadden zij het, toen hun dochter Lenchen overleed. Luther was dankbaar, dat God hem zo’n vrouw gegeven had.

Na de dood van Luther, in 1546, heeft zij nog heel wat mee moeten maken. Maar dat is een ander verhaal. In 1552 is zij gestorven.

Luther VII – Rumoerige jaren (1517-1521)

Toen er overal veel ophef kwam over de stellingen, besloot Luther een verhandeling te schrijven om een en ander nog nader uit te leggen: “Sermoen over de aflaat en de genade” (1518). Toen is de strijd pas goed begonnen.

Luther timmert de stellingen op de kerkdeurNa de bekendwording van de 95 stellingen ging er heel wat gebeuren in het toenmalige Duitsland. Luther had twee brieven met de stellingen gestuurd naar aartsbisschop Albrecht van Mainz en de bisschop van Maagdenburg, om daarmee te protesteren tegen aflaathandel van Tetzel. Toen daar geen reactie op kwam, stuurde hij de stellingen ook naar een aantal vrienden en geleerden. Buiten hem om werden de stellingen toen in verschillende steden gedrukt, in aanplakbiljetten en vlugschriften, die veel aftrek vonden. Door de zo juist uitgevonden boekdrukkunst konden ze op die manier heel snel in Duitsland verspreid worden. Uiteraard werden de stellingen toen in het Duits vertaald (ze waren eerst in het Latijn opgesteld). Tenslotte moet Luther ze op 31 oktober 1517 aan de deur van de slotkerk te Wittenberg bevestigd hebben, om daarmee een dispuut op gang te brengen. Die datum is niet helemaal zeker, maar ligt wel voor de hand, omdat het de dag is vóór Allerheiligen. En op die dag werd er in Wittenberg al jaren lang een groot aflaatfeest gehouden, waarin de slotkerk met al zijn relikwieën centraal stond. Keurvorst Frederik van Saksen deed er alles aan om dit feest te promoten, omdat hij de inkomsten daarvan goed kon gebruiken voor zijn pas gestichte universiteit.

Toen er overal veel ophef kwam over de stellingen, besloot Luther een verhandeling te schrijven om een en ander nog nader uit te leggen: “Sermoen over de aflaat en de genade” (1518). Toen is de strijd pas goed begonnen. De geestelijkheid wilde Luther aanklagen in Rome, maar de Augustijner orde waartoe Luther behoorde besloot tot een discussie op het convent van de orde in dat jaar in Heidelberg. Veel geleerden heeft hij daar van zijn standpunt weten te overtuigen. Op aanraden van de vicaris van zijn orde, Johannes von Staupitz, zend Luther een nadere uiteenzetting van zijn stellingen aan de Paus, de zogenaamde “Resolutiones”. Daar worden de stellingen als “ketters” verworpen en Luther wordt ontboden om binnen 60 dagen in Rome te verschijnen. Ook kardinaal Cajetanus, die vicaris van de Paus was op de Rijksdag (soort parlement) te Augsburg, ging zich er mee bemoeien. En de keurvorst van Saksen, die op goede voet wenste te staan met de Paus, omdat hij deze nodig had bij de ophanden zijnde keizerverkiezing. Zo werd Luther betrokken in een politiek spel! Gelukkig vond de keurvorst, die een oprecht Christen was, dat Luther maar beter niet naar Rome moest gaan. Hij schreef dienaangaande een brief naar de Paus, met het voorstel Luther in Augsburg te verhoren. Zo werd uiteindelijk besloten, dat Luther niet naar Rome hoefde, maar zijn zaak mocht verdedigen in Augsburg. Cajetanus zou hem daar verhoren. Dat gebeurde van 12 tot 14 oktober 1518. Luther hield stand en wilde zijn mening beslist niet herzien. Hij beschuldigde zelfs de rechters, dat zij slecht geïnformeerd waren. Hij kon daarna nog net op ’t nippertje uit Augsburg wegvluchten. Weer aangekomen in Wittenberg bleef Cajetanus hem achtervolgen, teneinde hem uitgeleverd te krijgen naar Rome. Gelukkig ging de keurvorst overstag en besloot hij daaraan niet mee te werken. Eerst moesten geleerden maar eens bewijzen, dat Luther een ketter was, zo zei hij.

Op 12 januari 1519 sterft keizer Maximiliaan. Er moest een nieuwe keizer gekozen worden, wat veel voeten in de aarde had. Op 28 juni valt de beslissing ten gunste van Karel V, de kleinzoon van Maximiliaan. Ondertussen vond er in Leipzig een dispuut plaats tussen prof. Andreas Karlstadt, een Wittenberger collega van Luther, en prof. Johannes Eck uit Ingolstadt, een pauselijk theoloog. Ook Luther is daarbij aanwezig. Zij spraken over het gezag van de paus, die de bevoegdheid had aflaten in te stellen. Karlstadt was niet opgewassen tegen de slimme Eck, waardoor Luther zelf moest ingrijpen. Eck haalde het concilie van Konstanz aan, waarop Johannes Hus, de reformator uit Tsjechië, was veroordeeld. Luther vond dat heel onterecht, omdat Hus goede Bijbelse standpunten had. Zo kwam het gesprek op het gezag van de Bijbel, en die stelde Luther boven het gezag van de paus. In dat jaar, 1520, zagen nog verschillende geschriften van Luther het licht. Zoals “Sermoen van de goede werken” en “An den Christlichen Adels deuyscher Nation von des Christlichen Standes Besserung”. Luther pleit daarin voor een “vrij” concilie, georganiseerd door de overheid en niet meer door de geestelijkheid. Hij ging hiervoor uit van het “algemeen priesterschap van de gelovigen”, waardoor ook de overheid zeggenschap had over geestelijke zaken. Luther verdiepte zich steeds meer en meer in de grondteksten van de Bijbel, Hebreeuws en Grieks, waarmee hij ook veel humanisten (zoals Erasmus en Melanchton) op zijn hand kreeg.

Toen vaardigde de paus de bul “Exsurge domine” uit, waarmee Luther in de kerkelijke ban werd gedaan (15 juni 1520), tenzij hij zich binnen 60 dagen van zijn dwaalweg bekeerde en zich onderwierp aan het pauselijke gezag. Luther antwoordde met het geschrift “Aan de Christelijke adel der Duitse natie”. De keizer koos nu ook partij en veroordeelde de leer van Luther als ketterij. Luthers boeken werden in Leuven en Leuk in ’t openbaar verbrand. Hierop antwoordde Luther met “over de Babylonische gevangenschap” en hij liet de pauselijke bul officieel verbranden. Bovendien gaf hij een nieuw verweerschrift uit: “Over de vrijheid van een Christenmens”. Hij roept daarmee de keizer, vorsten en steden op om zich bij hem aan te sluiten.

In het begin van 1521 zal de rijksdag in Worms plaatsvinden. Luther heeft het voornemen daarheen te gaan om zijn zaak te verdedigen. Veel van zijn vrienden vreesden het ergste, maar Luther bleef onvermurwbaar. Op 3 januari kwam er een nieuw bul uit Rome: “decet romanus pontifex”, waarmee opnieuw de banvloek over Luther werd uitgesproken. Toen even later de rijksdag werd geopend, werd direct de vraag gesteld of het zinnig was Luther naar de rijksdag op te roepen. De geestelijkheid was hier fel tegen, maar de Stände (adel en steden) waren voor, zodat de keizer de knoop doorhakte en Luther uitnodigde.

Op 16 april rijdt Luther de stad binnen. Direct daarna werd hij gehoord. Al gauw bleek, dat het niet ging om hoor en wederhoor, maar uitsluitend om de vraag of Luther wilde herroepen. Dat weigert hij. Beroemd zijn de woorden: “Hier sta ik, ik kan niet anders”.

Toen viel ook het burgerlijke doek voor Luther. De keizer tekent de rijksban. Luther was toen vogelvrij, maar vrienden ontvoerden hem naar de Wartburg bij Eisenach, waar hij een jaar lang verbleef als Jonker Jörg en het Nieuwe Testament in het Duits heeft vertaald.

Luther VI – Het humanisme

Erasmus is niet meegegaan met de Reformatie. Hij vond het optreden van Luther veel te drastisch. Hij heeft nog wel geprobeerd te bemiddelen, maar tenslotte kon hij zich toch niet van de oude kerk losmaken. Veel van zijn gedachtegoed vinden we wel bij Luther terug. Wat Erasmus bijvoorbeeld zegt over het wezen van de Heilige Schrift, over haar betekenis voor het tijdelijke en eeuwige leven, is echt Luthers.

Erasmus door Hans Holbein de JongereIn de tijd van Luther werd de theologie beheerst door het zogenaamde Thomisme. Daarmee wordt de leer van Thomas van Aquino bedoeld.

Thomas is geboren in 1224 op een landgoed bij Napels. Hij is nauwelijks 50 jaar geworden. Het grootste deel van zijn leven heeft hij gewoond in Parijs, waar hij theologie professor was aan de universiteit. In die tijd werd theologie pas een echte wetenschap, en Parijs gold als het centrum van wetenschapsbeoefening. Door de vele geschriften van zijn hand kreeg Thomas al spoedig grote vermaardheid. In zijn theologie ging hij terug tot Aristoteles, de beroemde Griekse filosoof uit de oudheid. De werken van Aristoteles waren nog niet zo lang bekend. Het was een gunstig gevolg van de gevoerde oorlogen met de Arabieren. Thomas heeft Aristoteles uit het Arabisch vertaald en voor onze wereld toegankelijk gemaakt. Hierdoor is zijn gedachtegoed opgenomen in het Christelijke denken. Waar hebben we het dan over? Over filosofie en natuurkunde, wiskunde en astronomie. Het gaat dus merendeels over “exacte” vakken . De denkwijze die daarvoor nodig is brengt Thomas over op de theologie. Hierdoor wordt alles benoembaar en inpasbaar in één groot systeem. Dat noemen we het Thomisme.

Maar er kwam al gauw weerstand tegen zo’n perfect afgerond systeem. In Engeland waren twee geleerden: Duns Scotus en Willem van Ockham, die het er niet mee eens waren. Ze zeiden, dat je toch niet alles kunt inpassen in een groot systeem van onbetwijfelbare waarheden. Je kunt ook niet op alle vragen een antwoord hebben. Thomas ging er nog van uit, dat je met je verstand alle geloofsvragen kon oplossen. De Angelsaksische geleerden noemden als voorbeeld “God”. Je kunt toch niet meer van God zeggen dan wat ons door Hem geopenbaard is?

Daarna kwam er een stroming op, die wij “Humanisme” noemen. Ook de humanisten gingen terug tot het “oude denken”, met name tot Socrates (4e eeuw v.C.). De zintuiglijke waarneming speelde een grote rol: alleen wat je kon zien, was waar. Vertrouwen op je eigen verstand is belangrijker dan geloof in goden of God. De klemtoon kwam te liggen op de waardigheid van de mens, zijn vorming en ontwikkeling, menselijke zelfontplooiing en het belang van het individu. Humanisten ware wars van dogma’s, door de kerk opgelegde “waarheden” en potjeslatijn. Zij gingen terug tot de bronnen: het oude Grieks!

Erasmus, de meeste bekende humanist uit de tijd van Luther, heeft niet persoonlijk aan de Reformatie meegewerkt, maar wel zijdelings door veel kritiek te geven op de paus en de kerkelijke wantoestanden. Hij schreef daartoe een boekje, “Lof der zotheid”, waarin hij een opgevoerde persoon, “Zotheid” genaamd alle punten van kritiek liet opsommen, die hij natuurlijk zelf niet zo maar mocht uiten. Belangrijker nog was, dat hij het Nieuwe Testament heeft uitgegeven in het oorspronkelijk Grieks. Hij had het oude Grieks geleerd en beschikte over een zestal oude Griekse handschriften. Van daaruit heeft hij het Nieuwe Testament opnieuw vertaald en daarbij aangetoond, dat de Vulgaatvertaling (de oude Latijnse vertaling die men in de kerk gebruikte) op bepaalde punten onjuist was. Zijn vertaling heeft de naam gekregen van “textus receptus”. Hij kwam klaar in 1516. Luther heeft die vertaling mooi kunnen gebruiken voor zijn vertaling naar het Duits, in 1521.

Erasmus is niet meegegaan met de Reformatie. Hij vond het optreden van Luther veel te drastisch. Hij heeft nog wel geprobeerd te bemiddelen, maar tenslotte kon hij zich toch niet van de oude kerk losmaken. Veel van zijn gedachtegoed vinden we wel bij Luther terug. Wat Erasmus bijvoorbeeld zegt over het wezen van de Heilige Schrift, over haar betekenis voor het tijdelijke en eeuwige leven, is echt Luthers.

Al met al, kun je zeggen, was ook het geestelijke klimaat rijp voor wat “anders”. De “waarden”, die eeuwen lang stand hadden gehouden, begonnen aan alle kan- ten te wankelen. Het tijdperk van de “verlichting” was op komst. Het individu kreeg het voor ’t zeggen. Machtige instituten als de kerk en het keizerdom en de ridderstanden hadden afgedaan. De uitvinding van de boekdrukkunst maakte ook nog veel nieuwe gedachten toegankelijk voor het gewone volk. Men kon zelf gaan lezen, wat er in de Bijbel staat!

Luther V – Het politiek klimaat

De pausen gedroegen zich meer als wereldlijke heersers dan als geestelijke leidslieden. Eén voordeel is, dat zij wel vaak veel oog hadden voor mooie kunst. Daardoor werden beroemde kunstenaars aan het werk gehouden en kunnen we nu nog genieten van hun kunstwerken.

Karel V (1500-1558). Onbekende schilder. Gebasseerd op een portret van Jan Cornelisz. Vermeyen. Rijksmuseum Amsterdam.Je zou kunnen zeggen, dat Luther leefde op een keerpunt van twee wereldbeelden: het oude middeleeuwse en het nieuwe tijdperk van humanisme en renaissance. In de “oude tijd” waren kerk en wereld een eenheid, bijeengehouden door de hogere “standen”, de vorsten en adel en de geestelijke hoogwaardigheidsbekleders: paus, kardinalen en bisschoppen. Het “gewone volk” had eigenlijk niets te vertellen. Dit wordt wel anders na de opkomst van de steden. Het begon in Italië, in de veertiende en vijftiende eeuw. De steden werden machtiger en machtiger en groeiden uit tot stadsstaten, die onderling de hegemonie bevochten. De Paus stond daar eigenlijk buiten. De steden werden gedomineerd door magistraten en gilden. Met de ridderschap was het ook afgedaan. In Duitsland is de oude structuur van aparte vorstendommen nog langer blijven bestaan. In de tijd van Luther waren er tal van zulke aparte staatjes. Dit “heilige roomse rijk der Duitse natie”, zoals het wel genoemd werd, is na de Napoleontische tijd ten onder gegaan. Eigenlijk heeft de Duitse eenheid pas na de eerste wereldoorlog gestalte gekregen. Wie postzegels verzamelt van Duitsland weet hoeveel albums je dan nodig hebt, al die aparte staatjes gaven eigen postzegels uit.

Luther woonde in het land van de keurvorst Frederik van Saksen, bijgenaamd “Frederik de Wijze”. Dat was toen een machtige staat, die tot bloei kwam door een wijs beleid van de keurvorst. Frederik zag zijn functie als een goddelijk ambt, van God Zelf verkregen. Het ging hem dus niet om macht en materieel gewin, maar om vrede en recht in zijn gebied. Daardoor heeft hij ook Luther in bescherming genomen, om hem recht te doen.

Maar ook in Duitsland kregen de steden steeds meer te zeggen. Officieel werd het grote Duitse gebied bijeengehouden door de leiding van een keizer, die gekozen werd door de keurvorsten. In Luther’s tijd was dat Maximiliaan uit het geslacht der Habsburgers (1459-1519), maar die werd door ziekte steeds minder bekwaam om aan het keizerrijk leiding te geven. Toen hij in 1518 overleed moest er een andere keizer gekozen worden. De paus had daarbij ook een stem in het kapittel. Frederik van Saksen was een goede kandidaat, maar de keurvorsten kozen tenslotte voor Karel I, de kleinzoon van Maxilimilaan. Hij was nog erg jong (in 1500 geboren), maar sinds 1516 koning van Spanje. Zijn vader, Filips de Schone was jong gestorven (1478-1506). Zijn moeder was “waanzinnig” en is de geschiedenis in gegaan als Johanna de Waanzinnige (1479-1555). De jonge Karel werd opgevoed door een Nederlandse leraar, die later als paus Adrianus VI nog geschiedenis zou maken.

Keizer en paus leken twee antipolen, maar zij hielden elkaar toch in stand. Karel was diep overtuigd van zijn “goddelijke roeping”. Hij ging er van uit, dat de keizer het hoogste wereldlijke ambt in de Christenheid bekleedde en daarom ook voor die Christenheid en dus voor de kerk een zware verantwoordelijkheid droeg. Hij regeerde over het hele toenmalige Europa, een droom die later ook Hitler probeerde waar te maken. Hij regeerde zelfs over de hele wereld. Bekend zijn zijn woorden, dat in zijn rijk de zon niet onderging! En dat was waar, want nog niet zo lang geleden had Columbus Amerika ontdekt en inmiddels waren er tonnen Amerikaans goud naar Spanje gevloeid.

Toch werd er ook van enkele kanten aan zijn troon gerukt. Ik bedoel: de opkomst van de nationale staten Frankrijk en Engeland. Daar had Karel, die na de kroning in Aken in 1520 de naam van Karel V had aangenomen, concurrentie gekregen van Frans I en Hendrik VIII. Ook had hij het moeilijk met de Mohammedaanse zeeroversstaten in Noord-Afrika en de Turkse sultan Suliman I, die regeerde van 1520-1566. Menige oorlog moest worden uitgevochten.

De geestelijke wereld stond in deze tijd ook herhaaldelijk op z’n voegen te trillen. De pausen gedroegen zich meer als wereldlijke heersers dan als geestelijke leidslieden. Eén voordeel is, dat zij wel vaak veel oog hadden voor mooie kunst. Daardoor werden beroemde kunstenaars aan het werk gehouden en kunnen we nu nog genieten van hun kunstwerken. Deze pausen worden ook wel “renaissance”-pausen genoemd, omdat in hun tijd de terugkeer naar de oude Grieks-Romeinse vormen werd nagestreefd. Het is een lust om nóg een kijkje te nemen in de Sixtijnse kapel te Rome of in de St. Pieter en in Florence en Siëna en Pisa en zo kan ik nog wel tientallen prachtig bewaarde steden noemen! Verschillende pausen stamden uit het geslacht Borgia. Daarna kwamen  vertegenwoordigers van het geslacht der Medici, het beroemde bankiersgeslacht. In Luthers tijd waren dat Julius II , Leo X en Clemens VII. Tusen hen in stond een Nederlander, Adrianus VI. Hoe wereldlijk de andere zich gedroegen, zó geestelijk was deze sympathieke man. Op de rijksdag in Neurenberg begon deze paus met een oprechte schuldbelijdenis voor de fouten, die de kerk gemaakt had. Jammer dat hij maar zo’n korte tijd de regie in handen heeft gehad. Wie weet hoe het anders gelopen had?

Luther IV – Gevolgen van de stellingen

Ook in Rome had men natuurlijk al lang over die professor uit Wittenberg gehoord, die zo veel kritiek had op de aflaatverkoop. En de paus, Leo X, kan dat zeker niet zo maar laten gebeuren. Daar moest een onderzoek komen. Het beste zou zijn om Luther zelf naar Rome te laten komen, dan konden ze hem daar als ketter veroordelen. En dan zou het kwaad in de kiem gesmoord zijn!

Ook in Rome had men natuurlijk al lang over die professor uit Wittenberg gehoord, die zo veel kritiek had op de aflaatverkoop. En de paus, Leo X, kan dat zeker niet zo maar laten gebeuren. Daar moest een onderzoek komen. Het beste zou zijn om Luther zelf naar Rome te laten komen, dan konden ze hem daar als ketter veroordelen. En dan zou het kwaad in de kiem gesmoord zijn! Maar zo ver kwam het niet, door ingrijpen van Frederik de Wijze, de keurvorst van Sachsen, waartoe Wittenberg behoorde. Deze zag niet graag één van zijn beste professoren uit de pas opgerichte universiteit in Wittenberg verdwijnen. Hij pleitte dus voor hem en verzocht het verhoor af te nemen op de rijksdag in Augsburg, waar in 1518 een nieuwe keizer gekozen zou worden. De zeven keurvorsten hadden in die keizer-keuze een belangrijke stem. Bovendien zag de paus in Frederik de Wijze ook best een nieuwe keizer. Daarom was hij hem ter wille en werd Luther naar Augsburg ontboden.

Daar, in Augsburg, werd hij begroet door kardinaal Cajetanus, een man doorkneed in het kerkelijke recht. Deze disputeerde met Luther en probeerde hem tot andere inzichten te brengen, maar Luther verzette zich en beriep zich steeds weer op de Bijbel. Omdat zijn vrienden bang waren, dat Luther gevangen genomen zou worden, hebben zij hem in het holst van de nacht van zijn bed gelicht en ontvoerd terug naar Wittenberg. De strijd laaide weer in alle hevigheid op, toen prof. Johannes Eck 13 stellingen publiceerde, waarmee hij Luther aanviel. Er kwam zelfs een openbaar debat tussen die twee, in Leipzig (1519). Eerst ging het debat tussen Andreas Karlstadt, een medestander van Luther en Johannes Eck, een pauselijke theoloog. Zij spraken over het gezang van de paus, waarmee de aflaathandel werd verdedigd. Toen Karlstadt het tegen Eck moest afleggen, nam Luther zelf diens plaats in. Luther beriep zich nog op Johannus Hus, de beroemde reformator uit Tsjechië, waarop Eck hem tegenwierp dat Hus door het concilie van Konstanz ter dood was veroordeeld. Toen Luther daarop zei, dat ook concilies zich kunnen vergissen, net als de paus, kon hij geen goed meer doen. Hij werd voor ketter uitgemaakt. Maar Luther was onwankelbaar, hij beriep zich steeds weer opnieuw op de Heilige Schrift, wat Hus een eeuw geleden ook al gedaan had. Toen de paus er van hoorde, vaardigde hij in 1520 een bul uit, waarin 41 stellingen van Luther werden veroordeeld als ketterij. En iedereen, die deze leer zou aanhangen, zou met de banvloek getroffen worden. Luther reageerde hierop door die bul in het openbaar te verbranden.

Daarna werd Luther nog ontboden door Karel V op de eerste rijksdag te Worms (in 1521). Toen hij weer niet zijn leer herriep, werd hij ook nog getroffen door de rijksban. Hij werd daarmee vogelvrij verklaard. Zijn vrienden ontvoerden hem toen opnieuw en brachten hem naar de Wartburg, waar hij twee jaren verbleef en de (Latijnse) Bijbel vertaalde in het Duits.

Al in Erfurt (1501-1505) was hij begonnen met Bijbelstudie. Hij vond daar in de bibliotheek een complete Bijbel. Dat was voor die tijd best iets bijzonders, want men was gewend aan bepaalde uitgezocht tekstlezingen in de liturgie. Maar nu zag Luther, dat er zo veel meer stond in de Bijbel. Het gewone volk bezat toen nog helemaal niet een volledige Bijbel. De Bijbel in de universiteitsbieb lag dan ook aan een ketting, om hem voor diefstal te vrijwaren! Later, in het klooster te Wittenberg, probeerde hij ook zo veel mogelijk de Bijbel te lezen. Doordat de Psalmen gebruikt werden in de dagelijkse gebeden, kende hij deze al spoedig uit het hoofd. De aanmoediging van de prior, Johannes von Staupitz, bracht hem er toe serieus te gaan studeren. Daardoor kon hij in 1512 promoveren tot doctor in de theologie en het professoraat van Bijbelwetenschap van Staupitz overnemen.

Vanuit zijn Bijbelkennis heeft hij in de moeilijke jaren na 1517 verschillende traktaten geschreven om de mensen te bemoedigen en de ogen te openen. Tenslotte kon hij het gewone volk ook in hun eigen taal de Bijbel te lezen geven. Bekend is, dat hij hiermee zeker ook een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan de vorming van de Duitse taal.

Luther III – Wittenberg

Tetzel vertelde de mensen, dat een “aflaat” niet alleen vrijspraak van de kerkelijke straf (de boetedoening) betekende, maar zelfs vergeving van al hun zonden. Dit ging in tegen de kerkelijke regels. Luther merkte dit al gauw, want de mensen, die bij hem kwamen biechten wilden geen boete meer doen en hadden ook helemaal geen berouw meer over hun zonden. Ze hadden immers een aflaat!

U hebt hier kunnen lezen, hoe Luthers leer zich ontwikkeld heeft. Vanuit zijn persoonlijke bekering probeerde hij ook de hem toevertrouwde Gemeente tot Christus te leiden. En op de Universiteit in Wittenberg bracht hij de studenten op de hoogte van zijn nieuw verworven gedachtegoed. Aan belangstelling ontbrak ’t hem niet, want hij was een begenadigd spreker. Vooral zijn colleges over de Psalmen waren zeer geliefd. Hij oefende in die jaren nog niet direct kritiek uit op de kerk, omdat hij het als zijn roeping zag die kerk van binnenuit te vernieuwen. Zijns inziens was de kerk te veel een instituut op zich zelf geworden, allemaal mensenwerk. Het moest weer een door de Heilige Geest geleide beweging worden! Hoe zeer dat nodig was, zou spoedig blijken! In de aflaatkwestie van 1517, die Luther aanleiding heeft gegeven tot het schrijven van zijn 95 stellingen. Hij had hierover al een brief geschreven aan de hoogste kerkelijke autoriteit in Duitsland, aartsbisschop en keurvorst Albrecht von Mainz.

Mensen hadden er al van gehoord en hadden deze “Thesen” her en der verspreid in heel Duitsland, buiten weten van Luther om. Tenslotte had hij ze maar als een soort uitnodiging tot discussie gespijkerd aan de deur van de slotkerk in Wittenberg (op 31 oktober 1517). Dan kon iedereen ze lezen.

Wat was er aan de hand met die aflaat-verkoop? De aflaat heeft te maken met het Rooms-katholieke boetesacrament. Het is een onderdeel van de biecht. Het boetesacrament bestaat van de menselijke kant uit drie delen: 1. berouw 2. belijdenis van de zonden en 3. de goede werken om het weer goed te maken. Van Gods kant komt dan de vergeving van de zonden, de absolutie van de priester. De aflaat hoort nu tot het laatste. Bij elke biecht krijgt de boeteling een straf mee om het weer goed te maken. Meestal zijn het een gebed doen of aalmoezen geven. Vroeger moest je soms een pelgrimstocht maken. Men ging er van uit, dat Gods vergeving niet voor niets was. Daar moest je als mens ook wat tegenover stellen. Later werden ook de straffen in het vagevuur zó gezien, als boetestraffen. Het gewone volk was erg bang voor die straffen. Geen wonder dus dat men daar graag van af wilde. En zó werd de mogelijkheid van een aflaat gegeven. Je kon zo’n straf daarmee als ’t ware afkopen. Door zo’n aflaat kreeg je iets mee uit de “schat van de kerk”, door Christus aan de kerk geschonken en waarover de paus nu beschikte.

Zo’n aflaat werd bij bepaalde gebeurtenissen ingesteld. In Luthers tijd was dat de bouw van de St. Pieter in Rome. Daar was veel geld voor nodig. Daarom schreef paus Leo X in 1515 een aflaat uit, die door de bisschoppen en bestuurders van een land moest worden georganiseerd. Frederik de Wijze, de koning van het gebied waar Luther woonde, Kursachsen, had daar niet veel zin in. Het zou immers veel geld uit zijn gebied onttrekken, geld wat hij zelf dringend nodig had. Maar de nieuwe en nog jonge keurvorst Albrecht van Mainz moest wel meedoen, want hij had voor zijn positie veel geld moeten betalen (je kocht in die tijd als ’t ware een bisdom!), dat hij nu in een deal met de paus terug kon verdienen. Hij had een schuld van 29000 goudguldens. De paus stelde voor die geweldige som gelds samen te delen, mits de keurvorst in zijn bisdommen meedeed met het verkopen van de aflaten voor de St. Pieter.

De verkoop van de aflaten werd in het gebied van Wittenberg in handen gegeven van een geroutineerde standwerker, Johann Tetzel. Hij was al vanaf 1516 bezig, onder grote toeloop van het volk. Tetzel vertelde de mensen, dat zij niet alleen vrijspraak kregen van de kerkelijke straf (de boetedoening), maar zelfs vergeving van al hun zonden. Hij maakte het nog bonter door ook hun ouders en grootouders er bij te halen. Die kregen door de aflaat ook vergeving van al hun zonden. Dit ging in tegen de kerkelijke regels. Luther merkte dit al gauw, want de mensen, die bij hem kwamen biechten wilden geen boete meer doen en hadden ook helemaal geen berouw meer over hun zonden. Ze hadden immers een aflaat! Voor een man als Luther kon dit natuurlijk niet bestaan. Hij had zelf zo veel moeite gedaan om zondevergeving te verkrijgen! Op zo’n manier werd de genade van God tot een commercieel gebeuren. Dat kon toch niet bestaan. Hij ging er dus al in 1516 over preken om de mensen te waarschuwen. Zo kwam hij ook in het jaar daarop tot zijn 95 Thesen “Over de kracht van de aflaat”. Hij wilde daarmee de waarheid aan het licht brengen. Het was hem vooral te doen om een juist verstaan van het boete doen. Al in de eerste stelling wijst hij op de aanmoediging van Jezus om boete te doen. Luther verstaat boetedoening in Bijbelse zin als “ommekeer, bekering”. Hij zegt het zó: “Lehren muss man die Christen: Wer dem Armen gibt oder dem Bedürftigen leiht, tut besser, als wenn er Ablass löst.” Een mens, die de noodlijdende helpt, kan putten uit de schat van het Evangelie. Die krijgt genade om niet! De schat van het heilige Evangelie van de eer en genade van God is meer dan al de schatten van de kerk!

Luther wilde met zijn stellingen een discussie op gang brengen om tot de ware kerk te komen. Hij zelf had niet kunnen bevroeden, dat daar zo’n commotie uit ontstond, in heel Duitsland. Want deze 95 stellingen gingen al spoedig rond in alle Duitse landen. Dank zij de pas uitgevonden boekdrukkunst! Daardoor is een
geweldige beweging op gang gebracht.

Luther II – Genade van God

Hoe komt Luther er toe de Heilige Schrift als enige autoriteit voor het geloof en de kerk te beschouwen? Omdat hij door Bijbelstudie zijn persoonlijke heil ervaren heeft, toen hij antwoord kreeg op de prangende vraag die hem jaren lang bezig hield: Hoe krijg ik een genadige God? Antwoord uit de Bijbel: Door te geloven in Jezus Christus en Die gekruisigd!

Het klooster in Erfurt waar Luther verbleefMaarten Luther deed in het klooster van Erfurt alles, wat van een monnik werd verlangd. Hij dacht daarmee de “gerechtigheid” van God te bereiken . In al die voorbeeldigheid werd hij al spoedig tot het priesterambt toegelaten(1507). Hij mocht ook veel studeren. Al gauw zien we hem ook al filosofische colleges geven. Hij was een knappe kop en werd door al zijn mede-broeders geëerd. In 1511 werd hij met een bijzondere opdracht namens het klooster naar Rome gestuurd. Veel kerkgebouwen heeft hij daar bezocht, maar de paus zelf heeft hij niet mogen ontmoeten. De prior van het klooster, Johannes von Staupitz, moedigde hem aan theologie te gaan studeren, Dat deed hij en al spoedig werd hem een professoraat in Wittenberg aangeboden. Hij werd daar ook met de prediking en zielzorg in de stadskerk belast en tenslotte ook tot districtsvicaris over elf kloosters beroepen. Hij was dus een druk bezet en veel gevraagd man. Eigenlijk rusteloos, want wat hij zocht vond hij niet: de genade van God. Hij wilde het allemaal nog te veel zelf doen. Hij dacht ook, dat het zó moest! Gelukkig had hij iemand naast zich, die hem een andere weg wees: de weg van Christus, de weg van Zijn kruis. Door de jonge Maarten aan te moedigen theologie te gaan studeren, bracht Von Staupitz hem in aanraking met de Heilige Schrift en met name met de Psalmen. Daar vond hij de werkelijke “gerechtigheid” van God, namelijk dat God genadig en barmhartig is en de zonden vergeeft. Niet de toornige en straffende God. zoals hij God voordien altijd gezien had. Vooral van Paulus, in de Romeinenbrief, heeft hij geleerd, dat het niet de prestatie van de mens is om gerechtigheid te vinden bij God, maar uitsluitend genade en niets dan genade!

Hoe komt Luther er toe de Heilige Schrift als enige autoriteit voor het geloof en de kerk te beschouwen? Omdat hij door Bijbelstudie zijn persoonlijke heil ervaren heeft, toen hij antwoord kreeg op de prangende vraag die hem jaren lang bezig hield: Hoe krijg ik een genadige God? Antwoord uit de Bijbel: Door te geloven in Jezus Christus en Die gekruisigd!

Dor zijn Schriftstudie heeft Luther ook nieuw zicht op God mogen ontvangen. Dat God met Zijn liefdewil gericht is op de verlossing van zondige mensen. En dat Hij dat geëffectueerd heeft in Jezus Christus, langs de weg van het kruis. Hij volgt hierin helemaal de apostel Paulus met zijn kruistheologie. “Een vaste burg is onze God, een toevlucht voor de Zijnen”, zó klinken de beginregels van Luthers strijdlied. Daarmee wordt het centrum van Luthers geloof weergegeven: Dat God waarachtig is en getrouw, en dat Hij met zekerheid Zijn plan met mens en wereld volbrengt. Hoe komt Luther aan deze zekerheid? De openbaring in de Bijbel leert hem dat. Het Woord van God zegt hem dit. Zonder dit Woord zou hij het nooit geweten hebben! Daarom hangt hij zo aan dit Woord: zonder dit Woord is er geen werkelijk leven in de mens. Het is Gods kracht zelf en dus bron van alle menselijke kracht. Dat de mens deze kracht nodig heeft, maakt Luther duidelijk door zijn gedachten over de zonde: het radicale kwaad in de wil van ieder mens. Hij treedt hier in het spoor van Augustinus. Er kan geen sprake zijn van enige verdienste bij de mens, die hem op Gods genade kan voorbereiden. Dat kan alleen het Woord, en het Woord doet dat door de kracht van het geloof in Jezus Christus.

Hier komen we bij de kern van Luthers geloofsvisie: zijn genade- en rechtvaardigingsleer. God verlost de mens van zonde , schuld en dood, door zijn zonden te vergeven en hem zo te “rechtvaardigen”. Het is een “iustificatio imputativa”, een toegerekende gerechtigheid. Waarom toegerekend? Omdat God het de zondige mens “toerekent” ter wille van het volbrachte werk van Christus. De Heiland heeft aan Gods gerechtigheid voldaan voor iedereen, die in Hem gelooft. De mens wordt dan rechtvaardig verklaard doordat God hem ter wille van Christus de zonden vergeeft. Het is een “aliëna iustitia”, de gerechtigheid van iemand anders, van Christus, die de mens toevalt. “Nihil iustificat nisi sola fides Christi”  (Niets rechtvaardigt behalve het geloof in Christus). “Iustus ex fide vivet” (de rechtvaardige leeft uit het geloof).  Maar de grondslag van dat alles is de genade van God: “Gratia sola iustificat” (de genade alleen maakt een mens rechtvaardig voor God!). God is daarbij niet afhankelijk van de mens, hoe goed die het ook doet. De mens kan met niets de hemel verdienen! Hij moet alleen maar geloven en dankbaar Gods genade ontvangen. Hij kan daarbij ook vast vertrouwen op de waarheid van Gods beloften. Geloven is dan ook een persoonlijke verhouding tot God, met ethische consequenties. “Sola fide, sola gratia, sola scriptura!” Dit moet de kerk aan de mensen leren , want de kerk is de in het geloof bijeengebrachte gemeenschap, waarin de liefde tot elkaar gepraktiseerd wordt.

Luther I – Monnik

Luther studeerde aan de universiteit van Erfurt. Hij was geleerd in de rechten (magister artium) en ging een mooie toekomst tegemoet. Maar opeens besloot hij in de orde van de Augustijner Eremieten te worden opgenomen. Waarom doet een mens zo iets? Waarom deed Luther dat, tegen de wil van zijn vader en al zijn vrienden?

LutherVijf honderd jaar geleden zat Luther in een klooster te Erfurt. Hij worstelde met veel problemen. Vooral de vraag, hoe een mens de genade van God kan ontvangen, hield hem bezig. Hij was monnik geworden, omdat dit in de Middeleeuwen als de koninklijke weg gold om in de hemel te komen. Dat was in het jaar 1505 gebeurd. Hij studeerde toen aan de universiteit van Erfurt. Hij was geleerd in de rechten (magister artium) en ging een mooie toekomst tegemoet. Maar opeens besloot hij in de orde van de Augustijner Eremieten te worden opgenomen. Waarom doet een mens zo iets? Waarom deed Luther dat, tegen de wil van zijn vader en al zijn vrienden?

Later heeft hij daarover verteld in één van zijn befaamde “tafel-gesprekken”. Hij was bang voor de dood, waarmee hij al verschillende keren te maken had gehad. In zijn tijd stond de dood midden in het leven. Niet alleen oudere mensen gingen dood, maar vooral ook kinderen. De gemiddelde leeftijd lag toen ongeveer op 35 á 40 jaar. Het verhaal wil, dat Luther eens onderweg naar Erfurt door een bliksemstraal zó geschrokken was, dat hij uitriep: “Heilige Anna, help, ik wil monnik worden!” Toen is hij het klooster ingegaan, in Erfurt. “Niemals dachte ich das Kloster zu verlassen. Ich war der Welt ganz abgestorben.”

Op zich zelf is de doodsangst bij Luther te verklaren uit het algemene gevoel, waarin de mensen toen leefden. Men was er niet gerust op, hoe het leven ná de dood zou zijn. Boven de portalen van alle Middeleeuwse kerken zie je nog het “laatste oordeel” afgebeeld. Christus zit in het midden op de rechterstoel en de mensen, die het goed gedaan hebben, gaan naar rechts, de hemel in, maar de mensen, die om hun zonden veroordeeld zijn tot de hel, gaan naar links het vagevuur in. Met de meest mogelijke verschrikkingen wordt dat laatst afgebeeld. Geen wonder, dat de mensen daar bang voor waren! De mensen waren dus erg bezorgd voor hun zielenheil. Wat zij daarvoor nodig hadden was door de sacramenten van de kerk te verkrijgen. Christus Zelf bleef daarbij eigenlijk ver weg. Tussen de mens en Christus was eerst Maria geschoven en later ook nog de moeder van Maria, moeder Anna. Tot deze Anna bad dus Luther in die schrikwekkende nacht.

Luther had het gevoel, als rechtenstudent van 21 jaar, dat hij er beslist nog niet “was”. God moest hem wel veroordelen! Daarom trad hij het klooster in. Om van daaruit goede werken te doen. Want dat was erg belangrijk! De mens is immers een zondig wezen, maar kan door goede werken de gerechtigheid van God “verdienen”. De gedachten over de zonde van de mens en de genade van God waren door de eeuwen heen overgeleverd en afkomstig van Augustinus, een bisschop die in de vierde eeuw leefde. Augustinus had geleerd, dat Adam goed was geschapen, maar door de zonde de gemeenschap met God had verloren. Daardoor was hij slaaf van zijn eigen zonde geworden en ten dode opgeschreven, niet meer in staat tot eng goed. In Adam hebben alle nakomelingen gezondigd, volgens een onjuiste weergave van Rom.5, 12: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnen gekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.” Augustinus haalt hier uit, dat alle mensen in Adam gezondigd hebben. Ieder mens is daardoor met de erfzonde belast, waardoor de hele wereld een “massa perditionis” (een poel van verderf) is geworden. De mens heeft nog wel een vrije wil, maar die is waardeloos zonder de genade van God, God schenkt wel Zijn genade, maar niet aan iedereen. Er zijn maar weinig mensen daarvoor uitverkoren. Dat zijn de “praedestinati ad gratiam”, de rest is “damnatione preaedesinati” (uitverkoren tot de vervloeking). In deze leer is ook Luther groot gebracht. Het is daarom ook geen wonder, dat hij zwaar tilde aan het leven!

Nadat Luther in 1505 tot Magister Artium was gepromoveerd en in het klooster was toegetreden, werd hij in 1507 tot priester gewijd, waarna hij begon aan zijn eigenlijke theologische studie. Bijbelstudie had beslist zijn voorliefde. Hij bestudeerde de Schrift met grote nauwgezetheid. Daarnaast hadden ook toenmalig bekende theologen en vooral ook Augustinus zijn aandacht. Er is één theoloog, die hem bijzonder inspireerde: Wilhelm von Occam. Dat was een Engelse Franciscaner monnik, later hoogleraar in Parijs (+1347). Hij was de meeste briljante vertegenwoordiger van de nieuwe richting, die men ook wel “via moderna” (de moderne weg) noemde. Zij waren in die zin “modern”, omdat men niets meer wilde weten van de klassieke opvatting van Thomas van Aquino, die had geleerd dat in de natuur God te vinden was. Verstand en goddelijke openbaring horen bij elkaar, zij vormen samen een harmonisch geheel. We spreken daarom van een “natuurlijke theologie”. Wetenschap en geloof zijn op elkaar betrokken, natuur en boven-natuur, onderbouw en bovenbouw, God en mens, Schepper en schepsel. De mens kan op die manier met natuurlijke middelen tot geloof worde gebracht. Het “bovennatuurlijke” was zodoende voorwerp geworden van rationeel inzicht. De “modernen” moesten hiervan niets hebben! En ook Luther vond dit maar niets. Occam leerde, dat uitsluitend de goddelijke openbaring tot het geloof kon brengen. Niet de natuur en het verstand waren bepalend voor het geloof, maar alleen de goddelijke openbaring in de Heilige Schrift. Alles is afhankelijk van Gods genade en liefde, die alle verstand te boven gaat! Maar een mens kan wel op die genade rekenen, als hij goede werken doet, zoals aalmoezen geven, pelgrimstochten ondernemen, relikwieën vereren, de rozenkrans bidden, de vasten houden enzovoort. Heel belangrijk was ook, dat je het klooster in ging om daar alleen voor God te leven. Als monnik sloot je je af van de “boze” wereld en deed je als vanzelf nog meer goede werken, zoals waken, vasten, armoede lijden, zwijgen, zich verootmoedigen, bedelen, zeven maal daags het urengebed bidden, slapen in het doodshemd, in het klooster als ’t waren begraven zijn. Luther heeft dit moeilijke leven later zelf eens beschreven: “Het is waar, ik ben een vrome monnik geweest en ben mijn verplichtingen zo streng nagekomen, dat ik zeggen durf: als er ooit een monnik in de hemel gekomen is door monnik te zijn en alles wat daarbij hoort, dan zou ik zeker daar gekomen zijn. Da zullen al mijn kloosterbroeders kunnen betuigen. Want ik had mij, als het nog langer geduurd had, dood gemarteld met waken, bidden, lezen en andere arbeid.”

De volgende keer gaan we wat nader in op de ontwikkeling van Luther en zijn geloofsleer.