Waar blijft de tijd LIV – Het Kaïrologische karakter van het eschatologische heden

De met Christus ingetreden ommekeer in het tijdsbestel maakt, dat voor Paulus het heden een kaïrologische spits ontvangt: het is beslissende tijd, omdat heil en onheil, leven en dood, er mee gemoeid zijn.

De met Christus ingetreden ommekeer in het tijdsbestel maakt, dat voor Paulus het heden een kaïrologische spits ontvangt: het is beslissende tijd, omdat heil en onheil, leven en dood, er mee gemoeid zijn. In de “kairos” van het “nun” roept God ons om JA te zegen tot Zijn Zoon, daarmee het leven te ontvangen en in de “aiôn mellôn” binnen te treden. Maar in deze zelfde “kairos” van het “nun” kan de mens ook het leven verspelen door NEE te zeggen en het sarkische bestaan weer op te nemen. Paulus is daarom zo bezorgd voor zijn broeders: dat zij toch maar vooral het goede deel kiezen! (Rom.8, 1-17). Het heden is hierdoor sterk existentieel geladen: het is beslissend voor de totale existentie van de mens in tijd en eeuwigheid. Hier ligt een grote overeenkomst met het gekwalificeerde gebruik van “hora” (uur) in het Johannes-Evangelie.

2, 4 “Mijn uur (tijd) is nog niet gekomen…”
12, 27 “Laat dit uur (ogenblik) aan Mij voorbijgaan…”
Zie ook 4, 21.23; 5, 25; 12, 23; 13, 1; 16, 2.25.32.
Vooral 4, 23: “Er komt een uur (tijd) en die is nu gekomen… (ook 5,25)”
16, 32 “Er komt een uur (tijd) en dat uur is er al, dat jullie uiteengedreven worden...”

Uit deze blijkt duidelijk, dat “hora” hier dezelfde betekenis heeft als het “nun” bij Paulus. Beide kunnen worden verstaan als “das jenes Kontinuüm aufbrechende eschatologische Ereignis der Offenbarung, das Vergangenheit, Gegenwart und Zukunft versammelt sein lasst“(G.Klein, Licht).
Dit eschatologische, kairologische karakter komt bij Paulus in ’t bijzonder naar voren in de hem zo eigen spreekwijze van “nun” en “en Christôi”. Toch blijkt uit deze uitdrukkingen tevens, hoe bij de apostel het existentiële moment nooit los gedacht kan worden van het “Geschichtliche”. Het “nun” betekent immers ook terdege een nieuw tijdsgebeuren van God, Die de tijden schept en hoop geeft aan het wereldgebeuren tot het einde der tijden (werelden) daar zal zijn. Steeds dichter bij komt dit einde… Het heil is ons nu meer nabij dan toen wij tot geloof kwamen. “De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij” (Rom.13, 11). Nacht en dag, donkerheid en licht, zijn in de oerchristelijke Gemeente belangrijke uitdrukkingsmiddelen geweest voor de eschatologie, zeker ook bij Johannes (zie Joh.1, 4; 1 Joh.2, 8 etc.). Voor Paulus is de “jongste dag” DE dag, die het verborgene aan het licht brengt (1 Kor.4, 5): hetzij goed… hetzij slecht:

10 Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan… hetzij goed hetzij slecht… (2 Kor.5, 10).

In onze tekst Rom.13, 11 is de verbinding van dag en licht duidelijk: de dag, waarop het licht komt, is nabij, “weest dan ook: kinderen van het licht“. In het gegrepen-zijn door God ziet Paulus deze dag reeds aanwezig (vgl.2 Kor.2, 6v). Anderzijds weet hij echter ook -uit nuchtere ervaringskennis- dat dit alleen geldt “en pnaumati” (in de Geest), doordat wij in Christus reeds de Geest als “arrabôn”(onderpand) hebben, maar dat overigens deze “aiôn ho enestôs poneros”(de tegenwoordige slechte wereld) van Gal.1, 4 nog doorgaat tot de eindvoltooiing, waarover alleen in futuristische termen gesproken kan worden. Gal.1, 4:

Die Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons zou ontrukken aan de tegenwoordige slechte wereld, overeenkomstig de wil van onze God en …

Waar blijft de tijd LIII – Het heden als contrast met het verleden

De afgrenzing van het heden tegenover het verleden geschiedt bij Paulus in een menigte van contrast-paren zoals Oude- en Nieuwe verbond, 2 Kor.3, 6-13; Adam-Christus, Rom.5 en 1 Kor.15. Zeer duidelijk is het contrast in Rom.5, 15vv: overtreding-genadegave; veroordeling-rechtvaardiging; dood-leven; ongehoorzaamheid-gehoorzaamheid.

De afgrenzing van het heden tegenover het verleden geschiedt bij Paulus in een menigte van contrast-paren zoals Oude- en Nieuwe verbond, 2 Kor.3, 6-13; Adam-Christus, Rom.5 en 1 Kor.15. Zeer duidelijk is het contrast in Rom.5, 15vv: overtreding-genadegave; veroordeling-rechtvaardiging; dood-leven; ongehoorzaamheid-gehoorzaamheid.

Bij voorkeur gebruikt de apostel hiervoor het schema “pote(tote)-nun” (toen-nu). Dit vinden we terug in de volgende teksten: Rom.5, 8-11; 6, 15-23; 7, 5v; 11, 30-31; 1 Kor.6, 9-11; Gal.1,23; 4, 3-7, 8-10; Philemon 11, Eph.2, 1-22; 5, 8; Kol.1, 21v; 2, 13; 3, 7v; 1 Tim.1, 13vv; Tit.3, 3vv; 1 Petr.2, 10.25. Ook komt het voor in 1 Kor.12, 3; 2 Kor.5, 15-17; Gal.1, 13; 4, 29.; Hebr.12, 26; Hand.17, 30; Eph.4, 17-24; 1 Thess.1, 9v; 1 Petr.1, 14. Hoewel de betreffende woorden “pote(tote)” en “nun(nuni)” niet overal woordelijk aanwezig zijn, impliceren de in al deze teksten uitgesproken gedachten en de stijl, waarin deze vervat zijn, toch de grondvorm van het “pote-nun” model. Het duidelijkst wordt het schema zichtbaar in Rom.5, 8-11, waar het contrast wordt uitgewerkt in de tegenstellingen “toen wij nog zondaren waren – door Zijn dood vrijgesproken”; “gered – en niet veroordeeld”; “vijanden – gered/verzoend”. Ook is het duidelijk in Gal.4, 3vv: eerst wordt de tijd voor en na de bekering van de Galaten met elkaar vergeleken: de tijd “toen wij nog onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten”, en de “volheid van de tijd”. Vervolgens wordt in de verzen 8-11 opnieuw teruggegrepen naar de tijd van het “tote”: “Toen u God nog niet kende, was u onderworpen aan goden, die helemaal geen goden zijn…” en het “nun”: Nu kennen jullie God toch? Het accent in deze pericoop ligt op het nieuwe van deze tijd: gij zijt vrij van de wet, gij zijt zonen! Om dit aan de Galaten duidelijk te maken gebruikt Paulus het middel van het “eens en nu”-model.

1 Kor.6, 9-11: hier worden duidelijk het verleden en het heden van de hoorders tegenover elkaar geplaatst: “Dwaalt niet! Hoereerders, afgodendienaars… zullen het Koninkrijk van God niet beërven. En sommigen van u zijn dat geweest. Maar gij hebt u laten afwassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd…”
Het gaat in het schema “pote – nun” om het contrast tussen het verleden en het heden, zonder dat de adverbia “pote” en “nun” expliciet hoeven voor te komen. Eerst wordt het verleden genoemd, daarna het heden. Het keerpunt tussen beide staat over het algemeen niet in het gezichtsveld, maar dikwijls kan deze uit de context opgemaakt worden. De verschillende tempora der verba impliceren vaak het contrast der tijden. Zo is vooral het imperfectum voor het verleden geliefd, waar tegenover een praesens- of aoristusvorm als uitdrukking van het heden staat. Dikwijls zijn de met “pote” en “nun” verbonden zinnen stilistisch in een parallelismus membrorum gefigureerd (Rom.6, 17-23; 1, 30vv). In Gal.1, 23 treffen we de chiastische stijlfiguur.

Interessant is de functie van het “eens nu”-schema in het spanningsveld van indicatief en imperatief, zoals dat zo treffend wordt weergegeven in Rom.6, 15-23.

“15] Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet onder de wet, maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!
16] Weet gij niet, dat gij hem, in wiens dienst gij u stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven, hetzij dan van de zonde tot de dood, hetzij van de gehoorzaamheid tot gerechtigheid?
17] Maar Gode zij dank: gij wáárt slaven der zonde, doch gij zijt van harte gehoorzaam geworden aan die vorm van onderricht, die u overgeleverd is;
18] en, vrijgemaakt van de zonde, zijt gij in dienst gekomen van de gerechtigheid.
19] Ik zeg dit van menselijk standpunt om de zwakheid van uw vlees. Want gelijk gij uw leden gesteld hebt ten dienste van de onreinheid en van de wetteloosheid tot wetteloosheid, zo stelt nu uw leden ten dienste van de gerechtigheid tot heiliging.
20] Want toen gij slaven waart der zonde, waart gij vrij van de gerechtigheid.
21] Wat voor vrucht had gij toen? Dingen, waarover gij u nu schaamt; immers, het einde daarvan is de dood.
22] Maar thans, vrijgemaakt van de zonde en in de dienst van God gekomen, hebt gij tot vrucht uw heiliging en als einde het eeuwige leven.
23] Want het loon, dat de zonde geeft, is de dood, maar de genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here”.

Het verleden is voorbij, jullie kunnen nu niet meer zondigen! Het heden is de realiteit van Gods genade. Wij leven uit de genade, die praesent is!

Waar blijft de tijd LII – Het eschatologische heden

Paulus was er zich sterk van bewust, dat over zijn generatie “het einde der tijden” gekomen was (1 Kor.10, 11). Het is voor hem dan ook vanzelfsprekend, dat de betekenis van het heden op zijn betrokkenheid tot “het einde de tijden” berust, dus eschatologisch geladen is.

Paulus was er zich sterk van bewust, dat over zijn generatie “het einde der tijden” gekomen was (1 Kor.10, 11). Het is voor hem dan ook vanzelfsprekend, dat de betekenis van het heden op zijn betrokkenheid tot “het einde de tijden” berust, dus eschatologisch geladen is. We zagen reeds herhaalde malen, hoe de apostel dit in zijn van de laatjoodse apocalyptiek overgenomen terminologie in het raam van de twee-aeonen-leer tot uitdrukking brengt. Op zich zelf is dit Joodse eschatologische dualisme nog veel ouder en reeds te vinden bij de oude profeten. Ook het begrip “parousia”(wederkomst) wordt reeds bij de profeten gevonden.

De kwalificatie van het heden

De tegenstelling oude-nieuwe tijd (aeon) is niet alleen temporeel bepaald, maar daarin wordt vooral ook een kwalitatief onderscheid uitgedrukt: de volmaakte eindtijd(=oertijd) tegenover de onvolmaakte “aiôn houtos”. De kwalificatiegedachte van superieur-inferieur gaat zo ver, dat in de twee aeonenleer eigenlijk een innerlijke tegenstelling komt te liggen, die daarin bestaat, dat men in de categorie van de tijd probeert uit te drukken, wat eigenlijk lijnrecht tegenover de tijd staat, nl. het begrip eeuwigheid, en dat niet in de zin van “tot in het oneindige verlengde tijd”, maar van Gods eigenschap. Bij Paulus speelt dit kwalificatieaspect in het tegenover elkaar stellen van de van de aieones een overwegende rol, hetgeen ook in zijn omgang met de Tenach duidelijk is gebleken.

Met Christus’ komst is het keerpunt bereikt: van de “aiôn houtos” in de “aiôn mellôn” (vgl.Rom.12, 2; 1 Kor.1, 20; 2, 6.8; 3, 18; 2 Kor.4, 4). “maar toen de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon, geboren uit een vrouw en onderworpen aan de wet… “(Gal.4, 4). En Paulus vervolgt: “opdat wij het Zoonschap zouden ontvangen. Met als gevolg; zo is dan wie in Christus is, een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen”(2 Kor.5, 17). Met het zenden van de Zoon (Rom.8, 3) is heel het oude bestand van de wet, de zonde en de dood te iet gedaan. In Christus worden wij uit de boze dreigende wereld getrokken (Gal.1,4) om de nieuwe wereld toe te behoren. Het snijpunt van de oude en nieuwe wereld ligt in de dood van Jezus aan het kruis; Wij kunnen hier spreken van een radicale omwenteling, die in de komst van Christus geschiedt,
“Toen wij nog hulpeloos waren is Christus immers voor ons, die op dat moment nog schuldig waren, gestorven” (Rom.5, 6).
“Hij is gestorven om een einde te maken aan de zonde, voor eens en altijd; en nu hij leeft, leeft hij voor God” (Rom.6, 10).

Zijn opstanding is het bewijs van de nieuwe heerlijke werkelijkheid. Zij betekent volgens de leer der Joods-apocalyptische eschatologie het keerpunt der eeuwen, het begin van de nieuwe schepping, die even heerlijk zou zijn als de “eerste” schepping en waarin de heerschappij van de verderfmachten van zonde en dood zou zijn gebroken.
“En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden” (1 Kor.15, 17). In deze zin zal ook de discutabele tekst Rom.10, 4 uitgelegd moeten worden. “De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard”. Christus als het “doel van de wet” is het, Die aanspraak maakt op het totaal nieuwe, omdat Hij aan de oude aeon een einde maakt. “Damit ist aber doch gesagt, dass für Paulus die Geschichte am Ende ist”, zegt Bultmann. Hij is hier in discussie met Käsemann. Waar Käsemann in Paulus meer de apocalypticus ziet, ziet Bultmann Paulus meer het accent leggen op de praesentische eschatologie, waardoor de apocalyptiek wordt ingeperkt en geherinterpreteerd.

Wij kunnen hier spreken van een radicale omwenteling, die in de komst van Christus geschiedt. Het aanbreken van de nieuwe tijd mag dan ook zeker niet verstaan worden als een continue ontwikkeling uit de oude, veeleer is het een discontinue gebeuren, een breuk, waarin de machten van de oude aeon radicaal ontmacht worden, en door de van God alles een nieuwe gedaante ontvangt. De enige continuïteit, door de breuk heen, ligt daarom bij God, in Zijn trouw aan Zijn eenmaal gegeven belofte. “Trouw” is dan ook wel de belangrijkste component van het oud-Bijbelse begrip “gerechtigheid”. In Gods trouw aan de schepping ligt mijns inziens de centrale gedachte van het Paulinische kerugma: Gods trouw, die de mens ervaart als onverdiende gerechtigheid, hem geschonken uit geloof (Rom.1, 17 en 3, 26). Het is ook deze overweldigende trouw van God, die Paulus ervaren heeft bij zijn roeping en die hem niet loslaat, zodat hij zeggen kan: ik kan niet anders, ik MOET het Evangelie verkondigen (1 Kor.9, 16: ” Want dat ik het evangelie verkondig, is natuurlijk geen reden om me te beroemen. Dat doe ik omdat ik niet anders kan. Het zou er slecht voor me uitzien als…”, zie ook Gal. 1, 15).

De kracht van het Evangelie, welke Paulus zelf ervaren heeft, dwingt hem er toe de verkondiging van wat God hem bekend heeft gemaakt, nl. Zijn Zoon (Gal.1, 15: te openbaren Zijn Zoon), in het leven centraal te stellen. Het alles beheersende van dit heilsgebeuren kan de apostel stipuleren in het voorgegeven kader van de twee-aeonen-leer, waarin het contrast van het oude en het nieuwe steeds sterker opgevoerd wordt. Alleen het tijdselement, dat in deze Joods-apocalyptische opvatting verscholen ligt, zuiver op de toekomst gericht als zij is, kan in de Paulinische prediking geen plaats meer krijgen. Paulus weet immers, dat de “aiôn mellôn” reeds is doorgebroken, sterker nog: Christus Zelf is de “aiôn mellôn”, inclusief de media waarin Hij op ons toekomt: het Evangelie als de “verkondigde Christus” en de apostel als de verkondiger van Christus.

Doordat de “volheid van de tijd” is aangebroken, krijgt de tegenwoordige tijd een heel bijzondere vulling: zij is eschatologische heilstijd geworden, nieuwe tijd, door God gegeven (2 Kor.6, 2v). “Plerôma tou chronou” is evenals “plerôma tôn kairôn” (Eph.1, 10) een zuiver Joods-apocalyptisch begrip, zie ook Luk.21, 24; Matth.13, 39.40.49; 24, 3; 28, 20; Hebr.9, 26. Eerder zagen we reeds, dat de indeling van aiônes samenhing met Israëls visie, dat God de tijden in Zijn hand houdt, bestuurt, er een begin en een einde aan maakt volgens Zijn van te voren vastgestelde plan. Doch alleen voor de gelovigen is dit zichtbaar, voor degenen, aan wie God het geopenbaard heeft, die leven “in de Geest, in Christus”, en die in “de nieuwheid van het leven” wandelen (Rom.6, 4), voor degenen die “in het vlees” leven blijft de oude aeon voortbestaan.

Nierpatiëntenweek

Voor nierpatiënten geldt het adagio “geen of heel weinig zout”. Dat weet iedereen. Maar dat er ook een andere “must” is, waar men zich aan te houden heeft, wordt wel eens vergeten: eiwitten! Eiwitrijk voedsel is van groot belang!

De jaarlijkse week, waarin veel aandacht voor nierpatiënten wordt gevraagd, is weer voorbij. Duizenden medewerkers hebben gecollecteerd en op andere wijze zorg gegeven aan medemensen met een nierprobleem. Er moet nog veel onderzocht worden om tot betere oplossingen te komen zoals de draagbare nier. Dan hoef je niet meer drie keer in de week naar het ziekenhuis om gedialyseerd te worden. Voorlopig zit dat er nog niet in, dus zien ze me elke week weer komen in het Maasstad Ziekenhuis.

Voor nierpatiënten geldt het adagio “geen of heel weinig zout”. Dat weet iedereen. Maar dat er ook een andere “must” is, waar men zich aan te houden heeft, wordt wel eens vergeten: eiwitten! Eiwitrijk voedsel is van groot belang! Dat wil dus zeggen: om de dag een ei en elke dag een stukje vlees. Om het mijn vrouw en mijzelf natuurlijk gemakkelijker te maken, heb ik een menulijst samengesteld.
Mocht u andere suggesties hebben, dan kunt u die onderstaand doorgeven.

29 mogelijkheden voor een warme maaltijd van
dialysepatiënt Flip Kroes

andijvie stamppot met spekkies
andijvie gestoofd met succadelapje
bami
bieten met ribkarbonade
couscous
frites met komkommersalade
groentesoep
hutspot met verse worst
kabeljauw……..
kippensoep
kool (witte/groene) met slavink
koolvis met worteltjes
macaroni
lasagne
pannekoeken met appelmoes
pap (havermout/ griesmeel/ graan)
prei met hachee
rode kool met appeltjes en gehakt
rijst met gebakken kippenstukjes
slamelange met gebakken aardappeltjes en Duitse biefstuk
slaboontjes met tartaar
spinazie met rundvlees
spitskool met hachee
spruitjes met rundvlees
tomatensoep (dik) met balletjes
viscuisine
witlof met ham en kaas
witlof (salade)
zuurkool met spekkies en speklappen

Niet alleen van brood zal de mens leven

Wij zouden vandaag zeggen: Israël leefde van Gods zorg en aandacht. Vandaag aan de dag mag dan wel heel veel anders zijn dan vroeger en zeker dan de tijd, waarin Israël zwierf door de woestijn, toch is de hoofdzaak nog steeds hetzelfde: we leven niet alleen van brood, maar van God en Zijn Woord, Zijn aandacht en zorg.

Matthëus 4, 4
”Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat.”

Jezus is in de woestijn en heeft honger. In die toestand komt de duivel naar Hem toe om Hem te verzoeken. Als er iemand is, die het niet zo best heeft, die het te kwaad heeft met de omstandigheden en soms ook met zich zelf, dan is vast en zeker de duivel in de buurt. Maar laten we wel bedenken: die duivel komt niet alleen mensen die honger hebben verzoeken, de duivel komt met zijn verzoekingen even goed tot mensen, die in overvloed leven. Daar zullen we ‘t straks nog over hebben.

brood

We gaan nu eerst de aandacht richten op wat er in die ontmoeting tussen Jezus en de duivel voorviel. We horen Satan heel vriendelijk woorden tot Jezus spreken. Dat doet hij altijd! Hij heeft zo’n zoetgevooisde stem en hij meent het zo goed met je. “Waarom ligt u daar zo dodelijk vermoeid en hongerig neer? Dat hoeft toch niet? U kunt toch wonderen doen? U is toch de Zoon van God? Als U wilt, dan staat er onmiddellijk een heerlijke maaltijd voor U klaar. U hoeft daartoe maar één woord te spreken en in een ogenblik zullen de stenen hier broden worden.” Toch aardig van die duivel, toch niet zo zwart als ie meestal wordt afgeschilderd, ja eigenlijk wel een sympathieke figuur! Maar reken er op: hoe sympathieker hij zich voordoet, des te gevaarlijker hij is! Jezus mocht Zijn wondermacht toch niet voor Zich Zelf gebruiken. Alleen voor God en Diens eer en het verlossingswerk van de mensen. Stel je voor, dat Jezus brood van de duivel had aangenomen! Wij kijken vaak niet zo nauw, hoe we aan ons brood komen en aan ons geld, als we maar brood op de plank hebben! Gelukkig laat Jezus ons hier zien, hoe het WEL moet: “Er staat geschreven” zegt Hij; dat is het voornaamste: “Er staat geschreven… Weet u dat wel? Denkt u daar wel aan? Er staat geschreven! Niet wat mensen zeggen, niet wat we er zelf van denken, niet wat voor ons het voordeligst is. Nee, één ding is slechts belangrijk: Er staat geschreven! Wat zegt Gods Woord er van?” We moeten bij wijze van spreken Gods Woord bij ons hebben, bij het werk, bij het oogsten. Daar moeten we ons aan houden! Zoals Jezus Zich er aan hield en er voor dankte: “Niet alleen van brood zal de mens leven, maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat”.

Hoe vaak wordt dit woord verkeerd uitgelegd. Alsof het betekent, dat de mens naast brood ook aan andere stoffelijke zaken behoefte heeft. De mens zal bij brood alleen niet leven… Maar laten we niet vergeten, dat Jezus er wel aan toevoegde: “maar van alle woord, dat uit de mond van God uitgaat”. Meestal wordt dit zo uitgelegd, dat de mens niet alleen sterfelijk voedsel nodig heeft, maar ook geestelijk voedsel. Niet alleen het lichaam heeft voedsel nodig, maar ook de ziel. Op zich zelf genomen is dit natuurlijk waar en we moesten er bij al ons zwoegen voor aardse dingen maar eens aan denken, dat ook de geestelijke dingen onze aandacht nodig hebben.
Toch wordt dit – denk ik – niet met onze tekst bedoeld. Dat wordt ons duidelijk, als we er op letten dat Jezus hier een woord uit Deuteronomium 8 aanhaalt. In dat hoofdstuk worden we herinnerd aan de veertig jaar, die Israël na de bevrijding uit Egypte in de woestijn heeft doorgebracht. En waar het dan op aankomt is dit: dat Israël al die veertig lange jaren in de woestijn door God op wonderbaarlijke wijze in het leven is gehouden. In de woestijn was geen leven, geen brood, nog niet voor één enkel mens, laat staan voor honderdduizenden. Maar God heeft het manna uit de hemel gegeven, het wonderbrood. We lezen daarvan in Deuteronomium: “De Here gaf u het manna te eten, dat gij niet kende en dat ook uw vaderen niet gekend hebben, om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit de mond des Heren uitgaat.”

Waarvan leefde Israël dus in de woestijn? Niet van het gewone voedsel, want dat was er niet, maar van wat er uit Gods mond uitging. Dus van woorden die God sprak, maar daar kun je toch niet van leven? Ja toch, juist van woorden moeten we leven! Van Gods Woorden! Dat kan, want Gods woorden zijn machtige woorden, scheppende woorden. Denkt u ‘t zich eens in: er was niets eetbaars in de woestijn, maar God opende Zijn mond en sprak slechts één woord, en zie: de grond lag bezaaid met het allerbeste voedsel. Eet maar, zoveel als je nodig hebt! En zo heeft Israël geleefd in de woestijn. Eigenlijk ook niet zo zeer van het manna. God immers moest elke ochtend opnieuw het woord spreken, waardoor het manna kwam. Zó leefde Israël dus van het Woord, dat uit Gods mond kwam. Wij zouden vandaag zeggen: Israël leefde van Gods zorg en aandacht. Vandaag aan de dag mag dan wel heel veel anders zijn dan vroeger en zeker dan de tijd, waarin Israël zwierf door de woestijn, toch is de hoofdzaak nog steeds hetzelfde: we leven niet alleen van brood, maar van God en Zijn Woord, Zijn aandacht en zorg. En dat moeten we beseffen. Aan ‘s Heren zegen is het al gelegen!

Natuurlijk, we leven niet meer in een woestijn, en die zegen van God is daardoor niet zo duidelijk als toen. Voor de meesten in ons land is het een tijd van welvaart, ondanks de crisis, waar wij – zegt men- bezig zijn uit te krabbelen. Er is voedsel genoeg voor iedereen, de landbouwwetenschap leert ons hoe we de grond vruchtbaar moeten maken, zó vruchtbaar dat er zelfs grote overschotten zijn gekweekt en worden vernietigd. Ons kan toch eigenlijk niets meer overkomen! Maar weet u wel, dat dit waanzin is? Om die verschrikkelijke waanzin, die hoogmoed van mensen, lag Jezus honger te lijden in de woestijn, en Hij niet alleen! Alsof ons leven alleen maar van brood afhangt en van materiële zaken, steeds meer en meer. Als ‘t er op aankomt, zijn wij nog even machteloos als die Israëlieten in de kale woestijn. Met al ons kennen en kunnen nog even machteloos! Want de mens zal niet alleen van brood leven! Zet het toch uit uw hoofd: we leven niet van brood, we leven niet van de arbeid van ons hoofd en onze handen, van het vele dat we doen, van het land dat we hebben bewerkt… ”Maar waarvan leven we dan anders?” zult u misschien vragen. Weet u dat dan nog niet? WE LEVEN VAN GOD EN VAN ALLE WOORD, DAT VAN ZIJN MOND UITGAAT.

Stelt u zich heet eens voor: we zitten aan tafel, gelukkig is er genoeg te eten voor iedereen. Dat is in het verleden wel anders geweest. Maar van dat eten, daar leven we niet van, want menigeen krijgt het beste eten en wordt toch ziek. En hij krijgt wat hij hebben moet en wordt toch niet beter. Het is zo: als wij aan tafel zitten of op bed liggen, als we ziek zijn, en we gaan eten, dan moet God er ook nog bijkomen. En God moet het Woord spreken, waardoor het eten en de medicijnen waarde voor ons krijgen. Daarom bidden we ook voor het eten: dat God er bij mag komen met Zijn levenscheppend Woord. We leven van dat Woord van God, en niet van brood en boter, niet van vlees en aardappelen en groenten. En zo is het overal. Hoe werden de weiden groen? Hoe is het koren gaan groeien en en kwamen onze koeien aan zo hoge melkproductie? Is dat door onze kundigheid, door onze goede behandeling en verzorging? Natuurlijk, ook dat was nodig. Maar toch, dat deed ‘t ‘m tenslotte niet. God moest op de akker komen en God moest in de stal komen en daar Zijn Woord spreken. Dan alleen ging het goed, werd de oogst vruchtbaar, zegenrijk. En zo is het met heel onze welvaart. Van God en Zijn Woord, daar leven we van. En daar leeft heel de wereld van, ook al doet ze alsof God er niet is. Het gaat allemaal zo vanzelf en het lijkt zo vanzelfsprekend: wie arbeidt zal ook oogsten. Als je werkt, dan verdien je en zelfs als je niet werkt verdien je. Toch leidt dat alles tot niets, als we Gods stem daarin niet horen. Het is immers niet ONZE verdienste, maar uitsluitend gevolg van Zijn spreken. Laten we toch beseffen, hoe afhankelijk we van Hem zijn. Zelf kunnen we niets presteren, van Boven moet het alles komen! Elke dag heffen we daarom ons hoofd omhoog en bidden we: “Heer, geef ons heden ons dagelijks brood…” Dat is alles wat we nodig hebben om te leven, in de eerste plaats Zijn Woord! Maar laten we daaraan dan ook direct toevoegen: “En leid ons niet in verzoeking”. Want ons leven is vol van verzoekingen en verleidingen. En de duivel, die gekomen is om Jezus te verzoeken, is ook dagelijks bij ons in de buurt. Altijd is er het gevaar, dat we gaan leven voor de dingen die “beneden” zijn, dat we daardoor Gods Woord vergeten. Hoe zelden zijn we ons er nog van bewust, dat we moeten leven van God en van alle woord, dat van Zijn mond uitgaat?

Laten we toch dicht bij Jezus blijven! Hij immers is Zelf het Woord, dat uit Gods mond uitgaat, Het Woord des Levens. Hij heeft honger geleden, hoewel Hij met het grootste gemak van stenen broden had kunnen maken. En Hij heeft de lijdensweg gekozen, hoewel de grootste heerlijkheid Zijn deel had kunnen zijn. En Hij heeft aan het kruis willen hangen, hoewel Hij Koning der koningen was. Maar zo heeft Hij wel de duivel overwonnen! Laten wij dat in Zijn spoor ook doen. Want wat baat het ons, als de duivel de baas is in ons leven? Wat baat het ons, als we werkelijk ook alles bezitten, maar schade lijden aan onze ziel?
Jezus heeft de duivel overwonnen, ook voor u en mij. En Hij zal het ook steeds weer in ons leven doen, als wij maar steeds weer bidden: “Heer, verlos ons van de boze!

Gebed

iedere dag
zijt Gij er weer
doet Gij Uw Aaangezicht
bevrijdend
over ons lichten
zijt Gij een God
Die draagt en voedt
koestert en bemint
iedere dag zijt Gij er weer
legt Gij welwillend
Uw hand op mijn hoofd
noemt Gij mijn naam
schenkt Gij mij brood
om te leven
levensbrood.

Amen.

Waar blijft de tijd LI – Paulinische toekomst-uitspraken

Toekomst-uitspraken zijn in al deze pericopen niet anders dan soteriologische uitspraken. Uiteraard wordt daarin het tijdsaspect niet uitgesloten, maar gerelativeerd, doordat het door het hoofdaspect van het “heil in Christus” secundair wordt gemaakt.

In Rom.11, 25vv, de afsluitende verzen van Rom.9-11, dat in de Heilsgeschichtliche hypothese van het Paulinische denken zo’n belangrijke plaats inneemt, gaat het niet in de eerste plaats om de toekomst van Israël, maar om de redding van Israël.

Toekomst-uitspraken zijn in al deze pericopen niet anders dan soteriologische uitspraken. Uiteraard wordt daarin het tijdsaspect niet uitgesloten, maar gerelativeerd, doordat het door het hoofdaspect van het “heil in Christus” secundair wordt gemaakt. De aangehaalde teksten lieten zien, dat Paulus, ook voor zijn eigen leven, rekening hield met de wederkomst van de Heer. In hoeverre deze verwachting een ontwikkeling heeft doorgemaakt, laat zich moeilijk zeggen. De hoofdbrieven zijn in een tijdsbestek van slechts vijf jaren geschreven, en zij vertonen alle vier, evenals de oudste brieven 1 Thessalonicenzen (4, 13-18), 2 Thessalonicenzen en Philippenzen (hoofdstuk 3), het beeld van het naderende einde. Hoewel het lijkt alsof Paulus met de mogelijkheid gerekend heeft de parousie nog voor zijn dood te beleven (1 Thess., 13-18 en 1 Kor.15), doch deze mogelijkheid later heeft opgegeven (2 Kor.5) en zelfs met de gedachte is gaan spelen dit leven maar spoedig te verlaten (Phil.1, 23), zou het toch te ver voeren in deze uit hun samenhang gerukte losse teksten en gedachten een “ontwikkeling” van Paulus te zien.

“Toekomst” betekent voor Paulus: verzekering van Christus’ heil voor aangevochten mensen, voor een lijdende wereld. Het is dan ook geen wonder, dat “sôîzein” (redden), in de meeste plaatsen in het futurum staat, en dat Paulus’ spreken in termen van “hoop en verwachting” dit Christologische heil betreft. Hierin vindt tegelijk heel de spanning van het “reeds” en het “nog niet” z’n uitdrukking!

Vragen we ons nu nogmaals af: hoe ziet Paulus de toekomst? Dan kunnen we alleen maar wijzen op die stukken, waar Paulus het toekomstige heil in Christus en alles wat daarmee in verband staat ter sprake brengt. Het centrale gebeuren van dit toekomst-perspectief is de opstanding uit de dood. Immers wij weten, dat Hij, Die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Hem zal opwekken… (2 Kor.4, 14). In Rom.8, 18 noemt Paulus dit de “heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden”. Elders heet het “delen in Zijn verheerlijking” (Rom.5, 17); “Behouden worden doordat Hij leeft” (Rom.5, 10); “het ontvangen van gerechtigheid” (Gal.5, 5); “het levendmaken van de sterfelijke lichamen door Zijn Geest” (Rom.8, 11); “het veranderd worden van de lichamen” (1 Kor.15, 2); “het Zoonschap en de verlossing van ons lichaam” (Rom.8, 23).

In dit perspectief ziet Paulus ook de verlossing van de schepping van zijn “oneigenlijkheid”, van dood en zonde. Niet van de wereld zelf hoeven wij verlost te worden, dat zou gnosticisme zijn! Maar met de schepping moeten alle elementen der wereld, ook wij zelf dus, verlost worden van de verwording der schepping. Ook niet van het lichaam en de lichamelijkheid moeten wij verlost worden, dat zou weer
gnosticisme betekenen! Maar de verlossing betreft de mens “kata sarka” (naar het vlees), de mens die ten onder ligt aan de doodsmacht in het vlees (Rom.8, 23).

Heel dit toekomst-perspectief, dat naar voren komt in het spreken over “de dag des Heren” cq. “de komst des Heren”, ”de opstanding uit de dood” en ”de verlossing van de schepping”, vindt zijn soteriologische grondslag in “Jezus Christus en Die gekruisigd” (1 Kor.2, 2). Zijn theologische spits krijgt het in het doxologische eindvisioen “dat God zij alles in allen” (1 Kor.15, 28).

Conclusie
Het spreken van Paulus over de toekomst staat in het teken van de heilsverkondiging. Het grote goddelijke gebeuren, dat de Heilige God tot de zondige mens komt met Zijn genade-aanbod, staat hierbij centraal. In wezen is de Paulinische eschatologie derhalve soteriologie, actualisering van het kerugma. Dat deze eschatologie geen gesloten systeem vormt, eerder brokkelig als stukwerk naar aanleiding van vragen uit de Gemeenten of voortkomend uit de verdediging van het Evangelie tegenover misvattingen en wildgroei gezien moet worden, onder gebruikmaking van het tijds- en beeldraam van het apocalyptische vewachtingspatroon, doet aan dit soteriologische en theocentrsiche karakter geen afbreuk. Integendeel: de bonte scala van toekomstbeelden wordt door Paulus slechts opgevoerd onder het ene oogmerk: dienstbaar te zijn aan de heilsverkondiging in de actuele nood van mens en wereld.

Geboorte uit water en geest (bediening van de Heilige Doop)

Jezus had in Johannes 3 een gesprek met Nikodemus. En dat gesprek laat duidelijk zien, wat op het eind van hoofdstuk 2 van Jezus gezegd wordt: Hij kende de mensen allen en wist Zelf, wat in iedere mens was. Dat wil zeggen: voor Jezus vallen al onze maskers af, is al het verstoppertje spelen ten einde. Jezus kent ons beter dan wij ons zelf kennen!

Johannes 3, 5
“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.”

Jezus had in Johannes 3 een gesprek met Nikodemus. En dat gesprek laat duidelijk zien, wat op het eind van hoofdstuk 2 van Jezus gezegd wordt: Hij kende de mensen allen en wist Zelf, wat in iedere mens was. Dat wil zeggen: voor Jezus vallen al onze maskers af, is al het verstoppertje spelen ten einde. Jezus kent ons beter dan wij ons zelf kennen! Dat laat het gesprek met Nikodemus ons duidelijk zien. Weet die Schriftgeleerde eigenlijk wel wie hij is en wat hij wil, als hij ’s nachts tot Jezus komt? Hij denkt van wel, maar oog in oog met Jezus zal al gauw blijken, dat hij het helemaal niet weet. Waarom komt hij in de nacht tot Jezus? Omdat hij zich schaamde voor zijn collega’s? Misschien wel. Maar hij ging tenminste nog en liet duidelijk blijken, dat hij respect heeft voor Jezus als de door God gezonden rabbi, die wonderen deed. Velen geloofden in Jezus, omdat zij de tekenen zagen. Zo staat beschreven in Johannes 2, 23:

Terwijl hij in Jeruzalem is geweest
bij het Pesach, bij het feest,
gaan velen geloven in zijn naam
aanschouwend de tekenen die hij heeft gedaan.

Maar de meesten bleven weg, precies zoals die negen melaatsen, van wie er maar één terugkwam om tegen Jezus “Dank u wel” te zeggen. Ook Nikodemus komt, ’s nachts, misschien omdat het in de nachtelijke stilte wat gemakkelijker en rustiger is om met Jezus te praten.

Maar wat doet Jezus nou? Hij zegt: “Voorwaar, Ik zeg je, tenzij iemand wedergeboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.” Hij zegt: “Amen, amen, ik zeg u…” Dat wil zeggen: pas goed op, nou komt het, het is erg belangrijk wat Ik je nu ga zeggen. Dat doet Jezus altijd, als Hij iets vanuit Zijn goddelijke macht gaat zeggen. Dan begint Hij met: “Amen, amen, voorwaar Ik zeg u…”  Die arme Nikodemus, hij denkt Jezus geplaatst te hebben, toen hij zei: “Rabbi, we weten, dat U van God gekomen bent als leraar, want niemand kan die tekenen doen, die U doet, tenzij God met hem is.” Ja, Nikodemus, hij denkt het allemaal zo goed te weten, het klopt allemaal als een bus, 1 + 1 = 2. Alleen voor Jezus gaat dat niet op! Dat moet hij nog leren. Jezus rekent met een heel andere maatstaf, voor Hem geldt een heel andere waarheid. Hij zegt als ’t ware: och, Nikodemus, jij weet nog niet wat Ik wil, en je kunt ook nog niet zien wat jij en alle mensen eigenlijk nodig hebben. Om zien te kunnen, wat God in Zijn heerlijkheid en genade aan de mensen doet, moet je eerst opnieuw geboren worden. Het woordje “opnieuw” kan in het Grieks ook betekenen “van Boven”.  Om iets van God te weten en te kunnen zeggen moet je ’t eerst van Boven ontvangen hebben! Dat is een nieuwe geboorte. Het gaat dus om de vraag: vanwaar ben je eigenlijk?  Van hier?  Of van Boven? Van God? Jij bent zo’n echte mens, Nikodemus, zo’n mens van vlees en bloed, van hier, van deze wereld;  jij rekent met je verstand, jij houdt het op de zekerheden en mogelijkheden van deze wereld, jij weet het allemaal zo goed, je lijkt precies op ons, mensen van de 21e eeuw. Maar heb je ooit wel eens Gods wonderen in je leven toegelaten? Gods wondere macht, die alles op z’n kop stelt? Pas als je daarmee rekent, word je een mens voor Zijn Koninkrijk, een nieuw geboren, een HERBOREN, mens. God geeft je deze nieuwe geboortekans. Hij wil je leven opnieuw scheppen uit water en geest. Geboren worden is niet onze daad, wij zijn daarbij degenen, die ontvangen, die geschapen worden, niet degenen die zelf scheppen. Het is goed om daarop te letten. Wij zelf kunnen daar niets aan doen, aan die tweede geboorte, het wordt ons uit Gods goedheid en barmhartigheid geschonken, zo maar, onverdiend, zo lief heeft God ons! Het is dus niet een soort verbetering van je leven (verbeter de wereld, begin bij je zelf); en het is ook niet een soort boetedoening en bekering, zoals Johannes de Doper de mensen toeriep: “Bekeert u en laat u dopen!” Nee, van dat alles spreekt Jezus niet; geen geloofsactivisme, geen boetedoening, geen tonen van je betere wil. Wel spreekt Jezus van water en geest. Voor zo’n mens als Nikodemus is dit abracadabra; dat laat ook zijn typisch menselijke reactie zien. Hoofdschuddend zegt hij: “Kom nou, een mens kan toch niet twee keer geboren worden; hij kan toch niet zo maar weer de moederschoot ingaan en opnieuw geboren worden?”

Wat denk je toch weer menselijk-logisch, met je menselijke onverstand en kortzichtigheid. Weet je dan  niet, Nikodemus, dat wat bij de mensen onmogelijk is, mogelijk is bij God? Begrijp je dan niets van Gods wonderen? Als je niet opnieuw geboren wordt uit water en geest, zul je er ook nooit iets van kunnen begrijpen, van dat grote mysterie van God, van Zijn vrijheid en barmhartigheid, van Zijn liefde voor de mensen en Zijn zelfverloochening. Zie je dat water, Nikodemus? “Gewoon water” zeg je natuurlijk. Maar kijk er nou eens doorheen, het is levenswater, zuiverend water, het is het Doopwater voor het nieuwe leven, het vruchtwater van de nieuwe geboorte, het is de levensbron ons door God gegeven. En hoor je de wind, Nikodemus? Weet jij waar die vandaan komt? Nee hè? De wind heeft zijn eigen wil. Kijk, zo is het ook met God, met Zijn wondere kracht, die we “geest” noemen, onpeilbaar voor ons, een regelrecht geschenk van God. Daarom zeg ik je: tenzij jij opnieuw geboren wordt uit water en geest, zul je van die dingen van God niets begrijpen. Jij bent vlees, de mens, die zichzelf probeert te handhaven, die zichzelf niet uit handen kan geven. Ik ben Geest, neergedaald uit de hemel, de Zoon des mensen. Jij bent uit vlees geboren, Ik uit de Geest. Begrijp je het nu nog niet, Nikodemus? Ik, Die hier voor je sta, Ik ben het, het geheim van het nieuwe leven. Ik wil het jou ook geven, uit water en geest, om van jou een nieuwgeboren mens te maken!

Gemeente, wij zijn de Nikodemussen van onze tijd, proberend te begrijpen wat er in de Bijbel staat, goedbedoeld, maar wel naar onze maatstaven, net als bij de Schriftgeleerden uit de tijd van Jezus. Maar of we ook het wonder te pakken hebben, eigenlijk andersom: of we ook begrijpen, dat het wonder óns te pakken heeft, en dat we ons daarvoor open moeten stellen, dat is de vraag aan ons! Wij staan hier als Nikodemus voor Jezus, en het doopvont staat tussen ons in, het water, heenwijzend naar het levende water, Jezus Christus, onze levensbron. In dit water schenkt God ons een nieuwe geboorte, aan de dopelingen. Hij vraagt niet eerst aan hen: geloof je wel, heb je je wel bekeerd? Heb je wel belijdenis gedaan? Heb je wel het vaste voornemen je leven te verbeteren? Niets van dat alles! God vraagt niet, maar Hij schenkt Zijn barmhartigheid. Hij plaatst Jezus voor hen en doet ze opnieuw geboren worden uit water en geest. Dat is ons geloof, dat is Jezus’ blijde boodschap, echt Evangelie, vandaag in ons hoofdstuk Johannes 3. Wanneer je zó  gedoopt bent, dan hoef je nooit meer opnieuw gedoopt te worden. Wanneer God je zó in Zijn mysterie heeft opgenomen, dan zul je er uit kunnen vallen, ja zeker, maar je zult ook steeds weer een geopende deur tot Gods Koninkrijk terugvinden. Er zijn Gemeenteleden, die menen, dat de Doop als kind ontvangen krachteloos is en die het daarom als een goddelijke opdracht zien zich opnieuw te moeten laten dopen, op basis van hun persoonlijke bekering. Welnu, laat ik u zeggen: wie God één keer heeft geschapen in Christus, wie één keer wedergeboren is, wie één keer uit water en geest is herboren, die zal altijd in Gods gunst en genade blijven staan, tenzij hij of zij zich daarvan heeft losgemaakt door God af te wijzen en de weg ven het “vlees” te kiezen. Een tweede herboren-worden is daarvoor niet nodig. Je zou zelfs kunnen zeggen: het maakt Gods wondere daad bij de eerste doop als klein kind tot een lachertje. Het is beschamend te zien, hoe Nikodemus nog steeds onder ons leeft, sterker dan ooit misschien, nu er zoveel kerkelijke kerken en godsdienstige stromingen zijn, die menen het beter te weten, net als Nikodemus. Onze taak is het de kinderen, die het wonder van Gods wedergeboorte uit water en geest ontvangen hebben, bij dat wonder te houden door ze telkens voor Jezus te plaatsen in gebed en Bijbelvertelling, in ons voorbeeld, in onze liefde, in vergevingsgezindheid en opofferingsgezindheid. Dat immers zijn de vruchten van het wedergeboren zijn van Omhoog, met behulp van de Geest Die van Boven komt en niet door mensen kan worden ingepast in betweterijen.

Amen.

Ik raad u, Mijn oog is op u

Zo stellen wij nogmaals de vraag: wie geeft deze belofte? Sommige uitleggers hebben aan David zelf gedacht, de schrijver van deze psalm. Dan is het de belofte van de koning, die door diepe nood heen de rechte weg geleerd heeft om van zijn zonden verlost te worden en die in deze geest ook zijn volk op de rechte weg wil leiden. Dat is ongetwijfeld een mooie gedachte, zeker ook voor ons, die deel uit maken van een democratische monarchie, met een koning aan het hoofd.

Psalm 32, 8
“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij moet gaan;
Ik raad u, Mijn oog is op u.”

Het is zonder meer duidelijk, dat onze tekst een belofte inhoudt. Maar van wie die belofte is, is niet zonder meer duidelijk. De Psalm is daarvoor te wisselend. Hoewel hij een geheel vormt, is de gedachtegang niet zonder sprongen… Eerst spreekt de psalmdichter de mens zalig, wiens zonden zijn vergeven. Vervolgens deelt hij zijn eigen ervaring mee, die hem deze belofte op de lippen brengt. Toen hij namelijk zijn zonden verzweeg en er mee voortliep, drukte de hand van de Heer zwaar op hem, zodat hij naar ziel en lichaam wegkwijnde. Maar toen kwam er een heerlijke ommekeer: hij beleed zijn zonden, en toen hij dat deed, merkte hij direct daarop dat zij vergeven werden! Dat was een geweldige ervaring, die hij snel aan de anderen wilde meedelen: “Daarom bidde iedere vrome tot U, ten tijde dat Gij U laat vinden. Gij zijt mij een verberging, Gij bewaart mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met jubelzangen en bevrijding.” Tenslotte spreekt hij de belofte van onze tekst: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; Ik raad u, Mijn oog is op u.”

Zo stellen wij nogmaals de vraag: wie geeft deze belofte? Sommige uitleggers hebben aan David zelf gedacht, de schrijver van deze psalm. Dan is het de belofte van de koning, die door diepe nood heen de rechte weg geleerd heeft om van zijn zonden verlost te worden en die in deze geest ook zijn volk op de rechte weg wil leiden. Dat is ongetwijfeld een mooie gedachte, zeker ook voor ons, die deel uit maken van een democratische monarchie, met een koning aan het hoofd.

En toch ligt er in onze tekst iets, dat in zijn volstrektheid moeilijk van David kan gelden, namelijk de slotwoorden: “Mijn oog is op u.” Deze woorden immers krijgen dan pas echt betekenis, troostvolle betekenis, wanneer wij aan God Zelf denken. Wanneer HIJ deze woorden gesproken heeft, gaat de psalm nog veel helderder lichten en wordt hij veel rijker en dieper dan wanneer het alleen woorden zijn uit de mond van David. We mogen aannemen, dat David hier de woorden van God herhaalt, woorden die hem zelf tot zo diepe troost zijn geweest. Wij denken nog even terug aan de levensgeschiedenis van David, heel die droeve periode in zijn leven, toen hij Bathseba aan haar wettige man Uria ontnomen had en Uria aan het front de dood had ingejaagd. Hij was op een verschrikkelijke dwaalweg geraakt, en wat zou er van hem terecht zijn gekomen, als de Heer Zich niet over hem ontfermd had? God wil toch Zijn knecht op de rechte weg zien! Daarom neemt Hij Zelf ter hand, wat David niet tot stand kon brengen, Hij doet Zijn hart nog verder open en Hij vergeeft… zó, dat de weldaad van de schuldvergeving gepaard gaat met de weldaad van de leiding op de rechte weg. De oude theologen zeiden dan; de rechtvaardiging gaat hand in hand met de heiligmaking. “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet; ik raad u, Mijn oog is op u.”

Dat is de belofte van God, die David gelukkig heeft gemaakt, die hem heeft behouden bij zijn koninklijke opdracht om zijn volk in de “vreze des Heren” te leiden. Dat is ook de belofte van God, die ons wil leiden in de woeligheid van ons bestaan. Hij vergeeft ons onze zonden en leidt ons in Zijn rechte sporen. Hij zendt ons daartoe Zijn Zoon Jezus Christus. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij geeft Zijn leven voor ons aan het kruis, staat op uit de dood en schenkt ons Zijn Geest. Wat een genade is ons geworden!
God voorziet niet maar half in onze nood, maar Hij doet het helemaal. Hij bevrijdt ons niet alleen van de schuld der zonde, maar Hij wil ons ook leiden in alle gerechtigheid, om te doen wat naar Zijn wil is! Hij Zelf zal ons leven omzetten. Maar dan is de uitkomst ook gewaarborgd! Hij weet immers, hoe onze weg moet lopen. En Hij heeft er ook alles voor gegeven, opdat wij die weg zouden kunnen bewandelen. Hij Zelf, Jezus Christus, heeft die weg voor ons gelopen tot het bittere einde toe. En daarmee heeft Hij Zich aan ons gegeven, opdat wij die weg in al zijn zwaarte niet meer zouden hoeven lopen, maar alleen maar Hem in Zijn voetspoor hoeven te volgen!

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg, die gij gaan moet.” Dat is het grote wonder in Gods omgang met ons mensen: dat Hij ons niet alleen rechtvaardigt, ons de schuld vergeeft en neemt zoals wijn zijn, maar ons ook “heilig” maakt, dus maakt tot wat wij NIET zijn. Hoe weinig wij er voor ons gevoel ook van terecht brengen, van dat Christus’ geheiligde leven, nochtans ziet God ons als in Christus geheiligd aan!
Tenslotte: als God ons de weg leert, laten we dan ook luisteren!

Amen.

Leven van de Bijstand (Pinksteren)

Jezus heeft aan de mensen beloofd, dat Hij na Zijn dood de Trooster zou zenden, zodat zij niet als wezen achter zouden blijven. Zij zouden niet alleen zijn, verweesd, zonder vader en moeder, zonder iemand die voor hen zou zorgen. Nee, zegt Jezus, als Ik er straks niet meer zal zijn, dan zal HIJ er zijn, de Trooster, Die jullie in alles zal bijstaan, de GROTE BIJSTAND.

Jezus heeft aan de mensen beloofd, dat Hij na Zijn dood de Trooster zou zenden, zodat zij niet als wezen achter zouden blijven. Zij zouden niet alleen zijn, verweesd, zonder vader en moeder, zonder iemand die voor hen zou zorgen. Nee, zegt Jezus, als Ik er straks niet meer zal zijn, dan zal HIJ er zijn, de Trooster, Die jullie in alles zal bijstaan, de GROTE BIJSTAND. En DIE zal jullie alles leren en jullie te binnen brengen al wat Ik jullie gezegd heb. Hij geeft dus bijstand wel op een iets andere manier dan wij gewend zijn. Hij zal jullie leren en in herinnering brengen alles wat Ik gezegd heb. Leven van deze Bijstand zal dan ook betekenen: leven van Jezus, van wat Hij gezegd en gedaan heeft.

Eind van deze week is het Pinksteren. We herdenken het grote gebeuren in Jeruzalem van rond 33 n.C., dus zo’n 1982 jaar geleden: de uitstorting van de Heilige Geest, van die BIJSTAND, Die Jezus ons beloofd heeft. Het is een gebeurtenis, die ver achter ons ligt, maar toch nog zo heel actueel, met volop betekenis voor ons mensen van vandaag, voor mensen die het allemaal niet meer zo weten en ook niet meer zo zien voor de toekomst. Mensen, die er maar op los leven, ieder voor zich, dikwijls hulpeloos en hopeloos, omdat zij zo alleen staan in de wereld. Mensen, die al die geweldige problemen van vandaag niet meer aankunnen. De Heilige Geest is uitgestort, wij hebben een BIJSTAND en mogen leven van die BIJSTAND. Dat is toch maar een heel gelukkige boodschap voor al die mensen, van toen in Jeruzalem en van vandaag over heel de wereld. We hoeven het allemaal niet alleen te doen, we hoeven niet te versagen en te verpieteren en te verslappen en bij de pakken neer te zitten. Nee, we mogen leven VAN, van de BIJSTAND, de Geest van recht en waarheid en kracht. Hij blijft bij jullie en Hij zal IN jullie zijn. Jezus zegt het zo heel zeker, er is geen twijfel aan mogelijk. Die Geest, die Trooster, die BIJSTAND komt wis en zeker, daar mogen jullie vast en zeker op rekenen.

Hij is dan gekomen met Pinksteren. En wij mogen er deze week weer getuigen van zijn. Sterker nog: wij mogen er de bezitters van zijn! Christen-zijn vandaag is niet meer een hopeloos uitkijken van och-mocht-het-toch-eens-staan-te-gebeuren. Nee, Christen-zijn is de Heilige Geest in je hebben, leven van de BIJSTAND. Hij is als een onzichtbare antenne, die ons leven op God gericht houdt. Als een geheimzinnige kracht is het in ons werkzaam: het tilt ons boven ons zelf uit en drijft ons voort tot contact met de levende Heer. Leven van de BIJSTAND betekent, dat onze ogen geopend worden voor God, Die in de mens werkt, Die de mens wil helpen in zijn noden, Die verlossing zendt voor zijn zonden, Die de mens tegemoet komt in al zijn zwakheden en hem leidt op Zijn wegen van recht en waarheid. Wanneer David zijn psalmen zong in nood en vervolging, wanneer Rembrandt speelde met het licht op zijn schilderstukken, wanneer Bach zijn hemelse muziek toonzette, dan was het daar telkens de Heilige Geest als de grote BIJSTAND, Die bezig was de mens te laten zien, dat er nog een andere wereld is buiten die van ons, een bestaan zoveel hoger en anders en heiliger en eerlijker dan ons eigen menselijk bestaan. Allemaal werk van de BIJSTAND, inspiratie noemen we dat, inblazing. Deze bemoeienis in de vorm van troost en hulp van de BIJSTAND gaat maar door, zij loopt als een rode draad door de geschiedenis van mens en wereld heen, als het telkens weer aanflikkerende licht van een neon-reclame: BIJSTAND… BIJSTAND… BIJSTAND… Het zijn momenten, waarin plotseling de goddelijke majesteit en ontferming over ons mensen zichtbaar wordt. Dat Jezus gekomen is als de grote bevrijder en verzoener van de mensheid, en dat Hij ons de hartslag van Zijn Vader heeft laten voelen, en dat er nu uitkomst is voor iedereen die maar geloven wil, en dat we niet meer bang hoeven zijn, nergens voor, zelfs niet voor de dood. Dat alles laat ons de BIJSTAND zien en merken. Hij leert ons alles en brengt ons te binnen, waarvoor Jezus gekomen is en wat God van ons wil.

Hoe doet die BIJSTAND dat? Hoe brengt Hij ons dat alles te binnen? Ik dacht in de eerste plaats door ons op de Bijbel te wijzen, door ons vooral Jezus te laten zien en horen en lief te hebben. Dat wil voor vandaag zeggen: door ons te wijzen op het Pinksterverhaal, hoe onbegrijpelijk ook, met die windvlaag en die vurige tongen en al die vreemde talen, die toch voor de gelovigen verstaanbaar zijn. Wat die BIJSTAND dan van ons wil met dat oude Pinksterverhaal? Dat onze ogen er voor open gaan, dat de situatie van toen ook nog ONZE situatie is. Dat er door de wereld altijd nog een geluid als van een geweldige windvlaag gaat… als we maar wilden luisteren. De stormwind van God is niet uit geloeid. Overal, waar mensen elkaar liefhebben en helpen en vergeven, daar waait die wind. Laat hem ook in je eigen leven toe, als een verfrissende bergwind, die de donkere wolken in je leven verdrijft en de lucht opklaart. Ieder mens heeft z’n donkere wolken, hinderpalen die niet overwonnen kunnen worden. Is het soms een vervelende karaktereigenschap, waar je last van hebt, Gods Geest kan wat jij zelf niet kunt. Is het je trots: de stormwind van BIJSTAND kan die breken. Zijn het je driften en hartstochten, je lastige humeur of onzekerheid, laat de Geest daar iets aan doen! Leven van de BIJSTAND, dat is iets geweldigs, maar je moet die BIJSTAND dan ook wel de kans geven!

Precies zo is het ook met die vuurtongen. Ze zijn er, ze zweven boven onze hoofden en willen ons ook enthousiast maken voor het werk van Jezus. O, ziet u ze niet? Ik ook niet, en toch weet ik dat ze er zijn en dat ze zich op een ieder van ons neerzetten om ons te bewegen en te laten voelen: ook jij hoort er bij, ook jij bent een kind van God, ook jij mag van Hem getuigen en leven van de BIJSTAND. Die vuurvlammen zijn er, maar ze moeten ons persoonlijk eigendom worden door veel bidden en met elkaar spreken over de wonderen van God. En zo is het ook met het derde Pinksterwonder, die vreemde talen: iedereen hoorde hen in hun eigen taal spreken. En zij begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Heilige Geest hen gaf uit te spreken. Dat is het taalwonder van Pinksteren. De taal van de hoorder en de taal van de Heilige Geest, die twee horen bij elkaar. Een goed verstaander heeft een half woord nodig, dat wil zeggen: het zit ‘m eigenlijk niet zo zeer in woorden als wel, in het hart. Het goede verstaan van de Pinksterboodschap is een kwestie van daar binnen! En dan zijn er geen grenzen meer, want ook Jezus’ liefde is grenzeloos. En de Heilige Geest is internationaal, voor deze BIJSTAND bestaan er geen barrières van taal, volk, werelddeel, politieke ideologie. Slechts op één ding komt het aan: wordt de boodschap van het Evangelie gehoord en verkondigd in de taal van de Heilige Geest, die ons naar Jezus leidt, naar de Heiland der wereld?
U mag leven van de BIJSTAND. Zet de deur wagenwijd open!

Waar blijft de tijd L – Het Paulinische toekomst-perspectief

Bij de bespreking van de tijdsterminologie in Paulus’ brieven zagen we reeds, hoe zeer Paulus’ denken op de toekomst is gericht, waardoor ook het heden door hem benadrukt kan worden als de tijd, waarin de toekomst reeds werkelijkheid geworden is, als eschatologische heilstijd.

Bij de bespreking van de tijdsterminologie in Paulus’ brieven zagen we reeds, hoe zeer Paulus’ denken op de toekomst is gericht, waardoor ook het heden door hem benadrukt kan worden als de tijd, waarin de toekomst reeds werkelijkheid geworden is, als eschatologische heilstijd. Hierachter ligt niet zo zeer de apocalyptisch-dualistische wereldbeschouwing, die de apostel zou aanhangen, als wel de openbaring van het mysterie dat hem deelachtig is geworden: dat Christus IS gekomen en ZAL wederkomen. De apocalyptische tijdsbeschouwing van “toen en nu”, in feite lineair gedacht, blijft, hoezeer Paulus’ uitwendige terminologie daardoor ook beïnvloed is, toch slechts raamwerk van zijn tijdsopvatting. Vulling en betekenis immers krijgt deze pas en alleen in Christus. Natuurlijk liggen de wortels van de Paulinische “Naherwartung” ook in de verkondiging van Jezus Zelf. Hierdoor is de eigenlijke teneur van het apocalyptische schema te niet gedaan: moest voor de Joodse apocalyptiek de toekomst het nieuwe heil brengen, voor Paulus WAS dit heil al gekomen in Christus, in het “eens en voor altijd” van Rom.6, 10: “Want wat Zijn sterven betreft, is Hij voor eens en altijd voor de zonde gestorven, en wat Zijn leven betreft, leeft Hij voor God”. Zou voor de Joodse apocalyptiek de toekomst een totaal nieuw heil brengen, voor Paulus was dit heil niet totaal nieuw meer, immers God had het hem in Christus geopenbaard. Christus, en Hij alleen, is dan ook voor de apostel het uitgangspunt van zijn gedachten over de toekomst.

Het Christologische centrum
Met Christus is het toekomstige heil reeds in de tegenwoordige tijd ingedaald. Wij mogen in het heden als heilstijd, tijd van Evangelie-beleving en -verkondiging, proleptisch de toekomst met het daarin te ontvangen definitieve heil beleven. Dit geeft een voelbare spanning aan het leven van de Christen: het heil is nog uitstaande en toch ook al aanwezig. We vinden de futuristische uitspraken in het apocalyptische taalpatroon van de “dag des Heren” of “de dag van het oordeel” (Rom.2, 5.16; 1 Kor.5, 7.8; 2 Kor.1, 14), de “wederkomst” van de Heer”, ”Die ook hetgeen in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen der harten openbaar zal maken” (1 Kor.4, 5); het uiterlijk van de wereld “dat bezig is te verdwijnen” (1 Kor.731); de tijd die “sunestalmos” (kort, weinig) genoemd wordt (1 Kor.7, 29); de doden, die “zôopoiethesontai“: levend zullen worden gemaakt (1 Kor.15, 22). Paulus wijst er op, dat de “parousie” en het laatste oordeel, de laatste dag, nog geschieden moeten (1 Kor.1, 7): “Wij verwachten de openbaring van de Heer…” (vergelijk ook 2 Kor.1, 14: “gelijk gij reeds ten dele van ons hebt begrepen: dat wij uw roem zijn, evenals gij de onze op de dag van onze Here Jezus“).

De “komst van de Heer” (de “eschate hemera”) is een Oudtestamentisch gegeven. Het komen van God als wereldkoning, daarnaast het komen van de Messias, wordt door de profeten en later in de apocalyptiek onder een veelvoud van vormen verkondigd: het konings-Messianisme, de “Ebed Jahwe”, de Mensenzoongestalte en de priester-Messias. Het gaat bij al deze verachtingen om het zichtbaar worden van Gods heil en van Zijn heerschappij op aarde. “Parousia” betekent in deze geest: heilbrengende aankomst. In de Paulinische interpretatie moeten in het licht hiervan een tweetal kenmerken benadrukt worden:

  1. Het woord “parousia” wordt bij Paulus nooit voor de eerste aankomst van Christus gebruikt; “parousia” heeft daarom bij Paulus nooit de betekenis van “wederkomst”.
  2. Het tweevoudige begrip “komst” en “wederkomst” is pas van latere tijd (zie: 1 Tim.3, 16; 2 Tim.1, 10; hebr.9, 28 en het Johanneïsche “palin”(weer)).

De parousieverwachting is niet in alle brieven even sterk, zij varieert in intentie en belichting al naar gelang de onderwerpen, die Paulus ter sprake brengt (vgl 1 Thess.4; 2 Thess.3; 1 Kor.15, 2; 2 Kor.5; Rom.8; Phil.3 en Gal.5, 5). In de Deutero-Paulinen komt zij in deze vorm niet meer zo voor (alleen in Kor.3, 4); de toekomstverwachting is hier schijnbaar volledig gerealiseerd: het aanwezige heil krijgt het volledige accent, in het NU van verlossing en verzoening (Eph.2, 2v.13; 3, 5; 5, 8: “eens duisternis, NU licht!“).
Wij, schepping en Gemeente, “ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan.“(Rom.8, 23).
Ook de apostel zelf weet zich nog niet aan het doel (1 Kor.4, 4v; 9, 24vv; 2kor.5, 1-10). Hetzelfde geldt voor de gemeente: er moet nog veel gebeuren vóór het einde daar is, de volheid der heidenen moet ingaan, dan ook Israël (Rom.11, 25v). “Alle heerschappij, alle macht en kracht” zullen door Christus onttroond moeten worden, waarna ook de Zoon Zelf Zich aan God zal onderwerpen (1 Kor.15, 24 en 28).
Met name in de Korinthe-brieven wordt op het “nog niet” gewezen. We hoeven niet lang naar de oorzaak hiervan te zoeken. De Gemeente was immers in de ban gekomen van een enthousiaste richting, die zich niet alleen van de apocalyptische “nabije” parousieverwachting, maar helemaal van de Christologisch zo relevante hoop op de toekomst had losgemaakt. Deze dominerende groep in de Korinthische Gemeente ging er van uit, dat met de Doop het einddoel van de verlossing reeds verkregen was, en dat derhalve het leven op aarde alleen nog maar betekende: het hemelse leven tijdelijk te representeren. Beïnvloed door Hellenistische en mysteriegodsdienst geloofden zij, dat de opstanding der doden reeds had plaatsgevonden: door deel te hebben aan Christus’ kruis nemen de gedoopten als ’t ware tegelijk deel aan de opstanding en de inthronisatie van Christus, waardoor zij van de dood en de oude machten bevrijd en reeds in het nieuwe Rijk van Christus geplaatst zijn.

Deze “gerealiseerd-eschatologische” opvatting moet in het vroege Christendom veel aanhangers geteld hebben. Zij klinkt nog door in oude lied- en belijdenisfragmenten, zoals Eph.2, 5v; 5, 14; Kol.2, 12v.
Paulus heeft dit enthousiasme van de praesentische eschatologie gecorrigeerd door steeds weer te wijzen op de heilsvolheid, die nog komen moet. Zo heeft hij in Romeinen 6, 4-9 het “reeds” deel hebben aan het kruis gescheiden van het “straks” deel hebben aan de opstanding. Deze anti-enthousiastische trek wordt in de Korinthe-brieven met name daar gevonden, waar Paulus duidelijk maakt, dat ommekeer in de existentie niet door de sacramenten, maar door het levendmakende Woord van Jezus bewerkt wordt, en dat de realiteit van het nieuwe leven alleen in de “nova oboedientia” (nieuwe gehoorzaamheid) gevonden kan worden. Het zal overigens voor die Christenen, net als voor ons vandaag, een moeilijk aanvaardbaar gegeven geweest zijn, dat – uitgaande van de inthronisatie van Christus – enerzijds betuigd en geloofd kan worden, dat alle machten reeds door Christus zijn overwonnen en de nieuwe aeon is aangebroken, anderzijds toch gesteld moet worden dat de oude wereld nog niet veranderd is en dat wij nog “slechts” in afwachting kunnen zijn van de totale vernieuwing en heilsvolheid in het einde ,(1 Kor.15, 24) “En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft“.

De Korinthische stroming ontplooit het verlossingsgebeuren als een Heilsgeschichtlich mysteriedrama, die in fasen verloopt: van praeëxistentie tot incarnatie (vernedering!), van daaruit weer tot verhoging in de inthronisatie van Christus. Qua tijdstructuur heeft deze enthousiastische beschouwing verwante trekken met de apocalyptiek: in de atmosfeer van de mysteriereligie wordt in het anthropologische overgebracht, wat voordien apocalyptisch met “keerpunt der aeonen” was bedoeld. Hierdoor worden de oorspronkelijk teleologische tijdselementen in het tijdloos-typische omgezet. In het oog van Paulus moet dit wel “wildgroei” zijn, en hij doet er dan ook alles aan om deze uitwas te doorbreken, in de eerste plaats door formeel terug te grijpen op het futurische element in de apocalyptische tijdsbeschouwing, waarbij evenwel de inhoud van Christus’ komst als centraal alle tijden omvattend gegeven gewaarborgd blijft. Het lijkt alsof Paulus hiermee op twee met elkaar onverenigbare tijdsbeschouwingen stoelt: enerzijds de “Vergegenwärtigung” van het eschatologische heil in het “ho nun kairos” anderzijds de uitdrukkelijke verzekering, dat NOG de nieuwe aeon niet is aangebroken, dat het oude doorgaaat en de heilszekerheid alleen in het “hopen en verwachten” gegrond kan worden, dat pas met de parousie en de algemene opstanding der doden vervuld zal worden. Toch voelt Paulus dit niet als een probleem, omdat hij niet in de eerste plaats aan de tijd, de structuur van tijd en geschiedenis, geïnteresseerd is, maar aan het heil van Christus en de verkondiging van dat heil in “zijn” Evangelie (Rom.2, 16; 16, 25 en 2 Kor.4, 3). Deze verkondiging ziet Paulus als zijn persoonlijke van Christus verkregen opdracht. Hierdoor is het ook verklaarbaar, dat zijn uiteenzettingen in de brieven, mede ook door de vanuit de praktijk aangegeven dialectische structuur, meer antropologisch zijn toegespitst (namelijk dat zij de existentie van de gelovige ten opzichte van Christus op het oog hebben) dan dat zij uitspraken beogen te zijn over een bepaald geschiedenisverloop. Theologisch worden beide op het gezicht zo tegengestelde richtingen dan ook samengehouden “in Christus”, en wel heel persoonlijk in het “gegrepen zijn door Christus” (Phil.3, 12) en in het leven van de Christen door de geest, gekenmerkt door het “hôs” en het “hôs me”, paraenetisch door de indicatief met de imperatief, vergelijk 1 Kor.7, 29-31: “29 Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dit: we hebben nog maar een korte tijd. Laten daarom de getrouwde mannen leven als hadden ze geen vrouw; 30 wie huilen, als huilden ze niet; wie zich verheugen, als verheugden ze zich niet; wie iets kopen, als bezaten ze het niet 31 en wie zich bezighouden met aardse zaken, laten zij er niet in opgaan. Want de wereld in zijn huidige vorm is aan het voorbijgaan“. Over de gave van de Geest en het zijn-in-Christus kan de mens niet zo maar beschikken, dat vraagt een voortdurende worsteling: om ook te worden die je bent! Vgl.Phil.3, 12-14; 1 Kor,9, 24-27. Herhaalde malen konden wij reeds opmerken, dat de tijd bij Paulus Christologisch-soteriologisch is bepaald en geen gedachteobject op zich zelf is, alleen als raamwerk, als uitdrukkingsmiddel in de actualisering van het kerugma is zij van belang.

Bij de toekomst-uitspraken is deze “secundaire” functie van de tijd in het denken van Paulus niet te miskennen. Beginnen we met een tekst waarin de apostel over de toekomst van zijn eigen persoon spreekt: 1 Kor.4, 1-5 “1 Men moet ons dus beschouwen als helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen 2 Welnu, van een beheerder wordt niets anders geëist dan dat hij betrouwbaar blijkt. 3 Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet. 4 Want ik ben mij van niets bewust, maar daardoor ben ik nog niet gerechtvaardigd. Wie mij echter beoordeelt, is de Heere. 5 Hij zal ook wat in de duisternis verborgen is aan het licht brengen, en de voornemens van het hart openbaar maken. En dan zal ieder van God lof ontvangen.

Paulus is door bepaalde groeperingen in de Korinthische Gemeente beoordeeld, en gerust mag dienaangaande aangenomen worden dat het resultaat niet bepaald positief is uitgevallen. De show lag Paulus nu eenmaal niet. In onze tekst laat hij dit ook duidelijk doorklinken: “3 Maar het betekent zeer weinig voor mij dat ik door u beoordeeld word of door enig menselijk oordeel. Ja, ik beoordeel ook mijzelf niet.
Wie mij echter beoordeelt, is de Heere. Oordeel daarom niets vóór de tijd, totdat de Heere komt!
Niet het toekomstperspectief staat hier centraal, doch de beoordeling van de mens door de Heere!
In 1 Kor.9, 24 bruikt Paulus het beeld van de renbaan: wij moeten zo lopen, dat we de prijs behalen! Het gaat niet vanzelf, je hebt er heel wat voor te doen. Dat doet Paulus ook: ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden (vs.27). Ook in dit gedeelte blijkt het tijdsaspect , in dit geval dus de toekomst, secundair te zijn. Het gaat hier immers om het doel in het menselijke leven: de onvergankelijke erekrans te krijgen.
In 2 Kor.4, 16- 5,10 wekt Paulus op “de moed te bewaren”, ook bij het sterven. De tijdelijke, aardse tent waarin wij wonen, is immers van minder belang dan het eeuwige huis van God, “zodat we ér naar haken met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, bevonden zullen worden.” Het leven is toekomstgericht, omdat de Heer DAAR op ons wacht. “Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed“, want “STRAKS” zullen we bij de Heer onze intrek nemen (vs.6 en 8). De futurische uitspraken bij Paulus staan, zoals ook hier weer blijkt, overwegend in dienst van de verkondiging tegenover de aangevochtenen en lijdenden (vgl.Rom.8, 18-39). Het accent in deze pericoop uit 2 Kor.4 ligt dan ook op de troostvolle verzekering, dat de Heer zelfs door de dood heen op ons wacht.

55 jaar in lief en leed verbonden

Op zondag 19 april waren we 55 jaar getrouwd! Wat en tijd, wat een belevenissen, wat een rijkdom aan ervaringen, lief en leed! We zijn er heel dankbaar voor en kunnen oprecht zeggen: “DANK, DANK GOD, VOOR DIE GENADE!”

Op zondag 19 april waren we 55 jaar getrouwd! Wat een tijd, wat een belevenissen, wat een rijkdom aan ervaringen, lief en leed! We zijn er heel dankbaar voor en kunnen oprecht zeggen: “DANK, DANK GOD, VOOR DIE GENADE!” Op Face Book had onze dochter Pien het al beschreven: “zaten we heerlijk buiten in het zonnetje koffie/thee met een petitfour te eten. En ook erna zaten we nog tot 17 uur heerlijk na te kletsen met een drankje. Al met al een geslaagde middag!” Waar dat was? In restaurant “De Binnenmaas” te Mijnsherenland. Het was een middag vol verrassingen! Toen we er om half twaalf binnenkwamen, zei de ober: “Wilt u niet naar buiten gaan? Op het terras is het al lekker, uit de wind.” En ja hoor, de zon scheen volop, eerst hadden we de jas nog aan, maar al gauw werd die uit gedaan. Het was echt een verrassing, want de weersvoorspelling voor die dag was niet zo bijzonder. Toen iedereen er was, zijn we naar binnengegaan voor de brunch. Dat was zo gezellig, dat we pas om half vier klaar waren! We zijn toen weer naar buiten gegaan. Enfin, Philippien heeft dat al hierboven beschreven. We waren tegen half zes weer thuis, helemaal verzadigd en ook een beetje moe.

11140163_487684898049503_6801349353853173228_o

Als herinnering aan die dag en ons 55 jarig samenzijn heeft onze oudste kleindochter een mooi gedicht geschreven (op Face Book):

Hunebedden
Hé, wil je een boterham?
Zei je tegen mij
Ik dacht
Ik zag je staan
Je viel me hier zo op
Zo jong tussen de oudheid
Ik zag je naar mijn boterham staren
En ik dacht wie weet
Wie weet over een jaar of tien
Wie weet zie je mij dan nog wel staan
En wie weet over een jaar of vijfenvijftig
Wie weet dan nog steeds wel misschien

10321798_487684984716161_6009184486433020210_o

Overweging 2e week van de vastentijd jaar B.

Juist op momenten dat we het niet meer zien zitten krijgen we soms steun uit een onverwachte hoek. We krijgen een inzicht, er gebeurd iets wat ons weer uitzicht geeft, of er komt iemand op ons pad, die ons weer de weg naar boven wijst.

In de lezingen en het evangelie van vandaag staat centraal, dat God ons tegemoet komt, en steunt op onze meest moeilijke momenten, en onder de meest moeilijke omstandigheden.

Juist op momenten dat we het niet meer zien zitten krijgen we soms steun uit een onverwachte hoek. We krijgen een inzicht, er gebeurt iets wat ons weer uitzicht geeft, of er komt iemand op ons pad, die ons weer de weg naar boven wijst.

In de eerste lezing krijgen we te maken met het verhaal van Abraham, die door God gevraagd wordt zijn zoon Izaak te offeren. Onze eerste reactie zal zijn, wat is dat voor een onmenselijke God, die een vader vraagt zijn zoon te offeren. Toch was het in vroegere godsdiensten gebruikelijk, dat er kinderoffers werden gebracht om de Goden goed te stemmen. We zien dit niet alleen, in godsdiensten, die destijds in het midden oosten bestonden, maar ook bv. bij de Inca’s in Zuid-Amerika en bij Afrikaanse volken. Het verschil is, dat de God van Israël, dit offer voorkomt en tegenhoudt. De verteller wil laten zien, dat het offeren van kinderen uit den boze is, ook al was het gangbaar in die tijd. Geprezen wordt het geloofsvertrouwen van Abraham, omdat hij erop vertrouwt dat God, in de toekomst van zijn zoon zal voorzien.

Toch zijn dergelijke verhalen, voor onze moderne westerse maatschappij moeilijk te begrijpen. Maar toch gebeuren ook in de huidige maatschappij, nog de vreselijkste dingen, die voor ons onbegrijpelijk zijn. Kijk maar naar de onthoofdingen, verbrandingen en verkrachtingen in verschillende gebieden in het midden oosten en Afrika door extremistische islamitische groeperingen.

Dit gebeurd op basis van passages, die in de koran staan. Maar ze worden helemaal uit hun verband gehaald, of op een totaal verkeerde wijze geïnterpreteerd. Dergelijke passages staan ook in de Bijbel, en in naam van het christelijke geloof, zijn ook de vreselijkste dingen gebeurd in het verleden, denk aan de heksenverbrandingen, de inquisitie en de vele martelaren die gestorven zijn.

Het woord martelaar heeft echter nogal wisselende betekenissen, vooral in de huidige tijd. Iemand die zich opblaast, en vele slachtoffers maakt, wordt door bepaalde groeperingen ook als martelaar gezien. Het is voor ons heel raar, dat er in andere culturen en religies, heel anders naar dezelfde feiten wordt gekeken.

Ik heb recent op TV een aantal afleveringen gezien van “Onze man in Iran”. Hierin vertelt een westerse journalist, die verliefd geworden is op een Iranese vrouw, en al jaren in Iran woont, over zijn leven daar.
Hij vertelde zowel over de positieve als de negatieve gewoonten en vrijheden daar. De mensen zijn erg gastvrij en familiebanden zijn erg belangrijk. Ook is er tot op zekere hoogte, veel meer vrijheid dan we in het westen zouden denken. Mensen benaderen elkaar veel formeler en zijn lang niet zo direct als wij Hollanders gewend zijn. Veel moet tussen de regels doorgelezen worden. Er komen ook negatieve zaken aan de orde, zoals het verhaal van een vrouw, die met zoutzuur verminkt was, omdat ze een huwelijksaanzoek had afgewezen. Onbegrijpelijk voor ons, maar voor Iraniër is onze seksuele vrijheid en de westerse kledingsstijl onbegrijpelijk.

Wat me echter het meest bij is gebleven, is het verhaal van een vrouw wier vader op jonge leeftijd was gesneuveld in de Iran Irak oorlog. Hij was een held voor haar en in hun huis, was een grote plaquette aangebracht, waar hij nog dagelijks geëerd werd. Ze hoopte, dat zij ook zo mocht sterven, terwijl uit het verdere gesprek bleek dat ze hele moderne ideeën had, over meer rechten voor vrouwen, studeren en noodzakelijke maatschappelijke veranderingen.

In hetzelfde programma kwam een man aan het woord, wiens zoon pas gestorven was in Syrië. Hij zei geen verdriet te ervaren, alleen maar trots dat zijn zoon als martelaar gestorven was. Zoiets kunnen wij ons amper voorstellen. Toch is dit waarschijnlijk zijn manier om het verdriet te verwerken, en draagbaar te maken. Ieder mens heeft zijn of haar manier om verdriet en tegenslagen te verwerken. Vaak doen mannen het, weer op een heel andere manier dan vrouwen. Verdriet b.v. het verlies van een kind kan tot toenadering of verwijdering van partners leiden.

Een aantal jaren geleden beschreef een vrouw, het verdriet over het verliezen van haar zoon, en de verwijdering, die dat had gegeven tussen haar man en haar. Zij wilde praten over haar verdriet en hij kon dat niet. De vrouw zocht daarom contact met lotgenoten, om haar verdriet te kunnen delen en te rouwen. Uiteindelijk ging ze zelf ouders helpen, die hun kind verloren hadden en dat bracht de echtelieden ook weer tot elkaar. Hun beider leven was rijker geworden ondanks hun grote verlies.

Dat is iets dat Jezus ons in het evangelie ook duidelijk wil maken. Voor het verhaal van de gedaanteverandering en de verheerlijking, staat in het Marcusevangelie, het verhaal over het lijden dat Jezus zal moeten ondergaan. God laat aan Jezus zien, dat hij zijn beminde zoon is en roept Petrus, Jacobus en Johannes op naar Hem te luisteren.
Dit is de 2e keer in het Marcus evangelie, dat Jezus direct door zijn Vader toegesproken en bemoedigd wordt. Het gebeurde bij zijn doop, toen de Heilige Geest in de vorm van een duif op Hem nederdaalde, en dezelfde woorden sprak. Jezus stond toen aan het begin van zijn openbare leven en de uitvoering van zijn roeping. Vandaag klinkt Gods stem opnieuw, maar nu na de aankondiging van zijn lijden. God wil zijn Zoon bemoedigen en Hem een hart onder de riem steken, zodat Hij de kracht krijgt, om ook het laatste moeilijke deel van zijn weg te gaan. In tegenstelling tot bij zijn doop, waar deze mystieke ervaring alleen voor Jezus waarneembaar was, zijn nu 3 van zijn apostelen getuigen.

Jezus weet dat ook zij een heel zwaar leven zullen krijgen, enkel omdat ze zijn volgelingen zijn en Zijn heilswerk moeten voortzetten. Deze enorme topervaring moet ook hen bemoedigen, en hen later helpen om alle tegenwerking van de gevestigde orde te weerstaan. Dit wordt nog versterkt door de aanwezigheid van Moses en Elia. Beide zijn belangrijke profeten uit de Joodse geschiedenis. Ze hebben alle twee te maken gehad, met grote radeloosheid en diepe wanhoop in hun persoonlijke leven. Maar ze hebben beide ook doorgezet, hun crisissen overwonnen en hun door God gegeven taak volbracht.

Zo hebben ook wij allemaal een opdracht en zullen er pieken en dalen in ons leven voorkomen. Mooie momenten of de herinneringen daaraan, kunnen ons de kracht geven om door te gaan. Zware en donkere omstandigheden kunnen ons ook weer dichter tot God brengen. In deze tijd is het soms moeilijk om vast te houden aan ons geloof. In de wereld gebeurt een hoop ellende, die door veel mensen toegeschreven wordt aan godsdiensten. Kerken gaan dicht, er treedt vergrijzing op, en vele denken God niet meer nodig te hebben.

Toch is het belangrijk dat we God blijven ontmoeten, in de natuur, in het gebed, of in de omgang met anderen, zoals in deze gemeenschap. God werkt door mensen, via zijn schepping en in de stilte van ons hart. We mogen ook best onze twijfels hebben, want zonder twijfel is groei van ons geloof niet mogelijk.
Groei, is iets negatiefs, een donkere tijd, of een moeilijke situatie omzetten in iets positiefs, zoals het eerder genoemde echtpaar, dat hun zoon verloor. Of zoals het verhaal, dat een gehandicapte vrouw mij vertelde tijdens een bedevaart in Lourdes. Ze moest heel het jaar sparen om mee te kunnen gaan, maar ze zei dat ze daar de kracht en inspiratie kreeg om er weer tegenaan te kunnen. God geeft ons kracht, om uitzichtloze situaties om te buigen in nieuwe kansen. Als er een deur gesloten wordt, gaat er ergens weer een venster open. Laten we in deze vastentijd hier af en toe eens bij stilstaan.

Amen.

Peter Carpay

Waar blijft de tijd XLIX – De wet (Rom.3, 21-31; Gal.3, 15vv; Rom.7, 7vv en 10, 4)

In het spreken van Paulus over de wet heeft men wel eens een periodisering willen zien, die er op zou duiden dat Paulus bij zijn denken over het verleden toch een “geschiedenis in stadia” voor ogen had: een tijd vóór de wet, het tijdperk van de wet en de Christelijke tijd, waarin de wet is afgedaan, overeenkomstig Rom.10, 4.

In het spreken van Paulus over de wet heeft men wel eens een periodisering willen zien, die er op zou duiden dat Paulus bij zijn denken over het verleden toch een “geschiedenis in stadia” voor ogen had: een tijd vóór de wet, het tijdperk van de wet en de Christelijke tijd, waarin de wet is afgedaan, overeenkomstig Rom.10, 4:

De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard“.

Ook deze teksten spreken hiervoor:

Eens leefde ik zonder de wet, maar door de komst van het gebod kwam de zonde tot leven” (Rom.7, 9).
Weliswaar is de wet er bijgekomen, waardoor de overtredingen zich hebben vermeerderd. Maar waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade mateloos” (Rom.5, 20).

Doch, gezien de verschillende achtergronden van deze teksten, is het onmogelijk daaruit een “geschiedenisontwerp” van Paulus te maken. Immers, ook hier gaat het niet om een bepaald “tijdsverloop”, maar om een zakelijke tegenstelling, welke door Paulus wordt opgevoerd om het heil in Christus te verduidelijken: “nomos” is in origine de Mozaïsche wet, maar Paulus denkt bij het spreken over de nomos synthetisch, zodat de nomos staat voor heel zijn machts- en invloedssfeer, de claim die hij op de mensen legt en de gevolgen die daaruit voortvloeien voor de menselijke existentie. Wet, zonde en dood bepalen immers naar Paulus’ gevoel het leven “en sarki” (in het vlees) van de onverloste mens, waaraan Christus een einde heeft gemaakt, zodat de apostel in Rom.8, 9 kan uitroepen:

Maar u leeft niet zo. U laat u leiden door de Geest, want de Geest van God woont in u. Iemand die zich niet laat leiden door de Geest van Christus behoort Christus ook niet toe.

Het is evident, dat Paulus hier de nieuwe situatie in Christus wil uitleggen. Hiervoor maakt hij graag gebruik van de elementen der “oude bedeling”, die nu zijn afgedaan, evenwel door hun contrast met overeenkomstige elementen in de “nieuwe bedeling” het Christologische heil nog belichten. Zo contrasteert Rom.7, 6 de verlorenheid van de mens onder de wet en de nieuwe existentie in Christus in de antithese:

”…zodat we niet meer de oude orde van de wet dienen, maar de nieuwe orde van de Geest“.

HET grote thema van de Romeinenbrief, de rechtvaardiging uit het geloof alleen (Rom.1, 17), wordt door Paulus in steeds weerkerende contrasterende begripsparen zoals “gramma-pneuma”, “palaios-kainos” (oud-nieuw), “thanatos-zôe” (dood-leven), beschreven. Hiertoe behoorden ook de antithesen Adam-Christus, werkgerechtigheid-geloofsgerechtigheid, Oude-Nieuwe Verbond. Het is in het geheel van deze thematiek, dat Paulus de “nomos” tegenover Christus plaatst, om duidelijk de superioriteit van Christus en Zijn heil uit te laten komen, en de onverenigbaarheid van geloof en wet als heilswegen te bewijzen. Wij mogen hieraan ook de tweeslachtigheid in de Paulinische interpretatie van het wetsbegrip toeschrijven: nu eens Heilsgeschichtlich dan weer existentieel (duidelijk zichtbaar in Gal.3, 10-29). Wij stonden allen onder de vloek der wet, Jodenchristenen en heidenchristenen, totdat Christus kwam. Hij heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet. En daarom moeten wij het niet meer van de werken der wet verwachten, maar alleen van het geloof in Christus: nomos is tegelijk historisch gegeven als ook existentieel heilsprincipe, tegelijk individuele als ook wereldhistorische macht. Toch betekent dit in het oog van Paulus niet in de eerste plaats periodisering, en zeker niet in de geest van onze moderne geschiedeniswetenschap, wel heeft hij er de tegenstelling onheilstijd-heilstijd mee op het oog. Maar ook dat niet alleen, want Paulus ziet deze tegenstelling doorbroken door het continue gegeven dat “Christus” is: ook in het verleden is Christus aanwezig, Zijn heil werpt zijn schaduwen ver vooruit, waardoor er ook in de onheilsgeschiedenis reeds Heilsgeschichte gevonden wordt. Met het oog op Christus is Abraham gerechtvaardigd uit het geloof en “in Christus” waren “de vaderen allen onder de wolk …”(1 kor.10, 1-4). Wanneer Paulus naar de geschiedenis van zijn volk kijkt, ziet hij daar steeds weer Christus, tegelijk echter ziet hij een tijd en een macht, die door Christus zijn afgedaan: de tijd en macht van de wet. Ook hier blijkt, hetgeen we reeds eerder ontdekten: verleden tijd heeft voor de apostel een tweeledige functie: door Christus te niet gedane onheilstijd en tegelijk reeds op Christus vooruitlopende heilstijd.

Centraal in Paulus’ visie op het verleden blijft de kruisdood van Christus staan: “Hij stierf” (Rom.5, 6) en het “Christus heeft ons vrijgekocht” (Gal.3, 13). Dit heilsgebeuren alleen bepaalt het leven van enkeling en wereld, verleden en heden, existentie en Geschichte. Het doorbreekt ook alle antropologische systemen. Hierin moeten we ook de diepste oorzaak zoeken van de onvruchtbaarheid der discussie over de zogenaamde Heilsgeschichtliche of existentiële benadering van Paulus. Hij is met zijn tijdsopvatting niet in een systeem onder te brengen. Zeker niet, waar het systemen betreft die hun uitgangspunt hebben in het westerse wetenschappelijke, historische en filosofische denken van de vorige eeuw. Volgens Paulus worden in Christus juist al onze menselijke systemen doorbroken!

Willen we toch Paulus’ brokkelende spreken over de Tenach en daarmee zijn visie op het gebeuren van “vroeger” enigszins systematisch ordenen, dan kan het begrip “Erwählungsgeschichte”, waarmee Wilckens opereert (U.Wilckens in Festschrift gerhard von Rad: Die rechtfertigung Abrahams nach Römer 4) dienstbaar zijn, omdat daarin de continuïteit van Gods daden in Israël zichtbaar wordt, terwijl de
eenzijdigheid en historische belasting van Heilsgeschichte vermeden wordt. In de “Erwählungsgeschichte ” speelt de “nomos” een belangrijke rol, met als centrale tekst Rom.10, 4:

“De wet vindt zijn doel in Christus, zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard”.

De functie van de wet kan hierbij in tweeërlei zin verstaan worden. Ten eerste: de wet is er bij, er tussen, gekomen, om de zonden bloot te leggen en zo als tuchtmeester de mensen tot Christus te brengen (Gal.3, 19, 24). Hier is Christus dus het doel van de wet, zodat de wet op Christus is gericht en Paulus in Rom.7, 12 de wet heilig en rechtvaardig en goed kan noemen. Deze opvatting zouden we de “positieve” zijde van de Paulinische wetsbeschouwing kunnen noemen. Daartegenover vinden we een “negatieve” beoordeling, die voortkomt uit de “synthetische” beschouwing van de wet als geheel van invloedssfeer van de zonde, zoals zij door de Mozaïsche wet openbaar wordt gemaakt, en machtsgebied van de dood, als straf op de zonde. Wet wordt hier als macht verstaan, die de mens onder de oude bedeling heeft geknecht en wiens heerschappij nu door Christus gebroken is.”Het doel(einde) der wet” betekent dan ook dat de wet is opgeheven, is te niet gedaan, is overwonnen. Zo kunnen we het best Rom.10, 4 uitleggen.
Hoe het ook zij, bij beiderlei uitleg wordt de wet, zijn tijd en macht, vanuit de Christologie beoordeeld: Christus is de triomfator over de wet en heel zijn macht en invloed op de mensen. In de nieuwe situatie, ontstaan door Christus’ dood en opstanding, heeft de wet, zijn prikkel en zijn macht, volledig afgedaan. Dat betekent het einde van de wet als heilsweg:

“zodat iedereen die gelooft rechtvaardig zal worden verklaard” (Rom.10, 4b).

En de ontsluiting van de heilsweg van de genade voor het geloof, dat wil zeggen voor de mens, die de eigen gerechtigheid opgeeft en zich radicaal aan God overgeeft, Die uit de dood in het leven voert. Dit geldt voor beide manieren, waarop Paulus met de wet omgaat: in de existentiële antithese: ”heil van Christus – vloek van de wet” (Gal.3, 13), en de meer op het tijdsverloop van de geschiedenis duidende “eertijds onder de wet, maar thans …(Rom.7, 9).

Samenvatting en conclusie:
Samenvattend kan gezegd worden, dat het verleden – in de geschiedenis van zijn volk – voor Paulus dient ter nadere interpretatie van zijn Evangelie. Het gebeurde in het verleden wordt dan ook alleen maar in betrekking tot Christus ter sprake. 2 kor.1, 20:

“Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons.”

Christus is het “JA van God” tot al het Oudtestamentische Evangelie. Hij en de verkondiging van het kerugma vormen in de diverse aspecten het zakelijke midden van Paulus’ visie op het verleden. De Paulinische tijdsbeleving in het zicht op het verleden is dan ook op z’n kortst geactualiseerd kerugma te noemen.

Waar blijft de tijd XLVIII – Abraham (Rom.4 en Gal.3)

Zoals de confrontatie met Adam is ook het ten tonele voeren van Abraham in Rom.4 en Gal.3 eigenlijk niet op, het verleden, maar op het heden gericht.

Zoals de confrontatie met Adam is ook het ten tonele voeren van Abraham in Rom.4 en Gal.3 eigenlijk niet op, het verleden, maar op het heden gericht. Het thema van beide hoofdstukken is immers de rechtvaardiging uit het geloof “voor ons”, aan wie het geloof tot gerechtigheid zal worden toegerekend (Rom.4, 24). Om dit laatste duidelijk te maken blikt Paulus als ’t ware over onze hoofden heen op Abraham, die volgens de Joodse traditie als buitengewoon rechtvaardig gold en ook als DE gelovige bij uitstek. In de laatjoodse literatuur der apocalyptiek is de uitverkiezingstekst Gen.15, 6: “En Hij rekende het hem toe als gerechtigheid” dan ook een centraal gegeven.
Paulus argumenteert in Rom.4 met de rabbinistische methode van de “Gezera Sawa”, waarmee hij aantoont dat Abraham uit geloof gerechtvaardigd werd (Rom.4, 1-8) en dat hij alleen uit GELOOF gerechtvaardigd werd (vs.9-16), zodat Abraham’s geloof gebaseerd is op de belofte. Deze belofte, zo gaat Paulus verder in Gal.3, 17vv wordt door de wet, die 430 jaar later gekomen is, niet krachteloos gemaakt, integendeel: zij is door de wet, die niet levend kan maken (21) doch alleen “de overtredingen kan doen blijken”(19), als het enige levendmakende principe nog nodiger geworden. De rechtvaardiging uit het geloof op grond van Gods belofte is de enige heilsweg ten leven!

Conclusie:
Ook in de terugblik op Abraham blijkt Paulus niet direct in het verleden geïnteresseerd te zijn, maar alleen indirect: voor zover het de triple-relatie God-mens-wereld in het HEDEN verduidelijkt. Paulus is zakelijk bij het verleden betrokken, in theologice, niet in tempore.

Waar blijft de tijd XLVII – Adam en Christus

Hier ontmoeten we het typisch Joodse corporatieve denken. In beide tegenover elkaar gestelde figuren gaat het immers niet om individuen, maar om de hele mensheid, en wel onder twee verschillende aspecten.

Romeinen 5, 12-21; 1 Korinthiërs 15, 21v en 44-49.

Hier ontmoeten we het typisch Joodse corporatieve denken. In beide tegenover elkaar gestelde figuren gaat het immers niet om individuen, maar om de hele mensheid, en wel onder twee verschillende aspecten. Ook, wanneer Paulus bij Adam aan de enkele persoon gedacht heeft, zal hij tegelijkertijd allen die “zonen van Adam” zijn, op het oog gehad hebben, want de persoon Adam vormt een onlosmakelijke eenheid met het hele menselijke geslacht, beide zijn een “corporate personality”. Hetzelfde geldt voor Christus: ook als verhoogde Heer is Hij volkomen één met Zijn Gemeente. Dat zien we ook terug in het beeld van hoofd en lichaam, lichaam en leden, in 1 Kor.12, 12v en Eph.4, 15v.

Adam is de zondaar en in hem is het menselijke geslacht zondig geworden. Christus is de “genadegave van God” en in Hem ontvangt de hele mensheid genade van God (Romeinen 5, 12-21):

“12 Door één mens is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood, en zo is de dood voor ieder mens gekomen, want ieder mens heeft gezondigd. 13 Er was al zonde in de wereld voordat de wet er was; alleen, zonder wet wordt er van de zonde geen rekening bijgehouden. 14 Toch heerste de dood in de tijd van Adam tot Mozes over alle mensen, ook al begingen ze met hun zonden niet dezelfde overtreding als Adam. Nu is Adam de voorafbeelding van hem die komen zou. 15 Maar de genade gaat zijn overtreding verre te boven. Door de overtreding van één mens moesten alle mensen sterven, maar de genade die God aan alle mensen schenkt door die ene mens, Jezus Christus, is veel overvloediger.16 Dit geschenk gaat het gevolg van de zonde van één mens verre te boven, want die ene overtreding heeft tot veroordeling geleid, maar de genade die na talloze overtredingen geschonken werd, heeft tot vrijspraak geleid. 17 Als de dood heeft geheerst door de overtreding van één mens, is het des te zekerder dat allen die de genade en de vrijspraak in zo’n overvloed hebben ontvangen, zullen heersen in het eeuwige leven, dankzij die ene mens, Jezus Christus. 18 Kortom, zoals de overtreding van één enkel mens ertoe heeft geleid dat allen werden veroordeeld, zo zal de rechtvaardigheid van één enkel mens ertoe leiden dat allen worden vrijgesproken en daardoor zullen leven. 19 Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden. 20 En later is de wet erbij gekomen, zodat de overtredingen toenamen; maar waar de zonde toenam, werd ook de genade steeds overvloediger. 21 Zoals de zonde heeft geheerst en tot de dood heeft geleid, zo moest door de vrijspraak de genade heersen en tot het eeuwige leven leiden, dankzij Jezus Christus, onze Heer.”

Zo bepalen beide mensen, Adam en Christus, het hele geslacht: de één ten dode, de Ander ten leven (vgl.vs.12 en 17). Beide zijn positioneel met elkaar te vergelijken onder begripsparen, die in hun delen precies met elkaar overeenkomen: ongehoorzaamheid – gehoorzaamheid (19), overtreding – genadegave (15), veroordeling – rechtvaardiging (16), zondaren – rechtvaardigen (19), dood – leven (17). Het is duidelijk een bewijs “a minore ad maius”: is er gerechtigheid, dan pas goed LEVEN (vgl. het “pollôi mallon”= veel meer), waarbij de superioriteit van Christus tegenover Adam sterk wordt uitgemeten.

Het laatste begripspaar “dood – leven” wordt in 1 Kor.15, 21v en 44-49 nader uiteengezet tegen de achtergrond van de Korinthische situatie, waarin de vraag naar de opstanding der doden actueel was geworden. Paulus neemt hier, zoals vaker, de terminologie van zijn lezers over. In dit geval zijn het gnostisch-mythische beelden, die omgeduid en voor zijn argumentatie bruikbaar gemaakt zijn: Adam uit de aarde, Christus uit de hemel (vs.47), het natuurlijke lichaam eerst gezaaid, daarna het geestelijke lichaam opgewekt (44-46). Paulus wil daarmee de Gemeente opbeuren toch vooral aan de opstanding der doden vast te houden. Daarom geeft hij het toekomstperspectief van het geestelijk lichaam, dat door de laatste Adam als levendmakende Geest zal worden opgewekt. Dat dit zeker gebeuren zal wordt door Paulus bewezen met de antithese Adam-Christus: eerste – laatste Adam, verleden – heden, toen – nu. Adam behoort tot het verleden, wij behoren de toekomst toe. Het verleden heeft afgedaan: Christus brengt de toekomst. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen (4)!

Wanneer wij deze teksten van de zogenaamde Adam-Christus-typologie bezien, wordt eens te meer duidelijk, dat het Paulus niet gaat om het verleden op zichzelf, maar alleen voor zover daarin een zakelijk verband gevonden wordt. Het verleden fungeert als ’t ware als een contrastveld, waartegen heden en toekomst, Christus en Zijn genadegaven, de zekerheid van de opstanding der doden, in al hun superioriteit naar voren komen. Ook het historische, het na-elkaar in een soort Heilsgeschichtlich lineaire volgorde, heeft Paulus daarbij niet op het oog, alleen de superioriteit van de Laatste en het laatste over het eerste en de eerste, waarmee tegelijkertijd de eerste en het eerste hebben afgedaan. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat alle uitspraken over Adam in een tempus van de verleden tijd staan, daarentegen de uitspraken over Christus in het futurum (Rom.5, 15.19.21).

19 ”Zoals door de ongehoorzaamheid van één mens alle mensen zondaars werden, zo zullen door de gehoorzaamheid van één mens alle mensen rechtvaardigen worden.”

49 “En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”( 1 Kor.15, 49).

Weliswaar is de werking van Christus en Zijn heil reeds begonnen, maar in practicis is dit gebeuren als het werken van de laatste Adam toekomstig, nog uitstaand. Het verleden is ook hier voor Paulus een dialectische grootheid. Aan de ene kant duikt zij op als het verleden van de mens, als beëindigde, zondige verleden tijd. Anderzijds ontmoeten we in hem de tijd van God, dat wil zeggen levende aanwezige verleden tijd. Dode tijd, voor zover zij is afgedaan en wij aan hem zijn afgestorven, maar ook levende tijd, voor zover God daaruit tot ons spreekt en het verleden daardoor “typos” wordt van de Christus-tijd.

Conclusie:
Paulus brengt het door Gods handelen en ’s mensen ongehoorzaamheid gevulde verleden ter sprake om de superioriteit van de door Christus’ genade gevulde tegenwoordige tijd en definitief de toekomst uit te laten komen. Het gaat immers om het heil van Christus, dat moet worden uitgelegd. Daarvoor, maar ook daarvoor alleen wordt de Tenach bij het Evangelie betrokken: hij fungeert als een verhelderende spiegel, die geenszins ontbeerd kan worden, daar God het nieuwe heil ook aan de Oudtestamentische gebeurtenissen gebonden heeft. In Gods plan horen zij bij elkaar, Adam en Christus en hun werkingen, het oude en het nieuwe, zij interpreteren elkaar wederzijds.

De doop van Jezus

De doop van Jezus is, ook het goede moment om eens stil te staan, bij onze eigen doop, of de verjaardag van onze doop. De meeste van ons zullen als baby gedoopt zijn, en kunnen zich uiteraard hier niets meer van herinneren. Hoogstens of we huilden of stil waren, omdat we dat gehoord hebben van onze ouders of de anderen, die aanwezig waren. Een grote religieuze ervaring, zoals bij Jezus, is voor de meeste van ons ook niet weggelegd.

Vandaag een nieuwe preek van mijn Rooms Katholieke vriend Peter Carpay. In de Christelijke Kerk, zowel Katholiek als Protestant, staat in de afsluiting van de kersttijd en de aanvang van de lijdenstijd de doop van Jezus centraal. Zelf heb ik er ook een preek over gemaakt. Kijkt u maar in het register. Als u ze met elkaar vergelijkt, wordt duidelijk hoe verschillend je met het Evangelie kunt omgaan. Bij Peter staat vooral de huidige actualiteit bovenaan, terwijl ik als theoloog vooral de diepgang van de doop probeer af te tasten. Ik denk, dat we beide nodig hebben om ook onze eigen doop te verstaan.

Mattheüs 3, 13-17

[13] Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om door Johannes gedoopt te worden. [14] Maar Johannes probeerde hem tegen te houden met de woorden: ‘Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u naar mij?’ [15] Jezus antwoordde: ‘Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.’ Toen stemde Johannes ermee in. [16] Zodra Jezus gedoopt was en uit het water omhoogkwam, opende de hemel zich voor hem en zag hij hoe de Geest van God als een duif op hem neerdaalde. [17] En uit de hemel klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde.’

Vandaag staat in het evangelie de doop van Jezus in de Jordaan centraal. We sluiten vandaag de kersttijd af, met deze opvallende gebeurtenis aan het begin van Jezus openbare leven. Jezus verlaat zijn vertrouwde omgeving, in het stadje Nazareth, en zijn ouders om aan zijn werkelijke roeping en missie te beginnen. Tijdens zijn doop heeft Jezus een diepe religieuze ervaring. In het evangelie staat, dat toen Jezus uit het water opsteeg, de hemel openscheurde, en de Heilige Geest, als een duif op Hem neerdaalde. Jezus krijgt bevestiging van zijn Vader, dat Hij Zijn geliefde Zoon is, die Hij zijn zegen geeft en in wie Hij al zijn vertrouwen stelt. Ook al werd Jezus gedoopt met een grote massa mensen om zich heen, dit intieme moment is alleen zichtbaar en hoorbaar voor Hem.

Johannes de Doper, die Jezus doop verrichtte, had inmiddels veel mensen op de been gebracht, maar Marcus besteed in zijn evangelie weinig aandacht aan hem. Met de doop van Jezus valt hij als het ware, met de deur in huis. Ook Johannes zelf, wil dat de aandacht niet naar hem uitgaat, maar wijst voordurend naar Jezus. Hij laat juist zien hoe onbelangrijk hij is, door te zeggen, dat hij slechts een voorloper is, die nog niet eens waardig is, om de riemen van zijn sandalen los te maken.

De doop van Jezus is, ook het goede moment om eens stil te staan, bij onze eigen doop, of de verjaardag van onze doop. De meeste van ons zullen als baby gedoopt zijn, en kunnen zich uiteraard hier niets meer van herinneren. Hoogstens of we huilden of stil waren, omdat we dat gehoord hebben van onze ouders of de anderen, die aanwezig waren. Een grote religieuze ervaring, zoals bij Jezus, is voor de meeste van ons ook niet weggelegd.

God grijpt soms groots in de levens van mensen in, zoals bij Maria tijdens de aankondiging, door de engel Gabriël. Maria en allerlei andere belangrijke figuren uit de bijbel krijgen te maken met een direct ingrijpen van God. Ook in de moderne geschiedenis kan God direct in levens ingrijpen zoals gebeurde met Bernadette, Augustines en allerlei andere heiligen. Dit heeft vaak diepe gevolgen gehad, voor de levens van de betrokken personen. Dergelijke radicale bekeringen komen echter weinig voor.

De meeste van ons, moeten het, waarschijnlijk gelukkig, met veel minder duidelijke aanwijzingen van het bestaan van God in ons leven doen. God vraagt nogal wat van de mensen die Hij diep aanraakt. Bij de meeste van ons werkt God echter geleidelijk en op de lange termijn. Hij geeft ons leiding in de stilte en beslotenheid van ons hart. Zelfs Jezus, zocht gedurende zijn leven, regelmatig de stilte op, om in gebed contact met zijn Vader te zoeken, en vanuit Zijn Geest kracht en leiding te ontvangen. Ook zijn moeder Maria, stond geheel open, voor de leiding van de Geest. Met haar “ja” stelde zij zich zonder voorwaarden en weerstand, open voor de werking van Gods Geest. Wij hebben heel wat meer weerstand tegen de werking van de Geest. Ons ego en onze eigen wil spelen ons parten. We hebben het graag zelf voor het zeggen in ons leven en twijfelen regelmatig aan Gods bedoelingen met ons.

In het huidige wereldbeeld, is het ook moeilijk, om Gods doel met de wereld te begrijpen. Er zijn teveel fanatici in de wereld, die hun wil willen opleggen aan anderen, en hun ego en streven naar macht,
laat de werking van Gods Geest niet toe. Ik heb al vaker in een overweging gezegd, dat het mis gaat, als we niet meer open staan, voor de meningen van anderen, en hun recht om anders te denken dan we zelf doen. Fundamentalisme is nooit goed. Het voorstaan op eigen gelijk, zonder liefde en mededogen voor anderen, moet altijd afgekeurd worden.

Jezus zelf, deed dit al, met de denkbeelden van de Farizeeërs. We zien dit nu met de verknipte denkbeelden van IS, die geen ander geluid, dat dat van henzelf dulden. Heersers en religies, die enkel hun eigen gelijk propageren, en geen tegenstand dulden, moeten bestreden worden. Bij voorkeur met geweldloos verzet en met mededogen, zoals Jezus ons laat zien. Soms is echter ook een stevige aanpak nodig, zoals Jezus ons liet zien bij het verwijderen van de geldwisselaars uit de tempel. Ook de paus heeft laatst, de curie in het Vaticaan stevig toegesproken, met het doel zelfreflectie te stimuleren.

Toch is het ook goed om het goede te benoemen. Een kardinaal, die in principe pro Franciscus is, had de kritiek, dat er al veel aan het veranderen is, dat dit proces tijd nodig heeft, en ook dat benoemd moest worden. Ik ben het voor een deel wel met hem eens. Vergelijk het met een functioneringsgesprek op het werk. Als we alleen te horen zouden krijgen, wat er fout gaat en we minder goed doen, zullen we gedemotiveerd raken. Het is zoals het opvoeden van kinderen. We hoeven negatief gedrag niet te tolereren, en mogen grenzen stellen, maar we mogen kinderen nooit het gevoel geven, dat we niet meer van ze houden. Elk kind, maar ook elke volwassene heeft grenzen nodig. Alles in dit leven is begrensd.

Grenzeloos gedrag leid slechts tot verslavingen en machtswellust. We moeten open staan voor correctie, door anderen, maar zeker voor onze directe omgeving. Ook in de maatschappij zijn regels nodig, anders wordt het chaos. God heeft in heel zijn schepping orde aangebracht, en voor ons regels opgesteld, waaraan we ons zouden moeten houden. Natuurlijk lukt dit vaker niet dan wel. We hebben allemaal ons eigen karakter, met onze donkere kanten, maar ook met onze mooie eigenschappen en talenten. In donkere tijden, is het soms moeilijk, om Gods licht te zien schijnen, en Zijn aanwezigheid te ervaren. Als we op bepaalde momenten in ons leven, maar kunnen reflecteren en Gods leiding in ons leven kunnen ontdekken.

We zullen ook vaak twijfelen, maar zonder twijfel, is groei niet mogelijk, zoals Jan Terlouw laats op TV, in een interview over het geloof zei. We leren vaak het meeste van de moeilijke periodes in ons leven.
Soms moeten we afdalen tot de diepste put, of de dorste woestijn, zoals het in de Bijbel of heiligenlevens vaak genoemd wordt, om weer verder te kunnen. We voelen soms, dat we opgetild worden, en boven onszelf uitstijgen, als we een moeilijke periode in ons leven weer te boven komen.

De bedoeling is om met deze ervaring, anderen weer te helpen, om in moeilijke periodes weer op te krabbelen. Ervaringsdeskundigen noemen we dat. Dit geldt met name in de verslavingszorg, waar mensen, die zelf verslaafd zijn geweest, het beste in staat zijn, om anderen te helpen deze problemen te overwinnen. Maar dit geldt tevens in de psychologie, de gezondheidszorg en op allerlei andere terreinen. Als we zelf het een en ander hebben meegemaakt, zijn we beter toegerust om anderen te helpen. Jezus zelf, is hierbij onze beste leermeester, omdat Hij alle pijn, eenzaamheid en verlatenheid, in zijn leven ten diepste ervaren heeft. Laten we daarom in onze eigen omgeving, de ervaringen en pijn in onze levens, omzetten in talenten, om anderen te helpen. Hen aandacht, begrip en liefde te schenken, waardoor ook ons eigen leven rijker en zinvoller wordt.

Amen.

Peter Carpay

Waar blijft de tijd XLVI – 2 Kor.3, 6-13 : Oude en Nieuwe Verbond

Het “nieuwe” verbond, dat Paulus dient, is in velerlei opzicht tegengesteld aan het “oude”. Het is door de pneuma bepaald, het oude door de gramma. Het nieuwe is in de harten, het oude op steen.

“6 Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen: niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7 Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zo veel luister verscheen dat het volk van Israël niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans op zijn gezicht – een glans die verdween –, 8 zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben? 9 Wanneer wat tot veroordeling leidt al met luister is bekleed, dan is wat tot vrijspraak leidt dat des te meer. 10 De luister van toen is niets in vergelijking met de overweldigende luister van nu. 11 Wanneer wat verdwijnt al luister bezit, geldt dat des te meer voor wat blijft. 12 Dit is onze hoop, en daarom handelen we in alle openheid 13 en zijn we niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte, zodat de Israëlieten niet konden zien dat de glans verdween”.

Het doel van de vergelijking is om tegenover de mensen in de Gemeente van Korinthe, die de waarde van Paulus’ apostelambt betwijfelen, het bewijs voor de echtheid van zijn apostelschap te leveren. Het “nieuwe” verbond, dat Paulus dient, is in velerlei opzicht tegengesteld aan het “oude”. Het is door de pneuma bepaald, het oude door de gramma. Het nieuwe is in de harten, het oude op steen. Het gramma doodt, omdat het de zondaar tot overtreder maakt en de mens zo tot zijn eigen dood veroordeelt. De Geest maakt echter levend, omdat het de mens gerechtigheid schenkt.

De tegenstelling gramma-pneuma (Schrift-Geest) wordt de achtergrond van menige dialoog in Paulus’ brieven, vgl.Rom.2, 27; 7, 7vv. Van gramma en pneuma spreekt Paulus steeds in het enkelvoud, evenals dat met zonde, gerechtigheid en belofte het geval is. Zij hebben dan ook veel ruimere betekenis dan de woorden op zich zouden doen vermoeden. Zoals “lichaam” bij Paulus de uitgebreidere betekenis heeft van “existentie” wordt ook met pneuma en gramma een situatie beschreven, die door een de mens beheersende macht bepaald wordt. Bij pneuma is dat de macht van God, die de menselijke onmacht tegemoet treedt. Bij gramma is het de macht van de mens, die de wet menselijkerwijs vervult en daarin zijn heilsweg ziet, maar in zijn hoogmoed aan het “tegenover” van God voorbijgaat.

Als vanzelf komen uit deze gedachten nog twee tegenstellingen naar voren: die van veroordeling en gerechtigheid, en die van verdwijnende-blijvende. Paulus concludeert tenslotte: al was het ambt van Mozes ook niet zonder heerlijkheid, het ambt van de apostel bezit nog veel grotere heerlijkheid, want hij hoeft zijn aangezicht tegenover God niet te bedekken, wat Mozes nog wel moest doen.

Aan onze concluderende opmerkingen kan dan ook de volgende worden toegevoegd: de ordening van het Nieuwe verbond is hoger dan die van het Oude, omdat – hoewel zij als Gods ordeningen bij elkaar horen – het Oude vanuit het Nieuwe zijn betekenis ontvang, als het mindere vanuit het meerdere.

Waar blijft de tijd XLV – Het Paulinische zicht op het verleden

Reeds enkele malen werd door ons benadrukt, dat Paulus ook in zijn tijdsverstaan uitsluitend begrepen kon worden vanuit het Christologisch-soteriologische midden.

Reeds enkele malen werd door ons benadrukt, dat Paulus ook in zijn tijdsverstaan uitsluitend begrepen kon worden vanuit het Christologisch-soteriologische midden. Vanzelfsprekend rijst dan de vraag: wanneer Paulus zich zo concentreert op Christus en de tijd hem alleen onder het Christologische aspect ter harte gaat, is er bij hem dan nog wel plaats voor een visie op het verleden? Gezien de veelvuldige Schriftaanhalingen en verwijzingen naar gebeurtenissen in Israëls geschiedenis lijkt op deze vraag met “ja” geantwoord te moeten worden. Dat dit onder het nodige voorbehoud en zeker met enige restricties dient te geschieden, heeft de bestudering van het tijdsaspect in Paulus’ omgang met de Tenach reeds uitgewezen. Een nader onderzoek naar Paulus’ kijk op het verleden kan hier alleen maar duidelijkheid verschaffen. Daartoe zullen de Schriftgedeelten, die enig licht op de Paulinische visie op het verleden kunnen doen schijnen, stuk voor stuk in het onderzoek betrokken worden.

1 KOR.10, 1-11 “Israël” als waarschuwing
Dit gedeelte heeft niet direct te maken met een vorm van tijdsvisie, of het moest zijn dat het woestijngeslacht volgens oude Joodse traditie HET voorbeeld is voor het eschatologische heilsvolk. Interessant echter is de perikoop als studieobject voor de omgang van Paulus met de Schrift. De aanleiding voor deze excurs over het woestijn volk zou kunnen zijn geweest, dat er in de Gemeente van Korinthe mensen waren, die meenden op grond van het bezit van Christus reeds nu van alle zondigheid af te zijn. Tegen deze uitwas van het geloof komt Paulus op. Hij vergelijkt daartoe hun situatie met die van Israel in de woestijn: toen werden allen de heilsdaden van God deelachtig, “Allen gingen door de zee, allen lieten zich in Mozes dopen in de wolk en in de zee, allen aten hetzelfde geestelijke voedsel en dronken dezelfde geestelijke drank, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging, en die rots was Christus“. Deze uitleg is door de Joodse traditie, volgens welke het manna eschatologische heilspijze is, voorbereid en wellicht al vóór Paulus in de Christelijke Gemeente gebruikt.

Zo hadden alle Israëlieten aan het heil in Christus deel, maar het hielp hen niet, omdat zij grotendeels van God afvielen. “Deze dingen zijn hun overkomen tot een voorbeeld en werden opgeschreven als waarschuwing voor ons, op wie het hoogtepunt van de eeuwen gekomen is“(vs.11). Dit is de Christenen ter vermaning opgeschreven, meer nog: tot dit doel gebeurd! “Tot een voorbeeld” (tupikôs), met betrekking op de Gemeente. De identiteit van Christus met de rots is meer dan alleen maar exegetisch, het is een dynamisch gebeuren: Christus wordt als ’t ware door de rots mee in het verleden getrokken. Trouwens, alleen wanneer Christus werkelijk in het verleden aanwezig was, kan datgene wat de vaderen overkwam als hun Doop en Avondmaal aangeduid worden.

Hoe kan Paulus zo van dit gebeurde spreken? Omdat hij erkend heeft, dat beide, het oude Israel en de Gemeente samen horen, omdat God aan beide gelijk heil gegeven heeft. Daarom zijn zij ook vergelijkbaar. Het zal dan ook helemaal niet bij Paulus opgekomen zijn, dat juist zijn toepassing van Doop en Avondmaal en de rots Christus op het heil van het woestijnvolk, dit volk en zijn situatie vergelijkbaar heeft gemaakt met de Gemeente en zijn situatie. Hier kan da ook geen sprake zijn van “hinein interpretieren” of onzindelijk denken. Integendeel: vanuit het synthetisch-theocentrische ervaringsdenken van de Jood was dit een heel zinnige en ook logische argumentatie en redenatie. Questieus is alleen de betekenis van “tupikôs”: gewoon “voorbeeldelijk”of reeds in technische zin gebruikt (zoals later bij de typologische exegese). Wij gaan uit van de gewone betekenis “voorbeeld”: wat hun “typisch” overkwam, heeft God ons ter waarschuwing gegeven, want wij lopen des te meer gevaar, omdat wij “over wie het einde der eeuwen gekomen is” in de tijd van de verzoeking leven. Daar hier de nieuwe tijd tegenover de oude gesteld wordt, zoals dat bij de typologie in de vorm van typos en antitypos pleegt te gebeuren, kan hier toch ook in beperkte mate van typologie gesproken worden.

Het is de ene God, die beide volken het heil geeft, in de tekenen van Doop en Avondmaal. Dat er dertien eeuwen afstand tussen de met elkaar vergeleken situaties in ligt, telt niet. Het gaat alleen om het zakelijke verband.

Concluderend kan gesteld worden, dat:

  1. Paulus een voorval uit de geschiedenis van God met Israel in herinnering terugroept, omdat hij weet dat God ook toen in Christus gehandeld heeft;
  2. Paulus in het gebeuren Gods bemoeienis met de mensen van toen, dat is Zijn Woord, Zijn handelen, centraal stelt;
  3. Het heden door zo’n gebeurtenis direct wordt aangesproken, omdat Gods bemoeienis met ons mensen vandaag nog precies eender is;
  4. Verleden tijd voor Paulus daarom niet simpel donkere, slechte, God-vijandige tijd is, maar tijd (en ruimte) waarin God spreekt en handelt. De tegenstelling gramma-pneuma (Schrift-Geest) wordt de achtergrond van menige dialoog in Paulus’ brieven, vgl.Rom.2, 27; 7, 7vv. Van gramma en pneuma spreekt Paulus steeds in het enkelvoud, evenals dat met zonde, gerechtigheid en belofte het geval is. Zij hebben dan ook veel ruimere betekenis dan de woorden op zich zouden doen vermoeden. Zoals “lichaam” bij Paulus de uitgebreidere betekenis heeft van “existentie” wordt ook met pneuma en gramma een situatie beschreven, die door een de mens beheersende macht bepaald wordt. Bij pneuma is dat de macht van God, die de menselijke onmacht tegemoet treedt. Bij gramma is het de macht van de mens, die de wet menselijkerwijs vervult en daarin zijn heilsweg ziet, maar in zijn hoogmoed aan het “tegenover” van God voorbijgaat.
  5. In plaats van de antithese oude-nieuwe aeon nu een andere tegenstelling gaat optreden: die tussen menselijke ongehoorzaamheid en Gods Woord, een levensgrote controverse, die verleden en heden doortrekt.

Goedheid en liefde

Een mens heeft dikwijls veel te klagen, ja, ook een gelovig mens! Hierin zijn alle mensen gelijk. Heel begrijpelijk ook, zo’n klacht als hier in onze Psalm. De Psalmdichter weet toch te leven in een vijandige wereld. Tweemaal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders.

Psalm 13

  1. Een lied van David. Voor de leider van het koor.
  2. Hoelang vergeet U mij nog, Heer,
    en blijft U Zich voor mij verbergen?
  3. Hoelang zal ik nog in moeilijkheden zitten en zal ik me elke dag zorgen maken?
    Hoelang nog zal mijn vijand machtiger zijn dan ik?
  4. Heer mijn God, zie toch wat er gebeurt! Antwoord mij! Geef me alstublieft weer nieuwe hoop! Laat me nog niet sterven!
  5. Zorg ervoor dat mijn vijanden niet zeggen: “We hebben hem!” Laat hen niet juichen omdat ik val.
  6. Ik vertrouw op uw goedheid en uw liefde. Mijn hart juicht omdat ik zeker weet dat U me zal redden.
    Ik zing voor de Heer omdat Hij goed voor me is geweest.

Een mens heeft dikwijls veel te klagen, ja, ook een gelovig mens! Hierin zijn alle mensen gelijk. Heel begrijpelijk ook, zo’n klacht als hier in onze Psalm. De Psalmdichter weet toch te leven in een vijandige wereld. Tweemaal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders. Wie dat zijn wordt niet direct duidelijk. U mag zelf invullen, wat u in uw leven als vijandige macht ervaart. Tegenstanders, dat kunnen allereerst mensen zijn. Zij kunnen ons treiteren, dwarsbomen, kleineren en zelfs vernietigen, ons geestelijk kapot maken. Tegenstanders kunnen ook de omstandigheden zijn, die onze idealen doen vervliegen en onze toekomst verduisteren, waartegen je hebt te strijden, tot je er moedeloos onder wordt. Er is ziekte gekomen in je leven, ouderdom met gebreken, een of andere lichamelijke handicap of geestelijke achteruitgang. Je krijgt reuma, wordt immobiel, moet je voortbewegen in een rolstoel en scootmobiel, je nieren gaan er aan door de agressieve reumamedicijnen, je raakt aan de dialyse… Dat zijn de omstandigheden, waartegen een mens zoals ik zelf heeft te strijden. Ieder mens heeft zo zijn eigen ”omstandigheden”, die o zo “vijandig” kunnen zijn. Ze zitten ook in ons zelf: onze gebreken en tekortkomingen, zeg maar gerust “onze zonden”. Ook die mogen onze tegenstanders genoemd worden! Het zijn allemaal symptomen van de macht van de grote tegenstander, de diabolos (duivel), de door-elkaar-gooier, de dwarsbomer bij uitstek. En de laatste vijand, satans grootste wapen, is de dood, die aan alle levenskansen radicaal een einde maakt.

Dat alles kan in onze Psalm ingevuld worden bij het woord “vijand”. Daarom zijn de Psalmen ook tijdloos, zij zijn actueel voor alle tijden, ook voor de onze, en voor alle mensen, ook voor u en mij! Het leed, waaraan de dichter denkt, bestaat al lang. Roept hij niet uit “Hoe lang nog?” het duurt al zo lang, dat hij denkt, dat God hem vergeten is. En dat is het ergste voor hem!

“Hoelang vergeet U mij nog, Heer,
en blijft U Zich voor mij verbergen?”

De oude vertaling spreekt hier over Gods Aangezicht: “Hoe lang zult Gij Uw Aangezicht voor mij verbergen?” En we weten: Gods Aangezicht is God Zelf ( lees maar eens Exodus 33!). De mens hier heeft het gevoel, dat ie God kwijt is. Kent u dat gevoel ook? Ik weet, dat er mensen zijn, die daaronder vreselijk lijden. Dat is inderdaad het ergste, wat een mens overkomen kan. Het is dan van binnen net een dor en dood huis. Het licht is uitgedoofd, je gevoel is verlamd. Dat zijn verschrikkelijke tijden voor een gelovig mens, die anders zo innig met zijn God kon leven. Ik denk, dat alleen de kinderen Gods dat gevoel ook echt kennen. “Hoe lang nog??” De ellende in het leven is soms ondragelijk. En God? Die is zo ver weg, je krijgt van Hem geen hoogte en geen antwoord.

Toch blijft onze dichter roepen: “Heer mijn God, zie toch wat er gebeurt! Antwoord mij! Geef me alstublieft weer nieuwe hoop! Laat me nog niet sterven!” Hij haalt God heel dicht naar zich toe, hij roept “MIJN GOD”. Als Hij maar even naar mij omziet, dan zal ‘t weer goed worden. Wat een geloofsvertrouwen spreekt uit deze woorden! Later in de Psalm spreekt hij dit vertrouwen opnieuw uit:

“Ik vertrouw op uw goedheid en uw liefde.
Mijn hart juicht omdat ik zeker weet dat U me zal redden.
Ik zing voor de Heer omdat Hij goed voor me is geweest.”

Laat ons daarin zijn voorbeeld navolgen! Al schijnt alles ons tegen te zitten, al wankelt onze ziel, al hebben we in ons leven nog zo veel te lijden, al zijn we levensmoe en moedeloos, laat ons nooit dat vertrouwen in God loslaten! Het geloof, de zekerheid, dat wij een God in de hemel hebben, Die op ons neerziet, Die we altijd aan mogen roepen, tot Wie we ook mogen klagen… Die ons heil is en daarom ook ons heil bewerken zal. Hoe kan de dichter zo’n vertrouwen hebben te midden van al zijn tegenstanders en vijanden? Je zou zeggen: het leven moet er toch ook een beetje naar zijn? Hij kan het, omdat hij vasthoudt aan Gods “goedgunstigheid”. Hier, in de Jongerenvertaling, is het vertaald met “goedheid en liefde”. Het Hebreeuwse woord, dat daarachter zit, wil uitdrukken, dat God trouw blijft aan Zijn beloften, die Hij in Zijn Verbond gegeven heeft en Die Hij stellig vervullen zal! Op die Verbondtrouw van zijn God waagt de dichter het met heel zijn kracht! Op grond daarvan is hij overtuigd, dat het heil ook eenmaal voor hem dagen zal, ook wij mogen daarvan overtuigd zijn. Ook voor ons geldt de trouw van Gods beloften. Daarom zal het heil eens ten volle ons deel worden, als wij het met Hem gewaagd hebben!

Gods goedgunstigheid is ons betoond in Jezus Christus. Het is Zijn genade, “waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid van God” (Rom 5, 20). Wij mogen klagen tot God, maar laten we ook niet vergeten te roemen tot God. Laten we de lof zingen van Hem, Die zoveel uitreddingen gedaan heeft, ook in ons leven! Laat ons toch wat meer de lof des Heren zingen! Al kunnen we het misschien niet meer zo met onze lippen, als we ‘t dan maar met ons hart doen! Zingen, tegen de druk in, is het beste van God gegeven genade-middel om het vertrouwen weer te voeden.

Een mens lijdt dikwijls het meest
door het lijden, dat hij vreest,
doch dat nooit op komt dagen.
Zo heeft hij meer te dragen
dan God te dragen geeft.
Het leed, dat is, drukt niet zo zwaar
als vrees voor allerlei gevaar,
en komt het eenmaal toch in huis,
dan helpt God altijd mee
en geeft Hij kracht naar kruis.

Amen.

Waar blijft de tijd XLIV – Het kairologische model van Gisbert Greshake

Greshake gebruikt in zijn belangrijke werk “Auferstehung der Toten” (1969) het begrip “kairologisch” om het verticale en lineaire aspect van de tijdsbeleving samen te brengen.

greshakeGreshake gebruikt in zijn belangrijke werk “Auferstehung der Toten” (1969) het begrip “kairologisch” om het verticale en lineaire aspect van de tijdsbeleving samen te brengen. De “kairos” is, zoals we reeds zagen, bepaald door de verticale doorbraak van Gods heilswerk in het lineaire tijdsverloop, zo echter, dat de goddelijke verticaliteit niet slechts zoals in de dialectische theologie van Karl Barth nu en dan de tijd raakt, maar dat zij blijvend de geschiedenis ingaat zonder er in op te gaan. Dit blijvende ingaan in de geschiedenis komt voort uit Gods trouw, het niet opgaan in de geschiedenis is gevolg van Gods vrijheid. Gods trouw en vrijheid spreken elkaar niet tegen, maar staan wel in een voortdurende spanning tot elkaar. Zo werkt Zijn heil én verticaal én horizontaal uit in de kairos, met het gevolg dat ook het antwoord van de mens beide aspecten toont: trouw en vrijheid. Greshake ziet dit kairologische verstaan van de tijd ook in het oude Israël voorafgaan aan het lineair-Heilsgeschichtliche tijdsbegrip. Het verticale ingrijpen van God is immers bepalend voor het horizontaal zich doorzetten van Gods trouw. Vanuit dit gezichtspunt laat zich ook heel gemakkelijk Paulus’ tijdsverstaan als “kairologisch” kenmerken.

Greshake argumenteert als volgt: door Christus is een nieuw “NU” aangebroken, dat niet zo maar een nieuw punt van de voortgaande geschiedenis is, maar een principiële doorbraak van de geschiedenis, een keerpunt, het begin van een totaal nieuwe geschiedenis, waartegenover het vroegere eenvoudig verleden tijd is. “He oude is vergaan, zie, het is nieuw geworden” (2 Kor.5, 17). Paulus mag dan ook niet geënt worden op een heilshistorische geschiedenistheologie, zoals Cullmann doet. Greshake ziet de geschiedenis immers veeleer als gebroken, door Christus. De tijd vóór Christus is geen heilsgeschiedenis, maar periode van onheil. Daarom moet de mens NU voor de beslissing geplaatst worden de gerechtigheid van God in een nieuwe uit vrije liefde ontspruitende vorm aan te nemen. Dit is het kairologische moment bij Paulus, waar de verticaliteit van Gods roepstem en het antwoord van de mens samenkomen in de horizontaliteit van Gods trouw. In het licht van deze trouw blijkt wat zich bij de mens horizontaal doorzet, alleen maar ontrouw te zijn. Daarom is, aldus Greshake, de beslissende heils-kairos, die in Christus wordt aangeboden, niet meer horizontaal verstaanbaar te maken, doch het is het geheel onafleidbare nieuwe, te vergelijken met het eerste begin van de geschiedenis, met Adam. Zo is voor Paulus het apocalyptisch-dualistische geschiedenis- en tijdsverstaan maatgevend, hoewel ook weer niet exclusief doorgetrokken. Greshake noemt hiervoor als voorbeeld de Abrahamfiguur uit Rom.4. Met Abraham wordt in de oude slechte aeon toch ook reeds de nieuwe aeon begonnen. De duistere verleden tijd wordt blijkbaar steeds weer door Gods handelen verlicht. Zo is verleden tijd bij Paulus niet eenvoudig een chronologische grootheid: aan de ene kant duikt zij op als het verleden van de mens, als beëindigde zondige verleden tijd. Anderzijds ontmoeten wij in haar de verleden tijd van God, dat wil zeggen Gods handelen en trouw, die doorgaat tot in het heden en de toekomst. Aan de ene kant is zij “dode” tijd, voor zover wij aan haar zijn afgestorven; aan de andere kant ook “levende” tijd, voor zover God uit dit verleden tot ons spreekt.

Waar blijft de tijd XLIII – De proleptische zienswijze van Peter Stuhlmacher

Evenals Cullmann wordt ook Stuhlmacher gebiologiseerd door de merkwaardige spanning, die er ligt in de tijduitspraken van Paulus. Toch is er veel verschil, in de verklaring van dit Paulinische verschijnsel bij beiden.

Peter StuhlmacherEvenals Cullmann wordt ook Stuhlmacher gebiologiseerd door de merkwaardige spanning, die er ligt in de tijduitspraken van Paulus. Toch is er veel verschil, in de verklaring van dit Paulinische verschijnsel bij beiden. Ziet Cullmann er een bewijs in van het Heilsgeschichtliche karakter van Pauls’ den ken, dat het heden tot vervulling maakt van het verleden en tot vooruitgrijpen op de toekomst, bij Stuhlmacher ligt het perspectief juist andersom: niet van verleden naar toekomst, maar van toekomst naar het heden en het verleden. In de bekering van Paulus, in de Evangelieverkondiging, in de sacramenten enz. ziet Stuhlmacher een proleptisch gebeuren. ”Es handelt sich hier unzweifelhaft um ein proleptisches Geschehen, und zwar eine Vorausnahme des endzeitlichen Heils in das Unheil der alten Weltzeit herein”(P.Stuhlmacher: Erwägungen, 430). Paulus komt daarmee te staan in de traditie van de profeten en de Oudtestamentische apocalyptiek: zoals bij hen is het ook Paulus’ opdracht van Godswege om Gods heil en Zijn tijd reeds van te voren in de wereld uit te dragen. De aankomst van de heilstijd is aan de verkondiging van het heilswoord gebonden, zodat het Evangelie van Paulus “vorzeitige Christologische Selbstauslegung Gottes” is. Ook de gebeurtenissen en personen uit het Oude Testament, die bij Paulus worden aangehaald, evenals de komst van Jezus Zelf op aarde, hebben in de opvatting van Stuhlmacher geen andere dan juist deze proleptische betekenis: het is de voortijdige komst van God in Jezus en het zijn de beloften van die voortijdige komst van God in de Tenach. Met een beeld uit onze technische tijd zou de visie van Stuhlmacher geïllustreerd kunnen worden: bij het overlopen van de bandjes op een grammofoonplaat hoor je dikwijls al wat er komen gaat… Heel zachtjes word je dan gewaar welke schone muziek er op komst is! Ik vermoed, dat Stuhlmacher in deze geest over proleptisch gebeuren spreekt, al klinkt de “muziek” bij hem natuurlijk sterker door. Daar zit een grote kracht in dit beeld, want het biedt de beide aspecten van het “reeds” en het “nog niet”, het aspect van de progressie en dat van de tegenoverstelling: onvolmaakt-volmaakt, zacht-hard, lelijk-mooi, voorlopig-definitief. Vooral het tweede aspect, dat van de antithese, verdient onze aandacht, omdat het bij Cullmann toch enigszins is weggedrukt. Te veel is daar de Heilsgeschichtliche progressie benadrukt, ten koste van het toch ook legitieme tijd-eeuwigheids-perspectief, waarop Barth en Bultmann – zij het ook weer te eenzijdig – hun Paulinische benadering hebben opgebouwd. Cullmann mag dan wel in zijn hoofdwerk, Heil als Geschichte, enige ruimte open laten voor de persoonlijke menselijke beslissingen in het raam van tijd en eeuwigheid, ook voor de contingentie in de goddelijke constante, wat hem er toe brengt op te merken dat “Gott geradeaus schreibt, aber in Wellenliniën”, de teneur van zijn werk ligt toch bij de voortgaande lijn in het goddelijke heilsplan, als een bijna mathematisch gegeven. Hierop geeft het concept van Stuhlmacher een zeer behartenswaardige correctie.

Waar blijft de tijd XLII – Praesentische of futurische eschatologie?

Er zijn soms kleine verschillen in de benaderingswijze, zoals we in de vorige paragraaf reeds zagen. De verschillende eschatologische opvattingen zijn dan ook meer een kwestie van accentlegging. De accenten, die het zwaarst wegen, kunnen ondergebracht worden in tweeërlei vraagstelling: praesentisch of futurisch? Existentiëel of Heilsgeschichtlich?

Er zijn soms kleine verschillen in de benaderingswijze, zoals we in de vorige paragraaf reeds zagen. De verschillende eschatologische opvattingen zijn dan ook meer een kwestie van accentlegging. De accenten, die het zwaarst wegen, kunnen ondergebracht worden in tweeërlei vraagstelling: praesentisch of futurisch? Existentiëel of Heilsgeschichtlich?

De oorzaak van deze verschillende accent-legging moet gezocht worden bij het speken van Paulus zelf, dat synkretistische kenmerken in zich bergt en veelal dialectisch gestructureerd is. In de eerste plaats valt op, dat Paulus een “historische” kijk op het mens- en wereldgebeuren heeft: hij spreekt in termen van verleden, heden en toekomst.

Gal.4, 4: “Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, zond God Zijn Zoon uit, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet.” Christus heeft de “oude” tijd vol gemaakt, omdat Hij hoogtepunt en vervulling van de beloften van God is.

2 Kor.1, 20: “Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons“. Ja en Amen zijn wisselbegrippen, waarbij Amen het element van “vastheid, zekerheid” in zich draagt. In Christus hebben Gods beloften hun vervulling gevonden, daarom is Hij het Ja en Amen. Door Hem wordt dan ook het “Amen” van de Gemeente gewekt; en wie “Amen” zegt, zo heet het in het Joodse recht, neemt het gezegde voor eigen rekening, bevestigt het als ’t ware.

1 Kor.10, 11: “Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.” Daarom is het nu de tijd van het heil (2 Kor.6, 2), en de komst van de Heer zal spoedig heel Gods heerlijkheid op aarde openbaar maken: wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, van waaruit wij ook de Here Jezus Christus als Verlosser verwachten (Phil.3, 20). De tijd is kort (1 Kor.7, 29) en zwaar: wij zuchten bij ons zelf in de verwachting van het zoonschap (Rom.8, 23). Daarom moet Paulus haast maken met de Evangelieverkondiging, want – 1 Kor.9, 16 – wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!

In al deze teksten en in nog vele meer is duidelijk een spanning merkbaar: die van het reeds bezitten en toch nog niet aan zijn doel zijn. NU is het de dag van het heil, maar NU is het ook nog de tijd van “verzuchten”. NU is de wet afgedaan en de vrijheid verworven (Rom.10, 4 en Gal.5, 1 vv), en toch is Paulus nog niet waar hij wezen moet: “Ik jaag er naar of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar…  ik jaag naar het doel, om de prijs der roeping Gods…  in Christus Jezus” (Phil.3, 12-14).

Het is deze spanning, die de kwestie “praesentisch of futurisch” tot een onmogelijke vraagstelling maakt. Voor Paulus geldt beide: het heden als prolepse van de toekomst en de toekomst als eindvoltooiing van het heden. Zoals reeds eerder opgemerkt hangt de ineenstrengeling van beide tijden samen met het synthetische, corporatieve en concrete Joodse denken. Tijd kan niet zonder “inhoud” functioneren, zodat het beschikken over een “toekomstige” inhoud tegelijkertijd betekent dat de toekomst heden is geworden. Dit brengt de spanning tussen de praesentischer en futurische uitspraken te weeg. Het is dezelfde spanning, die gevonden wordt in het gebruik van de indicatief en de imperatief: word die je bent! Gal.5, 25: “Indien wij door de geest leven, laten wij ook door de geest het spoor houden… ” en Rom.6, 4: “Wij zijn met Hem begraven door de doop in de dood…  Laat dan ook de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam” (12). Ook het punctuele “nun” in Paulus’ brieven wordt door deze spanning gekenmerkt; enerzijds “jetzt noch”, anderzijds “jetzt schon”. Cullmann wil dit typische “nun” toch ondergeschikt maken aan de progressieve tijdslijn van de heilsgeschiedenis: “Wohl spielt das punktuelle “Jetzt” der freien Entscheidung eine grosse Rolle, aber es ist die Heilsgeschichte nicht neben, sondern untergeordnet… Das “Jetzt” ist “Jetzt”, weil es ein “Vorher” und ein “Nachher” eines göttlichen Plans nicht nur in Bezug auf mich sondern auf die ganze Menschheit und sogar die ganze Schöpfung gibt und ich mich in ein solches Geschehen einreihe”. Toch ziet ook hij de spanning van het “schon” en “noch nicht” als het voornaamste “Heilsgeschichtliche Bindeglied” tussen Paulus en Jezus de hele Paulinische theologie beheersen.

De spaning praesentisch-futurisch loopt door ale brieven van Paulus heen en is zo intens voelbaar, dat Cullmann zelfs van “Taseologie” zou willen spreken (het Griekse “tasis” betekent “spanning”).

En Hij genas hen

”En Hij trok rond in heel Galilea,
terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen
en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk
en alle ziekten en zwakten onder het volk genas.

Mattheüs 4, 23-24
En Hij trok rond in heel Galilea,
terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen
en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk
en alle ziekten en zwakten onder het volk genas.
En Zijn faam drong door tot in geheel Syrië;
en zij brachten allen bij Hem, die er slecht aan toe waren,
behept met allerlei ziekten en kwalen,
en mensen, die te lijden hadden van kwade geesten,
en mensen, die last hadden van de inwerking van de maan,
en mensen, die verlamd waren,
EN HIJ GENAS HEN.

Mattheüs vertelt over Jezus’ omgang met de mensen, met de gewone mensen op straat. In ons tekstwoord beschrijft Hij dit. Later, in hoofdstuk 9 vs.35, doet hij dit nog eens met precies dezelfde woorden. Blijkbaar heeft dit grote indruk gemaakt! Luister maar: ”En Jezus trok rond in alle steden en dorpen, terwijl Hij onderricht gaf in hun synagogen en het hoopvolle bericht bracht van het Koninkrijk, en alle ziekten en zwakten genas.

U hoort het: in Jezus’ optreden en omgang met de mensen vallen blijkbaar drie activiteiten het meeste op:

  1. onderricht geven; dat is de Wet en de Profeten opnieuw uitleggen in het licht van de eigentijdse situatie (actueel preken!);
  2. het hoopvolle en bevrijdende bericht brengen van Gods Koninkrijk, dat wil dus zeggen: dat voortaan geen vreemde machten van mensen de baas zullen zijn, maar alleen JAHWE, Hij, de Koning der koningen…;
  3. genezend en helend werken onder de mensen, die er hoe dan ook slecht aan toe waren.

Bij dit laatste willen we eerst stil blijven staan. Jezus genas zieken. Wat moeten we daarbij denken? Wat te geloven van al die wonderverhalen over allerlei genezingen? Prachtig hoor! Maar het klinkt toch wel wat vreemd en onwaarschijnlijk. Voor de lezers van Mattheüs, zijn tijdgenoten, lag dat heel anders. Zij waren immers grootgebracht in de Joodse cultuur en godsdienst. Voor hen betekende die drie activiteiten van Jezus iets heel bijzonders: de Thora onderrichten, spreekbuis zijn van het Koninkrijk en genezen… het waren de tekenen van de eindtijd, de vervulling van de profetische beloften. He betekende, dat Gods Rijk doorbrak en dat Jezus als de Messias de Brenger van dat Rijk was. Genezingswonderen hoorden daar helemaal bij. Het waren DE tekenen van het nieuwe Rijk, dat is ook de nieuwe relatie tussen God en mens. God komt naar de mens toe en maakt alles nieuw voor hem. In een wonderverhaal hoorden de mensen van de oerkerk dus niet in de eerste plaats “hier gebeurt een wonder, daar gebeurt iets tegennatuurlijks”, nee, zij hoorden iets geheel anders, een teken van het nieuwe Rijk: ”hier ontmoet God een mens, en andersom: hier ontmoet een mens God en die mens wordt geholpen, hij wordt een nieuwe mens.”

De genezingen laten dus zien, wat de Wet en de Profeten bedoelen: een nieuwe gemeenschap van God en mensen, en dan ook een nieuwe gemeenschap tussen de mensen onderling in het licht van die eerste gemeenschap van de mens met God. Zo staat het ook in de Bergrede: ”Alles wat jullie willen dat de mensen voor jullie doen, doen jullie dat ook voor hen. Want dat is de Wet en de Profeten” (Math.7,12). Concreet gaat het hier om recht en genegenheid en trouw. De mensen tot hun recht laten komen, in hartelijke genegenheid naast hen gaan staan en trouw zijn aan hun zaak. Dat is ook precies de inhoud van het hoopvolle en bevrijdende bericht, het Evangelie van Gods heerschappij: dat er voortaan recht gedaan zal worden aan ontrechten, dat er genegenheid is voor mensen, naar wie niemand omziet, en dat er trouw is voor wie zich tot dan toe buitengesloten voelden. Joodse oren hoorden heel goed, hoe Jezus met dit hoopvolle bericht van Gods heerschappij de oude droom van Jesaja weer opnam en wilde verwerkelijken in Zijn tijd. Lukas haalt Jesaja ook uitdrukkelijk aan in 4, 17-21:
En Hem werd het boek van de profeet Jesaja gegeven, en het boek openend vond Hij de plaats, waar geschreven staat: de geest des Heren is op mij, reden waarom Hij mij gezalfd heeft om aan armen het hoopvolle bericht te brengen, mij gestuurd heeft om aan gevangenen te berichten dat ze vrij zijn, en aan blinden dat ze weer kunnen zien, om verdrukten in vrijheid te laten gaan, om te berichten: welkom, het jaar van de Heer!

E Hij begon hen te zeggen: ”In deze tijd is het Schriftwoord, dat jullie zo juist gehoord hebben, vervuld.” En de mensen begrepen, dat Jezus daarmee op Zich Zelf doelde. Hij was de vervuller van dit visioen, het ging in Jesaja’s droom om Hem, de Messias. Ook Jezus Zelf wist dit en Hij liet dit dan ook duidelijk zien in Zijn omgang met de mensen. Hij gedroeg Zich als God Zelf, als de brenger van recht en genegenheid en trouw. Zo nam Hij het op voor allen, wier leven hoe dan ook bedreigd werd. Hij schrijft niemand af, maar probeert juist de maatschappelijke en godsdienstige randfiguren er bij te betrekken: tollenaars en zondaars, kinderen en vrouwen, zieken, zwakken, bezetenen. Daarom werkt Hij genezend en helend onder de mensen, die er slecht aan toe zijn. Zorg hebben voor mensen, die het leven onmogelijk wordt gemaakt, door wie of wat dan ook. Dat is op z’n kortst Jezus’ uitleg van de Wet en de Profeten. Dat is de concretisering van Gods Boodschap aan de mensen: Jij mag er zijn, zonder voorwaarden. Jij bent van Mij, Ik heb jou op het oog. Ik ben jouw Bevrijder, Verlosser, Redder, Zaligmaker. Dicht bij en ver weg!

Als we nu eens bij Mattheüs gaan kijken, wie die mensen zijn, die er slecht aan toe waren, behept met allerlei ziekten en kwalen, dan valt op dat er bijna geen diagnose gegeven wordt van hun ziekte. Het blijft bij algemene beschrijvingen als ziekte, kwaal, gebrek. Wel worden nog met name verlamden, doven en stommen, blinden, melaatsen, epileptici en bezetenen genoemd. Verder ook nog de schoonmoeder van Petrus, die aan koortsen leed, de man met de verschrompelde hand en de vrouw, die aan vloeiingen leed.
Opvallend is, hoe praktisch alle met name genoemde zieken gehandicapt zijn in de maatschappelijke omgang: ze kunnen niet zien, lopen, spreken, allemaal handicaps, waardoor een mens gauw vereenzaamt. Het is het beeld van veel WAO-ers, dat we hier tegenkomen, geïsoleerde mensen. Veelal hoeven ze niet in bed te blijven of thuis, Jezus ontmoet ze gewoon op straat. Het zijn WAO-ers, die wel op straat zijn, maar niet mee kunnen lopen of niet kunnen zien of spreken of horen, wel in de gemeenschap maar ook uitgestoten! Daardoor voelen ze hun isolement des te scherper. Gehandicapten zijn het, zo zouden we die mensen die Jezus geneest het best in ons wereldbeeld kunnen typeren. Zo’n handicap werpt een mens op zich zelf terug, je ligt met je zelf overhoop, en dan ook met de wereld om je heen, en vaak ook met God. Als dat in onze maatschappij al zo is, dan zeker toen in een maatschappij, waar het leven zich voor een groot gedeelte op straat en in de kerkelijke ontmoetingsruimte van de synagoge afspeelt: daar stonden deze gehandicapten letterlijk en figuurlijk buiten. Ook melaatsen waren zeer sociaal gehandicapt, zij mochten zich niet vrij bewegen onder de mensen. Dat was ook zo met mensen, van wie men dacht dat ze onder invloed stonden van bovenaardse machten zoals de maan of kwade en onreine geesten. Die stonden bovendien nog onder het godsdienstige oordeel, dat Jahwe niet met hen was. Zij waren zodoende niet alleen maatschappelijk maar ook godsdienstig buitengesloten en helemaal op zichzelf aangewezen, letterlijk van God en mens verlaten. Alle gehandicapten werden trouwens door de gemeenschap als moreel schuldig beschouwd. Lees maar eens in Johannes 9, waar de discipelen Jezus vroegen: ”Meester, wie heeft misdaan, hij of zijn ouders, dat hij blind geboren is?’‘ Tegen zo’n algemeen aanvaard oordeel was de enkeling niet opgewassen. En zo bleef hij met zijn ziekte en zijn schuldgevoel alleen. En dat is nu ook precies wat ”gehandicapt en ziek zijn’‘ in het Evangelie van Mattheüs laat zien: alleen zijn, de afgedane buitengesloten eenzame mens. En het andere, wat Mattheüs laat zien, is Jezus, Die Zich juist over die mensen ontfermt, ze precies dat geeft waaraan het bij hen ontbreekt: het gevoel, dat ze er bij mogen horen, dat je er ondanks je handicap mag zijn, dat God je toegenegen is. Dat is ook telkens het eerste wat de mensen aan Jezus vragen: ”Heer, wees ons genegen” of anders vertaald: ”Heer, heb medelijden met ons, wees goed voor ons”. Dat is, wat ze het hardst nodig hebben: dat ze niet langer alleen gelaten en aan hun lot overgelaten worden, dat ze niet weggestuurd of afgesnauwd worden, maar dat er iemand is die goed voor hen is, die iets om hen geeft, bij wie ze terecht kunnen. De genezende kracht, die daarvan uitging, is voor die mensen waarschijnlijk belangrijker geweest dan het lichamelijk beter worden. Menige gehandicapte van vandaag zal dit kunnen beamen. Dat is psychisch in staat bent je handicap te dragen met behulp van de kracht van je geloof en de dragende liefde om je heen van je vrouw of man, van kinderen en vrienden. Het is zo belangrijk, dat er dan mensen om je heen staan, bij wie je terecht kunt, dat is veel belangrijker dan de wens om van je handicap verlost te worden. Een mens kan zo veel dragen, als het maar in gemeenschap gebeurt, als je daarin maar gedragen wordt. Liefde en genegenheid en gemeenschap zijn de beste therapie voor alle kwalen. Het Griekse woord voor ”genezen” is ”therapeuo”. Daarvan zijn onze woorden ”therapie, therapeut” afgeleid. De vertaling met ”gezond maken, helen” komt dichter bij de bedoeling van Mattheüs dan ons ”genezen”. Jezus was de Heelmeester, Hij maakte de mensen heel door de stukken bij elkaar te brengen, door wat kapot gemaakt was weer mooi en gaaf te maken; stukke mensen, een stukke gemeenschap, verbroken relaties, dat alles wordt hersteld door Jezus’ genegenheid en gerechtigheid en trouw aan Gods zaak. Jezus is therapeut van de beste soort, als Hij tegen een verlamde, die gebukt gaat onder het vooroordeel dat hij schuldig is, zegt: ”Wees gerust, je zonden zijn je vergeven”, en dat tegen het oordeel van de Schriftgeleerden in, die vinden dat Hij dat niet doen kan. Hij kiest hier de partij van die arme mens dwars tegen de gangbare macht en mening in! De verlamde wordt daardoor bevrijd van heel zijn eenzaamheid, van zijn van God en mens verlaten zijn, met God wordt het goed en ook weer met de mensen, nu hij zijn handicap kwijt is. Wat had hij er aan gehad, wanneer hij had kunnen lopen, maar met zijn schuldgevoelens was blijven zitten? Jezus bevrijdt de mens HELEMAAL. En dat doet Hij nog, ook aan u en mij. Dat is het hoopvolle en bevrijdende bericht van het wondere Evangelie. ”Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen” zegt Jesaja. Dit oude visioen is werkelijkheid geworden. NOG mogen gehandicapte mensen daaruit leven. Maar ook zij, die denken niet gehandicapt te zijn. Allen, die gebukt gaan onder hun situatie. Waar dat ook u zelf betreft, hoeft u niet te wanhopen, u mag gaan tot Hem, die de blinden deed zien en de verlamden deed lopen en de doven deed horen en de melaatsen weer helemaal gaaf en rein maakte en aan de armen een hoopvol bericht bracht. Hij zal ook uw leven menswaardig maken, de moeite waard om er voor te leven, omdat uw leven gericht mag staan naar het Koninkrijk, naar Gods toekomst, naar het grote LICHT.

De ouden zongen: ”Kom tot uw Heiland, toef langer niet, kom nu tot Hem, Die redding u biedt”. Ook: ”Zijn wij zwak, belast, beladen en terneergedrukt door zorg, dierb’re Heiland, onze Toevlucht, Gij zijt onze hulp en borg”. Jongeren zingen dit niet zo meer, maar zeggen het liever uit in daden. Geen woorden, maar daden! Veel jongeren staan op de bres voor een menswaardig bestaan van alle mensen, en dat is goed zo. Maar wat is er nog veel te doen! De wereld staat bol van de ellende. In Frankrijk worden zo maar mensen vermoord. In Libanon en Syrië sterven kinderen aan de winterse kou. En zo kunnen we doorgaan. In Nederland is een nieuw zorgsysteem ingevoerd, waar veel gehandicapten in hun zorg afhankelijk van zijn. Het betekent: inleveren en nog eens inleveren. Misschien moeten we opnieuw ontdekken, hoe we met gehandicapte en zorgbehoevende medeburgers om moeten gaan. Zoals Jezus dat gedaan heeft, waar Hij zelfs Zijn leven voor gegeven heeft. Jezus zond ze heen, bevrijd van hun handicap en verlost van hun schuldgevoelens. Wij bouwen aangepaste woningen en organiseren ”zorgteams” in de wijk. Maar het gaat in beide gevallen toch om hetzelfde: er is een hoopvol bericht voor arme mensen, gekwelden, gehandicapten naar lichaam en geest. Gods Koninkrijk is nabij, uw Verlosser leeft! Uw leven is verlost.

Amen.

Waar blijft de tijd XLI – Eschatologische modellen der Paulinische theologie

Nadat Schweitzer de eschatologie in Paulus’ theologie centraal had gesteld zijn verschillende modellen ter interpretatie van deze eschatologie ontwikkeld. Over de herkomst van de Paulinische eschatologie uit de apocalyptiek der latere Oudtestamentische geschriften bestaat weinig verschil van mening.

Nadat Schweitzer de eschatologie in Paulus’ theologie centraal had gesteld zijn verschillende modellen ter interpretatie van deze eschatologie ontwikkeld. Over de herkomst van de Paulinische eschatologie uit de apocalyptiek der latere Oudtestamentische geschriften bestaat weinig verschil van mening. Discutabel blijkt echter te zijn: de bedoeling, die de apostel daarmee heeft. Over het viertal klassieke interpretaties van Schweitzer, Dodd, Cullmann en Bultmann spraken wij reeds eerder naar aanleiding van de discussies over het tijdsfenomeen in het oerchristelijke denken.

Volgens Schweitzer heeft de teleurstelling na het uitblijven van de parousie Paulus’ aandacht helemaal op het heden doen vestigen: de tegenwoordige tijd van de heerschappij van Christus, waarin de prediking weerklinkt. Van eschatologie als leer van de laatste dingen is bij Paulus zijns inziens dan ook niet zo veel sprake meer. Op deze lijn zijn en Dodd en Bultmann verder gegaan, Dodd door de Paulinische eschatologie te “realiseren”, Bultmann door het eschatologiebegrip van Schweitzer te “existentialiseren”. Tussen het “Heilsgeschichtliche” model van Cullmann en het “existential-eschatologische” model van Bultmann bewegen zich nog W.G. Kümmel en Joachim Jeremias: zij verbinden de controversiële standpunten door de mens in een “sich realisierende Eschatologie” op het spanningsveld van heden en toekomst voor een geloofsbeslissing te plaatsen.

kasemannOok Ernst Käsemann, de prominente leerling van Bultmann, neemt een tussenpositie in, evenals Günther Bornkamm. Beide proberen het historisme, een duidelijk gevaar in de “Heilsgeschichtliche’ aanpak, en het eenzijdige “existentialisme” van Bultmann te vermijden. Käsemann ziet in Paulus de apocalypticus, die klaarblijkelijk zijn tijd als het uur van de Messiaanse weeën beschouwt, waarin uit de oude wereld door de Christelijke verkondiging de nieuwe schepping opbloeit. Geschiedenis in dit licht is dan ook geen continueerbaar ontwikkelingsproces, maar een machtsproces van heil en onheil, van Adam’s wereld en de wereld van Christus. En eschatologie kan dan niets anders betekenen dan dat Gods macht zich doorzet.

BornkammOok bij Bornkamm is een antiindividualistische tendens in de beschouwing van de Paulinische eschatologie merkbaar. Het gaat Paulus zijns inziens om de universaliteit van het heil, om de nieuwe mensheid en de nieuwe schepping. In deze geest kan men bij de apostel van heilsgeschiedenis spreken, doch zij is “freilich Geschichte in einem höchst paradoxen Sinn” doordat zich het heil in het onheil verbergt: de enige continuïteit is God Zelf, Zijn belofte en het geloof, dat daarop vertrouwt. Eschatologie betekent ook hier, dat Gods belofte en macht zich doorzetten om de schepping te vernieuwen. Dat dit wezenlijk ook de existentie van de mens raakt en van hem een geloofsbeslissing vraagt, behoeft geen betoog.

Waar blijft de tijd XL – Het centrum van Paulus’ theologie in beweging

Met de “Geschichte der Paulinischen Forschung” van Albert Schweitzer uit 1911 begint pas goed een geheel nieuw inzicht in de betekenis van Paulus door te breken. Duchtig wordt eerst afgerekend met de individualistische en ook hellenistische verklaringen van de Paulinische theologie: er is voor de leer van Paulus slechts één legitiem uitgangspunt: het Joods-oerchristelijke met daarin centraal de Joodse eschatologie.

brunnerEmil Brunner, de bekende dogmaticus uit Zürich, begint het derde deel “Geschichte und Endgeschichte” van zijn nog steeds indrukwekkende studie over de tegenstelling tussen de moderne godsdienstopvatting en het Christelijk geloof met de opmerking, dat twee categorieën het geestelijk leven van de 19e eeuw hebben beheerst: Erlebnis und Geschichte (“Die Mystik und das Wort” 1928, bl.194). Met Erlebnis duidt hij het godsdienstige beleven aan, dat gefundeerd is in de subjectieve ervaring. In dit subjecitivisme wordt al het geestelijke op conto van de zielservaringen geplaatst. Daarnaast ziet Brunner de meer uitwendige golflijn van het historisme. Beide schijnbaar tegenover elkaar staande bewegingen zijn voortgekomen uit eenzelfde stam: die van de romantiek, waardoor als merkwaardige consequentie bij beide beschouwingswijzen het individu centraal staat. Overgebracht op de theologie had dit tot gevolg, dat de persoon Christus in hoge mate werd vereerd, doch meer in de zin van godsdienstig genie of “held der religie” dan van Zoon van God. In de geloofsleer van Schleiermacher wordt Christus tot de eerste oorzaak, de “prôton kinoun”, van een werkelijkheidsproces. “Er ist ganz in den geschichtlichen Verlauf hineinghestellt, Er ist ebenso restlos historisiert, wie der Glaube psychologisiert wurde… An die Stelle einer geistigen Beziehing AUF Christus – tritt das rein dynamisch-kausale Bild: Ursache-Wirkung, Stoss-Mitgerissenwerden, Druck – Eindruck…”(Mystik, 207). Zo wordt Christus tot “Führer zum Glauben”, het aanstekende voorbeeld!

In Zijn voetspoor zien wij Paulus de geschiedenis binnen trekken, Paulus, die het Christendom gehelleniseerd heeft en daardoor tot “secundaire godsdienststichter” is geworden. Heel de contrapunctische bewegingsstroom van het 19e eeuwse idealisme, die van Erlebnis und Geschichte, zijn hoogtepunt bereikend in de filosofie van Hegel en theologisch uitmondend in de vragen naar “het wezen van het Christendom” en de “historische Jezus en de Bijbelse Christus”, is ook voor de opvattingen omtrent Paulus doorslaggevend geweest. Men zag niet voor niets in Jezus de secundaire godsdienststichter, in zijn arbeid de hellenisering van het Christendom en in zijn leer de uiting van een psychologisch geloofsproces, leidend tot de paraenese (apostolische vermaning) het heil in het persoonlijke leven aan te nemen en te laten groeien.

SchweitzerRondom de eerste wereldoorlog stort met velerlei illusie ook het op de tweeslag Erlebnis und Geschichte, romantiek en idealisme, opgebouwde oude wereld in elkaar. De tijden veranderen, ook de mens is veranderd, en daarmee als vanzelf ook de visie op Jezus en Paulus. De oude Leben Jesu – en Paulus-Forschungen uit de liberale school delen in de naoorlogs misère van de “Umwertung aller Werte”. Met de “Geschichte der Paulinischen Forschung” van Albert Schweitzer uit 1911 begint pas goed een geheel nieuw inzicht in de betekenis van Paulus door te breken. Duchtig wordt eerst afgerekend met de individualistische en ook hellenistische verklaringen van de Paulinische theologie: er is voor de leer van Paulus slechts één legitiem uitgangspunt: het Joods-oerchristelijke met daarin centraal de Joodse eschatologie. Dit standpunt werkte krachtig door, mede door de resultaten van de vergelijkende godsdienstwetenschap, de bestudering van de taal en wereld van de antieken, het contact met de rabbijnse geschriften en de nieuwere exegetische methoden van de zogenaamde “Religionsgeschichtliche” en “Formgeschichtliche”scholen. Met alle middelen, die de mens in de vorige eeuw ter beschikking heeft gekregen, is het fenomeen “Paulus” onder de loupe genomen. Bij veel verschil van meningen en inzichten in hoofd- en bijzaken, is daarbij toch één ding duidelijk geworden: dat Paulus kind was van zijn tijd en dus ook alleen in de categorieën van zijn tijd verstaan kan worden. Dat dit laatste over het hoofd werd gezien en dat men geprobeerd heeft Paulus vanuit het religieuze tijdsbeleven en de antropologie van de 19e eeuw te interpreteren, betekent dan ook de zwakte van het hierboven geschetste liberale Paulus-beeld. Dit gevaar blijft op de loer liggen voor een ieder, die zich met Paulus-studie bezig houdt. Ook in de afgelopen eeuw bleken de uitgangspunten van Erlebnis und Geschichte nog niet overwonnen te zijn. Zij zijn aanleiding geweest tot menig gefalsificeerd Paulus-beeld. We herinneren aan de felheid, waarmee nog in de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw door vertegenwoordigers van de zogenaamde “Heilsgeschichtliche” en “existential-eschatologische” opvatting de discussie rondom de persoon en theologie van Paulus is gevoerd.

Hebben wij de kerk nog nodig?

Hebben wij de kerk nog nodig? Ogen, handen, voeten, wij kunnen toch niet zonder elkaar, en met elkaar zonder de Heer. Je bent er niet alleen met je ouders, je kinderen, goede buren en collega’s. Het leven zelf leert je, dat je ondanks al die lieve helpende begrijpende mensen toch voor de beslissingen in je leven en de verantwoordelijkheid voor je leven alleen staat, helemaal alleen voor die Ander, die jou het leven gegeven heeft: de Here God.

Het is begrijpelijk, dat de mensen van deze tijd zich deze vraag stellen. Zij zijn immers in vele opzichten in staat hun eigen peultjes te doppen. Daar hebben zij niemand anders voor nodig! En zeker niet de kerk! De welvaart en voortschrijdende techniek geeft de mens van de twintigste eeuw een grote onafhankelijkheid en mondigheid. Tegenover veel heilige huisjes van vroeger zijn we daardoor vrijer komen te staan. We maken ons er niet meer zo druk over. Het geldt voor de kerk, maar ook voor de politiek, de regels van fatsoen en relaties. Daar wandelen we allemaal wat vrijer doorheen. We laten in vele opzichten de banden van vroeger los, zonder losbandig te worden. Voor veel mensen betekent deze vernieuwde vrijheid en onafhankelijkheid een probleem. het is ook een probleem om tussen het vrij zijn en de bandeloosheid de juiste middenweg te vinden.

Zo is het ook met onze vraag naar de kerk, of zij nog wel nodig is. In vroegere jaren zou zo’n vraag niet bij de mensen zijn opgekomen. Het sprak toen vanzelf, dat je de kerk nodig had, al was het alleen maar om het contact met je medeburgers, of de geldelijke steun van de diaconie.

De kerk gaf je ook het gevoel ergens bij te horen. De kerk was immers ingeweven in het hele maatschappelijke patroon. Staat, volkskerk en maatschappij waren niet gescheiden te denken, zij hoorden bij elkaar en hadden elkaar nodig. Tegenwoordig is dat heel anders. De meeste mensen gaan op zondag niet meer naar de kerk, en ze durven er nog eerlijk en open voor uit te komen ook! Hoe vaak hoor je het niet, dat de kerk de mensen niets meer zegt.

”Wat heb ik er aan? Het doet me niets, ik heb wel wat anders en beters te doen op mijn vrije dag!” Mensen hebben het gevoel, dat de kerk een vastgeroest instituut geworden is, dat ter wille van een kleine en steeds kleiner wordende groep standvastig in stand wordt gehouden. Het is een instelling uit de verleden tijd, iets, dat in de huidige wereld niet meer past.

Ach, die mensen hebben nog niet eens zo erg ongelijk. De tijden zijn ook sterk veranderd. De individuele vrijheid van de moderne mens is ongekend groot en zijn ontwikkeling idem dito. Dan is het toch niet meer interessant om naar de kerk te gaan en daar je mond te moeten houden, behalve wanneer er gezongen wordt, vaak ook nog liederen uit de oude draaidoos, met een tekst en een melodie die nauwelijks iets met het ritme en de behoeften van het huidige leven te maken hebben. De tijden zijn veranderd en het leven van de mensen is veranderd. En de kerk heeft zich bij deze verandering amper aangesloten. De kerk is min of meer hetzelfde gebleven als zij eeuwen lang geweest is. Ja, en dan krijg je botsingen en een sterk gevoel elkaar niet meer nodig te hebben. Natuurlijk, mensen zijn in wezen ook niet veranderd, maar wel is hun leven veranderd, omdat de maatschappelijke verhoudingen anders zijn komen te liggen en de behoeften en belangstelling van de mens daardoor ook anders zijn gericht. En als de kerk geen wegen vindt om daarbij aan te sluiten, krijg je onherroepelijk kortsluitingen.

Toch wil ik een lans breken voor de kerk, niet om haar coûte que coûte te verdedigen, maar om haar recht te doen. In de eerste plaats moeten we zien, dat de kerk een bijzonder lichaam is, waar maar niet alles mee kan gebeuren wat mensen graag zouden willen. De kerk kan ook niet klakkeloos veranderen op de manier van ”Zo de wind waait, waait mijn rokje”. De kerk is immers wel VOOR de mensen, maar niet VAN de mensen! De kerk is van God, een vrucht van Zijn Heilige Geest en omdat Hij de Stichter is van de kerk en haar zijn opdrachten geeft, en haar ook elke keer weer levensvatbaar maakt, zal de kerk zich in de kern van de zaak ook nooit kunnen veranderen. Tenzij natuurlijk God Zelf de kerk opheft en haar overbodig maakt!

Dat wil overigens niet zeggen, dat de kerk naar buiten altijd hetzelfde moet zijn. Nee, de kerk zal juist moeten proberen naar buiten allerlei manieren te vinden om de mensen te bereiken en aansluiting te vinden bij de huidige wereld. Het is toch haar opdracht de mensen te vertellen van God en daarmee gelukkig te maken. En dat zal zij nu eens zus dan weer zo moeten doen. Vroeger – en nog wel vaak – met een orgel in een kerkgebouw, nu misschien met bandje op de markt. Vroeger met een dominee in een zwarte toga en de Bijbel onder zijn arm; nu misschien met een Evangelist in een spijkerbroek en geruit overhemd. Dat kan allemaal en dat moet zelfs allemaal, wil de Blijde Boodschap in deze tijd nog gehoor kunnen vinden. Het komt op de boodschap aan, niet op de manier, waarop je die brengt! De kerk heeft de opdracht en volmacht van God gekregen om die boodschap door te geven en daaraan een verstaanbare vorm te geven. Dat is HET principe van het kerk-zijn. Het is goed om dat eerst even duidelijk te stellen. Want de mensen stellen zich er van alles bij voor, wanneer zij het over de kerk hebben. Kerkgebouw, kerkdienst, kerkmensen, kerkbestuur, kerkorganisatie enz. het heet allemaal ”kerk”.
En dan spreken we nog niet eens van de tientallen verschillende kerken en kerkgemeenschappen, kerkjes, genootschappen, sekten enz. Dat is allemaal heel verwarrend!

Het beste is om van de Bijbel uit te gaan en te kijken hoe daar het begrip kerk is ontstaan. In het Oude Testament wordt gesproken over de ”kahal”, de volksvergadering, dat is eigenlijk het oerbegin van de kerk. Het volk Israël was immers Gods volk, en als er belangrijke besluiten genomen moesten worden, dan kwam het volk bijeen en sprak als het ware in de volksvergadering met God. Zo gebeurde dat bv. bij Mozes in de tent der samenkomst, tijdens de moeilijkheden rondom de twee tafels der geboden gedurende de tocht door de woestijn.

In het Nieuwe Testament komt precies hetzelfde woord voor in het Griekse ekklesia, wat ook betekent ”vergadering, bijeengeroepenen, samenkomst, gemeente” : de door God als Zijn volk bijeengeroepenen.

Vanuit dit begrip van samen-zijn spreken de Protestanten ook liever van Gemeente dan van Kerk. Het woord ”Kerk” is veel later ontstaan, toen de Christenen in het Romeinse Rijk bij elkaar kwamen in liefdemaaltijden, diensten enz., die zij ”kuriake” noemden, wat betekent ”van de Heer”.

Ook de zondag is ”kuriake” = ”van de Heer”, en later is dit woord overgegaan op de gebouwen, waar zij samenkwamen en op de hele organisatie van de Christenen. Toen de Christenen niet meer vervolgd werden in het Romeinse Rijk, integendeel de Christelijke godsdienst zelfs staatsgodsdienst werd, is de kerk een machtig orgaan geworden. Zij heeft daardoor ook veel kenmerken van de wereldlijke macht gekregen: rijkdom, macht, politieke invloed, pracht en praal. De Rooms- Katholieke kerk bouwde machtige muren om zich heen om haar positie te kunnen handhaven tegen allerlei invloeden van buiten. Het Vaticaan is nog een aparte staat binnen Italië met eigen geld en eigen postzegels. E toen kwam de Reformatie. De Hervormers keerden terug tot de Bijbelse motieven en zo ook tot het oorspronkelijke kerkbegrip en de Gemeenteorganisatie van het vroege Christendom. De Kerk is de gemeenschap van de mensen, die door het geloof in Jezus Christus Gods kinderen zijn. De Heer Zelf is het Hoofd van deze gemeenschap, zoals we het in de 1 Korinthe-brief lezen. Lichaam en Hoofd en lidmaten, die allemaal bij elkaar horen en elkaar niet kunnen missen. ”Want wij kunnen de kerk niet bewaren, onze voorouders konden dat ook niet, en onze kinderen na ons zullen dat ook niet kunnen”.

Gods Zoon heeft het gedaan! – Hij doet het nog en Hij zal het doen. Hij Die zegt: ”k ben met u tot aan het einde van de wereld”, ”want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid”(vgl Hebreeën 13:8). En Hij heet ook ”Die was, Die is, en Die zijn zal”(Openbaring 1:4 en Exodus 3:14).

Ja, zo heet deze Mens, zo heet geen ander mens, en zo zal niemand heten. Want u en ik waren duizend jaar geleden niets en toch is de kerk zonder ons bewaard gebleven. Niemand heeft het gedaan dan Hij Die heet ‘Gisteren en heden Dezelfde’. (…) Wat wij nu over de kerk zeggen, dat hebben onze voorouders ook al moeten zeggen, zoals de Psalmen en de Schrift getuigen. En onze kinderen na ons zullen het ook meemaken dat zij met ons én met de hele kerk zullen zingen: ”Was de HEERE niet met ons geweest – laat Israël nu zeggen – was de Heere niet met ons geweest, toen de mensen tegen ons opkwamen, dan hadden zij ons levend verslonden” enzovoort. (vgl. Psalm 124:1 vv). (aldus Maarten Luther).

De reformatoren gaven de Kerk een hoofdletter en dat zullen wij nu ook maar gaan doen! Deze Kerk geeft de Heer ook de middelen om te bestaan: Gods Woord en de sacramenten van Doop en Avondmaal. Rondom deze drie middelen wordt de Kerk zichtbaar, anders zouden we hem niet kunnen zien, want je kunt nu eenmaal niet aan iemand zien of hij gelooft of niet. Zo is de Heer altijd in de Kerk op Z’n post. Hij maakt de Kerk tot een gebeuren, een activiteit, een beweging. Het zijn niet de mensen in de Kerk, maar het is de Heer Zelf als Hoofd van de Kerk, die via de Kerk aan de mensen Zijn boodschap doorgeeft.

Als je de Kerk zo bekijkt, dan komt onze vraag, of we de Kerk nog nodig hebben, in een heel ander licht te staan. Dan heet het niet meer, of we de Kerk nog nodig hebben, maar of we de Heer, of we God nog nodig hebben. Hij is toch de Helper, Die troost, als we in de put zitten, niet soms? Hij is de God, Die met ons de verantwoordelijkheid voor ons geluk met Zich meedraagt. Hij is de Zaligmaker, Die vrede geeft, waar ruzie is, en wat is er een ruzie in deze wereld! Hij is een Heiland, die leven geeft, waar leven verloren dreigt te geraken.

Of wij deze God nog nodig hebben? ”Indien de voet zou zeggen: omdat ik niet de hand ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En indien het oor zou zeggen: omdat ik niet het oog ben, behoor ik niet tot het lichaam, behoort hij daarom niet tot het lichaam? En het oog kan niet zegen tot de hand: ik heb u niet nodig, of ook het hoofd tot de voeten: ik heb u niet nodig.”

Hebben wij de kerk nog nodig? Ogen, handen, voeten, wij kunnen toch niet zonder elkaar, en met elkaar zonder de Heer. Je bent er niet alleen met je ouders, je kinderen, goede buren en collega’s. Het leven zelf leert je, dat je ondanks al die lieve helpende begrijpende mensen toch voor de beslissingen in je leven en de verantwoordelijkheid voor je leven alleen staat, helemaal alleen voor die Ander, die jou het leven gegeven heeft: de Here God. En als je dat een keer ervaren hebt, en je ziet in de Kerk de gemeenschap van ogen en handen, van leden die elkaar nodig hebben, dan antwoordt je niet meer botweg op onze vraag: NEE. Maar dan probeer je JA te zeggen. Ja, ik hoor er bij, ik heb God nodig, ik heb ook de Kerk nodig, want de Kerk is Gods gemeenschap, en die kan ik niet missen in mijn leven. En dan probeer je om van die Kerk iets te maken, de dingen te veranderen, die je in de Kerk niet aanstaan. Je probeert de Kerk leefbaar te maken, voor de mensen in deze tijd.

Ja, zegt u misschien, maar je kun het toch ook zonder de Kerk geloven. Natuurlijk, God openbaart Zich aan de mensen langs velerlei wegen. De Geest waait waarheen Hij wil. Toch moeten we oppassen met het geloof, dat meent de Kerk niet nodig te hebben. Je hoort het zo vaak ook van jonge mensen: ”Ik geloof wel hoor, maar naar de Kerk ga ik niet”. De vraag voor mij is dan altijd: wat en waarin geloof je dan? In iets, dat je leven bestuurt? In een hogere macht? In de God van de Bijbel? In Jezus Christus de Heer? Maar hoe kun je dan op je ééntje geloven? Zonder ook de gemeenschap met andere gelovigen te beleven, zonder ook je geloof te voeden met de heilsmiddelen van de Kerk? Heb je dat dan niet nodig: het Woord, de sacramenten, en vooral genadeverkondiging en zegen? Ik heb iemand eens horen zeggen: ik kan alles in de Kerk missen, maar de zegen van God moet ik mee naar huis nemen!

Geloven op je ééntje is een heel eenzaam en wankel geloof, een geloof met veel twijfels ook. Dat wil God niet van ons. Hij wil, dat wij ons geloof beleven en versterken onder elkaar en met elkaars hulp. Daarvoor is de Kerk er.

Hierbij wil ik het laten. Denk er eens over na en heb het er over, als je bij elkaar zit op de koffie of zo. Schaam je niet voor het Evangelie, want het Evangelie is een kracht van God voor iedereen die gelooft.

Bij het nieuwe jaar: Hoe veel te meer!

Als we dit woord van Jezus horen, kunnen we denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste en donkerste, is: “gij, die slecht zijt”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander, wat lichter gekleurd, vlak: “Gij weet toch uw kinderen goede gaven te geven”. En daar weer boven uit zien we het derde vlak, helemaal licht: “Uw Vader in de Hemel zal goede gaven geven aan degenen, die Hem daarom bidden.”

Mattheüs 7, 11
”Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoe veel te meer zal uw Vader in de Hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.”

Als we dit woord van Jezus horen, kunnen we denken aan drie vlakken. Het eerste vlak, het laagste en donkerste, is: “gij, die slecht zijt”. Boven dat donkere vlak zie ik een ander, wat lichter gekleurd, vlak: “Gij weet toch uw kinderen goede gaven te geven”. En daar weer boven uit zien we het derde vlak, helemaal licht: “Uw Vader in de Hemel zal goede gaven geven aan degenen, die Hem daarom bidden.”

Laten we beginnen met een kijkje te nemen in het eerste vlak. Wat klinkt dat somber: “Jullie, die slecht zijn”. ‘t Ergste is, dat Jezus dat tegen ons zeggen moet. Tegen de omstanders in de eerste plaats, maar ook tegen u en mij is dit woord gericht. Als nou een ander dat zegt, och, wat geef ik er om? Er wordt zo veel gezegd! De mensen zijn boos en slecht. Ik zou het nog kunnen beamen ook. De mensen en de wereld zijn inderdaad slecht en verdorven. Daarom is er ook zo veel troep en onrecht in de wereld. Natuurlijk zou ik zeggen: je hebt gelijk! De mens is boos. “Homo homini lupus!” De ene mens is voor de ander een wolf! Egoïsten zijn we, anders niet. De psychologie van onze tijd doet daar nog een schepje boven op. Iedere mens leeft op een beerput, dat is het onbewuste. Een soort van moeras, waaruit allerlei giftige dampen opstijgen. Een donker gebied, waaruit de meest smerige wensen en gedachten omhoog komen. In oude sagen wordt verteld van klokken, die op de bodem van moerassen liggen en nooit naar boven kunnen worden gebracht. Maar vaak, als het ‘s nachts stormt, beginnen die verzonken klokken te luiden. In Zeeland denken we dan aan het verdronken land van Reimerswaal-Saeftinge op Westerschouwen. Zoals het met die klokken is, zo is het ook met verlangens en boze wensen, die we in ons bewustzijn hadden weggestopt. “Weg met jullie, smerige gedachten!” Maar zij komen toch weer ineens naar boven en kunnen zich dan behoorlijk laten gelden! Zo kun je best de stelling verdedigen, dat de mens boos is. Toch is dit ook een stelling, die bestreden kan worden. Ik moet dan denken aan de oude tegenstelling tussen de kerkvaders Augustinus en Pelagius, in de derde eeuw na Christus. Pelagius beweerde, dat de mens een vrije wil heeft en van nature goed is. Augustinus hield vol, dat de mens gebonden is aan het kwaad. Heel veel later heeft de Franse wijsgeer Rousseau ons voorgehouden: “retour á la nature”. We moeten terug naar de natuur, want die is goed. Wat we dan met overstromingen en zo moeten doen, daar praatte hij dan maar niet over! Toch was menig theoloog uit vorige generaties er van overtuigd, dat de mens zo slecht nog niet was. Dat zijn ziel was als een munt, wel met stof bedekt, maar waarvan de beeldenaar toch in tact was gebleven, als het stof er maar vanaf werd geveegd. En vandaag zijn er nog veel mensen – ik denk wel de meesten – die zouden beweren: “Ach kom? De mens slecht? In elk mens zit toch ook iets goeds!”

Op dat punt valt er dus nog heel wat te redeneren. Trouwens, ik heb ook mensen van goed orthodoxe huize de hele avond in zware termen over de absolute verdorvenheid van de mens horen praten en zuchten, terwijl toch niet merkbaar was dat hun kopje koffie, dikke sigaar en borreltje er iets minder om smaakten. Dat is dus allemaal maar de buitenkant. Je praat er over, maar het raakt je niet echt. Maar nu komt Jezus tot ons en zegt het recht op de man af: “JE BENT SLECHT!“ Daar schrik je toch wel even van, u niet? Want als Hij het zegt, dan moet het toch wel waar zijn. Hij, die Zelf geen zonde heeft gekend noch gedaan, Die altijd bezig was met de dingen van Zijn Vader, Die gehoorzaam was tot in de dood en Zich offerde voor de mensen. Als Hij dat tot mij zegt, dan voel ik me staan op een donker hellend vlak. Daar staan we dan met z’n allen!

Maar Jezus Woord brengt ons ook op het tweede vlak: een opgaande lijn ”Jullie, die slecht zijn, weten toch goede gaven te geven aan jullie kinderen.” Onder het puin van de menselijke boosheid ontdekt Jezus toch nog iets goeds in de mens. Hoe slecht we ook zijn, er zijn toch slechte dingen, die we niet kunnen doen. Een vader kan onmogelijk, als zijn hongerige kind hem om brood vraagt, hem een steen geven, en als hij om vis vraagt, hem een slang geven. Een vader zou nog liever het brood uit zijn eigen mond sparen dan zijn kind honger zien lijden, is ‘t niet? Het spreekt toch vanzelf, dat ouders voor hun kinderen het goede zoeken, ja met hen het allerbeste vóór hebben. Heel veel ouders liggen krom voor hun kinderen!

De bekende schrijver Anton Coolen schrijft in één van zijn boeken over een krankzinnige vrouw, die met een groot broodmes de hele dag voor haar huis staat. Niemand waagt het om haar dat mes af te nemen. Dan komt men op het idee om haar jongste kind te halen, dat bij de buurvrouw was ondergebracht. Het kind is wat schuw en angstig bij het zien van al die mensen. Het huilt. Langzaam duwen ze het kind naar voren. Vol spanning wachten allen af wat er gebeuren gaat. Even staat het kind stil, dan holt het op z’n klompjes naar de moeder toe. Dreigend staat daar de vrouw met het mes. Maar dan heeft ze alleen oog voor dat schreiende jongske. Ze laat haar mes vallen en en ze hurkt neer en sluit ‘t kind in haar armen. “Mijn bloeike” zegt ze, “Mijn klein bloeike, ze zullen oe niks doen”. In de donkere nacht van de krankzinnigheid toch nog één lichtstraal!

En nu het derde vlak. Als ‘t bij mensen al zo is, hoe veel te meer bij de Vader in de Hemel. Als zelfs slechte mensen… dan toch zeker God wel, Hij Die zo goed is! HOE VEEL TE MEER! Het klinkt als een juichtoon. Er zit hemelse muziek in. Hoe veel te meer… dat is ALLES MEER! In het derde vlak is alles licht! Het licht, dat heen wijst nar “uw hemelse Vader”. Wat klinkt dat intiem. Jezus was ook intiem met de Vader. Hi zei ”Abba” (Vader) tegen Hem en wij mogen dat ook doen, zegt Hij. Immer zoals Hij uit de Vader is, zo hebben ook wij het leven uit God. Wij zijn van Zijn geslacht. En daarom bidden wij ”Onze Vader”. Dat is eenvoudig nooit uit te wissen! Er is misschien veel tussen ons en God gebeurd. Zoals de verloren zoon uit de gelijkenis hebben wij misschien ook wel eens gezegd: ”geef mij m’n erfdeel, dat mij toekomt”, en hebben we ons losgemaakt van God en het leven in eigen hand genomen. Maar Hij laat ons niet los, verbreekt de band met Zijn kinderen niet. Hij ziet naar ons uit en sluit ons in Zijn vaderlijke armen. Hij is de Zoekende… en blijft Zijn hemelse gaven aan ons geven. Dat, wat we nodig hebben, elke dag!

Wij mensen staan daar hongerend. We hongeren vooral naar de vervulling van ons leven. Dat ‘t maar een beetje zin mag hebben. We hongeren vooral ook naar God, want we voelen best in ons zelf dat we Hem zijn kwijt geraakt en dat daarmee in ons leven alles op losse schroeven is komen te staan. We horen Jezus’ stem: ”de mens leeft niet van brood alleen, maar van alle Woord, dat uit de mond van God uitgaat…” In plaats van brood toch geen steen geven en in plaats van vis toch geen slang?

En nu staat Jezus daar en Hij spreekt ons van Zijn hemelse Vader, alsof Hij voor ons staat en onze handen vastpakt. Zou Hij Zelf niet het Woord zijn, dat uit Gods mond uitgaat? Zou Hij Zelf niet de goede gave zijn, die God ons schenkt? Ja, Hij is de beste gave, die ons hart maar verlangen kan!! Die Zijn leven voor ons gegeven heeft. Deze goede gave schenkt God, de hemelse Vader, aan de mensen, die tot Hem bidden. Goede gaven kunnen alleen neerdalen in een hart, dat er voor open staat. En wat is bidden anders dan: zijn hart openstellen voor God. Bidden is niet: een verlanglijstje uitspreken van dingen, die we min of meer nodig denken te hebben in ons leven. Bidden is niet God onder druk zetten, ja, soms zelfs chanteren. Wij hebben eenvoudig niets te commanderen tegenover God. Wij mogen, in vertrouwen, afwachten, wat Hij ons schenken wil. Dat is de echte geloofs- en levenshouding, waarvan de dichter van Palm 25 (vs 7) spreekt:

”d’ Ogen houdt mijn stil gemoed
opwaarts om op God te letten.”

Bidden is luisteren, eerbiedig luisteren. Op God letten! Bidden is niet schreeuwen, huilen, jammeren, niet klagen maar dragen en bidden om kracht, en vooral luisteren! Het bidden van heel veel mensen gaat op in het roepen: ”Hoor, Heer, uw dienstknecht (dienstmaagd) spreekt… Maar het diepste bidden is juist andersom: ”Spreek Gij, Heer; uw knecht, uw dienstmaagd hoort!”
Laten we in het jaar dat voor ons ligt, ons hart openstellen voor Hem. Dat Hij Zijn Woord mag spreken en wij mogen luisteren! Dan zullen wij de goede gaven ontvangen van de hemelse vader. Ja, Zijn allerbeste gave aan ons: onze Heer Jezus Christus!

Gez.175:
O wij arme zondaars, bedelaars onrein,
die in zonde ontvangen en geboren zijn,
onze schulden brachten ons in zo grote nood,
dat met lijf en ziel wij vervielen aan de dood.
Kyriëleison, Christe eleison.

Had de Here Jezus ons niet opgezocht,
mens onder de mensen, en ons vrij gekocht,
Hij alleen tot sterven voor anderen bereid,
wij waren verloren in alle euwigheid.
Kyriëleison, Christe eleison, Kyriëleison!

AMEN

GEBEDEN:

God van barmhartigheid, Vader van onze Heer Jezus Christus, wij danken U dat u zó goed voor ons bent, elke dag opnieuw, zodat we met vertrouwen het nieuwe jaar binnen mogen gaan.
Leer ons ook daarin het goede te doen en leer ons te luisteren naar wat U ons te zeggen heeft. Maak ons tot goede dienaressen en dienaren van u! Heer, wilt U met allen zijn, die het moeilijk hebben en die vol zorgen het nieuwe jaar ingaan. Overal in de wereld zijn zij: de zieken en bezorgden, de stervenden en rouwenden, de gevangenen en verdrevenen, miljoenen vluchtelingen en asielzoekers, allen Heer, die lijden. Wij bidden U ook voor heel uw creatuur: voor de lijdende dieren en mishandelde natuur. Gedenk hen, die ons lief zijn, die wij voor U noemen, in het binnenste van ons hart.

stil gebed –
Waak over Uw kerk, Heer, overal op aarde. Ontferm U over haar nood, genees haar verdeeldheid, drijf uit haar alle vrees en gemakzucht, en sterk haar in het geloof. Schenk moed en vertrouwen aan al die miljoenen Christenen, die over heel de wereld aan vervolging onderhevig zijn. Wilt u vooral de jonge mensen, die zoekend in de wereld staan, Uw Evangelie aanreiken als de kracht van hun behoud en de richtlijn in hun leven. Zo bidden wij U in stilte.

stil gebed –
Heer en Koning der wereld, die de natiën leidt naar Uw raad, sta hen bij, die Ge macht gegeven hebt over mensen en dieren. Geef, dat ze hun taak mogen vervullen in Uw dienst en tot voorspoed van hen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd. Weest U zo met onze koning en koningin en regering.
Geeft U vrede aan de wereld, in t bijzonder bidden wij U om vrede rondom Irak, Afghanistan en Syrië, en tussen de broedervolken in Uw eigen Israël.
Stop de EBOLA-epidemie in Liberië en omliggende landen. Laat de landen, die zo getroffen worden door dood en tegenspoed, weer opbloeien. Moge Uw genade zo met allen zijn, die zich tot hulp geroepen weten.
Bidden wij het “Onze Vader”.
stil gebed –

AMEN

Bij het oude jaar

En dan is daar opeens een leeuw. Het doet denken aan de boeken over Narnia van C.S. Lewis. ‘De leeuw uit de stam van Juda, de telg van David.’ Jezus Christus, afstammeling van David, vervulling van Israëls geschiedenis, de opgestane, Hij is het wel waard om de zegels te openen en de boekrol in te zien.

Dit maal een Oudejaarspreek van een gastprediker: ds. Jan Willem Stam die hem heeft gehouden in de Oudejaarsdienst Te Barendrecht 2014, in de Dorpskerk. Tekst: Openbaring 5.

Gemeente van Jezus Christus,

Ik hoor het Herman van der Zandt nog zeggen: 2014 was eigenlijk gewoon een rotjaar. Hij zei het in één van de eindejaarsoverzichten die ik ter voorbereiding van deze dienst nog eens bekeek. Eén ding hebben die overzichten gemeen: ze puilen uit van alle ellende.
Ebola. Islamitische Staat. Haaksbergen. Marokkanen. Lampedusa. Gaza. MH17. Syrië. Hongkong. Oost-Oekraïne. Ferguson. Jezidi’s. Korporaal Van Oudheusdenkazerne. Panama. Schilderswijk. Poetin. Centraal-Afrikaanse Republiek. Zwarte Piet. Irak. Congo.
Dit zijn de namen van 2014. En achter de namen zit zoveel pijn en angst en verdriet en leegte en brutaliteit. Wat is er aan de hand in onze wereld? In de wereld waarin wij leven? Waarin wij vaak nog best prettig leven. Want dat is misschien nog wel het meest vreemd, dat we al met al nog zo gelukkig zijn en er nog zoveel is wat we leuk vinden. Dat we nog zoveel tijd overhouden om ons druk te maken over onnozele dingen, om te mopperen en ontevreden te zijn, terwijl de wereld in brand staat.

Hoe die jaaroverzichten en conferences ook proberen, het lukt niet om een lijn te ontdekken in 2014. Het is een onontwarbare kluwen. Wie kan hier iets van zin of doel in ontdekken? Is dat niet het grootste verdriet, dat zoveel zo zinloos is, zo onbegrijpelijk. Waarom niet meer gedaan aan Ebola? En wat bezielt die jihadisten in godsnaam? En waarom strijden broedervolken om de Oekraïne? En waarom dat overdadige geweld in Gaza? Ieder weldenkend mens ziet toch dat het allemaal zo onnodig is? Hoe kan het dat een wereld vol mensen die als je het ze persoonlijk zou vragen niets anders dan vrede willen, er met elkaar zo’n hopeloze puinhoop van maken? Is er dan niet iemand die ons kan vertellen waar het allemaal goed voor is? En waar het op uitloopt?

Dat is de vraag die ook in de hemel wordt gesteld. ‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’ De boekrol staat symbool voor de geschiedenis. Op de boekrol staat het geheim van de geschiedenis geschreven en wie de boekrol leest, weet het hoe en waarom van alle dingen. De boekrol is aan beide zijden beschreven. Ook de achterkant van de geschiedenis, de kant die wij niet zien op televisie en internet, staat er op.
Maar de boekrol is opgerold en verzegeld. De geschiedenis is ontoegankelijk. De geschiedenis is een geheim. En niemand in de hemel of op de aarde kan dat veranderen. We kunnen ons iets bij het verdriet en de radeloosheid van Johannes daarover voorstellen.

De vraag die gesteld wordt, is opvallend genoeg niet wie bij machte is de boekrol te openen. Dat is meer een vraag voor de aarde. De machthebbers – of het nu Obama of Poetin of Google of voedingsmiddelsindustrie is – proberen de geschiedenis naar hun hand te zetten, met grof geweld of juist in het geheim. In de hemel klinkt de vraag wie het waard is. Aan wie kunnen wij ons en onze geschiedenis toevertrouwen? Aan niemand in de hemel of op de aarde dus. Er is niemand bij wie wij veilig zijn.

En dan is daar opeens een leeuw. Het doet denken aan de boeken over Narnia van C.S. Lewis. ‘De leeuw uit de stam van Juda, de telg van David.’ Jezus Christus, afstammeling van David, vervulling van Israëls geschiedenis, de opgestane, Hij is het wel waard om de zegels te openen en de boekrol in te zien. Als Johannes zijn blik richt op deze Messiaanse leeuw dan ziet hij… een lam. De leeuw is een lam. De koninklijke leeuw is een kwetsbaar lammetje. Hij die ons regeert is zachtmoedig en nederig van hart. Dit lam regeert zo anders dan al die machthebbers die wij kennen. Jezus Christus is onoverwinnelijk, maar onoverwinnelijk in zijn liefde.

Het lam ziet er uit alsof het geslacht is. De littekens van zijn dodelijke wonden zijn nog vers. Hij draagt de sporen van zijn geschiedenis met zich mee. En zo draagt hij de sporen van de geschiedenis met zich mee. Misschien mag je wel zeggen dat het lam er uit ziet alsof het Ebola heeft, alsof het uit de lucht is geschoten, alsof het verdronken is tijdens zijn vlucht naar de vrijheid, alsof het gebombardeerd is. Zo ziet dat lam er uit. Het is niet mooi.

Ja, het is wel mooi. Het is hartverscheurend mooi. In al dat leed wat deze dagen over onze beeldschermen flitst, is hij te zien. Eén foto blijft me bij. Een jongetje ligt op de bodem van een boot. Hij is verdronken op zijn vlucht uit Kongo naar Oeganda. Om de boot staan mensen te kijken, maar hij ligt daar eenzaam dood te wezen. Zijn armpjes uitgespreid. Alsof hij gekruisigd is. ‘Tot het eind der tijden lijdt Christus in hun verlatenheid.’

Het lam ziet er uit alsof het geslacht is. Alsof het kanker heeft. Alsof het Alzheimer heeft. Alsof het … vult u maar in. Hij die ons leven en het lijden ten diepste kent, Hij die met onze kwetsbaarheid vertrouwd is, Hij doet de geschiedenis open.

En dan gaat er een gejuich op in de hemel dat zijn weerga niet kent. De hemel ontploft van vreugde. Het is ook geweldig wat er gebeurt. Uit alle landen en volken, van elke stam en taal zijn mensen bevrijdt. Christus heeft ze opgeraapt, langs de kant van de weg van de geschiedenis lagen zij, maar Hij zag ze en nam ze mee.
Ja, sterker nog: ‘Zij zullen als koningen heersen op aarde.’ De slachtoffers zullen regeren. De armen zullen de dienst uitmaken. De vervolgden zullen op de troon zitten. Alles wat zich nu groot en breed maakt, zal uit elkaar vallen. Lees de rest van het boek Openbaring er maar op na. Het zal niet zonder slag of stoot gaan, in tegendeel. Het zal nog veel gekker worden dan het nu is. Maar hoe wreed en dreigend het ook wordt, het is niets anders dan de ontmaskering van de machten. Ze zullen hun ware gezicht laten zien en dan zal blijken dat ze onbestaanbaar zijn.

2014 was niet zo’n best jaar. Toch zegt Johannes tegen ons dat het wel goed was dat meer en meer aan het licht komt waar mensen toe in staat zijn. En dat goddeloosheid en onmenselijkheid hand in hand gaan. In al die verschrikkelijke gebeurtenissen kijk je het beest recht in zijn gezicht.
En dan weet je ook meteen wat je te doen staat in 2015. De geschiedenis vraagt om keuzes. Christus vraagt om keuzes. Wil je horen bij de macht die uiteindelijk zal bezwijken onder zijn eigen liefdeloosheid, of wil je horen bij de kwetsbare overmacht van zijn liefde? Wil je uiteindelijk ontmaskerd worden, of zet je zelf je masker af en voeg je je in het koor? ‘Aan hem die op de troon zit en aan het lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid.’

Amen.

Overbrugd

Mijn vriendin Aly Brug, die vanaf het begin van het Christelijk Weekblad columns verzorgde, heeft nu een eigen blog. http://overbrugd.blogspot.nl/

Mijn vriendin Aly Brug, die vanaf het begin van het Christelijk Weekblad columns verzorgde, heeft nu een eigen blog. Haar columns, meer dan 500, hebben alle betrekking op de actualiteit van het Christelijke leven in de huidige tijd. Verschillende daarvan zijn ook opgenomen in onze website. Al die columns nodigen uit tot lezen!

U kunt ze nu bereiken via: http://overbrugd.blogspot.nl/

 

Aly

Aly Brug

Waar blijft de tijd XXXIX – Dialectische taal- en denkstructuur van het Paulinische kerugma

Steeds weer in de discussies rondom Paulus en zijn theologie is gebleken, dat zijn denken niet gesystematiseerd kan worden. Wordt dit toch gedaan, bij voorbeeld op de lijn van de Christus-mystiek of Heilsgeschichte of existantiale theologie, dan is het resultaat: een torso.

Steeds weer in de discussies rondom Paulus en zijn theologie is gebleken, dat zijn denken niet gesystematiseerd kan worden. Wordt dit toch gedaan, bij voorbeeld op de lijn van de Christus-mystiek of Heilsgeschichte of existantiale theologie, dan is het resultaat: een torso. Dat komt, omdat de Paulinische gedachten zelf te weinig eenheid vertonen. Paulus heet nu eenmaal geen leerboek willen schrijven of een eigen theologie willen ontwerpen. Hij is in al zijn brieven als ’t ware in gesprek met zijn lezers, die hem hun vragen en noden voorleggen. Wat Paulus schrift is dan ook voor het grootste deel op deze behoeften geënt. Het zijn de concrete vragen “uit het leven gegrepen”, die hem “THEOLOGIE” doen bedrijven. Hierdoor is zijn theologie altijd een element van de praktische verkondiging: hij staat in functie van en is tegelijk ook functioneel bepaald door het kerugma. Centrum van dit kerugma is Jezus Christus “en Die gekruisigd”( 1 Kor.2, 2). Alle middelen van taal en gedachteconstructies, waarover Paulus maar beschikken kan, wendt hij aan om de mensen met dit “zijn” Evangelie bekend te maken. Daartoe gaat hij zelfs de taal van de lezers spreken en hun denkbeelden overnemen, om zich toch maar vooral verstaanbaar te maken ten dienste van de blijde boodschap. Zo vinden we in zijn brieven profetische en apocalyptische voorstellingen uit de Joodse traditie en gnostisch-mythologische, ja zelfs Hellenistisch-filosofische gedachten uit de Griekse wereld naast elkaar (1 Kor.1; 2, 6-16; 12).

In de eerste plaats echter ontmoeten we bij Paulus de Joodse taal- en denkstructuur. Hoewel hij Grieks schrijft, denkt hij toch meestal Aramees. Zijn vele toespelingen op de LXX-tekst en zijn geboorte in Tarsus versterken dit vermoeden, maar ook zijn rabbinale opleiding in Jeruzalem (Hand.22, 3) en het “Hebreeuwse dialect”, dat Paulus volgens Hand.21, 40 en 22, 2 gesproken moet hebben, doen veronderstellen dat de voertaal van Paulus Aramees is geweest. Wijzend op de gebedstaal (1 Kor.16, 22 “marana tha”), het gebruik van het woordenspel met twee betekenissen afkomstig van één wortel, het gebruik van “anthrôpos” in 1 Kor.11, 28 en 4, 1 in de betekenis van “men” en de toepassing van “en”-instrumentalis als equivalent van het Aramese “be”, komt prof. W.C.van Unnik, mijn Utrechtse leermeester, tot de slotsom dat Paulus bilingueel moet zijn geweest. Dit houdt in, dat achter zijn Griekse schrijftaal veelal een Aramese spreektaal geplaatst moet worden. Vanzelfsprekend hoeft dit niet te betekenen, dat Paulus op het moment dat hij Grieks schreef, in het Aramees dacht, maar wel dat zijn Griekse schrijftaal sterk door het Aramees beïnvloed moet zijn geweest, en zeker ook dat zijn in het Grieks geuite gedachten dikwijls een Aramese strekking hebben. We zagen reeds, dat dit met name geldt voor de door Paulus aangewende tijdsbegrippen als “aiôn”, “kairos”, ”hemera”, “chronos” etc.: formeel zijn zij Grieks, maar materieel zuiver Joods-Aramees. Hetzelfde is van toepassing op het Paulinische gebruik van de apocalyptische twee-aeonen-leer: deze is door de apostel niet overgenomen vanwege het “formele” tijdsaspect, maar uitsluitend omdat hij “inhoudelijk” de breuk aangeeft, welke door de dood van Jezus als eschatologische gebeurtenis tegenover de heerschappij van de zonde is ontstaan. Ook hier blijkt, dat de kern van het Paulinische tijdsdenken niet Grieks is, maar Joods. Het is niet statisch, maar dynamisch, niet als abstractie losstaand van ruimte en wereld, maar in concreto daaraan vastzittend, er mee een eenheid vormend, zodat in de tijd het gebeuren van die tijd meeklinkt en tijd en tijdsvervulling als ’t ware identiek zijn.

In onze Oudtestamentische analyse hebben we gezien, hoe deze strekking van de tijd voortkomt uit de Semitische tijdsbeleving, waarin de theocentrische ervaring van Israël centraal staat. God, Die in de tijd bezig is met Zijn volk, waardoor tijdsmomenten met heilshistorische gebeurtenissen samenvallen, geeft aan elke tijd zijn bijzondere heilsbeslissende “kairologische” karakter. Vanuit dit Oudtestamentische gezichtspunt, dat met name in de profetische verkondiging centraal staat is het ook voor de Paulinische tijdsbeschouwing van belang aandacht te hebben voor het moment van het horen naar wat God ons in onze tijd te zeggen heeft, zoals Hij dat in de aan ons voorafgegane tijden aan Israël gezegd en gedaan heeft (woord en daad vallen hier echt “Hebreeuws” samen!). Meermalen is dan ook terecht opgemerkt, dat het tijdskarakter van het Hebreeuwse denken uit de grondwaarneming van het “horen” komt, terwijl dat voor de Grieken het “aanschouwen” is. Het is het gehoor geven aan de boodschap in de geschiedenis van Gods handelen, die doorgaat in het vertellen van de verhalen en daardoor actueel blijft voor de tijd van het heden en voor de mens, die nú leeft. Interessant is in dit verband, hoe dit actuele tijdverstaan teruggevonden kan worden in de zogenaamde correspondentie-formules, dat wil zeggen van de uitdrukkingen, die van de “en Christoi”-formule zijn afgeleid. Daarin wordt uitgesproken, dat Christus in de mens is en werkt. Dat deze actueel, “zeitlich-geschichtlich” en niet ruimtelijk-visueel bedoeld zijn, merkt men terstond, wanneer men het gebruik van “en sarki” (in het vlees) en “en sômati” (in het lichaam) onder de loupe neemt. Zo lezen we in Rom.8, 8v: “zij, die in het vlees zijn (zich laten leiden door hun eigen wil) kunnen God niet behagen. Gij echter zijt niet in het vlees maar in de Geest, want de Geest van God woont in u”. Lichaam en vlees worden bij Paulus in de “en-“verbindingen minder in ruimtelijke dan wel in tijds-uitstrekking gedacht. Hier achter kunnen we het synthetische element van het Hebreeuwse ervaringsdenken vermoeden: de apostel denkt de mens met zijn geschiedenis tezamen, het lichaam met zijn doen en gebeuren (1 Kor.6, 20; Rom.6, 12; Phil,.1, 20). In plaats van “lichaam” zou dan ook beter van “existentie” gesproken moeten worden. Het is een corporatief geheel: lichaam en existentie horen onafscheidelijk bij elkaar, zoals voor de Hebreeër tijd en inhoud van de tijd één geheel vormen. Deze corporatieve gedachte vinden we ook daar, waar de verhouding tussen Christus en de apostel ter sprake komt: bij “en emoi” in 1 Kor.9, 15 en vooral in de zo vaak misverstane tekst Gal.2, 20: “Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij. Mijn sterfelijk leven is een leven in het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf heeft overgeleverd voor mij.” Het misverstand om in deze tekst een bewijs te zien van Paulus’ mystieke aard ontstaat, wanneer men het “en emoi” ruimtelijk verstaat. Maar ook hier heeft dit “en emoi” tijdskarakter. Christus trad eens in het leven van de apostel (Gal.1, 15v) en NU is Hij zijn leven geworden: het leven van de apostel en Christus zijn daardoor onverbrekelijk aan elkaar verbonden: “want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus, en Die gekruisigd.”(1 Kor.2, 2).

De corporatieve eenheid van de Heiland met zijn apostel en omgekeerd vormt de achtergrond, waartegen wij de dialectische taal- en denkstructuur van Paulus hebben te verstaan (en emoi – en Christôi). Zichtbaar wordt dit bij Paulus’ gebruik van teksten uit de Tenach: deze oude teksten zijn voor de apostel alleen van belang, voor zover zij Evangelie, heenwijzing naar Christus, bevatten; als “nomos” (=wet) immers is de Tenach voor Paulus afgedaan.

Nog duidelijker vinden we deze Christologische spits in het Paulinische denken daar, waar hij zich van Hellenistisch-filosofische gnostische of mythische voorstellingen bedient, of verwantschap toont met de gedachten van de Qumran-secte (Rom.7; 2 Kor.5, 17; Eph. 2, 2; 5, 3). Beeld- en taalpatroon worden dan zo maar van de “tegenstanders” overgenomen en in dialectische verhouding tot Christus en Zijn kruis gesteld, waarmee hij twee dingen tegelijk bereikt: ten eerste spreekt hij voor zijn lezers begrijpelijke taal, namelijk hun voertaal; ten tweede wordt in de dialectische toepassing van het “vreemde” taal- en beeldpatroon op Christus het Evangelie verduidelijkt en ook verscherpt. Prachtig zien wij dit gebeuren in de brieven aan de Korinthiërs, waar Paulus op zeer behendige wijze manoeuvreert met gnostische begrippen als “sôphiä” en “gnôsis”, die hij in Christologisch omgebouwde zin positief opneemt ten behoeve van zijn pneumaleer en Christologie. Zo wordt in 1 Kor.8, 1vv de “gnôsis” (kennis) tegenover de “agape” (liefde) geplaatst, om aan te tonen dat de echte “gnôsis” van God komt en – in de agape – ook alleen maar op God gericht kan zijn. En in 1 Kor.1, 24 wordt, geheel daarmee overeenstemmend, ook de wijsheid tot “wijsheid van God” verklaard: Christus de kracht van God en de wijsheid van God. Het is deze wijsheid van God, die Paulus predikt: een verborgen wijsheid, maar ons geopenbaard door de geest (1 Kor.2, 6-16).

Ook een tekst als 2 Kor.4, 7vv over “de schat in aarden vaten” wordt dan pas goed verstaanbaar, wanneer men aanneemt dat Paulus hier begrips- en voorstellingsmateriaal van de Korinthische “tegenstanders” overneemt om “de Grieken een Griek te zijn” en zo in plaats van tegen hen met hen te disputeren. Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons (2 Kor.4, 7v Statenvertaling).

Vanuit zijn persoonlijke Christus-ervaring komt Paulus tot een herinterpretatie van God-, mens- en wereldbeschouwing, die hij op zijn weg ontmoet en die hij van huis uit heeft meegekregen. Dit geldt zowel de Joods-apocalyptische beschouwing, die hij zich door opvoeding en studie had eigen gemaakt, als ook die van de velerlei Hellenistisch-synkretistische stromingen, welke hij bij de uitvoering van zijn zendingsopdracht mocht ontmoeten. Paulus komt in al de dialogen, die hij met “van zijn Evangelie afwijkende” geloofsvoorstellingen had te voeren, steeds weer naar voren als de Christen, wiens leven Christus is, en die dan ook alles alleen maar kan zien vanuit Christus en Zijn onverdiende genade. De Christologie en de soteriologie blijken eens te meer het hart van Paulus’ theologie te zijn. Dit, maar dan ook dit alleen, is de verklaring van zijn dialectische taal- en denkstructuur, die ook aan zijn tijdsopvatting die typische spanning van het “reeds” en het “nog niet” gegeven heeft.

Waar blijft de tijd XXXVIII – De Paulinische tijdstructuur als functie van het kerugma

In de verschillende tijdsaspecten ontmoeten wij Paulus in de eerste plaats als de apostolische prediker en zielzorger, die vraagt naar de wil van God en zich bekommert om de noden van zijn lezers.

In de verschillende tijdsaspecten ontmoeten wij Paulus in de eerste plaats als de apostolische prediker en zielzorger, die vraagt naar de wil van God en zich bekommert om de noden van zijn lezers. De tijdselementen, welke naar voren komen in zijn spreken over God, Christus, de schepping en de menselijke existentie, zijn alle in deze prediking en zielzorg opgenomen en kunnen ook alleen daaruit verklaard worden. In geen geval hebben zij betrekking op filosofische bespiegelingen over de tijd als zodanig. Dat zou voor Paulus “wijsheid van deze aeon” geweest zijn (1 Kor.1, 20; 2, 6 en 3, 18).

Aan de tijd zelf is de apostel niet geïnteresseerd. Tijd als abstract gegeven kan ook voor hem geen waarde hebben, daar hij vanuit het Joodse concrete denken de tijd slechts als “gevulde”, “beleefde” tijd kan accepteren. Het is door God gegeven tijd, met een bepaalde bedoeling: heilstijd of onheilstijd. God, de Schepper, immers geeft de tijd zin en plaats (1 Kor.8, 5), en alleen omdat Hij dat doet, is tijd serieus te nemen. Daardoor is zij werkelijkheid, een gebeuren, in verleden, heden en toekomst.

Paulus beweegt zich voort in de lijn van het Oude testament. Doch het Oudtestamentische tijdsverstaan krijgt in zijn denken wel een andere spits. Was het tot dusverre teleologisch-eschatologisch gericht op de toekomst, waarin God zou komen om de tijden vol te maken, NU is het Christologisch-soteriologisch gericht op het heden, als vervulling van de belofte in het verleden en als prolepse van de eindvoltooiing in de toekomst. Uit kracht van de persoonlijke Christus-ervaring in het Damascus-gebeuren wordt alles in zijn leven, ook het tijdsverstaan, gerelateerd aan Christus en aan zijn mens en wereld omvattende Evangelie. De apostel beheert hierdoor de erfenisschat van de profetische geschiedenisbeschouwing, doch deze is voltooid door de vervullinggedachte “in Christus” en gefundeerd in de tegenwoordigheid van Christus door de Geest.

Waar blijft de tijd XXXVII – Het tijdsaspect in Paulus’ persoonlijke leven

Er zijn slechts een viertal teksten, die iets over de persoonlijke heilsverwachting van Paulus aan het licht brengen:

1 Thess.4,13v: “Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben.”

Er zijn slechts een viertal teksten, die iets over de persoonlijke heilsverwachting van Paulus aan het licht brengen:

1 Thess.4,13v: “Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben.” 14 ”Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf”. 15 Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan.

1 Kor.15,51v.: “Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, 52 in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. 53 Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke. 54 En wanneer dit vergankelijke lichaam is bekleed met het onvergankelijke, dit sterfelijke met het onsterfelijke, zal wat geschreven staat in vervulling gaan: ‘De dood is opgeslokt en overwonnen. 55 Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?’ 56 De angel van de dood is de zonde, en de zonde ontleent haar macht aan de wet. 57 Maar laten we God danken, die ons door Jezus Christus, onze Heer, de overwinning geeft.”

2 Kor.5,6v.: “Wij hebben dus altijd goede moed en weten dat wij, zolang wij in het lichaam inwonen, uitwonend zijn van de Heere, 7 want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwing. 8 Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen. 9 Daarom stellen wij er ook een eer in, hetzij inwonend, hetzij uitwonend, om Hem welbehaaglijk te zijn. Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat ieder vergelding ontvangt voor wat hij door middel van zijn lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.”

Phil.1, 23: “Denn es liegt mir beides hart an: ich habe Lust, abzuscheiden und bei Christo zu sein, was auch viel besser wäre.”

In de eerstgenoemde tekst, waar Paulus spreekt over “ons levenden, die achterblijven tot de komst des Heren”, lijkt het er op alsof hij rekening houdt met de komst van Christus nog tijdens zijn leven. In het gedeelte uit de Tweede Korinthebrief, waar Paulus de wens uit spreekt het lichaam te verlaten en bij de Heer zijn intrek te nemen, is klaarblijkelijk van een parousieverwachting nog tijdens zijn leven geen sprake meer, integendeel: Paulus voelt zich ver van de Heer, in de vreemde, en alleen door het verlaten van het lichaam kan hij bij de Heer komen. Ook in de laatste tekst, Phil.1, 23, spreekt de apostel het verlangen uit “heen te gaan en met Christus te zijn”. Prof. G.Bouwman, mijn leraar in Tilburg, vertaalt “sun Christôi einai” met “bij Christus te zijn” om daarmee aan te geven, dat deze uitdrukking in het Nieuwe Testament uitsluitend gebruikt wordt voor het leven met Christus na de dood (vgl.Luk.23,43; Joh.17, 24; Phil.1, 23; 1 Thess.4, 17 en 5, 10). Dit “bij Christus zijn” als de voltooiing van het Christelijke leven vinden we ook terug in het “Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen” (2 Kor.5, 8).

Het verschil tussen de eerste en de laatste onthullingen heeft sommige exegeten het vermoeden doen uitspreken, dat er bij Paulus een ontwikkeling in de parousieverwachting moet zijn geweest. Er zou naarmate de betrokkenheid op de spoedige wederkomst van Christus afneemt een Christus-mystiek in de plaats zijn gekomen van de futuristische eschatologie. H.Conzelmann deelt deze gedachte niet: wij leven in Christus en Christus in ons (Gal.2, 20), wij zijn met Christus gestorven, maar het “met Hem opstaan” staat nog als te verwachten uit (2 Kor.4, 14 en 1 Thess.4, 14): “Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen. Wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, en dus hebben we geloofd dat God zal brengen met Jezus die in slaap in hem zijn gevallen.” Deze gedachte doortrekt volgens Conzelmann alle brieven van Paulus, met uitzondering van de Deuteropaulinische epistels aan de Kolossenzen en Ephese. Paulus spreekt daarom ook van onze opstanding alleen futuristisch: hij is nog volledig van de op handen zijnde parousie overtuigd (Rom.13,11 en Phil.4, 5) en hoopt dan ook vanzelf dat hij er persoonlijk – tijdens zijn leven – nog bij zal zijn. Deze overtuiging wordt ook zichtbaar in Paulus’ beschouwing van Israëls geschiedenis in Romeinen 9-11.

Hoe het ook zij, in ieder geval is voor Paulus’ gevoelen de tijd “kort” (1 Kor.7, 29), wat ook zijn geweldige evangelische activiteit verklaart: hij moet met het Evangelie “rond”, want de Heer komt! Toch is er in dit korte tijdsbestek nog planning mogelijk, zelfs op langere termijn, getuige Rom.1, 13, waar hij aan de Gemeente van Rome schrijft, dat hij dikwijls het voornemen heeft gehad naar hen toe te komen; getuige ook Rom.15, 22, waar hij zelfs het plan oppert naar Spanje te reizen. Paulus houdt derhalve in de praktijk van zijn werkzame leven terdege rekening met de tijd: dat er tijd zal zijn om zijn arbeid te volbrengen.

Waar blijft de tijd XXXVI – Het tijdsaspect in de Paulinische werkwoordsvormen, praeposities en overige grammaticale elementen

Over het algemeen wordt het centrale Christologische heilsgebeuren met de aoristus weergegeven (aoristus is de oud-Griekse verleden tijd). Dit benadrukt de in het verleden begonnen en in het heden doorlopende handeling.

Over het algemeen wordt het centrale Christologische heilsgebeuren met de aoristus weergegeven (aoristus is de oud-Griekse verleden tijd). Dit benadrukt de in het verleden begonnen en in het heden doorlopende handeling. Ter illustratie nogmaals Rom.8, 24: “Want in de hoop zijn wij zalig geworden.” De aoristusvorm wijst op de zekerheid van de redding in het eschatologische oordeel, de dativus “in de hoop” duidt op zijn toekomstigheid.

Maar ook het praesens (de tegenwoordige tijd) kan bij Paulus een heel bijzonder gewicht krijgen. Zo b.v. de participia (voltooide deelwoorden) in 1 Kor.1, 18 en 2 Kor.2, 15: “die worden gered” en “onder hen die zalig worden en onder hen die verloren gaan“. Juist de praesens-vorm van deze tegenover elkaar staande participia toont aan, hoe de Christelijke hoop als ervaren werkelijkheid even levendig op de toekomst is gericht als ook reeds in het “NU” van Christus is vervuld.

De futurische werkwoordsvorm treffen wij meestal aan in de woordgroep “redden”. B.v. Rom.5, 9: “Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen we worden gered en niet veroordeeld“. We mogen concluderen, dat de verschillende tijdsvormen van het werkwoord bij Paulus duidelijk gerelateerd zijn aan het heilsgebeuren in Christus, dat alle tijden omvat.

Dit Christologisch-soteriologische aspect is eveneens aanwezig in de toepassing van verschillende praeposities (op… na… om… enz.) in het Paulinische Schrift. Teruggrijpend op de Tenach maakt Paulus gebruik van de praeposities “pro”, zoals in Rom.1, 2; Gal.3, 8; Rom.15,4; Rom.8, 29v; Rom.9,23: te voren, voorzag, vroeger enz.; “pro” heeft in al deze combinaties de betekenis van “van te voren”. Er is aan het Christusgebeuren een hele voorbereiding voorafgegaan.

De werkelijkheid van de Christelijke existentie wordt dikwijls weergegeven met behulp van de praepositie “en” in adjectiva en adverbiale uitdrukkingen. In deze praepositie spreekt het hebreeuwse “be” in instrumentale betekenis mee. Zoals in het Hebreeuws, dat geen eigenlijk adverbium (bijwoord) kent, wordt “en” door Paulus gebruikt om de toestand en omstandigheid van tijd en plaats, waarin zich iets bevindt, uit te drukken. Karakteristiek hiervoor is het “en nomoi” van Rom.12, 12 “Allen die gezondigd hebben zonder de wet te kennen, zullen ook zonder de wet verloren gaan; en allen die gezondigd hebben terwijl ze de wet wel kennen, zullen door de wet worden veroordeeld“. Zij, die “onder de wet” staan leven dus “ten tijde van de heerschappij der wet”.

Gal.6, 17: “want ik draag de littekenen van de Heere Jezus in mijn lichaam“. “In mijn lichaam” is niet zo zeer in ruimtelijke zin maar tijdscategoriaal gedacht, d.i. in zijn “Leibesleben”.

Tenslotte mogen wij in dit verband nog wijzen op de doxologieën (lofspreuken aan God) die weliswaar niet direct tijdskarakter bezitten, maar waarin toch indirect de visie van Paulus op de tijd zichtbaar wordt. Christus wordt in 1 Kor.15, 20.23 de “eersteling” genoemd: “Christus is opgestaan uit de doden, als eersteling van hen die ontslapen zijn.”(20)”Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eersteling Christus, vervolgens, bij zijn komst, zij die Christus toebehoren“(23). En de Heilige Geest wordt in Rom.8, 23v; 2 Kor.1, 22 en 5,5 met “arrabôn”, voorschot, aangeduid.

“En dat niet alleen, ook wijzelf, die als voorschot de Geest hebben ontvangen, ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan“.

Beide uitdrukkingen impliceren wat nog komen moet: de toekomstige volheid en voltooiing. Met de Christologisch-soteriologische vulling van de tijd bij Paulus gaat hier gepaard het Hebreeuws-synthetische denken, wardoor het begin (de eersteling) het einde includeert, met het voorschot is de volheid van de eindvoltooiing reeds meegegeven, als realiteit in het heden.

In de Paulinische doxologieën, met name in Rom.11, 36: “Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.” verschijnt Christus als het allesbeheersende centrum, Die dan ook tot in eeuwigheid alle heerlijkheid toekomt (1 Kor.8, 6). Niet tot Zijn eigen eer, maar tot eer van de Vader:

En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.” (1 Kor.15, 28).
Dan zult u eendrachtig en eenstemmig lof brengen aan de God en Vader van onze Heer Jezus Christus.” (Rom.15, 6).

Immers, zovele beloften van God als er zijn, die zijn in Hem ja en in Hem amen, tot verheerlijking van God door ons.” (2 Kor.1, 20).

Uw bijdrage aan de collecte heft immers niet alleen het gebrek van de heiligen in Jeruzalem op, maar leidt er bovendien toe dat ze God uitbundig danken. 13 Ze prijzen God omdat u er blijk van geeft gehoorzaam te zijn aan het evangelie van Christus, wat u bewijst door de ruimhartigheid waarmee u met hen en alle anderen wilt delen. 14 In hun gebed voor u spreken ze hun verlangen naar u uit, omdat ze zien hoe overstelpend goed God voor u is geweest. 15 Laten we God danken voor zijn onbeschrijfelijk geschenk.” (2 Kor.9, 12-15).

Waar blijft de tijd XXXV – Hoop en verwachting

Het gaat in de hoop om het vertrouwensvolle geduldige afwachten van wat God ons brengen zal. Juist dit hopende vertrouwen ligt ten grondslag aan het veelvuldige spreken van Paulus in termen van hoop en verwachting.

Het gaat in de hoop om het vertrouwensvolle geduldige afwachten van wat God ons brengen zal. Juist dit hopende vertrouwen ligt ten grondslag aan het veelvuldige spreken van Paulus in termen van hoop en verwachting. Het voorbeeld bij uitnemendheid is wel de tekst uit Rom.8, 24v: “Want in de hoop zijn wij zalig geworden. Hoop nu die gezien wordt, is geen hoop. Immers, wat iemand ziet, waarom zou hij dat nog hopen? Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding.” Deze tekst wordt terecht wel eens de “definitie” van de Paulinische hoop genoemd. Waarom is hoop, die gezien wordt, geen hoop? Omdat al het zichtbare “tijdelijk” is, zoals Paulus het zegt in 2 Kor.4, 18: “Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig”. Waarom is de hoop, die gezien wordt, geen hoop? Omdat al het zichtbare “tijdelijk” is, tot de sfeer van het “vlees” behoort, waarop geen hoop gegrond kan worden. Bij de hoop op wat nog komen moet en dan ook onzichtbaar is behoort daarom het geduldig afwachten. “Maar als wij hopen wat wij niet zien, dan verwachten wij het met volharding” (Rom.5, 25). Vanuit deze gedachte wordt de paradox in Rom.4, 18 doorzichtig: “Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt”. Waar aan het vervoegen over het beschikbare een einde komt, begint het vertrouwen op Gods toekomst. Dit moment van het gericht-zijn op God in vast vertrouwen fundeert heel het Paulinische spreken over de hoop (vgl. 1 Kor.15, 19; 2 Kor.1, 10 en 3, 12). Daarnaast wordt ook het geduldige wachten “tot het zover gekomen is” benadrukt (vgl. Rom.5, 4 en 15, 4).

Ook hier vormt de Christologisch-soteriologische ervaring van de apostel het uitgangspunt van zijn spreken: door de in Christus volbrachte heilsdaad aan ons is de heilstijd aanwezig, waarin we volop vertrouwen kunnen hebben voor de toekomst! Het geduldige wachten kan in deze samenhang dan ook met de ontvangst van de Heilige Geest in direct verband worden. Rom.8, 23: ”En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wij zelf zuchten in onszelf, in de verwachting van de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam.’

Door de ontvangst en de kracht van de geest wordt de Christelijke levenshouding van het “geduldige en vurige afwachten, het gespannen uitzien naar” mogelijk gemaakt. Door de “verwachting”, het “er-onder-blijven” (“hupomone”): onder Gods plannen, wordt de Christelijke existentie nader geordend (vgl. Rom.8,25: ” Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden”).
Het object van het “wachten” is de eschatologische voltooiing bij de parousie van de Heer: “en hierdoor ontbreekt het u terwijl u op de komst van onze Heer Jezus Christus wacht, aan geen enkele gave van de Geest” (1 Kor.1, 7). Op de persoonlijke existentie van de Christen betrokken, betekent dit het verwachten van de gerechtigheid, waarop wij hopen: “Want door de Geest hopen en verwachten wij dat we op grond van geloof als rechtvaardigen worden aangenomen” (Gal.5, 5). Deze tekst laat bovendien duidelijk zien, hoe “hoop” tezamen met “geloof” de constituerende elementen vormen van het Christelijke zijn. Zichtbaar wordt dit vooral in de paraenese (= apostolische vermaning), b.v. in de zegenwensen van Rom.15,5 en 13, beginnend met “Moge God, die ons doet volharden …” en “Moge God, die ons hoop geeft …” Hoe zeer geloof en hoop, door de liefde werkend, als gaven van de Heilige Geest, gericht op de toekomst, tegelijkertijd fundament van het eschatologische bestaan in het heden zijn, legt de laatstgenoemde zegenwens ons aan het hart: “Moge God, die ons hoop geeft, u in het geloof geheel en al vervullen met vreugde en vrede, zodat uw hoop overvloedig zal zijn door de kracht van de heilige Geest.” Omdat de parousie van Christus in heerlijkheid nog uitstaat, daarom is het geloof primair hoop en volharding. Zie Rom.4, 18: het “tegen hoop op hoop” geloofd hebben van Abraham; en Rom 15, 4: “opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden”. Dat hierin de typische Paulinische tijdsspanning van het ”reeds” en het “nog niet” verwoord wordt, zal nog nader uiteengezet worden. Nogmaals verwijzend naar Rom.8, 24 “want door hoop zijn wij behouden” kan reeds hier geconstateerd worden, hoe Paulus in de uitspraken van hoop en verwachting enerzijds de zekere aanwezigheid van Christus’ heilsgoed (wij zijn behouden), anderzijds ook het “nog niet” uitdrukt (door de hoop).

Waar blijft de tijd XXXIV – Het tijdsaspect in Paulus’ omgang met de Tenach

Hier rijzen een aantal vragen: hoe ziet Paulus het Oude testament? Waarom haalt hij Oudtestamentische teksten aan, en hoe bepaalt hij de keus? Ligt hier een bepaalde visie op het verleden aan ten grondslag? Zo niet, welke bedoelingen heeft Paulus dan met Schriftaanhalingen? Tenslotte, hoe interpreteert hij deze teksten en waarom interpreteert hij ze zo?

Hier rijzen een aantal vragen: hoe ziet Paulus het Oude testament? Waarom haalt hij Oudtestamentische teksten aan, en hoe bepaalt hij de keus? Ligt hier een bepaalde visie op het verleden aan ten grondslag? Zo niet, welke bedoelingen heeft Paulus dan met Schriftaanhalingen? Tenslotte, hoe interpreteert hij deze teksten en waarom interpreteert hij ze zo?

Voor ons is voornamelijk de vraag naar Paulus’ visie op het verleden van belang. In hoeverre kunnen de citaten uit de Tenach hierop enig licht laten schijnen? Paulus citeert de Tenach 93 maal en merkwaardigerwijs nagenoeg alleen in de vier hoofdbrieven. Buiten die brieven wordt de Tenach nog aangehaald in Eph.4, 8; 5, 14.31; 6, 2v; 1 Tim.5, 18 en 2 Tim.2, 19. Er zijn 33 aanhalingen uit de Pentateuch (de eerste 5 boeken), 25 uit Jesaja en 19 uit de Psalmen. Voor het merendeel wordt uit de LXX (Septuaginta) geciteerd, doch meer dan een derde van alle citaten wijkt van de Masoretische (=de Hebreeuwse tekst van de Tenach) tekst en zelfs van elke verifieerbare Griekse tekst af. Hieruit blijkt, hoe Paulus in onderscheid van de rabbijnen de woordtekst van de Tenach niet onschendbaar acht, maar hem naar behoefte wijzigt. Het is opvallend, hoe een groot aantal citaten in afwijkende of in mengvorm voorkomen. Ter verklaring van dit verschijnsel ontstonden twee theorieën: die van het “testimoniumboek” (J.R.Harris) en die van de “Bijbel der oerkerk” (C.H.Dodd), volgens welke de oergemeente een verzameling van text-plots voornamelijk uit Jesaja, Jeremia, en kele kleine Profeten en de Psalmen bezat, die ze als proof-texts op het kerugma toepasten. Beide hypothesen zijn om verschillende redenen onbruikbaar. Tekstwijzigingen treden daar op, waar de verschillende themata in de brieven, waarmee Paulus bezig is, deze nodig maken, met name waar hij in discussie is met de Joden en Judaïsten in de Galaten- en Romeinenbrief, en met de “enthousiastelingen” in de 2e Korinthebrief. Hoewel er een keur is van onderwerpen, waarvoor Paulus Schriftbewijs opvoert, het belangrijkste thema is toch dat van de soteriologie: de “dikaiosune theou” (de rechtvaardiging van God). Paulus wil daarmee bewijzen, dat de wet en de profeten, dat is dus de hele Tenach, laten zien, dat de Godsgerechtigheid niet op de weg van de wet, maar uitsluitend door het geloof in Christus bereikt wordt. Verreweg de meeste en ook de gewichtigste Schriftcitaten in de vier hoofdbrieven hebben dan ook deze bedoeling, zoals 1 Kor.10, 1-11: Israël als waarschuwing; Rom.4: Abraham, door het geloof gerechtvaardigd; Gal.3, 6-9 idem; Gal.4, 21-31: Hagar en Sara; 2 Kor.3, 6-18: Mozes en het Oude en Nieuwe Verbond.

Over de Paulinische methode van citeren bestaan geen eensluidende opvattingen. Allereerst noemen wij de visie van L.Goppelt (Apokalyptiek und Typologie bei Paulus 1964). Uitgaande van de teksten 1 Kor.10, 6 en Rom 5, 14 (beide met de uitdrukking “tupos”), 1 Kor.10, 11 (met “tupikôs”) en 1 Petr,3, 21 (met “antitupos”) komt hij tot zijn standpunt, dat Paulus “tupos” en de begrippen die daarvan zijn afgeleid in technische zin hanteert, dus niet in de betekenis van gewoonweg “voorbeeld”, maar als hermeneutische term ter aanduiding van het Oudtestamentische “type”. De oorspronkelijke betekenis van ‘tupos’ moet zijn geweest “holle vorm”, waarmee afdrukken worden gemaakt, “geprägtes und daher prägendes Bild”, “norm”, een betekenis welke nog teruggevonden wordt in Rom.6, 17 en ook nog enkele keren in de Pastorale brieven en in 1 Petrus. Dit brengt Goppelt op de volgende gedachtegang: naast de apocalyptische beschouwingswijze, op de toekomst gericht, ontwikkelt Paulus een typologische interpretatie, op het verleden gericht. De ene stelt het heil in Christus voor de toekomst zeker, terwijl de andere het heil in Christus reeds “voorafgebeeld” in het verleden aanwezig acht. Paulus heeft beide lijnen nodig ter wille van de volledige ontplooiing van zijn Evangelie. Immers de universaliteit van Christus betreft niet alleen de kosmos, maar ook de tijd. We zagen reeds hoe beide begrippen in het gebruik van “aiôn” te nauwste op elkaar betrokken zijn en synoniem kunnen worden toegepast. Zo is het geheel van alle tijden op Christus toegespitst, niet alleen het heden en de toekomst, maar zeker ook het veleden, waarin Christus’ heil reeds “typisch” aanwezig is. Vanuit deze Christocentrische gedachte zijn de twee exegetische denkbewegingen bij Paulus ontstaan: de apocalyptische, die we ook wel de “Heilsgeschichtliche” zouden mogen noemen, en de typologische, vanuit de heilservaring in het heden teruglopend naar het Oudtestamentische verleden. Beide bewegingen vinden hun grond in de Christologische uitverkiezing van God, die volgens de apostel teruggaat tot aan het begin van de schepping (vgl. 1 Kor.8, 6).

Goppelt veronderstelt derhalve, dat Paulus ter ontplooiing van zijn kerugma de typologische exegese heeft ingevoerd, die na Paulus in de Kerk algemeen ingang heeft gevonden. Typologie in deze zin, als hermeneutische methode, behelst een uitleg van de Tenach, die in personen, gebeurtenissen en instellingen, waarover verteld wordt, voorafbeeldingen ziet van de er mee corresponderende personen, gebeurtenissen en instellingen van de met de komst van Christus aangebroken heilstijd. Het gaat daarbij vooral om de traditionele samenhang van gebeurtenissen uit het verleden, waarbij de exegese van details van ondergeschikt belang is.

Naast de typologische uitleg wordt bij Paulus het profetische Schriftbewijs en vormen van allegorie gevonden. De allegorie klemt zich vast aan de woordklank: zij duidt de woorden metaforisch, zonder met hun betekenis of zelfs de historische achtergrond er van rekening te houden. Hierdoor gaat een woord boven de gangbare betekenis uit (vgl. Gal.4, 21-31: Hagar-Sara). Het profetisch Schriftbewijs ziet in de woorden van de Tenach profetieën en beloften, die in de heilstijd van Christus hun vervulling hebben gevonden. Profetisch Schriftbewijs en allegorie komen daarin overeen, dat zij beide de vervulling van een concrete tekst en de relevantie van zijn details op het oog hebben, met het toekomstige als blikpunt. Het historische heeft in deze exegetische methoden alleen geldigheid als een soort dekmantel voor een verhulde toekomstbetrekking, waarop het eigenlijk alleen aankomt. In de typologie heeft het historische echter eigen realiteit en betekenis. Haar toekomstbetrokkenheid behoort tot een dieptelaag, die eerst vrijgelegd moet worden: niet als een verborgen zin van een tekst, maar als correlatie van gebeurtenissen, die met elkaar overeenkomen of vijandig tegenover elkaar staan. Beide methoden van typologie en profetisch Schriftbewijs dienen dan ook streng van elkaar onderscheiden te worden. Typologie staat onder de gedachte van de herhaling volgens het principe “eindtijd=oertijd”, het profetisch Schriftbewijs onder de gedachte van de voleinding. Typologie correspondeert met een cyclisch tijdverstaan, het profetisch Schriftbewijs daarentegen met een lineair tijddenken.

Als werkhypothese zijn beide exegetische uitgangspunten zeker van grote waarde, doch voor een werkelijk verstaan van het Paulinische zicht op de Tenach komt men er niet veel verder mee, daar de Oudtestamentische aanhalingen bij Paulus een zeer complex geheel vormen, waarop niet eenvoudigweg enkele exegetische normen zijn toe te passen. Voorlopig mag onze conclusie zijn, dat voor Paulus’ omgang met de Tenach geen vastomlijnd schema is aan te geven. Nu eens ligt deze in de sfeer van belofte en vervulling, dan weer is het hoofdprincipe de associatie van het heilsaspect in het heden corresponderend met gebeurtenissen in de geschiedenis van God met Zijn volk van vroeger. Een eigenlijke gedetailleerde taalopzet van “geschiedenis” wordt door de apostel niet gegeven. Alleen het “typische” wordt door hem aangehaald, en dat niet vanwege het historische karakter, maar uitsluitend omdat op de een of andere wijze overeenkomst bestaat met het onderwerp, waarover Paulus schrijft. Zo zien we Paulus zeer eclectisch en willekeurig met de tekst en ook met de inhoud van de Tenach omspringen, al naar gelang het hem ten dienste van het kerugma uitkomt. Centraal in zijn geloofsdenken staat ook niet de Tenach, maar Christus, hoewel er tussen beide wel een sterk gevoeld verband bestaat. Het is dan ook alleen vanuit Christologisch-soteriologische ervaring, dat de Tenach door Paulus bij het kerugma betrokken wordt, geheel overeenkomstig de dialectische taal- en denkstructuur, die Paulus zo eigen is.

Positie van ouderen

Als je op hoge leeftijd bent gekomen of gehandicapt bent, soms ook moe en moedeloos bent, komt vaak de vraag naar boven: tel je nog wel mee in deze maatschappij, mag je er nog wel zijn, of kost je alleen maar geld voor de samenleving. En ben je afgeschreven. Ik heb echter in mijn leven vaak gezien dat er een geweldig getuigenis uitging van mensen die in de ogen van de samenleving al lang waren afgeschreven.

Gastpreek van Rien Heijboer, bij zijn afscheid als directeur van verpleeghuis ”Ter Valcke” te Goes.

Dienst Vrije Evangelische gemeente Goes d.d. 19-10-2014

standbeeld ter valckeToen Dick Gorsse me vroeg of ik in deze themadienst iets wilde vertellen over de positie en de zorg voor ouderen heb ik daar spontaan ja op gezegd. Ik heb aangenomen dat de vraag kwam vanuit onze jarenlange samenwerking in de ouderenzorg. Of zou het toch zijn omdat ik ook ouder begin te worden. Laten we het maar op het eerste houden. Bovendien wordt het zo ook nog een wat interkerkelijk gebeuren.
Even voorstellen: mijn naam is Rien Heijboer. Ik ben zo’n 40 jaar werkzaam geweest in de zorg en daarvan kort geleden afscheid genomen. Maar ik verveel me niet, integendeel. Ik hoop nog een aantal jaren actief te zijn in een aantal bestuurlijke functies o.a. in de zorg en ben actief voor het Leger des Heils in Zeeland, in de dienstverlening, pastorale zorg, en het bestuur in Almere. Ik moet er op letten om mijn belofte na te komen om meer te gaan fietsen met mijn vrouw en leuke dingen te doen met de kleinkinderen.

Als je op hoge leeftijd bent gekomen of gehandicapt bent, soms ook moe en moedeloos bent, komt vaak de vraag naar boven: tel je nog wel mee in deze maatschappij, mag je er nog wel zijn, of kost je alleen maar geld voor de samenleving. En ben je afgeschreven. Ik heb echter in mijn leven vaak gezien dat er een geweldig getuigenis uitging van mensen die in de ogen van de samenleving al lang waren afgeschreven. Toen ik over deze dienst nadacht kwamen er twee ouderen in mijn gedachten. Zij hebben in mijn ontwikkeling een belangrijke rol gespeeld. Luistert u maar:

Het is meer dan 40 jaar geleden en ze woonde in een klein verzorgingshuis aan de Beestenmarkt/Brouwersgang in Goes. Ik was in mijn ‘wildere’ jaren, helaas nu geen gelegenheid om daar iets over te vertellen. Ik was opgegroeid in het Leger des Heils en het geloof was me dus van huis uit meegegeven. Maar in die tijd, zei me dat niet zoveel en ik had heel andere interesses en wilde de wereld verkennen. Toch deed ik mee aan een project van het Jeugd Rode Kruis en het Leger des Heils. Vriendschappelijk contact met ouderen in een verzorgingshuis. Vooral ouderen die niet veel familie, bezoek hadden. Spelletje doen en ik weet nog goed dat een van mijn activiteiten het schoonmaken van een kanariekooi van een van de bewoners was. Als 18/19 jarige jongeman kwam ik zo ook in contact met een oudere mevrouw die daar woonde. Als er iemand was in het leven die te klagen had, dan was volgens mij zij het wel. Ze was ernstig lichamelijk gehandicapt, haar gewrichten waren door reuma ernstig vergroeid, haar man was van haar weggegaan en een zoon van haar was overleden door kanker. Als er iemand reden had om te klagen dan was zij het wel, vond ik.

juffrouw de RidderMaar integendeel dat deed ze niet. Ondanks de pijn en zorgen vertelde ze vooral heel natuurlijk over haar geloof en wat God voor haar betekende. Dat ze kracht putte uit haar geloof. Ze genoot ondanks alles van kleine dingen. Ik vond dat zo bijzonder dat ik mede door haar God opnieuw ben gaan zoeken en heb gevonden.Een andere alleenstaande oudere die ik nooit zal vergeten was een mevrouw met een ernstige vorm van multiple sclerose in Ter Valcke. Ik kwam daar jaren als vrijwilliger op bezoek en nog. Het huis waar ik later een periode directeur mocht zijn. Ze kon echt niets meer. In haar handen deed de verzorging rolletjes omdat anders haar nagels in haar handen drukten, haar hoofd moest in een steun met een band. In de ogen van de maatschappij afgeschreven, kostte alleen maar geld, vele jaren lang. Toch is deze vrouw van grote invloed geweest op het leven van velen. Ze was heel belangstellend naar anderen, leefde met hen mee.

En als er iemand jarig was of bij een andere bijzondere gebeurtenis dan maakte ze vaak een gedicht. Repeteerde dat dan eindeloos in haar hoofd en iemand anders schreef het dan voor haar op. Zo mocht ik vele brieven en kaarten voor haar schrijven. Heel vaak citeerde ze voor aan het eind van een brief het volgende gedicht/ lied (een bewerking van ‘Wat de toekomst brenge moge’). Vele malen heb ik opgeschreven (en ik ben het na meer dan 25 jaar nog niet vergeten). ‘Wat de toekomst houdt verborgen, ligt onwetend in de tijd. Maar zeker is dat God zal zorgen en dat Hij ons leven leidt’. Ja, als je volledig verlamd bent en ogenschijnlijk niets meer kunt doen. Het lied eindigt met de woorden: ‘Eenmaal op de dag der dagen, is vergeten elk gemis. Geen waarom meer, en geen vragen daar God zelf het antwoord is.

Ik heb van haar geleerd dat het in het koninkrijk van God in de eerste plaats gaat om ‘zijn’ en dan pas om ‘doen’. En dat voor iemand die uit een organisatie van doeners komt. Dat bruikbaar zijn in Gods koninkrijk iets heel anders is dan productief in deze maatschappij. Bij God ben je nooit afgeschreven. Ook heb ik van haar geleerd dat het in relaties altijd om twee richtingsverkeer gaat. Je doet iets voor de ander maar krijgt ook vaak zoveel terug. In bijbelse termen: al zegende wordt je gezegend. Zo heeft God ons mensen aan elkaar gegeven om er voor elkaar te zijn. Mede door deze contacten ben ik in de zorg gaan werken.
Op een van onze contactavonden voor bezoekvrijwilligers van het Leger des Heils was een verpleegkundige en vrijwilliger van het Clarahofje onze gast. Aan de vrijwilliger werd de vraag gesteld wat dit werk haar opleverde. Ze antwoordde: de vele levenslessen die ik daar krijg.

Ook als je ouder bent, minder kunt doen dan vroeger, vergeet dan niet. Het gaat in de eerste plaats om je zijn! God wil ons mensen voor elkaar blijven gebruiken.
Vaak wordt tegen ouderen gezegd die aangeven dat ze ‘niets’ meer kunnen doen: maar u kunt toch altijd nog bidden. Voor uw naasten, voor de kerk, het Leger. Ja, het is waar, het gebed van de rechtvaardige vermag veel. Maar laten we het bidden niet tot een troostprijs maken. Laten we niet vergeten dat het in het koninkrijk van God in de eerste plaats om je zijn gaat. En bidden hoort daar zeker bij.

De zorg, ook de zorg voor ouderen is in ons land aan grote veranderingen onderhevig. We moeten veel meer zelf doen, een groter beroep op ons netwerk, familie, vrienden, relaties, de kerk is aangewezen. Op zich is dat niet verkeerd.
Maar de zorgzame samenleving en tegenwoordig spreekt men over de participatie maatschappij, komt vrees ik niet zo gemakkelijk terug als de overheid graag zou willen. De financieel beperkte middelen en het terugdringen van de uitgaven voor de zorg, (we kunnen en willen het met elkaar niet meer betalen), zijn uiteindelijk de belangrijkste redenen voor al deze veranderingen.
Het is een bijbelse opdracht om naar elkaar om te zien. Voor anderen er te zijn en te zorgen. En niet alleen voor je familie maar juist ook voor hen die weinig familie / relaties hebben. Zegt Jezus niet in het Mattheus evangelie (hoofdstuk 25) : ‘Wat je aan een van mijn minste broeders of zusters hebt gedaan dat heb je aan mij gedaan’.

Het tempo van alle veranderingen, ook in de zorg voor ouderen geeft wel heel veel zorgen. Zullen er niet veel mensen, ouderen tussen wal en schip vallen.
In mijn werk in de ouderenzorg en ook in mijn werk voor het Leger des Heils kom ik mensen tegen die vrijwel niemand hebben. Geen netwerk waar ze op terug kunnen vallen. Geen kinderen of kinderen die ver weg wonen. Verbroken relaties, noem maar op. Veel alleen en vaak last van eenzaamheid. Behoefte aan echte ontmoeting met anderen. Geen vluchtige contacten maar iemand die de tijd voor je neemt, echte belangstelling toont en jou in je waarde laat. Die de lange duur volhoudt. Helaas is het zo dat als je ziekte langer duurt dan een paar maanden en het chronisch wordt, er dan veel mensen wegblijven. Vaak blijft alleen een kleine kring van mensen over. En soms ook dat niet. Als je dementeert of door een beroerte niet meer kunt praten. Houden wij het vol om naar die ander toe te blijven gaan.

Zo sprak ik enige tijd geleden een man van net 50 en getroffen door een ernstige hersenbloeding. Hij voelde zich zo aan de kant gezet, zo nutteloos. Ja, de eerste weken stond zijn kamer in het ziekenhuis vol met kaarten, bloemen en fruit. Kwamen zijn vrienden en kennissen, collega’s, mensen van de kerk regelmatig op bezoek. Maar het werd al snel minder. En nu bijna twee jaar later waren er nog een handvol mensen die hem regelmatig kwamen opzoeken. “Ik ben er nog, zei hij, maar mijn leven is over”. En daar sta je dan en weet eigenlijk niets te zeggen.

Het doet me ook denken aan die keer dat ik mocht voorgaan in een uitvaartdienst in een heel grote aula van het crematorium in Rotterdam zuid.
Ze was enkele jaren in een verpleeghuis opgenomen geweest. Lichamelijk en geestelijk was ze achteruit gegaan. Een milde vorm van dementie. Ze had alleen familie die in Duitsland woonde. Tijdens de dienst in de aula zaten op de eerste rij: twee verzorgsters en een vrijwilligster van de afdeling, een maatschappelijk werker die heel lang contact met haar had gehad, de uitvaartleider en dat was het. De familie vond de afstand toch te ver en was niet op komen dagen.
Met veel overtuiging heb ik in mijn overdenking er bij stil gestaan dat: God onze naam altijd blijft herinneren en ons nooit vergeet. Bij mensen raken we soms kwijt maar bij Hem nooit.

De vraag komt op of wij oog hebben voor kwetsbare mensen, voor ouderen in onze omgeving, in de familie, in de kerk. Is dat niet onze opdracht van Godswege?
Men zegt wel dat de kwaliteit van een samenleving kan worden afgemeten aan de wijze hoe men voor de ouderen zorgt. U weet vast dat in veel culturen ouderen een heel andere rol en positie hebben dan bij ons.
Het verzorgingshuis verdwijnt in een fors tempo. Je kunt alleen nog naar een verpleeghuis als het echt niet anders kan en je forse handicaps, lichamelijk of geestelijk (zoals dementie) hebt. De meeste ouderen willen ook niet anders en blijven het liefst thuis. Gelukkig zijn er goede alternatieven in de vorm van woonzorgcentra die bescherming, beschutting, activiteiten en contacten bieden en zorg als het nodig is. Maar het blijft belangrijk voor ouderen, maar eigenlijk voor ons allen om een goed netwerk, relatiekring te hebben. Dat lukt alleen als we daar ook zelf in investeren. Er zijn voor elkaar, beginnen met geven en dan ook ontvangen.
En laten we niet vergeten dat er veel ouderen zijn die tot op hoge leeftijd actief zijn. Oppassen op de kleinkinderen, hun kennis blijven inzetten in de samenleving, veel vrijwilligerswerk drijft op de inzet van senioren. Nog volop actief dus en nodig in de samenleving.

Een laatste ervaring die ik tenslotte met u wil delen. Het is nu bijna drie jaar geleden. Mijn vrouw had een herseninfarct gehad en werd met spoed in het ziekenhuis opgenomen. Onzekerheid en ik maakte me veel zorgen, wat komt daarvan terecht. De volgende dag moest ik naar een mevrouw, fors lichamelijk gehandicapt en beginnend dementerend. 93 jaar toen! Mijn vrouw zou haar de dag daarna naar het verpleeghuis brengen en kon dus nu niet mee. Dit ging ik haar vertellen. Ze vergat steeds dat ze naar het verpleeghuis moest gaan.
Toen ik het haar vertelde moest ze huilen want het viel haar zwaar om haar huisje en spullen los te moeten laten. En toen vertelde ik dat mijn vrouw niet mee kon en de reden dat ze in het ziekenhuis was opgenomen.
Toen pakte ze mijn handen en zei tegen me: dan is dat van mij niets en dan kunnen we maar een ding toen. Aan onze Grote Vader vragen om bij haar te zijn en haar beter te maken. En zo begon ze te bidden. Dat was een moment dat ik nooit zal vergeten, een moment waarop ik zo heel sterk ervaarde dat God er was en is in mijn leven. En dat Hij er ook in de komende tijd zou zijn. En met mijn vrouw is het gelukkig goed gekomen.
U ziet dat wie wie helpt niet zo simpel is als het lijkt. Ik ging om haar te helpen en kwam er zo gezegend en gesterkt vandaan.

Als wij mensen naar elkaar omzien dan zal God ons zegenen. Jezus zocht juist de kwetsbare mensen op. En wij, volgen wij Hem na?

Amen

Rien Heijboer

Waar blijft de tijd XXXIII – De Paulinische tijdsbegrippen

In het oog springend bij de opsomming der relevante teksten is de grote hoeveelheid tijdsuitdrukkingen, welke voortkomen uit apocalyptische voorstellingen en zelfs tot de termini technici daarvan gerekend kunnen worden.

In het oog springend bij de opsomming der relevante teksten is de grote hoeveelheid tijdsuitdrukkingen, welke voortkomen uit apocalyptische voorstellingen en zelfs tot de termini technici daarvan gerekend kunnen worden. Tot deze categorie behoren:

  1. DAG, met de verbindingen “dag van het oordeel”, “dag van de Heer”, “dag van onze Here Jezus”. In absolute zin gebruikt komt “dag” voor in Rom.2, 16 en 1 Kor. 3, 13. In de profetische prediking gebeurde dit ook, zie Mal.3, 19.
  2. EEUW, WERELD (AIOON) met de verbindingen “deze eeuw” in Rom.12, 2; 1 1Kor, 1, 20; 2, 6; 3, 18;; 2 Kor.4, 4; Gal.1, 4 “door het kwaad beheerste wereld” ; 1 Kor.10, 1: “…ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is”.
  3. TIJD (chronos), bv. in de uitdrukking “de volheid van de tijd” in Gal.4, 4.
  4. TIJD (kairos), bv. in 1 Kor.7, 29 “de tijd is kort”. Daarmee wordt bedoeld, dat de tijd van nu tot het einde kort is

In de meeste teksten zijn kairos en chronos verwisselbaar. In sommige teksten heeft kairos de betekenis van “juiste tijd, beslissende tijd” tegenover chronos als “tijdsduur”. Oscar Cullmann ging nog uit van een lineaire tijdsopvatting, waarbij de kairoi de chronoi omsluiten om samen de door God gegeven heilslijn aan te geven. Maar het lijkt mij duidelijker, dat de begrippen kairos en chronos naast elkaar in dezelfde betekenis kunnen voorkomen, zij kunnen ook door elkaar gebruikt worden.

In al deze temporele termen klinkt de laat-Joodse apocalyptische en teleologische tijd- en geschiedbeschouwing door, volgens welke op de “Jôm Jahweh” in de volheid der tijd(en) aan deze “aiôn”(=wereld, tijd) cq. de opeenvolging der ”aiônes” (tijdperken) een einde wordt gemaakt om plaats te maken voor een totaal nieuwe “aiôn” van God. Paulus spreekt wel van “aiôn houtos”(deze eeuw) en “kosmos houtos”(deze wereld), doch nooit van “aeôn mellôn”( de toekomende eeuw). Dit is niet toevallig. Waarschijnlijk is de term “aiôn mellôn” door Paulus met opzet weggelaten, daar in zijn oog de nieuwe aeon in Christus reeds begonnen was!

Uit de verschillende teksten blijkt bovendien, hoe Paulus de tijd nooit abstract, maar altijd concreet en ruimtelijk als gevulde tijd beschouwt. Met name het gebruik van “aiôn”, nu eens in de betekenis van tijd/eeuw, dan weer in die van ruimte/wereld, laat zien, hoe bij Paulus het tijd- en ruimte-element bij elkaar horen. Wat ruimtelijk als nieuwe wereld gezien wordt, als in een visionaire blik, wordt dus qua tijd in toekomst “omgezet” (vgl Gal.1, 15v en 2 Kor.12, 1vv met 1 Kor.13, 9vv). In het licht hiervan moet ook het eschatologische “nun(i)” beschouwd worden. Het is wel de meest sprekende uitdrukking van de Paulinische tijdbeschouwing. Van de 18 vindplaatsen van “nuni” in het N.T. bevat de Romeinenbrief er liefst 6! “Nun(i)” is eigenlijk een grensbegrip, net als “arti”(=totdan), dat zowel de eindgrens als de begingrens als ook in meer uitgebreide zin de er tussen liggende periode, derhalve eenvoudigweg “tijdsduur” kan betekenen. Eindgrens: “achri tou nun” in Rom.8, 22: “Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is”. Begingrens: “apo tou nun” in 2 Kor. 5, 16 “Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees”.

“achri tes semeron” in 2 Kor.3, 14: “Hun denken verstarde, en dezelfde sluier ligt tot op de dag van vandaag over het oude verbond wanneer het voorgelezen wordt”; “achri tes arti hôras” in 1 Kor.4, 11: “Tot op dit moment lijden wij én honger én dorst, én zijn wij naakt, én worden wij met vuisten geslagen, én hebben wij geen vaste woonplaats”.

Dit “nun” krijgt bij de apostel een sterk gekwalificeerde betekenis, doordat het ’t soteriologische “heden’ van de nieuwe tijd aangeeft: het heden, dat met de komst van Jezus, beter nog: in Zijn kruis en opstanding, is aangebroken (Rom.5, 9: “Des te zekerder is het dus dat wij, nu we door zijn dood zijn vrijgesproken, dankzij hem zullen worden gered en niet veroordeeld”).

Het Paulinische “nun(i)” vertoont hierdoor in zijn eschatologische spits veel overeenkomst met het specifieke gebruik van “kairos” in het oerkerugma: beslissende tijd, heilstijd. Typerend voor “nun” in deze zin is de verbinding “ho nun kairos”, waarmee Paulus bedoelt: de tijd tussen Jezus’ komst en Zijn nog uitstaande parousie. Het is de vreugdevolle tijd van het heden, want de beslissing is gevallen en Gods genade is uitgestort. Het is echter ook een tijd van lijden en gespannen afwachten, want de eindvoltooiing moet nog komen, en nog is de oude aeon de mens tot een zware last. Zo kan Stählin spreken van het “jetztnoch” en het “jetztschon”. Het “nun” is te vergelijken met een gebergte, dat de grens vormt tussen twee landen: het behoort tot beide en is ook naar beide zijden gericht. Vgl Matth.12, 32: “Het “nu-nog” behoort tot de duistere”aiôn houtos” (Rom.8, 21v; Gal.2, 20), ook al is het ’t laatste ervan en kunnen we ons reeds voorbereiden op de lichtende “aiôn mellôn”, die met Christus wederkomst definitief in openbaarheid zal treden (Rom.8, 18; 13, 11; het “arti-tote”van 1 Kor.13, 12; 2 Kor.4, 17). Tegelijkertijd kijken we in dit “nun” terug op de komst van Christus, zodat het de tijdsperiode van Christus’ komst tot Zijn wederkomst gaat omvatten, als heil- en nood-tijd beide.

Anderzijds ziet Paulus in het “nun” als het “nu al” de genadevolle tijd van de “aiôn mellôn” ten volle aangebroken. Dat wordt vooral duidelijk gemaakt met behulp van de contrastwerking in de tegenstelling van “nun” en “tote”, waar hij spreekt over de nieuwe verhouding tot God, het nieuwe leven en het nieuwe kennen. In Rom.6, 20 en 5, 8 wordt duidelijk gemaakt, hoe het nieuwe leven is. Het staat niet meer onder de slavernij der zonde, onder het juk der wet (Rom.7, 1.6), maar het verloopt in gerechtigheid (3, 21; 5, 9) en vrijheid (6, 22) onder de kracht van de Geest (7, 6). Laat dan ook zien wie je bent! (Rom.6, 19). Het nieuwe kennen is hoofdthema in de Kolossenzenbrief (1, 26) en ook in de Ephesebrief (3, 5.10). Al met al is het naar Paulus’ visie NU de tijd om zich geheel en al op God in te stellen, om Gods heil en genade reeds voluit te beleven: (2 Kor.6, 2): “God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister ik naar je, op de dag van de redding help ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding”. Overigens weet Paulus ook wel, dat we er nog niet helemaal zijn, aan dat eindpunt van heerlijkheid: maar we zijn wel al een stuk op weg: Rom.13, 11 “U weet trouwens hoe laat het is, u weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Nu is onze redding dichterbij dan toen wij tot het …”

Dat Paulus zo verschillend kan spreken, schommelend tussen het ”reeds” en het “nog niet” hangt, zoals in de volgende paragraaf aangetoond zal worden, samen met zijn dialectisch gestructureerde betoogtrant en taalgebruik. In ieder geval kunnen we uit Rom.13, 11 concluderen, dat het “nu” van de heilstijd niet direct vastligt op aanwijsbare momenten, maar z’n plaats krijgt binnen het tijdsbestek van het “ap ‘arti”(Matth.26, 29) als begin en het “achri”(1 Kor.11, 26) als eind, en dat er een beweging op gang is van het ene “nu” naar het andere totdat het laatste “nu” gekomen zal zijn. Het laatste “nu, in de eindvoltooiing”, geeft zin en inhoud aan alle “nu”-momenten, die daaraan voorafgaan, hetgeen in omgekeerde richting betekent, dat in elk “nu” reeds op de eindvoltooiing vooruitgelopen wordt. Dit proleptische “nun” treffen we met name aan in de gerealiseerde eschatologie van het Johannes -Evangelie. Er is dan ook alle reden om bij Paulus van het “eschatologische nu” te spreken. Het is het “heden” van de Christus-tijd, waarin op het volbrachte werk van Christus als de grondslag voor het nieuwe leven wordt teruggezien (6, 10v) waarin de eindvoltooiing als de volledige doorbraak van de “aiôn mellôn” als de dag in de nacht en het licht in de duisternis “proleptisch” naar ons wordt toegehaald. De enkeling zal dan ook uit de slaap moeten ontwaken om zich bezig te houden met de dingen van God: het luisteren naar Zijn Woord, vervolgens het gehoorzamen in het leven naar dat Woord, en het uitdragen in de verkondiging. Dit zouden we het existentiële aspect van “nun” kunnen noemen: het “nun” betrokken op de historische Christustijd stelt de mens existentieel voortdurend voor de beslissing. Vandaar de paraenetische oproep in Rom.13, 12: “De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapens van het licht. 13 Laten we daarom zo eerzaam leven als past bij de dag en ons onthouden van bras- en slemppartijen, ontucht en losbandigheid, tweespalt en jaloezie. 14 Omkleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan uw eigen wil, die begeerten in u opwekt.”

En de “hôs me”- woorden van 1 Kor.7, 29v: “Wat ik bedoel, broeders en zusters, is dat er maar weinig tijd rest. Laat daarom ieder die een vrouw heeft zo leven dat het hem niet in beslag neemt”.

De nieuwe aeon is in aantocht, daardoor komen in het eschatologisch-soteriologische “nun” op proleptische wijze reeds alle dingen van de oude aeon onder het “hôs me”, het “reeds niet meer” te staan.

Samenvattend kan gesteld worden, dat de apostel in het veelvuldig gebruik van “nun(i)” een dankbaar instrument heeft gevonden om aan de ene kant zijn tijdbeschouwing formeel in begrijpelijke apocalyptische taal onder woorden te brengen, aan de andere kant om daarmee inhoudelijk de apocalyptische visie te doorbreken door de aandacht qua richting te verleggen, van toekomst naar heden, van het “tote” naar het “nun”. In het beklemtoonde “nun” heeft Paulus een wapen gekregen tegen allerlei Judaïstische en enthousiaste stromingen, die hetzij enkel de voltooiing in de toekomst hetzij enkel die in het verleden benadrukken, om zijn Evangelie van Christus als de alpha en omega te verkondigen. In het “nun” van Paulus worden dan ook alle drie tijdcategorieën, van verleden, heden en toekomst, samengezien, onder het ene aspect van Christus en Zijn heil voor de mens.

Waar blijft de tijd XXXII – De tijdsstructuur van Paulus als functie van zijn evangelie-verkondiging

Uit de behandeling van de Nieuwtestamentische tijdsterminologie bleek, dat bij Paulus de volgende zuivere tijdsbegrippen te vinden zijn: de substantiva “kairos, chronos, hemera en telos”; de adjectiva “aioonios en eschatos”.

Uit de behandeling van de Nieuwtestamentische tijdsterminologie bleek, dat bij Paulus de volgende zuivere tijdsbegrippen te vinden zijn: de substantiva “kairos, chronos, hemera en telos”; de adjectiva “aioonios en eschatos”. Bijwoordelijke bepalingen zijn “nun, arti, heoos arti, ho nun kairos”; preposities zijn “pro, achri”; prepositionele verbindingen zijn “achri tou nun, achri tes semeron, proetoimazein, pro-hortizein”; conjuncties in temporele bijzinnen “hooste, hote, epein, aphhou, heoos”.

Hiernaast kunnen nog aanwijzingen over het Paulinische tijdsverstaan gevonden worden in het gebruik van verschillende modi en tempora in de werkwoordsvormen, Paulus’ omgang met het Oude testament, uitspraken van “hoop” en “verwachting”, en opmerkingen in verband met zijn persoonlijke leven en levensbeschouwing. Om een goed overzicht te verkrijgen heb ik gemeend de teksten in de Paulinische hoofdbrieven, waarin een of andere vorm van tijdsaspect zichtbaar is, in een zestal rubrieken onder te moeten brengen, te weten:

  1. Substantiva, adjectiva en verbale vormen;
  2. Bijwoordelijke bepalingen;
  3. Oudtestamentische Schriftgedeelten;
  4. Uitspraken van “hoop” en “verwachting”;
  5. Het tijdsaspect van Paulus’ persoonlijke leven;
  6. Preposities, prepositionele verbindingen en overige tijdselementen.


Overzicht der relevante teksten

Als voorbeelden zal ik eerst enkele teksten uitschrijven. Daarna zal ik de overige teksten noemen.

Rom.1, 1v “uitgekozen om het evangelie van God te verkondigen,2 dat al bij monde van zijn profeten in de heilige geschriften is beloofd”.

Rom.1, 17 “Want de rechtvaardigheid van God wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven”.

Rom.1, 25 “…die moet worden geprezen tot in eeuwigheid. Amen.”

Rom.2, 5v ” Doordat u zo hardleers bent en niet tot inkeer wilt komen, maakt u dat de straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij Zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar zwaarder wordt.
God beloont ieder mens naar zijn daden.”

Rom.2, 16 “Op de dag dat God de verborgen zaken van de mensen zal oordelen…”

Rom.3, 21 “Gods gerechtigheid, waarvan de Wet en de Profeten al getuigen, wordt nu ook buiten de wet zichtbaar.”

Rom.3, 25v “God wil ons nu, in deze tijd, zijn gerechtigheid bewijzen: hij laat ons zien dat hij rechtvaardig is door iedereen vrij te spreken die in Jezus gelooft.”

Rom.4, 17 “gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept”.

Rom.4, 18 “Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt”.

Rom.5, 2vv “Wij zijn dus als rechtvaardigen aangenomen op grond van ons geloof en leven in vrede met God, door onze Heer Jezus Christus. 2 Dankzij hem hebben we door het geloof toegang gekregen tot Gods genade, die ons fundament is, en in de hoop te mogen delen in zijn luister prijzen we ons gelukkig. 3 En dat niet alleen, we prijzen ons zelfs gelukkig onder alle ellende, omdat we weten dat ellende tot volharding leidt, 4 volharding tot betrouwbaarheid, en betrouwbaarheid tot hoop. 5 Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is”.

Rom.5, 6, 8, 9, 11, 12-21, 13, 20

Rom.6, 10 en 21

Rom.7, 1, 6, 17

Rom.8, 1, 18, 20, 22vv, 29, 36, 38v

Rom.9, 5, 9, 23

Rom.10, 4, 21

Rom.11, 2, 5, 8, 25, 28, 30v, 36

Rom.12, 2, 11, 12

Rom.13, 11v, 13

Rom.14, 5v, 10

Rom.15, 4, 5, 7v, 13, 19, 23, 25

Rom.16, 26, 27

Korinthe

1, 7v, 18, 20 // 2, 6 en 7 // 3, 2, 13, 15, 18 // 4, 3, 4, 5, 11 // 5, 5 en 11 // 7, 5, 14, 29, 39 // 8, 6 en 13 // 9, 10, 16, 24vv // 10, 1-11, 26 // 12, 18 en 20 // 13, 13 // 14, 6 // 15, 20vv, 23,vv, 28,, 30 // 16, 7, 12, 23 .

Korinthe

1, 7, 14, 20, 22 // 2, 15 // 3, 6-18, 12 // 4, 4, 14, 16, 17v. // 5, 5, 6vv, 16, 17 // 6, 2 // 7, 8 // 8, 11, 14, 22 // 9, 9 // 10, 15 // 11, 28, 31 // 12, 9 // 13, 2.

Galaten

1, 4, 5, 18, 23 // 2, 5, 20 // 3, 3, 8, 19 // 4, 1, 4, 9, 10, 21-31, 25, 29 // 5, 5 // 6, 9v, 15.

Waar blijft de tijd XXXI – De brief aan de Romeinen

Een actuele aanleiding, zoals bij de Galaten en de twee Korinthe-brieven gevonden werd, is voor de Romeinenbrief niet te ontdekken, althans niet “in theologicis”, wel “in practicis”: met het oog op de reis, die hij van plan was te gaan maken naar de andere helft van de wereld met als einddoel Spanje.

Een actuele aanleiding, zoals bij de Galaten en de twee Korinthe-brieven gevonden werd, is voor de Romeinenbrief niet te ontdekken, althans niet “in theologicis”, wel “in practicis”: met het oog op de reis, die hij van plan was te gaan maken naar de andere helft van de wereld met als einddoel Spanje. Voor deze reis lag Rome als middelpunt van het Romeinse rijk, de toenmalige bewoonde wereld, centraal. Bovendien had hij al lang het voornemen gehad naar de hoofdstad te komen (15, 22), was echter steeds door het vele werk verhinderd. Door deze brief nu wilde de apostel zich aan de Gemeente te Rome, voornamelijk bestaande uit Joodse emigranten met ook al een aanhang heidechristenen, bekend maken. Daartoe zette hij de voornaamste punten van zijn prediking systematisch voor hen uiteen. De brief is op het einde van de derde zendingsreis geschreven, waarschijnlijk vanuit Korinthe, zoals uit Rom.15, 25v zou kunnen worden opgemaakt, of elders “onderweg naar Jeruzalem”(ca. 56 n.C.) Wat de inhoudelijke kant van de brief betreft, staan we voor veel raadsels: geen misstanden in de Gemeente, waar Paulus op reageert of het moest zijn Rom.14 en 15: het aanvaarden van de zwakke en geen aanstoot geven. Geen zich beroemen op zijn eigen Joodse verleden (vgl Rom.9, 3 ; 11, 1); niets over zijn “roeping” en slechts heel weinig concreet over zijn zendingswerk tot nu toe (Rom.15, 18vv); geen partijschappen, geen zichtbare of onzichtbare tegenstanders. Toch is ook deze brief polemisch van aard, niet gericht op tendensen en bewegingen in de gemeente, doch op de Joodse heilsweg van zelfrechtvaardiging voor God, die geen heilsweg is! Dit te vertellen in alle mogelijke schakeringen is het doel van de brief, met als centrale thema: de gerechtigheid van het geloof. Wellicht heeft ook het steeds dreigende gevaar van de kant der Judaïsten Paulus er toegebracht in een laatste brief de kern van zijn Evangelie nog eens rustig, weloverwogen en systematisch, uiteen te zetten. In deze zin zou de Romeinenbrief met recht het testament van Paulus genoemd kunnen worden (vgl Rom.15, 30-32). Zijn bezorgdheid was ook maar al te doorgrond, want zijn reis voerde hem in de gevangenschap en de dood.

Waar blijft de tijd XXX – Het tijdsbeeld van Paulus in de hoofdbrieven en de hoofdbrieven in hun eigen tijdsbeeld

Paulus geeft in zijn brieven aan de Gemeenten door, wat hij zelf ontvangen heeft: het oerkerugma, in de specifieke door hem op kruis en opstanding toegespitste vorm: “Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat”(1 Kor.15, 3-4).

Paulus geeft in zijn brieven aan de Gemeenten door, wat hij zelf ontvangen heeft: het oerkerugma, in de specifieke door hem op kruis en opstanding toegespitste vorm: “Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat”(1 Kor.15, 3-4).

Al naar gelang de omstandigheden, waarin dit kerugma verkondigd moet worden, en de weerstanden, die het daarbij ondervindt, krijgt het Paulinische Evangelie diepte, glans en kleur. In zijn actuele toepassing ontvangt het onvermoede kanten, in zijn dialectische afgrenzing tegenover Hellenistische, gnostische en Judaïstische stromingen worden zijn onmetelijke breedte, hoogte en diepte zichtbaar. Dat ook het tijdsaspect in deze diversiteit van belichtingen meegaat en daardoor van oriëntatiepunt tot oriëntatiepunt verschillende tendensen kan vertonen, zal duidelijk zijn, ook als we aannemen dat het in wezen door zijn sterke gerichtheid op God “in Christus” hetzelfde blijft.

Een goed verstaan van Paulus en zijn gedachten over de tijd, waarvan wij nagenoeg uitsluitend aangewezen zijn op de authentieke brieven, kan dan ook niet verkregen worden zonder dat ons daarbij een duidelijk beeld voor ogen staat van de historische context: van al wat voor Paulus en zijn kerugmatische dienst voedingsbodem en klankbord, prikkelende uitdaging en bevruchtend aanknopingspunt is geweest. In onderstaande schets zal meer aanduidenderwijs dan systematisch een dergelijk tijdsbeeld van het leven van en rondom Paulus en alles wat daarin van invloed is geweest op het ontstaan en de inhoud van de hoofdbrieven met hun verschillende accenten op het Paulinische tijdsbegrip opgeroepen worden.

De brief aan de Galaten

Waar de Galaten gewoond hebben, is niet duidelijk. Daar is ook veel over gediscussieerd in de vorige eeuw. De Noord-Galatische hypothese zoekt de Galaten in Centraal Klein-Azië rondom de huidige hoofdstad van Turkije Ankara. Dit is tegenwoordige de gangbare opvatting, omdat Paulus de bewoners zelf “Galaten” noemt. Zo immers konden wel de bewoners van het oude stammenland genoemd worden, maar niet de bewoners van het zuidelijke gebied der Romeinse provincie Galatië, die Lykaoniërs waren en ook hun eigen taal spraken (de Zuid-Galatische hypothese). Het belangrijkste van het tijdsbeeld, dat de brief ons geeft, is gelegen in de aanleiding tot het schrijven ervan. Wat was er aan de hand, dat Paulus zo’n indringende brief moest schrijven?

Hij schrijft, dat hij vroeger bij de Galaten is geweest (4, 13), dat hij hun toen het Evangelie heeft gebracht, dat zij met vreugde hebben aangenomen. Maar nu, op het moment dat de apostel zijn brief schrijft, schijnt de situatie heel anders te zijn. Er zijn Judaïstische leraars de Gemeente binnen gedrongen. Zij hebben er “Judaïne” gebracht, dat betekent: Joodse vroomheid, terugkeer op de oude weg. Het is in de ogen van Paulus vergif voor het geloof en het Christelijke leven, dat de nieuwe “in Christus” geopende weg bewandelen moet. Dit verklaart de zeer felle reacties in de Galatenbrief.

Het zijn de propagandisten van de “echte oude volle waarheid”, die hier om gehoor vragen! Paulus had de Galaten die waarheid niet gebracht. Dat kon hij ook niet, omdat hij geen directe leerling van Jezus was, dus eigenlijk geen volwaardige apostel. En nu kwamen zij, de Judaïsten die schade weer goed maken! Zij zouden voltooien, wat Paulus zo gebrekkig begonnen was: “3 Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?” (3, 3).
Hier is de andere heilsweg aan het woord: de weg van de eigengerechtigheid, gebaseerd op het houden van de wet met z’n 365 verboden en 248 geboden, een weg, die dood loopt, wat Paulus maar al te goed wist uit eigen ervaring. Daarvoor waren hem in de Christusepifanie bij Damascus eens en voor goed de ogen open gegaan. Daarvoor wil hij nu ook de Galaten de ogen openen: “Gij, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd, wien Jezus Christus toch als gekruisigde voor de ogen geschilderd is?”(3, 1).

De brieven aan de Korinthiërs

Beide brieven zijn waarschijnlijk samengesteld uit verschillende andere brieven. Volgens 1 Kor.5, 9 moet er in ieder geval een andere brief aan de Gemeente zijn vooraf gegaan, waarschijnlijk naar aanleiding van mondelinge berichten over wantoestanden in Korinthe. Sommige geleerde menen deze brief in gedeelten van 1 Kor. terug te kunnen vinden. Op het eind van 1 Kor., volgens 16, 8 in Ephese geschreven (ca 52-56 n.C.) , meldt de apostel het bezoek van zijn medewerker Timotheüs. Zelf hoopt hij later te volgen, maar eerst moet hij nog in Ephese blijven wegens zijn overvloedige werkzaamheden aldaar. Later zal hij dan via Macedonië naar Korinthe komen om een poosje in hun midden te verblijven (1 Kor.16, 5vv). Het was niet de eerste keer, dat Paulus een bode naar Korinthe zond (vgl 1 Kor. 4, 17). Vanuit Ephese was het ook betrekkelijk eenvoudig op deze manier mondeling en ook schriftelijk contact met elkaar te houden. Timotheüs krijgt een zware opdracht mee: de Gemeente, waarin grote onrust ontstaan was en zelfs afkeer van Paulus, tot rust te brengen en opnieuw voor het Paulinische Evangelie te winnen.

Hoe was het zover in de Gemeente gekomen? Gedeeltelijk om dezelfde reden, die we in de Galatenbrief reeds opmerkten: er waren mensen de Gemeente binnen gedrongen met een “ander” Evangelie. Ja, zelfs met verschillende andere Evangelies! Zo was er partijvorming ontstaan (1 Kor.1, 12). Sinds de ontdekking van de voorchristelijke gnosis in het begin van de vorige eeuw heeft men het libertinisme in Korinthe aan pneumatische gnostici toegeschreven. Doch de laatste tijd wordt algemeen erkend, dat hier geen uniforme stroming aan het werk moet zijn geweest, veeleer tegenstanders van verschillende huize: nu eens Judaïsten, dan weer Joodschristelijke of heidenchristelijke gnostici. Het is niet goed uit te maken tegen welke groep precies Paulus zich richt. Uit het gebruikte gedachtemateriaal valt geen vast systeem op te maken: naast van de apostel overgenomen begrippen vinden we Joodse en Griekse populair-filosofische gedachten, maar ook traditionele gezichtspunten van de Griekse religie en uitingen van Hellenistisch mysteriegeloof. Er zijn sporen bij, die wijzen naar wat later de gnosis zou worden. Conzelmann (Erster Korintherbrief) wil dan ook liever van pro-gnostici spreken. Hij wijst er terecht op, dat men dient te onderscheiden tussen gedachten en begrippen, die op zich gnostisch zijn, en zodanige, die van de gnosis zijn overgenomen, maar reeds tevoren in een geheel andere wereldbeschouwelijke samenhang ontplooid zijn. Het begrippenmateriaal van 1 Kor.15 is zijns inziens duidelijk bij de laatste groep onder te brengen.

Hoe dan ook, deze apostelen – een titel, waarop zij meer recht menen te hebben dan Paulus! – prediken net als de Judaïsten uit de Galatenbrief voor Paulus een “ander” Evangelie, zodat hij hen vooral in 2 Kor. scherp terecht wijst. Zij brachten de Gemeente evenwel zodanig in de war, dat zij met vele problemen kwam te zitten. Vandaar dat zij een brief met vragen naar Paulus zond, die in 1 Kor. beantwoord worden (vanaf 7, 1). Misschien heeft Timotheüs deze brief met vragen uit Korinthe mee terug genomen, want we zien hem in 2 Kor.1, 1 weer bij Paulus.

Na het bezoek van Timotheüs, die weer wat rust in de Gemeente had gebracht, schijnt de situatie opnieuw verslechterd te zijn, door de komst van nieuwe tegenstanders. Deze “super-apostelen” kweekten zo’n afkeer tegen het Evangelie en de persoon van Paulus, dat de apostel zich genoodzaakt zag tegen zijn oorspronkelijke bedoeling in een kort bezoek aan Korinthe te brengen. Helaas werd dit een grote desillusie: de Gemeente moest niets meer van hem hebben! Een van de Gemeenteleden heeft Paulus zelfs onheus en onrechtvaardig behandeld (2 Kor.1, 12-24). Zo kon hij niet anders dan bedroefd en onverrichter zake naar Efese terug te keren. Direct daarop is waarschijnlijk de zogenaamde “tranenbrief” geschreven: “4 Toen ik u schreef was ik terneergeslagen en bedrukt en stonden de tranen in mijn ogen. Ik wilde u geen pijn doen, maar u laten weten hoezeer ik u liefheb.”( 2 Kor.2, 4). Daarin riep hij de Gemeente tot bezinning. Misschien gelijktijdig, in ieder geval kort erna, zond hij Titus naar Korinthe. De apostel zelf is hem een tijdje later naar Macedonië tegemoet gereisd, toen hij hem in Troas nog niet aangetroffen had (2 Kor.2, 12v). Nadat hij van Titus had gehoord, hoe de reacties van de Gemeente op de “tranenbrief” waren geweest, schreef Paulus de zogenaamde “verzoeningsbrief”.

Schematisch geeft deze bewogen briefwisseling in de Korinthe-brieven het volgende beeld:

  1. Vóórbrief.
  2. Eerste brief aan de Korinthiërs: een antwoord op de discussie die de vóórbrief had opgeroepen ( 1 Kor.7, 1v: 7,1 vv over de huwelijksbeleving; 7, 25vv over de ongehuwden; 8, 1vv over het offervlees; 12, 1vv over de charismata en 16, 1vv over de collecte en de toekomstplannen van Paulus).
  3. 2 Kor.2, 14 – 7, 4: een eerste grote apologie van het apostelambt, zonder enige betrekking op de voorgaande en er op volgende tekst; verwantschap met D, doch waarschijnlijk eerder, vóór tussenbezoek en tranenbrief geschreven;
  4. De tranenbrief: 2 Kor.10, 1 – 13, 10;
  5. De verzoeningsbrief (zgn. 2e Kor.brief):
    2 Kor. 1, 1-11 Groet en dankzegging
    1, 12 – 2, 13 waarom Paulus niet gekomen is
    7, 5 – 16 het nut van de tranenbrief.
  6. 2 Kor.8 aanbevelingsbrief van Titus: waarschijnlijk aanhangsel aan de door hem overgebrachte verzoeningsbrief.
  7. 2 Kor.9: Kollektebrief: nogmaals een, waarschijnlijk later te dateren, brief in verband met de collecte voor de Moedergemeente in Jeruzalem.

Waar blijft de tijd XXIX – De uniforme tijdsbeleving in de hoofdbrieven

Men heeft meer dan eens in de eschatologische teksten van Paulus’ brieven gemeend een verschil in de daaraan ten grondslag liggende tijdsstructuur te kunnen ontdekken, hetgeen de consequentie zou hebben, dat er een ontwikkeling in Paulus’ tijdsdenken heeft plaatsgevonden.

Men heeft meer dan eens in de eschatologische teksten van Paulus’ brieven gemeend een verschil in de daaraan ten grondslag liggende tijdsstructuur te kunnen ontdekken, hetgeen de consequentie zou hebben, dat er een ontwikkeling in Paulus’ tijdsdenken heeft plaatsgevonden. Doch in een zeer verhelderend betoog heeft W.D. Davies in het laatste hoofdstuk van zijn studie “Paul and Rabbinic Judaïsm” aangetoond, dat hiervan geen sprake kan zijn. Hij vergelijkt de hiervoor in aanmerking komende gedeelten uit 1 en 2 Thess., 1 en 2 Kor. en Philippenzen. Deze brieven spreken het meest duidelijk over de te verwachten eschatologische gebeurtenissen als opstanding der doden, wereldoordeel en “toekomende eeuw”, tegen de achtergrond van parallelteksten in de rabbijnse literatuur.

Davies doorlicht eerst de visie van Albert Schweitzer, neergelegd in diens indertijd geruchtmakende boek “Die Mystik des Apostels Paulus”, samen te vatten in het volgende schema:

  1. Plotselinge terugkeer als begin van het Messiaanse Koninkrijk.
  2. Schweitzer gaat er van uit, dat de apostel overeenkomstig apocalyptische speculaties gelooft in een Messiaans Koninkrijk, dat aan de “olâm-ha-bâ” voorafgaat. Maar dit kan niet meer dan een fictie zijn, want de apostel spreekt zelden van “Koninkrijk van Christus”. Wanneer er bij hem sprake is van het Koninkrijk dat komt, dan denkt hij aan het Koninkrijk van God (vgl. 1 Thess.2, 12; 2 Thess.1, 4, 5; Gal.5, 21; 1 Kor.6, 9v; 15, 50). De Christen komt het Koninkrijk binnen, het Koninkrijk dat geen einde heeft. Er is geen sprake van een daaraan voorafgaand Messiaans tijdperk, die ze eerst binnen moeten gaan.
  3. De opstanding van de gelovigen, die reeds zijn ingeslapen en de transformering van hen, die bij de komst van Jezus nog leven in het opstandingslichaam (1 Thess.4, 14).
  4. Het Messiaanse oordeel (1 Thess.4, 6) te houden door Christus (2 Kor.5, 10; 1 Kor. 4, 4v; 5, 2; 2 Kor.1, 14; Phil.1, 10; 2, 16) of door God (Rom.14, 10; 1, 18; 2, 2-10; 3, 6).
  5. De tijd van het Messiaanse Koninkrijk ( 1 Kor.15, 23-28).
  6. De laatste vijand, de dood, wordt overwonnen (1 Kor.15, 36).
  7. Het Messiaanse Koninkrijk komt tot een eind: de algemene opstanding, het laatste oordeel, God alles in allen (1 Kor.15, 28).

Duidelijk blijkt uit dit overzicht, dat Paulus de eigentijdse apocalyptische gedachten over de komst van de Messias overneemt, althans naar het inzicht van Albert Schweitzer, die zich hiervoor beroept op de apocalyptische literatuur (Baruch, 4 Ezra en Openbaring van Johannes). Tegenover deze op zich zelf boeiende constructie van Schweitzer maakt Davies duidelijk, dat Paulus’ eschatologie veel simpeler is dan deze gedacht heeft, wanneer men hem in het licht van het Farizeïsch-Judaïstische opstandingsgeloof beziet (W.D. Davies, Pal and Rabbinic Judaism). In het schema van Schweitzer komt de opstanding van Christus slechts een ondergeschikte plaats toe; de eindvoltooiing is ver verwijderd van deze opstanding. In de gedachte van Paulus echter is deze opstanding de eerste vrucht van de eindvoltooiing, wat inhoudt dat de volle oogst spoedig zal volgen. De opstanding van Jezus is het begin van het einde! Paulus is – aldus Davies – in de kern van zijn eschatologische tijdsvisie niet geleid door eigentijdse apocalyptische denkbeelden, maar door het Farizeïsch-Judaïstische opstandingsgeloof.

Dit maakt Davies ook duidelijk naar de zijde van eventuele Hellenistische beïnvloeding, die uit de concepties van boeken als Wijsheid, 4 Maccabeeën en de werken van Philo (gestorven ca. 50 n.C.) tot hem zou kunnen zijn gekomen. De voor deze gedachtesfeer zo typerende vergeestelijking van de opstanding (de ziel, die uit het lichaam moest ontsnappen) lijkt de achtergrond te vormen voor 1 Ko.15, 42vv, waar Paulus over het geestelijke opstandingslichaam spreekt. Maar Davies toont aan, dat er ook passages zijn in de rabbijnse literatuur, waarin een meer geestelijke interpretatie van de opstanding voorkomt. Het “toekomstige” leven is voor menigeen niet meer uit te drukken in termen van “time and space”. We moeten niet te haastig zijn met de veronderstelling dat, wanneer Paulus over een geestelijk lichaam spreekt, hij daarmee een immaterieel lichaam bedoelt: the “spirit” had a physical nuance for Paul such as it often had for his Rabbinic temporaries (aldus Davies). Ook hier kan derhalve van een genuin-Joodse achtergrond uitgegaan worden.
Tenslotte bespreekt Davies de Paulinische visies van 1 Kor.15 en 2 Kor.5, waar een verschil in tijdsopvatting zou kunnen liggen, voortkomend uit een voortgaande ontwikkeling van 1 Kor.15 naar 2 kor.5. In 1 Kor.15, 23 immers wordt de opstanding bij de komst van Christus verwacht, terwijl Paulus in 2 Kor.5, 1 weet “dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen …” Sommige geleerden hebben verondersteld hier met Helleniseringsproces in de Paulinische gedachten te doen te hebben. Die Hellenisering zou dan vooral schuilen in de volgende drie in 2 Kor.5 voorkomende gedachten:
1. Het lichaam wordt als een last beschouwd;
2. De geest is een aanwezig bezit;
3. Het Christelijke leven is een ballingschap.

Twee elementen in dezelfde perikoop zijn wezenlijk Joods: de naaktheid bij de dood en het oordeel na de dood. De Hellenistische tendens, die hier blijkbaar gevonden wordt, ontkent Davies door te wijzen op rabbijnse en ook Paulinische voorbeelden van de broosheid van het lichaam, zie 2 Kor.4, 7 en 5, 1. Ook hier zal de apostel door traditioneel Farizeïsche gedachten geleid zijn. Het verschil tussen de opstandingvisies in beide hoofdstukken is dan te verklaren door aan te nemen, dat Paulus de opstanding en het toekomstige leven vanuit verschillende invalshoeken benadert. Zoals reeds eerder opgemerkt was het Judaïstische denken over het eschaton en de daarin plaats vindende gebeurtenissen zeer complex. Het zou goed mogelijk zijn – aldus Davies – dat de daarin voorkomende hoofdgedachten, nl. het toekomstige leven direct na de dood en de voltooiing ervan na de opstanding, in het spreken van 1 Kor.15 en 2 Kor.5 weerspiegeld worden: In 1 Kor.15 is de apostel geconcentreerd op de olâm-ha-bâ als de voltooiing van tijd en geschiedenis, terwijl hij in 2 Kor.5 gericht is op datgene wat direct na de dood ligt.

Hoewel deze laatst genoemde oplossing wat simpel lijkt en we zeker ook rekening moeten houden met gewijzigde omstandigheden in Paulus’ leven, die debet kunnen zijn aan de verschillende accentlegging in zijn visie op het deel krijgen aan de toekomende eeuw, komt het mij toch voor, dat Davies over het geheel genomen met zijn exegese vanuit de Judaïstische achtergrond van de Farizeeër Paulus de juiste weg tot een verstaan van het Paulinische tijdsbegrip heeft aangewezen. In het volgende hoofdstuk zullen wij aantonen, dat wat hier voor Paulus’ kijk op de toekomst geldt, ook geldt voor zijn visie op het verleden en het heden: het tijdsbegrip van de apostel kan uitsluitend benaderd worden vanuit zijn verstaan van Christus’ opstanding als het aanbreken va de nieuwe aeon! Daar ligt de sleutel van het Paulinische denken, ook over de tijd. Met de opstanding van Christus is de nieuwe aeon aangebroken, waarmee alles nieuw is geworden. De profetische boodschap van “God, Die op ons toekomt” is vervuld! Dit is Paulus duidelijk geworden in zijn persoonlijke ervaring, toen de Heer aan hem verscheen.

De schommelingen in het tijdsdenken van Paulus, zoals die in de verschillende aangestipte perikopen aan het licht treden, zijn uitsluitend een gevolg van een verschillende – door de situatie, waarin de apostel verkeert – aangedragen accentuering. Zij hebben dan ook niets te maken met een ambiguïteit in zijn gedachten over de tijd, voortkomend uit een verdere ontwikkeling door invloeden van buiten zoals van Hellenistisch-gnostische stromingen. Deze uitkomst, dat er een uniforme gedachtegang, Theocentrisch en Christologisch gestructureerd, aan het Paulinische tijdsdenken ten grondslag ligt in alle van Paulus overgebleven echte brieven, hebben mij doen besluiten het onderzoek naar de tijdsbeleving van Paulus te beperken tot de vier hoofdbrieven. Hierin speelt mee, dat deze – gezien de theologische aard van de tijdsbeschouwing – het duidelijkst aangetroffen zal worden in de theologische uiteenzettingen van de hoofdbrieven. “Theologisch” gebruik ik dan in de zin van “op God gericht, op Christus betrokken”, dus niet in de gangbare betekenis van systematisch-Godgeleerd. Toch zullen de andere brieven niet buiten beschouwing gelaten worden. Integendeel: daar, waar interessante parallellen liggen of de door Paulus aangegeven lijn wordt doorgetrokken (zoals in de Eph. en Kol. brieven, ontstaan in de “Paulus-school” ca 100 n.C., waar de gerealiseerde eschatologie nagenoeg geheel de oorspronkelijke futuristische eschatologie verdrongen heeft, vergelijk ook het Johannes=Evangelie), zullen ook teksten uit de overige brieven in het onderzoek betrokken worden.

Waar blijft de tijd XXVIII – Ontwikkeling in de Paulinische tijdsbeleving

Heeft het denken van de apostel zich ontwikkeld? Meestal wordt deze vraag niet gesteld, omdat de Paulinische boodschap, vervat in zijn brieven, als een afgesloten geheel in de zin va een uniform gedachtestelsel wordt weergegeven.

Heeft het denken van de apostel zich ontwikkeld? Meestal wordt deze vraag niet gesteld, omdat de Paulinische boodschap, vervat in zijn brieven, als een afgesloten geheel in de zin va een uniform gedachtestelsel wordt weergegeven. Daar ligt bepaald iets onlogisch in. Immers de ervaringen, die Paulus heeft opgedaan in zijn “roeping” en daarna in de onvervuld gebleven parousieverwachting, maar vooral ook in zijn turbulente levensloop, zullen hem in zijn denken niet onberoerd gelaten hebben. Integendeel, de verschillend situaties, waarin hij kwam te verkeren, en de vragen die daarin op hem afkwamen, moeten hem tot nadenken genoopt hebben over verschillende kwesties, die hij zich tevoren niet gerealiseerd kan hebben. Hoe hij met deze problemen klaar kwam, laten ons de brieven zien: niet in een geordend vastomlijnd systematisch gedachtesysteem, maar casualistisch, van geval tot geval, zoekend naar antwoorden vanuit zijn Christocentrische geloofsinstelling. Vanuit de omvang van zijn correspondentie, die gedeeltelijk bewaard gebleven is, en het ruime tijdsbestek van 15 jaar of iets meer, binnen welke deze ontstaan moet zijn, laat zich op geheel legitieme wijze de vraag naar een ontwikkeling in het Paulinische denken stellen, te meer, als men bedenkt hoe Paulus in zijn woelige denken onder velerlei invloed heeft gestaan en zich dikwijls mede door de verdediging van zijn kerugma op verschillende punten nader heeft moeten bezinnen. Zo kan gesteld worden, dat een evolutie in Paulus’ denken zeker niet tot de onmogelijkheden behoort.

Zo heeft Grossouw (W.K.Grossouw, Die Entwicklung der Paulinischen Theologie in ihren Hauptlinien) de Paulinische brieven op een mogelijke ontwikkeling van Paulus’ denkbeelden getoetst. Hij komt tot een indeling van de daarin weerspiegelde denkwereld in vier fasen:

  1. De eerste fase wordt zichtbaar in de Thessalonicenzenbrieven (51/52), waarin de stijl nog zeer eenvoudig is, zonder diatriben (=retorisch betoog) en hymnisch-liturgische taalkenmerken, zonder ook het voor Paulus later zo kenmerkende probleem van de rechtvaardiging in de anti-joodse polemiek. Wij ontmoeten in deze brieven de eenvoudige kern van het Handelingen-kerugma: de opstanding van Jezus en Zijn terugkomst in heerlijkheid om aan de gelovigen het eeuwige heil te brengen.
  2. In de tweede fase is het klimaat heel anders, wellicht ook door de teleurstelling over de uitgestelde parousie. Het ademt polemiek en confrontatie en daardoor toespitsing op de kern van de boodschap der rechtvaardiging van de goddeloze. Wij bevinden ons dan in de Galaten- en Romeinenbrief. De oorzaak van de verscherping moet daar in de eerste plaats gezocht worden in de bestrijding van de Judaïsten.
  3. De derde fase in de ontwikkeling van Paulus kunnen we onderscheiden in de beide brieven aan de Korinthiërs. Niet qua chronologie, want de Korinthebrieven kunnen in dezelfde tijd gedateerd worden als de Galaten- en Romeinenbrief (1 Kor 53/54, toen Paulus in Efeze was; Galaten en 2 Kor., toen hij in Macedonië was; Romeinen begin 56, toen de apostel in Korinthe was; aldus W.K.Grossouw in zijn “Brief van Paulus aan de Galaten”). Maar wat betreft de theologische toespitsing en de schrijfstijl (veel diatriben) wijken zij af. Waren de Galaten- en Romeinenbrief sterk antijudaïstisch getint, in de brieven aan Korinthe voert een antihellenistische tendens de boventoon, overeenkomstig de problemen van gnostische wijsheid en libertinisme, die in deze brieven aan de orde zijn.
  4. Tenslotte kunnen we de laatste en belangrijkste ontwikkeling bij Paulus zien in zijn gevangenschapbrieven: Kolossenzen en Ehpesiërs 61/62. Het front, waartegen Paulus zich hier keert, is de gnosis. De typisch Joodse thema’s zijn op de achtergrond geraakt en hebben plaats gemaakt voor de idee van het mysterie, het eeuwige en verborgen raadsbesluit van God omtrent Christus en de Kerk. Paulus neemt in deze brieven duidelijk de taal van de tegenstanders over om zich tegenover hen verstaanbaar te maken. Maar de vraag blijft: is hij daardoor ook zelf op bepaalde punten anders gaan denken? Heeft hij een ontwikkeling doorgemaakt? Misschien van futurische naar “gerealiseerde” eschatologie? Zoals bekend, ademen beide laatste brieven een eschatologische geest, die sterk op het heden, het reeds, de voltooiing in presentie, gericht is. Wellicht heeft de bestrijding van de verschillende haeretische systemen, aangeduid in de vier op elkaar volgende stadia, zijn theologie tot ontwikkeling gebracht. Wel moet ontwikkeling dan niet verstaan worden als “evolutie”, een gang van minder naar meer, van lager naar hoger, van een aards geloofsleven tot een hemelse verrukking in het mysterie. Zeker wordt Paulus door zijn tegenstanders geprikkeld met zijn geloof eens flink uit te pakken en het actueel te maken. Maar dat hoeft toch geen verandering in zijn theologische denken te betekenen, wel verdieping en verscherping. Al is de toepassing van “zijn” Evangelie situatiegebonden, dat hoeft nog geen aanleiding geweest te zijn tot een ontwikkeling in de zin van een verandering in zijn denken. De kern van zijn kerugma, zoals hem dat bij zijn roeping voor ogen was gekomen, kan dezelfde gebleven zijn, en zo zal later blijken is ook hetzelfde gebleven. Reeds eerder is aangetoond, hoe sterk de beleving van het Damascus-wonder in het leven van de Farizeeër Paulus moet hebben ingegrepen. Het stempel, wat toen op zijn leven is gedrukt, zal zijn denken blijvend, voor de gehele duur van zijn leven, bepaald hebben.

Uit bovenstaande blijkt, dat een oordeel over een eventuele ontwikkeling in de Paulinische denkstructuur mede afhangt van de lengte van de tijdsperiode, waarin de brieven van Paulus geacht worden te zijn ontstaan. Neemt men een periode van 15 jaar aan, dan ligt het voor de hand aan een ontwikkeling in gedachten te denken. Ieder weet, wat er in 15 jaar aan levensbeschouwing en ook geloofsverstaan in een mens kan veranderen. Vijftien jaren betekenen vandaag een complete generatie, en het verschil van 15 jaren in leeftijd kan een generatiekloof veroorzaken. Duidelijk is dit zichtbaar, wanneer men de mensen, die voor de oorlog geboren zijn, vergelijkt met de generatie van na de oorlog, een periode van nog geen 10 jaar, dat toch een volkomen anders denken en een totaal gewijzigde levensinstelling heeft voortgebracht!

De vraag is echter, of een ontstaansperiode van 15 jaren aan de brieven van de apostel recht doet. Hier dient het auteurschap van Paulus in aanmerking genomen te worden. Voor velen gelden de brieven aan de Kolossenzen en Ephesiërs, waarop de vierde fase in het Paulinische denken gestoeld wordt, als een latere reflectie op de Paulinische boodschap, dus als “onechte” Paulusbrieven. Het taalgebruik, een theologische ontwikkeling inzake de Christologie, de Kerk, de doop, het apostelambt en ook de eschatologie (van meer futuristische naar meer “gerealiseerde”), het gnostische wereldbeeld, dat alles doet vermoeden, dat beide brieven niet rechtstreeks van Paulus’ hand kunnen zijn, maar slechts indirect, b.v. door het ontstaan in de leerlingenkring van de apostel ca. 100 n.C. met zijn kerugma te maken hebben. Hier ligt inderdaad een ontwikkeling, maar niet in het denken van Paulus zelf, veeleer in latere gedachten over Paulus en diens verkondiging.

Wanneer we nu de vierde fase in de gedachteontwikkeling van Paulus laten afvallen, blijven er slechts een beperkt aantal jaren over van Paulus’ leven, waarover we enige schriftelijke informatie hebben. In totaal zijn het er slechts 6 á 7 jaar, van ca 50 tot ca 56 n.C. G.Bornkamm (In zijn studie “Paulus”) geeft de volgende datering aan: 1 Thess. voorjaar 50, Gal. 54, 1-2 Kor. 54/55, Rom. Evenals de gevangenschapbrieven Philippenzen en Philemon in 55/56. Dit kan kloppen, wanneer we van een vroege datering van de Philippenzenbrief uitgaan, tevens ook de Pastorale brieven (1 en 2 Tim./ Titus) met Eph., Kol. En 2 Thess. als Deutero-Paulinische werken beschouwen. De Philippenzenbrief doet ernstig vermoeden, dat Paulus in gevangenschap verkeert (1, 7.13v.17). Maar de brief veronderstelt ook een levendig contact met de Gemeente van Philippi. Het eerste pleit voor een latere datering, tijdens de Romeinse gevangenschap: 58-60. Het tweede pleit voor een datering in de tijd van Paulus’ verblijf in de buurt van Philippi. Doorslaggevend lijkt het argument, dat de apostel 2,5 jaar in Ephese geweest is en in die tijd ook gevangen geweest kan zijn. Hij getuigt hier immers van in 2 Kor.11, 23.

Het lijkt ons goed om in eerste instantie van deze periode en de daarin ontstane algemeen als echt beschouwde brieven ter bepaling van het Paulinische tijdsbegrip uit te gaan. We hebben immers in de vorige paragrafen al geconstateerd, dat – afgezien van het Damascusgebeuren – hiervoor in de levensloop van Paulus geen aanknopingspunten liggen. Ook hebben wij in bovenstaand onderzoek gezien, dat we zeer voorzichtig moeten zijn de tijd van de ons overgeleverde Paulinische bronnen te ruim te nemen, omdat de Deutero-Paulinen als grondslag voor een betrouwbare reconstructie van Paulus’ gedachtesysteem niet relevant zijn. Rest de vraag, of wellicht in de overgebleven authentieke brieven van Paulus een ontwikkeling in gedachten, met name welke betrokken zijn op het tijdsbegrip, gevonden kan worden. Naar een antwoord op deze vraag zal in het volgende hoofdstuk gezocht worden.

Waar blijft de tijd XXVII – Het verband tussen het tijdsbegrip en de levensloop van Paulus

Om zicht te krijgen op een mogelijke ontwikkeling in het tijdsdenken van Paulus kunnen we zijn levensloop niet buiten beschouwing laten. Het zal wel moeilijk worden, omdat er over zijn werken en dus ook gedachten gedurende een zeer lange periode na zijn roeping in de Damascus-gebeurtenis geen directe bronnen voorhanden zijn.

Om zicht te krijgen op een mogelijke ontwikkeling in het tijdsdenken van Paulus kunnen we zijn levensloop niet buiten beschouwing laten. Het zal wel moeilijk worden, omdat er over zijn werken en dus ook gedachten gedurende een zeer lange periode na zijn roeping in de Damascus-gebeurtenis geen directe bronnen voorhanden zijn. Desalniettemin is een beter verstaan van Paulus, ook wat zijn tijdsbegrip betreft, er mee gediend, wanneer inzicht verkregen wordt in zijn levensloop, ook wanneer deze slechts verkregen kan worden in een achterwaartse blikrichting vanuit terloops gemaakte opmerkingen in de brieven van de apostel.

Een zuivere chronologie van Paulus’ leven met behulp van de ons nagelaten brieven is moeilijk op te stellen, daar hiervoor slechts één betrouwbaar gegeven beschikbaar is: de zogenaamde Gallio-inscriptie. Volgens deze inscriptie, gevonden op een steen te Delphi, was Gallio procurator van Achaia, toen keizer Claudius de 26e imperatorische acclamatie ontvangen had, hetgeen in het jaar 51 n.C. moet zijn geweest. Dit gegeven kan en nadere datering van Hand.18, 11v – het eerste oponthoud van Paulus te Korinthe – mogelijk maken, indien althans het feit, dat Gallio toen volgens Lukas landvoogd van Achaia was, op historische betrouwbaarheid berust. Terugrekenend – Paulus is volgens Hand.18, 11 anderhalve jaar in Korinthe geweest – kan geconcludeerd worden, dat de apostel in het begin van het jaar 50 voor de eerste keer in Korinthe moet zijn aangekomen. Hiermee is in overeenstemming, dat hij volgens Hand.18, 2 spoedig na de komst van Aquila en Priscilla, die op grond van het decreet van keizer Claudius uit Rome waren verdreven, in Korinthe kwam. Het decreet van Claudius behelsde de uitwijzing van de toplaag van de in die tijd woonachtige Joden in Rome (40.000-50.000) en is in het jaar 49/50 n.C. uitgevaardigd. Volgens de verdere gegevens in Handelingen moet de tweede zendingsreis van Paulus in het voorjaar van 49 n.C. begonnen zijn. He apostelconcilie, dat vlak hiervoor in Jeruzalem plaats had (Hand.15) zal dienovereenkomstig in 48, begin 49, geplaatst kunnen worden. De gegevens in Gal. 1, 8 en 2, 1 verstrekken ons enig houvast over het tijdstip, waarop de omwenteling in Paulus’ leven had plaatsgevonden. Dat moet een 17-tal jaren eerder gebeurd zijn, indien althans het hier genoemde aposteloverleg correspondeert met het in Hand.15 genoemde apostelconvent. In de Westerse berekening, waarin de beginjaren voor het totaal niet worden meegeteld, moeten hiervan twee jaren worden afgetrokken. Dat betekent, dat vanaf 48/49 een vijftiental jaren teruggegaan dient te worden om bij het ogenblik van Paulus’ roeping te komen. Op z’n vroegst, zo mogen we aannemen, is het moment van de ommekeer in het leven van de apostel derhalve te dateren in het jaar 33 n.C., oftewel zeven jaren na Jezus’ dood. We gaan er van uit, zoals tegenwoordig de meeste berekeningen aangeven, dat de geboorte van Jezus moet hebben plaats gevonden in de periode 7-4 v.C. De leeftijd van Jezus bij Zijn dood moet ca 33 jaar zijn geweest. Zodoende kan het jaar van Zijn dood op zijn vroegst op 26 n.C. gesteld worden.

De jaren tussen Jezus’ dood en de bekering van Paulus gaven de apostel voldoende tijd zich op de hoogte te stellen van de inhoud van de Christelijke leer, zoals deze in de oer-Gemeente geloofd en beleefd werd. Na het Damascus-wonder is Paulus een tweetal jaren in “Arabia” geweest (Gal.1, 170, waarschijnlijk een landsteek in het huidige Jordanié, om daar het Evangelie te verkondigen. De vraag of hij zijn roeping “apostel der heidenen te zijn” van meetaf aan heeft verstaan en daarom naar Arabia is vertrokken, of door tegenwerking van de Jeruzalemse apostelen uit Israël geweerd werd, zal nooit duidelijk beantwoord kunnen worden. Na een tweetal jaren zien we hem op weg naar Jeruzalem (3-36 n.C.), waar volgens Gal.1, 18v een ontmoeting heeft plaatsgevonden met Petrus, de toenmalige leider van de “moeder-Gemeente”. Misschien was de boodschap in Arabia niet zo aangeslagen, wellicht ook was het Evangelie van Paulus op veel tegenstand gestuit. De in 2 Kor.11,32 genoemde Aretas was de toenmalige heerser over dat gebied der Nabateeërs. Uit hetzelfde bericht kan worden opgemaakt, dat Paulus’ verkondiging aldaar op veel weerstand stuitte, die wel eens tot persoonlijke vervolging aanleiding zou kunnen zijn geweest. Het kan ook zijn, dat de Jeruzalemse Christenen zo veel over de activiteiten van Paulus hadden gehoord, dat zij nader contact met hem wilden hebben. Ook is het niet uitgesloten, dat Paulus zelf het nodig achtte met Petrus contact te zoeken. Hoe het ook zij, er heeft een ontmoeting tussen hen beide plaatsgevonden. Wat daar besproken is tussen die twee, de apostel van het eerste uur en de apostel van het laatste uur (immers het “allerlaatst” was de Heer ook aan hem verschenen, als aan een ontijdig-geborene! Vgl 1 Kor.15, 8), en hoe het gesprek is afgelopen, of er tussen hen misschien al “verdelingsafspraken” zijn gemaakt, dat vertelt Paulus ons niet. Wel mogen we weten, wat hij daarna gedaan heeft: het kerugma brengen in Syrië en zijn geboortestreek Cilicië rondom Tarsus (Gal.1, 21). Waarschijnlijk heeft Barnabas hem vandaar naar Antiochië gehaald (Hand.11, 25vv), waarmee eindelijk een vast punt in zijn bestaan is gekomen. Antiochië werd als ’t ware zijn thuishaven, vanwaar zijn grote reizen ondernomen konden worden en vanwaar hij steeds veel ruggensteun mocht blijven ontvangen. Deze Gemeente was gesticht door hellenistische Joden-Christenen, die door de “verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond”, naar Antiochië waren gevlucht (zie Hand.11, 19-30). Nadat het Barnabas gelukt was Paulus naar Antiochië te halen, kwam de Gemeente aldaar tot grote bloei (Hand.11, 25v). Het verslag van Lukas zet direct hierna de eerste zendingsreis naar Cyprus en het zuidelijke gedeelte van Klein -Azië in (Hand 13, 14). Hierover is echter in de brieven niets terug te vinden. Vermoedelijk is dit dan ook een compositie van Lukas teneinde het hierna beschreven apostelconcilie meer reliëf te geven. Zie het slot, Hand.15, 4: ” Bij hun aankomst in Jeruzalem werden ze verwelkomd door de apostelen en de oudsten en door de rest van de Gemeente. Ze brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht.”

De belangrijkste gebeurtenis in deze periode van Paulus’ leven is ongetwijfeld het apostelconcilie, waarover we reeds spraken. De vraag blijft hierbij: hoe moet Gal. 2, 1 uitgelegd worden? “Na verloop van veertien jaar ging ik opnieuw naar Jeruzalem, samen met Barnabas en Titus”. Moet “na verloop van veertien jaren” gerekend worden vanaf de eerste ontmoeting van Paulus met Petrus, zoals Gal.1, 18v in combinatie met 2, 1 doet vermoeden, of gerekend vanaf het Damascus-gebeuren? Hoe dan ook, over de gerezen moeilijkheden in het zendingsveld werd een compromis bereikt: Paulus en Barnabas zouden voortaan naar de heidenen gaan, terwijl Petrus en Johannes het zendingswerk onder de “besnedenen” zouden voortzetten (Gal. 2, 9). Dit besluit van het apostelconcilie is van grote invloed geweest op de verdere levensloop van de apostel. De wereld komt voor hem nu pas goed in zicht! Was de boodschap voorheen al door de Hellenisten naar de Grieken gebracht (Hand.11, 20) en had Paulus ook al in Arabia en het gebied van Klein-Azië, althans het zuidelijkste deel daarvan, de Heer verkondigd, dit alles kon nog tot de min of meer bekende omtrek beschouwd worden. Na het apostelconcilie wordt het anders: de hele wereld wordt in het apostolische gebeuren betrokken! Had hij reeds eerder het vermoeden gekregen “apostel der heidenen” te zijn, nu weet hij het zeker, dat hij uitverkoren is de blijde boodschap aan heel de wereld te brengen (Gal.1, 15v). Zo ontmoeten wij hem en de zijnen op de tweede zendingsreis van 49-52 n.C. reeds in het midden en Noord-Westen van Klein-Azië, in Macedonië en Griekenland, bezig met het stichten van Gemeenten in alle plaatsen van enige importantie. Uit deze periode stammen de eerste bewaard gebleven brieven: die aan de Gemeente te Thessalonica. Misschien heeft Paulus toen al het idee gehad door te reizen naar Rome. Later, in de Romeinenbrief, schrijft hij immers reeds lang het voornemen te hebben gekoesterd naar Rome te gaan (Rom.1, 13; 15, 22). De hierna volgende derde zendingsreis moet naar de gegevens verstrekt door Lukas in Handelingen 18, 23 – 21, 15 minstens 3,5 jaar in beslag hebben genomen, dus ongeveer van voorjaar 52(53) tot minstens 56 toe.

Voor de slotperiode van Paulus’ leven is moeilijk een betrouwbare datering te geven. De ambtstijd van procurator Felix, onder wie de apostel in Jeruzalem gevangen werd genomen, kan op zijn vroegst tot de zomer van 55 en op z’n laatst tot de zomer van 61 geduurd hebben. De gevangenschap, zo wordt algemeen aangenomen, heeft volgens Hand.24, 27 twee jaar geduurd. De reisduur naar Rome kan op een half jaar gesteld worden en de gevangenschap in Rome, waarmee het boek van de Handelingen afsluit, op twee jaar. Zie daarvoor Hand.27 en 28, vooral 28, 30: “Paulus verbleef twee jaar in het huis dat hij gehuurd had en ontving daar iedereen die naar hem toe kwam.” Kontrovers is of de apostel in Rome nog eenmaal vrij gekomen is en vandaar verder reizend naar het Westen nog Spanje heeft bereikt en misschien vanuit Rome ook nog verdere reizen naar het Oosten heeft gemaakt. Tenslotte heeft hij na een tweede gevangenschapperiode ca. 67 n.C. de marteldood ondergaan, in de Romeinse hoofdstad. Hier liggen wel oud-kerkelijke tradities, maar de meeste Nieuwtestamentici houden het er toch op, dat de apostel de gevangenschap te Rome niet heeft overleefd, maar als een van de eerste slachtoffers onder de hevige vervolgingswoede van keizer Nero rond het jaar 60 n.C. de marteldood is gestorven.

Samenvattend kan een plausibele chronologie van Paulus’ levensloop na zijn “roeping” in de volgende tijdtafel zichtbaar gemaakt worden:

  • Christusepifanie op weg naar Damascus 31-35
  • Eerste reis naar Jeruzalem 35/36
  • Zendingsarbeid in Syrië en Cilicië 36-45
  • Eerste zendingsreis 45-48
  • Apostelconcilie in Jeruzalem 48
  • Tweede zendingsreis, incl. 1,5 jaar te Korinthe 49-52
  • Derde zendingsreis, incl. 2,5 jaar te Ephese 52-56
  • Laatste reis naar Jeruzalem 56
  • Gevangenschap te Caesarea 56-58
  • Reis naar Rome 58
  • Gevangenschap te Rome 58-60
  • Marteldood onder Nero 60

 

Uit dit overzicht blijkt overduidelijk, dat grote perioden in Paulus’ leven voor ons ontoegankelijk zijn gebleven, waardoor het praktisch onmogelijk is een ontwikkeling in zijn geloofsinstelling, ook in verband met zijn tijdsbegrip, vast te stellen. Wel kunnen we op basis van deze levenslijn vermoeden, waar en wanneer evt. invloeden “van buiten” zijn denken bepaald cq. omgevormd kunnen hebben.

Waar blijft de tijd XXVI – Het eschaton in de apostolische prediking

Ook voor het gevoelen van Paulus in het licht van zijn Farizeïsche opleiding moet het zo geweest zijn: de opstanding brengt de verheerlijking, de olâm-ha-bâ, dat is één groot wereldomvattend gebeuren.

Hoe zag het Evangelie er uit, dat Paulus in onderscheiding van andere Evangelies “MIJN” Evangelie noemt (Rom.2, 16 en 16, 25)? Hiervoor kunnen we de volgende teksten, waar Paulus zijn Evangelie ter sprake brengt, nader bekijken: 1 Kor.15, 1vv; ook 1, 23 en 2, 2-6; ; Rom.10, 8-9; Gal.1, 11-18 en 3, 10. Ook de gedeelten, wier formuleachtige vorm verraden dat zij van reeds geconsolideerde Gemeentetraditie afkomstig moeten zijn, moeten nader onderzocht worden (Rom.1, 1-4; 8, 31-34; 1 Kor.15 1 vv.). Hierdoor krijgen we de volgende reconstructie:

  • De profetieën zijn vervuld en de nieuwe aeon is aangebroken door de komst van Christus.
  • Hij werd geboren uit het geslacht van David.
  • Hij stierf naar de Schriften om ons uit de tegenwoordige boze aeon te verlossen.
  • Hij werd begraven.
  • Hij stond ten derden dage op naar de Schriften.
  • Hij zit in heerlijkheid ter rechterhand van God, als Zoon van God en als Heer van de levenden en doden.
  • Hij zal wederkomen als Rechter en verlosser van mensen.

 

De toespraken in Handelingen, waarin veel oude overleveringen door Lukas worden bijeengebracht, leveren nagenoeg hetzelfde beeld op: 2, 14-36.38.39; 3, 12-26; 4, 8-12; 5, 17-40 en 10, 34-43. Het is een nadere uitwerking van Jezus’ eschatologische prediking in de Synoptici (=Matheüs, Markus en Lukas). Zoals deze bijvoorbeeld in Markus 1, 14v gevonden wordt: ‘14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde. 15 Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ Hetzij de apostolische prediking nu teruggaat op die van Jezus in de Synoptische Evangeliën, hetzij we omgekeerd de Synoptische Jezus’ prediking vanuit de apostolische moeten verstaan, beide zijn naar hun strekking identiek.

Er zijn evenwel een drietal punten in het kerugma van Paulus, die in het Jeruzalemse kerugma van Petrus’ toespraken niet teruggevonden worden:

  1. Jezus wordt in het Jeruzalemse kerugma niet “Zoon van God” genoemd, hoewel de intentie van deze titel wel aanwezig is en zeker ook in de Synoptische Evangeliën diep geworteld is. De eerste, die in Handelingen verkondigt, dat Jezus de Zoon van God is, is Paulus (in 9, 20).
  2. Het Jeruzalemse kerugma stelt niet, dat Jezus stierf voor onze zonden.
  3. In het Jeruzalemse kerugma wordt niet geleerd, dat de verheerlijkte Heer voor ons intreedt.

Er is wel een belangrijk ander punt in dit kerugma, dat in de brieven van Paulus terugkeert zonder dat het uitdrukkelijk genoemd wordt bij de weergave van ZIJN Evangelie: de werking van de Heilige Geest als het teken, dat de nieuwe aeon is aangebroken (Gal.3, 1; 2 Kor. 1, 22; 5, 5 e.a.). Ook de redevoeringen in Handelingen, die Paulus zou hebben uitgesproken, komen kerugmatisch in hoofdzaak met die van Petrus overeen. Dat is ook niet te verwonderen, als we bedenken dat al deze toespraken – hoewel veel traditioneel materiaal bevattend – als composities van Lukas van één hand komen. De eigen compositorisch arbeid zowel van Lukas in Handelingen als van Paulus in zijn brieven, elk met een eigen “spits” en “tendentieuze” werkwijze, is waarschijnlijk ook de oorzaak van het vergelijkenderwijs met elkaar overeenkomende beeld van leven en werk van Jezus. Een samenvattend overzicht van de feiten van leven en werk van Jezus, zoals we geregeld in de “preken” van Handelingen tegenkomen, geeft Paulus in zijn brieven immers niet, uitgezonderd de twee specifieke heilsfeiten van Jezus’ dood en opstanding, die dikwijls gecombineerd voorkomen. De grondstructuur van het oer-kerugma, die zowel in Handlingen als bij Paulus in hoofdlijnen eenstemmig is, wordt hierdoor echter niet aangetast. Uit het “stilzwijgen” der brieven ten aanzien van feiten uit Jezus’ leven en werken kan ook niet met zekerheid geconstateerd worden, dat Paulus nooit naar het leven en werk, zeker de wonderen, van Jezus verwezen zal hebben. Het is goed mogelijk, dat de strekking van zijn brieven, die ons bewaard zijn gebleven, daarom niet vroeg.

Slechts in één opzicht heeft het oude kerugma binnen een kort tijdsbestek een gewijzigde spits gekregen: de parousieverwachting (= de verwachting van de wederkomst). Deze moet buitengewone sterke wortels hebben gehad in het geloofsleven van de eerste Christenen. Noch twintig jaren na Jezus’ dood vinden we daarvan de bewijzen in de sterke verbijstering, die ontstond, toen blijkens de brieven aan de Gemeente van Thessalonica de parousie op onverklaarbare wijze was vertraagd. Voor de geloofsinstelling van de eerste Christenen moest Christus spoedig komen “op de wolken van de hemel”. Deze komst en Zijn komst op aarde werden als ’t ware in enen gezien: het was één en dezelfde act, de komst “op de wolken” zou de voltooiing brengen, de afsluiting van Zijn volbrachte werk op aarde. Ook voor het gevoelen van Paulus in het licht van zijn Farizeïsche opleiding moet het zo geweest zijn: de opstanding brengt de verheerlijking, de olâm-ha-bâ, dat is één groot wereldomvattend gebeuren. Maar de komst van de Heer bleef uit, en zo ging men in het Evangelische kerugma hoe langer hoe meer spreken in termen van “de tweede komst”. Hier ligt één van de wortels van de Paulinische tijdsopvatting, waarin naast het futurische aspect meer en meer het “gerealiseerde” aspect op de voorgrond treedt (zie 2 Kor5, 17: de nieuwe schepping, die heeft plaatsgevonden, wanneer een mens in Christus is).

Het uitblijven van de parousie zal zeker van grote invloed zijn geweest op de geloofsbeleving van de eerste Christenen, in deze zin, dat de wederkomende Heer plaats maakt voor de aanwezige Heer in de gemeenschap van de Heilige Geest (vgl 2 Kor.13, 13; Phil.2, 1. Zeker ook 2 Kor.3, 17: De Here nu is de Geest!). Dat de heilstijd present is, de tijd vervuld en de nieuwe aeon aangebroken, daarvan wordt de geest als het onmiskenbare teken ervaren: Hij stelt de Heer inde Gemeente tegenwoordig. Dit komt zeker ook voort uit de apocalyptische traditie t.a.v. de Geest: Jes.4, 3vv; Ez.37, 12-14; Henoch 62, 7v en 14vv.

In hoeverre door het uitblijven van de parousie het perspectief van het Paulinische kerugma veranderingen heeft ondergaan ten opzichte van zijn tijdsopvatting in verband met de verhouding tussen de dood, opstanding en verheerlijking van Christus aan de ene kant en zijn tweede komst aan de andere kant zal in een volgend hoofdstuk nader onderzocht worden. Hier kan reeds gesteld worden, dat op deze vraag moeilijk een antwoord gegeven kan worden, omdat onze Paulinische bronnen, de echte brieven, alle in een kort tijdsbestek geschreven zijn. Over de gedachtegang van Paulus vóór die tijd, dat zijn de ca 20 jaren die er liggen tussen zijn “roeping” en de eerste van de van hem bewaard gebleven brieven, is nagenoeg niets bekend.

Waar blijft de tijd XXV – Het spoedige einde en de einden der wereld

De ontmoeting met de opgestane heer, waardoor Paulus de nieuwe aeon zag aanlichten en zijn roeping verstond de naam van de Nazoreeër, eerst in zijn ogen zo vervloekt, uit te dragen over de hele wereld, maakt hem tot zendbode, apostel, voorbode van het definitieve eschaton.

De ontmoeting met de opgestane heer, waardoor Paulus de nieuwe aeon zag aanlichten en zijn roeping verstond de naam van de Nazoreeër, eerst in zijn ogen zo vervloekt, uit te dragen over de hele wereld, maakt hem tot zendbode, apostel, voorbode van het definitieve eschaton. De overtuiging van deze roeping moet bij de apostel reeds opgekomen zijn direct nadat de Heer aan hem verschenen was. Wij wezen reeds op de apocalyptische beïnvloeding van het Farizeïsme. Vanuit deze achtergrond moest Paulus, na het ontvangen van de goddelijke openbaring, zich zelf zijn gaan verstaan als profeet van de eindtijd, in wereldwijd perspectief. “18 Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken; 19 Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. 20 En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen” (Rom.15, 18v Statenvertaling). We zullen nog zien, hoe deze gedachte van apostel der heidenen te zijn in de loop van zijn leven steeds sterker bij hem post heeft gevat. Het aanzetpunt daartoe moet ongetwijfeld gezocht worden in zijn verrijzeniservaring, naar de apocalyptische gedachtesfeer waarin hij is opgevoed.

Het is met name Ernst Käsemann geweest, die hierop de aandacht heeft gevestigd. Hij heeft van daaruit de anti-individualistische en anti- enthousiastische trek in Paulus’ theologie verklaard. Anderzijds ligt het voor anderen voor de hand deze apocalyptische inslag van Paulus in “Heilsgeschichtliche” zin uit te leggen, zodat in Paulus’ eschatologische gedachten een Heilsgeschichtliche conceptie wordt gevonden. Toch is het niet de kosmologische tendens van de apocalyptiek geweest, die de diepste wortel vormt van Paulus’ zendingsdrang. Het heeft zeker meegespeeld om de ontmoeting met de opgestane Heer te plaatsen, in een vertrouwd eschatologisch raam. Maar dat is reeds nadere reflexie op wat er gebeurd is. Het eigenlijke gebeuren moet een soort Aha-Erlebnis geweest zijn, waarin hem Farizeïsche schellen van de ogen zijn gevallen, waardoor hij oog kreeg voor de werkelijke betekenis van de profetische boodschap: dat Gods komen in de wereld zo machtig en allesomvattend is, dat alle volken daaraan deel zullen krijgen. Het geheim, aan Paulus bij zijn ontmoeting met de levende heer geopenbaard, bestaat zeker ook in een geheel nieuw inzicht in de oude profeten, en wel: gericht op de heidenen (de volken). ” 10 En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn ” (Jes.11, 10). Hier ligt o.i. de diepste drijfveer van Paulus’ roeping met zijn eschatologische boodschap “de einden der wereld”, dwz de hele door mensen bewoonde wereld, op te zoeken. Hij had begrepen, dat God niet alleen ook buiten het Jodendom te vinden is, maar juist DAAR verkondigd wil zijn (Rom.16,26).

Zeer zeker hebben ook de contacten met de Christelijke Gemeenten in Damascus, Antiochië e.a., zijn verblijf in “Arabia” en de later gemaakte afspraak op het apostelconcilie er Paulus nog sterker van doordrongen, dat het zijn specifieke opdracht was “apostel van de volken”  te zijn. Herhaalde malen spreekt hij daar dan ook van. Zo b.v. in Rom.15, 11: : ‘Loof de Heer, alle heidenen; prijs hem, alle volken.’ (zie ook Rom.10, 18; 16, 26 en 1, 14).

Uitvoering gevend aan wat hij als zijn specifieke opdracht zag, heeft Paulus als in een vooropgezet plan, dat echter telkens door de lotgevallen van zijn woelige leven doorbroken werd, op alle belangrijke plaatsen, met name op de knooppunten van heerwegen, Gemeenten gesticht, waar hij met uitzondering van Korinthe en Ephese slechts zeer kort verbleef. Dit alles geeft een typische trek aan Paulus’ werkwijze. Niet alleen blijkt daar uit, dat er haast was bij het volbrengen van zijn taak, omdat het EINDE nabij was en de apostel niet alle tijd overbleef om de wereld met zijn Evangelie rond te komen (1 Kor.7, 29: “Dit bedoel ik, broeders, de tijd is kort”). Maar ook worden we daarin een de Jood kenmerkende wijze van denken gewaar: synthetisch en corporatief. Paulus denkt als ’t ware vanuit de aparte Gemeenten in steeds grotere concentrische cirkels, van Gemeente tot invloedsgebied der stad in de regio tot de gehele provincie toe. Zo staat Philippi in Phil.4, 15 kennelijk voor geheel Macedonië, Thessalonica in 1 Thess.1, 7v voor Macedonië en Achaia, Korinthe in 1 kor.16, 15 en 2 Kor.1, 1 voor Achaia, en Ephese in Rom.16, 5 voor Asia. Vanuit dit denken in grotere verbanden moet ook Paulus’ opmerking in Rom 15, 19 gezien worden: “zodat ik, van Jeruzalem uit rondreizende tot aan Illyrië Ik heb volledig het evangelie van Christus gepredikt”.

Illyrië ligt in het uiterste Noord-Westen van Griekenland, aan het einde van de grote verbindingsroute vanuit het oosten, die zich aan de andere zijde va de Adriatische Zee voortzet in de Via Appa, om tenslotte in Rome uit te komen. De opmerking zou derhalve kunnen betekenen, dat hij het Evangelie in de hele oostelijke helft van het Romeinse Rijk heeft gebracht, terwijl er toch verhoudingsgewijs slechts een zeer klein aantal Gemeenten in dat gebied waren gesticht, althans voor zover ons bekend is. Doch, vanuit de Joodse belevingswijze van de “corporate personality”, waarbij elk deel voor het geheel staat, elke stad voor zijn omgeving en landstreek, hoeft ons deze gedachtegang van de apostel niet te verbazen. Met recht kan hij zeggen, dat hij de prediking van het Evangelie heeft volbracht.

Het mag vanuit dit apostolisch gezichtspunt ook volkomen aannemelijk worden geacht, dat Paulus volgens Rom.15, 24 Spanje als doel van zijn reis voor ogen had en Rome slechts als tussenstation op zijn wereldreis heeft beschouwd. Reizen naar Spanje schijnen trouwens in die tijd geenszins zeldzaam geweest te zijn. Cicero vermeldt Spanje als aantrekkelijk reisdoel. Gades moet, zoals uit literaire bronnen blijkt, een bekende toeristische trekpleister geweest te zijn. Bepaalde inscripties doen vermoeden, dat er in Paulus’ tijd ook al verschillende nederzettingen van diasporajoden geweest moeten zijn. Met Spanje voor ogen had de apostel de afronding van zijn eschatologische missie in de gehele bewoonde wereld en de einden der aarde bedoeld, tevens ook de beëindiging en voltooiing van zijn opdracht het Evangelie van Christus uit te dragen naar alle volken.

Levenslied

Er was eens een kindje rein,
zo fijn en ook zo klein.
In Geleen kwam zij op aarde,
daar, waar haar moeder haar baarde.

Pientje geborenEr was eens een kindje rein,
zo fijn en ook zo klein.
In Geleen kwam zij op aarde,
daar, waar haar moeder haar baarde.

Het was een schattig meisje,
en zij zong al vroeg een eigen ”wijsje”:
”Inankie pankie poe”,
dat zong zij iedereen toe!

Zij trok haar neusje daarbij op
en hield zo iedereen voor de fop.
Na haar geboorteplaats Geleen
ging zij ergens anders heen.

Zij was toen nog maar twee maanden oud,
maar dat liet haar lieve ouders koud.
Want haar vader kreeg een baan in Waalwijk
en hij voelde zich de koning te rijk!

Zij ging vaak spelen
en alles samen delen
met Lucy, Alice en Kees-Jan,
ja daar kon ze wat van!

Ook ging zij vaak op ’n kruk staan
en iedereen liet haar begaan,
totdat zij op een kwade dag
met haar neusje op de grond lag!

Zij groeide op als een mooi meisje
en maakte zo nu en dan ’n reisje
met de hele familie mee
naar bergen, strand en zee.

Het was een hele leuke tijd
en altijd weer werd er iets bereid.
Spelen in de grote tuin was favoriet.
Vergeet vooral de verjaardagen niet!

En als het feest was
dan moest iedereen in de ”pas”.
Mevr. Spierings maakte er dan
weer eens heel wat moois van!

Ook maakte zij veel plezier
in die tijd met elk dier.
Bij Cid en Cyrano van de buurtjes
verbracht zij heel wat vrije uurtjes.

Edgar met Pientje

Een eigen hondje kreeg zij van Ome Wim
toen had zij ’t helemaal naar d’r zin.
Met Edgar en later ook een poes:
zij toonde zich een echte KROES.

Maar op een zekere dag,
wat zij toen zag …
een beetje scheel,
gelukkig werd ’t gauw weer heel!

Dr. Hoe”k”sema maakte
dat weer spoedig thuis geraakte,
waar de zusjes samen,
haar in verzorging namen.

Een patiënt als proefkonijn
tussen zuster en dokter zijn,
onder de grote trap naar boven
met een lapje op d’r ogen!

Doktertje spelen

Toen zij zeven was,
ging zij weer verhuizen.
Zij kwam toen in een and’re klas,
en oh oh dat was me wat!

Maar ook in Haarlem was ’t gauw weer dolle pret,
dagelijks was er wel een of ander verzet.
Zo ieder jaar verkleedfeest met carnaval
en op Oud- en Nieuw- hevig geknal!

En natuurlijk ieder jaar weer op reis.
En als vader en moeder weer eens hadden prijs,
dan werden de drie zusjes
verzorgd door mevr. Kusjes!

Ook Oma was dikwijls van de partij.
Bij alles en nog wat was zij er bij.
Want Oma ging keer op keer mee,
ook naar de nieuwe bestelling van land en zee.

In het mooie stadje Goes in Zeeland
vond de familie een eigen pand.
Pien ging alweer naar de HAVO toe,
haar leren was spelen,
en van spelen werd zij nooit moe!

Ups en downs waren er in die tijd,
maar Pien bleef altijd eigengereid.
Haar eigen mening kreeg ze
en tot op de dag van vandaag bleef ze

een hele lieve meid,
die van tijd tot tijd
altijd klaar staat
voor raad en daad.

Na de HAVO koos zij
voor de LAB-school dichtbij.
Die stond zelfs in Goes
maar was niet voor de poes!

Toen zij van de LAB-school ging,
nadat zij haar diploma ontving,
wilde zij in Delft gaan studeren
om ’t ook ”hogerop” te proberen!

Bij een bodybuilder op kamer gezet
was ’t niet altijd dolle pret.
En later in huis bij studenten,
waar je om je brood moest venten!

Gelukkig had zij veel aan Tijger,
maar die was ook geen blijver,
want hij maakte er een puinhoop van
en kwam in Zeeland ”boven Jan”.

In Scheveningen was zij neergestreken,
ze kon de golven horen breken.
Daar kreeg zij opeens een baan
en kon zij voorgoed het ouderlijk huis uitgaan!

’s Avonds bleef zij dóórleren
en kon het haar niet deren,
tot zij uiteindelijk moest stoppen
om voor de liefde te dokken!

In ”Household” kwam zij toen terecht,
temidden van zeep, tandpasta en ander gerecht.
Hier ging zij musiceren met Van der Werf
en wisselde toen al snel ”van erf”.

Daarom staat zij nu hier
rondom veel vertier,
samen met haar man
maakt zij er weer wat van!

En wij wensen haar en Bart,
met heel de vriendenschaar,
vandaag een goede nieuwe start
en nog menig gelukkig jaar!!

karikatuur trouwen

Ter herinnering aan de bruiloft op 25-09-1996
Lees “Levenslied” verder

Waar blijft de tijd XXIV – Het einde dat gekomen is en dat nog komen moet

De Paulinische ervaring van Jezus’ verrijzenis als de komst van de Christus (=Messias) betekende voor hem, zo zagen wij, dat de eindtijd was aangebroken. God was tot de mensen gekomen, de wereld naderde zijn door God vastgestelde voltooiing.

Het Eschaton is aangebroken
De Paulinische ervaring van Jezus’ verrijzenis als de komst van de Christus (=Messias) betekende voor hem, zo zagen wij, dat de eindtijd was aangebroken. God was tot de mensen gekomen, de wereld naderde zijn door God vastgestelde voltooiing. Hij, Die de tijden gemaakt heeft en in Zijn handen houdt, naar een einde doet toelopen, maakt NU in de komst van de Messias de tijden vol. Weldra zal dit openbaar worden, als de Heer komt “op de wolken van de hemel” om wat met de verrijzenis van Jezus reeds begonnen is compleet te maken. De eerste Christenen verwachtten met het oog hierop een onmiddellijke komst van de verheerlijkte Messias.

Ook Paulus moet deze verwachting gehad hebben. Vanuit zijn Farizeïsche achtergrond zal hij met de openbaring van Jezus als de Messias en opgestane Zoon van God ook de algemene opstanding der doden en het laatste oordeel in het grote wereldgericht en de definitieve heilstijd van God in de “aeon-mellôn” (=toekomende eeuw) in het verschiet hebben zien liggen. De grote vervolger van de Christen-Gemeente, eerst in Jeruzalem (Hand.7,58; 8, 3), daarna ook in de omgeving tot in het verre Damascus toe, deze totaal in het Farizeïsche wetsdenken opgaande en daardoor “jegens de naam van de Nazoreeër” van haat vervulde man, beleeft voor Damascus een Christusepifanie, wat betekent dat hij de gekruisigde Jezus van Nazareth ziet in de glorie van de Godszoon en Heer, de Messias, die hij in de toekomst verwachtte. Dit moest verkondigd worden! De nieuwe tijd was aangebroken. Het Rijk van God, waarnaar de profeten reeds hadden uitgezien, was heel dicht nabij gekomen. “Het is eigenlijk al aanwezig, want ik heb de opgestane Heer gezien!”. Maar dan ook: “Bekeert u, want het eindgericht staat voor de deur!” Dat Paulus zo zijn verrijzeniservaring als roeping tot dienst aan de Messias en verkondiging van het aanbreken van de eindtijd verstaan heeft, blijkt met name uit die teksten in de brieven, waar hij als ’t ware noodgedwongen over zichzelf komt te spreken. Dit geldt ook voor het Damascus-gebeuren, hoewel dit nog vrij vaak ter sprake komt (Gal.1, 15vv; Phil.3, 4b-11; 1 Kor.15, 8vv). Het is steeds in groter verband, dat hij zijn roeping aanhaalt, in Gal.1, 15vv zelfs in een nevenzinnetje, en dan nog is Paulus daartoe duidelijk uitgedaagd door tegenstanders. Roemen op zich zelf past de apostel nu eenmaal niet (vgl 1 Kor.4, 7). In dienst van de Heer kan zijn roem alleen maar liggen in de verkondiging van die Heer en Diens glorie.

Bij Damascus getuige van het eschaton geworden, aanvaardt Paulus nu ook de roeping getuige vóór het eschaton te worden. Voor hem een vanzelfsprekende consequentie. Hij was immers vertrouwd met de apocalyptische traditie, die in de Farizeeënkringen ingang had gevonden: dat er in het laatste der dagen zendboden zouden komen, die Gods Koninkrijk zouden aankondigen. Als zo’n laatste bode van God, in heilsaankondiging en waarschuwing voor het oordeel, moet ook Paulus zelf zich verstaan hebben. Hij ziet zijn tijd als het werkelijke beging van de nieuwe aeon, en zo komt zijn prediking te staan in een groot eschatologisch kader, waarin het gaat om verwerping of redding van mens en wereld in universalistische zin. Het werken van de apostel wordt in dit licht bezien van onnoemelijk groot belang: daarvan hangt het heil van velen af! Van Grieken en niet-Grieken, van wijzen en onwetenden, weet hij zich een schuldenaar (Rom.1,14). Het is zijn overtuiging een bijzondere Van God verkregen taak gekregen te hebben: gehoorzaamheid van het geloof te bewerken onder alle volken voor Zijn naam (Rom.1 5). Apostolaat in deze zin, als gevolg van het zien van de verrezen Jezus-Messias, kan voor Paulus niet anders zijn dan een genadegave. In Rom.1, 5 staat het ook zo: “…door Wien wij genade en het apostelschap ontvangen hebben…” (zie ook 1 Kor.3, 10; 15, 10; Gal.2, 9 en Hand.1, 25). De apostel is gevolmachtigde van de Heer. Hij kan zich zo noemen vanwege de geheel nieuwe situatie, waarin de mens door de verrijzenis van Jezus-Messias gekomen is. Immers wat in het late Jodendom onmogelijk was: een gevolmachtigde van God te zijn (vanwege de transcendentie van God), is nu in de volkomen “in Christus” nieuwe situatie mogelijk geworden: menselijke zendboden, met God de Vader en Jezus de Messias als Opdrachtgevers. Dit expliceert, waarom Paulus zich in het begin van zijn brieven niet zonder enige trots apostel noemt: geroepen apostel (Rom.1 1; 1 Kor.1, 1; 2 Kor.1, 1; Gal.1, 1 enz.). Als enige legitimatie daarvoor had hij zijn dienst, de verkondiging van het Evangelie in zwakheid (2 Kor.10, 10-13). De gemeente zelf is Paulus legitimatie: “U bent zelf onze aanbevelingsbrief, in ons hart geschreven, maar voor iedereen te zien en te lezen: 3 u bent zelf een brief van Christus, door ons opgesteld, niet met inkt geschreven maar met de Geest van de levende God, niet in stenen platen gegrift maar in het hart van mensen.”(2 Kor.3, 2v).

Gerhard Sass toont in zijn dissertatie, “Der Paulinische Apostelbegriff” aan, hoe Paulus in zijn apostolische zelfverstaan teruggaat op de Oudtestamentische profeten. God heeft blijkens de profetieën van Joël (2, 32) en Jesja (52, 7) altijd boden naar de mensen gezonden om hen Zijn heil aan te kondigen. Deze Evangelieboden hadden uit Gods kracht een heel bijzondere functie: van het horen naar hun boodschap hangt het heil van de mensheid af: ” 17 Zo is dan het geloof uit het horen, en het horen door het woord van Christus” (2 Kor.3, 2). Diezelfde kritische functie bespeurde Paulus bij zijn “roeping” in het aan hem door Messias Jezus toevertrouwde apostelschap: wie hem hoort, hoort God Zelf! Zijn “tijdrede” zou daarin bestaan: de nieuwe aeon van Gods komen aan heel de wereld bekend te maken en “alles Christus te onderwerpen” (1 Kor.15, 23-28). En dit is voor de apostel geen vrijblijvende zaak meer, integendeel: hij MOET, het is een “must”. “Dat ik het evangelie predik, is voor mij niets om me op te beroemen: ik kan niet anders. Wee mij als ik het evangelie niet verkondigde!” (1 Kor.9, 16).

Waar blijft de tijd XXIII – Verrijzenis als begin van de nieuwe aeon

Wanneer Paulus op weg naar Damascus een ontmoeting heeft met de verrezen Heer, kan dat op grond van zijn Farizeeïsch-Joodse opstandingsgeloof niets anders betekenen dan: NU is de nieuwe aeon, de eindtijd, aangebroken!

Na de afsluiting van zijn studie moet Paulus, toen nog Saulus geheten, als jonge Schriftgeleerde in dienst zijn gekomen van het Sanhedrin. Hij zal toen 25 á 30 jaar oud geweest zijn. Bij de sekte van Qumran was het ook zo, dat de richters van de Gemeente pas op 30-jarige leeftijd een proces mochten voeren. Welke functie Paulus in het Sanhedrin had, is onzeker. Wel vertelt Lukas ons in Handelingen, dat Saulus werd ingeschakeld in de strijd tegen de mensen “van die weg” zoals de eerste Christenen denigrerend genoemd werden (vgl Hand.9, 2). Vol van ijver om tegen de naam van Jezus de Nazoreeër op te treden drong hij er zelfs op aan om als gevolmachtigde van de Hoge Raad naar Damascus gezonden te worden (vgl Hand.9, 1v; 22, 5 en 26,9v; 1 Kor.15, 9; Phil.3, 6;m Gal.1, 13 en 23). Het was in die tijd in Israël erg onrustig zowel op gofdsdienstig als ook politiek gebied. Er waren in die tijd allerlei verzetsbewegingen en geestelijke stromingen in het Jodendom, die vaak in felle bewoordingen en soms zelfs met geweld op leven en dood met elkaar streden over de verwachting van Israël voor eigen volk en de volkeren. In dit opzicht is er niets nieuws! Als één van die bewegingen mogen we ook de Messiaanse beweging rondom Jezus van Nazareth beschouwen. Die leidde tot diens uitlevering door de priesterpartij van de Sadduceeën aan de Romeinen, waarop de ter dood veroordeling volgde. Een andere beweging is die der Zeloten, een afsplitsing van de Farizeeën. Deze duldde geen andere macht op aarde dan God alleen, en daarom verzette zij zich tegen de Romeinen. Dit vreemde juk moest afgeworpen worden, want het hield naar hun idee de verlossing door de Messias tegen. In dit geestelijke en politieke klimaat kunnen we gerust ook de actie van de Zeloot Saulus tegen de Christenen plaatsen.

Maar dan, tijdens de reis naar Damascus, gebeurt er iets, dat een geweldige ommekeer in zijn leven brengt en zijn denken en geloven volledig op de kop zet. Meestal wordt dit Paulus’ bekering genoemd. Maar het is, denk ik, beter om deze Damascus-beleving als Paulus’ roeping aan te duiden. De Messias, naar Wie hij, zoals we in de vorige paragraaf zagen, las Farizeeër zo vurig had uitgekeken, verschijnt als de opgestane Jezus in zijn leven en brengt hem de olâm-ha-bâ. Afgezien van het in Handelingen 9 door Lukas overgeleverde en tot wonder gestileerde gebeuren bezitten we daarover drie teksten: 1 Kor.15, 8; Gal.1, 11vv en Phil.3, 4vv. In de laatste tekst wordt de diepste inhoud van de ommekeer aan het licht gebracht: “4 hoewel ik redenen genoeg zou hebben om op mezelf te vertrouwen. Als anderen menen dat te kunnen doen, dan kan ik dat zeker.5 Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de wetsopvatting van een farizeeër 6 en heb de gemeente fanatiek vervolgd. Aan wat er in de wet over gerechtigheid staat, voldeed ik volledig. 7 Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 8 Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen 9 en één met hem zijn – niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus. 10 Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11 in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan.”

Wat ons interesseert is de kwestie, of er in deze ommekeer in Paulus’ leven ook iets met zijn tijdsbeleving gebeurd is. Is de tijd voor hem soms in een andere dimensie komen staan? Dat moet haast wel, als we bedenken dat het in Paulus’ oog vooral de opgestane Heer is, Die aan hem verschenen is, de opgestane Jezus van Nazareth, dus de Messias! In 1 Kor.15 vertelt Paulus, hoe de Heer aan hem verschenen is als aan een “ontijdig geborene”: “8 Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. 10 Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade. 11 Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.” De “ontijdige geboorte” past eigenlijk niet bij Paulus. Vgl.Gal1, 15! Daarom vertalen velen met “Fehlgeburt”, misbaksel, om aan te geven dat Paulus eigenlijk niet op de juiste tijd geboren is (waarmee zijn geestelijke geboorte wordt bedoeld). Immers, toen de verschijningen aan de discipelen reeds afgesloten waren, is de Heer ten laatste ook nog aan hem verschenen. Met die “geboorte” is een dubbele acte bedoeld: van Gods kant “openbaring” (vgl.Gal.1, 12 en 15) en van Paulus’ kant “zien” (vgl. 1 Kor.9,1). Hier vinden we dan ook het tweeledige aspect in terug, dat voortaan Paulus’ leven en denken zal kenmerken: God, die ingrijpt in het menselijke leven en de mens Zijn Zoon openbaart, en de mens, die de Zoon mag “zien” en zo tot God mag komen. Het geheim van dit Godmenselijke gebeuren ligt in de verrijzenis. Dat was Paulus als Farizeeër genoegzaam bekend. Eens zou God tot de mensen komen, waarna de mens in Gods Koninkrijk mocht ingaan. Dat zou gebeuren bij de verrijzenis der doden, waarna de olâm-ha-bâ zou intreden.

Het geloof in de verrijzenis was nog jong. Afgezien van enkele sporen in Jesaja (26, 19) en Daniël (12, 1-3), vinden we dit geloof pas, zoals we gezien hebben, in zijn algemeenheid terug in de rabbijnse literatuur uit de Makkabeeëntijd, dwz vanaf de tweede eeuw v.C. De onjoodse opvatting van de onsterfelijkheid der ziel is hier en daar in de authentieke Joodse visie van de lichamelijke opstanding der doden binnen gedrongen onder invloed van Alexandrijns Hellenisme. In het Judaisme van Paulus’ tijd betekende de verrijzenis in feite het begin van de nieuwe aeon. Na de algemene opstanding der doden, voorafgegaan door de komst van de Messias en het Messiaanse tijdperk, zou de olâm-ha-bâ intreden.

Wanneer Paulus op weg naar Damascus een ontmoeting heeft met de verrezen Heer, kan dat op grond van zijn Farizeeïsch-Joodse opstandingsgeloof niets anders betekenen dan: NU is de nieuwe aeon, de eindtijd, aangebroken! NU is mijn leven nieuw geworden! Maar ook: NU moet ik het de mensen gaan vertellen! In Gal.1, 15v vertelt Paulus zelf, wat de ontmoeting met de opgestane Heer voor hem betekend heeft en nog betekent: “15 Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn genade heeft geroepen, 16 zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de heidenen zou verkondigen. Ik heb toen geen mens om raad gevraagd 17 en ben ook niet naar Jeruzalem gegaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik. Ik ben onmiddellijk naar Arabia gegaan en ben van daar weer teruggekeerd naar Damascus”. De eindtijd, zoals reeds de profeten hadden voorzien, was aangebroken, en zo krijgt Paulus een zelfde roeping als die grote profeten. G.Eichholz wijst in zijn “Theologie, 19v” in dit verband op een verwantschap met de beroepingsvizoenen van Jeremia en Jesaja, waarbij precies als bij Paulus het allesbeheersend en uitverkiezende ingrijpen van God centraal staat. Zie Jeremia 1, 5: ” Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld “. Ook Jes.49,1: ” Toen ik nog in de moederschoot was, heeft de HEER mij geroepen, nog voor mijn geboorte heeft Hij mijn naam genoemd.” Het is een roeping om het eschaton te verkondigen onder de heidenen. Zoals hij zich eerst geroepen wist tegen de naam van Jezus op te treden (vgl.Hand.9,1v; 22,5; 26, 9v; Gal.1 14; en Phil.3, 6), zo weet hij zich nu uitverkoren voor diezelfde naam op te komen (vgl.Rom.1,14 v). “Euangelizein” (evangeliseren) betekent de nieuwe aeon, die met Jezus’ verrijzenis is aangebroken, brengen onder al de volkeren.

Stond hij voordien nog in de oude aeon, worstelend om “tsaddiek”(=rechtvaardig) te zijn, een Zeloot (ijveraar) voor God in het nauwgezet volgen van al Zijn geboden, die hem door de Thora en de traditionele uitleg daarvan in de Mischna waren aangedragen, nu is zijn leven en denken en hoopvol verwachten in een volkomen ander perspectief komen te staan. Door de verschijning van Jezus als de opgestane Heer in zijn leven is een volkomen nieuw licht geworpen op zijn Godsbesef en ook tijdsbesef, voor de Jood zo nauw met elkaar verbonden. God bleek anders te zijn dan Paulus zich altijd gedacht had: Zijn alles beheersende claim op mens en wereld is niet vervat in de Thora en de traditionele uitleg daarvan, maar uitsluitend in de verrezen Jezus als de Messias. Daarmee corresponderend in zijn op het goddelijk heilsplan gebaseerde verloop van oude naar nieuwe aeon een nieuw gezicht aan:”het oude is voorbij, zie het nieuwe is gekomen”(2Kor.5, 17). Het tijdperk van de olâm-ha-zeh (deze eeuw) als de vestibule van de olâm-ha-bâ is door de verrijzenis van Jezus overgegaan in de eindtijd van de voltooiing. Opweg naar Damascus is Paulus teruggeroepen van de Farizeïsche eigen gerechtigheid, berustend op de gedachte dat God straft en beloont, tot de gerechtigheid “door het geloof in Jezus Christus, welke uit God is op de grond van het geloof”(Phil.3, 9), berustend op de levensechte ervaring dat God de zondaar genadig is.

Op weg naar Damascus is Paulus door de verrezen Heer geroepen uit de oude aeon de nieuwe aeon binnen te gaan en Hem als de belichaming van deze nieuwe aeon de volken bekend te maken. In de plaats van het roemrijke leven van een Farizeïsche Schriftgeleerde (Hand.22, 3) komt een leven in slavernij aan Jezus-Messias. “7 Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. 8 Sterker nog, alles beschouw ik als verlies. Het kennen van Christus Jezus, mijn Heer, overtreft immers alles. Omwille van hem heb ik alles prijsgegeven; ik heb alles als afval weggegooid. Ik wilde Christus winnen 9 en één met hem zijn – niet door mijn eigen rechtvaardigheid omdat ik de wet naleef, maar door die van God, de rechtvaardigheid die er is door het geloof in Christus. 10 Ik wil Christus kennen en de kracht van zijn opstanding ervaren, ik wil delen in zijn lijden en aan hem gelijk worden in zijn dood, 11 in de hoop misschien ook zelf uit de dood op te staan”(Phil.3, 7vv).

Liefde overwint alles

En goede relatie staat en valt met de liefde! Ja, wat is liefde? Dat je elkaar blijft zien, zoals je elkaar zag toen je verliefd werd op elkaar. Dat je elkaar respecteert en alles voor de ander over hebt.

En goede relatie staat en valt met de liefde! Ja, wat is liefde? Dat je elkaar blijft zien, zoals je elkaar zag toen je verliefd werd op elkaar. Dat je elkaar respecteert en alles voor de ander over hebt. En als het soms tegenzit, dat je dan geduld hebt en vooral niet boos wordt. Mocht het niet direct weer goed worden, neem er dan de tijd voor… Denk er aan: liefde overwint alles!

Een stel, dat gelukkig is, straalt die liefde ook uit naar anderen. Een hele gemeenschap heeft daar profijt van! Zeker ook in een kerkgemeenschap hoort de liefde de boventoon te vieren. Zo heeft Paulus het ons voorgehouden in 1 Kor.13.

  1. Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
  2. Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
  3. Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
  4. De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
  5. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan,
  6. ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid.
  7. Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
  8. De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan –
  9. want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt.
  10. Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen.
  11. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.
  12. Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.
  13. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

Als de zorgen komen

Als de zorgen komen … Een van de partners wordt ernstig ziek, krijgt een ongeluk, raakt verlamd, moet aan de dialyse, raakt z’n werk kwijt en zo kun je wel doorgaan.

Dan komt de relatie onder spanning te staan! Menigeen houdt het dan niet meer uit, wardoor de relatie springt. Al gauw is dan vergeten, wat je elkaar beloofd hebt: “in goede en in kwade dagen!” De Engelsen hebben daar een mooie uitdrukking voor: ”for better or (for) worse also for better, for worse”.
This phrase is used in a traditional marriage ceremony in which the man and woman promise to stay together whether their life is good or bad.

Als de zorgen komen … Een van de partners wordt ernstig ziek, krijgt een ongeluk, raakt verlamd, moet aan de dialyse, raakt z’n werk kwijt en zo kun je wel doorgaan. Zorgen zijn er in overvloed! Ook geldzorgen kunnen de relatie parten spelen! Ben je daar tegen bestand? Ben je in staat om SAMEN weer uit het dal te komen? Of loop je dan weg? En als je dat niet lukt, roep je er dan een ander bij? Praat eerst met de huisarts of met je dominee (als je die tenminste hebt!). Die weten vaak adressen van goede hulpverleners.

Werken aan de relatie

Met elkaar bezig zijn, in gesprek, samen iets doen, samen plannen maken, wat en hoe dan ook altijd SAMEN zijn. Dat is, denk ik, het geheim van een goede relatie.

relatie man vrouwOm een goede relatie in stand te houden moet je er wel wat voor doen. Je moet er aan werken, ja, heel hard werken! Anders verzandt ie en raak je op elkaar uitgekeken. Maar dat was toch niet de bedoeling? Je zou elkaar toch liefhebben en trouw zijn in goede en slechte dagen? Nou, laat dat dan ook jullie leidraad zijn in de relatie! Het betekent, dat je elkaar aandacht geeft, gezonde aandacht. Dat je elkaar respecteert, met elkaar praat over allerhande dingen, maar bovenal over wat je beweegt, hoe je je voelt, wat je graag zou willen, over heden, verleden en toekomst dus. Met elkaar bezig zijn, in gesprek, samen iets doen, samen plannen maken, wat en hoe dan ook altijd SAMEN zijn. Dat is, denk ik, het geheim van een goede relatie. En als er spanning is, loop dan niet weg, maar houdt elkaar vast. Probeer te begrijpen, waarom die ander anders reageert dan je zou verwachten. En heb geduld met elkaar. Al met al een hele klus! Ja, om een goede relatie te verkrijgen en te behouden, moet je je helemaal inzetten!

Waar blijft de tijd XXII – De Farizeïsche invloed op Paulus (deel 2)

De mens heeft de mogelijkheid mee te werken bij de totstandkoming van het Rijk. Deze gedachte hangt samen met de gangbare opvattingen over beloning en vergelding. De rechtvaardige, dat is de Wetsgetrouwe mens, zal worden beloond met de opstanding in de toekomende wereld, waarin God op de mens toekomt en Zijn Rijk sticht.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

paulus rembrandtDoor de Messias zal het begin van een nieuwe wereldorde onder Gods leiding in heel zijn totaliteit tot stand worden gebracht. De mens mag hierin meespelen, het gedrag van mensen ook kan dit Godsrijk nabij brengen. Hierin schuilt het activisme van het Farizeïsme, zonder dat dit de soevereiniteit van God aantast, zonder ook dat het tot fatalisme verwordt. De mens heeft de mogelijkheid mee te werken bij de totstandkoming van het Rijk. Deze gedachte hangt samen met de gangbare opvattingen over beloning en vergelding. De rechtvaardige, dat is de Wetsgetrouwe mens, zal worden beloond met de opstanding in de toekomende wereld, waarin God op de mens toekomt en Zijn Rijk sticht. Degene, die niet rechtvaardig geleefd heeft, zal in het wereldgericht op moeten staan om zijn straf te ontvangen.

Het is niet mogelijk precies de Farizeïsche gedachten over de opstanding, het laatste oordeel en de komst van de “ôlâm ha-bâ”(DIE eeuw) weer te geven. Uit de rabbijnse literatuur is ook geen vast omlijnd systeem van deze gedachten op te maken. Blijkbaar was er geen vast concept en liepen de verschillende opvattingen ongestoord en vloeiend dooreen. In een belangrijke studie van W.D.Davies (“Paul and Rabbinic Judaisme”) wordt gewezen op twee hoofdlijnen. De eerste hoofdlijn wijst op de “ôlâm ha-bâ”, die eeuwig aanwezig “in de hemelen” of in “het onzienlijke”. Daar is een Godsrijk, waarin de rechtvaardigen na hun dood binnenkomen. De “ôlâm hazeh” (= DEZE eeuw) wordt in deze visie gezien als een soort voorportaal van de “ôlâm ha-bâ”. Na de dood worden de verdiensten en zonden van de mens in het oordeel door God nauwkeurig gemeten, waarna de ziel naar de sheool (de onderwereld) verhuist. De rechtvaardigen ontvangen daar in hun afdeling als beloning de zaligheid, en de anderen krijgen in hun afdeling in allerlei pijnigingen hun verdiende loon. De aanduiding van de plaats der zaligheid wisselt van boek tot boek, maar gemeenschappelijk is toch wel het gevoelen, dat de “ôlâm ha-bâ” eeuwig in de hemel is en dat de rechtvaardige mens daartoe ontwaakt na zijn sterven.

De tweede hoofdlijn wordt zichtbaar in allerlei passages, waarin wordt verondersteld, dat de “TOEKOMENDE EEUW” pas zal intreden na de komst van de Messias. De Messias zal een Messiaans tijdperk inluiden, waarin de algemene opstanding der doden zal plaats vinden. Maar de profetische en apocalyptische voorstellingen omtrent de opstanding der doden zijn zeer complex. Er zijn met zekerheid twee grondgedachten: a. de opstanding der doden, waarna de “ôlâm ha-bâ” intreedt, b. vóórdat de “ôlâm ha-bâ” intreedt, is er het Messiaanse Rijk.
Beide gedachten komen dikwijls gecombineerd voor, waarbij de opstanding der doden hetzij aan het begin van het Messiaanse Rijk hetzij aan het einde ervan een markante plaats krijgt. Na het Messiaanse tijdperk zal “deze wereld” plaats maken voor de “komende wereld”: het Rijk van God op aarde.

Beide hoofdlijnen komen dikwijls gemengd voor, waaruit verondersteld mag worden, dat er blijkbaar twee fasen in de “ôlâm ha-bâ” worden erkend: hij IS en hij KOMT. In de gedeelten van de rabbijnse literatuur, waar de opstanding in de toekomstgedachten meespeelt, wordt het verband duidelijker: de “ôlâm ha-bâ” , die de mens na zijn dood binnenkomt, vindt zijn voltooiing in de “ôlâm ha-bâ”, die na de opstanding der doden volgt. Er zou dan gedacht zijn aan een “hemelse aeon” voor de zielen direct na de dood en een toekomstige “aeon op aarde”, die de voltooiing van de “hemelse aeon” brengt, na het Messiaanse tijdperk en de opstanding der doden. Beide aeones worden als één en dezelfde grote “ôlâm ha-bâ” gezien.

Deze tweeledige rabbijnse opvatting zal de jonge Paulus als Farizeeër vertrouwd geweest zijn. En wanneer hij later in Kor.15 en 2 Kor.5 en al eerder in de brieven aan de Gemeente te Thessalonica over de dood en de opstanding te spreken komt, blijkt duidelijk zijn Farizeïsche achtergrond. Van daaruit is hem het raamwerk aangereikt, waarbinnen zijn visie op de opstanding van Jezus en ten gevolge daarvan zijn totaal nieuwe kijk op het eschaton en de betekenis daarvan voor de Christenen kon worden geplaatst. Resumerend kan dan ook gesteld worden, dat de apostel en door zijn leefwijze en door zijn verdere theologische opleiding in de kringen der Farizeeën sterk beïnvloed moet zijn dor het rabbijnse Judaïsme van zijn dagen en in het bijzonder door de voor het Farizeïsme zo typische denkbeelden over de verrijzenis, het wereldgericht en het leven van de “ôlâm ha-bâ”. Bij de nadere bestudering van de Paulinische tijdsgedachte zullen we dan ook rekening moeten houden met een eventuele nauwe verwantschap met het rabbijnse Judaïsme, zoals het in de Farizeïsche kringen leefde.

Waar blijft de tijd XXI – De Farizeïsche invloed op Paulus (deel 1)

Van belang voor de vorming van het tijdsverstaan in Paulus’ jeugd moet ook geweest zijn, dat hij, waarschijnlijk in navolging van zijn grootvader en vader, zich voor de uitoefening van zijn geloofspraktijk had aangesloten bij de Farizeeën.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

paulus 2Van belang voor de vorming van het tijdsverstaan in Paulus’ jeugd moet ook geweest zijn, dat hij, waarschijnlijk in navolging van zijn grootvader en vader, zich voor de uitoefening van zijn geloofspraktijk had aangesloten bij de Farizeeën. Wanneer dit gebeurd is, weten we niet. Wel lezen we tot twee maal toe, hoe de apostel zijn Farizeeërschap met een zekere trots memoreert. In de Philippenzenbrief, waar hij zich afzet tegen de Judaïsten, beroept hij zich op zijn “Hebreeuwse” opvoeding en Farizeïsche instelling: Ik werd besneden toen ik acht dagen oud was en behoor tot het volk van Israël, tot de stam Benjamin, ik ben een geboren Hebreeër met de opvatting van een Farizeeër “op het stuk der Wet”. En in Galaten 1,14 vertelt de apostel, hoe hij het in het Jodendom verder heeft gebracht dan velen van zijn tijdgenoten onder zijn volk: “Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.”

Ook is bekend, bij wie Paulus na het huisonderricht in de leer is gegaan: Gamaliël (Hand.5,34). Daar theologiestudie aanvankelijk nog thuis, vanaf het 10e jaar, gegeven werd, in de bestudering van de Mischna, het traditionele recht en commentaren op de Tenach, zal Paulus ongeveer 15 jaar geweest zijn, toen hij zich volgens Handelingen 22,3 aan de voeten van Gamaliël neerzette om van hem het hogere onderwijs van de Talmud, de uitleg van de Mischna, te ontvangen.

Daarmee komt hij te staan in de traditie van de grote theoloog uit de eerste eeuw v.Christus: HILLEL, beroemd om zijn zachtmoedigheid en menslievendheid. Vanuit deze menslievendheid was Hillel tot enige soepelheid ten aanzien van de Wetsvervulling in de praktijk van het leven geneigd, terwijl diens tegenstander Sjammai een streng rigorisme voorstond. Van Hillel wordt de volgende spreuk overgeleverd: “Wees een leerling van Aäron, vredelievend, vredestichtend; heb de mensen lief en zoek ze te trekken tot de Wet”. Nog afgezien van deze wat soepeler instelling t.a.v. de Tora-uitleg binnen het Farizeïsme moet de Farizeïsche stroming in Jezus’ tijd als de meest open en menselijke gezien worden. Waar de Wetsvervulling van de Sadduceeën geen absolute geldingskracht aan de mondelinge overlevering duldde, legden de Farizeeën juist vanuit de overlevering een groot aanpassingsvermogen ten aanzien van de toepassing van de Wet in allerlei menselijke omstandigheden aan de dag. In de Evangeliën worden de Farizeeën wel aangeduid als de felste tegenstanders van Jezus, maar dat is niet gespeend van tendentieuze politiek. Godsdiensthistorisch stond Jezus met Zijn discipelengroep dichter bij de Farizeeën dan bij welke andere groepering ook. In menig opzicht geldt dit ook voor Paulus. Op het punt van de verschillen in de leerstellingen tussen Farizeeën en Sadduceeën zien wij hem in zijn brieven aan de zijde van de Farizeeën staan. Typerend voor zijn Farizeïsche achtergrond is de wijze van Schriftuitleg: de vrije omgang met de tekst, de traditionele trek in het aan elkaar voegen van Schriftteksten doormiddel van een sleutelwoord (zo b.v. in Rom.5,15-17 het sleutelwoord “Ethne”=volk); de kettinguitleg (b.v. Deut.30, 12-14 in Rom.10,6-9); de typologie waarbij Oudtestamentische gebeurtenissen als uitbeeldingen-vóóraf van later plaatsvindende gebeurtenissen gelden (b.v. 1 Kor.10,1vv; Gel.4,21-31; Rom.9,13); de allegorische uitleg waarbij de woordelijke betekenis van de tekst aan een diepere zin ondergeschikt wordt gemaakt (vgl.1 Kor.9,9v); het concluderen “a minori ad maius”( b.v. Rom.5,15-17; 11,12; 2 Kor.3,7v.9.11) en omgekeerd “a maiore ad minus” (vgl.Rom.5,6-9; 8,32; 11,24 en 1 Kor.6,2v). Interessant is ook de analogieredenering, waarbij de ene Schriftplaats de andere verduidelijkt . Zo lezen we in Rom.4, 1-12: “Zalig de man, wiens zonde de Here geenszins zal toerekenen (Ps.32, 1v)”. Het “aanrekenen van geloof” wordt hier door Paulus analoog gemaakt aan het “niet aanrekenen van de zonde”, met de conclusie: rechtvaardiging = vergeving! Ook zijn van belang de rabbijnse argumenta “e contrario” en “e silentio” (respectievelijk in Rom.3,4; 1 Kor.14,22n en Rom.4,6): God rekent David gerechtigheid toe “zonder werken”, omdat in het volgende citaat uit Psalm 32 van “werken” geen sprake is!

Maar het belangrijkste kenmerk voor Paulus’ Farizeïsche achtergrond en instelling, hoezeer ook Christologisch verdiept, is toch wel zijn geloof in de opstanding van de doden en het goddelijke oordeel over goed en kwaad. Dit geloof hangt ten nauwste samen met de in het Farizeïsme ingang gevonden apocalyptische leer van de twee aeonen, het wereldgericht en de komst van Gods Rijk. Heel dit verwachtingspatroon is na de ballingschap onder Babylonische en Iraanse invloed ontstaan. Via meerdere trappen van ontwikkeling en verdieping is het uiteindelijk in de Farizeïsche “overleveringen” ingebed en tot officiële leer geworden. Dit in tegenstelling tot de leer der Sadduceeën, die zich nauwgezet hielden aan de Schriftuurlijke inhoud van de Tenach en alles wat daarboven uitging angstvallig weerden. Helaas is ons over de instelling van de Farizeeën in Jezus’ tijd niet veel bekend. Met enige graad van zekerheid kan alleen iets over hen gezegd worden uit een tijd, die enkele generaties terug ligt. We moeten dan teruggrijpen op de mededelingen van Josephus over de vroeg-Hasmonese tijd en op de Psalmen van Salomo en de voegrabbijnse overlevering. Het geloof in de opstanding bleek volgens de overlevering van Josephus fundamenteel te zijn voor de Farizeïsche geloofsbeleving, evenals de leer van het wereldgericht, de één tot eeuwig heil, de ander ten eeuwigen verderve. Voor hen, die boetvaardig waren en zich van hun zonden bekeerden, stond het Godsrijk open. Dit is de eerlijke achtergrond van de spreekwoordelijke Farizeïsche stiptheid van de Wetsvervulling. Het was hun bij de vervulling van de geboden te doen om het Godsrijk! Het verwijt van schijnheiligheid en letterzifterij is dan ook een sterk gekleurd oordeel. Veeleer poogden zij in hun Wetsbetrachting aan de profetische predking gevolg te geven, die tot gerechtigheid opriep. Gerechtig (tsaddiek) is de mens, die in volledige harmonie met zijn omgeving leeft door rekening te houden met zijn naaste, ieder het zijne te geven en zo te zorgen voor goede evenwichtige verhoudingen, naar de wil van God. Wij zouden tegenwoordig zeggen: de echte participatiemaatschappij! “Gerechtig zijn” is dus eigenlijk “leven naar Gods wil”. Door de profeten, met name door Amos en Hosea, wordt dit uitgelegd naar vier zijden, met de kernwoorden: liefde, trouw, vrede en kennis (=levensgemeenschap). Hier ligt de basis van het verbond tussen God en Zijn volk. Tegenover de ontrouw en goddeloosheid van de mens komt God met Zijn trouw en heilige liefde. Eens en voorgoed! Dat is de Messiaanse hoop, waaruit in het Farizeïsme geleefd wordt. De Messias zal eens de vervulling van Gods heerschappij op aarde brengen, alles zal Hij onder de heerschappij van God terugbrengen.

Waar blijft de tijd XX – De tijdsbeleving van Paulus

Bepalend hiervoor zijn de verschillende invloedssferen in Paulus’ leven. Een mens is immers volgens een oude wijsheid’s spreuk het “beeld van zijn tijd”, maar hij bepaalt ook zelf voor een stukje het tijdsbeeld, waarin hij leeft.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Bepalend hiervoor zijn de verschillende invloedssferen in Paulus’ leven. Een mens is immers volgens een oude wijsheid’s spreuk het “beeld van zijn tijd”, maar hij bepaalt ook zelf voor een stukje het tijdsbeeld, waarin hij leeft. Er is een Chinees spreekwoord, dat het zo uitdrukt: “een mens lijkt meer op zijn tijd dan op zijn vader”. De mens en zijn tijd zijn op elkaar betrokken. Deze wisselwerking zullen we ook bij Paulus niet mogen onderschatten.

Daarom moeten we eerst een onderzoek doen naar allerhande factoren, die mogelijkerwijs van invloed zijn geweest op de structuur van Paulus’ tijdsverstaan. Gedacht moet worden aan zijn opvoeding, de omgeving waarin de apostel zijn jeugd doorbracht, daarna zijn studietijd, zijn Farizeïsche achtergrond, de ervaringen later op zijn zendingsreizen, ontmoetingen met hellenistische godsdiensten en gedachtensystemen, het uitblijven van Christus’ wederkomst en evt. ontwikkelingen in zijn leven en denken bij het voortschrijden der jaren. Ook is hierbij van belang na te gaan, hoe zeer Paulus’ persoonlijke geloofservaring ten gevolge van de “Damascus-gebeurtenis” van invloed is geweest.

De omgeving van Paulus’ jeugd en het karakter van zijn opvoeding

Tot voor kort werd algemeen aangenomen, dat Paulus zijn jeugd heeft doorgebracht in zijn geboorteplaats Tarsus in Asia Minor en dat hij pas naar Jeruzalem is gegaan, toen hij de leeftijd had bereikt zich bij een leraar in “hogere theologie” te bekwamen. Maar nu wordt meer gepleit voor een opvoeding in Jeruzalem en is de aandacht van de exegeten meer gericht op een Palestijns-Joodse achtergrond van Paulus’ kinderjaren. Bepalend hiervoor is de uitleg van Handelingen 22,3: “Ik ben een Jood, geboren in Tarsus in Cilicië, maar opgegroeid in deze stad. Ik heb als leerling aan de voeten van Gamaliël gezeten en ben strikt volgens de voorschriften van de wet van onze voorouders opgevoed. Ik ben een vurig dienaar van God, en u allen geeft vandaag blijk van hetzelfde.”

Volgens dit persoonlijke getuigenis aan het begin van zijn verdedigingstoespraak in Jeruzalem is de apostel wel in Tarsus geboren, maar in Jeruzalem grootgebracht en verder theologisch opgeleid. Het kan zijn, dat Lukas, de schrijver van Handelingen, het zo heeft beschreven om Paulus een Joodse achtergrond te geven. Maar naar de mening van o.a. prof. van Unnik ligt aan deze overlevering een authentiek gegeven ten grondslag, zichtbaar in de gebruikelijke trias voor de opvoeding van een Joodse jongen: geboorte, opvoeding in het ouderlijk huis en wetenschappelijke vorming door een leraar. We gaan er van uit, dat, waar Paulus spreekt van “DEZE stad”, hij daarmee de plaats bedoelt, waar hij zich nu bevindt, dus Jeruzalem. Wanneer Paulus inderdaad de opvoeding “thuis” te Jeruzalem heeft gehad, dan moet het gezin, waartoe hij behoorde, al in diens jonge leven naar Jeruzalem verhuisd zijn. Dan zullen we de invloedssfeer van Paulus’ jeugd dus meer in het Palestijns-Joodse dan in het Grieks-Hellenistische moeten zoeken. Eventuele Hellenistische kenmerken van het Paulinische kerugma dienen dan toegeschreven te worden aan het gemengd Joods-Hellenistische milieu van de hogere kringen in Jeruzalem, waartoe wellicht ook het gezin van Paulus behoorde, of aan de ervaringen van de apostel na zijn “ommezwaai”, ervaringen opgedaan tijdens zijn zendingsreizen in confrontatie met de heidense omgeving en de Hellenistische geestesstromingen van zijn tijd.

Een opvoeding in Palestijns-Joodse geest hield in, dat de jongen al vanaf zijn vijfde levensjaar in het lezen van de Tenach werd onderwezen. De TENACH is de Joodse Bijbel, bestaande uit 39 boeken: T(hora)= de Wet; N(evie’iem)= Profeten en CH(etoeviem)= Geschriften. De Griekse vertaling van de Tenach is de Septuaginta (de LXX). Paulus citeert meestal uit deze vertaling, omdat hij zijn Griekssprekende lezers daarbij op het oog had, misschien ook wel, omdat hij zelf later meer in het Grieks ging denken. Paulus is bilingueel, hij schrijft goed Grieks. Zijn brieven in het Grieks zijn ook geen vertalingen. Toch moet hij in zijn jonge jaren vertrouwd zijn geweest met de Hebreeuwse TENACH . Ook het vaste tijdsrythme in de oude Joodse gebruiken van de sabbat, de feestdagen en de gebeden moet Paulus al van jongsaf aan vertrouwd geweest zijn. Het kinderlijke geloof in Jahwe betekende voor hem zoals voor elk Joods kind, dat hij de feest- en gebedstijden als door Jahwe vastgesteld beschouwde. Driemaal ’s daags het grote lofgebed, het zogenaamde 18-gebed: ‘s-morgens na het opstaan, ‘s-middags om drie uur en ‘s-avonds voor het naar bed gaan. Het steeds weer opnieuw luisteren naar de grote daden van God van weleer, die op de feestdagen als met de regelmaat van de klok levende werkelijkheid werden. Dit alles zal Paulus al vroeg eigen geworden zijn en een op God gericht tijdsgevoel gegeven hebben. Hij zal zich, zeker bij de bestudering van de profeten, aangesproken hebben gevoeld door het tijdsverstaan van zijn voorvaderen. Dit werd, zoals we reeds zagen, gekenmerkt door een gevoel voor het ritme van transcendentale verschijningen in het verleden, waarvan als ’t ware de polsslag in het heden nog doorgaat en tot in verre toekomst niet zal ophouden. De TENACH vertelt deze verschijningen in de vaste cultustijden, de tijdsbalk van Gods daden met Zijn volk, waarop punten, tijdperken en intervallen als één eindeloze door God gekwalificeerde reeks getuigenissen van Zijn heilsbedoelingen zijn ingevuld. Ook het leven van de mens zelf heeft een plaatsje op die tijdsbalk. Zo zal de jonge Paulus de tijd verstaan hebben vanuit zijn godsdienstige opvoeding, in het licht van Hem, Die de tijden heeft vastgezet en nog steeds vastzet.

Waar blijft de tijd XIX – De Pannenberg-groep

Een opheffing van de tegenstelling tussen Bultmann en Cullmann tracht Pannenberg te bereiken met zijn programma “Offenbarung als Geschichte”, naar de gelijknamige bundel, in 1961 uitgegeven door W.Pannenberg, met bijdragen o.a. van Ulrich Wilckens “Das Offenbarungsverständnis der Geschichte des Urchristentums”.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Pannenberg
Een opheffing van de tegenstelling tussen Bultmann en Cullmann tracht Pannenberg te bereiken met zijn programma “Offenbarung als Geschichte”, naar de gelijknamige bundel, in 1961 uitgegeven door W.Pannenberg, met bijdragen o.a. van Ulrich Wilckens “Das Offenbarungsverständnis der Geschichte des Urchristentums”. Er zit een reactie in op de existentie-theologie, die de temporele zijde van de verkondiging ten onder laat gaan in de “Geschichtlichkeit” van het moment der beslissing, het existentiële gebeuren. Tegelijk echter zet het zich af tegen de Heilshistorische traditie, die van een boven de concrete werkelijkheid uitgaand heilsgebeuren uitgaat. Het is de centrale overtuiging in het concept van Pannenberg c.s., dat het Christelijk geloof leeft van een reëel historisch gebeuren, dat binnen de geschiedenissamenhang zelf evident is. Van een Zelfopenbaring van God line-recta “van Boven” kan in het oerkerugma geen sprake zijn. De leidende gedachte is een Christologie “von unten”. In het middelpunt staat de boodschap en het lot van Jezus als de openbaring van God “in de geschiedenis”. Hieraan ligt de opwekking uit de doden ten grondslag: het is Gods bevestiging van Jezus’ “vorösterlichen Vollmachtsanspruch”. Als openbaring van God is Jezus van Nazareth tegelijk de openbaring van het menselijk wezen, dat in de “Offenheit für Gott” bestaat. Zij wordt door Jezus actief en passief vervuld, doordat Hij met Zijn “handelen” de Godsgemeenschap bemiddelt en in Zijn “lot” deze gemeenschap exemplarisch voorleeft. Zo bestaat de openbaring van God in Jezus Christus “wesentlich” in de “Aufschliessung der Menschen für Gott”.

Het kerugma, de omgang van de mens met God, leeft van een reëel historisch gebeuren, waar de historicus bij kan komen! Pannenberg toont dit aan met het voorbeeld van Gods openbaring in Israël. Als God aan Israël verschijnt, dan is het om iets bepaalds mee te delen, en niet eenvoudigweg Zich Zelf. Zelfs het bekendmaken van Zijn Naam is geen – zoals Karl Barth veronderstelt – directe Zelfopenbaring. De zin van Exodus is immers niet, dat de Israëlieten nu voortaan het wezen van Jahwe volledig zouden kennen, maar dat zij Jahwe voortaan bij Zijn Naam zouden kunnen aanroepen. Voorwaar een belangrijke gebeurtenis! Want hierdoor ontvangt Israël de mogelijkheid tot omgang met Jahwe. Zo mag men ook niet analoog aan de opvatting van Barth de naam van Jezus Christus als totaliteit van de Nieuwtestamentische openbaring verstaan. Ook “het Woord van God” is in de Bijbelse overleveringsgeschiedenis niet zo’n rechtstreekse “Kundgabe, Selbstkundgabe Gottes”. Waar bij Paulus, in de Deuteropaulinen, bij de Synoptici, vooral ook in het dubbele werk van Lukas (het Evangelie en de Handelingen), van “Woord Gods¨ sprake is, wordt overwegend het apostolisch kerugma bedoeld. Ook hier is dus een concrete, van God Zelf verschillende, inhoud bedoeld. De voorstelling van een directe Zelfontsluiting van God in het Woord moet toegeschreven worden aan gnostische openbaringsvoorstellingen (zie b.v. Hebr.1, 22; 2, 2; Joh.1, 1vv en Kol.1, 25vv). Alleen in het handelen en het lot van Jezus in de geschiedenis wordt deze Zelfopenbaring van God zichtbaar.

Hoe dit gebeurt, heeft in het bijzonder Ulrich Wilckens in het “Offenbarung als Geschichte”-programma nader uiteengezet. Hij gaat daarbij uit van de definitie van openbaring als volle “Selbstenthüllung Gottes”, om vervolgens te vragen of er in deze zin van openbaring sprake kan zijn in het Nieuwe Testament. Wilckens blikt nu eerst terug in het Oude Testament en wijst op de overgang, die bij de profeten, met name bij Ezechiël en Deuterojesaja , plaats vindt. Erkende men aanvankelijk Jahwe’s openbaring in de daden van God uit het verleden, nu wordt deze meer en meer als nog uitstaand gebeuren in het komen van God “ten laatste” verwacht. In de apocalyptiek komt daar nog bij de voorstelling van de verkiezing, waardoor de geschiedenis als complex van het handelen van God tot “Erwählungsgeschichte” wordt, gericht op het einde van deze aeon. Op zich genomen acht Wilckens dit een legitieme ontwikkeling, waarover men niet schamper als “Grause Gebilde” hoeft te spreken (zoals Oepke doet in het Theol.Wörterbuch). De apocalyptische visioenen en audities hebben zuiver het karakter van prolepsiseschatologische “openbaring”. Bij Jezus is dat precies eender, kijk maar naar de Koninkrijksverkondiging, de kenmerken van “haast” en de eschatologische volmacht in Zijn spreken. Alleen is de prolepsiseschatologische verwachting nog sterker en wordt er een dusdanig sterk verband tussen de persoon van Jezus en de naderende Godheerschappij gelegd, dat de verhouding van de mens tot Jezus “nu” eschatologisch-soteriologische kracht heeft. Wilckens merkt terecht op, dat het tijdsverschil tussen het heden van Jezus en de parousie van de Mensenzoon volledig van ondergeschikt belang is, vgl.Marc.8, 38: “Wie zich voor Mij en Mijn woorden schaamt… De Zoon des Mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader”. In de omgeving van Jezus gebeurt reeds, wat de verkondiging van de naderende Godheerschappij zegt: de discipelen “hic et nunc”, de “armen” (die “zalig” genoemd worden) ontvangen hem. Deze apocalyptische trek vinden we ook in het nadeende “lot”van Jezus, Zijn lijden, sterven en opstaan. De voorstelling van de eschatologische dodenopwekking, door God bereid, waarna de eindtijd intreedt, is zuiver apocalyptische erfgoed.

Zo maakt Wilckens duidelijk, hoe het Oerkerugma in het optreden en lot van Jezus de zojuist beleefde eschatologische Zelfopenbaring van God gezien en verkondigd heeft, waarbij opstanding en “verhoging ter rechter hand van God” samen gezien worden als één acte, waaraan ook de gelovige reeds deel heeft als “eschatologische Vollendung der Erwähhlungsgeschichte Gottes”.

Pannenberg, Wilckens c.s. proberen zo de samenhang van enerzijds het oude testament en de laatjoodse apocalyptische traditie en anderzijds het handelen en lot van Jezus vast te houden in één groot historisch concept: dat van Erwählungs- of Überlieferungsgeschichte. Deze samenhang ligt ook aan het Oerkerugma ten gronde, dat bij Lukas en Paulus bij voorkeur “Woord van God” genoemd wordt. Dat deze nuchtere visie op het Oerkerugma als “Sprache der Tatsachen” veel kritiek ondervonden heeft, zal niet hoeven te verbazen (met name van Barthiaanse en Bultmanniaanse zijde!).

Waar blijft de tijd XVIII – De confrontatie Cullmann-Bultmann

In zijn antwoord zegt Cullmann, dat zijn critici niet begrepen hebben, dat hij niet een dogmatisch, en nog minder een filosofisch werk over het tijdsbegrip, maar een exegetisch-historisch onderzoek over heel precieze vragen van de Nieuwtestamentische theologie geschreven had.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

bultmann
Cullmann’s
concept van “ehemals-jetzt-dann” is voor Bultmann veel te gemakkelijk, te meer daar zij tot harmonisatie van de Nieuwtestamentische geschriften voert. Cullmann vooronderstelt immers een uniforme opvatting van “Heilsgeschichte” in het hele Nieuwe Testament. Het komt Bultmann zelfs voor, dat Cullmann uit de theologie van het N.T. een christelijke geschiedenisfilosofie maakt (zie zijn boek “Heilsgeschehen und Geschichte, 1948). Hij is het overigens wel met Cullmann eens, dat Christus het midden van de tijd genoemd mag worden, niet echter het midden van de geschiedenis en Heilsgeschiedenis. De verschijning van Jezus “toen de tijd vervuld was” (Gal.4, 4) duidt immers de eschatologische gebeurtenis aan, dat aan de oude aeon een einde maakt! Zodoende kan er van geschiedenis geen sprake meer zijn, ook niet van Heilsgeschiedenis, omdat zij haar doel bereikt heeft. De laatste, maar tegelijk ook meest indringende vraag, die Bultmann aan Cullmann stelt, is: hoe zit het met de “Zeitlichkeit des Christlichen Seins?”. De gelovigen zijn immers in Christus “een nieuwe schepping” en als zodanig reeds in de eschatologische zijnswijze opgenomen. Hoe kan dan hun existentie nog als “zeitliches Sein” verstaan worden? Het “zeitliche” existeren betekent toch dat de mens beslissingen moet nemen, in aanvechting komt, door lijden en dood omgeven wordt. Hoe kan dit alles nog bestaan voor de mens, voor wie DE beslissing eens en voor goed gevallen is, voor de mens die met Christus gestorven en opgestaan is? Een oplossing van deze moeilijkheid kan alleen gegeven worden, wanneer het geloofsbegrip en de verhouding van de geloofsdaad tot de levenshouding van de mens, derhalve de “existentialen“, geanalyseerd worden, hetgeen Cullmann helaas niet heeft gedaan.

In zijn antwoord zegt Cullmann, dat zijn critici niet begrepen hebben, dat hij niet een dogmatisch, en nog minder een filosofisch werk over het tijdsbegrip, maar een exegetisch-historisch onderzoek over heel precieze vragen van de Nieuwtestamentische theologie geschreven had. Vragen als: Kan de temporeel-toekomstig verstane eschatologie en de daarmee verbonden “Heilsgeschichtliche” visie (het Duitse “Heilsgeschichtlich” is in het Nederlands onvertaalbaar, omdat het alternatief “Heilshistorisch” in het Duits een specifiek andere betekenis heeft. Daarom laten we het maar onvertaald) als “secundair stadium” van het wezen der Nieuwtestamentische boodschap losgemaakt worden, zoals op zeer verschillende wijze zowel Schweitzer als Bultmann beweren? Cullmann acht dit niet mogelijk, daar het temporele aspect z.i. tot het innerlijkste wezen van de oerchristelijke verkondiging behoort. Naar zijn mening is er geen breuk ontstaan tussen de eindverwachting van Jezus en die van de Oergemeente, zoals Schweitzer en ook Bultmann veronderstellen. Het gaat bij beide tijdservaringen om de spanning tussen het “reeds vervuld” en het “nog niet voltooid”, een spanning, die Cullmann graag typeert met het beeld van de voor de afloop van de tweede wereldoorlog beslissende D-day en de toen nog uitstaande “Victory-Day“.

Tegenover de kritiek, dat het “Heilsgeschichtliche” concept teruggaat op een foutieve ontwikkeling in het “Frühkatholizismus” , vraagt Cullmann of inderdaad bij Lukas een radicale breuk met Jezus’ eschatologische zienswijze gevonden wordt. Zou hier niet veeleer sprake kunnen zijn van een legitieme ontplooiing van uitgesproken “Heilsgeschichtliche Ansätzen“, die van het begin af aan reeds bij Jezus voorhanden zijn? Wanneer al voor Jezus’ eschatologie het naast elkaar van “schon” en “noch nicht” beslissend is, is dan met deze betrekking tussen heden en toekomst het “Heilsgeschichtliche” schema niet al in de kern gegeven?

We willen de repliek van Cullmann afsluiten met een verduidelijking uit zijn mond over het gewraakte lineaire tijdsbegrip: In Wirklichkeit bin ich an der “linearen Zeitnur deswegen interessiert, weil sie im Neuen Testament die Folie für dus abgibt, worauf es mir ankommt, nämlich die zeitliche Spannung zwischenschon erfülltund “noch nicht vollendet“. In zijn hoofdwerk “Heil als geschichte“(1965) trekt Cullmann de in “Christus und die Zeit” aangegeven lijnen door. Hij past ze toe op een nog breder uitgebouwde “Heilsgeschichte” in het Nieuwe Testament. Helaas is daarbij weinig plaats ingeruimd voor de Oudtestamentische wortels ervan.

De voor ons thema belangrijke uiteenzettingen van Cullmann over “heden en toekomst”, “de tussentijd” en “Paulus en de Heilsgeschichte” zullen in ons onderzoek naar het Paulinische tijdsbegrip als vanzelf hun plaats vinden. Hetzelfde geldt voor een bredere beschouwing van Bultmann’s existentiale boven de tijd uitgaande eschatologische visie, die hier en daar al is aangestipt.

De verleiding weerstaan

Hoe kun je nu zoiets voorkomen? Moet je dan maar niet meer aardig zijn tegen personen van de andere sexe? Nee, dat hoeft helemaal niet. Maar je moet wel de grens kennen.

In onze huidige wereld leven mannen en vrouwen door elkaar heen. Vroeger was dat anders: de mannen gingen naar hun werk, de vrouwen bleven thuis. Nu komen ze elkaar tegen op het werk. En dan kan het gebeuren, dat je als man een vrouw tegen komt, die je aantrekkelijk vindt. Je raakt met elkaar aan de praat, van het één komt het ander en tenslotte kun je niet meer zonder elkaar. Of op het voetbalveld. Je bent trainer en je wordt omringd door vrouwen, die hun zoontjes toejuichen. Er is één moeder bij, die jou als trainer wel erg veel aandacht geeft. Ze is nog mooi ook! “Zullen we samen eens wat gaan eten?” En voordat je het weet, ben je ingepakt. Met een vrouw kan dat precies zo gaan. Je werkt in de administratie op een groot bedrijf en dan komt de bedrijfsleider voorbij, een man met een uitstraling, je weet wel. Hij toont opmerkelijk veel belangstelling voor jou, en jij voelt je gestreeld. Je raakt bevriend, gaat met elkaar uit en voordat je het beseft zit je aan elkaar vast! Is dat dan fout? Ja, als je een vaste relatie hebt of je bent getrouwd, dan kun je zoiets toch niet maken! Hierdoor gaan veel relaties kapot. Niet voor niets neemt het aantal scheidingen jaar na jaar toe.

Hoe kun je nu zoiets voorkomen? Moet je dan maar niet meer aardig zijn tegen personen van de andere sexe? Nee, dat hoeft helemaal niet. Maar je moet wel de grens kennen. Als je merkt, dat die ander meer van je wil, dan moet je laten merken, dat je daar niet van gediend bent. Even goede vrienden, maar meer niet. Laat de verleiding niet toe. Denk er altijd aan, dat je je partner, je man of vrouw, trouw beloofd hebt. En als je dan weer thuis komt en je valt in elkaars armen, wees dan gelukkig, dat je flink geweest bent en die ander -hoe aardig en mooi als hij of zij ook is – hebt weerstaan.

Een scheur(tje) in de relatie

Het geheim van een goede relatie is altijd de communicatie. Communiceren en nog eens communiceren! Ik weet wel, daar bestaat in het huidige woelige leven, waarin beide partners aan het werk zijn, bijna geen tijd meer voor, maar toch …

Daar heb je niet om gevraagd! Het overkomt je. Wat moet ik daar nu mee aan? Soms val je elkaar tegen! Waarom reageert hij zo? Ik ga nu even aan de kant van de vrouw staan. Maar andersom is het precies zo. Wat heb ik verkeerd gedaan, dat hij zo reageert? Horen we nog wel bij elkaar?

We hebben dat allemaal wel eens meegemaakt. Teleurstelling, verdriet, je verwaarloosd of achtergesteld voelen. En dat van de partner, van wie je het meest gehouden hebt en misschien nog houdt. Hoe kom je daar nu uit? Het helpt niet, dat je er het zwijgen toe doet. Dat maakt het alleen nog maar erger! Soms praten partners dagen niet meer met elkaar, dat is de dood in de pot! Nee, probeer met elkaar er over te praten, hoe moeilijk het ook is. Zeg tegen de ander gewoon: “Nu val je me toch echt tegen”. Geef hem dan de kans om het uit te leggen. Misschien heb jij het verkeerd begrepen, dat kan toch ook?

Het geheim van een goede relatie is altijd de communicatie. Communiceren en nog eens communiceren! Ik weet wel, daar bestaat in het huidige woelige leven, waarin beide partners aan het werk zijn, bijna geen tijd meer voor, maar toch … Probeer er tijd voor te maken! Bij de koffie b.v., vraag naar elkaars belevenissen, frustraties, mooie momenten. Geef aandacht aan elkaar!
En bovenal: blijf elkaar zien zoals je elkaar zag in het begin, toen je verliefd werd op elkaar. Herinner je die geluksmomenten, toen je elkaar nog geen minuut kon missen! Is er dan iets veranderd? Nee toch! Je bent ouder en hopelijk ook wijzer geworden. Maar liefde kan toch tegen een stootje! Laat je niet gek maken door deze wereld, waarin scheidingen aan de orde van de dag zijn. Blijf gewoon, die je bent en die je wil zijn voor haar of hem, aan wie je je verbonden hebt. Dan is een scheurtje gauw weer gelijmd!

Elkaar niet kunnen missen

Heeft u dat nou ook, dat je elkaar niet kunt missen? Zelfs na 59 jaar? Nee, juist na zoveel jaren! Je kunt gewoon niet meer buiten elkaar, geen minuut!

Heeft u dat nou ook, dat je elkaar niet kunt missen? Zelfs na 59 jaar? Nee, juist na zoveel jaren! Je kunt gewoon niet meer buiten elkaar, geen minuut! Dagen, jaren, tientallen jaren ben je bij elkaar, hoe kun je dan nog zonder elkaar? Toch zal eens de tijd komen, dat je elkaar wel los moet laten. Dat is de frustratie van heel veel oudere mensen, zowel mannen als vrouwen.

Toen ik mijn lieve Tilly leerde kennen, nu 59 jaar geleden, wilde ik al dagelijks bij haar zijn. En dat is altijd zo gebleven. Ik studeerde toen in Utrecht en moest ‘s-maandags met de trein weg. Zij bracht me er naar toe, hoe vroeg het ook was. En als ik in Utrecht klaar was, meestal op vrijdag, wist ik niet hoe gauw ik weer met de trein naar Apeldoorn kon gaan, waar Tilly me natuurlijk weer op wachtte. Wat waren we gelukkig! Ik wilde gelijk al trouwen, maar dat vond mijn schoonvader toch geen goed idee! Na vier jaren kwam de kans, toen ik een aanstelling als vicaris kon krijgen in Dongen. Daar is ons Lucy geboren, een wonderkind! Het was wel armoede, want we moesten rondkomen van 2400 gulden in het jaar.

We woonden in een riante villa, maar de wind gierde door de ramen en we moesten soms wel vier kachels stoken! En we hadden twee weken vakantie. Wat hebben de mensen het dan tegenwoordig toch rijk, en wij ook! Na Dongen volgden Geleen, Waalwijk, Haarlem, Goes, Wilhelminadorp en Barendrecht. En in al die jaren zijn wij hechter en hechter aan elkaar verbonden. Er volgden nog twee dochters: Alice en Philippien. We vormden het “Dreimädelhaus” en waren daar heel gelukkig mee.

Nu zijn daar nog 7 kleinkinderen bij gekomen, 2 meisjes en 5 jongens. Wat zijn we gezegend! Zo voelt dat ook, want elkaar niet kunnen missen en kinderen en kleinkinderen krijgen gaat niet vanzelf. Je kunt het niet kopen, je kunt er ook niet voor werken, nee, je krijgt het, het is een geschenk VAN BOVEN. Daarom wil ik deze ontboezeming beëindigen met LOF toe te spreken aan Hem, Die alles maakte.

God die alles maakte,
de lucht en ’t zonlicht blij,
de hemel, zee en aarde,
zorgt ook voor mij.

Waar blijft de tijd XVII – Discussie over het tijdsfenomeen in het oerchristelijk denken (deel 2)

Anderen, die zich in de discussie mengen, zijn Kümmel en Cullmann.
Kümmel ziet in de eindtijdverkondiging van Jezus twee hoofdmomenten:
Het naast elkaar voorkomen van praesentische en futurische uitspraken;
Het rekening houden met een – al is het ook maar kort- voortbestaan van deze aeon over zijn dood heen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

kummel

Anderen, die zich in de discussie mengen, zijn Kümmel en Cullmann.

Kümmel ziet in de eindtijdverkondiging van Jezus twee hoofdmomenten:

  1. Het naast elkaar voorkomen van praesentische en futurische uitspraken;
  2. Het rekening houden met een – al is het ook maar kort- voortbestaan van deze aeon over zijn dood heen.

Uitgaande van de discutabele teksten Matth.10, 23; Marc.9, 1 en 13, 30, die hij voor echt houdt, stelt Kümmel, dat Jezus de nabijheid van het Rijk, Zelfs binnen Zijn eigen generatie, heeft verkondigd. Dit is niet uitgekomen en het heeft daarna in de Kerk ook geen grote rol meer gespeeld, getuige de zeer vele teksten, die de tijd van het komen van God weliswaar als dreigend dichtbij, maar toch als onbekend weergeven. Staan deze teksten nu met elkaar in tegenspraak? Neen. Het is niet “of… of”, maar “en… en”” . De tegenstelling moeten we zo laten staan, want de ineenstrengeling van spanning en uitbreiding van de eindverwachting is de hele Bijbelse eschatologie eigen en derhalve onoplosbaar. De probleemstelling is ook van ondergeschikte aard, omdat het gaat om profetische toekomstverkondiging en niet om apocalyptische tijdsberekening. In de persoon van Jezus is de toekomst “heden”geworden. De verkondiging van dit “heden”der Gods-heerschappij in Jezus’ werken devalueert daarom de toekomstuitspraken van Jezus geenszins, maakt ze veeleer overtuigend en onontkoombaar. Dit is de kracht van het spanningsveld tussen “schon” en “noch nicht”.

Oscar CullmannNaast Kümmel vinden wij op deze lijn de exegetische beschouwingen van Oscar Cullmann staan. Zijn eerste grote werk (Christus und die Zeit) heeft een golf van discussies uitgelokt (vooral van de kant van Bultmann en Fuchs), niet zo zeer omdat het daarin ging om het reeds bij Kümmel gestelde probleem “praesentische oder futurische Eschatologie”, als wel omdat daarin de tegenstelling “existentiaal”of “Heilsgeschichtlich”te interpreteren eschatologie scherp omlijnd naar voren kwam. In hoofdlijnen ziet Cullmanns opvatting er als volgt uit:

  1. Het oerchristelijk tijdsverstaan is niet Grieks-cyclisch, maar lineair;
  2. Van daaruit is eeuwigheid niet tijdloosheid, maar grenzeloze tijd;
  3. Het hele tijdsgebeuren heeft in Christus een feitelijk en zingevend midden;
  4. Op grond daarvan is er in het N.T. geen metaphysisch, maar alleen een temporeel dualisme: de spanning van “reeds vervuld”en “nog niet voltooid”;
  5. Vanuit Christus als centrum wordt het O.T. en de geschiedenis van Israël gezien als voorbereiding op de vervulling. Hetzelfde geldt van de tijd voor de schepping en van de schepping zelf. Maar ook NA de vervulling gaat tijd en Heilsgeschiedenis door tot aan de eindvoltooiing, waarna Heilsgeschiedenis en wereldgeschiedenis, voordien parallel lopend, gaan samenvallen, als “God alles in allen zal zijn”.

Duidelijk zichtbaar is bij Cullmann de lijn: voorbereiding -vervulling/verlossing – eindvoltooiing, in Christus, volgens het principe van uitverkiezing en plaatsvervanging. Eerst langs de weg van de versmalling van de gehele wereld tot “Die ENE”, Christus, om van daaruit, als centrum, via de weg van de verbreding weer uit te waaieren over de gehele wereld.

Waar blijft de tijd XVI – Discussie over het tijdsfenomeen in het oerchristelijk denken (deel 1)

De ontdekking van het tijdsaspect als dominant van het oerkerugma kan gezien worden als een eerste scherpe reactie op het liberale “statische” Jezusbeeld van de Leben-Jesu-Forschung in de 19e eeuw. De discussie is ingezet met de zgn. “consequent-eschatologische” opvatting van Albert Schweitzer en diens leerlingen Max Werner en Fritz Buri.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De ontdekking van het tijdsaspect als dominant van het oerkerugma kan gezien worden als een eerste scherpe reactie op het liberale “statische” Jezusbeeld van de Leben-Jesu-Forschung in de 19e eeuw. De discussie is ingezet met de zgn. “consequent-eschatologische” opvatting van Albert Schweitzer en diens leerlingen Max Werner en Fritz Buri. Het heeft de weg gebaand tot de centralisatie van het begrip “eschatologie” in het oerchristelijke denken. Onder “eschatologie” kon men daarbij tweeërlei inhoud verstaan: 1. De weergave van een tijdsdimensie; 2. Het uitgaan boven de tijd, het verticale “immer in der Entscheidung stehen” (Bultmann).

Wat de eerste betekenis betreft is de discussie verschillende kanten opgegaan:

  1. Het Rijk van God is toekomstig, maar wel heel nabij (Schweitzer);
  2. Het Rijk van God is toekomstig, maar wel “op afstand”;
  3. Het Rijk van God is verwerkelijkt of bevindt zich in de “realisatie” (Dodd, Jeremias, Haenchen);
  4. Het Rijk van God is zowel aanwezig als ook toekomstig (Kümmel en Cullmann);
  5. Het tijdselement wordt geëlimineerd, als “gleichgültig” beschouwd (Delling): omdat met het oog op het geschiede werk van Jezus “die Länge der Spanne zwischen diesem Geschehen und den sogenannten letzten Dingen vergleichgültigt wird”.

Schweitzer C.S.

Centraal in zijn denken staat de crisis, die door de niet ingetreden parousie is ontstaan in de Oergemeente. Daarom is benaming “consequente eschatologie” niet zo gelukkig. Beter zou zijn geweest: “consequente onteschatologisering”. De hele verdere ontwikkeling van het oerkerugma is door deze crisis bepaald. De crisis begon reeds in het leven van Jezus Zelf. Oorspronkelijk had Hij verwacht, dat het einde nog tijdens Zijn leven zou plaats vinden (zie Matth.10, 5vv). De eerste crisis ontstond al, toen Zijn discipelen na de uitzending terugkeerden zonder dat het einde gekomen was. Toen heeft Jezus als komst van het Koninkrijk het uur van Zijn dood verkondigd. Maar ook toen bleef het Rijk van God uit. De teleurstelling hierover is de oorzaak van het naderhand ingetreden onteschatologiseringsproces en het zich instellen van de Gemeente op het “heden” en een langer verblijf hier op aarde.

DoddDodd C.S.

Een eerste reactie op de consequente futurisch ingestelde eschatologie kwam uit Engeland, in de vorm van een tweetal studies van C.H.Dodd. De visie van Dodd is de geschiedenis ingegaan als “the realised eschatology”. Zij gaat van de veronderstelling uit, dat volgens de Nieuwtestamentische schrijvers het eschaton de geschiedenis is ingegaan en dat daarmee de “toekomende eeuw” is aangebroken. Dodd voert ter bewijsvoering o.a. de volgende teksten aan: Matth.12, 28 “Het Koninkrijk Gods is over u gekomen“; Hand.2, 16: ”Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet…”; 2 kor.5, 17: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping“; Kol.1, 13: “Hij heeft ons verlost uit de macht van de duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde“; 2 Kor.3, 18: “Wij veranderen van heerlijkheid tot heerlijkheid“.

Dat betekent:

  1. Vervulling van de tijd (Marc.1, 15). De profetische “Jôm Jahweh” (Dag van de Heer) is aangebroken.
  2. Het Bovennatuurlijke is ingegaan in de geschiedenis. Jezus’ optreden met wonderen en tekenen wordt verteld als een gerealiseerde Apocalyps.
  3. De openlijke manifestatie van Gods macht betekent de omverwerping van de machten van het kwaad (vgl.Luk11, 20: “Indien Ik door de vinger van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen“).
  4. Dit is het oordeel, dat over de wereld wordt voltrokken (zie Joh.3, 19: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever hebben gehad dan het licht”).
  5. Het eeuwige leven, het leven van de “toekomende eeuw” is werkelijkheid geworden: wie gelooft, HEEFT het eeuwige leven! (vgl.Joh.3, 18).


Conclusie van Dodd:
De schrijvers van het N.T. hebben welbewust en consequent de taal en de gedachtewereld van de Joodse eschatologie toegepast op leven en werk, dood en opstanding van Jezus Christus. In hoeverre de fantastische beeldspraak van de apocalyptiek daarbij letterlijk genomen werd, zal wellicht nooit zijn uit te maken. In ieder geval worden sommige elementen van de apocalyptische voorstellingen stilzwijgend geëlimineerd als niet passend, zoals de verduistering van de zon en het vergaan van het stoffelijke heelal. Dit zou kunnen wijzen op het meer symbolische gebruik van de apocalyptische beeldspraak in het oerkerugma.

In het voetspoor van Dodd vinden wij Ernst Haenchen en Joachim Jeremias. Van Haenchen is de typering “sich realisierende Eschatologie” afkomstig, een uitdrukking die Dodd later ook liever gebruikt had, als hij daarvoor een goed Engels equivalent gevonden had. Bekendheid heeft deze richting van de zogenaamde “sich realisierende Eschatologie” vooral gekregen door het werk van Jeremias, met name zijn studie over de gelijkenissen en onbekende Jezus-woorden, gevolgd door het eerste deel van zijn Neutestamentliche Theologie in 1971. De slotconclusie van zijn “Gleichnisse” is, dat alle gelijkenissen zijn vervuld van het “Geheimnis der Königsherrschaft Gottes – nämlich der Gewissheit der ‘sich realisierende Eschatologie’ ”. In zijn N.T.Theologie stelt Jeremias zich wat genuanceerder op, in deze zin, dat hij de mogelijkheid open houdt, dat Jezus rekening gehouden heeft met een korte tussentijd tussen de aankondiging en het plotselinge intreden van de eindcatastrofe. Deze tussentijd ziet hij als “Gnadenfrist”. Jezus was er van overtuigd, dat Zijn komst de eschatologische noodtijd inluidde, Door Zijn lijden zou er een algemeen lijden over de mensen uitbreken. Doch de mensen zouden na Zijn dood zorgeloos verder leven , maar dan zou plotseling de “zondvloed” over hen losbreken. Na grondige exegese van al het ter zake doende beschikbare materiaal, voornamelijk gelijkenissen en woorden van Jezus, komt Jeremias tot de slotsom, dat we geen woord van Jezus hebben dat het einde naar de verte verschuift. Want in de gelijkenissen wordt zonder meer gepredikt, dat het Koninkrijk er is, dat het er is in de gestalte van de Messias, en dat Hij zo handelt.

Veeleer vinden we in de Synoptici een oudste laag, waarin de eschatologische noodtijd en de daarop volgende openbaring van de “basileia”(het Koninkrijk) in zeer nabije toekomst verwacht wordt. Dat daaraan toch nog een korte tijd vooraf zal gaan, laten de zogenaamde waakzaamheidgelijkenissen doorschemeren (Vgl.Matth.24, 48: “Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf… als die slaaf slecht was en in zijn hart zou zeggen: mijn Heer blijft uit…“; Matth.25, 19: “En na lange tijd keerde de heer des huizes weer…“; Marc.13, 35: “het niet weten, wanneer de heer des huizes komt“). Het zijn logia, die naar de opinie van Jeremias wel zeer oud moeten zijn, omdat zij – naarmate de parousie meer en meer uitbleef – voor de Oergemeente beslist aanstotend moeten zijn geweest. De grondtoon blijft echter: het uur van vervulling is aangebroken, de Koninklijke heerschappij van God wordt nu al manifest. Spoedig zal de catastrofe komen, die Gods heerschappij definitief zal vestigen. Daarom: benut de tijd, voordat het te laat is! Geestelijk betekent dit, dat God aan de mensen een laatste kans geeft, een “GNADENFRIST”.

Einde Nederland zingt

De uitzending was doorspekt met schitterende liederen en mooie muzikale begeleiding. Heel aansprekend was het laatste lied, begeleid door een mondfluitiist. We zullen dit programma, dat meen ik in 1981 begon, missen.

Nederland zingtDat was wel even schrikken, toen ik vanmorgen hoorde, dat het de laatste uitzending van “Nederland Zingt Op Zondag” was.Toen ik vorige week onderstaand stukje schreef, kon ik dat nog niet bevroeden! Ik vind het heel jammer, en velen met mij! Van de laatste uitzending hadden ze wel iets bijzonders en moois gemaakt.De drie presentatoren, Arie v.d.veer, Wigle Tamboer en Arjan Lock, kwamen aangereden op hun kenmerkende oranje fietsen naar één van de prachtige kerken, waaraan Nederland zo rijk is. Daar werden ze geïntervieuwd door Petra, één van de Eo-medewerksters. Natuurlijk werd er gevraagd naar bijzondere momenten in hun uitzendingen en herinneringen, die hen zouden bijblijven. Als slot kregen ze alle drie het woord om in een soort meditatie hun gevoelens weer te geven. Ds.v.d.Veer gebruikte het beeld van het “halve glas”. Zijn glas was half vol, omdat je weet wat je gehad hebt en niet weet wat er nog komt. Ook, omdat in de teleurstellingen van het leven God ver weg was en nu (nu het beter gaat) gelukkig weer dichterbij is gekomen. Wij hebben allemaal zo’n half glas! De honderden uitzendingen hebben dat wel duidelijk gemaakt. Het ging er niet om God bij de mensen te brengen, maar de mensen dichter bij God! De presentatoren spraken niet zo zeer over God, maar de mensen kwamen er mee vanuit hun belevenissen. En daarom was het zo’n zinvol pogramma, niet alleen voor gelovigen, maar zeker ook voor mensen, die gewoonlijk niet zo veel met het geloof te maken hadden.
De uitzending was doorspekt met schitterende liederen en mooie muzikale begeleiding. Heel aansprekend was het laatste lied, begeleid door een mondfluitiist. We zullen dit programma, dat meen ik in 1981 begon, missen. Ook de mooie natuuropnames en schitterende shots in de vele kerkjuwelen van ons land.Dank aan de presentatoren en de cameramensen en allen, die dit klassieke programma mogelijk hebben gemaakt!

Nederland zingt

Een van de mooiste TV-programma’s vind ik het EO-programma “Nederland zingt op zondag”. Het wordt opgenomen op een mooie locatie in ons land.

Nederland zingtEen van de mooiste TV-programma’s vind ik het EO-programma “Nederland zingt op zondag”. Het wordt opgenomen op een mooie locatie in ons land. Het kwam deze zomer uit diverse boerenbedrijven. Zo kwam het van een zorgboerderij uit het Twentse land, waar gehandicapte mensen een mooie dagbesteding vonden. En uit een groot akkerlandbedrijf, waar je een rijdende machine het onkruid zag wieden. En op de laatste zondag zag je prachtige kersen hangen in en boomgaard, die de boer drie jaar geleden had aangeplant, in het Schouwse van Zeeland. Opmerkelijk was, dat al die boerderijen er iets naast hadden, om aan de kost te komen. Ik noemde al de zorgboerderij, een andere boerderij had er een Christelijke camping naast, en ik noemde ook al de kersen om aan de toeristen te verkopen. Een van de boeren had vijf zonen, die flink hielpen om al het werk te doen, want als er iets duidelijk werd, is dat er heel veel werk is op zo’n boerenbedrijf. Tussen de liederen door sprak ds.Arie v.d. Veer en zijn kompanen met de mensen en gasten op het bedrijf. Na een korte meditatie en een door de boer(in) opgegeven lied vertrok de dominee weer op zijn markante rode fiets.
Wat het programma zo mooi maakt zijn de beelden van de natuur. Je ziet de koeien op de wei, en in de (mega)stal, grazend en slurpend van het voer. Dan denk je bij je zelf: wat is ons land toch mooi! Trouwens, over mooi gesproken, heb je de eerste uitzending van Ral a Way in ons eigen land ook al gezien?

Waar blijft de tijd XV – Afgrenzing tegenover het Oudtestamentische en Griekse denken

De tijd is geen leeg omhulsel meer, ook geen gevangenis voor de mens, maar het is “door God gevulde” tijd geworden: van vloek tot zegen, van gevangenis tot vakantieverblijf. Dit is een eerste afgrenzing, die we moeten maken ten overstaan van het Griekse denken.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De temporele uitdrukkingen van het oerkerugma wijken niet af van de gebruikelijke terminologie in het Griekse en Oudtestamentische milieu, dank zij de LXX (Septuagint), die beide taalgebieden aan elkaar verbindt. Het bijzondere van het tijdselement in de prediking van de oerkerk moet dan ook niet gezocht worden in nieuwe begrippen als wel in een “vulling” van de oude begrippen. Centraal in die nieuwe inhoud staat het beslissende heilsgebeuren van God: de komst van Jezus Christus, en daardoor de bevrijding van dreiging en vloek van de materie en de daaraan vastklevende tijd. De tijd is geen leeg omhulsel meer, ook geen gevangenis voor de mens, maar het is “door God gevulde” tijd geworden: van vloek tot zegen, van gevangenis tot vakantieverblijf. Dit is een eerste afgrenzing, die we moeten maken ten overstaan van het Griekse denken.

Maar ook ten aanzien van het Oudtestamentische tijdsdenken heeft zich in het oerkerugma van de Christelijke Gemeente een grote verschuiving voorgedaan. Vele uitdrukkingen daarin verraden nog duidelijk de Hebreeuwse moedertaal, doch de verwantschap is slechts formeel. He betreft meer begripsvorming en etymologische structuur dan wat het inhoudelijk wil weergeven. De inhoud blijkt immers in de eerste Christelijke prediking geheel nieuw te zijn geworden: de tijd is vervuld! Tijd is heilstijd geworden, betrokken op Christus en beleefd vanuit Christus en naar Christus toe, gericht op het nieuwe, dat God gebracht heeft en nog brengen zal. Van deze omwenteling in het tijdsverstaan getuigen al de verschuivingen in de diverse tijdsbegrippen. Betekende “kairos” voorheen het voor het handelen beslissende gunstige ogenblik, nu is het heilsmoment geworden. Het “gunstige” zit niet meer bij de mens of in de natuur, en het valt ook niet meer door de mens uit te maken, maar het komt geheel van Gods kant. Het is het beslissende ingrijpen van God in ons bestaan en het vraagt van ons dan ook een beslissing: ja of nee. Zo wordt de ene “kairos” een momentele beleving van tijd en eeuwigheid, een contractie van die beiden. Elke “kairos” is beslissend voor heil of verwerping van de persona. Deze bij uitstek religieuze betekenis van “kairos” is de Griek geheel vreemd. In de Griekse gedachtesfeer is tijd en alles wat daarmee samenhangt zuiver een natuurlijk gegeven, een formeeltechnisch begrip van ordening. Tijd kan voor de Griek ook geen essentiële betekenis hebben: tijd is slechts afbeelding van de goddelijke eeuwigheid. Het verstaan van eeuwigheid als de naar voren en naar achteren in het oneindige verlengde tijd, zoals we dat in het Oude testament tegenkomen en in navolging daarvan ook in het oudchristelijke kerugma, helemaal het verstaan van eeuwigheid als tijd moet de Griek als ketterij in de oren hebben geklonken. Waar dan nog bij komt, dat God die tijd gebruikt voor Zijn heilshandelen!

Dit is daarom ook het onvoorstelbaar nieuwe in de tijdsbeleving van de oude kerk, dat de tijd een eigen waarde krijgt, door God gegeven: dat tijd gekwalificeerd wordt door Gods persoonlijke en beslissende heilsgebeuren, ten volle door de komst van Christus. Tijd en eeuwigheid staan nu niet meer tegenover elkaar als het relatieve tegenover het absolute, als het onder tegenover het boven, als het stoffelijke tegenover het geestelijke. Was eeuwigheid bij Plato gelijk aan “tijdloosheid”, in het oerkerugma, evenals in de profetische verkondiging van het Oude Testament, krijgt het “zeitlich” karakter. God werd mens “in de tijd”, waardoor de tijd Godgeheiligde en toegewijde tijd wordt. Ook de plaats van de mens in de tijd verandert daardoor: de mens krijgt in de tijd een nieuwe levenszin. Hij hoeft nu niet meer, als bij de Griek, verlost te worden van de gebondenheid aan de natuurlijke kringloop der tijden, want hij IS reeds verlost, in de tijd en door de tijd heen voor eeuwigheid, en van eeuwigheid tot eeuwigheid!

Toch is het spreken van het oerkerugma in deze niet zonder randvoorstellingen, die Griekse beïnvloeding laten vermoeden. Zij worden ook gevonden in een latere ontwikkeling van de Christelijke prediking, wanneer de confrontatie met het hellenistische denken overname van Griekse denkbeelden in de hand werkt. (vgl.Hebr.4,14; 7,26; 1 Petr.1, 20; Eph.1, 4; 1 Kor.2, 7; 2 Tim.1, 9). Authentiek voor het oerchristelijke kerugma blijft het uit de Tenach overgenomen lineaire tijdsverstaan. Over de vraag, of er naast dit lineaire tijdsverstaan in het oerkerugma ook een ruimtelijke tegenstelling tussen tijd en eeuwigheid in gekwalificeerde zin gevonden wordt, is in de loop van de vorige eeuw een hele discussie gevoerd. De “vertikale” tijdsopvatting vond voornamelijk weerklank in de zgn. dialektische en existentialistische theologie (Barth, Bultmann, Brunner, Gogarten, Thurneysen, Tillich etc.).”

Wenn der existentialistische oder dialektische Theologe van Öffnung auf Zukunft hinredet, meint er im Grund nur die vertikale Öffnung auf die Ewigkeit, die in der einmaligen Situation erlebt wird. Tod und Auferstehung Christi, die einmalige Heilstaten, werden von mir im Augenblick des Gerichts, wenn ich vom Wort angesprochen werde, realisiert. Da ereignet sich Ewigkeit in mir (I.Escribano-Albercq: das vorläufige Heil, 19v). In het brandpunt van deze discussie stond lange tijd de opvatting van Karl Barth. Wij zagen al, hoe de jonge Barth de eeuwigheid tegenover de tijd stelt, zo, dat de tijd daardoor aan alle kanten omsloten wordt en als ’t ware in transcendentale zin de tijd wordt opgeheven. Naderhand in zijn Kirchl.Dogmatik spreekt Barth wel van de “Zeitlichkeit”van de eeuwigheid, maar toch altijd in deze trant, dat eeuwigheid totaal superieur is aan de tijd. In zijn betoog (KD II, 698v en III,2, 524-780) vallen woorden als “überzeitlich” en “mitzeitlich”, hetgeen vermoeden doet, dat Barth, hoewel God zeker niet als “zeitlos” gezien wordt, toch een transcendentale trek in zijn tijdsopvatting heeft.

Ook bij Paulus zullen we nog zien, dat de kwestie van de horizontale of verticale tijdsopvatting veelal de zienswijze op zijn theologische structuur heeft bepaald. Nu reeds menen wij te mogen zeggen, dat de tegenoverelkaarstelling van deze twee opvattingen en doodlopende weg is. Immers het volstrekt unieke van de oerchristelijke tijdsbeleving is Gods ingrijpen in de tijd, waardoor hij een geheel nieuwe zin ontvangt en theocentrisch wordt toegespitst. En waar God handelt, wordt “zeitlich” gehandeld. Ook bij de eschatologische plaatsen in de brieven van Paulus is nergens van een opheffen van de tijd sprake. En waar van het goddelijke gebeuren vóór de schepping gesproken wordt, is eveneens het “zeitliche” karakter onloochenbaar. Trouwens, ook als wij terugvragen naar het tijdsverstaan van Jezus Zelf, blijkt de theologische spits centraal te staan. Duidelijk zichtbaar is dit in de Koninkrijk-gelijkenissen. Treffend voorbeeld is de gelijkenis van het “automatisch” groeiende zaad in Marcus 4. Wanneer het zaad eenmaal is gezaaid brengt de aarde automatisch vruchten voort, omdat God alles Zijn tijd geeft. Zodra de tijd van het oogsten aanbreekt, wordt openbaar wat in de zaaitijd gezaaid is. Deze concrete boerenwijsheid verzekert de Christenen de eindvoltooiing , die God zal brengen. Hierin ligt de continuïteit van onze tijd en de “eindtijd”. Het is God, die beide “zeitigt”.

CONCLUSIE

Zo ligt het geheel bijzondere van het oerchristelijke tijdsdenken in een aantal duidelijke afgrenzingen van het Griekse denken met zijn discriminatie van het tijdsbegrip, gepaard gaande met een sublimatie van het eeuwigheidsbegrip. Ook wordt het Oudtestamentische tijdsverstaan duidelijk afgegrensd doordat de kern van het “komen van God” verschoven is van de toekomst naar het heden, in Christus en Zijn heilswerk, waarin Gods heerschappij over de tijd ten diepste zichtbaar is geworden (zie Openb.1, 4, 8; 4, 8): “Die is en die was en die komen zal!”). De tijdservaring van het oerkerugma laat zich van hieruit alleen verstaan, wanneer het theocentrische, dat is Christocentrische, soteriologische en eschatologische, karakter daarvan in het oog gehouden wordt.

Dodenherdenking

Gastpreek van Peter Carpay, dialyseverpleegkundige in het Maasstad-Ziekenhuis over de dodenherdenking.

Een R.K. gastprediker aan het woord, met een preek over de dodenherdenking op 4 mei j.l.
Peter Carpay is in zijn werkzame leven dialyseverpleegkundige in het Maasstad- Ziekenhuis te Rotterdam.

Vandaag staat deze viering in het teken van de dodenherdenking. Deze dag is na de 2e wereldoorlog ingesteld om al de mensen te gedenken, die voor onze vrijheid gevallen zijn.

Natuurlijk de soldaten, meest jonge mannen, die hun leven gegeven hebben, door voor de goede hun vaderland te strijden. Het waren allemaal zonen van vaders en moeders en of mannen met vrouw en kinderen. Zij lieten hun geliefden achter, die na hun dood verder moesten. Hans Uilenbroek vertelde in plaats van de 1e lezing het oorlogsverhaal van zijn grootvader. Zo hebben allen, die de oorlog bewust hebben meegemaakt hun eigen verhaal. Ook mijn moeder heeft haar oorlogsverleden van zich afgeschreven. Het heeft in Brabant nog in de krant gestaan. Je krijgt dan zaken te lezen waarover nooit gesproken is, want veel mensen praten niet graag over de oorlog.

Zo was er vorig jaar een aangrijpende documentaire op TV over een Joodse, die in Auschwitz had gezeten, en er nooit over gesproken had. Hij kon het nu eindelijk aan om terug te gaan en deed dit samen met zijn kleindochter. Geleidelijk ging hij haar vertellen, wat hij allemaal had meegemaakt. Het was voor hem een helende ervaring en zijn kleindochter leerde hierdoor haar opa echt kennen, waardoor een nog innigere band tussen hen ontstond.

Want er zijn natuurlijk niet alleen soldaten gesneuveld in de 2e wereldoorlog. Hitler moest een zondebok hebben voor de slechte economische situatie in het vooroorlogse Duitsland. Naast de Joden zijn ook vele zigeuners, gehandicapten, psychiatrische patiënten en homoseksuelen tijdens de oorlog door de nazi’s omgebracht. Iedereen, die niet nuttig was of afwijkend, kon opgepakt en weggevoerd worden.

Oorlogen brengen het slechtste, maar ook het beste in de mens naar boven. Als je in het Holocaust museum in Jeruzalem of in een van de concentratiekampen bent geweest, wordt goed zichtbaar tot welke vreselijke dingen mensen in staat zijn. Maar in extreme situaties komt ook het beste in de mens naar boven. Er zijn vele mensen geweest, die opgestaan zijn, en weerstand hebben geboden. Sommigen hebben met gevaar voor eigen leven onderduikers gehad, of hebben joden helpen ontsnappen, hebben persoonsbewijzen vervalst of op een andere manier in het verzet gezeten. Onverzettelijkheid, mededogen en liefde heeft hun handelen geleid.

Uit een recent verleden zien we deze eigenschappen bv. bij Pater Frans van der Lugt, die zich inzette voor de oorlogsslachtoffers in Homs in Syrië, of het vrouwelijke bemanningslid van de Zuid Koreaanse veerboot, die vele kinderen heeft gered. Beide moesten hun heldhaftigheid met de dood bekopen.

Angst en macht doen vaak rare dingen met mensen. We zien dit in het groot, bv bij Hitler, maar ook in het klein b.v. als iemand een andere functie krijgt op zijn werkplek.  Het gaat mis, als we de mening van een ander, of een minderheid niet meer respecteren, en overtuigd zijn van ons eigen gelijk.

Als gevolg van angst voor een andere mening, proberen we macht uit te oefenen en macht heeft een verslavende werking. We zien het bij machthebbers in vele landen van de wereld. Turkije is een mooi voorbeeld. De huidige leider Erdogan heeft Turkije economisch veel goed gedaan, maar langzaam probeert hij de macht steeds verder naar zich toe te trekken en de oppositie probeert hij monddood te maken. Dit gebeurd overal in landen, binnen bedrijven, binnen groepen, maar ook binnen gezinnen.

Anselm Grün (een Duitse monnik) heeft hier een mooi boekje over geschreven en noemt het de spiritualiteit van boven en beneden. Als we jong en nog vurig zijn hebben we idealen en daar willen we voor strijden. We hebben idolen nodig, en willen doelen bereiken. Als we echter star vast blijven houden, of ons laten manipuleren, zoals Hitler destijds deed, dan lopen we vast, of worden onuitstaanbaar en onaangepast. Gedurende ons leven, komen we erachter, dat bepaalde doelen onbereikbaar zijn, of dat idolen van hun voetstuk vallen. Als we niet leren omgaan met de donkere kanten van onszelf worden we nooit gelukkig. Blijven vasthouden aan onbereikbare idealen, niet accepteren van onze beperkingen en tegenslagen leidt tot frustratie, verslavingen en eenzaamheid. We zijn dan niet meer bereikbaar voor de ander.

Zo mogen we ook op deze dodenherdenking omgaan met onze eigen geliefden, die we verloren hebben. Bij het leven hoort, dat we uiteindelijk onze ouders en partner verliezen. Soms komt dit niet onverwachts en kunnen we op een intense manier afscheid nemen, wat enorm helpt bij de rouwverwerking. Alle ballast kan in een dergelijke wegvallen, waardoor mensen weer dichter tot elkaar komen.

Maar we kunnen ook iemand onverwacht, of jong verliezen. Het is vreselijk als we een zoon of dochter moeten afstaan of als een jonge vader of moeder zijn of haar kinderen moet achterlaten. Niets is erger dan een kind verliezen horen we mensen vaak zeggen. Het is onnatuurlijk en wordt als zeer wreed ervaren. We krijgen echter allemaal in ons leven te maken met geliefden, die we los moeten laten.

Een nicht van mij, die drie jonge kinderen moest achterlaten, had een prachtige tekst op haar rouwkaart gezet. Het kwam recht uit haar hart en heeft later voor veel troost bij de nabestaande gezorgd.

Ze luidde:

Liefde is sterker dan de dood,
Mijn liefde voor jullie, oneindig, zo veel, zo groot.
Daarom zal ik dichtbij blijven en zijn.
Sta open voor de “tekentjes”
Hoe klein ze ook zijn.

Ik denk dat ze helemaal gelijk had met haar laatste woorden. Onze overleden geliefden blijven dicht bij ons, en als we er voor open staan, kunnen we hen blijven ervaren en de mooie herinneringen koesteren. We kunnen aan iemand denken, bij bepaalde handelingen die we verrichten, bij feestdagen, bij moeilijke beslissingen die we moeten nemen. Wat zou hij of zij hebben gedaan. Zo blijft iemand dicht bij ons en kunnen we het leven weer oppakken en langzaam ook weer genieten, zoals die ander dat gewild zou hebben.

Dit is ook wat Jezus ons wil zeggen in Het evangelie van vandaag. Twee mensen zijn op weg van Jeruzalem naar Emmaus. Ze zijn ontgoocheld en neerslachtig. Ze hadden hun hoop gesteld op Jezus en zagen in Hem, de veelbelovende profeet, die veel wonderen had verricht en de krachtige leider, die de Romeinen zou verdrijven.

Nu lijkt echter alles mis te zijn gegaan en is alle hoop vervlogen. Dan voegt Jezus zich bij hen en hoort al hun verdriet en teleurstelling aan. Hij is bij ons, in onze zwaarste en donkerste periodes, ook al hebben we dat vaak niet in de gaten, zoals ook de Emmausgangers dit niet beseffen. Als we verdriet hebben, rouwen, of een burnout hebben en soms boos zijn op God kunnen we Jezus Geest niet ervaren omdat we blind zijn en er een sluier over ons hart ligt.

Toch weten we uit ervaring, dat God toen wel bij ons was, zoals het bekende gedicht van de voetstappen in het zand ons laat zien. Als we vertwijfeld uitroepen, waar was U toen ik U zo nodig had, zegt God toen heb ik je gedragen. Vaak leren we het meest van de moeilijkste en donkerste periodes in ons leven. Laten we erop vertrouwen, dat Jezus ons nooit een zwaarder kruis geeft dan we dragen kunnen.

Amen.

Peter Carpay

Vliegramp vlucht MH17

Gedicht van Martie Genger n.a.v. de vliegramp 17-07-2014.

Gedicht van Martie Genger n.a.v. de vliegramp.

Waarom zijn de zeeën zo zout
Is dat van al onze tranen?
Waarom de hemel zwart van rook
Wrakstukken tussen het koren
Die granen bedoeld voor ons brood
Kindjes gaan op in de vlammen
En honderden vonden de dood
Ratten besluipen het slachtveld
Tussen de rottende lijken
graaiend naar juwelen en geld

Weest niet bedroefd en niet getreurd
“t Was een ‘vergissing’ dus ’t gebeurt
Want hoor…ook de beste immers
laten soms wel steekjes vallen
een mens is maar een mens nietwaar?
Daarom nog niet met z’n allen
De schuld te geven aan elkaar
En ja…zo loopt men er mee weg
En dat is dan weer voor mekaar.
Tot de volgende keer dan maar.

Martie Genger

 

Waar blijft de tijd XIV – Het eschaton

De eindtijd, het einde der tijden, de laatste dagen, armageddon en eschaton is een voorstelling van het einde van alle menselijke geschiedenis.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Dat de zienswijze op het eschaton in het oerkerugma in vele punten voortbouwt op de Joodse apocalyptiek is ons in het voorgaande reeds verschillende keren gebleken. De tijd na het eschaton wordt in de apocalyptiek niet verschillend gedacht van de tijd er voor. Ook in de profetische prediking over het eschaton blijf de tijd op zich voor en na het einde van deze aeon dezelfde, alleen de inhoud van die tijd verandert: de huidige aeon met al zijn noden en onvolmaaktheden gaat over in een geheel nieuwe tijd, waarin alles volkomen en heerlijk zal zijn. Dit gans andere, het volmaakte en heerlijke, stond menigeen in Jezus’ tijd voor ogen, die in gespannen verwachting naar de “laatste dag”uitzag. Hierbij geldt: de inhoud, de vulling van Godswege met Zijn heil, is belangrijker dan de tijd op zich, wanneer het in vervulling zal gaan. Hier ligt duidelijk verwantschap tussen de opvatting van de Oudtestamentische profeten en die van de oerchristelijke prediking over het eschaton. Over de tijd na het eschaton wordt niet zo zeer gesproken; wel hierover, dat het komt, dat God op ons toekomt met de gaven van Zijn heil. In het oudchristelijke kerugma wordt dit komen reeds als werkelijkheid beleefd. Daar staat centraal niet meer het uitzicht, de gespannen verwachting, maar de vervulling, de komst van God tot ons in de Immanuël. “Jesus Christus Selbst ist die Antizipation des Eschaton” (Pannenberg: Offenbarung als Geschichte, 142). Dan kan het ook niet anders of de tijd na Christus, dus onze tijd, wordt reeds als eschatologische heilstijd ervaren, hetgeen Paulus zo treffend weergeeft met zijn “nun(i)”en “ho nun kairos” (2 Kor.6,2).

Toch is deze tijd na het eschaton voor velen een discutabel punt gebleken. De jonge Karl Barth ziet bijvoorbeeld in het eschaton niet meer iets “zeitlichs” (als behorend tot de scheppingsorde), maar iets transcendents, dat loodrecht van Boven op de tijd neerdaalt, zonder in haar op te gaan, eerder haar verslindend, zodat de tijd daarmee opgeheven is. Het kan dan ook niet anders of de eeuwigheid wordt hier in ruimtelijke “Platonische” zin tegenover de tijd gesteld. Zij is dan ook tegenover elk tijdsmoment even ver en dichtbij. Later corrigeert Barth zijn mening en spreekt hij uitdrukkelijk over de “Zeitlichkeit” van de eeuwigheid, hoewel God blijft “Den, Der VOR der Zeit, IN der Zeit und wiederum NACH der Zeit ist und herscht, als Den, Der DURCH die Zeit nicht bedingt, aber eben in dieser Freiheit ganz und gar Ihre Bedingung ist ( KD II/1, 698v). Deze opvatting berust hoofdzakelijk op zijn vertaling van openbaring 10 vers 6: “hoti chronos ouketi estai”(dat de tijd niet meer zijn zal). Hij vertaalt: “daar zal geen tijd meer zijn”. Andere Nieuwtestamentici zijn eerder geneigd te vertalen: “daar zal geen uitstel meer zijn”. De zin wordt namelijk ingeleid door “alla”( =maar). Daarmee wordt de voorwaarde aangegeven voor het aflopen van een tijdperk. Het einde komt, het geheim is voltooid en darmee het tijdperk afgelopen. Ook in een verdere ontwikkeling van het kerugma, in Eph.3, 5 en 1 Petr.1, 20, wordt over het einde der tijden gesproken. Gemakkelijk zou dit tot de opvatting kunnen leiden, dat in Christus de tijd overwonnen is. Gods eeuwigheid zou bij Christus’ komst op aarde de tijd geabsorbeerd hebben, zoals we bij de jonge Barth reeds zagen. Zo zou je in de woorden “plerôma tou chronou” (=volheid van de tijd) (Marc.1,15 en Gal.4, 4) de overwinning van de tijd kunnen zien. Dit kan een troost zijn voor de Christen! Want zijn leven is losgekomen van de verschrikkelijke tijd en staat nu onder “het eeuwige leven”. Sprekend hiervoor is ook 1 Kor.15, 28: “Opdat God zij alles in allen “. Maar het zou ook kunnen zijn, dat deze woorden het einde van de Bijbelse openbaringsgeschiedenis betekenen en niet dat er dan geen tijd meer is.

Het eschaton is zuiver “zeitlich”, het staat midden in de tijd, is keerpunt der tijden, niet van tijd naar tijdloosheid, maar van de “oude” naar de “nieuwe”, van de “slechte” naar de “heerlijke”. Zoals Christus’ komst aan de tijd een gekwalificeerde zin heeft gegeven door hem te “vervullen”, dat is te vullen met “Gods heil”, in proleptische zin vooruitlopend op het grote gebeuren van de ‘laatste dag”, het als ’t ware reeds proleptisch in zich dragend. Zo zal bij de parousie van Christus de “aiôn mellôn”ten volle openbaar worden . Daarmee wordt de “Zeitlichkeit”niet opgeheven, maar structureel anders voortgezet. Dit is te vergelijken met wat Paulus over het opstandingslichaam zegt in 1 Kor.15, 35-49: het blijft lichaam, maar zal wel “anders” zijn.

Waar blijft de tijd XIII – De verschijning van Christus

Hoewel het begrip zelf, de verschijning (parousia) van Christus slechts enkele malen in de oerchristelijke geschriften voorkomt heeft de (weder)komst van Christus toch een centrale plaats ingenomen in de prediking en het leven en denken van de eerste Christenen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Hoewel het begrip zelf, de verschijning (parousia) van Christus slechts enkele malen in de oerchristelijke geschriften voorkomt (Matth.24, 3,27; 1 Kor.15,23; 1 Thess.2,2,8,9; Jak.5,7; 2 Petr.1,16; 3,4,12; 1 Joh.2,28), heeft de (weder)komst van Christus toch een centrale plaats ingenomen in de prediking en het leven en denken van de eerste Christenen. De parousieverwachting is zo sterk geweest, dat het uitblijven er van nog een generatie na Jezus’ dood de mensen verbijsterde. Het is dan ook vanzelfsprekend, dat de tijdservaring van de oerverkondiging sterk hierdoor is bepaald.

De tijdsvraag

De vraag naar de tijd, waarop de Heer zal wederkomen, wordt in de oerverkondiging op tweeërlei wijze beantwoord:

1. Door er op te wijzen, dat het niet aan ons is de tijden en de uren te weten, welke de Vader in Zijn volmacht bepaald heeft (Hand.1,7; Marc.13,32 par; 2 Petr.3, 3,10; Openb.3,3). Het enige, wat wij over de tijd van de parousie mogen weten, is dat hij:

  1. na het intreden van tekenen geschieden zal (Marc.13, 4par; 28vv par; Joh.16,17). Op deze tekenen heeft men acht te geven (Marc.13, 28vv par). De komst zal zijn na een tijd van nood als de geboorte na de weeën (Joh.16,21v en 1 Thess.5,3).
  2. spoedig aanwezig zal zijn (Joh.16, 16; Phil. 4, 5; 1 Petr.4, 7; Openb.1, 1; 2, 16; 3, 11; 22, 6v;, 10, 12, 20).
  3. plotseling als een dief in de nacht, overal heen schijnend als een bliksem, zal intreden (Matth.24, 43; Luk.12, 39; 1 Thyess.5, 2; 2 Petr.3, 10; Openb.3, 3; 16, 15).

2. door de komst van Gods Koningsheerschappij als zeer nabij aan te kondigen (Marc.13,30 p[ar; Matth.10, 23; Marc.9, 1).

De parousia in de synoptici en Johannes

De parousiegedachte heeft een sterke weerklank gekregen in de synoptische Evangeliën, met name – zoals te verwachten – in de apocalyptische hoofdstukken (vgl.Marc.8,38 par; 14, 62 par; Matth.25; Luk.13, 25-38; 22, 29v; Marc.13 par). Het is de voorstellingsstructuur van de apocalytische schatologie: IN en dan ook RONDOM Jezus is de verwachte “aiôn mellôn“, de komst van het Koninkrijk Gods werkelijkheid geworden. Enkele typische kenmerken hiervoor zijn: de liturgische aanspreektitel “Onze vader”, de Koninkrijksgelijkenissen, het autoritaire “Ik zeg u” van Jezus, het “belijden” van Jezus in Matth.10, 32v/ Luk.12, 8v; de roepstem “komt achter Mij” en het proleptisch-eschatologische vervullingskarakter: in de omgeving van Jezus gebeurt, wat de verkondiging van het nabij zijnde Koninkrijk zegt. De discipelen, hier en nu, de armen, ontvangen Hem. Vergelijk ook de Zaligsprekingen!

In het Johan nes-Evangelie vormt de parousie niet zo’n immanent bestanddeel van de verkondiging als in de Synoptici. Toch doen ook hier enkele uitspraken sterk aan de Synoptische prediking herinneren, zoals Joh.1, 51; 14, 19 en 16,22. Het “komende uur” wordt meer als reeds present beleefd (zie de markante betekenis van “hora” en ook het nadrukkelijke “nun” in 12, 31; 13,31; 16,5; 17,5, 7, 13), omdat het onlosmakelijk verbonden is met de heerlijkheid van het kruis. Zo volstrekt zich de crisis in het Johannes-Evangelie “reeds nu”. In het innerlijk van de mens (4,23; 5,24v; 3,18; 12,31; 9, 39).

De spanning in de parousiebeleving

Uit de visie van Johannes op de parousie werd reeds duidelijk, hoe er in het oudchristelijke kerugma een spanning bestaat over de wederkomstgedachte: enerzijds wordt Christuskomst als aanstaande verkondigd, anderzijds moeten nog vele tekenen daaraan voorafgaan. De parousie wordt vaak ook voorgesteld als een dief in de nacht, waarnaast de nadruk wordt gelegd op de reeds aanwezige overwinning van Christus over de machten en het daardoor voor ons verkregen heil. Dit spanningsveld wordt nog problematischer doordat niet meer met zekerheid valt uit te maken in hoeverre Jezus Zelf een onderscheid heeft gemaakt tussen Zijn opstanding en wederkomst. De Oergemeente heeft beide al spoedig met elkaar verbonden. In de Gemeente krijgt deze gedachte gestalte in de viering van het Heilig Avondmaal: de verkondiging van de dood des Heren “totdat Hij komt”(1 Kor.11,26). Voor Paulus staat deze verkondiging van de dood des Heren in het Avondmaal dan ook centraal in het geheel van zijn gedachten over opstanding en parousie.

Wel merken we steeds weer het eschatologisch-soteriologische verband op, dat ligt in de betrekking van de mens tot Jezus: wie zich nu aan Jezus overgeeft, zal straks ook Gods heil ontvangen. Hieraan is elke tijdsvaststelling, zelfs in de simpele vorm van “vroeger”of “later”, ondergeschikt. Maar de komst van dat heil is wel zeker, zo zeker, dat Jezus de eschatologische gebeurtenissen in de naastbije toekomst verwacht, ja ze zelfs als reeds in Zijn tijd verwerkelijkt aankondigt. De benadrukking van het “spoedig”, “nu”, “heden”, is daardoor in Zijn prediking nog sterker dan bij de profeten van het oude Testament. Hierin proeven wij duidelijk het tijdsgevoelen van de Oergemeente: Jezus wordt direct vanuit de Oudtestamentische profetie gezien als Degene, Die het beloofde “eschaton” brengt. Zijn tijd moet als de door de profeten voorzegde eindtijd, Zijn dagen moeten als de dagen van de Messias, Zijn dag moet als de “Jôm Jahweh” (Dag des Heren) , de “laatste dag” verstaan worden (vgl Hand.3, 24; 13, 32).

Dat is het geheel nieuwe in de verkondiging van Jezus, dat deze “profetische” dag in Zijn leven nabij is gekomen (Marc.1, 15 par). Het Koninkrijk moet nog verwacht worden, maar het is al “nabij”. “Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbij gaan, voordat dit alles is geschied”(Marc.13, 30). Dat deze tekst mogelijk als vaticinium ex eventu (terugblikkend op de val van Jeruzalem!) beschouwd dient te worden, is voor het geheel van het oerchristelijke kerugma ten aanzien van Jezus’ parousieverwachting in korte nabijheid niet van belang. Duidelijk is immers ook daarin, hoe zeer het oudchristelijk kerugma in de beleving van zijn tijdspatroon rekening hield met een zeer nabij keerpunt: de “parousia” van Christus, de komst van Gods Koninkrijk. “Het is nabij, voor de deur” (Marc.13, 29. Hoe moeilijk de Gemeente het kreeg, toen deze verwachte parousie uitbleef, zien wij nog aan de weerklank daarvan in die teksten, die sterk benadrukken dat het ogenblijk van de “grote dag”volledig onbekend is (vg. Luk 17,24; Matth.25,13; Marc.13,32).

Hoe Paulus met deze spanning in de parousiebeleving klaar komt, zullen we in het volgende hoofdstuk nader bezien. Nu reeds kan het vermoeden uitgesproken worden, dat dit dilemma ook bij hem van sterke invloed is geweest op zijn tijdservaring en het daaruit voortkomende tijdskader, waarin zijn theologische gedachten geplaatst worden.

Japanse sierkers

De hele zomer hield het me bezig; zou hij wel… zou hij niet. Hij was in het vroege voorjaar duidelijk in de war, bloeide frommelig en liet de bloesem achteloos vallen. Was het toch de onverwacht heftige kou van de winter die de sapstroom plots deed stoppen?

Japanse sierkers

De hele zomer hield het me bezig; zou hij wel… zou hij niet. Hij was in het vroege voorjaar duidelijk in de war, bloeide frommelig en liet de bloesem achteloos vallen. Was het toch de onverwacht heftige kou van de winter die de sapstroom plots deed stoppen? Het groen kwam magertjes te voorschijn aan de vierstammige boom; nog had ik geen vermoeden wat hem en ook ons te wachten stond. Belangstellenden tuurden naar boven, volgden hoopvol een tak met schriel blad om dan treurig te moeten vaststellen dat de desbetreffende tak steeds weer naar dezelfde stam leidde. Het feit lag er: drie van de vier stammen hadden het niet gered.

Heel langzaam groeide ik naar een afscheid toe. Op een zonnige herfstdag kwamen ze, twee kloeke mannen gewapend met een kettingzaag. Ik vluchtte.

Hij kwam binnen als een schriele Japanse sierkers, ruim zevenentwintig jaar geleden. De hovenier voorspelde een wolk van roze zachtheid en fraai kleurend herfstblad. Hij kreeg meer dan gelijk. Wonderlijk was wel dat de stam zich splitste in vier stammen. Het leek of de boom een gezinnetje was: vader, moeder en kindertjes. Samen groeiden ze prachtig uit en toen ze gevieren te veel ruimte innamen werden de stammen bovenin gekort. Hij was niet boos, maar groeide fier en evenwichtig verder. In het voorjaar toverde hij een roze tapijt tevoorschijn en spreidde dat zorgzaam over de tuin en zelfs de sloot mocht hierin gul delen. Hij was letterlijk het middelpunt van de tuin en werd dat ook figuurlijk. En toen Willem, jong en schuw, zijn intrede deed liet ik hem met zijn voorpoten de boom voelen. Ze sloten vriendschap. Bij zomerse dagen luisterde de boom mee naar onze koffiegesprekken, keek toe bij de avondmaaltijden en was met ons stil wanneer de tuin zich in het duister hulde en wij nagenoten van de laatste zomerse geuren en geluiden. In de herfst liet hij als laatste van de andere bomen zijn tooi vallen en mopperden we al bladruimend op de overvloed. En begonnen de herfststormen, hij gaf geen kik; bij mist was hij tevreden met zijn kleine wereld. Maar bij rijp en sneeuw was hij er weer, zonnestralen deden hem schitteren in schoonheid.

Toen de kettingzaag zweeg kwam ik voorzichtig tevoorschijn. Op de grond lagen drie leden van het bomengezin, één lid was overgebleven. Vader? Moeder? Misschien één van de kinderen? De kettingzaag deed het laatste moordende werk en toen werden de ingekorte delen op een aanhangwagen geladen en vertrokken ze naar het hoge noorden. Plots moest ik denken aan het gedicht ’Sotto Voce’ van de dichteres M. Vasalis:

Zoveel soorten van verdriet
ik noem ze niet.
Maar één, het afstand doen en scheiden.
En niet het snijden doet zo’n pijn,

Troostend lei ik een hand op de overgebleven stam en streek er langs. Woordeloos beloofde ik koestering en lieve zorg. Er klonk een diepe zucht. Van hem, van mij? Misschien van ons beiden…

Aly Brug

Een ezel en de vrede

De ezel kom je nogal eens tegen in de Bijbel. Zij zijn vaak tekenend voor de vrede van God, die eens de hele aarde zal omvatten. Ook wij hopen er dan bij te zijn, of niet soms?

De ezel kom je nogal eens tegen in de Bijbel. Zij zijn vaak tekenend voor de vrede van God, die eens de hele aarde zal omvatten. Ook wij hopen er dan bij te zijn, of niet soms? De ezel: het lastdier van mensen en koningen, van de grote Koning, die het Vrederijk binnenrijdt.

“Dan ruist op alle bergen vrede, heil, op der heuv’len top. Hij zal geweldenaars vertreden, maar armen richt Hij op” (Psalm 72). Heel de natuur is handwijzer voor de vrede! Dat de bergen vrede dragen (Ps.72), niet maar bij wijze van spreken, maar heel werkelijk, zo werkelijk als de zon schijnt over ons land. We denken ook aan die bergen in Syrië en Israël (Palestina), de bergen in Afrikaanse landen, overal waar geen vrede is.

“Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel” (Zacharia 9, 9). Dat zo ook heel werkelijk de heuvels, waar nu oorlogstuig het stof van de aarde omwoelt, tot vredige rust zullen komen: dat de heuvels gerechtigheid dragen! Dat mensen op ezels rijden in plaats van in tanks. En dat het leed, door al dat oorlogstuig aangebracht, zal zijn goedgemaakt: dat de armen en misdeelden en door oorlogsgeweld getroffenen tot hun recht gekomen zullen zijn. De Bijbel is altijd heel concreet bij onze vredesgedachten en vredespogingen. Wij ontkomen er niet aan, wij moeten ons er druk over maken, steeds weer opnieuw. De Golanheuvels en het Judese bergland, Palestijnen en Joden, Syrië en Afghanistan en overal, waar onvrede is in de wereld, Semieten en Anti-Semieten, Islamieten en Christenen en Joden, maar ook u en ik, zullen wij en zij meer vrede gaan dragen? Ik weet het niet, natuurlijk hoop ik het wel en ik bid er voor. Wat zou het fijn zijn, wanneer er bij ons in de huiskamers en in de slaapkamers en op het werk vrede was. Wat heerlijk zou het zijn, wanneer in deze weken de vredesonderhandelingen in Israël en Syrië en de Oekraïne en waar ook ter wereld eens heel werkelijk die vrededragende bergen en heilig recht dragende heuvels tot resultaat zouden hebben. Laten we daarom bidden. Laten we ook bidden om persoonlijke vrede, in onze ziel, in ons huisgezin, in ons werk.

Ondertussen denk ik aan de ezel, die zo maar met Jezus op de rug Jeruzalem binnenreed. Een dier voor nederige koningen, ja, voor DE KONING op weg naar Golgotha … GOLGOTHA: die alle bergen en heuvels in zich bergt, waar werkelijk vrede is gebracht aan een wereld, verloren in schuld … Vandaar ruist op alle bergen vrede, HEIL op der heuv’len top.

Waar blijft de tijd XII – De Oudchristelijke verkondiging deel 2

In de oerchristelijke verkondiging vinden we geen theorie over de tijd, maar er wordt, precies zoals wij dat zagen in het Oude Testament, vanuit de levenservaring over gesproken. De ervaring bij uitstek is deze: dat de tijd in Gods hand ligt. Hij heeft de tijden gemaakt vanaf het begin aan, en Hij zal aan die tijden ook het einde geven.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Nog twee begrippen zijn van belang voor het tijdsgevoel in de oudchristelijke verkondiging: “hôra” en “aiôn”. Beide woorden worden neutraal gebruikt, maar ook gekwalificeerd en eschatologisch. (neutraal in Matth.8,13 en 9,22; gekwalificeerd in Matth.10,19; eschatologisch in Matth.24,36 ,44,50). “Hôra” kan gewoon de betekenis hebben van “uur”. Bijvoorbeeld het uur voor de maaltijd in Luk.14,17, of het uur voor het gebed in Hand.3,1. Vooral in het Johannes-Evangelie komt “hora” dikwijls voor in de stringente betekenis van het “apocalytische” uur: het beslissende uur van de Zoon, de door God bepaalde tijd van Jezus’ handelen(zie Joh.2,4; 7,30; 8,20; 12,23; 13,11; 17,1 Idem openb.3,10; 9,15; 14,7,15).

“Aiôn” geeft een tijdsduur aan. Oorspronkelijk is het een aan twee zijden begrensde tijd, als een lijnstuk op een tijdslijn. Later in het Oude Testament krijgt “aiôn” duratieve betekenis: oneindige tijd, eeuwigheid. Zo kennen we in het N.T. de uitdrukking “eis ton aiôna”= in de eeuwigheid ( Luk.1,55; Joh.6,51; 12,34; 14,16; 2 Kor.9,9 (=Ps.111,9); Hebr.5,6; 17,21 enz.). Meestal wordt voor die onbegrensde tijd het meervoud aangegeven: “aiônes”, vooral in die plaatsen, waar God verheerlijkt wordt ( Matth.6,13; Luk.1,33; Rom.1,25; 9,5; 11,36; 2 Kor.11,31; Hebr.13,8; Rom.16,25; Gal.1,5; Phil.4,20; in veel teksten uit de Openbaring en in Hebr.13,21; 1 Tim.1,17 en 2 Tim.4,18).

Door invloeden vanuit het Parsisme krijgt “aiôn” ook de betekenis van “wereld”. Deze verschuiving van tijds- naar ruimtebegrip wordt in het “apocalyptische” denken doorgevoerd in de voorstelling van de twee aeonen: de “aeôn houtos”, naar achteren begrensd door de schepping en naar voren door het eindgebeuren en de “aiôn mellôn”, slechts naar één zijde begrensd door het begin bij het eindgebeuren.

In het volgende hoofdstuk zullen wij nader hier op ingaan. Dan zal blijken, hoe deze twee aeonenleer bij Paulus weerklank heeft gevonden, hoewel hij het begrip “aiôn mellôn” nooit heeft gebruikt. Van het aeôn-begrip is ook het adjectief “aiônios” afgeleid: “eeuwig, goddelijk, onveranderlijk”.

Conclusie

In de oerchristelijke verkondiging vinden we geen theorie over de tijd, maar er wordt, precies zoals wij dat zagen in het Oude Testament, vanuit de levenservaring over gesproken. De ervaring bij uitstek is deze: dat de tijd in Gods hand ligt. Hij heeft de tijden gemaakt vanaf het begin aan, en Hij zal aan die tijden ook het einde geven. Want dat de tijden naar een einde toelopen, behoort ook tot de concrete ervaring van de eerste Christenen. Maar weer is het God, Die daar een bepaalde bedoeling mee heeft en Die de tijden dan ook naar een zeker doel heenleidt. Het past alles in een heilskader, waarvan God alleen het geheim kent, en dat zich voor ’s mensen oog afrolt als de “aiôn houtos” overgaande in de “aiôn mellôn” volgens het apocalyptische schema. In het oudchristelijke kerugma staat centraal het geloof, dat het “oude” naar het “nieuwe” geschied is. In Hem is de tijd “vervuld”. Zo krijgen de tijdsbegrippen in de Oudchristelijke verkondiging als vanzelf een op Christus en het door Hem gebrachte heil gerichte betekenis. Bij Johannes is dat in het bijzonder “hôra”, dat zeer pregnant voor het Christusgebeuren als het “uur van Zijn verheerlijking” gebruikt wordt. In het volgende hoofdstuk zullen we zien, dat dit gekwalificeerde tijdsaspect bij Paulus vooral in de temporele bepalingen “nun, nuni, arti, aparti” en ook “ephapax” tot uitdrukking wordt gebracht. Het is het “NU” van het beslissende midden aller tijden, het “NU” van de heilstijd, waarin reeds vooruitgelopen wordt op het “straks” van de “laatste dag”. Op dit midden in Christus is voor het gevoelen van de eerste Christenen heel de tijd aangelegd.

Zo laten de temporele termini in de oerchristelijke verkondiging zien, dat het tijdgebonden-zijn nergens als probleem of beperking van de menselijke existentie ervaren wordt. Het is zelfs zo, dat de tijdscategorieën zonder enige schroom op God toegepast worden! Het idee van een tijdloos zijn is het oerkerugma, net als de schrijvers van het Oude Testament, volkomen vreemd. De tijd is een scheppingsgegeven: God geeft de tijd en bindt Zich daardoor ook Zelf aan de tijd. Het bijvoeglijk naamwoord “aiônios” betekent dan ook niet “eeuwig” in de Platonische zin van boven-de-tijd-uitgaande, maar van “heel lang durend, eindeloos, oneindig”.

God is het, Die ook de toekomst bepaalt, en zo staat de tijd in een typische eschatologische horizon: teleologisch gericht op God, Die komt, Die op ons toekomt, in Jezus Christus en Zijn “parousia” (=verschijning).

Waar blijft de tijd XI – De Oudchristelijke verkondiging deel 1

Bij Jezus staat de komst van het Koninkrijk centraal. Heel de prediking van de apostelen is daar een nadere uitwerking van. We gaan nu bekijken, hoe het daarmee samenhangende tijdsaspect zich afgrenst tegen het Oudtestamentische en Griekse denken en welke invloed van de Oudchristelijke verkondiging toegeschreven moet worden aan de eschatologische visie in verband met Christus’ (weder)komst.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Bij Jezus staat de komst van het Koninkrijk centraal. Heel de prediking van de apostelen is daar een nadere uitwerking van. We gaan nu bekijken, hoe het daarmee samenhangende tijdsaspect zich afgrenst tegen het Oudtestamentische en Griekse denken en welke invloed van de Oudchristelijke verkondiging toegeschreven moet worden aan de eschatologische visie in verband met Christus’ (weder)komst. Tenslotte zal ook naar voren komen, hoe dit tijdsaspect als dominant van het oerkerugma de Nieuwtestamentische theologie van de afgelopen eeuw tot controversiële standpunten heeft geleid ten aan- zien van de vraag naar de geschiedenis en de “Zeitlichkeit des Christlichen Seins” (een uitdrukking van Rud.Bultmann).

1. De tijdsterminologie van het Oudchristelijke kerugma: ”KAIROS” en ”CHRONOS”

Centraal staan de tijdsaanduidingen ”kairos” en “chronos“. Kairos heeft meestal betrekking op het “beslissende ogenblik”, waarbij vooral de nadruk valt op de er aan verbonden goddelijke beslissing (vgl Luk.12,56 en 19,44; Matth.16,3). Zo kan Paulus in Rom.5,6 van Christus’ dood “kata kairon” spreken. Duidelijk klinkt hier de goddelijke beslissing door, waardoor een tijdstip tot “kairos” wordt. Het is door God gevulde tijd! Geheel analoog aan het Oudtestamentische ervaringsdenken weten de Christenen zich opgenomen in het handelen van God, Die ook de tijd maakt tot wat zij is. Het is “tijd voor, vooral tijd voor God, om voor Hem te kiezen” ( Marc.1,15; Rom.13,11). We moeten daarom de “kairoi” onderscheiden, ze vol vertrouwen afwachten en ons dan aan Gods beslissing onderwerpen (Joh.7,6; Matth.26,18; Gal.6,9). Omdat “kairos” zijn vulling ontvangt van de teleologische heilsorde van God is het veelal ook eschatologisch geladen. Het wordt zelfs bij uitstek de term voor het eindgericht en voor het einde zelf (Luk.21,8; 1 Petr.1,5; 5,6; Openb.1,3 en 11,18). Maar het goddelijk tijdschema van de “kairoi” kent geen mens. Daarover beschikt alleen God, in Zijn eigen volmacht (Hand.1,7; 17,26; Marc.13,33; 1 Thess.5, 1vv; 1 Petr.1, 10-13). Naast de theologisch gekwalificeerde betekenis is ook de neutrale zin van “kairos” als aanduiding van tijden in de kringloop van de natuur, de levenstijdperken van de mens en van kortere of langere duur, het oudchristelijke kerugma niet vreemd (zoals in Rom.3,26; 9,9; 1 Kor.7,5,29; 2 Kor.6,2 en Gal.4,10).

2. CHRONOS

Nagenoeg gelijk aan het gekwalificeerde karakter van “kairos” is de betekenis van “chronos“, voor zover het althans als heilsgave van God functioneert. Alleen wordt “chronos” in deze zin meer gebruikt om een tijdsDUUR aan te geven, terwijl “kairos” meestal een tijdsMOMENT aanduidt. De “vhronoi” liggen als ’t ware tussen de “kairoi” in en worden door deze omsloten. Een enkele maal ook treffen wij “kairos” en “chronos” naast elkaar aan (Hand 1,7: “het is niet aan jullie om te kennen de “chronoi” en de “kairoi“). “Chronos” wordt trouwens dikwijls in het meervoud gebruikt, als de “tijden”, die elk hun betekenis hebben in het geheel van Gods tijds– en heilsorde, waarin ook duidelijk een verbinding naar het apocalyptische denken bespeurd kan worden. Zo waren er “tijden van onwetendheid” (Hand.17,30), en het geheimenis is “in eeuwige tijden” verzwegen (Rom.16,25) en voordat de “volheid” van de tijd aanbrak waren er reeds zodanige tijden van onmondigheid en onwetendheid aan voorafgegaan (Gal.4,4; Eph.1,10) en voordat de “tijden van de openbaring” (Hand.3,21) intreden, zullen er nog bijzondere tijden van het heil aanbreken. Maar ook terugblikkend op Christus’ verblijf hier op aarde komt zo’n “chronos” in ’t vizier: “nog een kleine tijd ben ik bij jullie”(Joh.7,33; zie ook Joh.12,35; Marc.2,19 en Joh.14,9).

3. HEMERA (=DAG)

Ook hier zien we een typisch gebruik, teruggaand op de Oudtestamentische, vooral profetische verkondiging. In het meervoud wordt het dan: levensdagen of perioden. In het enkelvoud krijgen we naast het gebruik in neutrale zin vooral de betekenis van gerichtsdag en heilsdag van God ( Amos 5,18,20; Joël 2,1; 3,14; Ps.36,13; Ps.109,5; Ez.22,24; Jes.34,8 etc.). In deze zin wordt “hemera” in de oerverkondiging veelvuldige aangewend. We treffen in ’t bijzonder de combinatie “dag des Heren” aan, als equivalent van het profetisch-apocalyptischeJôm Jahwe” (Luk.17,24; Joh.8,56; Hand.2,20; 1 Thess.5,2; 2 Thess.2,2; 2 Petr.3,10,12; Openb.16,14). Ook de veel voorkomende uitdrukking “hemera kriseôs” wijst op het eindtijdelijke gebeuren (Rom.2,16; Matth.11,22,24; 12,36, 10,15; Hand.17,31; Eph.4,30; 2 Petr.2,9; 3,7,12; 1 Joh.4,17; Openb.6,17). Afwisselend kan hiervoor ook “de laatste dag” staan, of “dag des oordeels”. In alle gevallen wordt er de “jongste dag” mee bedoeld, waarop de opstanding der doden zal plaats vinden.

De jas

Lang had hij gehangen in een donkere hal. Twee keer had de eigenaar hem gedragen en daarna snel weer teruggehangen en opgelucht de haldeur achter zich gesloten. De jas begreep het niet, lang en zwart, was daar iets mis mee?

Lang had hij gehangen in een donkere hal. Twee keer had de eigenaar hem gedragen en daarna snel weer teruggehangen en opgelucht de haldeur achter zich gesloten. De jas begreep het niet, lang en zwart, was daar iets mis mee? Hij was niet alleen verdrietig, maar werd ook bokkig tegen de andere jassen die op hun beurt niet meer tegen hem aan wilden hangen. Hij voelde zich eenzaam. Maar op een koude decemberdag nam de eigenaar van de jas met een ferme greep de jas mee en werd hij op de achterbank van de auto gemikt, de jas ging uit rijden. Niet heel rustigjes, nee er werd ferm gereden. Ondertussen neuriede de bestuurder vergenoegd iets onduidelijks en dat niet alleen, hij stak er zelfs al rijdend een sigaar bij op. De jas rilde. Ze bereikten zonder narigheid het doel van de tocht en even later hing de jas in een andere hal tussen frivole jassen, die aangenaam geurden. Hij schuurde lichtjes tegen een rood exemplaar, een grijze jas deed vriendelijk en toen twee korte jasjes contact zochten werd de jas blij en bungelde aan de kapstok of hij er al jaren aan had gebungeld.

Het werd kouder, de eerste sneeuwvlokken dwarrelden naar beneden. Toen op een morgen overal de kerkklokken beierden greep de eigenaar de jas bij de kraag en mompelde: ‘Eens kijken hoe je zit en of ik niet voor gek loop.’ De jas vond dat heel onaardig en besloot terug te vechten. Hij plooide zich fraai om de drager en samen gingen ze op stap. Er ging een wereld voor de jas open: fietsers, auto’s, een trein, schepen die aan kade lagen gemeerd. Een rivier had hij nooit gezien, de oversteek vond hij spannend. Ze kwamen in een gebouw, waar de jas haastig tussen andere jassen werd geduwd aan een onhandige ophanghaak. Er klonk orgelmuziek, mensen zongen, de jas raakte ontroerd. Er kwamen onvermoede eigenschappen naar boven. Was hij voorheen strak en ingehouden, bij de wandeling terug liet de jas in speelse wendingen het spel van de wind toe. Toen hij weer in de hal hing was hij verrukt, maar vooral verrukt over zijn andere kijk op het dagelijkse leven. Het voorjaar naderde, de jas werd aan de nog kale pruimenboom gehangen om te luchten en ging toen weer mee naar de donkere hal van voorheen. Was die hal werkelijk zo donker? Het viel de jas mee, hij was blij zijn oude vrienden te ontmoeten. Opgetogen vertelde de jas aan de andere jassen over zijn belevenissen. ‘We moeten anders gaan kijken, de voordelen zien van deze plek, wat meer lachen en elkaar helpen als we treuren omdat het niet gaat zoals we zouden willen.’ Het duurde wel even voordat de anderen de nieuwe levensvisie van de jas begrepen en overnamen. En was er een sombere dag, dan vroegen ze de lange zwarte jas te vertellen over het leven daar bij die rivier. Het werd ook een beetje hun verhaal…

Aly Brug

Waar blijft de tijd X – De gnostische tijds- en geschiedsbeschouwing

De gnostiek is een stroming in het begin van het Christendom, die uitging van “gnosis” (=kennis), waarmee bedoeld wordt de mystieke kennis over de aard en het wezen van mens en wereld. In 1945 werden, bij Nag Hammadi in Egypte 52 gnostische geschriften gevonden uit de begintijd van het christendom, waardoor we over die stroming veel te weten zijn gekomen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De gnostiek is een stroming in het begin van het Christendom, die uitging van “gnosis” (=kennis), waarmee bedoeld wordt de mystieke kennis over de aard en het wezen van mens en wereld. In 1945 werden, bij Nag Hammadi in Egypte 52 gnostische geschriften gevonden uit de begintijd van het christendom, waardoor we over die stroming veel te weten zijn gekomen. De syncretistische, uit Oosterse en Griekse elementen opgebouwde gnostische systemen uit de Hellenistische wereld van Jezus’ tijd zijn geworteld in een mythologisch wereld- en  mensbeeld, dat dualistisch is van structuur: God en wereld staan als geest en stof tegenover elkaar. Het eigenlijke “zelf” van de mens is van huis uit “geest”, goed en licht, maar het is in de donkere, boze, stoffelijke wereld gevangen en dient daaruit dan ook verlost te worden om weer EEN te worden met de lichtbron: God. Dit is echter alleen mogelijk, wanneer de mens “gnosis” krijgt van de transcendente goddelijke lichtbron en daarmee ook van zijn eigen geestelijke “innerlijke zelf” en zijn gevangen zijn in deze wereld. Wat bevrijdt is de kennis van wat wij waren en wat wij werden, waar wij waren en waarin wij geworpen zijn, waarheen wij ons spoeden en waarvan wij verlost zijn, wat geboorte is en wat wedergeboorte. Deze kennis kan de mens uit zichzelf niet verkrijgen, verduisterd als hij is in deze donkere wereld, maar moet hij van God ontvangen. Hier biedt de “mythe van de Verlosser” uitkomst: God stuurt de Verlosser naar de wereld om aan de mensen die kennis te openbaren, waardoor de mens bevrijd wordt uit de stoffelijke verduistering en gelijktijdig zich zelf en God hervindt. De zending van deze transcendente Verlosser begint reeds voor de schepping van de wereld, aangezien de oerval van het goddelijke lichtelement aan de schepping vooraf was gegaan. In een langdurig proces, parallel lopend aan de geschiedenis van de wereld, brengt de Verlosser door de “wekroep van de gnosis” de verloren gegane goddelijke deeltjes weer terug bij de oerbron, totdat het goddelijke geheel weer “vol” is. Na de voltooiing van dit proces zal, volgens sommige systemen, de kosmos, van al zijn lichtelementen beroofd, als van zelf tot een einde zijn gekomen.

Wat de tijdsbeleving betreft, moeten we in de eerste plaats vaststellen, dat in de verschillende vormen van het gnosticisme meer ruimtelijke dan tijdsvoorstellingen een rol spelen. Het ENE centrale beleven is dat van de wereld als een ommuurde gevangenis. Wij bevinden ons hier in de typische Griekse sfeer van ruimtelijke beleving, vermengd met dualistische elementen van oosterse origine, welke overigens ook aan het oude Griekse denken niet vreemd waren (vgl. de dualistische visie op de wereld bij Plato en Aristoteles). Van enige lijnrechte voortgang in tijd en geschiedenis als opeenvolging van gebeurtenissen is geen sprake, of het moest zijn het einde van de wereld, wanneer alle lichtdelen zijn verzameld in de goddelijke lichtbron. Maar dit laatste is meer een theoretische kwestie, welke ter sprake komt in het geheel van de kosmologie. Door de mensen beleefd, in een verwachten en hoopvol uitzien naar, wordt dit einde niet. Het is derhalve niet zo, dat hier toch een teleologische tendens omtrent het lot van de aarde om de hoek komt kijken. Het tegendeel is het geval: het lot van de aarde is geenszins iets om zich druk over te maken, stoffelijk en verduisterd als zij is! Hoop op een “nieuwe” aarde komt daardoor helemaal niet in het gezichtsveld. Wel hoop op een keer in het lot van de “ziel”, die door het Licht dat in deze wereld gekomen is, eens zal worden weggeroepen uit de aardse woning. Het wonen hier op aarde is immers een tijdelijke toestand, waar de ziel zo snel mogelijk vanaf dient te komen. Dit is het enige tijdsaspect wat we in het gnosticisme tegen komen: het tijdelijke en voorbijgaande karakter van ons verblijf hier op aarde. Veelvuldig voorkomende uitdrukkingen, die ook ons bij het lezen van Paulus vertrouwd in de oren klinken, zoals “bijwoners en vreemdelingen in deze wereld” , de “aardse woning  en “het lichaam is een tent” of “kleding” (het voorbijgaande omhulsel) onderstrepen dit tijdelijke karakter van het aardse verblijf der ziel. In menig opzicht heeft het gnostische denken in de geschriften van het Nieuwe testament doorgewerkt, waarbij niet alleen aan het Johannes-Evangelie gedacht hoeft te worden, maar zeker ook aan de werken van Paulus en  de secundaire Paulinische Kolossenzen- en Epheze-brief.  Het verdient in ieder geval aanbeveling te onderzoeken, in hoeverre ook het tijdsbeleven bij Paulus door het gnostische denken is beïnvloed. Zeker kunnen sporen van de gnostische Verlossermythe teruggevonden worden in de Paulinische leer van de val der schepping (Romeinen 8,19-22), van Adam’s val (Romeinen 5,12-17), het gebruik van het beeld van de hemelse Verlosser (1 Kor.2,8; 2 Kor.8,9 en Phil.2,6-11) en de heilsgemeenschap met de Verlosser in het “lichaam van Christus” (1 Kor.12 en Rom.12), waarbij echter bedacht moet worden dat Paulus hier de taal van zijn tegenstanders overneemt.

Waar blijft de tijd IX – Tijdsbegrip en geschiedenisbeschouwing in Qumran

De levensbeschouwing van Qumran wordt gedragen door de centrale gedachte, dat het einde van de wereld met de daarmee samenhangende “apocalyptische” gebeurtenissen ieder ogenblik verwacht kan worden. Er zijn zelfs tekstgedeelten, waarin zo sterk in het einde van de wereld geloofd wordt, dat het als ’t ware als reeds aangebroken wordt gezien.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

“QUMRAN” is een kloostergemeenschap, een aftakking van de zgn. Essenen. Zij leefden vlak bij de Dode Zee. Bekend zijn zij geworden door de “Dode Zee rollen”, die daar gevonden zijn en grote gedeelten van het Oude Testament bevatten. In die rollen komen ook de kloosterregels voor zoals de “gemeenschapsregel” en de “regel van de Zegenspreuken”. De teksten van Qumran zijn echt apocalyptisch. Toch is het goed er nog eens kritisch naar te kijken, omdat naar veler overtuiging daardoor een beter verstaan van het Nieuwe testament mogelijk wordt. Er liggen namelijk verbindingen tussen de gemeenschap in Qumran, de Essenen, Johannes de Doper en dus ook Jezus.

De levensbeschouwing van Qumran wordt gedragen door de centrale gedachte, dat het einde van de wereld met de daarmee samenhangende “apocalyptische” gebeurtenissen ieder ogenblik verwacht kan worden. Er zijn zelfs tekstgedeelten, waarin zo sterk in het einde van de wereld geloofd wordt, dat het als ’t ware als reeds aangebroken wordt gezien. De Gemeenschap van Qumran vindt daarbij, dat zij de laatste Gemeente van God op aarde zijn. Zo wordt door de “leraar der gerechtigheid” de Gemeente zelfs vergeleken met een onneembare stad, die er uit ziet als het eschatologische Jeruzalem. Die deel uitmaken van deze Gemeente vormen de laatste generatie. Het einde wordt niet alleen maar verwacht, het IS er al. Weliswaar heeft het zich nog niet helemaal voltrokken en is het allerlaatste nog niet definitief aangebroken, maar de levende generatie van NU zal dat zeker nog meemaken. Het verlangen naar het einde is zo sterk, dat men allerlei berekeningen daarvan gemaakt heeft, welke men – toen het einde uitbleef- steeds weer heeft herzien. Ja, zelfs worden er pogingen in het werk gesteld om het einde te bespoedigen door middel van leugenprofeten. Wanneer de eindtijd zal zijn aangebroken, zal de echte brenger van het heil naar voren komen: de LERAAR DER GERECHTIGHEID.

Uit dit alles blijkt, hoe de Qumraanse visie op het einde van de wereld veel algemeen Joodse apocalyptische trekken heeft. Alleen is de toekomstgerichtheid zo allesbeheersend, dat het verleden met het reeds gebrachte heil van God helemaal uit het vizier verdwenen is. Wel kan gesteld worden, dat het tijdsverstaan van Qumran met zijn eschatologische gerichtheid en de daarin centraal staande “reeds – nog niet” dialectiek sterk aan dat van het Nieuwe Testament verwant is.

Waar blijft de tijd VIII – Apocalyptische tijdsvoorstellingen

Apocalyptiek is een verzamelnaam voor joodse en christelijke literatuur met onthullingen over de verborgen dingen, d.w.z. over het einde van de wereld en het komende eeuwige rijk Gods. De zgn “apocalypsen” ontstaan in de 2e eeuw v.C tot de 2e eeuw n.C. In de Bijbel heb je alleen de “Openbaring van Johannes”. Centraal thema is “Het einde der tijden is nabij”.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Apocalyptiek is een verzamelnaam voor joodse en christelijke literatuur met onthullingen over de verborgen dingen, d.w.z. over het einde van de wereld en het komende eeuwige rijk Gods. De zgn “apocalypsen” ontstaan in de 2e eeuw v.C tot de 2e eeuw n.C. In de Bijbel heb je alleen de “Openbaring van Johannes”. Centraal thema is “Het einde der tijden is nabij”. De oorzaak van het verschijnsel der apocalyptiek moet worden gezocht in de teleurstelling, welke spoedig na de ballingschap ontstond, toen de aanvankelijk hooggestemde verwachtingen niet uitkwamen. Wat vaker in de geschiedenis van de mensheid is voorgekomen gebeurt ook hier: nu het goddelijke kennelijk op aarde geen verwerkelijking kan vinden , wordt het in een andere wereld overgeplaatst. Zo ontstaat er een scheiding tussen de wereld van God, die Boven is, en de aardse werkelijkheid hier beneden, die slecht is en daarom ook verdoemd om verloren te gaan: na de “aioon houtos” (=deze wereld) komt de “aioon melloon” (de toekomstige wereld). Op deze dualistische denkwijze heeft ook het contact met de Perzische wereld uit de ballingschap invloed gehad. God en het kwade, licht en duisternis, staan tegenover elkaar! Het kwade wordt gepersonifieerd in een duivelsfiguur, die op demonische wijze deze wereld beheerst. Maar aan deze macht van de duivel zal een eind komen, want op het einde der tijden, wanneer de tijd “vol” zal zijn, zal er een strijd plaats vinden tussen de werelddemon en de Messias, die God zendt. Hoor bv. de “Apocalyps van Baruch”: “O Heer, U roept het komen der tijden, en zij staan voor U; U laat de heerschappij van de werelden “(48,2). Het zal een vreselijke strijd worden, vergaan, en zij streven U niet tegen; U ordent de loop der jaargetijden en zij gehoorzamen U “. Een strijd, die zal eindigen met de algehele overwinning van God. We lezen in 4 Ezra: “Want Hij heeft op Zijn weegschaal de AEON afgewogen. Hij heeft de uren met Zijn maat gemeten en volgens het getal der tijden geteld. Hij stoort ze niet en wekt ze niet op, totdat de vastgestelde maat vol is… Zie, de dagen zullen komen, wanneer Ik naderbij kom… ten tijde, dat Sions vernedering vol is en de aflopende AEON verzegeld (=voleindigd)… Toen bezag de Hoogste Zijn tijden: zie, zij waren ten einde, en zijn AEONEN, zij waren vol.” Na die strijd zal de heilstijd van God aanbreken. De Messiaanse heilsfiguur zien we ook dikwijls als de “ZOON DES MENSEN” optreden: in Henoch, in 4 Ezra en vooral in Daniël, de Apocalyps uit de 2e eeuw v.C., die van grote invloed is geweest op de gedachtewereld van het Nieuwe Testament.
Laten we de tijdsvoorstellingen van de apocalyptiek nader bekijken.

Typerend zijn:

  1. De eindstrijd van de volken vóór de definitieve doorbraak van het heil.
  2. De berekening van de “volheid der tijden”, d.i. het moment van de vervulling der heilsverwachting. Wij kennen dit het best uit Daniël 9, gebaseerd op getallenspeculaties. De komst van de Messias valt daarbij niet altijd samen met het begin van de nieuwe AEON. In sommige geschriften brengt de Messias al direct het toekomstige heil, in andere gelden de dagen van de Messias als voorbijgaande tussentijd, waarna pas de nieuwe AEON zal aanbreken. De tussentijd wordt daarin meestal op 400 of 1000 jaar gesteld.
  3. De leer van de “Zoon des mensen” en de “Jôm Jahwe” (Dag des Heren). Deze ligt duidelijk in het verlengde van de profetische geschiedbeschouwing, waarin de wereld het oordeel op de “Dag des Heren” tegemoet ging om daarna totaal vernieuwd te worden. Het ligt voor de hand, dat met name de moeilijke situatie van het Joodse volk in de Hellenistische tijd onder de Seleuciden, van wie vooral Antiochus IV genoemd moet worden, aanleiding is geweest terug te grijpen op de profetieën van de door het oordeel heen naderende heilstijd. Zo ontstonden verschillende apocalypsen, waaronder Daniël, als visionaire handreikingen ter bemoediging van het volk om gelovig vol te houden.
  4. De periodisering en het determinisme. De zo sterk op het einde gerichte tijdsbeschouwing van de apocalyptici leidde tot de tendens de tijden te gaan berekenen. De wereldtijd werd in het algemeen op 6.000, 7.000 0f 12.000 berekend, en de periodisering kwam tot stand via verschillende systemen van  symbolische getalwaarde, zoals 3, 3,5, 4, 7, 10, 12 en 70. Dit periodesysteem is naderhand verkort tot de leer van de twee AEONEN. De komende AEON is een totaal nieuwe wereld, het absoluut laatste, waarachter niets meer komt noch komen kan. Die wereld kan worden gekwalificeerd als “eeuwig” = “buiten de tijd”. Duidelijk wordt hier een verschuiving zichtbaar van “tijd” naar “ruimte”. In de komende AEON zijn geen jaren, geen dagen en geen uren meer. Het geheel zal verlopen volgens een eeuwig plan van God, een vast plan, die de apocalyptische tijd- en geschiedbeschouwing de neiging geeft tot determinisme: de loop van de wereld gaat onverbiddelijk het in Gods raadsbesluit vastgestelde doel tegemoet. Alles heeft zo z’n door God bepaalde tijd en behoort tot het plan van God met deze wereld, als een teken van het naderende einde.
  5. De eenheid van plaats, tijd en handeling is verbroken. Was bij de profeten het toekomstbeeld nog vastgelegd in categorieën behorende tot deze wereld en tot deze tijd en tot de handeling van de Messiaanse heilsfiguur hier op aarde, in de apocalypsen is dat geheel anders. Het nieuwe rijk komt niet op DEZE  wereld, want DEZE wereld wordt vernietigd en er komt een andere, een geheel nieuwe, van God. Ook de tijd is een andere, zij is niet meer, want wij treden de eeuwigheid binnen en de aan deze AEON klevende tijd is opgeheven. En ook de handeling is verschoven: God handelt niet meer alleen door de Messias, maar er zijn talrijke heilsfiguren, die optreden, al is het ook met voorbereidend werk op de komst van  de Messias, Die Zelf de heilstijd ten volle meebrengt. De Messias heeft Zijn oerbeeld in de geïdealiseerde figuur van koning David, ook wel de “mythische mens”(Zoon des mensen)  genoemd, of de priester- en paradijskoning (zie Test.Lev.18,8-11). Soms wordt Hij geïdentificeerd met de profeet, die als terugkerende Mozes, Elia of Henoch verwacht wordt. Als “voorloper”ontmoeten we meestal Elia, die de Godsheerschappij naderbij brengt; in Qumran is dat de “leraar der gerechtigheid”.

Zo is de apocalyptiek een bloemrijk geheel van syncretische heilsverwachtingen, doch geënt op het onuitroeibare Joodse Godsvertrouwen, dat God de tijden in handen heeft. De apocalyptiek kan daardoor ondanks zijn vreemdsoortige uitwassen toch de brug genoemd worden, die het Oude en Nieuwe Testament in de eschatologische tijdsbeleving met elkaar verbindt.

 

Waar blijft de tijd VII – Hoe beleven de profeten de tijd?

De profeten gaan uit van de toekomst. Verleden en heden zijn daarbij vergeleken maar bijzaak! Ook de geschiedenis buiten Israël wordt in het goddelijke heilshandelen opgenomen. Hoe kwamen de profeten tot deze ommekeer, die van zo grote invloed geweest is op de Nieuw-Testamentische theologie? Het is de zekerheid, dat volk Zijn volk niet zou loslaten, sterker nog: dat Hij iets geheel nieuws zou brengen!

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

De profeten gaan uit van de toekomst. Verleden en heden zijn daarbij vergeleken maar bijzaak! Ook de geschiedenis buiten Israël wordt in het goddelijke heilshandelen opgenomen. Hoe kwamen de profeten tot deze ommekeer, die van zo grote invloed geweest is op de Nieuw-Testamentische theologie? Het is de zekerheid, dat God Zijn volk niet zou loslaten, sterker nog: dat Hij iets geheel nieuws zou brengen! Deze “eschatologische” (het Griekse “eschaton” betekent “uiteinde”) visie merken we al op in de ballingschap en in de ellendige tijd daarvoor. Niet dat daarmee iets vreemds in het tijdsbewustzijn van Israël wordt binnengebracht. Het heilshistorische denken slaat in zekere zin eigenlijk alleen maar om, omdat het niet meer zo gericht is op wat geweest is, maar meer op wat nog komen moet. Het is ook  niet nieuw in deze zin, dat het een gevolg zou zijn van nationaal optimisme, een wensdroom van het volk, dat op zij cultus uitgekeken was. Het is wel te verklaren vanuit een versterkte beleving van Gods werkelijkheid, en wel van die God, Die als heilig God van het Verbond van meet af aan het volk was verkondigd: “Ik zal u tot een God zijn en gij zult tot een volk zijn”.  Uit dit geloof alleen is de profetische toekomstverwachting geboren. Tot op de dag van vandaag staat deze functie van het geloof met betrekking tot de geschiedenis en het verstaan van de tijd in het Joodse denken nog centraal. De geschiedenis is een functie van het geloof en niet omgekeerd!

Wij kunnen in de ontwikkeling van de heilsgedachte in het Oude Testament een viertal perioden onderscheiden:

  1. De prae-eschatologische: de tijd voor de klassieke profeten, waarin de tijd van de “Jôm Jahwe” (de dag des Heren) vooral wordt gezien vanuit de terugkeer van het Davidische koningshuis (Vgl.Gen.49; Num.23 en Dt.33). “Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn! (2 Sam.7,14). De toekomst wordt nog sterk in het licht van het verleden gezien, overeenkomstig de Deuteronomische heilsverwachting. Toch zitten in de periode al elementen, die de volgende eschatologische periode van Jesaja tot Amos en Jeremia funderen.
  2. De proto-eschatologische: het tijdperk van de klassieke profeten, waarin de wending van de blikrichting plaats vindt van verleden naar toekomst, van het nationale Israël naar de universele wereld. In visionaire blikken wordt een nieuw volk en een nieuw rijk gezien, dat de wereld gaat omspannen en dat gedragen wordt door de geest van God. Dit toekomstige nieuwe rijk is een “acharît”, een “eschaton” (vgl.Jes.2, 10-18; 11, 6vv, 11vv.).
  3. De nabij- (of zich realiserende)-eschatologische: de periode van Deutero-Jesaja  (Jes.40-55) en Ezechiël. Het Godsrijk wordt door hen niet alleen als toekomstig gezien, maar reeds als aanwezig ervaren. De wereld staat aan de drempel van veranderingen. Vandaar dat tot Israël nu profetische oproepen komen om een licht der wereld te zijn, terwijl ook de volken worden uitgenodigd deel te hebben aan de heerlijkheid van Sion (vgl.Jes.42,49; 55 en 56).  Deutero-Jesaja ziet het doorbreken van de laatste dag in een zeer nabije toekomst (vgl.Jes.41,20; 43,7;  44,24;  45,8;  46,9;  48,6). Het betekent voor hem het einde van de periode van het oordeel over zijn volk (Jes.40, 1v; 51,17v) en het begin van de grote heilsperiode van God (Jes.40,3v; 52,14v). In het geheel van dit nabije toekomstperspectief neemt de “Ebed Jahwe”(Zoon van God) een belangrijke plaats in: Hij is als ’t ware in het verzoenend lijden de Middelaar van oordeel naar heil, van verleden naar toekomst, van uiterlijke naar innerlijke vernieuwing (vgl.Jes.43, 1-7;  49,1-7;  50,4-11 en vooral 52,13-53,12).
  4. De De transcendent-eschatologische: de tijd na de ballingschap, die de ontwikkeling weergeeft naar de apocalyptiek. Direct na de ballingschap is er een enthousiaste verwachting geweest, dat het heil NU zou gaan doorbreken, nu de staat van Israël werd herbouwd (vgl.Haggaï 2, 21vv; Zach.3v en Trito-Jesaja 60-65). In deze jong-profetische periode wordt naderhand het kosmische element meer benadrukt (Joël 3), waarnaast het persoonlijke heil meer en meer wordt getranscendeerd. Dit moet waarschijnlijk toegeschreven worden na een zekere bekoeling na het eerste enthousiasme (vgl. Ezra 3,12vv en Maleachi 1,2;  2,17 en 3,6-12). Een vergelijking is te maken met de tijd na onze bevrijding in 1945 en volgende jaren! Tezamen heeft dit met beïnvloeding vanuit het Parsisme en Hellenisme tot de apocalyptiek geleid. Daarover in het volgende hoofdstuk meer.

Duidelijk blijkt, hoe ook in deze indeling van perioden de tijdsbeleving in het Joodse denken voortkomt uit Godservaring. Dat de ervaring van Gods heerschappij en de vervulling van Zijn beloften aan schommelingen onderhevig is, al naar gelang de positie van Israël in correspondentie met de wereldgeschiedenis, lijkt mij vanzelfsprekend. Ook in onze huidige tijd is dat het geval. Toch zal het eerder moeten worden toegeschreven aan de hierdoor ontstane blikverruiming cq. -vernauwing dan aan verandering van geloofsinstelling. Centraal blijft immers in de wisseling der tijden de diepgevoelde beleving van Gods almacht over de tijd en de geschiedenis, individueel en universeel.

Gera Kroes

Grootvader Philip had een gezin met zes kinderen, die hij stuk voor stuk stimuleerde een goede opleiding te volgen. ”Hij was een prima slager, iemand met een vooruitziende blik en zakelijk inzicht.” Philip gaf de liefde voor het ambacht door aan zijn zoon Willem, die het bedrijf later voortzette.
Gera: ”En met Flip was ’t hetzelfde. Ongelooflijk om te zien hoe hij van een mooi stukje vlees kon genieten.” Haar man was de derde boreling in het gezin met vier zonen en twee dochters.

Rund- en varkensslagerij Ph. Kroes

Ambachtelijke rookworst volgens familierecept
De tweede editie na de oorlog van de Slagers Vaktentoonstelling in Utrecht leverde in 1947 voor de Nieuw-Vennepse slager Willem Kroes de eerste Slavakto onderscheiding op vanwege zijn voortreffelijk gevulde kalfsborst en salami. Gera Kroes, weduwe van zijn zoon Flip, heeft de oorkonde al die jaren ingelijst bewaard. Haar man zette de traditie voort met bekroonde zelfgemaakte worsten en de heerlijkste hammen. De ambachtelijke rookworst volgens familierecept is nog steeds te vinden bij slagerij Kroes aan de Hoofdweg 1336, inmiddels onder supervisie van André van Duivenvoorde.
Slagersvrouw Gera Kroes-den Breejen (1946, Bennebroekerdijk, Cruquius) heeft moeten leren van het vak te houden. ”Ik vond het eerlijk gezegd in het begin helemaal niets.” Niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat deze telg uit een bekend transportbedrijf in een heel andere omgeving was opgegroeid. Toen ze de Nieuw-Vennepse slager in 1971 op de bruiloft van zijn zus Ank met Herman Roos leerde kennen, had ze een baan als adjunct directrice van bejaardenhuis Aar en Amstel in Nieuwkoop.

Haar deelneming aan het arbeidsproces was zij indertijd begonnen als verkoopster in een Haarlemse modezaak. Na een paar jaar had ze het in die branche wel gezien en koos ze voor de bejaardenzorg. Ze werkte zeven maanden in een tehuis in Zuid-Engeland en kwam vervolgens, terug in Nederland, in een particulier verpleeghuis in Driebergen terecht. De volgende stap was Nieuwkoop.
In Flip Kroes (1939) ontmoette ze de derde generatie van een bekende Vennepse slagersfamilie. Zijn grootvader Philip, naar wie hij is vernoemd, liet in 1890 aan de Hoofdweg een pand bouwen voor zijn slachterij annex winkel en woonhuis. ”Hij was daarmee de eerste in het dorp”, weet Gera. Uit die tijd dateert ook de fraaie gevelaanduiding met de familienaam, vervaardigd van puur marmer. ”De trots van de familie.”

Grootvader Philip had een gezin met zes kinderen, die hij stuk voor stuk stimuleerde een goede opleiding te volgen. ”Hij was een prima slager, iemand met een vooruitziende blik en zakelijk inzicht.” Philip gaf de liefde voor het ambacht door aan zijn zoon Willem, die het bedrijf later voortzette.
Gera: ”En met Flip was ’t hetzelfde. Ongelooflijk om te zien hoe hij van een mooi stukje vlees kon genieten.” Haar man was de derde boreling in het gezin met vier zonen en twee dochters. Al jong raakte hij bij het slagersbedrijf betrokken. ”Flip werd van de ulo gehaald om in de winkel te helpen. Hij was vijftien toen hij zijn eerste koe slachtte. Dat gebeurde terwijl zijn vader een middagdutje deed. Hoewel het prima was gegaan, was vader Willem er achteraf niet blij mee.”
Flips oudere broer Arie zat ook in het vak, maar werkte in Lisse bij een slager. Al snel begon hij een eigen zaak in Woubrugge. Zijn broer Cees was eerst slager en is daarna keurmeester geworden.

Overgang
Voor Gera was de overgang van de zorgsector naar dit milieu erg groot. ”Het ging ook allemaal nogal abrupt. Je moet je voorstellen dat we op woensdag waren getrouwd. Dan kreeg ik die donderdag vrij, maar op vrijdag stond ik in de winkel en moest ik slavinken bereiden. Dat deed ik natuurlijk niet goed. Wist ik veel. Ik deed trouwens heel veel niet goed in het begin.”
Van het slagersvak had ze geen kaas gegeten, maar ze was gek op haar Flip en deed haar best er iets van te maken. Dat is ten slotte aardig gelukt, getuige haar jarenlange bijdrage aan de bedrijvigheden. Gera was aanvankelijk vooral ‘van de uitbreng’. ”Op dinsdag, donderdag en vrijdag gaf de klant per telefoon ’s morgens bestellingen op en dan ging ik de spullen ’s middags afleveren. Aanvankelijk bracht Flip zelf op vrijdag het vlees en op zaterdag de vleeswaren bij de mensen thuis.”
Ze memoreert dat haar man soms op zaterdagavond maar meestal op zondag de rekeningen uitschreef om die op maandagmiddag te gaan innen. ”Daar kwamen we best wel eens aan te kort, want niet iedereen had geld klaarliggen en dan moest je er steeds weer achteraan.” Dit was duidelijk niet haar favoriete bezigheid.
”Ik heb wel eens meegemaakt dat ik aanbelde met de bestelde vleeswaren en er niet werd opengedaan, terwijl mevrouw op het balkon in het zonnetje zat. Na een paar keer roepen en nog eens bellen, ben ik rechtsomkeert gegaan. Bekijk het maar, dacht ik.” Ze pauzeert even. ”Kwam die klant later zelf de boodschappen halen, hartstikke kwaad. Ik heb ‘r toen verteld hoe ik erover dacht. Belachelijk toch!”

Slachtvee
Naast woongedeelte en winkel aan de straatkant, bevond zich een poort die naar de slachtplaats leidde. “Elke maandagmorgen werd er geslacht. Dat heeft Flip tot eind jaren 90 gedaan. Het ging om varkens en koeien. Het vee kwam van Klaas van der Spek uit Abbenes, de man van Flips zus Bep. Hij leverde varkens die lekker in de modder hadden liggen woelen en prachtige dikbillen, bij wijze van spreken zó uit de wei vandaan.”
Het gebeurde wel dat hij op jonge leeftijd samen met zijn zus Bep lopend naar Abbenes ging om een koe op te halen. Dat kon rustig want veel verkeer was er nog niet. Toen Flip op een dag een koe uit de veewagen haalde, trok het dier hem hard richting de Hoofdvaart. “Flip was niet erg groot en werd meegesleept. Bij de vaart aangekomen stopte de koe abrupt met het gevolg dat Flip over haar heen het water in schoot.”
Het kwam herhaaldelijk voor dat een koe in de buurt van de slachtplaats wild in de kop werd en losbrak. “Op een ochtend kwam een koe de winkel binnen. Iedereen schoot weg, maar Flip was er niet bang van en heeft haar de gang in kunnen krijgen. Daar liep ze vast en toen moest hij het dier te plekke afschieten met gebruik van een masker en daarna verder afmaken.”
Gera herinnert zich dat het nog een heel gedoe was om de dode koe weg te slepen en alles weer schoon te krijgen. Ze praat er vrij nuchter over. “Dat leer je wel”, reageert ze laconiek. Een andere keer liep een rund met een noodgang de veewagen uit, door de poort, zo richting achterdeur en daar bleef het dier met de hoorns in het glas hangen.
De schutting van de buurman moest het ook eens ontgelden. Ook toen werd een rund ‘opstandig’ en stortte zich zó op het houtwerk. “Achteraf kwam het mooi uit, want de boel moest toch worden gesloopt. Maar dat wisten wij niet.”
Waar zowat het halve dorp bij betrokken raakte, was bij een uitgebroken koe die de straat opging. “Je moet je voorstellen. Iemand sloeg een stofdoek uit het raam en zag een koe voorbij draven. Er zat een man op een bankje, toen het rusteloze dier achter hem langs schoof… Een slapstick film was er niets bij.”
Gera vertelt het lachend, als een anekdote. “Maar toen had je toch wel schrik. Uiteindelijk hebben Flip en medewerker Piet van der Knijff het dier weten te vangen. Piet was onze man in de worstenmakerij. Hij werkt er trouwens nog steeds. Toen wij ermee stopten en de zaak in 2004 konden overdoen aan Van Duivenvoorde, is Piet gebleven.”

Veranderingen
In 1975 werden diverse veranderingen doorgevoerd. In dat jaar stierf Willem Kroes. Hij was al eerder weduwnaar geworden. ”Mijn schoonmoeder Bep heb ik nooit gekend”, aldus Gera, die in 1971 met Flip trouwde. Het jonge stel ging wonen in het gedeelte naast de winkel. Op de eerste verdieping huisde vader Willem.
Ze kregen drie kinderen, achtereenvolgens dochter Elma (1972), zoon Remco (1974) en dochter Willy (1977). Remco hielp vanaf zijn veertiende en tijdens zijn universitaire studie geregeld mee in de zaak, maar het bedrijf voorzetten was niets voor hem. ”Elma was altijd op zaterdag in de winkel te vinden om de boel schoon te houden en vooral plakjes worst uit te delen. Dat was haar wel toevertrouwd.”
Na het overlijden van Willem Kroes besloten Flip en Gera het pand te verbouwen. ”De winkel werd uitgebreid met ons vroegere woongedeelte en daarnaast kwam er een deur, met een opgang naar boven waar we toen zijn gaan wonen. Vóór die tijd moesten wij altijd door de winkel naar ons privévertrek en dat was natuurlijk knap lastig.”
Al eerder was besloten met het bestelwerk te stoppen, tot vreugde van Gera. ”In het begin werd er wel gemopperd, kregen we boze reacties, vooral van klanten buiten het dorp, maar het wende snel hoor. Ik was er blij mee, want nu kwamen de klanten naar de winkel en dat vond ik veel gezelliger.”
De slagersvrouw beseft dat ze haar werk naar behoren kon doen dankzij assistentie van buitenaf. ”Ik heb jarenlang een hulp in huis gehad. Henny Duwêl. Zij kwam in 1978 in ons gezin en is gebleven totdat we stopten met de zaak. Dat gaf grote steun.” In de winkel kreeg ze haar handen meer vrij nadat de zusjes Lia en Lenie van Saase uit Hillegom kwamen helpen.

Hofleverancie
Een jaar met een gouden randje is 1991. Toen vierden Flip en Gera samen met familie en zo’n achthonderd trouwe klanten in een zaal van Treslong in Hillegom het honderdjarig bestaan van het slagersbedrijf. Bij die gelegenheid werden zij vereerd met het predicaat Hofleverancier. Het fraaie schild sierde tot voor kort de gevel van het pand aan de Hoofdweg.
Het was burgemeester Van Dulst die de onderscheiding uitreikte. ”Dat deed hij toen voor het eerst”, weet Gera. ”Hofleverancier betekent trouwens niet dat je letterlijk aan het Koninklijk Huis levert. Het gaat erom dat je een familiebedrijf bent dat al generaties lang ‘van onbesproken gedrag’ op een ambachtelijke manier werkzaam is.”
Het echtpaar had het Westlands Mannenkoor uitgenodigd voor de muzikale omlijsting. Het koor bracht onder meer een lied op de wijs van de herkenningsmelodie van de toen populaire televisieserie De Glazen Stad, met een aangepaste tekst voor de feestelingen.
Wat bijdroeg tot de sfeer was het feit dat familieleden zich hadden gehuld in kleding van honderd jaar geleden. ”Alles bij elkaar was het een fantastische avond”, aldus Gera, die niet onvermeld wil laten dat ze een rekening hadden geopend in plaats van cadeaus. ”En daar kwam ruim 12.000 gulden op. Dat bedrag werd besteed aan een video apparaat met toebehoren voor de school van onze oudste dochter en een til lift voor de Cruquiushoeve.”

Kerkenwerk
Drie jaar nadat de bedrijvigheden waren beëindigd, overleed Flip Kroes. ”We waren toen al weg van de Hoofdweg en verhuisd naar Getsewoud. ” Gera bewoont intussen een appartement boven het winkelcentrum de Symfonie. Vervelen komt in haar woordenboek niet voor. Ze is actief met kerkenwerk, was gedurende acht jaar diaken van de Nederlands hervormde kerk en vervult er de functie van scriba, wat wil zeggen dat ze onder meer het secretariaat verzorgt van de Kerkenraad.

Via creatieve websites ontdekt ze steeds meer ‘leuke dingen om te maken’, zoals de sieraden waarvoor ze oude koffiecupjes gebruikt. De spulletjes worden verkocht ten gunste van de restauratie van het ‘witte kerkje’ dat dezer dagen letterlijk is ingepakt door grotere sponsors.
In haar flatwoning is volop ruimte om de hobby’s te beoefenen. Daar tref je op de vide verschillende schildersezels aan en kleurrijke werkstukken, in aquarel, olieverf en acrylverf.
Inspiratie voor haar schilderwerk haalt ze uit de natuur, veelal in haar directe omgeving. Aan het schilderen van een koe is ze nog niet toegekomen.

Auteur: Geertje Bos
juli 2012
(uitgegeven in Leven in Nieuwvennep)

Leermeester

Het was een koude winterdag. Voortdurende sneeuwval had niet alleen de straten in Kampen, maar ook de toegang naar het Ikonenmuseum glibberig gemaakt. Ze kwam binnen achter een rollator. Zat het in haar verschijning, groot en statig, gekleed in smaakvol zwart?

Het was een koude winterdag. Voortdurende sneeuwval had niet alleen de straten in Kampen, maar ook de toegang naar het Ikonenmuseum glibberig gemaakt. Ze kwam binnen achter een rollator. Zat het in haar verschijning, groot en statig, gekleed in smaakvol zwart? Er leek, buiten de beschrijving om, méér binnen te komen. Soms zit er in de menselijke stem een ‘lichtje’. Haar stem viel onder deze categorie. Ik wees haar een kluis voor de forse handtas, vertelde iets over de indeling van het museum en trok me terug.

Ondanks de weersomstandigheden trok ook deze middag de bijzondere expositie ‘Bezieling’ veel bezoekers. Opnieuw viel ze me op en nu door haar grote bescheidenheid. Bezoekers waren in gesprek met de huismeester en versperden de looproute. Ze wachtte. Wachtte, heel gewoon en bedankte toen men eindelijk opzij week. Oosters-Orthodoxe achtergrondmuziek klonk zacht, er kwamen opnieuw bezoekers binnen. Ik wandelde door één van de benedenzalen. De bijzondere bezoekster was alleen en bezig met haar camera. ‘Weet u dat fotograferen niet is toegestaan?’, vroeg ik een tikkeltje streng, hoewel ik die strengheid van binnen niet voelde. Ze schrok en zei dat ze dit niet wist en slechts een tekst van Helmantel wilde vastleggen. Voor alle duidelijkheid: citaten en gedachten van de schilder zijn op ingenieuze wijze op de muren aangebracht, zodat de bezoeker niet alleen mag delen in zijn schilderkunst maar ook in zijn diepe gedachten. We keken elkaar aan, een klein moment, ik zag de hunkering en zei: ‘Neem deze nog maar, we zeggen niets.’ Haar antwoord was resoluut: ‘Het mag niet en daar moet ik me aan houden. Overigens moet ik bekennen dat ik al een paar teksten heb gefotografeerd.’ Er ontspon zich een prachtig gesprek, met stiltes, met aanvullingen, met even een glimp mogen zien van de binnenkant. We stonden voor ‘Open raam in het middeleeuws Steinhaus’ en ze beschreef haar gevoel. Van het ene moment in het andere werd zij mijn leermeester. ‘Kijk eens naar die verstilde ruimte, niets stoort. Het rood in het balkenplafond, de vloer met de beschadigingen, de vuile plekken op de muur. Dat rood is bijzonder, heel anders dan het Rembrandt-rood. Ooit nam ik deel aan een workshop bij Helmantel, ik schilder zelf. Hij vertelde dat in alle kleuren grijs zit; door grijs toe te voegen zijn alle kleuren te maken. Wonderlijk niet? Ik heb het geprobeerd en het klopte.’ Ze wees naar het hierbij aangebracht citaat van Helmantel. ‘Dit is voor mij een beeld van hoop. Eigenlijk is dit een beeld van het Evangelie.’ Ze snoot haar neus, verschoof de rollator. ‘Zo voel ik het ook. Ik kan er wel bij huilen, zo mooi vind ik het. Kent u dat gevoel? Soms heb ik dat ook bij prachtige muziek.’ Ik keek naar het half geopende ruitraam in de kleine nis met zicht op een heerlijk landschap. Een blik op het Evangelie?

Ze wilde foto’s maken van een Anton Pieckachtig Kampen en vertrok tussen aarzelende sneeuwvlokken. In het gastenboek schreef ze niet; ze schreef in mijn hart…

Aly Brug 

Waar blijft de tijd VI – De tijdsbeleving in het OudeTestament

De ritmische oerbeleving van de tijd. Hiermee wordt de subjectieve tijdservaring bedoeld, als ’t ware op de polsslag van de tijd, in de twee tempora van voltooide en onvoltooide handeling. In het Oude Testament wordt niet nagedacht over wat tijd eigenlijk is. Men is alleen aan de tijd geïnteresseerd, voor zover daarin iets gebeurt.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Na het bestuderen van verschillende studies over dit onderwerp blijkt in grote trekken overeenstemming te bestaan over het volgende oudtestamentische tijdsconcept:

1. de ritmische oerbeleving van de tijd;
2. de tijdsbeleving in het licht van de heilsgeschiedenis;
3. de eschatologisering van het tijdsdenken door de profeten.

1. De ritmische oerbeleving van de tijd. Hiermee wordt de subjectieve tijdservaring bedoeld, als ’t ware op de polsslag van de tijd, in de twee tempora van voltooide en onvoltooide handeling. In het Oude Testament wordt niet nagedacht over wat tijd eigenlijk is. Men is alleen aan de tijd geïnteresseerd, voor zover daarin iets gebeurt. Wat er gebeurt heeft een vaste en natuurlijke ordening, omdat het door het levensritme van de aarde en de sterren, de afwisseling der seizoenen, van dag en nacht, bepaald is. Dit geldt tot in het persoonlijke leven. Zo zegt de Psalmdichter (31,16): “Mijn tijden zijn in Uw hand“.

Dit ritmische tijdsgevoel komt bijzonder naar voren in de cultische feesttijden: “de dagen, die Jahwe gemaakt had” (Ps.118,24). Eerst waren het de landbouwfeesten, die voor dit tijdsritme zorgden, nadat het volk zich in Kanaän gevestigd had. Maar al spoedig werden deze verbonden met de gedenkwaardige gebeurtenissen uit het verleden. Door de Semitische aard van synthetisch denken werden de feestgangers van vandaag geïdentificeerd met de generaties van vroeger, in wier midden die heilsgebeurtenissen hadden plaatsgevonden. De “gelijktijdigheid”  berust dan ook niet op representatie van vroegere gebeurtenissen in het heden, maar op het typische verschijnsel, dat latere generaties  door het feestelijk gedenken als ’t ware in de tijd van de vaderen werden teruggeplaatst. De oorspronkelijk Kanaänitische landbouwfeesten werden “gevuld” met eigen heilsgebeurtenissen uit vroegere tijden men dat geeft aan de tijdsbeleving een nieuwe grondslag: niet meer het natuurlijke ritme, maar de Heer God, die de tijd tot “gevulde” heilstijd maakt. Aan het verleden, waarin God Zich geopenbaard heeft, wordt daardoor ook de specifieke betekenis van het heden en de toekomst zichtbaar. Dit verklaart het typisch gericht zijn naar het verleden, zo kenmerkend voor de Oudtestamentische tijdsbeleving. Voor de Hebreeër ligt de verleden tijd “vóór” en de toekomst komt “ná”. Voor ons westerse mensen mag dit de omgekeerde wereld lijken, maar zuiver subjectief-psychologisch bezien is dit de juiste tijdsbeleving: het verleden is ons immers voorgegaan en de toekomst komt na ons.

2. De tijdsbeleving in het licht van de heilsgeschiedenis. De beleving van de tijd als “Gods tijd” wordt steeds sterker in het oude Testament. De aaneenschakeling van heilsgebeurtenissen uit het verleden geeft aan het Joodse volk een eerste bewustzijn van “in een geschiedenis opgenomen te zijn“, de geschiedenis van God en Zijn volk. Toen dit bewustzijn ontwaakt was, werden steeds meer gebeurtenissen als heilsdaden van God daaraan toegevoegd. Dit is ook te zien aan de tijdsduur, die de verschillende geschiedeniswerken in het Oude testament bestrijken. Het Oude Testament is opgebouwd uit “boeken”, die we een voor hen kenmerkende naam hebben gegeven: de Jahwist (vanwege het gebruik van Jahwe voor de naam van God), de Elohist (vanwege het gebruik van de naam Elohiem voor God), de Deuteronmist (die het boek Deuteronomium geschreven heeft), de Chronist ( de schrijver van de Kronieken). Al die schrijvers beschrijven een bepaalde periode in Israëls geschiedenis: De Jahwist begint bij de schepping en eindigt bij de intocht in Kanaän, de Elohist begint bij de aartsvaders en eindigt bij de intocht, de Deuteronmist begint bij Mozes en eindigt bij de ballingschap in 587 v.C.

Toch is hiermee nog niet het ons vertrouwde beeld van de tijdslijn gegeven: een lege lijn op te vullen door gebeurtenissen, waarbij de tijd aan de gebeurtenissen zelf voorafgaat. Dit is voor de Jood ook een onmogelijke voorstelling, daar het voor hem steeds Gods daden zijn, die aan de tijd vooraf gaan. Alleen de ervaring, ook in het persoonlijke leven, dat deze daden van God zich aaneenrijgen, geven hem het bewustzijn van “geschiedenis” en daarmee ook van een tijdsverloop.  Het blijft daarom ook een subjectief, vanuit de inhoud van de tijdsmomenten doorleefd tijdsverstaan, wat ten grondslag ligt aan de schijnbaar zo objectieve chronologische geschiedopvatting.

Het kon echter niet uitblijven, dat deze reflectie op de tijd als min of meer lineaire heilstijd in conflict kwam met het oorspronkelijke ritmische tijdsgevoel. Alleen het erkennen, dat God vandaag nog zo is als Hij vroeger was en dat Hij steeds weer nieuwe gebeurtenissen aan de oude rij toevoegt, heeft Israël die spanning doen overwinnen. Interessant is de bemiddelende functie, die Deuteronomium daarin heeft gehad. Aan zijn eigen generatie in de 7e eeuw v.C., die de heilsdaden van vroeger dreigt te vergeten, doet de Deuteronmist opnieuw Gods heilsaanbod horen, en wel op zo’n indringende wijze, dat het Verbond als ’t ware opnieuw wordt geactualiseerd: “De Here heeft met ons een Verbond gesloten op de Horeb! Niet met onze vaderen heeft de Here dit Verbond gesloten, maar met ons, zoals wij hier heden allen in leven zijn (5,2)“. Met dit “heden” is de latere koningstijd, waarin de schrijver leefde, bedoeld. Fictief spreekt Mozes hier tot het Israël van de woestijntijd, maar feitelijk wordt het Israël uit de 7e eeuw v.C. aangesproken! Het hele tijdsconcept wordt hier dienstbaar gemaakt aan de prediking, dat Jahwe Israël heeft uitverkoren en de vaderen land en nakroost beloofd heeft. Zulk een geschiedenis verplicht! Maar het opent ook een toekomst, als Israël de kans grijpt, die God nu aanbiedt: “opdat gij leeft en opdat gij het land binnengaat en in bezit neemt, dat de Heer u geven zal (4,1).  De toekomst voor Mozes’ generatie is voor het volk van de latere koningstijd “heden” geworden. Daarom geldt het: NU wordt de belofte vervuld, NU moet het volk het ook waar maken!

Door zo sterk de nadruk te leggen op het kwaliteitsaanbod van Gods heil in het heden heeft de Deuteronomist een brug geslagen tussen het oude ritmische tijdsverstaan met zijn gevaar van “afglijden” in een voortdurend herhaald patroon en de opkomende beleving van de in zekere zin “lineaire” heilsgeschiedenis. Hoewel we hier nog niet de profetische blik in de toekomst tegenkomen vinden we toch al de basis aanwezig, waarop de profeten hebben voortgebouwd: het meenemen van het heilsverleden in het heden, waardoor het heden heilstijd wordt, en het vooruitgrijpen op de toekomst in het zogenaamde “perfectum profeticum”. In de spanning van het reeds en het nog-niet blijft het goddelijke heilsaanbod van kracht.

Teruggeven of niet?

Van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao ontving ik een brief, waarin een actueel onderwerp wordt besproken: Teruggeven of niet? Is het geen fout als er geen straf op staat?

Van mijn vriendin Martie Genger uit Curaçao ontving ik een brief, waarin een actueel onderwerp wordt besproken: Teruggeven of niet? Is het geen fout als er geen straf op staat?

Brief aan mijn dochter Iris,
 
Nog even terugkomend op wat ik gisteren vertelde, jeweetwel ‘over het te veel ontvangen wisselgeld wel of niet teruggeven aan die Chinees’.
 
Gewoonlijk kijk ik niet zo erg of het wisselgeld wel klopt, maar gisterochtend zag ik toch uit mijn ooghoek dat ik waarschijnlijk te veel terug kreeg. In eerste instantie sprong mijn hart op met deze meevaller. Een beetje te gehaast vertrok ik uit de winkel bang dat ze erachter zouden komen.
Hoewel ik mij schaamde, was mijn hebzucht op dat moment sterker. Ik was van plan het thuis na te rekenen en benieuwd hoeveel geld het was.
En ja hoor er was inderdaad € 50,- te veel in mijn voordeel verrekend. Wat te doen? Nou niks natuurlijk. Een meevallertje immers. Op mijn schouders had ik aan elke zijde een engeltje. Zij gaven ongevraagd ‘goede raad’.
 
Het ene zegt: ”Geef dat geld terug anders krijgt die cassiere misschien haar ontslag onder verdenking van diefstal als de kassa niet klopt”.
 
Het andere zegt: ”Ben je mal. Die cassiere is verantwoordelijk voor wat zij doet. Het is niet jouw schuld”.
 
Het ene zegt: ”Schaam je Martie, heeft God je niet rijkelijk gezegend in je leven zodat je nu, als dank, iemand in de moeilijkheden helpt brengen om die luizige € 50,-?”
 
Het andere zegt: ”Maar als je niet in God geloofd die dan dus toch niet ziet wat je doet, waarom zou je dan braver dan de Paus willen zijn?”
 
Het ene zegt: ”Ja maar als zou ik dan niet in God kunnen geloven dan is het toch ook zo dat als je de wereld wilt verbeteren je bij jezelf moet beginnen?”
 
Het andere zegt: ”Als dat zo was dan waren er inmiddels allang geen oorlogen en ellende meer in deze wereld”.
 
Het ene zegt: ”Maar ergens moet een mens toch beginnen met het goede voorbeeld?”
 
Het andere zegt:” Dat ‘goede voorbeeld’ van jou is hoogmoed en nog een fosiel restant uit grootmoeders tijd. Ga met je tijd mee en pluk en pik en overleef zo hard en snel je kan”.
 
Het ene zegt: ”Dus als ik de moderne mens goed begrijp dan is er geen hoop meer op menselijkheid. En is het ‘ieder voor zich’.”
 
Het andere zegt: ”Inderdaad. Bovendien zijn die stink Chinezen alhier steenrijk en dat heus niet met een blank blazoen”. Waarom zou jij dan ‘so to speak’ brood naar bakkerkinderen brengen?. Er was toch iemand die tegen je zei ”je moet jezelf eens wat meer in de watten leggen”. Dus ga er lekker van uit eten of koop een nieuwe blouse”.
 
Het ene zegt: ” Maar ik weet uit mijn jeugd dat ik verdacht werd door mijn werkgever van diefstal van € 7,50. Later, veel later bleek dit door de werkster te zijn ontvreemd. In die tussentijd was ik heel ongelukikig door die beschuldiging. En toen het uitkwam wie de dader was, mij geen verontschuldiging werd aangeboden. Wie weet dus wat voor gevolgen die niet kloppende kassa voor dat meisje kan hebben.”
 
Het andere zegt: ”Hoor eens dat is niet JOUW pakkie an. Daaruit moet ZIJ leren beter op te letten. Met vallen en opstaan weet je wel? Als jij haar dat geld teruggeeft dan help je haar gemakzucht en geef je haar het gevoel dat wel iedereen het te veel aan wisselgeld zal komen terugbrengen. Toch???”
 
Het ene zegt: ”Ja maar als wij allemaal zo gaan denken dan wordt het toch hard tegen hard?”
 
Het andere zegt: ”Beste kind hoevaak ben JIJ niet bestolen in je leven. Hoe vaak liep men niet weg met het onrecht jou aangedaan. Zonder te worden gestraft en wel nooit zullen worden gestraft want door wie? Er is immers geen God die alles ziet?”
 
Het ene zegt: ”Martie jij bent toch zo goed in het maken van wijsgerige spreuken? Dan moet je toch weten dat het leven als een wip is.
Ja schrijf maar weer op in je boekjes: ”Het Leven is een wip. De een zit aan de grond en de ander hoog in de lucht”. Daarmee zeg je al dat dankzij de een de ander hoog of laag komt te zitten. Jij zit nu hoog want je hebt het ontslag van een Chinees in je handen. Dat kan je niets schelen omdat je haar niet kent en Chinezen toch niet integreren en toch de krenten hier uit het brood hebben weten te halen. Dus een Nederlands paspoort hebben. Maar je toch met dit dilemma zit”.
 
Het andere zegt: ”Zie je nu wel? Je zegt het zelf al. Dus waarom maak je je druk. Waarom de auto pakken en daar je tijd en benzine in steken voor een Chinees die (en dat weet ik wel zeker) niet eens dankjewel zal zeggen. Heus uit menslievendheid hoef je het niet te doen want wat doet men voor jou als het er op aan komt? Heb je niet genoeg in het zand gebeten met valse vrienden…. en in ze willen geloven? Niet die vrienden zijn dwaas maar jij. Je leeft op een andere planeet. Je hebt geen aanpassingstalent. Kijk naar ‘je vrienden’. Het komt ze allemaal aanwaaien omdat ze geen scrupules kennen. The fittist servive. Toch???”
 
Het ene zegt: ”Als ik doe wat die ander zegt dan heb ik wel € 50,- en compenseert dat de gratis te geven bundel ‘Warwaru’ die ik aan de A.D. ga overhandigen, maar ik voel mij dan toch een beetje boel ellendig”.
 
Het andere zegt: ”O dus je wilt een schoon geweten? Het is dus om je eigen gemoedsrust te doen? Ongeacht die ander waarvan je voorwent ‘bang te zijn voor het ontslag van die cassiere’. Je bent helemaal niet bang daarvoor. Alleen voor je eigen gemoedsrust”. Maar niemand weet het immers zolang jij het niet gaat aankaarten. En bovendien is het geen wetsovertreding als je het geld niet teruggeeft. ”Het was gewoon de kat bij het spek zetten” en meer niet zal de rechter zeggen”.
 
 De ene zegt: ”Ik ben geen kat maar ben wel behebt met alle zwakheden die men zo graag voor ‘menselijk’wil laten doorgaan. Dat houdt eigenlijk een soort vergoeielijking in voor je misstappen. En in dat onkruid wordt zelden gewied. Waardoor het onkruid het snoeimes overwoekerd en het kwaad ongemerkt groter en groter wordt. Want wat met kleine beetjes gebeurd valt niet zo snel op. Maar op den duur is alles verstikt en gestorven”.

Het andere zegt: ”Nou zeg zo te horen ben jij te goed voor deze wereld. Nou begrijp ik ook waarom jij jezelf niet in de watten legt. Je bent Jezus niet die al onze zonden draagt. Kom ga met ons en doe als wij, niet moeilijk doen. Dans en geniet want morgen sterven wij toch.”
 
Het ene zegt: ”Niet denken maar doen. Dus…? Waar is mijn autosleutel. Ben zo terug. Even naar die Chinees”.
 
Mamsje


Martie Genger

Waar blijft de tijd V – Het tijdsprobleem in de Griekse filosofie

Typerend voor het Griekse denken is niet zo zeer het tijds- als wel het ruimte-aspect. Het Griekse denken is immers niet zo zeer op het “worden” gericht, maar op het “zijn”. Het gaat daarbij niet om de “geschiedenis” van de dingen, maar om de logica van de eeuwige dingen.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Typerend voor het Griekse denken is niet zo zeer het tijds- als wel het ruimte-aspect. Het Griekse denken is immers niet zo zeer op het “worden” gericht, maar op het “zijn”. Het gaat daarbij niet om de “geschiedenis” van de dingen, maar om de logica van de eeuwige dingen.

Vanuit de praktische levenservaring werd de tijd al heel vroeg als vorm van beweging gezien. Reeds Thales, 624-546 v.C., hanteerde het water in zijn bewegelijkheid als oerprincipe van het al, een idee, dat door Heraclitus, 540-484 v.C., verder zou worden uitgewerkt. En Anaximander, die iets later leefde, werd getroffen door de “kinosis” in de natuurelementen, waardoor hij tot de filosofische grondstelling kwam, dat er een oerstof moest bestaan, waarin de door de beweging veroorzaakte tegenstellingen ongescheiden dooreen liggen: het “apeiron”. Met behulp van dit “apeiron” wordt derhalve aan het eeuwig ontstaan en vergaan in het reversibele natuurproces een rationele metafysische oorzaak gegeven. Liefde en haat veroorzaken zo een soort vooruitgaande en achteruitlopende beweging van het al, waardoor de verschillende wereldperioden ontstaan.

Het was aan de grote filosofen voorbehouden de in deze beginperiode gerezen vragen te beantwoorden:
– Is de tijd oneindig of onbegrensd?
– Is met de denkbare vergankelijkheid van het al ook de vergankelijkheid van de tijd gegeven?
– Is de tijd ook aan de beweging van het al gebonden?
– Is de tijd eigenlijk wel een werkelijk gegeven of is hij alleen maar schijnwerkelijkheid?

1. PLATO

Was tot dusver het uitgangspunt van het denken over de tijd “de bewegelijkheid van de materie”, bij Plato (427-348 v.C.) zien we een beslissende wending optreden. Uitgaande van het beginsel “denken is zijn” bedacht hij de hoogste werkelijkheid in de “idea”, de goddelijke wereld van de ideeën. Elke realiteit heeft als oerbeginsel het idee, waarvan het een zwakke afbeelding is, en het wekt ook herinneringen op aan dat idee, gezien vóór dit leven. Zo is ook de tijd slechts een afbeelding van de eeuwigheid, waarbij “eeuwigheid”voor Plato niet de oneindig astronomische tijd is, maar de levensvorm van de goddelijke wereld der ideeën. In Timaeüs 37d en 38, de klassieke tekst van Plato’s tijdsbeschouwing, lezen we hoe de goddelijke “logos” bij de schepping van de wereld tegelijkertijd de tijd maakte als een in getal voortgaand beeld van de eeuwigheid, te verdelen in dagen en nachten, maanden en jaren. De goddelijke eeuwigheid, zelf onbewegelijk en in volkomen rust, geeft in deze natuurwereld het bewegelijke beeld van de tijd, die in een vast cyclisch patroon steeds weer dezelfde “meetbare”elementen van dagen en nachten, maanden en jaren, voortbrengt. Verleden, heden en toekomst kunnen in dit licht slechts als “subjectieve”vormen van de tijd beschouwd worden. In deze Platonische visie op de tijd komen een aantal uitgangspunten voor, welke in vergelijking met andere tijdsbeschouwingen, zeker met die van de Bijbel, als zeer typerend aangemerkt kunnen worden. Typisch voor deze zogenaamde “idealistische” tijdsbeschouwing zijn:

a. Het onderscheid tussen fysische en psychologische tijd, oftewel tussen objectieve en subjectieve tijd. De deelbare tijd, die “objectief” in het natuurgebeuren waargenomen kan worden, de indeling in dag en nacht, maand en jaar, wordt geplaatst tegenover de subjectief-psychologische tijdsbevindingen van verleden, heden en toekomst.

b. Het verschil in tijdskwaliteiten: het goddelijke oerbeeld van de eeuwigheid is superieur aan het aardse afgietsel van de tijd.

c. Het ruimtelijke aspect van het Platonische denken: de categorieën van tijd en eeuwigheid zijn ruimtelijk gedacht, in zoverre zij strikt gebonden zijn aan de beide werelden van de ideeën en de natuur, waartoe zij behoren. De tijd is daardoor even onbegrensd als de wereld, maar ook even eindig als deze.

d. Het ordeningsprincipe van deze fysische wereld: de tijd, volgens de maatstaf van het getal voortgaande, eeuwige, altijddurende afbeelding van de “mundus intelligibilis”, houdt al het wordende in de eenheid met de wereldrede. Zo zorgt de tijd, als volstrekt ordeningsprincipe , voor de eenheid van goddelijk-zijn en aards-worden. Deze tijd is met getallen meetbaar, omdat zij verloopt in de cyclus van de kosmische beweging. Maar het oerbeeld is eeuwig-zijnd en ongrijpbaar.

2. ARISTOTELES

De bekendste leerling van Plato, Aristoteles (384-322 v.C.), is wat zijn tijdsvisie betreft niet in het spoor van zijn meester gebleven. Alleen zijn stelling, dat de vorm de expressie is van de in de stof werkzame idee, herinnert nog aan Plato. Maar dit is al niet relevant meer voor zijn tijdsbegrip, omdat hij zich ter beoordeling van de tijd uitsluitend richt op de natuur. Hij filosofeert niet over de goddelijke eeuwigheid, maar probeert weer te geven wat hij ziet, en dat is: een stoffelijke wereld in beweging. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles dan tot een viertal metafysische principes: de stof, de vorm, de bewegende oorzaak en het doel. Er moet aan dat alles een “onbewogen” beweger vooraf gaan.Deze wordt door Aristoteles “God”genoemd: Hij is het de orde van het heelal vóórdenkende, zichzelf denkende verstand. Maar voor de rest houdt Aristoteles zich aan het zichtbare en fysisch-grijpbare. Dit bepaalt ook zijn definitie van tijd als “getal der beweging in betrekking tot vroeger en later”.

Beweging, ruimte en tijd, zij behoren bij elkaar en definiëren wederkerig elkaar. Tijd is ook meetbaar en deelbaar, maar als een continuüm, niet als een optelsom van tijdspunten. In dit continuüm is het tijdstip van het heden de grens tussen nog-niet en niet-meer in de steeds voortgaande tijdstroom. Tijdsduur kan dan ook niets anders zijn dan “duur van beweging”. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles er toe de tijdsmaat neer te leggen in de steeds terugkerende omwenteling van de hemel, voor de mens zichtbaar in jaren, dagen en uren. Eigenlijk heeft het tijdsbegrip van Aristoteles hierdoor iets mistroostigs: alle dingen zijn in beweging en zij vergaan. Alles wordt oud onder de dwang van de tijd, maar niets wordt mooi en vol. Dat wat eeuwig existeert, zoals de geometrische stellingen, behoort dan ook niet tot de tijd. Evenals bij Plato zien wij ook bij Aristoteles, dat de ruimte prevaleert boven de tijd. Tijd immers betekent vergankelijkheid en verandering, zichtbaar aan de ruimtelijke vormen, terwijl de “goddelijke wereld” in principe onvergankelijk en onveranderlijk is, eeuwig “in ruste” blijft. Maar wat de Aristotelische visie ten diepste van de Platonische opvatting onderscheidt is de negatieve zin, die hier aan het tijdsfenomeen gegeven wordt. Konden we bij Plato nog een positief spreken over de tijd als weliswaar aards spiegelbeeld van de goddelijke eeuwigheid ontdekken, bij Aristoteles resteert niets anders dan een zekere geringschatting voor de tijd als aan het stof gebonden vergankelijkheid.

De vrouw in het geloof VI

Als je op Internet gaat kijken, kom je verschillende artikelen tegen over de Vrouw in de Islam.
Een beroemde passage uit de Koran is de volgende:
De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de oprechte mannen en vrouwen, de geduldige volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, …

Als je op Internet gaat kijken, kom je verschillende artikelen tegen over de Vrouw in de Islam.

Een beroemde passage uit de Koran is de volgende:
De mannen en vrouwen die zich (aan God) hebben overgegeven, de gelovige mannen en vrouwen, de onderdanige mannen en vrouwen, de oprechte mannen en vrouwen, de geduldige volhardende mannen en vrouwen, de deemoedige mannen en vrouwen, de mannen en vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en vrouwen die vasten, de mannen en vrouwen die hun schaamstreek kuis bedekt houden, de mannen en vrouwen die God veel gedenken, voor hen heeft God vergeving en een geweldig loon klaargemaakt. (Koran 33:35)

Een mooi overzicht geeft: “De plaats van de Vrouw in pure Islam” door M. Rafiqul-Haqq en P. Newton.
In dit artikel wordt sterk de autonomie van de man benadrukt. De man is in velerlei opzicht superieur aan de vrouw! Ga het zelf maar lezen!

In een ander artikel op de website van “Risallah.com”: “De positie van de Vrouw in de Islam” las ik het volgende:
De positie van de vrouw neemt een waardevolle plaats in de Islam. Haar aanwezigheid zal vaak een rol spelen in het dagelijkse leven van elke moslim. De moslimvrouw is immers de helft van de maatschappij, zij voedt haar kinderen op, die later een verantwoordelijke taak met zich mee zullen dragen en die later een grote rol zullen hebben in deze maatschappij. Zij is voor haar kinderen de eerste leerschool. Hij maakte haar de baas over haar kinderen.

Ook een mooi artikel is: “Hoe behandel je je vrouw in de Islam?”
De goede behandeling van vrouwen is een sleutel tot het Paradijs. Aboe Hoerairah (radiAllahoe  ´anhoe) vertelde dat de Profeet (vzmh) zei: “De besten onder jullie zijn degenen die het beste voor hun vrouwen zijn.” (Soeyoeti in “Djaami ´oes- Saghier” en Tirmidhi)Anas (radiAllahoe  ´anhoe) overleverde van de Profeet (vzmh): “Zal ik jullie vertellen wie de besten onder jullie zijn? De vriendelijke man en degene met een goed karakter die zijn vrouw eervol behandelt wanneer hij ertoe in staat is.”(Daylami)

Nog een goed artikel is: “Gelijkwaardigheid van man en vrouw in de Islam“.
Het gegeven dat moslimvrouwen zich tot kort geleden niet of nauwelijks bezighielden met koranexegese (tafsir) is waarschijnlijk een belangrijke oorzaak van het aanhoudende beeld dat in de islam de vrouw ondergeschikt is aan de man. De afgelopen decennia hebben verschillende vrouwelijke moslimintellectuelen aangetoond dat meer aandacht voor vrouwelijke aspecten in de openbaringsteksten en ruimte voor de stem van vrouwen bij de interpretatie daarvan, belangrijk zijn om recht te doen aan de feitelijke koranische boodschap van rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid. Culturele aspecten hebben overigens waarschijnlijk nog meer invloed op het halsstarrige beeld van de ondergeschikte moslimvrouw. Vooralsnog blijken namelijk vooral cultuurgebonden opvattingen en praktijken behoorlijk resistent te zijn tegen de zich snel verspreidende nieuwe religieuze inzichten.
Door: Ceylan Weber.

Ga zelf naar Internet en lees dit artikel uit, het is zeker de moeite waard!

Waar blijft de tijd IV – Objectieve en subjectieve tijd

Objectieve tijdsvoorstellingen, zoals we die kennen uit de klok en de kalender, de levensjaren en jaargetijden in de natuur, corresponderen met ruimtelijke begrippen. Zo spreken we over een “lange” en een “korte” tijd.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Objectieve tijdsvoorstellingen, zoals we die kennen uit de klok en de kalender, de levensjaren en jaargetijden in de natuur, corresponderen met ruimtelijke begrippen. Zo spreken we over een “lange” en een “korte” tijd. Ditzelfde verschijnsel ontmoeten we bij de bestudering van de tijdsfunctie in de taal. Vanwege deze ruimtelijke voorstelling zijn we niet in staat precies de tijd en de tijdsvormen te preciseren. Ieder mens heeft trouwens zijn eigen tijdsbeleving, die we subjectief beleefde tijd kunnen noemen. De eigenlijke tijdsbeleving komt van binnenuit en niet van buiten af. Terecht heeft kerkvader Augustinus daarop gewezen: “Noli foras ire, in teïpsum redi!” (niet naar buiten gaan, maar in je zelf terugkeren!).

De beleefde tijd, van binnen uit, is niet eendimensionaal, maar meerdimensionaal, waar hij “verleden”, “heden” en “toekomst ” tegelijk kan omvatten. Hij is ook inhomogeen, doordat hij de karakters van duur en stroom in wederzijdse doordringing in zich bergt. Nu eens verschijnt hij als lang, uitgebreid, dan weer als kort; nu weer als snelstromend, dan weer als dralend en traag. Een angstige nacht wil geen einde nemen; een week met vakantie met veel nieuwe indrukken lijkt soms langer te duren dan een normale werkweek. Daarbij is de indruk van “lang” en “kort” niet dezelfde in het heden en in het verleden: de dag van vandaag, die niet wil eindigen, kan later in de herinnering als bijna ongemerkt voorbijgegaan zijn. Er ligt ook geen vast verband tussen de duur van de beleefde tijd en wat daarin beleefd wordt. Hierbij immers spelen heel andere, dieper in het bewustzijn liggende , factoren een rol: die van het transcendentaal-psychologische veld.

In de moderne psychologie worden achter de factoren van herinnering en verwachting, die zo belangrijk zijn voor onze tijdservaring, de volgende drie vooronderstellingen aangenomen: 1. De retentie, dat is de functie van het behouden; 2. De presentatie, dat is de psychische zingeving, waardoor iets “tegenwoordig” wordt; en 3. De protentie: een vooruitgrijpen naar de toekomst.

Ik zoek op internet (in google) naar “tijd” en lees: “Tijd bestaat niet. Het is een schepping van de geest. Het heden heeft geen betekenis.” Zo begint professor Maarten van Buuren zijn lezing over “tijd” in het bomvolle Utrechts Academiegebouw.

De ziel schept de tijd, aldus kerkvader Augustinus (354-430 n. Chr.), die in zijn beroemde boek Confessiones worstelt met het tijdsbegrip. Hij stelt dat er alleen een heden is, waarbinnen drie tijden bestaan: het verleden, heden en de toekomst. Tijd is een distentio animi. Een uitgestrektheid van de geest die bij de mens ontstaat door herinneringen aan het verleden, de aanschouwing van het heden en de verwachtingen voor de toekomst.

De twintigste-eeuwse filosoof Husserl borduurt verder op Augustinus. De grondlegger van de fenomenologie meent dat tijd een bewustzijnsverschijnsel is. Dat bewustzijn is intentioneel. Een soort actieradius waarbij de mens terugreikt naar het verleden en vooruitreikt naar de toekomst. Het heden is hiermee een uitrekking van het nu.

Keller noemt in zijn “Die Zeit des Bewustseins” een paar voorbeelden. Een eenvoudige toon klinkt, maar wordt ook nog in het wegsterven vastgehouden en er is een verwachtingsintentie op de volgende toon (een voorbeeld, dat ook Augustinus al heeft aangehaald). Terwijl ik spreek is de vorige zin nog bij mij en denk ik ook al vooruit aan de volgende zin. Zonder retentie wist ik niet waarover ik praat en zonder protentie zou ik die zin niet zinvol kunnen afmaken in een volgende zin.

Retentie is de voedingsbodem van het in-herinnering-behouden. En protentie fundeert het vooruitgrijpen van de toekomst in het fantaseren en plannen maken. Dit verklaart ook het merkwaardige verschijnsel, dat mijn eigen ik in herinnering en anticipatie steeds “present” is. Mijn “ik” is als ’t ware over de tijd heen als identiek met mij en wordt als het NU actuele “Ik” ervaren. Retentie en protentie veroorzaken een identiteitscontinuïteit in de “presentatie”, waardoor tijdsverschillen wegvallen. Verleden, heden en toekomst worden als gelijktijdig ervaren! Retentie en protentie zijn echter niet altijd met elkaar in evenwicht, het is zelfs mogelijk dat een van beide in bepaalde gevallen overheerst. Hierdoor ontstaan de kwalitatieve verschillen in het tijdskarakter van beleefde tijdsafstanden, zoals tijdsverkorting en tijdsuitbreiding. Wanneer bij een grote hoeveelheid indrukken de tijd als ’t ware verlengd wordt, dan schijnt dit op een gelijktijdig versterkte retentie te berusten. Doch wanneer deze uitbreiding van de tijd ontstaat bij juist een tekort aan indrukken, zoals wanneer men zich verveelt, dan is dit een gevolg van gelijktijdig geïntensiveerde protentie, dat wil zeggen een overschot aan “verwachting”. In overeenstemming hiermee moet verkorting van de tijd bij een overmaat van indrukken gezien worden in het licht van een gelijktijdig ontstane zwakte van retentie, zoals bij opgewekte kortstondige gesprekken. Tijdsverkorting bij een tekort aan indrukken berust dan op gelijktijdig verminderde protentie: bij zo veel “leegte” is er geen “verwachting” meer!

Interessant zou zijn eens na te gaan in hoeverre het sterk “presentische” tijdsgevoel in “disclosure” situaties te herleiden is tot gelijktijdig geïntensiveerde retentie en/of protentie. Het begrip “disclosure situation” is ontleend aan I.T.Ramsey, Religious Language: an Empirical Placing of Theological Phrases, London, 1957. In bedoelde situaties heeft op een bepaald historisch moment de ontdekking plaats van een betekenis, een zin, die de mens drijft tot een antwoord, tot het erkennen van een verplichting, tot de overgave aan een plan, dat hem geheel voor zich opeist. Het is als zodanig een belevingsmoment, dat boven het direct “momentele” uitgaat, doordat het als in flitslicht “verleden” en “toekomst” als zeer nabij, ja zelfs als direct aanwezig ervaren laat. Bij de behandeling van de Paulinische tijdsbeleving met zijn sterke gerichtheid op het “NU” vanuit het spanningsvolle “REEDS” en “NOG NIET” zullen wij op deze moderne benadering terugkomen.

Sterfelijkheid doet onvergankelijkheid aan

Door mijn handicap kan ik niet meer naar de kerk gaan, heel jammer. Maar ik put inspiratie en geestelijke verdieping uit al het moois, dat Nederland-2 mij biedt. Graag doe ik onderstaand hiervan verslag.
Het begon gisteren tegen negenen met “Het hoge woord voor de zondag”, dat dit keer kwam van schrijver Jan Siebelink.

Door mijn handicap kan ik niet meer naar de kerk gaan, heel jammer. Maar ik put inspiratie en geestelijke verdieping uit al het moois, dat Nederland-2 mij biedt. Graag doe ik onderstaand hiervan verslag.
Het begon gisteren tegen negenen met “Het hoge woord voor de zondag”, dat dit keer kwam van schrijver Jan Siebelink. Hij werd getroffen door een woord van Paulus uit 1 Korintiërs 15, 53:

“Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen”.

Deze tekst is hem bij gebleven uit zijn jeugd, het was een vaste uitspraak van zijn vader. Hiermee werd diens geloof bevestigd in een tijd, waarin alles heel moeilijk was. Het was bittere armoede in een dagelijkse strijd met de elementen op die kleine kwekerij, waar Jan Siebelink met zijn broers is opgegroeid. Hij heeft daar in 2004 verslag van gedaan in zijn meesterlijke boek “Knielen op een bed violen”, dat in 2005 terecht de AKO litteratuurprijs heeft ontvangen. De schrijver vertelde, hoe hij nog dagelijks het gezicht van zijn vader voor zich ziet en herinnerd wordt aan die Bijbeltekst. Naarmate hij ouder wordt voelt hij zich meer en meer verweesd en krijgt die tekst grotere betekenis.

Hierna heb ik gekeken naar “Nederland zingt op zondag”. Het gesprek was met Arno, die in zijn jonge jaren aan drugs verslaafd was geraakt. Toen hij het helemaal niet meer zag zitten en zelfs er aan dacht zich om te brengen, kreeg hij een ernstig auto-ongeluk. Vrienden van hem namen hem mee naar de kerk en het doen van een “alfacursus”. Daardoor kwam hij van lieverlede tot zich zelf. Belangrijk in dit proces was ook Jezus’ gelijkenis van de verloren zoon.

Toen kwam het geloofsgesprek van Leo Fijen. Dit keer met Michiel Peters, studentenpastor aan de Universiteit van Tilburg. Deze nog jonge man had al een rijk leven achter de rug: van goede Rooms-Katholieke huize, Russisch gestudeerd in Leiden, Theologie in Rome, voor de missie uitgezonden naar Siberië, en tenslotte in Tilburg terecht gekomen. Centraal in het gesprek stond de uitspraak “Het leven is de moeite waard!” Het, gaat altijd om te zoeken naar de zin van het leven. Marcus 10: 15 ” Ik verzeker jullie, wie het koninkrijk van God niet aanneemt als een kind, komt er beslist niet in… vader, kinderen of landerijen heeft achtergelaten omwille van Mij en omwille van de goede boodschap”, 30: “of hij krijgt nu in deze tijd een honderdvoud aan huizen, broers, zusters, moeders”.

Je moet je hart laten spreken. Iedereen heeft een hart, dat belangrijker is dan de 5 boxen, waarvan men tegenwoordige denkt dat men die nodig heeft om gelukkig te worden. Ik bedoel: geld, carrière, een huis, een vrouw, een auto. De aansluitende Eucharistieviering kwam uit de St.Martinus-kerk te Oedenrode, uit de Oda-parochie. In de dienst ging voor pastoor Vincent Blom, geassisteerd door een pater uit India. Het hoofdthema van de dienst was natuurlijk na carnaval de 40-dagen tijd (vasten) om te beginnen met de verzoeking in de woestijn (Mattheüs 4). Jezus werd hier voor een keuze gesteld door Satan. Opmerkelijk is dat hij in de drie keuzemogelijkheden steeds weer koos voor God. Dat moesten wij ook doen, zei de pastoor, in ons huidige leven, waarin wij vaak voor keuzes gesteld worden. Meer denken aan elkaar, vooral aan de minder bedeelde en zwakkere, maar aan barmhartigheid dan aan geld verdienen. Paus Franciscus geeft hiervoor het goede voorbeeld! Heel mooi vond ik het antwoord van de Gemeente na iedere voorbede: “Heer, onze God, wij bidden U, verhoor ons!” Wij konden het meezingen, want bij ons in de Protestantse Dorpskerk van Barendrecht zingen we het precies zo!

Toen was de ZVK aan de beurt, met een dienst uit Kiev in de Oekraïne. De dienst was doorspekt met beelden van het Maidanplein, waar de laatste drie maanden zoveel verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. We zagen foto’s van de mensen, die zijn omgekomen en filmbeelden van de oproerpolitie en de branden in tenten en gebouwen.
De dominee preekte uit Marcus 4, 35-41:

35  Aan het eind van die dag, toen het avond was geworden, zei hij tegen hen: “Laten we het meer oversteken.”
36  Ze stuurden de menigte weg en namen hem mee in de boot waarin hij al zat, en voeren samen met de andere boten het meer op.
37  Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan.
38  Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: “Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?”
39  Toen hij wakker geworden was, sprak hij de wind bestraffend toe en zei tegen het meer: “Zwijg! Wees stil!” De wind ging liggen en het meer kwam helemaal tot rust.
40  Hij zei tegen hen: “Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?”
41  Ze werden bevangen door grote schrik en zeiden tegen elkaar: “Wie is hij toch, dat zelfs de wind en het meer hem gehoorzamen?”

Dat Jezus sliep betekent, dat Hij alles onder controle heeft. De mensen erkenden dat ook door te zeggen: ” Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?” Dat moet ook ons troost geven! Wij leven in een angstige tijd. Elk uur kan er iets verschrikkelijks gebeuren, kijk maar naar de Krim! Zelf weet ik ook niet, waar en wanneer ik zal omkomen. Aldus de dominee. De dienst werd besloten met een volkslied, met steeds weer het mooie refrein “Eer aan Jezus, klinkt het lied langs de oever van de Dnepr!”.

De vrouw in het geloof V

Kenmerkend voor de Islamitische vrouw is het dragen van een sluier. Maar in de Joodse traditie was dat ook gebruikelijk. Een Rabbijnse uitspraak is bijvoorbeeld: “Het is niets voor de dochters van Israël om onbedekt naar buiten te gaan” en “vervloekt zij de man, die het toestaat dat het hoofdhaar van zijn vrouw gezien wordt… een vrouw, die haar hoofdhaar toont om zichzelf te tooien, brengt armoede.”

Kenmerkend voor de Islamitische vrouw is het dragen van een sluier. Maar in de Joodse traditie was dat ook gebruikelijk. Een Rabbijnse uitspraak is bijvoorbeeld: “Het is niets voor de dochters van Israël om onbedekt naar buiten te gaan” en “vervloekt zij de man, die het toestaat dat het hoofdhaar van zijn vrouw gezien wordt… een vrouw, die haar hoofdhaar toont om zichzelf te tooien, brengt armoede.” Het niet bedekken van het haar van de vrouw wordt gezien als “naaktheid”. Maar soms ook gaf het de vrouw een bepaalde luxe en statigheid. Het drukte ook wel de superioriteit van edele vrouwen uit. Het liet meestal de ontoegankelijkheid van een getrouwde vrouw zien. Joodse vrouwen bleven een sluier dragen tot de negentiende eeuw. Vandaag dragen Joodse vrouwen een sluier alleen nog in de synagoge.

Hoe is het in de Christelijke traditie? Bekend is de uitspraak van de apostel Paulus in 1 Korinthiërs 11,3-10: “Christus is het hoofd van de man, de man het hoofd van de vrouw en God het hoofd van Christus. Iedere man, die met bedekt hoofd bidt of profeteert, maakt zijn hoofd te schande. Maar een vrouw maakt haar hoofd te schande, wanneer ze met onbedekt hoofd bidt of profeteert, want ze is in dat geval precies als een kaalgeschoren vrouw. Een vrouw, die haar hoofd niet bedekt, kan zich maar beter laten kaalknippen. Wanneer ze dat een schande vindt, moet ze haar hoofd bedekken… Een man mag zijn hoofd niet bedekken, omdat hij Gods beeld en luister is. De vrouw is echter de luister van de man. Daarom, en omwille van de engelen, moet een vrouw zeggenschap over haar hoofd hebben.” Ook in de huidige Rooms Katholieke Kerk is het wettelijk geboden, dat vrouwen hun hoofd bedekken. En in de orthodoxe Protestantse Kerken is het ook geboden, dat vrouwen met bedekten hoofde ter kerke gaan. Bij de Amish en Mennonieten zijn vrouwen altijd nog gesluierd, als teken van de afhankelijkheid van de vrouw van de man en van God.

De Islam heeft wat dit betreft duidelijke regels: “Zeg tegen de gelovige mannen, dat zij hun ogen neerslaan en hun kuisheid bewaken, dat is reiner voor hen. Voorwaar, Allah is Alwetend over wat zij bedrijven. En zeg tegen de gelovige vrouwen, dat zij haar ogen neerslaan en haar kuisheid bewaken, en haar sieraad niet tonen, behalve wat daarvan zichtbaar is. En zij moeten de sluiers over haar boezem dragen… “(24,30-31). Kuisheid is heel belangrijk! “O Profeet, zeg tot jouw echtgenotes en tot jouw dochters en tot jouw vrouwen van de gelovigen, dat zij haar overkleden (Djilbab) over zich heen laten hangen. Op die manier is het makkelijk haar te herkennen en worden zij niet lastig gevallen” (33,59). Het enige doel van de sluier in de Islam is dus bescherming. Het is geen teken van mannelijke autoriteit over de vrouw of vrouwelijke onderwerping aan de man (zoals in het Christendom). De Islamitische filosofie gaat altijd uit van: het is beter te voorkomen dan te genezen! Door de sluier wordt de vrouw beschermd. In onze wereld wordt dit meestal een beetje belachelijk gemaakt. Dan wordt gezegd, dat de beste bescherming van de vrouw haar opvoeding, beschaafd gedrag en zelfbedwang is. Maar waarom is het dan tegenwoordig heel gevaarlijk voor een vrouw om ‘s-avonds alleen over straat te lopen? En waarom laat het spotje van “Slachtoffer Hulp” de aanranding van een jonge vrouw zien? Om over de seksuele intimidatie op de werkvloer maar niet te spreken! In Canada bijvoorbeeld wordt er iedere 6 minuten een vrouw aangerand. Wat is er toch aan de hand met onze maatschappij? Hoe kan het, dat een hoofddoek gedragen door Rooms Katholieke nonnen als “heilig” wordt beschouwd (terwijl het eigenlijk een teken van de autonomie van God en de man is), en, wanneer het gedragen wordt door Moslim-vrouwen, voor haar bescherming, als teken van onderdrukking wordt beschouwd?

HET BOEKJE EINDIGT MET EEN EPILOOG

Ontvangen alle Moslimvrouwen nu de respectvolle behandeling, zoals in het boekje beschreven? Helaas, nee! Er zijn vandaag aan de dag veel verschillende houdingen ten opzichte van vrouwen in de Moslimwereld. Bijna alle Moslim -maatschappijen zijn afgeweken van de idealen van de Islam ten opzichte van vrouwen. Er is een grote tegenstelling tussen de conservatieve door traditie gevormde en de meer Westerse liberale richting. De eerste berooft de vrouwen van veel rechten, die door de Islam aan haar zijn gegeven. De autonomie van de man speelt hier de hoofdrol en de vrouw wordt echt gediscrimineerd. Bij de geboorte al wordt zij met minder vreugde ontvangen dan een jongen . Zij krijgt minder kans op scholing, geen erfdeel, staat voortdurend onder toezicht, zodat zij zich niet onbeschaafd kan gedragen (terwijl haar broer dat wel mag!). Zij kan zelfs worden gedood, als zij datgene doet, waar haar mannelijke familieleden altijd over opscheppen. En zij krijgt pas een betere positie, als zij het geluk heeft moeder te worden van (vele) zonen!

Aan de andere kant heb je de meer liberale Moslims, die de Westerse manier van leven hebben overgenomen. Dat betekent, dat vrouwen geen sluier meer dragen en meer om haar uiterlijk bekommerd zijn dan om haar geestelijk welzijn. Zij besteed haar leven aan het realiseren van haar vrouwelijkheid in plaats van het vervullen van haar menselijkheid! Er ligt een groot gat tussen wat Moslims dienen te geloven en wat ze daadwerkelijk in praktijk brengen. Dit is niet van de laatste tijd, het is er al eeuwen lang. Dit heeft grote gevolgen op allerlei gebied: in de politiek, de economie, het maatschappelijk leven, de wetenschap enz. Wat de vrouw overkomt is slechts een symptoom van een ergere ziekte. De Islam is van haar oorsprong afgedwaald. Er moet nodig een herbezinning en herbeleving komen!

Wat er gezegd is over de positie van de vrouw in het Joodse en Christelijke geloof moet ook bezien worden vanuit de context. Zo leefden de oude Joodse stammen in een vrouwonvriendelijke Arabische wereld. Hetzelfde geldt voor de Grieks-Romeinse cultuur, waardoor de grote kerkvaders beïnvloed werden. In dit licht bezien is de Islam een correctie van het Joodse en Christelijke geloof. De Islam moet niet worden gezien als een concurrent, maar meer als een soort vervulling van het Joden- en Christendom.

Tenslotte nog een advies aan de gehele Moslimgemeenschap. Van veel vrouwen zijn haar fundamentele rechten afgenomen. Dat dient hersteld te worden! De Moslimgemeenschap moet wereldwijd een verordening uitgeven, waarin de rechten van de vrouw beschreven staan. Verder moeten we de moed hebben om cultuurgebonden tradities van onze voorvaderen, die van de Islam afwijken, te verwerpen. Dat deed Mohammed ook in zijn tijd. Wij moeten ook kritisch staan tegenover de invloeden van het Westerse leven. Er moet zinvolle interactie komen tussen de verschillende leefwijzen. Het is toch van de gekke, dat de godsdienst, die de status van vrouwen radicaal heft veranderd, ja verbeterd, nu wordt beschuldigd van vrouwenonderdrukking. De niet-Moslims moeten zich realiseren, dat er een groot gat bestaat tussen het geloof en de praktijken van de Moslims. Precies zoals dat ook bij Joden en Christenen het geval is! Laat daar een dialoog over komen! De Islam zou moeten worden erkend als een godsdienst, die de vrouw vele rechten heeft gegeven, vele eeuwen geleden, die onze wereld pas nu heeft toegekend. Geen wonder dus, dat van de mensen die voor de Islam kiezen verreweg de meesten vrouwen zijn!

Wie oren heeft, die hore!

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft.

Mattheüs 13, 1-9
1 Die dag verliet Jezus het huis en ging aan de oever van het meer zitten. 2 Er kwam een grote mensenmassa om hem heen staan, en daarom ging hij in een boot zitten, terwijl de menigte op de oever bleef. 3 Hij sprak hen uitvoerig toe en vertelde gelijkenissen: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 4 Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en er kwamen vogels die het opaten. 5 Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen. 6 Toen de zon opkwam verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 7 Weer een ander deel viel tussen de distels, en toen die opschoten verstikten ze het zaaigoed. 8 Maar er viel ook wat zaad in goede grond, en dat bracht vrucht voort, deels honderdvoudig, deels zestigvoudig, deels dertigvoudig. 9 Laat wie oren heeft goed luisteren!’

Met onze tekst eindigt Jezus de gelijkenis van de zaaier, die we ook in Marcus 4 en Lukas 8 vinden. De drie versies wijken niet veel van elkaar af. Alleen bij Lukas wordt direct na het vertellen van de gelijkenis door Jezus ook de uitleg gegeven, terwijl bij Marcus en Mattheüs die uitleg pas komt, nadat Jezus uitvoerig over het spreken in gelijkenissen en het juiste horen van de discipelen gesproken heeft. U weet wel het “ziende niet zien en het horende niet horen” (vs.13). Dit brengt ons meteen al op de vraag of die uitleg van Jezus, die we al zo vaak gehoord hebben, wel oorspronkelijk is. Ik bedoel: is de gelijkenis oorspronkelijk wel zo bedoeld? Of is de uitleg er pas later aan gegeven? Veel Schriftonderzoekers denken, dat dit laatste het geval is. Hoe het dan moet zijn? Ik zal proberen het u uit te leggen.

In de eerste tijd na Jezus’ dood en opstanding, toen met Pinksteren de eerste Gemeente ontstaan was, had men nog niet de Bijbel zoals wij die nu kennen, ook niet het Nieuwe testament in de huidige vorm. De meeste boeken en brieven moesten immers nog geschreven worden. Wel kende men verhalen over Jezus en wist men te vertellen, wat Jezus allemaal gezegd had. Zeker die verhalen en woorden, die indruk gemaakt hadden, gingen van mond tot mond. Men trok daar lering uit en ging er over preken. Heel begrijpelijk, dat al doende hele reeksen van verhalen en woorden ontstonden, bijvoorbeeld van gelijkenissen en wonderen, genezingen, de lijdensgeschiedenis en van woorden zoals de Bergrede en de uitzendingsrede.  Er worden dus in de oerkerk al stukken samengevoegd nog voordat zij zijn opgeschreven. Later werden die stukken uit de mondelinge overlevering opgepikt en door de Evangelisten in hun Evangeliën verwerkt. Nu lijkt het voor de hand te liggen, dat Jezus onze gelijkenis van de zaaier gesproken heeft om te wijzen op de komst van Gods Koninkrijk. In hetzelfde hoofdstuk staan immers nog drie andere gelijkenissen, die hetzelfde beogen: “Het Koninkrijk der hemelen komt overeen met iemand, die goed zaad gezaaid had in de akker… En toen kwam zijn vijand”; en de tweede: “het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje”; en de derde: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem”. In alle drie gelijkenissen gaat het over het Koninkrijk der hemelen, dat zeker komt, niets kan het tegenhouden, zelfs de ergste vijand niet. In het begin is het nog erg klein, bijna onzichtbaar, maar het wordt groter en groter, net als het mosterdzaadje en het zuurdesem, “gist” zouden we nu zeggen. We noemen die gelijkenissen wel “contrastgelijkenissen”of “groeigelijkenissen”. In die lijn -denk ik-  moeten we ook onze gelijkenis zien. Jezus laat horen en zien! Door het beeld van de gelijkenis zie je als ’t ware voor je, dat het Koninkrijk komt, overvloedig en zeker, niets en niemand kan het tegenhouden! Het is daarom de vraag, of we die gelijkenis wel die van de zaaier moeten noemen. Zou het niet beter zijn hier van de akker of van het zaad te spreken? Bijvoorbeeld: de gelijkenis van de verschillende akkergrond.

Jezus onderwijst aan het meer van Gennesareth, vanuit een bootje, omdat de massa op Hem aandringt.  Hij vertelt de mensen over het Koninkrijk der hemelen. Zoals zo vaak wordt de komst van  het Koninkrijk vergeleken met de oogst. Jezus laat het contrast zien: aan de ene kant de moeizame en vaak nutteloze arbeid van de zaaier, aan de andere kant het rijpe veld, dat overstelpend rijke oogst geeft. Het drievoud van de getallen 30-6-100 wijst ook op de goddelijke overvloed, die met Gods Koninkrijk op het eind der tijden geschonken zal worden. Een deel van het zaad valt langs de weg, een deel op steenachtige plaatsen, een deel tussen de dorens en de distels en een deel in goed aarde. Voor ons Nederlanders, die alleen goede aarde gewend zijn, is het maar een vreemd gedoe. Wie zaait er nou op de weg en op steenachtige bodem? Zou Jezus dat niet geweten hebben? Natuurlijk wel! Als klein kind al zwierf Hij door de velden rondom Nazareth en praatte Hij met de vissers aan het meer van Galilea. Juist daarom gebruikt Hij in Zijn spreken ook zo dikwijls het beeld van zaaien en vissen. Juist omdat Hij er zo veel van wist! Maar wij moeten bij de gelijkenis niet denken aan onze mooie vlakke polders met oerdegelijke klei, dat lekker diep gespit en geploegd kan worden. Nee, de velden rondom Nazareth in het Galilese heuvellandschap waren maar klein, uitgespaard tussen rotsen en onvruchtbare bosjes, in geaccidenteerd terrein, dus heel moeilijk te bewerken. Geen wonder dat er wel eens wat naast ging! Daar komt nog bij, dat we de weg niet moeten zien als onze wegen. Het is gewoon een voetpad, dat dwars door de braakliggende akker is ontstaan, omdat mensen de kortste weg uitzochten. Er kan dan zaad op het pad vallen, omdat er nog niet geploegd is. In tegenstelling tot onze gewoonte ging men toen namelijk pas ploegen, nadat er gezaaid was. Het is dus niet te wijten aan onachtzaamheid van de zaaier, dat er nogal wat zaad verloren gaat. Hij zou dat zelf ook vervelend hebben gevonden. Iedere boer is toch heel zuinig op zijn zaad. Maar de omstandigheden waren daar en toen niet anders.

Nu is het wonder, dat ondanks die tegenstrevende en dwarsliggende omstandigheden er toch een geweldige oogst komt! Een mens denkt wel eens net als de Prediker: “Waarvoor doe ik het allemaal? Want wat heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?”(Prediker 2,18). Ook de mensen, die bij Jezus waren, zijn sceptisch: “Ik zie nog niets van het Koninkrijk, zou het nog wel komen? Ach, al dat bidden en hopen heeft toch geen zin! Zeg nou zelf, rabbi…” En rabbi Jezus zegt het, Hij laat het zien aan duidelijk herkenbare beelden: zaad, oogst, akkers, de mosterdboom en het gistende gist. Tegenover de geringheid van alle begin en de moeiten en zorgen, die daarmee gepaard gaan, staat een overweldigend einde. Alle begin is moeilijk, maar het einde moet je in zicht houden! In het ritme van zaaien en oogsten, dat de landbouwers zo in het bloed zit, mag ook ons geloven zijn beslag rijgen. Daaraan is bovendien de goddelijke belofte verbonden: “Zo lang de aarde bestaat, zullen zaaien en oogsten niet ophouden” (Genesis 8,22). Onze gelijkenis wijst ook daarheen: naar Gods onbegrijpelijke goedheid. Het is die goedheid, die de garantie is voor Jezus’ getuigenis: “Eind goed, al goed!”

Wanneer we de gelijkenis zo verstaan, wat is het dan een geweldige bemoediging voor ons in ons geloven en gelovend bezig zijn. Voor ons werken, voor onze dagbesteding, voor de hulp die we anderen mogen geven en van anderen mogen ontvangen, voor de hoop die we mogen koesteren als ’t gaat over het einde van ons leven en het deel krijgen aan de heerlijke eeuwige dingen. De goedheid, waarmee God de wereld geschapen heeft en door zaaiing en oogst onderhoudt, die goedheid geeft ons de zekerheid dat het eens alles goed zal zijn, als het Koninkrijk der hemelen onder ons zichtbaar zal zijn geworden. “Hij laat nog dagelijks de zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” (Mattheüs 5,45). Daardoor schenkt Hij ons het dagelijkse brood. Daardoor krijg ik houvast: dat Hij niet zal laten varen de werken van Zijn handen!

Zo bezien krijgt de gelijkenis een heel andere strekking  dan de gangbare, die helemaal op het horen is toegespitst: het horen en aannemen en verstaan van het woord over het Koninkrijk. De hoorder van het Evangelie komt in een aantal gevarenzones terecht, die hem van het geloof afbrengen. Heel begrijpelijk, dat de predikers in de oerkerk daarop gewezen hebben. Want het is heel reëel, zeker ook vandaag! Het gaat om de praktijk van het Christelijk geloof, de zwakte, de geringe diepgang, het gaat bovenal ook om de slimheid van Satan, die de mens het zo juist gehoorde Evangelie uit het hoofd slaat. De mens, die het Woord gehoord heeft is inderdaad onderhevig aan allerlei gevaren: aanvechting, bezorgdheid, onderdrukking, vervolging, gemakzucht. Al die gevaren moet een mens overwinnen, anders kan hij niet de goede akker zijn, waarin het zaad van het Woord van God honderdvoudig vrucht draagt. Zo uitgelegd is de gelijkenis heel leerzaam voor de gelovigen. Het is dan ook niet vreemd, dat deze uitleg al heel vroeg in de oerkerk is ontstaan. De gelijkenis is tezamen met deze uitleg overgeleverd en opgenomen in het Evangelie als een vermaning, een waarschuwing en aansporing aan de gelovigen om het Woord goed te horen en daarna ook in praktijk te brengen, zodat het Woord vrucht draagt. Dit laat ook de apostel Jacobus horen in zijn brief, waarin hij schrijft over “hoorders of daders” (1,19-25).

Toch denk ik, dat het beter is de gelijkenis te horen zonder die traditionele uitleg, maar gewoon als Koninkrijksgelijkenis, gesproken in een heel actuele situatie, namelijk de twijfel van de discipelen. Zij twijfelden aan Jezus’ zending en volmacht (dat Hij van God gezonden zou zijn!). Zij zagen Zijn armoedige volgelingen, Zijn geringe succes en zelfs afwijzing, zoals in Nazareth (Marcus 6), de verbitterde tegenstand van de Farizeeën, de toenemende afval van Hem, omdat Hij in Zijn woorden aanstoot gaf (Johannes 6, 60v). Betekende dit alles niet een weerlegging van Zijn goddelijke aanspraken? “Kijk naar de landman” zegt Jezus . Die had ook wel kunnen ophouden vanwege de vele weerstand, die zijn werk ondervond en waardoor zijn zaad bedreigd en vernietigd wordt!  Toch gaat hij door, volhardend, in een vast vertrouwen, dat een rijke oogst niet zal uitblijven. “Jullie kleingelovigen! Nou zo is het ook met het Koninkrijk der hemelen: God gaat stug door, het begin is o zo klein en onaanzienlijk, maar de uitkomst zal overweldigend zijn, reken maar!”  In Zijn leven heeft Jezus dat laten zien: een mens als wij, niets bijzonders, maar door God opgewekt en aangesteld om te regeren naast Hem in Zijn Koninkrijk (lees Philippenzen 2, 5-11!). Zou het in Gods Koninkrijk niet juist het kleine en onaanzienlijke zijn, dat ‘t  ‘m doet?

In onze tijd zijn wij een steeds kleiner wordende kerkgemeenschap, in een grote hulpbehoevende wereld, die steeds groter wordt. Wat kan werelddiakonaat dan nog betekenen? Een druppel op een gloeiende plaat? Nee, zaad in de goede akker! Het bergt in zich, hoe klein ook, de belofte van een geweldige oogst! Daarom volhouden! En je niet laten afschrikken door allerlei influisteringen van de Satanische tegenstrever: “Er komt toch niets van terecht, het meeste blijft aan de strijkstok hangen, het is gekkenwerk, geen beginnen aan!” Weet ie veel, die Satan. Het IS toch al begonnen, wij hoeven het alleen maar voort te zetten!

WIE OREN HEEFT, DIE HORE !

De vrouw in het geloof IV

Pas als er geen zoon is kunnen de dochters erven. De moeder kan helemaal niet erven van haar man. Geen wonder dus, dat weduwen en weesmeisjes het meest behoeftig waren in de Joodse maatschappij. In het Christelijke westen is dit heel lang zo gebleven, tot laat in de 19e eeuw!

Een groot verschil tussen de Bijbel en de Islam betreft het erfrecht. In de Bijbel kunnen vrouwen niet erven, omdat zij zelf tot het erfgoed behoren. Zij zijn het eigendom eerst van de vader en daarna van de echtgenoot. Zo lezen we in Numeri 27, 1-11:

1-2  De dochters van Selofchad, die tot een geslacht behoorden dat van Jozefs zoon Manasse afstamde – Selofchad was een zoon van Chefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse – kwamen naar de ingang van de ontmoetingstent en wendden zich tot Mozes, de priester Eleazar, de leiders en het hele volk. Deze vrouwen, Machla, Noa, Chogla, Milka en Tirsa genaamd, legden hun het volgende voor:
2 [1–2] 3  “Onze vader is in de woestijn gestorven. Hij behoorde niet tot de aanhangers van Korach, die tegen de HEER in opstand kwamen, maar is om zijn eigen zonden gestorven. Hij had geen zonen.
4  Moet de naam van onze vader nu uit de familie verdwijnen omdat hij geen zoon heeft nagelaten? Wijst u ons, net als de broers van onze vader, een stuk grond toe.”
5  Mozes legde hun zaak aan de HEER voor,
6  en de HEER zei tegen Mozes:
7  “Selofchads dochters hebben gelijk. Je moet hun inderdaad een stuk grond in bezit geven, net als de broers van hun vader. Wat hun vader toekwam moet op hen overgaan.
8  En zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer iemand sterft zonder een zoon na te laten, moet zijn bezit overgaan op zijn dochter.
9  Heeft hij geen dochter, dan moet zijn bezit aan zijn broers gegeven worden.
10  Heeft hij geen broers, dan moet zijn bezit aan de broers van zijn vader gegeven worden.
11  Heeft zijn vader geen broers, dan moet zijn bezit aan zijn naaste bloedverwant gegeven worden; dat is dan zijn erfgenaam. Dit is een wettelijke bepaling voor alle Israëlieten, door de HEER aan Mozes gegeven.” “

Pas als er geen zoon is kunnen de dochters erven. De moeder kan helemaal niet erven van haar man. Geen wonder dus, dat weduwen en weesmeisjes het meest behoeftig waren in de Joodse maatschappij. In het Christelijke westen is dit heel lang zo gebleven, tot laat in de 19e eeuw!

In het oude Arabië was het ook zo, maar Mohammed heeft daar een abrupt einde aan gemaakt. “Voor de mannen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten, en voor de vrouwen is er een aandeel in wat achtergelaten wordt door de ouders en de verwanten, of het weinig of veel is: een vastgesteld aandeel.”(4,7). De algemene regel is dat het vrouwelijk deel de helft van het mannelijk deel is. Dit lijkt onrechtvaardig, maar men dient ook rekening te houden, dat de financiële verantwoordelijkheid van de man veel groter is dan die van de vrouw. Zo heeft hij te zorgen voor zijn vrouw en kinderen, terwijl de vrouw haar eigen bezit (bruidsschat en zo) voor zich zelf mag gebruiken.

Zoals gezegd had de weduwe in het Joodse geloof het erg moeilijk. Zo was het verplicht, dat een kinderloze weduwe de broer van haar overleden man trouwde, om kinderen te verkrijgen (het zogenaamde zwager-huwelijk). Dit staat beschreven in Genesis 38,8: “Toen zei Juda tegen Onan: Vervul je zwagerplicht: trouw met de vrouw van je broer en verwek voor je broer nakomelingen bij haar”. Bij de Arabieren in de tijd van Mohammed was het ook zo. Maar de profeet kreeg een visioen dat het anders moest. Er moest voor de weduwen gezorgd worden, zonder verplichting dat zij moest hertrouwen met een familielid.

We willen het nu hebben over de kwestie van de polygamie. In de Bijbel wordt dit niet veroordeeld. Er staat zelfs dat koning Salomo 700 vrouwen had! De enige beperking is het verbod op het trouwen met de zus van je vrouw (Leviticus 18,18). De Talmud adviseert verder een maximum van 4 vrouwen. Tot in de 16e eeuw bleef dit een Joods gebruik. In het N.T. is polygamie ook niet verboden, maar in het Romeinse Rijk was het niet toegestaan. In de Koran staat het volgende: “En indien jullie vrezen de (vrouwelijke) wezen niet rechtvaardig (in haar recht op een bruidsschat) te behandelen, trouwt dan met de vrouwen (niet de vrouwelijke wezen) die jullie aanstaan, twee, drie of vier. Als jullie vrezen haar niet rechtvaardig te kunnen verzorgen, dan (alleen) één” (4,3). We zien hier, dat de Koran de polygamie niet zo zeer aanmoedig, maar wel in noodgevallen tolereert.

Het heeft ook te maken met het vrouwenoverschot in de wereld. In Guinee bijvoorbeeld zijn er 122 vrouwen tegenover 100 mannen! Wat gebeurt er in zo’n geval? Sommige landen zijn voorstanders van het celibataire leven, in andere landen worden meisjes gedood, wat nu nog gebeurt. Weer anderen zien een oplossing in het tolereren van prostitutie, homoseksualiteit, en het hebben van buitenechtelijke relaties. Voor de Afrikaanse landen van vandaag geldt het toestaan van het polygame huwelijk als de meest eerbare oplossing. Iets, wat in de Westerse landen vaak gezien wordt als vernedering van de vrouw. Het is zelfs zo, dat Afrikaanse vrouwen er bij hun mannen op aandringen een tweede vrouw te nemen, zodat zij zich niet eenzaam hoeven te voelen! Bij een onderzoek in Kenia bleek maar liefst 76% van de vrouwen positief aan te kijken tegen polygamie.

Natuurlijk speelt zo’n vrouwenoverschot in tijden van oorlog een grote rol. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de Amerikaanse Indiaanse stammen en dichterbij in Duitsland na de 2e wereldoorlog. De bezetters van Duitsland konden tegen een paar sigaretten of een stuk chocolade iedere vrouw krijgen! Je kunt de vraag stellen: wat geeft de vrouw meer waardigheid: een gerespecteerde tweede vrouw zoals in Afrika en bij de Indianen of feitelijk een prostituee zoals bij de zogenaamde beschaafde “bondgenoten”?

In de huidige wereld met de massavernietigingswapenen zou polygamie een noodzakelijke manier van overleven kunnen worden. In Amerika is er nu al, vooral bij de jonge zwarte vrouwen, een groot vrouwenoverschot. Er zijn ook veel scheidingen. Er wordt wel gezegd, dat kinderen er bij gebaat zouden zijn, wanneer er in plaats van scheiding een tweede vrouw bij kwam in het gezin. In Mormoonse kringen wordt de polygamie nog gepraktiseerd. Daar wordt geloofd, dat polygamie een ideale manier is voor de vrouw om zowel carrière te maken als kinderen te krijgen, omdat de vrouwen elkaar helpen bij het verzorgen van de kinderen. In de Islam is de vrouw vrij om een reeds getrouwde man te trouwen. Zij kan er niet toe worden gedwongen. Ook kan een vrouw in het huwelijkscontract laten bepalen, dat haar man geen tweede vrouw mag trouwen. In de huidige tijd wordt polygamie in Islamitische landen niet veel meer toegepast, omdat de aantallen mannen en vrouwen elkaar aardig in evenwicht houden. Misschien is polygamie daar wel zeldzamer dan buitenechtelijke affaires in Westerse landen! De beroemde Evangelist Billy Graham heeft eens gezegd: “De Christelijke landen maken een grote show van monogamie, maar in feite praktiseren zij polygamie!” Er moet nog gezegd worden, dat in de meeste zowel Islamitische als niet-islamitische landen polygamie verboden is.

De vrouw in het geloof III

Er ligt een belangrijk verschil tussen de drie grote geloven op het punt van de echtscheiding. In het Joodse geloof is het zonder meer toegestaan, bij de Christenen is het verboden. Dat heeft te maken met het woord van Jezus: “En Ik zeg jullie: wie zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten (gescheiden) vrouw, pleegt overspel”.

Er ligt een belangrijk verschil tussen de drie grote geloven op het punt van de echtscheiding. In het Joodse geloof is het zonder meer toegestaan, bij de Christenen is het verboden. Dat heeft te maken met het woord van Jezus: “En Ik zeg jullie: wie zijn vrouw verstoot, drijft haar tot overspel – tenzij er sprake was van een ongeoorloofde verbintenis; en ook wie trouwt met een verstoten (gescheiden) vrouw, pleegt overspel”. In het Oude Testament ligt het heel anders: “Het volgende kan zich voordoen: iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om de een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij bij haar vertrek aan haar meegeeft. Ze gaat bij hem weg en wordt de vrouw van een ander. Maar dan krijgt die tweede man een afkeer van haar, en ook hij schrijft een scheidingsbrief en geeft haar die bij haar vertrek mee; of de man die als tweede met haar getrouwd is, komt te overlijden. In zo’n geval mag de eerste man, die van haar gescheiden is, haar niet opnieuw tot vrouw nemen, nu zij voor hem onrein geworden is”.(Deuteronomium 24,1-4).

De vraag is natuurlijk, wanneer een man “ontevreden” is over zijn vrouw. Hele discussies zijn daarover losgebarsten. De één zegt: seksueel wangedrag, de ander: ze kan niet koken, een derde gewoon: ik vind haar niet meer lief of mooi. In het Nieuwe Testament wordt meestal uitgegaan van het eerste, terwijl in de Joodse wet elke man vrij is om zonder meer te scheiden. He Oude Testament verplicht de man zelfs om te scheiden van een “slechte vrouw”: “Een slechte vrouw brengt vernedering, een treurig gezicht en pijn in het hart. Bij een vrouw is de zonde begonnen, door haar moeten wij allen sterven… Als ze je niet gehoorzaamt, ban haar dan uit je leven.”(Prediker 25,23-26). De Joodse Talmud heeft zelfs verplicht gesteld van een onvruchtbare vrouw te scheiden. Maar vrouwen zelf kunnen geen scheiding starten. Wel kan een vrouw bij het Joodse Hof een scheiding eisen, als haar man bijvoorbeeld lichamelijk beperkt is of zijn echtelijke verplichting niet kan nakomen. Het Hof kan de vrouw dan in het gelijk stellen, maar alleen de man zelf kan de scheidingsbrief meegeven. De man kan hiertoe niet gedwongen worden. Hij kan haar zelfs ongescheiden verlaten en een andere vrouw trouwen. Maar de verlaten vrouw kan geen andere man trouwen, omdat zij volgens de wet nog getrouwd is. Zo’n vrouw wordt een “geketende”(agunah) genoemd. Dat zouden er in Israël zo’n 16.000 zijn!

In de Islam wordt een middenweg bewandeld: je mag wel scheiden, maar liever niet! Voordat het zo ver komt, moeten er allerlei bemiddelingspogingen worden gedaan. Ook de vrouw heeft het recht om te scheiden. Maar dan moet zij wel de bruidsschat teruggeven, als eerlijke compensatie voor de man, die zijn vrouw kwijt raakt! Door dit recht van de Islamitische vrouw probeerden ook Joodse vrouwen in de Islamitische gemeenschappen van de 7e eeuw scheidingsbrieven te krijgen bij Islamitische gerechtshoven. De Rabbijnen verklaarden deze brieven onwettig.

In de Islam wordt de vrouw met respect behandeld. Moslims kunnen niet zo maar van hun vrouw scheiden, omdat zij haar niet meer aantrekkelijk vinden. “Een gelovige man dient een gelovige vrouw niet te haten. Wanneer hij zich stoort aan een van haar (karakter)eigenschappen, dan zal hij tevreden zijn met een andere”. (Muslim). Maar ja, soms is een huwelijk niet meer te redden! Dan geeft de Koran de volgende adviezen: “En wat betreft haar (echtgenotes) waarvan jullie ongehoorzaamheid vrezen : 1. vermaant haar, en als dat niet helpt: 2. Negeert haar in bed, en als dat niet helpt: 3. Slaat haar (licht); tenslotte 4. En als jullie een breuk tussen hen beiden vrezen, stuurt dan een bemiddelaar van zijn familie en een bemiddelaar van haar familie, indien zij een verzoening wille, zal Allah tussen hen beiden een verzoening bewerkstelligen”(Koran 4,34-35). Het slaan van vrouwen blijft een probleem! In de Islam is het een lichte straf om vrouwen te corrigeren, maar in de Talmud mag een man zijn vrouw al slaan, als zij haar huishoudelijke taken niet goed vervult. Hij mag hierbij zelfs gebruik maken van de zweep!

En dan nu de houding tegenover de ouders. In het Oude Testament staat bv: “Wie een vloek uitspreekt over zijn vader of zijn moeder (hen uitscheldt), moet ter dood gebracht worden (Leviticus 20,9) en “Een wijze zoon geeft zijn vader veel vreugde, een dwaas veracht zijn moeder “(Spreuken 15,20).  Over de moeders apart wordt niet gesproken. Bovendien erven moeders niets van hun kinderen, terwijl vaders dit wel doen. In het Nieuwe Testament is het al niet anders. Daar wordt zelfs gepleit om te breken met de ouders: “Wie Mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen en ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet Mijn leerling zijn”(Lukas 14,26). Toen Zijn moeder en broers Hem zochten en de menigte om Hem heen Hem daarop attendeerde, zei Hij: “Wie zijn Mijn moeder en mijn broers? Jullie zijn Mijn moeder en Mijn broers, want iedereen die de wil van God naleeft is Mijn broer en zuster en moeder” (Marcus 3,31-35).  Je kunt daaruit concluderen, dat de moeder niet echt met liefde en respect wordt behandeld in het Christendom, ondanks de verering van de maagd Maria in het Rooms Katholicisme. Binnen de Islam is het heel anders! Daar staan de ouders en zeker de moeder op een voetstuk. “En jullie Heer heeft bepaald, dat jullie niets dan Hem alleen aanbidden, en goedheid betrachten tegenover de ouders. Als een van de twee of beiden de ouderdom bereiken in jouw aanwezigheid, zeg dan nooit “foei” tegen hen, snauw hen niet af en spreek tot hen een vriendelijk woord. En wees zachtmoedig voor beiden, en nederig en liefdevol, en zeg: “O mijn Heer, schenk hun genade, zoals zij mij opvoedden toen ik klein was”(17,23-24). De moeder heeft een heel speciale plaats in de Koran: Een man vroeg aan de Profeet: wie moet ik het meest eren? De Profeet antwoordde: je moeder. En wie komt er daarna? vroeg de man. De profeet antwoordde: Je moeder! En wie komt er daarna? vroeg de man. De profeet antwoordde: Je moeder! En wie komt er dáárna? vroeg de man opnieuw. De profeet antwoordde: Je vader.”(Bukhari en Muslim). Tot op de dag van vandaag is de liefde voor de moeder zichtbaar in de Mohammedaanse huisgezinnen, iets waarop anderen jaloers kunnen zijn!

De vrouw in het geloof II

We willen het nu hebben over “overspel”. Hier ligt een verschil tussen de Koran en de Bijbel. In de Koran staat, dat overspel betrekking heeft op de buitenechtelijke verhouding van beide, zowel een getrouwde man als een getrouwde vrouw. De Bijbel beschouwt alleen de buitenechtelijke verhouding van een getrouwde vrouw als overspel.

We willen het nu hebben over “overspel”. Hier ligt een verschil tussen de Koran en de Bijbel. In de Koran staat, dat overspel betrekking heeft op de buitenechtelijke verhouding van beide, zowel een getrouwde man als een getrouwde vrouw. De Bijbel beschouwt alleen de buitenechtelijke verhouding van een getrouwde vrouw als overspel. “Wie overspel pleegt met een getrouwde vrouw, een vrouw die een ander toebehoort, moet ter dood gebracht worden. Beide echtbrekers moeten worden gedood.”(Leviticus 20, 10).

Cruciaal zijn de bepalingen in Deuteronomium 22, 22-29: Ongeoorloofde betrekkingen.

22 Wanneer ergens een man aangetroffen wordt terwijl hij met een vrouw slaapt die met een andere man getrouwd is, dan moeten zij beiden sterven, de man die met de vrouw geslapen heeft, en de vrouw. Zo moet u het kwaad uit Israël wegdoen.

23 Wanneer een meisje nog maagd is, maar wel in ondertrouw met een man, en een andere man treft haar binnen de stad aan en slaapt met haar,

24 dan moet u hen beiden naar buiten brengen, naar de poort van die stad, en moet u hen met stenen stenigen totdat zij sterven; het meisje vanwege het feit dat zij binnen de stad niet om hulp geroepen heeft, en de man vanwege het feit dat hij de vrouw van zijn naaste vernederd heeft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.

25 Maar als de man het ondertrouwde meisje in het open veld aantreft, en de man haar vastgrijpt en met haar slaapt, dan moet alleen de man die met haar geslapen heeft, sterven.

26 Het meisje mag u niets doen, want het meisje heeft geen zonde begaan die de dood verdient. Deze zaak komt immers overeen met het geval dat een man zijn naaste aanvalt en deze om het leven brengt.

27 Hij trof haar namelijk aan in het open veld, en het ondertrouwde meisje riep, maar er was niemand die haar verloste.

28 Wanneer een man een meisje aantreft, een maagd die niet in ondertrouw is, en hij grijpt haar en slaapt met haar, en zij worden ontdekt,

29 dan moet de man die met haar geslapen heeft, aan de vader van het meisje vijftig zilverstukken geven, en zij zal hem tot vrouw zijn, omdat hij haar vernederd heeft. Hij mag haar al zijn dagen niet wegsturen.

Het wordt blijkbaar niet als een misdaad beschouwd, wanneer een getrouwde man slaapt met een ongetrouwde vrouw. Overspel is alleen een misdaad, wanneer een man, getrouwd of ongetrouwd, slaapt met een getrouwde vrouw. In dit geval zijn beide echtbrekers. De getrouwde vrouw is dus bepalend voor de echtbreuk. Hoe komt het, dat hier toch met twee maten gemeten wordt? Het wordt wel zo uitgelegd: de vrouw is het bezit van haar man, dus is overspel schending van het exclusieve recht van de echtgenoot op haar. Maar de vrouw had, als bezit van de man, geen dergelijk recht op hem. De Koran beschouwt een vrouw nooit als het bezit van een man. “En het behoort tot Zijn tekenen, dat Hij voor jullie van jullie eigen soort echtgenotes heeft geschapen, opdat jullie rust bij haar vinden, en Hij bracht tussen jullie liefde en barmhartigheid. Voorwaar, daarin zijn zeker Tekenen voor een volk dat nadenkt”(30,21). Liefde, barmhartigheid en rust, dat zijn de uitgangspunten voor een goed huwelijk in de Koran. Geen sprake van bezit van de een door de ander en van dubbele normen!

Nu de kwestie van de “geloften”. In de Bijbel wordt met twee maten gemeten. De man moet altijd zijn geloften nakomen. Voor de vrouw zijn die geloften niet noodzakelijk bindend. Die moeten namelijk eerst door haar man of vader goedgekeurd worden. “Maar als haar vader bezwaar maakt, zodra hij er van hoort, verliezen al haar geloften en verplichtingen die ze op zich genomen heeft hun geldigheid… Maar verklaart hij ze nadrukkelijk ongeldig als hij er van hoort, dan draagt hij de volle verantwoordelijkheid” (Numeri 30,2-15). Het woord van een vrouw is niet bindend, omdat zij eigendom is van de vader of van haar man. Dit heeft ook in onze Westerse cultuur doorgewerkt tot in het midden van de 19e eeuw, dus twee duizend jaar! Een getrouwde vrouw had geen wettige status. Zij mochten geen juridische handelingen verrichten, contracten sluiten en dergelijke. Binnen de Islam is de gelofte van man of vrouw bindend. “(Bij het verbreken van jullie eden) geldt Kaffarah hiervoor: het voeden van tien armen, zoals jullie gemiddeld jullie families voeden; of het hen kleden; of het vrijlaten van een slaaf. En wie dat niet vindt: het vasten van drie dagen. Dat is de Kaffarah voor het verbreken van jullie eden, die jullie zwoeren. Maar wees jullie eden getrouw!”(5,89). Voor zijn dochter of vrouw kan een man geen eed afleggen. Ook kan een man een eed, afgelegd door één van de vrouwelijke familieleden verwerpen. Een eed blijft altijd persoonlijk, of je man bent of vrouw.

Wie heeft de leiding in het gezin? De drie godsdiensten zijn het er over eens, dat dat de man is. Toch is er verschil in opvatting. De Joodse traditie gaat er van uit, dat de vrouw het bezit van de man is. Hierdoor kreeg je die dubbele maatstaven van overspel, het afleggen van geloften en ook het hebben van bezit. Zodra een Joodse vrouw trouwde, verloor ze de macht over haar bezit aan haar man. Uitspraak van Joodse Rabbijnen: “Is het niet logisch dat, aangezien hij de vrouw is gaan bezitten, hij ook haar bezittingen gaat bezitten?” In de praktijk ging het zo, dat een deel van het familiebezit aan de huwbare dochter werd geschonken om een partner aan te trekken. Een meisje was in een Joodse familie dus geen voordeel, alleen maar een last! Zodoende werd de geboorte van een dochter ook niet met blijdschap gevierd. De bruidsschat kwam de man, met wie ze trouwde, toe. En als ze na het huwelijk nog ging werken, wat ook van haar verwacht werd, het verdiende geld ging allemaal naar de man. Zij kon haar bezit slechts in twee gevallen terug krijgen: door echtscheiding of door de dood van de man. In het laatste geval kreeg zij alleen haar bruidsschat terug en niet ook een deel van de erfenis van de man.
Christenen volgden tot voor kort dezelfde traditie. Onder het Canoniek recht had een vrouw recht op de teruggave van haar bruidschat, als het tot scheiding was gekomen, tenzij zij schuldig was bevonden aan overspel. (Het canoniek recht is het kerkrecht dat door de Katholieke Kerk, de Anglicaanse Kerk en de Orthodoxe Kerk wordt vastgelegd en toegepast in de kerkelijke rechtbanken. Het is gebaseerd op de Bijbel, de apostolische traditie, de geschriften van de kerkvaders en de bevindingen van kerkleraren (de zogeheten doctores ecclesiae)- Wikipedia). In het Engelse recht staat bijvoorbeeld  “Datgene wat de man bezit is zijn bezit. Datgene wat de echtgenote bezit is het bezit van de echtgenoot.”(16,32). Een getrouwde vrouw werd behandeld als een kind, omdat zij aan haar man toebehoorde en daarom haar identiteit en bezit en ook familienaam verloor.

In de Islam gaat het er anders aan toe. Geen bruidsschat of enige betalingsverplichting van de vrouw. Het is de bruidegom, die een huwelijksgeschenk moet geven. Dit geschenk wordt eigendom van de vrouw en niemand kan het haar afnemen, ook niet als het tot een scheiding komt. “En geeft de vrouwen hun bruidsschatten als een schenking, maar wanneer zij zo goed voor jullie zijn iets van de bruidsschat terug te geven: eet er dan met plezier en welbehagen van…”(4,4). Ook wat zij gaat verdienen, is haar bezit. De man zorgt voor het levensonderhoud van het gezin. Beide echtgenoten erven van elkaar. Een getrouwde vrouw houdt ook haar eigen persoonlijkheid voor de wet en haar familienaam.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 50

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking.

Nu gaat het om het dagelijkse brood. Daarmee begint het tweede gedeelte van het Onze Vader. Wij hebben eerst over de dingen van God gebeden: Uw Naam, Uw Rijk, Uw wil. Nu gaan we over onze eigen dingen bidden. De bede om het brood staat voorop, daarna komt pas onze schuld en onze verzoeking. Is dat niet merkwaardig? Dat eerst het dagelijkse brood genoemd wordt? Ja, dat is het. Wie bidt er nu om brood? Als je in de problemen bent en je bidt dan tot God, dat zou begrijpelijk zijn. Maar om brood bidden? Geen wonder, dat in veel gezinnen het gebed bij de maaltijd is afgeschaft! En waar het nog wel gedaan wordt, gebeurt het meestal achteloos. Het zal u ook wel eens overkomen zijn, dat u gebeden had voor de maaltijd, maar toen iemand vroeg “hebben we al gebeden?”, dat u het toen niet meer wist. U moest er eerst even over denken! Bidden om het dagelijkse brood is er toch niet meer bij. Dat hebben we toch ook echt niet meer nodig, in deze tijden van overvloed!

En toch staat het brood voorop in de menselijke dingen. Jezus heeft het goed begrepen, dat brood voor de mens onmisbaar is. Want de mens is een stoffelijk wezen. En zo staat hij ook voor God, ook in het gebed, als een stoffelijk wezen. Hij wordt niet ineens een ander geestelijk mens, als hij bidt. Hij blijft wie hij is: een eenvoudig stoffelijk mensenkind. Als teken daarvan wordt het brood genoemd. Maar u zult begrijpen, dat hiermee niet alleen het brood van de bakker bedoeld is. Het gaat hier om het hele lichamelijke en maatschappelijk-menselijke leven. Dit alles brengen wij in het gebed voor Gods Aangezicht. Ook het belastingbiljet en de doktersrekening, heel het armetierige en ook dure leven zoals wij dat kennen. We moeten het niet gering achten, dat we “aardse” wezens zijn. Zo heeft God ons immers bedoeld! Hij heeft ons uit de aarde genomen. Daarom zegt Hij ook tot ons: “Stof zijt gij en tot stof zult gij weer worden; uit de aarde zijt gij genomen en tot de aarde zult gij wederkeren.” En zo is het ook. Stof zijn wij, wij horen thuis op de aarde en in al deze stoffelijkheid hebben wij een verhouding met God.

Dat is het eerste, wat wij moeten weten. Dat het gaat om “alle nooddruft”, zoals de Heidelberger dat zo treffend zegt. Alle aardse zaken, zonder uitzondering, moeten in ons gebed onder de aandacht van God gebracht worden, omdat wij door Gods bestemming aardse mensen zijn. En als wij dat doen, gaan we automatisch ontdekken dat God de enige oorsprong van alle goed is. Al onze arbeid en zorg kunnen niet zonder Zijn zegen. Dat brengt ons er als vanzelf toe ons vertrouwen alleen op Hem te stellen. Zo legt de Catechismus deze vierde bede van het Onze Vader uit. Er wordt hier heel eenvoudig over “brood’ gesproken. Dat heeft ons welvaartsmensen iets te leren: soberheid. Wat wij het meest nodig hebben is “brood’. Daar kunnen wij niet buiten, net als “water”. He gaat er om, dat we in stand blijven. Daar bidden we om. De levensdrift, the struggle for life, is ook uit God. Daar ligt natuurlijk nog heel wat omheen, vooral tegenwoordig in ons rijke en overvloedige leven. Een auto wordt dikwijls belangrijker geacht dan brood. We willen heel wat meer dan het strikt eenvoudige. We willen een menswaardig bestaan en dat is ons recht. Ook dat wordt ons door de Bijbel geleerd: de weelde en de leefbaarheid van het leven, zo dat de mens zich in zijn bestaan kan verheugen. Maar daarin moeten we toch altijd iets van de royaliteit van God blijven voelen. Immers Zijn zegen is het alleen, die de meest sobere zaken tot weelde, tot iets verheugends maakt. “Zie de leliën des velds…” Niet onze zorg en onze arbeid! De middelen, waarmee we ons brood verdienen; het zijn de gaven uit Zijn hand! Met daarbij ook de opdracht aan ons te werken “in het zweet van ons aangezicht”. Bidden en werken. “Ora et labora”. Het werk en de vlijt behoren onmiskenbaar tot de godsdienst. Maar zonder Gods zegen zou het zinloos zijn. De mooiste dingen zouden verkeren in hun tegendeel. En daarom bidden wij tegelijk met het dagelijkse brood ook voor ons werk, de arbeid van vandaag, die ons morgen weer te eten zal geven. God moet onze arbeid gebruiken en zegenen, dan hebben we ook zeker te eten en al de dingen die daarbij horen. Daarbij hoeven we ons geen zorgen te maken! Bidden en werken is onze opdracht, maar zorgen… dat kunnen we aan God over laten. Hij doet het voor ons. Bezorgd zijn en tobbe(re)n hoeven wij ons zelf niet aan te doen. We moeten niet zo zwaar aan het leven dragen, want dan treden we in de rechten van God. Hij heeft in onze plaats zwaar aan het leven gedragen, Hij droeg de last van het kruis. En dat doet Hij, van het begin tot het einde, nu nog, voor een ieder die op Hem vertrouwt. Hij, Die dat deed en nog doet, is het ook Die ons het Onze Vader geleerd heeft, en daarom mogen wij er ook gerust op zijn. Dat is bidden: wij werken voor het brood en de zorg dragen wij over aan God. Daarom zeggen wij: “geef GIJ ons heden het dagelijks brood”. “Heden”, dat is het element van de tegenwoordigheid. Wij beperken ons tot vandaag, de toekomst is van God, en daar is ie veilig geborgen. Wij hebben ons bezig te houden met het “heden”, vandaag, en daar moeten we vrede mee hebben! Elke dag, die God ons geeft, moeten we uitbuiten en liefhebben en daarin gelukkig zijn. Jezus leert ons in het gebed niet meer te willen dragen dan één dag tegelijk. Meer zou voor ons mensen te veel zijn. Dat kunnen we niet aan!

Tenslotte nog dit: wij bidden om ONS brood. Daar zit solidariteit in, gemeenschappelijkheid. Wij bidden gemeenschappelijk en voor elkaar. Alle gebed is in wezen voorbede! Bij onze bede hebben wij ook het brood van onze medemensen op het oog. We denken daarbij in het bijzonder aan het brood van onze hongerlijdende medemensen. He gaat dan om gewoon brood ter stilling van de honger. Overal in de wereld wordt er nog echt honger geleden. Wij kunnen het ons nauwelijks voorstellen, waar het brood bij ons vaak in de vuilnisbakken te vinden is. Toch hebben we het zelf ervaren, nu 70 jaar geleden, in de Hongerwinter van 1944/45,  wat het betekent: brood te hebben, elke dag brood te hebben. Wat een weldaad! Wat heerlijk zou het zijn, wanneer alle mensen in de wereld dit brood hadden. Deze gedachte, dit innerlijk verlangen, maakt dat wij vanuit dit bidden om brood ook metterdaad gaan werken voor dat brood voor de gehele wereld. Het gaat er dan niet meer om, dat wij veel hebben, maar dat iedereen dat ontvangt wat hij broodnodig heeft: zijn dagelijkse voedsel, een leefbaar bestaan. God zegene ons bij het werk en de ijver die we daaraan besteden! Laten we steeds weer een beroep doen op de trouw en macht van Hem, Die met Zijn zegen het mogelijk kan maken, zoals Hij dat in het verleden gedaan heeft met het manna in de woestijn en met de raven, die de hongerende Elia brood brachten, en met Zijn Zoon Jezus Christus, het Brood des Levens. Ons vertrouwen moeten we op Hem stellen, op Hem alleen, maar we mogen daarbij niet stil blijven zitten en toekijken. Bid daarom: “Geef ons heden ons dagelijks brood”. Ora et labora! Bid en werk!

Amen.

De vrouw in het geloof I

Van een Moslimvriendin in het Maasstad-Ziekenhuis ontving ik een boekje “Vrouwen binnen de Islam”, geschreven door een Amerikaanse professor Sherif Abdel Azim. Ik was wel benieuwd, wat daar in stond, en begon direct te lezen. Misschien zou het negatieve beeld, wat wij in ons land van de Islam hebben, wat bijgesteld kunnen worden!

Van een Moslimvriendin in het Maasstad-Ziekenhuis ontving ik een boekje “Vrouwen binnen de Islam”, geschreven door een Amerikaanse professor Sherif Abdel Azim. Ik was wel benieuwd, wat daar in stond, en begon direct te lezen. Misschien zou het negatieve beeld, wat wij in ons land van de Islam hebben, wat bijgesteld kunnen worden! Ik herinner bijvoorbeeld aan het zogenaamde “kopvoddendebat” (wie heeft zo’n denigrerend woord nou bedacht?) in de 2e Kamer.

De schrijver richtte zich op de geloofsboeken van zowel de Islam als ook het Joden- en het Christendom: de Koran, de Thora (de eerste 5 boeken van het Oude Testament: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium). Dat deed hij, omdat je zo bij de zuivere vorm van het desbetreffende geloof komt. In de praktijk immers is dit geloof gemengd met allerlei overleveringen uit de cultuur. Zo heb je in verschillende Afrikaanse Mohammedaanse landen nog de vrouwenbesnijdenis, terwijl deze in Marokko en Turkije al lang verboden is.

Ik wil de bevindingen van het boekje graag aan u doorgeven, in mijn eigen woorden. Vooreerst moet gezegd worden, dat de schrijver tot opmerkelijke uitspraken komt. Centraal staat de kwestie van Eva en de zondeval, wat in het Joodse en Christelijke geloof zo’n geweldige impact heeft gekregen. Hierdoor is de vrouw blijvend in een zwart daglicht komen staan. Ik citeer uit het Bijbelboek Prediker enkele verzen: “En ik vond iets bitterder dan de dood: de vrouw, zelf een strik, haar hart een net, haar armen ketenen. Wie bij God in de gunst staat ontkomt haar, maar de zondaar wordt door haar gevangen. Zie, zo heb ik het gevonden, zegt de Prediker, het een bij het ander nemend om een eindoordeel op te maken. Wat ik voorts vurig gezocht maar niet gevonden heb: Op duizend heb ik een rechtschapen man gevonden, maar een rechtschapen vrouw heb ik onder zovelen niet gevonden”(Prediker 7, 26-28). Ook in Prediker 25 komt de vrouw er niet al te best af: “Alle kwaad valt in het niet bij het kwaad van een vrouw…  Bij een vrouw is de zonde begonnen, door haar moeten wij allen sterven”(vs.19 en 24). In veel Joodse gebedenboeken heb je het volgende gebed: “Geprezen zij God dat Hij mij niet als een heiden heeft geschapen. Geprezen zij God dat Hij mij niet als een vrouw heeft geschapen. Geprezen zij God dat Hij mij niet als een domkop heeft geschapen.”

In het Christendom worden de gevolgen van Eva’s zondeval nog erger gevoeld dan in het Jodendom. Immers voor de zonden der wereld, die daarvan een gevolg waren, is JEZUS Christus gestorven. Eva verleidde Adam, zo kwam de “erfzonde” tot stand en moest Christus sterven. Dit bracht de apostel Paulus er toe te schrijven in 1 Timotheüs 2: “De vrouw ontvangt zwijgend onderricht, in alle onderdanigheid. Onderricht te geven of zich boven de man te verheffen sta ik een vrouw niet toe; zij moet zich stil houden. Immers Adam is het eerst geschapen, daarna Eva. En niet Adam werd verleid, maar de vrouw liet zich verleiden en kwam ten val”(vs.11-14). Ook de kerkvaders gingen mee in dit spoor. Zo lees ik, dat de bekende Augustinus (4e eeuw) gezegd zou hebben: “Wat is het verschil of het in een vrouw of een moeder is, het blijft Eva, de verleidster, waarvoor we moeten uitkijken in iedere vrouw… Ik zie niet in wat er nuttig kan zijn voor een man in een vrouw, behalve het baren van kinderen”. Zelfs de grote Hervormer Maarten Luther kon geen enkel voordeel in de vrouw zien, behalve het in de wereld brengen van zoveel mogelijk kinderen: “Wanneer zij vermoeid raken of zelfs sterven, dat maakt niet uit. Laat haar sterven tijdens te bevalling, dat is waarom zij hier zijn”. Ik kan dit niet begrijpen, want volgens mij was Luther heel gelukkig getrouwd met zijn Katharina van Bora ( zie mijn artikelen over Luther op mijn website, deel VII).

De Koran spreekt heel anders over vrouwen. Lees maar 33,35: “Voorwaar, de mannen die zich aan Allah hebben overgegeven en de vrouwen, die zich hebben overgegeven, en de gelovige mannen en de gelovige vrouwen, en de gehoorzame mannen en de gehoorzame vrouwen, en de waarachtige mannen en de waarachtige vrouwen, en de geduldige mannen en de geduldige vrouwen, en de ootmoedige mannen en de ootmoedige vrouwen, en de bijdragen gevende vrouwen, en de vastende mannen en de vastende vrouwen en de mannen die over hun kuisheid waken en de vrouwen die daarover waken, en de mannen die Allah veelvuldig gedenken en de vrouwen die gedenken: Allah heeft voor hen vergeving bereid en een geweldige beloning”. Nog zo’n sprekende tekst: “En de gelovige mannen en de gelovige vrouwen zijn elkaars helpers, zij roepen op tot het behoorlijke en verbieden het verwerpelijke en zij onderhouden de shalat en geven de zakat, en zij gehoorzamen Allah en Zijn Boodschapper. Zij zijn degenen, die Allah zal begenadigen. Voorwaar, Allah is Almachtig, Alwijs”(9,71). Uit deze teksten blijkt duidelijk, dat man en vrouw gelijk zijn. Beiden zijn schepselen van God en geroepen om Hem te dienen en te aanbidden. De Koran vermeldt ook nergens, dat de man het evenbeeld van God is en de vrouw een bedriegster, een verleidster, een duivelse poort. Ook de taak van de vrouw is niet beperkt tot het baren van kinderen.

Het is niet verwonderlijk, wanneer je deze teksten leest, dat in de Thora de geboorte van een jongen wordt bejubeld en de geboorte van een meisje wordt betreurd. “Wees bij de geboorte van een jongen allen blij… Wees bij de geboorte van een meisje allen bedroefd… Wanneer er een jongen ter wereld komt, komt er vrede ter wereld… Wanneer er een meisje komt, komt er niks.” Een dochter is alleen maar een last voor haar vader: “Bewaak een eigenzinnige dochter streng, anders maakt ze je belachelijk bij je vijanden, bezorgt ze je geroddel in de stad, een oploop van het volk en maakt ze je bij velen te schande”(Prediker 42,11). Het is door deze houding tegenover meisjes, dat het bij de heidense Arabieren voor de komst van de Islam gebruikelijk was meisjes te doden. Mohammed verfoeide deze praktijken (Koran 16,58-59; 43,17; 81,8-9). In de Koran wordt geen onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes. De geboorte van een meisje wordt evenals de geboorte van een jongen als een zegen van God beschouwd. “Aan Allah behoort de heerschappij van de hemelen en de aarde. Hij schept wat Hij wil en Hij schenkt meisjes aan wie Hij wil en Hij schenkt jongens aan wie Hij wil”(42,49). De meisjes gaan hier voorop!

Hetzelfde, wat wij hier boven zagen, geldt ook voor het onderwijs aan vrouwen. In de Thora van de Joden staat nadrukkelijk, dat vrouwen zijn vrijgesteld van het bestuderen daar van. Het wordt zelfs zo gezegd: “Laat de woorden van de Thora eerder door vuur vernietigd worden dan dat het wordt overgebracht aan vrouwen”… “Degene die aan zijn dochter de Thora onderwijst is alsof hij haar iets onzedelijks onderwees”. Bekend zijn ook de woorden van Paulus in 1 Korinthiërs 14, 34-35: “Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is en schande voor een vrouw, als ze tijdens een samenkomst spreekt”. Door dit principe komt het, dat pas in de tweede helft van de 19e eeuw de vrouw kiesrecht krijgt, eerst actief, daarna ook passief. En pas nu is er een vrouw van de SGP ergens in de Gemeenteraad gekomen. In orthodoxe Kerkgemeenschappen is het een vrouw niet toegestaan in de Kerkenraad te komen of op de kansel te staan. In de Koran wordt de vrouw niet het zwijgen opgelegd. Zij hoeft ook niet eerst haar man te vragen of zij mag spreken of om uitleg van de Koran.

Een ander punt, wat vrouwen diep raakt, is de “besmetting”. Het oude testament beschouwt iedere menstruerende vrouw als onrein. Bovendien is zij dan ook besmettelijk. Niemand mag haar aanraken en alles wat zij aanraakt is onzuiver geworden. “Wanneer bij een vrouw bloed uit haar schede vloeit , duurt de periode van haar onreinheid 7 dagen. Ieder die haar gedurende die periode aanraakt is tot de avond onrein. Ieder die haar bed aanraakt, of iets waarop zij gezeten heeft, moet zijn kleren en zichzelf met water wassen en blijft tot de avond onrein. Wie iets aanraakt dat op haar bed ligt of op een voorwerp waarop zij heeft gezeten, is tot de avond onrein”(Leviticus 15,19-23). Een menstruerende vrouw werd gewoon verstoten. Zij mocht niet in de tempel of synagoge komen en soms werd zij zelfs naar een speciaal huis gestuurd, “het huis van onreinheid”, voor de hele periode van haar onreinheid. Geen wonder, dat veel Joodse vrouwen de menstruatie nog altijd beschrijven als “de vloek”. In de Islam is de menstruerende vrouw niet “fataal” of vervloekt. Het is alleen verboden voor een echtpaar seksuele gemeenschap te hebben tijdens de menstruatieperiode. Maar verder mogen zij elkaar gewoon aanraken.

Een ander punt van verschil tussen de Islam en de Bijbel is de getuigenis van vrouwen. In de Koran is er nauwelijks verschil tussen het getuigenis van een man en een vrouw. Wanneer een man zijn vrouw bijvoorbeeld beschuldigd van overspel, is hij door de Koran verplicht om vijf maal plechtig te zweren dat de vrouw schuldig is. Wanneer die vrouw echter ontkent en op dezelfde wijze vijfmaal zweert, dan wordt zij niet schuldig bevonden, en in ieder geval wordt het huwelijk ontbonden (24,6-11). In de Bijbel delft de vrouw altijd het onderspit. Zo lezen we het volgende verhaal in de Statenvertaling (Deuteronomium 22,13-21):

13. Wanneer een man een vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten,

14. En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden;

15. Dan zullen de vader van deze jonge dochter en haar moeder nemen, en tot de oudsten der stad aan de poort uitbrengen, den maagdom dezer jonge vrouw.

16. En de vader van de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen: Ik heb mijn dochter aan dezen man gegeven tot een vrouw; maar hij heeft haar gehaat;

17. En ziet, hij heeft oorzaak van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom aan uw dochter niet gevonden; dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden.

18. Dan zullen de oudsten derzelver stad dien man nemen, en kastijden hem;

19. En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij een kwaden naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israel; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.

20. Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan de jonge dochter niet gevonden is;

21. Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 49

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid.

Wij komen nu bij wat wel eens de moeilijkste bede uit het Onze Vader genoemd wordt: “Uw wil geschiede”. Wij weten, dat ook de Here Jezus, in de hof van Getsemane, staande voor de benauwenis van het naderende einde, deze woorden gebeden heeft: “Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede …” Door dit gebed wordt Jezus getroost en versterkt. Maar deze vertroosting is er niet onmiddellijk en deze versterking laat dikwijls even op zich wachten. Als wij namelijk die bede bidden, dan voelen we eerst de strijd, de botsing, de ellende. Er is een andere wil dan de onze. En die andere wil is op andere dingen gericht. Naast elkaar en heel vaak tegenover elkaar vinden we de wil van God en de wil van ons. Gods weg en onze weg, Gods gedachten en onze gedachten. Ieder van ons heeft dat ervaren en duizenden anderen met ons.

Je staat hier direct voor de vraag: waarom is het nodig dat wij bidden: Uw wil geschiede. Is het dan nog een vraag of de wil van God geschiedt? Is er dan nog een andere mogelijkheid? Zou iemand de wil van God kunnen dwarsbomen? Zou iemand die wil kunnen verhinderen, zodat er zelfs sprake van kan zijn, dat die wil niet gebeurt? Ik geloof, dat we hier goed moeten onderscheiden tussen de wil van God en wat wij noemen de Raad van God, het raadsplan van God, het wereldplan. De Raad van God wordt vervuld. Immers wat God wil, wat Hij besloten heeft, dat zal gebeuren, geen twijfel aan! Wie zal het immers tegen kunnen houden? Mensen kunnen dat niet, en ook de schepping, de natuur, kan dat niet. Zelfs waar zij nee zeggen, zelfs waar ze vierkant ingaan tegen Zijn wil, werken ze toch mee aan de vervulling van Gods Raadsbesluit. Op een gegeven ogenblik in Israëls geschiedenis stond heel de Assyrische wereldmacht voor Jeruzalems poorten. Het kon niet anders, nu was het spel verloren. Die geweldige legers voorspellen ondergang en vernieling. Maar terwijl heel Jeruzalem siddert, komt Jesaja en zegt: Zo zegt de Heere Heere,’t zal niet bestaan en niet geschieden. En dan gebeurt het niet. De dreiging van de vijanden vergaat als het geluid van een echo. Want Gods wil is wet! Is zo heel de wereld niet vol getuigenis, dat Gods wil geschiedt? Zijn plan en raad houden stand in eeuwigheid! In dit opzicht is er geen houden aan. Waar we spreken van Gods wil en we bedoelen Zijn Raadsplan, daar is Gods wil niet te stuiten. Maar als we bij Gods wil denken aan Zijn wensen en geboden ten aan aanzien van mensen in hun persoonlijke leven, daar ligt het heel anders. Het plan van God ten aanzien van de wereld en de mensen is immers geheel anders dan de wereldloop en de loop van de mensen. In de wereldloop wordt de wil van God nooit volkomen volbracht, idem dito in de levensloop van iedere mens. Elk ogenblik van ons leven en van het wereldgebeuren is er een tweesprong. Elk ogenblik is vol van allerlei mogelijkheden. En in elk van die gelegenheden werkt God. Maar God werkt niet in alle dingen en gelegenheden en mensen op dezelfde wijze. God is bijvoorbeeld anders tegenwoordig in Jezus dan in Judas. Toch werken beide mee aan de volbrenging van Gods Raad en Zijn plan met de wereld. Maar Judas zal wel niet gebeden hebben, toen hij er op uitging om Jezus te verraden: Uw wil geschiede. Dat verraad was niet de wil van God. Dat bloedgeld, dat bedrog, was niet de wil van God. En zo gaat het gedurig. Zo is het ook nu, in ons leven en in onze wereld. Wat is er veel, waarin niet de wil van God geschiedt. De mensenmoord in Syrië, terreuraanslagen, rassenhaat, honger, drankzucht, ontucht enz. Gij zult niet doden, Gij zult niet begeren enz. Dat is de wil van God! Zo eenvoudig en duidelijk als men het zich maar denken kan. Dat men toch tegen deze duidelijke wil van God ingaat, komt omdat de mens leeft naar zijn eigen hoogmoedige zondige wil. Het komt, omdat men het met Gods wil op aan akkoordje gooit en het dwingend absolute er uit haalt, zodat er een compromis overblijft, een zwak afgietsel, waarbij het zich gemakkelijk leven laat. Maar wanneer men zo de wil van God stelselmatig negeert en tegenover Zijn wil komedie speelt, dan gaat God anders doen. Hij gaat zwijgen. Hij trekt Zich terug. Dat zijn momenten waarin het kwaad rijpt en het van kwaad tot erger gaat. Toch blijkt steeds weer -achteraf- dat in al die chaos van ellende, verwarring en verbijstering, de zwijgende God toch de wakende God is, en de wakende God is de genezende God. Hij groepeert alle gebeuren zo, dat Zijn Koninkrijk er doorheen breekt en Zijn plan er door voltooid wordt.

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid. Daar is immers alleen maar gehoorzaamheid en helemaal geen ergernis of ontstemming, daar is elk lied een lofzang en dankzegging, daar zijn geen verloren idealen en gebroken mensenharten. Want de wil van God is daar gekend als bron van het leven en enkel heerlijk licht!

Daarmee heb ik meteen al gezegd, hoe moeilijk het voor ons is om het hier en nu te brengen tot het doen van Gods wil “gelijk in de hemel”. Die moeilijkheid ligt in een fout, die we telkens maken. Meestal bewaren we namelijk dit gebed totdat er verbijsterende dingen gebeuren in ons leven. We hadden onze plannen, en als het zo was gegaan als we ons hadden voorgesteld, dan was er weinig meer te wensen overgebleven. Dan was ons geluk volkomen geweest. Maar er is niets van gekomen! Het is allemaal voorgoed onmogelijk geworden. En ons leven is er anders door geworden, aangeslagen, beroerd, en nu buigen wij ons hoofd en zeggen: Uw wil geschiede. Iemand, die ons dierbaar was, is ons weggenomen. Geen enkele dag kunnen wij dat vergeten. Of zelf hebben we een ongeluk gehad of een handicap gekregen. Het is heel moeilijk om daarmee te leven. Uiteindelijk is het ons toch gelukt, ondanks al het verdriet, te stamelen: Uw wil geschiede! We kennen dat allemaal. Als wij geen uitkomst meer zien, dan is het tijd om te bidden. We denken dan, dat we er zijn. Als we het maar een keer zo ver gebracht hebben! Maar weten we wel, dat het dan pas begint? Weten we wel, dat alles er van af hangt of we “Uw wil geschiede” bidden? Aan het begin van de strijd of aan het einde van de strijd? We staan aan de puinhopen van al onze plannen, van ons leven, van onze leegte, en dan komen we tot bidden. Moeten we God nu aanbieden dat puin, die leegte, die scherven van ons leven? Misschien ook nog met stil verwijt: Kijk God, dat is nou Uw wil geweest!

Nee, we moeten beginnen bij het begin. God wil erkend worden niet alleen aan het einde van ons kunnen, maar altijd. Zijn wil moet recht worden gedaan, bij het begin, bij het maken van al onze plannen, bij onze voornemens, bij het uitvoeren ervan en bij de uitkomst van die plannen, of die nu negatief of positief is. Dat dit niet eenvoudig is, weten we allemaal. Het is niet zo dat we kunnen zeggen: dat zullen we nu eens fijn gaan doen, Gods wil volbrengen. Want als we het goede willen doen, is ’t kwade ons nabij, zegt de apostel Paulus. Er is een overmacht van kwaad in ons. Daar worstelen we mee, maar we delven altijd het onderspit. En daarom kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, ja smeken: Geef, o God, dat we Uw wil mogen doen, helpt U ons daarbij. Dat betekent tegelijkertijd, dat we dwars tegen onszelf in moeten gaan. We vragen in dit gebed ook om onze eigen teleurstelling, nederlaag, afbraak en ondergang.

De wil van God kan alleen geschieden, als wij onze eigen wil verzaken. Want die twee staan tegenover elkaar! Daarom komt alles in het heilsproces ook aan op de verbrijzeling van het hart, de verslagenheid van de geest, de verbreking van onze wil. Onze wil, waar we zo trots op zijn, is een macht, die toch gebroken moet worden door de overmacht van Gods wil. Dan pas is er ruimte voor de liefde, die in het hart geboren wordt. Dat is een schrikwekkende werkelijkheid, waar de mens doorheen moet. Om deze verschrikking bidden we in de derde bede van het Onze Vader: Uw wil geschiede. We zien het: zo glorieus is het allemaal niet, het is meer een zaak van ergernis en strijd, dikwijls levenslang.

Tenslotte nog één ding. Wij bidden voor de aarde. Uw wil geschiede gelijk in de hemel zo ook op de aarde. Dat is de bestemming van de aarde: dat op haar Gods wil geschiedt. Hiervan spreken de profeten al in hun bewoordingen van vrede en gerechtigheid. Hiervan getuigt ook een man als Paulus, als hij zegt dat eens God alles in allen zal zijn. Wij bidden, dat God trouw zal zijn aan Zijn aarde, opdat zij aan haar bestemming mag beantwoorden. Hieraan heeft iedereen mee te werken, ook u en ik: “opdat alzo ieder zijn ambt en beroep zo gewillig en trouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.” Iedereen heeft in zijn beroep, zijn werk, al zijn bezigheden, Gods wil te volbrengen voor de aarde, samen met de anderen, in de gemeenschap van de hele schepping, zoals de engelen dat ook doen in de hemel. Het proces van verbrijzeling van de eigen wil om Gods wil te zoeken is niet eenvoudig. Soms gaat het diep, door merg en been. Het valt niet mee om mens te zijn, om Christen te zijn. Maar laten we toch om Gods wil boven alles uit het leven op aarde liefhebben! Want wij bederven er wel veel aan, maar God heeft er nog veel meer mee voor! Zijn Zoon gaf er Zijn leven voor, voor ons en deze aarde.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 48

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde.

Als wij vandaag denken aan koninkrijken van deze wereld, kunnen dat moeilijk vrolijke gedachten zijn, ook al zijn veel rijken geen koninkrijken meer. We moeten immers direct denken aan haat en nijd, moordzucht en aanslagen. We moeten direct denken aan het politieke steekspel van “leiders” en dictators, waar de arme bevolking de dupe van is. We zien de vluchtelingenkampen in Jordanië, de vele doden in Syrië en Mali en elders in de wereld ten gevolge van zogenaamde opstandelingen. Zij willen de wereld verbeteren door orde op zaken te stellen. Wij zien de auto’s vol chemische stoffen langs de kust van Syrië rijden om afgevoerd te worden in schepen en wij lezen, hoe Iran zijn atoomprogramma heeft verlaagd. Maar hoe zal door moord en doodslag ooit een nieuwe orde geboren kunnen worden? Wie zal dat geven en vanwaar zal dat komen? Toch zeker niet van de koninkrijken der wereld , ook niet van allen tezamen verbonden in de Verenigde Naties, die deze dagen in Montreux samen komen om vrede in Syrië te bewerkstelligen. In deze wereld zijn toch machtsbegeerte en zelfzucht de drijvende krachten. Als er ooit een tijd is geweest, die behoefte heeft aan een andere en hogere orde, aan Gods gerechtigheid en barmhartigheid, aan Zijn heilsbeloften ook, dan toch zeker deze tijd. Ik geloof, dat nu op allerlei manieren maar één bede herhaald en elke keer weer herhaald dient te worden: “Uw Koninkrijk kome”.

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde. Het Vaderschap berust op vertrouwen en overgave, het Koningschap is een zaak van gehoorzaamheid en onderwerping. Daarom spreekt de Heidelberger ook het eerst over onderwerping. “Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.” Hier gaat het dus over de gehoorzaamheid. Je moet bereid zijn gehoorzaam ter zijn aan Gods wil, anders kun je niet om Gods Koninkrijk bidden. Zijn Koningschap immers omvat ons hele bestaan, zodat het tot een lof en vreugde wordt de Koning te gehoorzamen. Dat wij dit niet zo maar kunnen en vaak ook niet willen, blijkt dagelijks uit de gang van zaken in de wereld, waarvan wij toch deel uit maken. Natuurlijk ligt dit meestal buiten ons bereik, het zijn de hogere machten die beslissen, maar wij kunnen er toch ook zelf iets aan doen. Niet voor niets zeggen we: “Verbeter de wereld, maar begin bij u zelf!”.  Door gehoorzaam te zijn aan Gods Woord en Gods Geest … Wij bidden God, dat Zijn Koninkrijk kome, dan moeten wij ook naar Hem luisteren en ons Zijn Geest eigen maken!

Vervolgens spreekt de Catechismus over de Kerk: “Bewaar en vermeerder Uw Kerk”. De Kerk moet je hier zien als het nieuwe volk van God, de gemeenschap van Gods kinderen, die God samen roept. De Kerk is het voortgezette werk van Jezus Christus, Die haar regeert door Zijn Geest. Door die Geest gaat zij niet ten onder aan al het menselijke onvermogen, maar blijft zij levend en is zij voortdurend een getuige van Gods genade. Zo is de Kerk een voorbode van het Koninkrijk van God en bidden wij tegelijk om haar behoud, als we God om de komst van Zijn Koninkrijk vragen. Zo lang Gods Rijk nog niet volkomen op aarde is, mag de Kerk plaatsvervangend Gods heerschappij verkondigen en ook zijn.

Ten derde vraag je in je bede om Gods Koninkrijk of God de werken van de duivel wil verstoren en alle heerschappij, die zich tegen God verheft, “mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Gods heilswoord bedacht worden”. Dit klinkt misschien een beetje Middeleeuws, maar het is toch waar. Ga maar eens na: je eigen onwil, de stem van je eigen geweten, hoe vaak heeft die niet tegen jou gesproken? Je eigen opstandigheid ook. Dan hoef je toch de werken van de duivel niet zo ver te zoeken? Alle heerschappij, die zich tegen God verheft. Gaat het niet vaker om ONS koninkrijk dan om Uw Koninkrijk? En dan alle raadslagen, die tegen Gods Woord bedacht worden? Wat wordt er niet gemakkelijk over God gesproken, zelfs over de dood van God. Zoals kinderen tegen hun ouders in redeneren, zo denken en spreken wij maar al te vaak tegen God, zelfs in ons bidden. Zonder eerbied, Godsbesef. Over de tegenwoordigheid van God en de komst van Zijn Koninkrijk moeten wij ons geen romantische al te menselijke en ook idealistische voorstellingen maken. Gemakkelijk is het niet, integendeel, zij is ten volle in strijd! Als wij zeggen: God heerst over mens en wereld, dan betekent dat: God worstelt met de mens en de wereld, en wij moeten mee-worstelen! Dit Koninkrijk van God is in oorlog, het is in het offensief. Daarom bidden wij ook: “Uw Koninkrijk KOME”. Dat wil zeggen: “Het breke door!”. Het breke door, door de frontlijn van de duivelse machten. Het moge met overmacht over ons komen en zich door ons heenzetten, tegen onze boze raadslagen en hoogmoed in! Wij bieden weerstand, maar die weerstand wordt gebroken! Mens en wereld zijn weerbarstig materiaal voor God. Wij zijn opstandelingen, wij verzetten ons voortdurend tegen Hem, tegen de heerschappij van Zijn genade en heerlijkheid van Zijn heil en vreugde. In deze weerbarstigheid en opstandigheid van ons bestaan wil God toch tegenwoordig zijn. En daarom moet onze bede tegelijk ook “daad” zijn . Het is al te goedkoop en te gemakkelijk om te zeggen “Uw Koninkrijk kome”. Je moet dat ook laten zien in je leven, je moet het toelaten en tot uitwerking laten komen. Zó, dat Hij zichtbaar wordt en tot overwinning komt in je leven! Dat betekent, dat je moet opruimen, alles, wat God belet tot jou te komen en wat jou belet tot God te komen. En dat kun je alleen in Christus. Paulus noemt dat: “begraven worden in Christus en opstaan met Hem tot nieuwheid van leven”. Wat begraven moet worden om tot opstanding te komen, doe dat! Begraaf het. Voor de een zal dat zijn een bepaalde ondeugd, een karakterfout misschien; voor een ander zijn gezondheid of juist gebrek aan gezondheid; voor weer een ander zijn rijkdom of juist armoede; zijn werk of juist werkeloosheid en ga zo maar door! Voor veel mensen zijn belemmeringen om tot God te komen: het verstand of het milieu, het verleden, teleurstellingen, bezorgdheid, angst en wantrouwen. Vecht er tegen, strijdend en biddend: Uw Koninkrijk kome, ook in mijn leven! Bid om je eigen nederlaag, de nederlaag van jouw koningschap, dan zullen we herboren worden. Dat is moeilijk, heel moeilijk, voor een mens nagenoeg onmogelijk. Daarom bidden wij er ook om. Wij vragen God het te doen, zodat eigenlijk niet wij plaats inruimen voor God, maar God Zich Zelf ruimte baant in ons en ons van onszelf vrijmaakt.

“Totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij zult zijn in allen …” Zonder deze toekomstverwachting zou al ons bidden en werken krachteloos zijn. Wij moeten leren geloven in en vertrouwen op Hem, Die enkeling en gemeenschap, mensen en Kerken, soldaten en Koninkrijken, te boven gaat. Toen Jezus Zijn taak volbracht had, zei Hij tot de Zijnen: “Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh16,33). En Paulus voegt daaraan toe: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”. Daar leven wij naar toe! Ons leven, dat van ons persoonlijk, dat van de Kerken, dat van onze aardse koninkrijken, van Israël, Syrië, Tanzania, Mali en al die anderen, ons leven beweegt zich voort tussen twee punten: het ene punt is de voltooide arbeid van Jezus, gekruisigd en opgestaan; het andere punt is het geheim van Gods komend Rijk. Jezus overwon de wereld en Hij gaat voort met de Zijnen, die in de wereld zijn. Hij gaat verder, Zijn werk staat niet stil. Hij is onze weg naar Gods doel. Christus’ rijk is niet van deze wereld, maar is wel IN de wereld. Dit rijk strijdt de grote strijd met de boze. Het gaat door de nacht van zorgbehoeftige mensen, van broedermoord in Syrië en Mali, door de duisternis van het wereldoordeel heen, het Rijk van God tegemoet. Het gaat er mee als met Jezus Zelf, Die over Golgotha heen verheerlijkt is. Eens zal het Pasen worden voor ons allemaal! Op dit allesomvattende Pasen richt zich de hoop van de Kerk en de Christen persoonlijk. Laat elke stap dan moeilijk, onzeker en vol benauwdheid zijn, het is toch een stap dichterbij naar de volkomenheid van Gods Rijk. Daarom bidden wij, op gezag van Jezus, Die het ons leerde, met vast vertrouwen: UW KONINKRIJK KOME.

Amen.

Heidelbergse Catechismus – Zondag 47

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

We gaan aan het begin van het nieuwe jaar verder met de Heidelbergse Catechismus, waar we vorig jaar gebleven waren: bij zondag 47.

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

Uw Naam worde geheiligd. De Naam en het heiligen, wat bedoelt de Bijbel daarmee? Met de Naam wordt de persoon zelf bedoeld, en wel de betekenis er van. Zoals bij de naamgeving van een kind uitgegaan wordt van wat dit jonge leven betekent en zou gaan worden. Neem bijvoorbeeld Mozes, die door zijn zuster Mirjam in een biezenmandje in de Nijl was gezet en gevonden werd door de dochter van de Farao. Zij was het die hem de naam Mozes (“hij die optilt, uittrekt” ) gaf, “want” zei ze, “ik heb hem uit het water getrokken” (Exodus 2:10). Elke Bijbelse naam heeft dus een betekenis. Zelf hecht ik daar ook grote waarde aan. Zo is mijn eigen naam Philippus, vertaald uit het Latijn: “paardenvriend”. Niet voor niets houd ik dus van dieren, paarden in ’t bijzonder! Daar zit iets moois in, in die betekenisvolle naamgeving. Ik weet wel: wij gaan daar tegenwoordig heel anders mee om. Wij kiezen een naam voor een pasgeboren kind vanuit het boekje of omdat het mooi klinkt of omdat het de naam van een popster is.

De Naam van God moeten wij “heiligen”. “Heilig” is wat door God tot iets bijzonders is gemaakt, iets wat Hij voor Zich apart stelt. Wij denken meestal, als we het over “heilig” hebben, aan heilig in morele zin, om aan te geven dat iets goed is, vaak in overdreven zin als het “heilig boontje”. En als dit goede onwaarachtig is, noemen we het schijnheilig. Maar dat heeft met het Bijbelse begrip niets te maken. In de Bijbel wordt met “heilig” het bijzondere, het aparte, aangegeven. Het is een bijzondere gave van God, dat we Hem met de Vadernaam mogen aanspreken. Erkennen wij dit ten volle, dan wordt Gods Naam geheiligd. Het komt overeen met het derde gebod: “Gij zult de Naam des Heren niet ijdel gebruiken”. En als er in de Bijbel sprake is van de Naam van God, dan moeten we niet alleen denken aan de Naam God of andere namen, waarmee Hij wordt aangeduid. Er is veel meer mee bedoeld. De Naam van God is alles van wat er van God op de aarde is en wat van Hem bekend is. De Naam van God is God Zelf, zoals Hij op de aarde tegenwoordig is. Het volk Israël is bijvoorbeeld een stukje van die Naam van God. Het is immers uitverkoren en gezet in de lichtkring van Zijn heilzame tegenwoordigheid. De Bijbel is ook een stukje van die Naam. En de Kerk, de prediking en de sacramenten zijn het eveneens. Zo kunnen we doorgaan. De Naam van God bestaat uit al die dingen, die door Hem zijn uitverkoren en geheiligd (apart gesteld), door middel waarvan Hij op aarde woont. Deze Naam moet geheiligd worden, mag niet ijdel gebruikt worden. Letterlijk staat er in de 10 geboden: die Naam mogen wij niet opnemen en in onze ijdelheid steken. Daar zit deze gedachte achter: ons leven, ons mens zijn en onze werkelijkheid zijn ijdel, dat is leeg en luchtig. De prediker zegt: niets dan ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden, dat is zoveel als niets, leeg, zonder inhoud, zinloos en verloren. In onszelf is geen heil, geen houvast. Maar de Naam van de Heer is niet ijdel, Hij is vol en de overvloed zelf. Wanneer de heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dit niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van ons verloren leven – aanwezig is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden en al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Dat is het wezen van Gods Naam. En die Naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel gebruiken.

Wanneer de Heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dat niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van verloren leven – AANWEZIG is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden, de schuld van al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Zo is het wezen van Gods Naam! En die naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel (zo maar voor niets) gebruiken. Wij mogen niet net doen alsof Gods openbaring en tegenwoordigheid even “ijdel” zijn als ons hele mens-zijn. Vandaar dat de Heidelberger het zo belangrijk vindt eerst God goed te leren kennen. Dat wordt uitgelegd in Antwoord 122: “Uw Naam worde geheiligd”, dat is: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen.” De echte kennis van God is hier ook weer in Bijbelse zin bedoeld. Dat is: niet kennen met je verstand, maar met je hart, je ervaring. Ervaringskennis is heel belangrijk. Ervaring met het omgaan met God, het wandelen met God, zoals in Genesis beschreven wordt dat Noach wandelde met God. Dat betekent ook, dat je beseft, hoe God er is in je leven, hoe Hij je leidt en dagelijks leven geeft en de mogelijkheden om van dat leven iets moois en goeds te maken. God kennen is met Hem omgaan als een kind met zijn vader en moeder. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt , Uw Naam worde geheiligd”. Wij moeten dus in de eerste plaats de Vadernaam kennen, en met die Vader moeten wij omgaan in ons leven. Hoe doen we dat dan precies? Daar geeft de Heidelberger dit antwoord op: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.” God recht kennen betekent dus: God heiligen, roemen en prijzen. God heiligen is Hem Zijn plaats geven, niet doen alsof Hij er niet is; niet meer leven alsof het leven niet door Hem gered is. Wij kunnen niet meer in zwaarmoedigheid en vertwijfeling te gronde gaan. Wij kunnen ons alleen maar over ons bestaan verheugen! God is immers tegenwoordig in de chaos van onze zonde en dood, van onze schuld en leed, van onze verdorvenheid en verlorenheid. En deze gerichtheid op God, deze zonnige en blijde gerichtheid op God doordringt ons hele leven. De bijzondere plaats van de verhouding tot God doordringt alles wat ons leven vervult. Nu moeten wij er onmiddellijk bijvoegen: dit is (helaas) in onze werkelijkheid niet zo, wij zijn zo niet! Maar juist daarom moeten wij erom bidden, telkens weer, want dat is de weg, waarop God ons leiden wil om het waar te maken.

Naast het heiligen spreekt ons leerboek van roemen en prijzen. Dat zit eigenlijk allemaal in het heiligen opgesloten. Als je met God omgaat, dan kun je niet anders dan Hem roemen en prijzen. Dat wordt een soort levenshouding. Niet alleen in woorden, maar in heel je manier van leven, heilig en roem en prijs je God, in grote blijdschap. In dat roemen en prijzen zit geen chagrijn en pessimisme meer, het is een en al vreugde, vrede en geluk. Daarin wordt al de heerlijkheid van Gods Naam openbaar. Dat zit hem ook in wat de Catechismus Gods werken noemt, Gods handelen, dat zo heerlijk en apart is, dat je niet anders dan blij en gelukkig kunt zijn. De Catechismus noemt bij die werken een reeks van eigenschappen op, waarbij vooral in het oog springen Zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Natuurlijk zijn er ook situaties in ons leven, waarin Gods almacht ons helemaal beweegt. Op andere ogenblikken, als we er geen gat meer in zien, zullen we meer een beroep doen op Gods wijsheid. Als we echt gelukkig zijn, denken we aan Gods goedheid. En als we bij onrecht bepaald worden, roepen we om Gods gerechtigheid. Schamen we ons diep over ons zelf, dan bidden we om Gods barmhartigheid. Ons leerboek noemt nog een eigenschap meer, waar we in ons leven maar al te weinig aan denken: Gods waarheid. En toch is dat het grootste wonder van God: Zijn waarheid. En wel waarheid in Bijbelse zin: dat iets vast staat, onwrikbaar, als een paal boven water.

Hoe kan dit alles, de uitstraling van al die werken en eigenschappen van God in ons heiligen, roemen en prijzen, in ons gebed handen en voeten krijgen? Dat is niet zo eenvoudig, eigenlijk onmogelijk. Daar zou je boekdelen vol over kunnen schrijven, maar God wil – denk ik – niet, dat we prachtig en helemaal volledig zijn in ons gebed. En daarom spreken we heel eenvoudig en tegelijk ook eerbiedig onze Vader Hem en vragen Hem Zijn Naam te heiligen in al die rijkdom van Zijn werken ook in ons leven. Als u voortaan bidt: “Uw Naam worde geheiligd …”, stelt u zich dan iets voor van die veelvuldige rijkdom, waarmee God Zijn Naam aan de wereld bekend heeft gemaakt. En probeert u dan met uw heiliging, roemen en prijzen, die rijkdom te onderstrepen, opdat aan Gods eer recht wordt gedaan.

In de tweede plaats spreekt de Catechismus over de bede in de intermenselijke verhoudingen. “Dat wij al ons leven, onze gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.” We weten er wel iets van, al is dat vermoedelijk nog maar heel weinig, hoe vaak vanwege ons leven, denken en spreken en handelen Gods Naam gelasterd wordt. Zijn wij er ook beschaamd over? Of houden wij ons er liever doof voor? Die lastering is heel reëel, het is het volstrekte tegendeel van heiliging! We hebben er eigenlijk geen goed woord voor, zo arm zijn wij en is ook onze taal. We praten er ook liever niet over. Toch is het er, levensecht. Denk maar eens aan die derde slaaf in de gelijkenis van de talenten. Hij begroef zijn talent, waarmee hij Gods Naam niet heiligde in het bezit dat hij persoonlijk van de heer ontvangen had. Een vraag op de man (vrouw) af : kunnen wij zo leven, denken, spreken en handelen, dat de Naam van God niet om onzentwil gelasterd wordt? En nu moet u niet eens denken aan die ander, die zo goddeloos leeft, maar alleen aan u zelf! En is het u een zorg om die Godslastering in uw leven te voorkomen? En bent u er bedroefd om, als u aan de lastering van Gods Naam toch niet ontkomt? Als we echt bidden, dan moeten we daarmee ernst maken! Aan mensen, zoals wij zijn, zo ontrouw, zo bevreesd voor wat anderen ervan zullen zeggen, zo bang ook voor ons zelf en voor ons eigen hachje, zo hoogmoedig en geneigd tot eigen gerechtigheid, aan deze mensen draagt God op om in de wereld Zijn Naam uit te spreken en Zijn getuigen te zijn. Wanneer we ons dit indenken gaan we pas echt dit Woord uit het Onze Vader bidden. En wanneer we het ootmoedig en geregeld voor God uitspreken, begint er al iets van verhoring te komen. Misschien zullen we zelf niet eens merken, dat Gods Naam om onzentwil in ons leven en denken en handelen geprezen en geëerd wordt. Het zou voor onze ijdelheid ook niet goed zijn, wanneer we het merkten. Maar het kan gebeuren, als we er God eerbiedig om vragen. U moet geloven, dat het voor God mogelijk is om ons ootmoedig gebed zo te verhoren, dat Zijn Naam in ons leven niet gelasterd, maar geprezen wordt. Dit gebeurt door ons leven te schikken en te richten, twee veelbetekenende woorden, die een bepaalde orde aangeven. De orde van het gebed is, dat God de Vader in het middelpunt staat, en niet wij zelf. Wij horen er wel bij als de Zijnen, maar Hij staat in het middelpunt, en wij hebben heel ons leven en denken en spreken en handelen op Hem te richten. Dat is de SCHIKKING van de dingen, dat het gaat om Zijn eer, om de heiliging van Zijn Naam, Zijn openbaring op aarde, Zijn Koninkrijk. Zo is ook de RICHTING. Niet meer WIJ stellen het doel in het leven, maar wij bidden er de Vader om, dat Hij ons de richting zal wijzen, naar Zijn doel. En wat IS het doel van ons leven? Het eenvoudige antwoord van de Heidelberger zegt het zo: GOD TE KENNEN OM HEM TE VERHEERLIJKEN.

Vader, dat zo Uw Naam geheiligd worde …  ook in ons leven!

AMEN.

Waar blijft de tijd III – Tijd en taal

Taal is het middel om tijd uit te drukken. Maar gezien de ongrijpbaarheid van de tijd is niets moeilijker dan de uitdrukking ervan, ook in de taal. Of de tijd nu gebonden wordt aan ruimtelijke of aan psychische voorstellingen, zij blijft een meerdimensionaal gegeven.

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Taal is het middel om tijd uit te drukken. Maar gezien de ongrijpbaarheid van de tijd is niets moeilijker dan de uitdrukking ervan, ook in de taal. Of de tijd nu gebonden wordt aan ruimtelijke of aan psychische voorstellingen, zij blijft een meerdimensionaal gegeven. En juist dat aspect maakt het zo moeilijk het tijdsfenomeen uit te drukken. Immers taal is lineair, eendimensionaal. De klanken, woorden en zinnen volgen elkaar op in de tijd. Een “tegelijk” is in de taaluitdrukking niet mogelijk. Hierdoor zijn we genoodzaakt het reële met-elkaar in een taalkundig na-elkaar om te zetten. Voor dit doel worden verschillende analyses gebruikt, die alle met elkaar gemeen hebben dat zij als ’t ware overzettingen zijn van een andere dimensie. Bij voorbeeld: “ik heb geld” wordt in het Japans “mij is geld”; in het Turks “mijn geld bestaat”; in het Arabisch en Russisch “bij mij is geld”. Het meest geschikt is de taal dan ook om chronologisch op elkaar volgende dingen, zoals handelingen en gebeurtenissen, te beschrijven. Met de tijdsaanduiding van ruimtelijke toestanden weet zij eigenlijk niet goed raad. Van oudsher heeft men hiervoor de volgende passende oplossing gevonden: transformatie van ruimte naar tijd, aanpassing van wat ruimtelijk weergegeven moet worden aan het middel van weergave: de taal, dat is omzetting van meerdimensionaliteit in eendimensionaliteit. Dit verklaart dan ook de wisselwerking in ruimte en tijd, welke de betekenis van veel woorden nog aankleeft. Klassiek voorbeeld hiervan is het Griekse “aioon”, wat wij kunnen vertalen met “wereld” en “tijd”. Het kost de taal grote moeite de meerdimensionale ruimte weer te geven, maar het kost haar even zeer moeite om de tijd begrijpelijk weer te geven, omdat tijd altijd een zekere meerdimensionaliteit in zich bergt. Zo bedient zij zich enerzijds van tijdsbegrippen om ruimte uit te drukken, anderzijds van ruimtelijke voorstellingen om tijd weer te geven. Dit verschijnsel ligt al in de etymologie van tijdswoorden opgesloten. Zo gaat het woord “tijd” zelf terug op de Indo-Germaanse wortel “ti”, dat “teilen”, “delen”, “stuksnijden”, maar ook “zich uitstrekken” betekent. “Tijd” was dus oorspronkelijk “Teil”, “deel”, “afstand”, “Strecke”, dus een zuiver ruimtelijk begrip. Ook in het Hebreeuws en het Grieks zijn, zoals ik later zal uitleggen, tijdwoorden etymologisch tot een stam met ruimtelijke betekenis te herleiden. Hetzelfde geldt voor aanverwante begrippen. We spreken van een lange of korte tijd, van een grote tijdsperiode en van een klein tijdsbestek. Tijdsbetrekkingen worden aangeduid met “spoedig”, “al”, “voor”, “na”; de tijd wordt ingedeeld in fasen van “verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd”. Van al deze begrippen is geen enkele oorspronkelijk op de tijd zelf betrokken! In origine zijn het ruimtebegrippen. Ik zal enkele voorbeelden noemen:

“Na” is eigenlijk een nevenvorm van “nabij, dichtbij”. “Spoed” is terug te voeren op de oudgermaanse wortel “spôwan” = voortgang hebben (verwant aan de Latijnse stam spatium=ruimte). “Verleden” komt van “lijden”, dat in een van de betekenissen “gaan” aanduidt, vgl “geleden, verleden, overlijden”. Dit werkwoord zou zich dan aldus ontwikkeld kunnen hebben: gaan – voorbijgaan – een tijd doorbrengen – verduren – overlijden. “Tegenwoordig”, “gegenwärtig”, bergt de wortel “staan” in zich, het betekent derhalve; “voor mij staand”, “op mij toekomend”, “toekomstig”. (Zie Dr.J.de Vries, Etymologisch woordenboek, Utrecht, Aula-Reeks 6, pagina 230v en 155).

Zuivere tijdstermen bestaan niet. Het verschijnsel “tijd’ laat zich alleen metaforisch, in ruimtelijke beelden, uitdrukken. Dezelfde tweeslachtigheid ontmoeten we in de tijdsvormen “verleden, heden en toekomst”. Deze worden praktisch in elke taal verschillend uitgedrukt. Een voorbeeld: een geval, waarbij een gebeurtenis of toestand in het verleden is begonnen, doch in het heden nog voortduurt. In het Nederlands heet het: “Ik ben twee jaren hier”, in het Duits “Ich bin seit zwei Jahren hier”, in het Engels “I have been here for two years”. Zo ook in het geval van een toekomstige gebeurtenis: “Morgen regnet es”(praesens!); “There will be rain tomorrow”(futurum!). De “tegenwoordige” tijd lijkt het gemakkelijkst, maar blijkt in feite het moeilijkst te zijn. Wat is immers “tegenwoordige tijd”? Objectief: een punt, waarin “verleden” en “toekomst” elkaar raken. Subjectief: het moment van beleven. De taal heeft hiervoor, ook niet in werkwoordsvormen, geen duidelijk omlijnd uitdrukkingsmiddel. Taal is ook geen wiskunde, maar zuiver mensenwerk, voor het praktisch gebruik ingericht. En het is daarom, dat de “tegenwoordige tijd” in een minder zuivere, dus bredere wijze wordt opgevat: een uur, een dag, een jaar en zelfs een eeuw. Zoals wij reeds zagen heeft kerkvader Augustinus deze ambivalentie van het “praesens” met scherpte aan de kaak gesteld. In Confessiones XI, cap XV, gaat hij stap voor stap terug van honderd jaren tot één enkele dag, om in het daarop volgende hoofdstuk van één dag tot de kleinst denkbare tijddeeltjes het “praesens” te doen inkrimpen. Tegenwoordig zouden we afdalen tot minuten en seconden, maar dat was voor Augustinus nog niet mogelijk, omdat de onderverdeling van het uur pas in de veertiende eeuw is ingevoerd. Wij mogen daaruit zeker concluderen, dat het “praesens” de neiging vertoont zich over alle tijden heen uit te strekken.

Voor de bepaling van de tijd speelt ook de ontwikkelingsgraad van de handeling een grote rol. Zo geeft in het klassieke Grieks de “aoristus”stam de handeling als een feit zonder meer, of het moment, het begin- of eindpunt van een handeling, de “praesens”stam de handeling als bezig te geschieden, of telkens weer herhaald, en de “perfectum”stam de tegenwoordige toestand als gevolg van de in het verleden liggende handeling. Doch ook hier gelden geen vaste wetten. Taal immers is in beweging, en met deze beweging wisselen ook de indelingen van de tijd, grammaticaal en verbaal. In het Nieuwe Testament zien we tegen gevolge daarvan. Hoe in het “koine”Grieks het perfectum en het imperfectum hoe langer hoe mee verdwijnen ten gunste van de aoristus, waardoor deze werkwoordsvormen hun oorspronkelijke tijdsbepaling verliezen. Taal is sterk aan verandering onderhevig, zoals de mens en zijn praktische leefwijze ook in beweging is. Maar het denken van de mens over tijd blijft verankerd liggen in de grammaticale mogelijkheden en taalkundige begrippen, zoals de moedertaal die aanbiedt. En dat is reden genoeg om steeds weer opnieuw aandacht te besteden aan de taalvorm, waarin de gedachte, zeker ook die over de tijd, zich uitdrukt. Het taalgebruik, voor een ieder ook met een persoonlijke inslag, is de neerslag van iemands tijdsgevoelen en zal – hoe gebrekkig ook – het geheim ervan openbaren.

 

Waar blijft de tijd II – Tijd en ruimte

De betrekkelijkheid van de ruimtelijke voorstellingen zoals “lange tijd”, “korte tijd”, verleden, heden en toekomst doet Augustinus tenslotte besluiten, dat verleden, heden en toekomst geen ander bestaan hebben dan als praesent (aanwezigheid) in de herinnering of de verwachting (“memoria” en “expectatio”). Het bestaan van het heden is dan dat van de aanschouwing (de “contuïtus”).

Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Aan de alledaagse werkelijkheid van de “dingen” kan de tijd gemeten worden. Immers rust en beweging, duur en verandering veronderstellen tijdsverloop. Parmenides (540 v.C.) dacht daar nog anders over. Hij is de grondlegger van de onbeweeglijkheid van de werkelijkheid. Voor hem is de ware werkelijkheid het ENE, dat hij beschrijf als ondeelbaar, oneindig en nochtans niet onbegrensd, onbeweeglijk en onbewogen. Maar voor ons is alles in beweging en durend in tijd. Wat wij objectieve tijd plegen te noemen is sterk gebonden aan ruimtelijke voorstellingen van wat er rondom ons en in ons gebeurt. De kalendertijd, de indeling in jaren-maanden-dagen-uren, is afleesbaar aan de ruimtelijke omloop en de draaiing van de aardse planeet. De fysische tijd is gekoppeld aan de wisseling van de seizoenen. Daardoor vinden er allerlei veranderingen in de fysische ruimte plaats. Zo zijn ook de biologische en historische tijd sterk afhankelijk van ruimtelijke voorstellingen. Tijd kan daarom nooit een primair gegeven zijn. Primair staat immers het tijdsgebeuren, zichtbaar in de ruimte. Van dit gebeuren wordt tijd afgeleid. Het is de mens, die de ruimtelijke voorstelling tot tijdsvoorstelling maakt. Maar ook dit kan moeilijk anders dan met behulp van ruimtelijk voorstellingsmateriaal. Vanouds is, zoals we zagen, de meest geliefde tijdsvoorstelling die van de vliedende stroom. Dan vloeit het heden uit het verleden over en de toekomst vloeit uit het heden voort. Hoe gebrekkig deze ruimtelijke tijdsvoorstellingen zijn bleek uit de kritiek van kerkvader Augustinus, die maar al te goed begreep dat ruimtelijke voorstellingen een verklaring van het tijdsfenomeen niet dichterbij brengen. Wat immers is het vliedende van de in elkaar overgaande tijdsfasen? Wat vloeit hier eigenlijk? En in welke richting? Voorwaarts of terugwaarts? We vinden Augustinus’ beschouwing over de tijd in het elfde boek van zijn Confessiones. Het is van groot belang te onderkennen tegen welke achtergrond Augustinus zijn uitvoerige uiteenzetting over de tijd plaatst. Mijn oude Utrechtse leermeester professor G.Quispel heeft dit overtuigend aangetoond (in zijn meesterwerk “Zeit und Geschichte im antiken Christentum”, pag.128v.). Hij laat zien, hoe Augustinus hier in discussie is met neoplatonische tegenstanders. Hij verdedigt de “Christiana tempora”: de lineaire geschiedopvatting, de rechte lijn van Gods komen op aarde tot aan het komen van de mens in de hemel. Hoofdthema is dus “aeternitas-tempus”(Eeuwigheid-tijd). Binnen dit thema is heel de rest te verstaan: onsterfelijkheid, waarheid, verandering enz. In dit schema weerspiegelt zich het verschil tussen Schepper en schepsel. Zijn tegenstanders gingen meer uit van de cyclische geschiedopvatting: de wederkeer van alle dingen in een cyclus, in kosmische perioden herhaalt zich steeds weer hetzelfde gebeuren. Centraal staat bij Augustinus eigenlijk niet zo zeer de vraag naar de tijd als wel die naar de eeuwigheid. God staat centraal en Hij bepaalt tijd en eeuwigheid (theocentrische visie van Augustinus). In zijn hoofdwerk “De civitate Deï” wordt de cyclische geschiedopvatting ontmanteld ten einde de eeuwigheid uit de omklemming van de tijd los te maken. In de Confessiones toont hij nog aan, hoe de eeuwenoude strijdvraag “Wat deed God, voordat Hij hemel en aarde schiep?”, vals was. Het goddelijke Zijn wordt bewezen door Zijn onveranderlijkheid; al het zijnde, wat geschapen is wordt door de onbestendigheid en verandering getekend (aldus G.Sauter in “Zukunft und Verheissung, pag.21). Interessant is de wijze, waarop Augustinus dit beredeneert. Hij brengt daartoe de gangbare “uiterlijke” tijdsvoorstellingen op ironische wijze in diskrediet. Hij stelt de tijd met behulp van het principe van “beweging en verandering” relativerend tegenover de “eeuwigheid”. “En geen tijden zijn met U in eeuwigheid, want Gij blijft, maar indien zij bleven, zouden het geen tijden zijn. Want wat is tijd?”. “Wanneer niemand het mij vraagt, weet ik het; wanneer ik het iemand op zijn vraag zou willen uitleggen, weet ik het niet: toch zeg ik vol vertrouwen, dat ik weet, dat, indien niets voorbijging, er geen verleden tijd zou zijn, en indien niets op komst was, er geen toekomstige tijd zou zijn, en indien niets was, er geen tegenwoordige tijd zou zijn.”

De betrekkelijkheid van de ruimtelijke voorstellingen zoals “lange tijd”, “korte tijd”, verleden, heden en toekomst doet Augustinus tenslotte besluiten, dat verleden, heden en toekomst geen ander bestaan hebben dan als praesent (aanwezigheid) in de herinnering of de verwachting (“memoria” en “expectatio”). Het bestaan van het heden is dan dat van de aanschouwing (de “contuïtus”). Verleden, heden en toekomst zijn hiermee tot beelden gemaakt, die aanschouwd worden. Het menselijk bewustzijn gaat om met deze beelden van de memoria, de contuïtus en de expectatio, waardoor er een tijdsgevoel ontstaat. Als ik een voordracht houd, is mijn verwachting gespannen op wat ik zeggen wil, mijn opmerkzaamheid op wat ik zeg en mijn geheugen op wat ik gezegd heb. Verleden, heden en toekomst zijn dan ook alleen afleesbaar in de geest. “In U, mijn geest, meet ik de tijden. Breng mij niet, dat wil zeggen: breng u zelf niet in verwarring door de scharen uwer indrukken. In u, zeg ik, meet ik de tijden. De indruk, die de dingen tijdens hun voorbijgaan op u maken en die, wanneer zij voorbijgegaan zijn, blijft, die meet ik als tegenwoordig.”(Confessiones XI, 27). Op grond hiervan waarschuwt Augustinus ons: “Noli foras ire, in teipsum redi, in interiore homine habitat veritas” (ga niet naar buiten, keer naar binnen in je zelf, in de innerlijke mens huist de waarheid!).

Met deze visie wordt Augustinus algemeen beschouwd als de grondlegger van de subjectieve tijdsbeschouwing. Hij was daarin de grote voorloper van Luther en Kierkegaard en modernere theologen als Heidegger en Bultmann. Dikwijls is daarbij vergeten, dat Augustinus bij zijn tijdsbeschouwing niet de mens en ook niet de innerlijke mens in het vizier had, maar God en Zijn scheppersmacht. Het denken van Augustinus over de tijd staat niet op zich zelf, maar is onderdeel van zijn discussie met de Manicheeërs van zijn dagen om de theologische Bijbelse geschiedbeschouwing veilig te stellen. Helaas is dit niet altijd voldoende onderkend, en heeft men de tijdsvisie van Augustinus nogal eens op onverantwoorde wijze uit het geheel losgepeld om haar naast de resultaten van moderne denkers te plaatsen. Er kon dan gemakkelijk geconcludeerd worden, dat Augustinus op de Kantiaanse ontdekking van de subjectiviteit van de tijd reeds ver vooruit liep en daarom als de grote voorloper van het moderne existentialisme moet worden beschouwd. Dat dit een misvatting is, zal later blijken.

Waar blijft de tijd I – Waar blijft de tijd

Wij weten allemaal, dat de tijd “vliegt”, en toch ook hebben we het gevoel, dat het moment dat we NU beleven, er werkelijk is, en dat we het ook even vast kunnen houden. Uit ervaring hebben we ons de werkelijkheid van het heden eigen gemaakt, zo eigen, dat ook verleden en toekomst daarin opgenomen worden. Wij houden het verleden vast in het heden en wij grijpen in dat heden vooruit op de toekomst!

Tijdens mijn doctoraalstudie aan de pas opgerichte Theologische Faculteit te Tilburg werd ik getroffen door het opstandingsgeloof van de apostel Paulus. Ik besloot er de doctoraalscriptie aan te wijden. Zeker ook door de actualiteit van onze huidige tijd leek het mij van belang te weten te komen, hoe Paulus stond in zijn tijd. Hoe hij dacht over de toekomst, maar ook over het heden en het verleden. Ik heb de scriptie de welluidende naam “Temporalia Paulina” meegegeven, maar voor gewone mensen als wij lijkt me de alledaagse verzuchting “Waar blijft de tijd?” meer op zijn plaats. Waar nodig heb ik de scriptie aangepast, zodat hij leesbaarder wordt. Rest mij nog te vertellen, dat ik mede dankzij de scriptie een “cum laude” voor het doctoraal gescoord heb.

Dat is een vraag op velerlei lippen! Tijd blijft altijd ondoorzichtig. En daar is geen ontkomen aan, want elke dag heb je er weer mee te maken. De bekende theoloog Emil Brunner sprak dan ook van “Das Urerlebnis des Zeits” ( in “Das Ewige als Zukunft und Gegenwart”), de oerbeleving van de tijd. Het is een ervaring, die iedereen opdoet, dat de tijd vergaat. Ieder mens weet, dat het ogenblik, dat ik nu beleef, er straks niet meer zal zijn, ja nooit meer zal terugkeren. Wat de mensen van alle tijden en alle volken dan ook als met meest smartelijke in de tijd ervaren hebben, dat is de tijd zelf in zijn vergaan, het onophoudelijke stromen van de tijdstroom, het heenvlieden van het nu tot het straks tot het nog-niet en het niet-meer. Het is dit gevoel, dat een oude bewoner van Afrika deed verzuchten: “O Vader, o Moeder, we worden allen weggevoerd, de dood voert ons allen weg”. Met datzelfde gevoel dichtte onze 19e eeuwse dichter Rhijnvis Feith het bekende Oudejaarsvers:

Uren, dagen, maanden, jaren,
Vliegen als een schaduw heen.
Ach, wij vinden, waar wij staren,
Niets bestendigs hier beneên. (Gezang 292 bundel 1938)

Het door de vingers glippen van de tijd, het vergankelijke en onberekenbare ervan, is zo ook de ondergrond van menig vaderlands spreekwoord en oude zegswijze. Ik denk aan: Waar blijft de tijd?/ Zijn tijd verdoen / Uit de tijd zijn / Beter te vroeg dan te laat / De tijd is snel, gebruikt hem wel / Zijn tijd afwachten / Men dient zijn tijd wel uit te kopen, terwijl dat onze jaren lopen (naar Efeziërs 5,15 en Daniël 2,8). Duidelijk spreekt hierin mee het gevoel in de tijd gevangen te zijn, er niet naar believen over te kunnen beschikken, er geen vat op te hebben, nooit eens op de tijd vooruit te kunnen lopen. De tijdstroom sleurt ons gewelddadig met zich mee! In de richting van het nog-niet naar het niet-meer.

Maar ook nog iets anders ervaart de mens in de tijd, en ook dat is typisch voor de oerbeleving van de tijd: de tijd heeft verschillende gezichten. Nu eens komt hij de mens als zeer weldadig voor, dan weer als zeer pijnlijk; nu eens als gunstig, dan weer als zeer ongunstig; nu eens als langdurend, dan weer als heel kortstondig; nu eens heeft men de tijd mee, dan weer tegen! Tijd is dan ook altijd, hoe je het ervaart; het is subjectief beleefde tijd. Afhankelijk van karakter en psychische gesteldheid zal hij door ieder mens, op verschillende ogenblikken en in verschillende levensperioden geheel verschillend ervaren worden. Wij weten allemaal, dat de tijd “vliegt”, en toch ook hebben we het gevoel, dat het moment dat we NU beleven, er werkelijk is, en dat we het ook even vast kunnen houden. Uit ervaring hebben we ons de werkelijkheid van het heden eigen gemaakt , zo eigen, dat ook verleden en toekomst daarin opgenomen worden. Wij houden het verleden vast in het heden en wij grijpen in dat heden vooruit op de toekomst! Het heden staat dus altijd centraal in onze tijdsbeleving. Het stelt niet veel voor, toch is het volop werkelijkheid.

In het licht van deze tijdsproblematiek hoeft het dan ook niet te verbazen, dat het menselijke tijdsbeleven voor veel filosofen een bron van inspiratie is geweest. In de afgelopen eeuw waren het vooral Bergson en Heidegger, die er de aandacht op gevestigd hebben. Bergson ziet de tijd als een “durée”, een “durée réëlle”, een horizontaal-lineair tijdsbeleven, waarin verleden, heden en toekomst in elkaar schuiven en als tijdsDUUR in het heden echt beleefd worden. De mens ervaart zich zelf ook zo: ik ben wat ik ben, niet alleen als dat wat ik juist nu ben, maar ook door dat wat ik was en zelfs in dat wat ik eens zal zijn. Bergson noemt deze tijdservaring een proces , dat eigenlijk geen fasen kent , geen onderlinge uitwendigheid van momenten, geen terzijderakend verleden, maar waarin al het vroegere, steeds door het er na komende verrijkt, een aanzwellend HEDEN is. Precies zoals men een melodie verstaat, die niet als een opeenvolging van klanken, maar als aanzwellende beweging in die klanken naar zijn eindwaarde groeit. Duidelijk wordt hierin reeds zichtbaar, hoe de filosofie van Bergson zich keert tegen het statische tijd- en wereldbeeld van het Platonisme, dat 2000 jaar het Westerse denken had beheerst.

Ook de tweede filosoof, die zich in de afgelopen eeuw nadrukkelijk met het tijdsfenomeen heeft bezig gehouden, Martin Heidegger, stelde zich kritisch op tegenover de “ruimtelijke” tijdsbeschouwing van het Neoklassicisme (vernieuwing van het Platonisme). Net als Bergson is Heidegger er niets aan gelegen een theorie over de tijd te geven. Hij wil slechts eenvoudig tot bewustzijn brengen , wat elke mens als tijd beleeft. Hoe in deze beleving de vergankelijkheid een rol speelt, maar ook de toekomst een plaats heeft. Ik ben nooit zonder mijn vergankelijkheid, en ik ben nooit zonder mijn toekomst. Ik ben, die ik was, ook vandaag, ik ben mijn eigen geschiedenis: zij hoort bij me, zonder haar, zonder het erkennen van mijn vergankelijkheid en het voortwerken van deze vergankelijkheid in mij, ben ik niet mens. Precies zo is het ook met mijn toekomst gesteld. Alleen als degene, die in de verwachting en in de doelstelling anticipeert op mijn toekomst, kan ik mens zijn, want alleen met het oog op deze toekomst ervaar ik mijn vrijheid. Ik ben, evenals ik mijn verleden ben, ook mijn toekomst. Wat ik plan, waarvoor ik bezorgd ben, wat ik vrees en wat ik hoop, maakt deel uit van mijn heden. Dat mijn verleden deel van mijzelf is, ervaar ik vooral in de schuld. Hoe meer de mens zijn verleden als deel van zichzelf in het heden erkent, hoe meer hij zijn schuld op zich neemt, des te meer mens is hij. Hoe meer een mens zijn toekomst binnengaat, plannend of verwachtend, vrezend of hopend, des te meer beleeft hij zijn typisch menselijke bestaan.

Zo is er inderdaad een tijdservaring, temidden van de meesleurende stroom der vergankelijkheid, een beleven in de mens dat we “durée réëlle” zouden mogen noemen. Kenmerkend voor deze ervaring is echter ook, dat zij nooit voor de volle honderd procent beleefd kan worden. Zij blijft fragmentarisch en gebrekkig. Dat komt, zegt Heidegger, omdat mijn bestaan een “Sein zum Tode” is. Hiermee wil niets diepzinnig-filosofisch over de tijd gezegd zijn, maar alleen vastgesteld worden wat de mens zelf ervaart, als zijn aan-de-tijd-gebonden-zijn. De gewone man immers denkt niet over de tijd, maar hij beleeft hem als zijn werkelijkheid, zijn lot, zijn overkleed, waarin hij altijd lopen moet.

Nieuwjaarsgedicht

Mijn vriendin Martie Genger stuurde mij een mooi gedicht:
De gelovige in mij.
“Ik heb de vaste grond gevonden…”
waarvan het psalmvers zegt.
Het troost zo onomwonden
“ja heus het komt terecht”.

Mijn vriendin Martie Genger stuurde mij een mooi gedicht:

De gelovige in mij.

 

“Ik heb de vaste grond gevonden…”
waarvan het psalmvers zegt.
Het troost zo onomwonden
“ja heus het komt terecht”.

Waarom dan al die moeite
al dat verdriet en pijn?
Waarom dan niet direct
ná mijn geboorte
bij U al in de Hemel zijn?
 
Waarom die lange omweg
door puinhoop, langs ravijn?
t’Verraad van valse vrienden,
hun schoonheid van de schijn?
 
“Heer neem mijn beide handen…”
dat is toch flauwekul?
Waarom toch al die moeite
en levenslang de sul
van wetten en geboden
en dansen op de hete plaat
want anders straf en het gevang
wat heeft dit al voor baat?
 
Ik hoor U God
in ’t zachte ruisen van muziek
die melodie van stilte,
die huivering
mijn huid geraakt.
 
Neem toch mijn beide handen
en zet mij maar op vaste grond
laat mij daar niet verzanden
U bent en was ten alle stond.
 
Wat kan mij dus gebeuren?
Wat maak ik mij nog druk?
Over wat en wie zal ik nog treuren?
Voor u kan ik niet stuk.
 
Al was ik wel of niet geboren
wat maakt het uit
je bent er tóch! en nooit verloren
en boven haat en boosheid uitverkoren
en van werelds kruis verlost.
 
Martie Genger

Oudejaarsavond

Wij overdenken op oudejaarsavond het afgelopen jaar, hoogtepunten en dieptepunten. God is daarbij geweest, maar we hadden het alleen veel te druk met onszelf om dat te merken.

“Waarlijk de Here is aan deze plaats,
en ik heb het niet geweten …”
Genesis 28, 16

Op oudejaarsavond zitten we een paar uur bij elkaar en kijken om. Het afgelopen jaar gaat aan ons voorbij. Veel van wat daarin gebeurde zouden we vast willen houden om er blijvend van te genieten. Er zijn ook dingen, waaraan we liever niet meer terugdenken, omdat we ons er voor schamen. We waren ze misschien al vergeten, maar nu komen ze weer boven als een kwade droom. En als we dan terugkijkend al die gebeurtenissen en ervaringen van het afgelopen jaar aan elkaar rijgen, dan zien we dat er een lijn in zit. Opeens zien we ‘t.  Het leek eerst op een rommeltje, maar er is toch iets wat het alles bij elkaar houdt. Een rode draad loopt er doorheen! En dat verwondert ons. Want hoeveel dingen waren er niet, die toch heel anders zijn uitgekomen dan we ze hadden bedoeld? Hoe vaak zijn we niet gekomen op wegen, die we niet zelf zochten? En hoe dikwijls is het heel anders gegaan dan we hadden gedacht? En dan wordt ons bovenal één ding duidelijk: die rode daad in ons leven was niet de lijn, die wij zelf trokken. Er was leiding in, onafhankelijk van onze wil, en die leiding heeft ons leven gemaakt tot wat het geworden is.

Zo terugkijkend zien we, dat kleine dingen, waaraan we eerst nauwelijks aandacht schonken, van grote waarde zijn geweest in ons leven van het afgelopen jaar. En ook omgekeerd: dat grote zaken, waaraan we veel waarde hebben gehecht, nu helemaal niets meer voorstellen, ja toch uiteindelijk niets hebben bijgedragen aan het verloop van onze levenslijn. Hoe zou dat komen? Ik denk voor mij zelf, dat God hier Zijn hand in heeft gehad. Niet anders. Ik dacht wel, dat ik mijn weg bepaalde, maar terugziende merk ik, dat er een hand was, sterker dan de mijne, en dat die hand mijn leven heeft geleid en van al die talloze gebeurtenissen en ervaringen van een heel jaar één geheel, één leven heeft gemaakt.

Ziet u dat ook zo? Kijkt u met mij mee? De wiskundigen leren ons, dat een lijn bestaat uit een oneindig aantal punten, en elk van die punten is een feit in mijn leven geweest. Maar toen dat feit zich voltrok, zag ik het niet als een deel van die lijn, die doorgetrokken ergens uitkomt, maar het was voor mij enkel presente werkelijkheid. Dat het ene feit ook in de toekomst voor mijn levensrichting een rol zou spelen, besefte ik toen niet. Maar nu zie ik het ’t is een puntje op die lijn, die God voor mij getrokken heeft! De mens wikt, maar God beschikt. Hij beschikt onze dingetjes naar Zijn wil, naar Zijn Heilsplan voor mij.

Wat ik allemaal heb meegemaakt, heb mee MOETEN maken, was geen aaneenschakeling van toevalligheden, nee er was leiding in, en zó zijn we geleid en gekomen aan deze plaats op oudejaarsavond 2013. Jacob moest dat ook eens ervaren. De verbazing klinkt nog door in zijn uitroep: “Waarlijk, de Here was aan deze plaats en ik wist het niet!”.  Jacob was ook zo’n mens net als wij. Hoe vaak heeft hij niet gehandeld buiten God om, zijn eigen weg uitgestippeld, zijn eigen plannetjes uitgebroed , en dat waren niet zulke beste! Hij ontfutselde Esau diens eerstgeboorterecht. Hij maakt van zijn vaders blindheid misbruik. Bang voor de woede van zijn broer vlucht hij ver van zijn vaderland om bij ome Laban nieuwe zonden te stapelen op de oude. Toch is Jacob niet Godloos, hoe goddeloos zijn handelen ook wezen mag. Te Bethel droomt hij van God en hoe God  Zich met hem inlaat. Men droomt niet van dingen, waar men geheel buiten staat. God was er wel in Jacobs gedachten, maar Hij drong Zich niet op, Hij was ver weg en bemoeide Zich met Jacobs gedachten niet. Tenminste, dat dacht hij. Heel herkenbaar, ook voor ons. Toen werd het Jacob ineens duidelijk, daar in Bethel, dat God Zich WEL met hem bemoeit! Dat ook als hij denkt zijn eigen weg te kunnen gaan, God met hem meegaat en er bij is, bij al zijn doen en laten. Niet gek, dat Jacob bij deze gedachte even huivert. ’t Was alles zo mooi buiten God omgegaan, dacht ie, het bedrog tegen Esau, tegen zijn arme blinde vader, tegen Laban, zijn voortdurend op de vlucht zijn, al die dingen waarbij hij God niet gebruiken kon … En nu schrikt hij, nu hij merkt, dat God er toch bij was, bij zijn vlucht, hier in Bethel. “O, de Here is aan deze plaats en ik wist het niet!”  Dat is me toch even schrikken! Daar had ik nooit aan gedacht!

Een gewaarwording, die ook over ons komt, vanavond, nu wij met elkaar het afgelopen jaar overdenken en alles wat daarin was de loep laten passeren. Hoogtepunten en dieptepunten. Dat God daarbij is geweest… We hadden het veel te druk met onszelf om dat te merken. Maar nu we terugkijken en het geheel overzien, nu moeten wij net als Jacob bekennen: “Waarlijk, de Here was daar, en ik wist het niet!” Ik heb er niet op gelet. Had ik ’t maar wel gedaan, ik zou dieper geleefd hebben, meer vreugde hebben beleefd aan vreugdevolle momenten, meer troost hebben geput uit Zijn nabijheid in moeilijke ogenblikken. De Heer was daar, en wij wisten ’t niet. Hoe vaak hebben wij ons geen zorgen gemaakt, zijn we angstig geweest, voelden we ons alleen en in de steek gelaten. Veel zorg, die we ons zelf gemaakt hebben!

De mens lijdt dikwijls het meest
Door het lijden dat hij vreest
En dat nooit op komt dagen
Zo heeft hij meer te dragen
Dan God hem (haar) te dragen geeft.

Nee, het was niet God, Die ons een kruis oplegde, maar wij maakten onszelf een kruis van denkbeeldig leed, van wat misschien komen zou. Vooral angst voor de dood speelde ons parten. Hoe ouder je wordt, hoe meer je daarbij bepaald wordt. En wij zuchtten onder dat eigengemaakte juk. Nu zien wij dat alles anders. Nu is ook dat ingevoegd in die lange rij van levenservaringen, die rode draad van God in ons leven. Gelukkig, Hij  was er ook bij, bij dat zelfgemaakte kruis van ons, en Hij integreerde het in Zijn heilsplan.

Het is goed, dat wij nog net op tijd tot dat inzicht komen. Het zal ons bescheiden maken en deemoedig. Wij zullen het afgelopen jaar en ons toekomstige leven daardoor gerust in handen leggen van die God, Die er bij geweest is en erbij zal zijn. Wij hebben vorige week nog de komst van Zijn Zoon herdacht, Die de wonderlijke naam “Immanuël” draagt, wat betekent “God bij ons”. Die naam wijst naar Gods nabijheid bij ons, Zijn omzien naar en zorg voor ons.  Dat overdenkend gaan wij moedig het oude jaar uit en de nieuwe dingen van 2014 tegemoet. Hij, Die ons Zijn eigen Zoon niet heeft onthouden, zal ons met die Zoon ook alle dingen geven, die wij nodig hebben.

Blijft toch de vraag: waar was God in 2013? Kunnen we ook daar, in die storm en vloedgolven, die aan honderdduizenden Filippijnse mensen het leven heeft ontnomen, kunnen we ook daar nog zeggen: “Ja waarlijk, God was aan deze plaats en ik heb het niet geweten!” Soms hoor je, zeker ook in Nederland, stemmen, die zeggen: dit is een straf van God over een goddeloos volk. Maar waarom dan die arme mensen in Azië en niet het rijke Westen, waar zeker zoveel goddeloosheid te vinden is? Zou het niet kunnen zijn, dat we moeten zeggen: Ja zeker, God was aan deze plaats, om ons te verootmoedigen. Dat mogen wij ons allemaal ter harte nemen! Wij hebben ons te verootmoedigen! En dan geldt niet meer de vraag: waar was God in 2013? Maar: waar was IK in 2013? Ik, zoals ik was en ben tegenover mijn medemensen. Het is prachtig, dat we in Nederland zo’n 35 miljoen Euro’s hebben opgebracht om de nood in de Filippijnen te lenigen. Wat zou het ook mooi zijn, wanneer we met elkaar de materiële en geestelijke nood in ons eigen land konden terugdringen! Schuld belijden moeten we en de schouders er onder zetten. We gaan naast elkaar staan, de rijken naast de armen, de gezonden naast de zieken, de sterken naast de zwakken. Om elkaar toe te roepen: “Ja waarlijk, God is aan deze plaats en ik heb dat nooit kunnen denken!”

Het is genoeg hiervoor te weten, dat ons leven en dat van anderen niet in eigen handen ligt, maar in Gods handen. De Griekse filosofen spraken van noodlot of natuurwet, waardoor alle dingen werden geregeerd. Wij mogen beter weten: onze Vader in de hemel heeft het wereldbestuur in handen. Hij weet, tot in de kleinste details, wat goed voor ons is. En Hij laat niet varen de werken van Zijn handen, het grote werk vooral, dat Hij in Christus aan ons volbracht heeft: de verzoening van al onze zonden. Verzoend en wel mogen wij het jaar 2013 uittreden.

Zo wil ik eindigen met een gedicht van mijn Curaçaose vriendin Martie Genger, dat zij na de watersnoodramp op zestienjarige leeftijd in 1953 geschreven heeft:

1-2-3 in Godsnaam

Zeeën vol zielen
zij spoelen aan
kussen de oevers
voor zij weer gaan.
Biljoenen triljoenen
ontelbaar getal
vereend in de golven
zo God het beval.
Nooit meer alleen
want water met water
geen straks meer of later
door alle eeuwigheden een.
Zij stijgen en dalen
van nevel naar mist
in hagel tot regen
en sneeuw vergewist
zich in plassen, rivieren
de meren naar zee
van zielen, de zielen
die tranen van wee.

AMEN