Wat moeten wij dan doen?


Lukas 3, 10-14

Johannes de DoperAdvent is tijd van bezinning. Eigenlijk precies zo als toen Jezus begon op te treden. Daar was ook bezinning voor nodig. Dat gebeurde in de woestijn waar Jezus verzocht werd door de satan, tot drie keer toe. Het is zoals het oude spreekwoord zegt: bezint eer gij begint. Bezinning houdt ook in, dat je je overgeeft aan God en dat je boete doet. In zo’n tijd van bezinning wordt de mens opgeroepen een nieuw leven te beginnen. Dan kom je als vanzelf voor de vraag te staan: wat moeten wij dan doen

De mensen om Johannes heen hadden dat ook. Zij werden opgeroepen tot bezinning en gingen zich afvragen: wat moeten wij dan doen? Johannes de Doper, in zijn kamelenharen jas en met sandalen aan zijn voeten, moet wel veel geleken hebben op een oude boeteprofeet. Zij kenden de verhalen wel van Jesaja en Jeremia en Elia en Elisa en al die anderen in de joodse geschiedenis. Maar niet alleen van buiten, ook in zijn gedrag en wat hij sprak leek hij veel op die oude boeteprofeten. Hij vermaande de mensen om zich te bekeren en boete te doen van hun zonden, want –zo zei hij- het Koninkrijk van God is nabij gekomen en de beloofde Messias is al midden onder jullie. En de mensen die dat hoorden werden er door geraakt en zij spraken er over met elkaar. En zij vroegen aan Johannes: wat moeten wij dan doen?

Dit is DE existentiële levensvraag! Het is wel allemaal mooi, advent en het naderende Kerstfeest, de menselijke gezelligheid en de vredesboodschappen, maar na het feest komt de ontnuchtering en blijf je met de vraag zitten: wat doe ik er nou mee? Wat doe ik er aan? En wat moet ik dan doen?

Johannes heeft daar een heel eenvoudig antwoord op. Hij zegt niet: jullie moeten mij maar volgen. Of, met de Farizeërs: onderhoudt maar goed de geboden van God, trouw naar de kerk gaan, de zondag heiligen enzovoort. Ook geeft hij niet het antwoord van de ondergrondse, de Zeloten, in hun strijd tegen de Romeinen: neem het zwaard op en vecht tegen de onderdrukkers. Zelfs antwoordt hij niet met de Essenen, dat zijn heel gelovige mensen die zich teruggetrokken hebben in de woestijn om daar een heilig bestaan te leiden. Zij zouden beslist gezegd hebben: verzaak de wereld met al zijn verleidingen, weg met de steden, weg met al die kerken, weg met de zogenaamde welvaart, maar kom bij ons in onze eenvoudige gemeenschap. Al die antwoorden waren mogelijk geweest. En dan hebben we ’t nog niet eens over wat wij moderne mensen hadden  kunnen antwoorden. Het socialistische antwoord bijvoorbeeld: afstand doen van je privé-bezittingen. Of het pacifistische antwoord: alle wapens het land uit! Of het groene antwoord: terug naar de natuur! Of de bekende vuistregels: geen alcohol, geen vet, geen stress enz. Niets van dat alles roert Johannes aan.

Zijn antwoord is anders, eenvoudiger, zou je zeggen, maar ook radicaler. Die er wat beter bij zit moet straks delen met zijn arme buurman. En dan kan het om kleding gaan of om proviand of om een slaapplaats. Gewoon de ander laten meedelen, heel gewoon, een kind zou het gezegd kunnen hebben. Van de tollenaar wordt niet gevraagd onmiddellijk te breken met zijn goddeloze beroep. Van de soldaat wordt niet gevraagd onmiddellijk de dienst te verlaten. De winkelier hoeft zijn winkeltje niet op te geven en  de moeder van 6 kinderen kan gewoon voor haar gezin blijven zorgen. Nee, maar àls je tollenaar bent, vraag dan niet te veel aan de voorbijganger. En als je soldaat bent dan ga dan niet plunderen en mensen afpersen. Wees tevreden met je soldij en doe gewoon je werk goed. En als je huismoeder bent, zorg dan goed voor je man en kinderen.

Wat moeten we dan doen?

In de antwoorden die Johannes aan de verschillende mensen om hem heen geeft wordt ons direct één ding duidelijk: al die mensen worden herinnerd aan hun medemensen. En we moeten  even aan het woord van Jezus denken: wat je aan je naaste hebt gedaan, hebt ge Mij gedaan en mijn Vader in de hemel. Dit is de centrale gedachte die we overal in het Nieuwe Testament tegenkomen: dat onze verhouding tot God menselijk vertaald wordt in onze verhouding tot onze medemensen. Dit is trouwens niet alleen in het Nieuwe Testament zo, maar ook bij Israëls oude profeten zoals Amos en Micha en Jeremia. Ook in de joodse wetten vinden we terug dat wees en weduwe beschermd worden en mensen die wat aan lager wal geraakt zijn een nieuwe start mogen maken in bepaalde feestjaren. Godsdienst wordt zo ook mensendienst.

En dat kan eigenlijk ook niet anders. Want achter deze gedachte om elkaar bij te staan staat toch niemand minder dan God Zelf. Van Hem wordt getuigd dat Hij het verlorene achternagaat en het verdrevene zoekt. Bij de Psalmen en  profeten kom je dit herhaaldelijk tegen. “Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven.” (Jesaja 42, 3) En nog een bekende tekst (Jesaja 61, 1): “Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening van de gevangenis.” Het is steeds weer de God niet van de rijken en sterken – zij die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig. Het is de God van de zwakken, de armen, de zieken, de underdogs, de eenzamen en geslagenen. Omdat God zó onze God wil zijn, hebben zijn profeten ook zó geprofeteerd: denk in de eerste plaats aan je medemens, dan weet je wat je te doen staat, dan hoef je je niet steeds weer af te vragen “Wat moet ik nu doen?”

In deze lijn staat Johannes de Doper en de mensen om hem heen zullen het ook
zonder twijfel goed begrepen hebben. Hier sprak de stem van de oude profetie! Een nieuwe Godstijd was aangebroken! Zouden wij ook  niet moeten luisteren? Naar die stem? Daarom worden wij in de Advent ook altijd weer opgeroepen tot een nieuwe levenshouding, die God zoekt dicht in de buurt van  de mensen, voor wie wij op de een of andere manier iets betekenen kunnen. Kerstfeest is het feest van het machteloze, DE machteloze. Niet voor niets wordt Hij geboren als een machteloos Kind en sterft Hij weerloos aan het kruis. Pas wie de machteloosheid van Jezus ontdekt zal ervaren dat zijn naam Immanuël is: God-met-ons. Wat moeten wij dan doen? Leven met en delen met de machtelozen, laten zien dat je zelf ook machteloos bent en dat je je daarvoor niet schaamt. Wij zijn dan wel niet de rijken die hun slaapplaatsen moeten delen met de minder bedeelden en wij zijn ook geen  tollenaars die teveel belasting vragen (eerder betalen!) en wij zijn ook geen soldaten die op rooftocht gaan. Maar omgezet naar onze tijd en onze leefomstandigheden hebben wij van alle drie wel wat. Wij hangen erg aan ons bezit en kunnen maar moeilijk iets afstaan, wij vragen als het om geld gaat eerder te veel dan te weinig en plunderen kunnen wij ook, al is het op een andere manier dan de soldaten deden. Laten we daar alstublieft oog voor hebben en de hand in eigen boezem steken. Dan wordt het pas goed Advent: tijd van bezinning, van nadering tot God.

Geen ander teken ons gegeven
geen licht in deze duisternis
dan deze mens om mee te leven
een God die onze broeder is.
Zingt voor uw God, Hij openbaarde
in Jezus zijn menslievendheid.
Zo wordt de wereld nieuwe aarde
en alle vrees aanschouwt het heil.
                                Gezang 160, 2

Amen.                             

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *