Kerkhervorming


Luther beplakt de deur van de kerk“Wie zal ons het goede doen zien? Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Verootmoediging en schuldbelijdenis
(gebed van Huub Oosterhuis)

Hoe zouden wij zijn, Heer God,
Als Gij ons niet gemaakt had.
Gij hebt ons gezien,
Gij hebt ons aanvaard en bemind –
Toen hebben wij tegen U gezondigd
Gasteren en vandaag.
Uit de diepten roepen wij U, Vader,
Want onuitwisbaar is Uw Naam in ons
En onvergetelijk de herinnering aan Uw liefde.
Rechteloos keren wij tot U terug,
Zogenaamde Protestantse Christenen,
Die vandaag de Hervorming herdenken,
Kom ons tegemoet met open armen,
Want Gij alleen kunt ons werkelijk hervormen,
Omdat Gij onze Vader zijt,
Toen, bijna 500 jaar geleden,
En vandaag, dit uur,
En tot in eeuwigheid.

Genadeverkondiging
(als gebed)

Gij ontkent en verkleint onze zonden niet,
Gij vergeeft ons, Here God,
En dat is Uw waarheid,
Zo doet Gij ons recht.
Wij kunnen weer verder, met onze schuld,
Omdat Gij ons niet hebt veroordeeld.
Wij durven weer opnieuw beginnen,
Omdat Gij ons aanvaardt zoals wij zijn,
Gebroken mensen, gebroken kerken, een gebroken Gemeente.
Wij danken U voor deze nieuwe levenskans.
Wij bidden U: geef ons de kracht
Om niet meer te zondigen
En U te zoeken,
O God van ons heil. Amen.

Vandaag op Hervormingsdag hebben we misschien een ietwat merkwaardige tekst genomen: een vers uit Psalm 4, nota bene het “Avondlied”! Staat het er dan zo slecht voor met onze Kerk dat we al een avondzang moeten gaan zingen?

En de tekst zelf: “Wie zal ons het goede doen zien?” Heeft Maarten Luther dat dan al niet gedaan toen hij in 1518 zijn geloofspunten op de kerkdeuren van de slotkerk in Wittenberg sloeg? En Calvijn, met zijn institutie? En al die andere bezielde reformatoren? “Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Ja wel, dat is heel goed, maar heeft God dat dan al niet gedaan, toen Hij Jezus zond om voor ons Zijn leven te geven?

Wij zouden voor ons gevoel, vandaag op Hervormingsdag, meer aan de andere Schriftlezingen hebben: Romeinen 1, vers16 en 17 en Mattheüs 9. De Romeinentekst spreekt van ons geloof: “Want ik schaam mij het Evangelie niet, want het is een kracht van God tot behoud van een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (voor ons allemaal), want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven!” Uit geloof alleen! Sola fide, sola gratia, sola Scriptura, coram Deï. Tot eer van God! Dat is nog eens een tekst!

Maar ook onze Evangelielezing, waarin verteld wordt dat Jezus zo maar een verlamde man genas, en al die mensen die er bij waren. Zij verheerlijkten God, die zulk een macht aan mensen (en in ’t bijzonder aan die ene mens Jezus!) gegeven had. Drommen mensen hadden dat gezien, in ’t Grieks staat er “ochloi”, dat betekent massa’s. Allemaal nieuwsgierige mensen! Wij zouden er ook graag bijgestaan hebben. Om te ervaren hoe groot de macht van het geloof is, het vertrouwen op God, die zonden vergeeft en mensen geneest, zoals Jezus dat hier laat zien. Ook een geweldige tekst vandaag op Hervormingsdag!

Rechtvaardiging door geloof alleen, Romeinen 1, en de kracht van het geloof in Mattheüs 9. Dat is het toch: de grondslag van de Hervorming. Daar hebben we nu al bijna vijf eeuwen uit geleefd. Daar zijn onze voorvaderen voor gestorven. Zij werden verdreven uit hun land, ter wille van dat geloof. En toch gaan we daar niet over preken. Ik mag toch veronderstellen, dat u dat al vanaf uw geboorte bekend is gemaakt. Daarom heb ik een andere insteek gezocht, en gevonden: Psalm 4 vers 7 “Wie zal ons het goede doen zien? Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”

Wij hebben licht van God nodig, anders leven we in de duisternis. Het was Luther ook overkomen. In de kloostercel, in de kerk van toen, was het zo donker! Hoe kom ik aan Licht van God, moet Luther gedacht hebben? Toen was ’t er opeens, toen hij las in de Romeinenbrief. Hij kon met geen mogelijkheid een God vinden, Die hem genadig was. Daardoor drukte hem de last van zijn zonden zwaar. Wat hij ook deed, hij kwam er niet van af. Hij heeft zich zelfs daarvoor gemarteld met zweepslagen, maar het hielp allemaal niet. Hoe krijg ik een genadige God? Wat kan een mens daarover tobben! Maar opeens was die God daar, toen hij in de Romeinenbrief geconfronteerd werd met Gods rechtvaardiging door het geloof alleen. Wat een bevrijding was dat voor Luther! Weg met al die druk van je eigen onrecht, je zonden, de gewetensnood, van die onbereikbare God! Hij komt immers met Zijn macht in jouw onmacht (machteloosheid), met Zijn vergeving in jouw gewetensnood, met Zijn Heilige Geest in al wat van jouw kant onbereikbaar leek. Bevrijding, opluchting, was dat niet het kernwoord van heel Luthers beleving?

Maar wat heeft het uitgewerkt, in de loop der eeuwen? Dat vragen we ons vandaag af. Hoeveel Christenen zijn er nog, die zich werkelijk bevrijd voelen? Velen verkeren nog in dezelfde duisternis van vóór de Reformatie, net zo verkramp, net zo steriel, net zo bevangen in eigen onmacht of – wat nog erger is- in de valse zekerheid dat je de hemel al bereikt hebt. Niet alleen Protestanten in alle gradaties, maar ook Rooms-katholieken. Het is ook hierom, dat ik naar een andere insteek heb gezocht, een ander getuigenis van Gods bevrijdende macht in het leven van mensen en volken Het is Psalm 4 geworden, ten onrechte vanwege het “inslapen” in het laatste vers een “avondlied” genoemd en zo na Psalm 3, het “ochtendlied”, in het Psalmboek terecht gekomen. Maar het is zeker geen avondzang, het is een lied voor de hele dag, van de ochtend tot de avond. Een geloofsgetuigenis, dat je de hele dag op de been moet houden.

De achtergrond van deze Psalm moeten we zoeken in de gebeurtenissen rondom David en Absalom. Absalom, de zoon van David, had een samenzwering tegen zijn vader op touw gezet. U kunt dit nalezen in 2 Samuël 15. David zien we hier in de eerste verzen van Psalm 4 als de bedreigde koning, die alleen nog maar zijn God over heeft en gelukkig ook nog zijn Godsvertrouwen. Hij weet, dat die God hem vanuit zijn benauwdheid opnieuw in de ruimte zal zetten. “Als ik roep, antwoord mij, o God van mijn gerechtigheid, Die mij ruimte maakt in benauwdheid; wees mij genadig en hoor mijn gebed”. David geeft niet op. Met God aan zijn zij hoeft hij het ook niet op te geven. Dat is de eerste rol, die we hier in de psalm tegenkomen: David als geloofsheld. Hij wordt in de hoek gedrukt door een hofkliek onder leiding van zijn eigen zoon Absalom. David spreekt tot die samenzweerders: “Gij mannen, hoe lang is mijn eer tot versmading, hoe lang hebt gij ijdelheid lief, jaagt gij de leugen na?” Met die mannen worden waarschijnlijk de jonge edelen rondom Absalom bedoeld. We zien ze voor ons: de mannen, die het gemaakt hebben! Echte carrièremakers, ook als het ten koste van anderen gaat. Van God noch gebod moeten zij iets hebben, op een leugentje meer of minder komt het ook niet aan. Zij hebben de macht in handen. Wie kan hen iets maken? Toch is David niet bang voor ze. Hij zegt: “Weet toch, dat de Here Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de Here hoort, als ik tot Hem roep.” David is volkomen verzekerd van Gods hulp, hij is immers de “gunstgenoot”, de makker van God. En daarom kan hij ook in heel zijn onmachtige positie een machtswoord spreken: “Weest toornig, maar zondigt niet, spreekt in uw hart op uw leger (bed), en zwijgt, brengt offers aan de eis van God en vertrouwt op de Heer!” Hier zien we dis de tweede rol in Psalm 4, een slechte rol, vervuld door de mensen, die met Absalom samenspannen en kennelijk met koning David ook de Here God er maar aan hebben gegeven. Naast deze mannen zijn er de toekijkers, zij die de kat uit de boom kijken. “Velen zeggen: wie zal ons het goed doen zien?”  Een goede vraag! Er staat niet: “Wie zal het goede doen?” Er staat: “zien“. Heel juist, want je moet het eerst zien, voordat je het kunt gaan doen. Veel mensen zien het vandaag niet meer, net als toen tijdens de opstand van Absalom. Ook vandaag aan de dag worden er zoveel dingen op de kop gezet. We spreken niet voor niets van een machts- en gezagsproblematiek, het is overal: in de Kerk, de maatschappij, politie, op scholen, bureaucratie op het Gemeentehuis, in bedrijven, het is overal. Wie zal ons het goede doen zien? Waarop moeten wij ons richten? Hoe lossen we de wereldproblemen op? Wat gaat de nieuwe klimaattop opleveren? Welke overlevingskansen zijn er voor de kredietcrisis? Hoe krijgen we meer stabiliteit in de politieke verhoudingen? Ook in de kerken is er onrust en nemen de tegenstellingen hand over hand toe. Wie zal ons het goede doen zien?

Overal wordt er geroepen om sociale vernieuwing, in die zin, dat we elkaar weer gaan “zien”. Ook in de kerk is dit broodnodig: sociale contacten, in de vorm van kringenwerk, huisgemeente, met elkaar op weg gaan. Maar hoe bereiken we dat? Ik hoorde laatst een dominee zeggen, en hij vertolkte de gevoelens van velen: “Zeg ons, hoe dat moet, hoe moeten we dat bereiken in onze Gemeenten? Geef ons alstublieft een handvat, zodat we niet als geslagen honden straks weer de Gemeente in hoeven…” Dat is heel typerend voor het onmachtsgevoel, waarin predikanten, maar ook de mensen in het onderwijs en de politiek en allerlei gezagsinstanties zich bevinden. “Wie zal ons het goede doen zien.”

David had op deze vraag nog wel een antwoord: “Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!”  In ons geval en in deze tijd zou dat een nieuwe reformatie betekenen, een totale vernieuwing van ons denken en samen kerk-zijn.

“Verhef over ons het licht van Uw aanschijn, o Here!” Niet wij zijn het, die het nog kunnen zien. Wij zijn stekeblind! Wij hebben te lang gedacht, dat we het zagen, met al onze beredeneringen en goede bedoelingen, met heel onze techniek en wetenschap, totdat het zo ver moest komen, dat we onze naaste en achter hem de Here God met Zijn macht uit het oog zijn gaan verliezen. Daarom zeg ik u: dit vraagt om een nieuwe reformatie! Een ommekeer in ons denken, in ons leven, in ons geloven, ook een ommekeer in het hanteren van Gods Woord, in het kerk-zijn, zal nodiger zijn dan ooit.

“Verhef over ons het licht van Uw Aanschijn, o Here!” Dit te bidden, steeds weer opnieuw te bidden, is het begin al van dat licht. Een eerste flits! We zullen dat licht niet direct in alle omvang omvatten kunnen. Als we het maar zien flitsen! Zoals David dat zag in zijn benauwdheid, bedreigd van alle kanten. Dan zullen ook wij ons toch nog te ruste mogen begeven en aanstonds inslapen, want Gij alleen, o Here, doet mij veilig wonen. De Bijbelse geschiedenis leert ons, dat ook een man als David er toen nog lang niet was. Hij moest nog dikwijls door veel onrust en verdrukkingen heen, voordat hij voorgoed bevrijd en verlost was van de bedreiging van de machten om hem heen en ook in hemzelf. Telkens opnieuw moest hij in geloofsvertrouwen de weg zoeken naar God toe om te ervaren, dat God hem veilig deed wonen. “Een vaste burcht is onze God!” Zo heeft Luther het ook ervaren. Dat is echt reformatie! Een enkele flits, waarin je het goede ziet. De goede, Jezus Christus, Die ons bevrijdt van alle onmacht en ons op God weg ook vandaag nog tijd en plaats en zin om te leven geeft.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *