Hij voert mij naar vredig water


Rouwdienst
In dierbare herinnering aan Janna de Munck te Wilhelminadorp

Psalm 23, 2
“Hij voert mij aan waat’ren der rust”

Mevrouw de Munck 1980Uw moeder en Oma, Jannetje de Munck, is heengegaan. Maar zij wist waarheen. Dat de Heer haar Thuis zou brengen: Hij voert mij aan waat’ren der rust! Hoe vaak zal zij dit niet gezongen hebben, in zichzelf thuis en in de kerk, al die zondagen in haar leven, waarop zij zo trouw naar de kerk is gegaan. Zij zal het ook de laatste jaren nog gezongen hebben in Poelwijk en Ter Valcke. En wij? Wij mogen ’t ook weten: dat de Heer een herder is, die de Zijnen niet loslaat, maar ze thuisbrengt, aan waat’ren der rust. Daarin ligt ook opgesloten, dat we elkaar niet loslaten, ook als de dood ons scheidt. Wij blijven aan elkaar denken, omdat God aan ons denkt. Wij houden elkaar vast, omdat Hij ons vasthoudt: oma en opa en ome Cor en ons allen, kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen.

De dichter van Psalm 23 spreekt van een zekerheid, waar een mens jaloers op kan zijn! Wat heeft die man zijn God gekend, leren kennen, misschien wel door schade en schande heen, met vallen en opstaan. Maar toch… wat een getuigenis! Hij wist het nu toch heel zeker: “De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt niets.” Ach, wie weet, hoeveel hij nog tekort kwam in zijn leven! Maar het belangrijkste had hij: de Heer, zijn Herder. En wat heeft een mens dan te klagen? Dan heb je toch alles, wat je nodig hebt? Of niet soms? Het beeld van de herder was voor de mensen in Israel heel vertrouwd. Voor ons gelukkig ook weer, nu er kudde schapen lopen in de zak van Zuid-Beveland. Zo’n herder is God ook – zegt de dichter. Zoals zij voor hun schapen zorgen, elke dag, ook als ze ziek zijn, zo doet God het met zijn mensen. Zo rijk is de genade, die de gelovige van God ontvangen mag!

Er is ook nog een ander beeld, waarmee de dichter God vergelijkt: dat van de gids. “Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij. Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.”

Tenslotte gebruikt de dichter nog een derde beeld om Gods overstelpende genade voor ons, mensenkinderen, uit te drukken: het beeld van de gastheer: “Gij richt voor mij een dis aan…”

De psalm is uit het leven gegrepen. Daarom is hij ook zo bekend en geliefd geworden. In klein bestek bestrijkt hij het totale leven, van de wieg tot het graf, en zelfs nog over het graf heen: door het dal van de schaduwe des doods tot aan de waat’ren der rust!

Het beeld van de herder, dat zou je het gewone dagelijkse leven kunnen noemen. Het leven van Jannetje de Munck, die een kruidenierszaak dreef in Wilhelminadorp. ’t Was een goed en degelijk leven met man en drie kinderen. Een hardwerkend gezin, waaraan God Zijn zegen niet onthield. En zondags werd daarvoor dank gezegd in de kerk, zoals het hoort. Herinneringen te over! De Heer was echt een herder, en dat waren jullie ook voor elkaar, vader, moeder en kinderen.

Dan is daar het tweede beeld: dat van de gids. Ik zou het ’t leven in de diepte willen noemen. Soms komt een mens in een diep dal terecht, waaruit nauwelijks uitkomst mogelijk is. Vader overlijdt, terwijl het leven samen voor hen nog open lag. Moeder hield zich gelukkig staande. Zij had het gezellig op de Hankenstraat: een Zeeuws huis, vol met poppen in klederdracht, overal lagen tupmutsen en kappen en de naaimachine stond op tafel. Moeder was altijd druk in de weer. Zij waste kleding van de mooie Zuid-Bevelandse dracht en maakte die weer mooi voor een winkeltje in Goes, naar ik meen. Zij deed dat ook voor mensen in de naaste omgeving, die nog op hun boers waren. En dat werden er allengskens minder. Toen ik in 1978 in Wilhelminadorp kwam, waren er nog zeven boerinnen in de kerk. Toen ik in 1991 stopte, was Jannetje de Munck nog maar de enige! Hoevele kappen zal zij niet hebben geplooid, en wat heeft zij niet allemaal prachtige spullen gemaakt voor de vrouwenvereniging, voor de jaarlijkse bazaar. Zij was een heel pronte boerin, een vrouw die oogde en trots was op haar mooie dracht.

Later kreeg zij nog een vreselijke klap te verwerken, toen zoon Cor overleed. Ik was toen al weg uit Wilhelminadorp, maar Cor heb ik goed leren kennen in de kerkenraad van Kortgene, zo’n echt aardige meevoelende man, die zich helemaal gaf aan het kerkenwerk. Wat moet Moeder dat een verdriet hebben gedaan! Hoe het haar de laatste jaren vergaan is, hoef ik u niet te vertellen. Het werd minder en minder… tot de Heer haar riep. Maar ik weet zeker, dat de Gids toen ook bij haar gebleven is, precies zoals de psalmdichter het in droeve tijden had mogen ervaren. Wie zo’n gids heeft, komt terecht. Ja, maar soms is het wel heel moeilijk: :Al ging ik ook in een dal van diepe duisternis -eigenlijk staat er: dal der schaduwe des doods- alle duisternis en ziekten zijn schaduwen van de dood, die onherroepelijk komt. Alle lijden is hier in het geding, zeker ook rouw en verlies, wat moeder heeft moeten meemaken. Een mens moet wel eens net als de pelgrim door de diepte heen, onbegaanbare wegen afleggen… En toch kan hij zeggen: “Ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij, Gij leidt mij in de rechte sporen.” Uiteindelijk kom ik dan terecht op de plek, die God voor mij bestemd heeft, en dat is het Huis van de Vader met de vele woningen. Daar mogen we moeder nu ook weten.

U kent het wel, de spreuk op een wandbord: “God heeft ons geen veilige reis beloofd, maar wel een behouden thuiskomst.” Dat is het wat de psalmdichter ons vanmiddag te zeggen heeft.

Er zijn kromme sporen, die een mens heeft te gaan, maar Hij brengt ons er doorheen, door die hele wirwar van het leven, totdat wij belanden bij de veilige waat’ren der rust. Juist daarom is Hij zo’n goede Gids, die we niet kunnen missen. Laten we Hem dan ook vasthouden.

Tenslotte het beeld van de Gastheer, dat brengt ons in herinnering, hoe er ook vreugde was en blijdschap in haar en ons leven. We herinneren ons de verjaardagen thuis, trouwdagen, geboortedagen, al die hoogtepunten in het leven van vader en moeder en ook in uw eigen leven. Wat is er veel te vieren in het leven van ouders met hun kinderen, waar dan de kleinkinderen bijkomen en zelfs de achterkleinkinderen! Wie 93 jaar mag worden heeft heel wat om in dankbaarheid op terug te zien. De dichter zegt het zo: “Heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven.” Wel, dat is bij moeder ruimschoots gebeurd. God was een goede Gastheer voor haar. Hij heeft haar leven vol gemaakt! En nu mag zij blijven in het Huis des Heren, tot in lengte van dagen!

Amen.

Goes, 9 december 2002

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *