De tien maagden


Mattheüs 25, 1
“Dan zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden”.

LandschapZó begint Jezus Zijn gelijkenis. Na dit eerste vers wordt er over het Koninkrijk verder niet meer gesproken. De bruidegom komt daarvoor in de plaats. Die staat in het middelpunt: hij is de hoofdpersoon van het feest, waarmee het Koninkrijk (van God) vergeleken wordt. Wij begrijpen dat ook wel, want wij weten dat de komst van het Koninkrijk ten nauwste samenhangt met de terugkeer van de Heer Jezus (de Bruidegom) hier op aarde. Jezus en Gods Koninkrijk horen bij elkaar als de bruidegom bij het bruiloftsfeest, zo is het toch? Wanneer wij dus naar Jezus’ komst uitzien, dan is dat hetzelfde als wanneer wij het Koninkrijk van God verwachten. Het zal “onverwacht” komen, heeft Jezus er zelf van gezegd. Juist daarom moeten we zo gespannen uitzien en afwachten. We moeten daarin niet verslappen, maar altijd waakzaam zijn. “Zo waakt dan, want gij weet de dag noch het uur”. Daarmee eindigt Jezus de gelijkenis.

Laten we goed begrijpen, Gemeente, dat alle tien meisjes in dat verwachten, in die waakzaamheid, wet wat tekort schieten. Niet alleen de dwaze, maar ook de zogenaamde “wijze” meisjes. Er staat immers in vers 5: “Terwijl de bruidegom uitbleef, werden zij allen slaperig en sliepen in.” Zij zijn dus alle tien niet zo erg waakzaam geweest. Net als wij trouwens. Wij willen wel eens graag tot de “wijzen” gerekend worden. Maar dat gaat niet op. Je kunt op het punt van de waakzaamheid geen onderscheid maken. Wij liggen allemaal onder het oordeel. Wij zijn allemaal moe en slaperig en beslist niet waakzaam. Kijken wij wel uit naar de wederkomst van Christus? Hoe dan? Wij bidden er soms wel eens voor, dat Jezus gauw mag komen. Maar in de meeste gevallen gaan wij al weer snel over tot de orde van de dag. Wij hebben het druk, druk en nog eens druk! En dan sluimeren we in en verslappen in onze waakzaamheid. Ons treft allemaal schuld.

Voor vijf van de tien meisjes vielen de kwade gevolgen nogal mee. Maar toch waren zij ondertussen ook in slaap gevallen. Zij hadden moeten waken en uitzien naar de komst van de bruidegom! Net als wij… Wij weten toch, dat Jezus gezegd heeft: “Waakt dan!” Wacht op Christus, Hij, Die is en Die komt! Wij weten toch ook, dat Hij voor ons gestorven is op Golgota, en is opgestaan en opgevaren naar de hemel, om van daaruit weer te komen? Waarom zien wij daar dan toch zo weinig naar uit?

Wat hebben mensen er niet over om een feestje te bouwen? Dagenlange voorbereiding, opsmuk, kosten noch moeiten worden gespaard. Ik denk aan het vieren van een kroonjaar of een huwelijksjubileum. Hebben wij dat alles ook over voor Christus’ feest met ons? Ik denk het niet. We rekenen er eigenlijk al helemaal niet meer mee. We geloven ’t wel. Natuurlijk: het wachten duurt ook wel erg lang. De Bruidegom blijft wel lang weg! En de weg, waarlangs Hij komen moet, is ook wel erg ver hier vandaan. Ach, wie weet, is hij wel dichter bij dan wij denken. Misschien zijn wij wel te ver van de weg gaan staan. Dan zie je ook niets. Je laat de kans lopen om dicht bij de Bruidegom te komen.

En dan wordt het avond, je krijgt slaap, het grote vergeten. Het is over met de waakzaamheid. Wij zijn in de duisternis van een zwoegende, zorgende, lijdende en bloedende wereld, waarin men zich nog ternauwernood Christus’ komst, laat staan Zijn tegenwoordigheid, realiseert. Alles wat met Hem verband houdt, lijkt zo ver weg, ook bij onszelf, we worden overmand door slaap. Het grote vergeten komt ook over ons. Waken wij nog of dromen wij al? Is het nog Christus’ werkelijkheid waarmee we rekenen of misschien een vage gedachte, een flauw vermoeden, schone schijn, een waandenkbeeld? Zo vergaat het velen. Zij leven in een soort schemertoestand, tussen waken en dromen. Wat eenmaal een actief wachten was, een vast en zeker weten van Jezus’ wederkomst, een gespannen uitzien naar de Bruidegom, wordt een passief afwachten, een doffe gelatenheid: we zullen wel zien, ’t zal onze tijd wel duren. Wat eens gedragen werd door een geloof, een vast vertrouwen op Christus’ beloften, wordt tot een vaag vermoeden van wat men niet ziet, dat grenst aan twijfel.

Hoe is ’t in dit opzicht met ons gesteld? Staan wij op onze donkere plek in deze wereld nog uit te zien naar Christus, de Bruidegom, en naar Zijn licht? Het geloof verwacht en waakt, maar waar sluimer is, daar is twijfel en onzekerheid, ongerustheid en angst, een door elkaar van vertrouwen en wanhoop. Tenslotte vergaat het ons net als die tien meisjes uit de gelijkenis. Zij sluimeren alle tien in. Toch is het met vijf van haar nog goed terecht gekomen. Blijkbaar is er toch nog een mogelijkheid dat mensen meer geloof hebben dan twijfel, meer zekerheid dan een vaag vermoeden, meer vertrouwen dan speculeren op puur geluk.

Er waren vijf meisjes, die olie hadden in haar kruik, sluimerende meisjes net als die andere vijf, en toch met enige reserve. Dat betekende een voorsprong. Je had iets om op terug te vallen! Zij konden de Bruidegom bijlichten, toen Hij eindelijk kwam. Zij mochten daarna feest vieren. Zou het dat niet zijn, wat die vijf meisjes vóór hadden op de anderen ? Een ietsje meer geloof? Of moet ik zeggen: een ander geloof? Het gaat bij het geloof immers niet om veel of weinig, maar om kwaliteit, om diepgang, innigheid, vastheid en zekerheid van het vertrouwen in God. Geloven, dat is krediet geven aan Iemand, Die je echt vertrouwt. En dan kan het niet gaan om meer of minder, nee, je vertrouwt iemand of je doet het niet. “Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij”, zegt Jezus. Ik denk, dat bij die vijf meisjes zulk een verrouwen was, onvoorwaardelijk.

“Waakt en bidt!”, zegt Jezus tegen de discipelen in Getsemane. Waken en bidden horen blijkbaar bij elkaar. Die waakt, die bidt. Hij of zij blijft wakende, omdat hij of zij bidt, bidden kan! En omgekeerd is het ook zo: wie bidt, die waakt. “Kunt gij niet een ogenblik met Mij waken?”, zei Jezus, toen Hij het zo moeilijk had in Getsemane. Bidden is de kracht om de slaap en verslapping, die ons zo eigen is, te verdrijven. Het gebed alleen maakt ook voor ons het wachten op Jezus mogelijk. Maar het gebed is daar, waar het geloof is. Wachten, bidden, waken en geloven, zij horen bij elkaar. Het zijn de vier steunpilaren van een echt Christelijke levenshouding. De wijze meisjes hadden dat, de anderen hadden dat niet. En daarom mochten de wijze meisjes ingaan tot de bruiloft van hun heer, tot de heerlijkheid van het Koninkrijk van God.

De dwaze meisjes hadden nog om wat olie gevraagd. Het antwoord is afwijzend. Wij vinden dat hard. Maar kan het geloof dan overgeschonken worden, van de ene kruik in de andere? Was ’t maar waar! “Ik kan je ’t geloof niet geven”, zeggen we wel eens. Dat klinkt wel hard, maar ’t is toch waar. Kennis kun je overdragen, vriendschap soms ook, en liefde en hoop. Maar geloof, dat is wat anders! Geloof is genade. Dat moet je geschonken worden. Het is een geheim, waarvan alleen God de sleutel in handen heeft. Vroeger zei men wel: “Het is niet uit geloof, maar tot geloof dat Zijn genade beschikt”. Dat wil dus zeggen, dat het geen menselijke prestatie is, dat geloof van ons, maar dat het alleen een geschenk van God is. Wij kunnen het niet verdienen, wij krijgen het voor niets. Geloof is ook niet te koop, nergens. Die meisjes dachten nog wel dat het te koop was. Daarom zeiden ze tot de anderen: Gaat naar de verkopers Zij gingen ook uit van gewone lampenolie, maar in de betekenis van de gelijkenis staat olie voor geloof. En dat is niet te koop, nergens. Ook niet in de elektronische kerken van Amerika. En in het veelvoud van kerken in ons eigen land. Ze prijzen wel het bijzondere van hun geloof aan, maar dat is allemaal gewoon mensenwerk. We zullen het weten, als de Bruidegom komt. Dan zal het ons geopenbaard worden of wij wel voldoende olie in onze lampen hebben. Wakend en wachtend, gelovend en biddend, zullen we eens de roepstem horen: “De Bruidegom komt, gaat Hem tegemoet! Waakt dan, want gij weet de dag noch het uur”.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “De tien maagden