Redding uit grote nood

Redding uit grote nood

2 Koningen 6, 24-33 en Marcus 5, 21-43

Fragment van een schilderij uit Kariye Camii IstanboelDeze twee bijbellezingen zou je spiegelverhalen kunnen noemen. Zij hebben één ding gemeen: nood, verschrikkelijke nood.

In Samaria is door het beleg van de Arameeërs de nood zo hoog gestegen, dat vrouwen elkaars kinderen opeten. Baby’s moeten het geweest zijn, want het voedsel was voor twee mensen maar genoeg voor één dag. Kinderen vielen ten offer. De dood heerste alom. Hoe vaak maken we dat nog niet mee? Denk aan de oorlog in Libanon, denk aan hongersnood en aids-epidemie, het zijn vaak de kinderen die er het ergst onder te lijden hebben. En wie zou hier redding kunnen bieden? In Samaria was een koning, maar die zag het ook niet meer zitten. God dan? Nee, want die was kennelijk boos, anders was het zo ver nooit gekomen. De profeet van God, Elisa? Nee, want die kreeg zoals gewoonlijk de schuld van alles!

Dat is de éne geschiedenis. Hij staat in het teken van de allesoverheersende dood. Dan het andere verhaal, uit Marcus 5: de genezing van het dochtertje van Jaïrus. De vader is lid van het Synagogenbestuur in Kapernaum, een belangrijke man dus. Maar voor de dood is iedereen gelijk, wordt wel eens gezegd. En dat blijkt ook hier. Kosten noch moeiten werden gespaard. Maar het dochtertje werd zó erg ziek, dat zij zou gaan sterven. De vader zegt het zelf: “Mijn dochtertje ligt op haar uiterste.” Als er nu niet gauw iets gebeurt, is het afgelopen. En Jaïrus, die machtige man, vraagt aan Jezus om een handoplegging, zoals dat toen gebruikelijk was en ook daarna nog lang in de kerk een goede gewoonte is gebleven. Eigenlijk zouden wij die gewoonte weer in ere moeten herstellen, zeker in ziekenhuizen. Het is een heel oud Bijbels gebruik. Dan wordt de zegen uitgesproken over de zieke of stervende: “De Heer zegene en behoede u, Hij doet Zijn Aangezicht over u lichten en geve u vrede.” Het is dezelfde zegen, die we elkaar ook meegeven aan het einde van de dienst.

Jaïrus zou zo graag willen, dat zijn kind behouden werd. “Behouden” heeft hier een dubbele betekenis. Het is “beter worden, genezen worden, gered worden van de dood. Maar het is ook behouden worden door God, voor het eeuwige leven, gered worden van zonde en schuld. Hier zal blijken, dat Jezus is de Grote Behouder, de Redder in nood. In de nood van het menselijke bestaan wordt een kind gered van de dood. Zoals wij zingen met de woorden van Gezang 52:

Slapen is niet tot de dood,
Slapen is wachten op U,
Want als Uw stem tot ons spreekt,
Zien wij en kennen wij u!

Twee gebeurtenissen, waarin de nood van de wereld centraal staat. Wel heel verschillend. Want in ’t ene is er totaal geen uitkomst meer, in ’t andere is er een man die redding kan bieden. In ’t ene verhaal wordt de man Gods, de profeet, het zwijgen opgelegd. In het andere komt de Zoon van God tot spreken. In ’t ene wordt een kind gedood, in ’t andere wordt een stervend kind tot nieuw leven gebracht. Beide geschiedenissen behoren tot de realiteit van het leven. De eerste, de doodswerkelijkheid van het leven, kennen we maar al te goed. Kijk om je heen, kijk in je zelf: overal ziekte, zonde, levensvernietiging, dood. Maar de andere geschiedenis behoort gelukkig ook tot de werkelijkheid, al is ’t misschien slechts in hope, een toekomstvisioen: dat een kind tot leven wordt gewekt, of heel actueel: dat een kind levend uit de puinhopen van Libanon wordt gehaald. Dat er Iemand is, die de dood de baas is! Koning Joram kon dat niet, hij stond -toen ’t er op aan kwam-  machteloos. Maar Jezus kon dat wel en liet zien, wie hier werkelijk de Koning is.

Maar voor het zo ver is, wordt het geloof van vader Jaïrus danig op de proef gesteld. Daar is nog een persoon die Jezus nodig heeft, een vrouw. Zij raakt hem stilletjes van achteren aan en dat geeft veel oponthoud. Want Jezus heeft het gemerkt en gaat daar op in. Maar ook die vrouw is er slecht aan toe. Zij bloed leeg, van binnen en van buiten, lichamelijk en geestelijk. Voor de mensen is zij een uitgestotene, want zij is onrein. ’t Zal ook daarom zijn, dat zij Jezus zo stiekem van achteren had benaderd, zij had geen andere keus. De mensen zijn zo hard…

Ook voor haar moest Jezus er zijn. En Hij was er! Meteen was het over, dat bloeden. En de vrouw moest wel naar voren komen en Hem alles vertellen. En Hij sprak tot haar: “Mijn dochter, dit geloof van u, dát is uw redding geweest. Ga nu heen, in vrede; wees gezond en vrij van uw ziekte.” En ach, wat was ’t eigenlijk voor geloof, dat van die vrouw? Een noodsprong, je vasthouden aan een laatste strohalm. Voor Jezus was ’t genoeg, gelukkig maar Iets om aan te denken, als je ’t zelf ook zo moeilijk hebt, je bent ziek, je zit in de put. Een beetje vertrouwen in Hem is genoeg om Zijn aandacht te trekken! Geloven hoeft niet spectaculair te zijn. Het is er niet alleen voor andere mensen, het is er ook voor jou, hoe klein je geloof ook maar is.

Ondertussen staat Jaïrus er een beetje verloren bij. Heeft hij ten langen leste Jezus ontmoet, Die hem helpen kan, en dan is daar die vrouw! En wat een drukte over zó’n vrouw! Tot overmaat van ramp komen daar ook al mensen uit zijn huis hem vertellen, dat het niet meer nodig is dat Jezus komt, want dat zijn dochter al gestorven is. Wat moet er niet door die arme vader zijn heengegaan, op dat moment? Was Jezus zijn kind dan helemaal vergeten? Dat nou net dat mens er tussen moest komen! Ach, zo begrijpelijk, zo menselijk. Maar gelukkig, zó werkt dat niet bij de Zoon des Mensen. Hij vergeet niemand, die in nood verkeert. Maar alles op zijn tijd. Zo is het ook bij God. Zijn tijd kan wel eens heel anders zijn dan onze tijd. God kan wachten. Hij laat ons ook wel eens wachten. Wij moesten niet zo ongeduldig zijn! Jaïrus moest nog leren, dat God niet laat varen de werken van Zijn handen. Zullen wij ook een beetje geduld hebben met Gods genade? Het komt echt wel. Misschien geeft God ons ondertussen nog iets anders te doen, iets voor Hem of voor een ander mens in nood? Misschien krijgen we daardoor nog wat tijd om in ’t geloof te groeien? Mogelijk, dat God ook eerst nog iets anders te doen heeft. Er is zo veel nood, dat Zijn aandacht vraagt. Wij zijn niet alleen in de wereld! Hier, bij Marcus, moest het zo gaan, dat de werken van God openbaar zouden worden. Het dochtertje moest sterven, opdat zij zou worden opgewekt. Als een getuige om aan de mensen te laten zien, dat Hij is de Redder der armen, die de dood overwint en de doden doet opstaan.

Dat moeten wij vandaag ook weten! Jezus zegt tot Jaïrus en tot u en mij: “Vrees niet, geloof alleen, heb alleen maar een beetje vertrouwen in Mij!” En in het andere verhaal zal straks Samaria bevrijd worden op het geloof van één man, Elisa, Geloof is de grondslag van elk wonder. Wie gelooft, zal wonderen zien. Maar wel eerst het geloof, en daarna het wonder. Niet andersom! Dat zou gemakkelijk zijn: als we eerst een wonder zouden meemaken om daarna te kunnen geloven. Dat zouden we natuurlijk wel willen. Maar zó werkt het niet bij God. Eerst geloven en dan komt het wonder van zelf. De EO kan wel een programma maken om met een zieke de bekendste gebedsgenezers langs te gaan om te kijken wie van hen het beste is, maar dat werkt absoluut niet zo. Zieken genezen is geen automatisme. Het is niet de kracht van de gebedsgenezer, maar toch altijd de kracht van God in combinatie met het geloof van de “vrager”. Je kunt er maar niet een wedstrijdje van gaan maken.

En daar staat Jezus dan, in het midden van de kamer, de doodskamer. En Hij strekt Zijn hand uit naar het dode kind. Hij raakt haar aan en zegt: “Talitha, koemi!” “Meisje, kom, sta op!” En zij stond op. Zij kwam weer op de been en zij stond op uit de dood. Zij is 12 jaar, hetzelfde getal als bij de vrouw, die al 12 jaar aan bloedingen leed. Niet toevallig. 12 is het getal van de goddelijke volheid en volmaaktheid. Bij de vrouw was de maat van haar lijden vol en mocht het nieuwe leven beginnen. Ook het meisje begon met 12 aan haar nieuwe leven. Zij zal Jezus wel nooit meer vergeten zijn.

Maar het werk van Jezus is nog niet af. Hij zegt gewoon: “Geeft haar iets te eten”.Geest en lichaam hebben beide voedsel nodig. In 2 Kon.6 was er geen voedsel meer, men vergreep zich aan de kinderen. Waar Jezus komt, IS er eten, voor dat meisje, voor de 5 duizend, voor u en voor mij. Daar is eten en nieuw leven, tot in eeuwigheid.

Amen

Eén gedachte over “Redding uit grote nood”

  1. Beste Flip,

    Het deed ons erg goed om jullie vanavond te ontmoeten. Irene en ik hopen dat we jullie de komende tijd vaker zullen spreken.
    Thuisgekomen las ik jouw laatste preek: een fijne bemoedigende boodschap! Nu is het toevallig(?!) zo dat wij vanavond aan tafel 2 Koningen 6 lazen en in plaats van ons dagboekje te lezen, lazen we er ook 2 Koningen 7 achteraan ( in de NBV). Heel verrassend vol van Evangelie. Want dan zie je dat de God van Israël geen andere is dan de vader van Jezus Christus en dat de boodschap van 2 Koningen 6 en 7 niet in tegenstelling tot Marcus 5 staat. Ik denk dat als je 2 Koningen 7 tot je laat doordringen, je het slot van je preek wat zult moeten bijstellen. Uiteraard is dit niet als kritiek bedoeld, want de boodschap blijft dezelfde.

    Een hartelijke groet en nogmaals graag tot ziens, CorBert de Rooij

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *