Najaarslaan


Najaarslaan

Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik de goudene deuren wijd
Zag openstaan.

Najaarslaan

Het werd mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
Doet wat verboden is;
Ik sprak: “Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is?”
Toen sprak ik: “Deze gouden grot
Is immer geen mensenpaleis.”
Ik sprak: “Het is een betoverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één, die de poorten ontdekken zou,
De dode gewelven wekken zou
Van ’t huis, dat ieder mensenhuis
Te boven gaat in pracht.”
Ik sprak: “Hoe ben ik zo rijk, zo rijk!
Hoe ben ik zo rijk, mijn God!
Welke aardse woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjesslot?”
Trotse, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door ’t goud;
Aan beide zijden stonden daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan ’t einde van mijn pad
Een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
ik door de gangen voort.
Ik sprak: “Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een groote heerlijkheid
Zal ik dan binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!”

                  Jacqueline E. van der Waals

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Najaarslaan

  • jan p.

    heb net bij het binnengaan van de nieuwe woning van een patient(ben huisarts) jac. van der Waals geciteerd door te zeggen:waar gouden de portalen zijn, hoe zullen daar de zalen zijn!