Met Bunyan op reis


Galaten 1, 3
“Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus,
Die Zich Zelf gegeven heeft voor onze zonden…”

adsf

Goede Wil leidt Christen door de poort. (Uit een Engelse editie van 1778.)

Genade is een machtig woord! Nergens komt dit zo mooi tot uitdrukking als in de Galatenbrief van Paulus. Het wordt hier beschreven tegen de wettische achtergrond van de Joden. Voor Maarten Luther was dit een “hot item”. Hoor maar, hoe hij schrijft in zijn commentaar op de Galatenbrief: “Evenals het genade-volk geen wet heeft of kan hebben, zo heeft ook het wet-volk geen genade, kan die ook niet hebben.” Voor zijn bekering had de monnik Luther heel veel aan de Galatenbrief te danken. Na hem kwam er nog een ander, die hetzelfde overkwam: John Bunyan, de beroemde schrijver van “Een Christenreis naar de eeuwigheid”. (Pilgrim’s Progress) Het is maar een klein boekje, maar zo veel gelezen, dat het op de Bijbel na het meest gelezen boek van de wereld is! Hij leefde omstreeks 1650 als predikant van een Baptistische Gemeente in Londen. Het boekje staat waarschijnlijk ook wel bij u in de kast. Maar of u het gelezen heeft? Het is de moeite waard!

Bunyan vertelt ergens, dat hij na een periode van geestelijke strijd, er zeer naar verlangde de ervaringen te lezen van oudere mensen, die ver voor hem geleefd hadden. “En”, zo schrijft hij, “nadat dit verlangen dikwijls in mij was opgekomen, liet mij God, in Wiens macht al onze wegen zijn, op zekere dag een boek van Luther in handen krijgen, zijn commentaar op de Galatenbrief. Het boek was zo oud, dat het bijna uiteenviel als ik er in bladerde. Zo oud als het was, beviel dit boek mij heel goed. Want, zodra ik het had opengeslagen. Vond ik mijn eigen toestand zo breed en uitvoerig behandeld, alsof het boek uit mijn eigen hart geschreven ware. Bovendien beschreef Luther in dit boek allerprachtigst de oorsprong der verzoekingen tot lastering, vertwijfeling en dergelijke, en toonde dat zowel de wet van Mozes als de duivel, de dood en de hel hun hand duidelijk daarin hebben; hetwelk mij in het eerst wel wat vreemd voorkwam; doch toen ik het goed naging, bevond ik dat het waar is.”

Dit was voor hem de aanleiding om zijn beroemde boekje “Een Christenreis naar de eeuwigheid” te gaan schrijven. We ontmoeten in dit boek “meneer Christen”. Gisteren nog was hij in eigen oog niet slechter dan de buren, maar nu zijn z’n ogen geopend. Hij weet geen raad en komt dan “de heer Wereldwijs” tegen. Die wijst hem op het nabijgelegen dorp “Zedelijkheid”, waar een vriendelijk man woont, “Wettisch” is zijn naam. Die zal hem wel gauw van zijn lastige pak afhelpen. Helaas, Christen volgt deze slechte raad op en slaat de weg in naar het dorp en het huis van de heer Wettisch. Het bevalt hem slecht. De berg Sinai dreigt hem dermate met schrik en verdoemenis, dat hij zou zijn omgekomen, als niet meneer “Evangelist” hem te hulp was gekomen.

In heel zijn droomboekje spreekt Bunyan uit ervaring. Hij kende de “schrik des Heren” net als Luther en hij leed er werkelijk onder. Wij, in onze geseculariseerde “oppervlakkige” tijd, begrijpen van dit alles weinig mee. In elk geval maken wij ons daar niet meer zo druk over. Wij zingen “love songs” voor God en laten ons de hel en verdoemenis niet meer aanpraten. Wij vergeven ons zelf de zonden wel of denken dat anders de Kerk dat wel voor ons in orde zal maken. Toch staat er in de Bijbel: “Wie de Heer ongehoorzaam is, die zal het eeuwige leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.”(Johannes 3, 36)

Als Christen naar dat lieve dorpje “Zedelijkheid” gaat, heeft hij het gemakkelijk. Er zijn daar huizen te huur, de levensmiddelen zijn daar ook heel goedkoop. En je hebt er een prettige omgang met keurige buren. En “Wereldwijs”, die wist het wel: “Doe je best maar, doe maar je best om zo goed mogelijk te handelen, en tob niet over de dingen, die je verkeerd hebt gedaan! Kom kerel, God kan toch niet het onmogelijke van je vergen?” Wereldwijs spreekt zijn luchtig woordje in alle landen en in alle talen en in alle tijden. Altijd komt het hier op neer: dat hij het gemakkelijk neemt met de wet, de geboden van God, en dus met de zonde, en dat hij weinig weten wil van het kruis. Wie een goed en zedig sociaal leven leidt, de voornaamste geboden in de gaten houdt, de “sociale waarden”, die komt vanzelf als een brave Christen bij onze Lieve Heer in de hemel terecht!

Dat ligt Christen wel, lekker makkelijk! Totdat hij Evangelist ontmoet, die hem de ogen opent. Dan merkt hij zijn dwaling, dan leert hij dat God ons hele hart en onze hele geest en ons hele verstand en onze hele kracht opeist. God neemt niet genoegen met een stukje van onszelf. Toen kreeg hij dezelfde ervaring die Luther ook had in het klooster: Hij haatte God, die een wet oplegt aan mensen, die onmogelijk is. Hij dacht dat hij de wet niet volbrengen kon, ondanks zijn inspanningen. Hij was gedoemd tot vertwijfeling en ondergang.

Wie uit Gods wet enkel haalt, dat je de zondag moet heiligen en dat je aalmoezen moet geven en zo, die merkt van zo’n hevige gemoedsstrijd natuurlijk niets. Voor hem is de wet geen slavenjuk, geen vloek, hoogstens een lastje, of een kleine prestatie, waarop je je nog beroemen kunt ook. Maar wie het woord van Jacobus gehoord heeft: “Wie de wet in één gebod overtreedt, is schuldig aan alle geboden”, die zal met Luther kunnen zeggen: “De wet stond boven mij als een reus en sloeg mij met een stok!” En die zal met Christen uit Bunyan’s boekje de blijdschap ervaren, toen hij de Evangelist ontmoette, die hem vertelde van het Kerstfeest en Goede Vrijdag en Pasen…Wat een bevrijding, wat een Evangelie, wat een heil! Daardoor veranderde zijn leven totaal! Ervaart u het ook zo?

Het juk van de wet, de last van al onze zonden is er nog wel, heel zwaar zelfs, maar Jezus neemt dat zondenpak van onze schouders af. Een Kind is ons geboren, God heeft Zich geopenbaard aan het kruis! En dat maakt inderdaad alles anders. Neem een melodie, het doet er niet toe welke, en zet er een kruis voor… wat merk je dan? Het is een heel nieuwe melodie geworden! Deze melodie bepaalde voortaan het leven van Christen. Deze melodie klinkt op uit de brief van Paulus aan de Galaten. En Christen kreeg hem ook te pakken. Luister maar: :”Toe zag ik in mijn droom dat de weg, die voor Christen lag, aan beide zijden door een muur werd beveiligd, die “Redding” heette. Christen betrad met spoed deze weg, doch niet zonder moeite, want de last op zijn rug woog hem zwaar. Haastig ging hij voort tot waar hij kwam aan een helling in de weg, waar een kruis stond. Iets lager was er in de diepte een graf. Toen zag ik in mijn droom dat op het ogenblik dat Christen bij het kruis kwam, de last van zijn schouders los raakte en van zijn rug viel. Het pak begon langs de helling te rollen en kwam bij de opening van het graf. Daar rolde het in en ik zag er niets meer van. Toen was Christen blij te moede en zei met een vrolijk hart: “Hij heeft mij vrede gegeven door Zijn lijden en leven door Zijn dood.”Hij stond een poos stil, terwijl hij verwonderd bleef kijken. Want het was een openbaring voor hem, dat het gezicht van het kruis hem had bevrijd van zijn last. Zo bleef hij staan kijken, totdat de tranen hem langs het gezicht liepen. En zie, drie lichtende gestalten kwamen tot hem en groetten hem met de woorden: Vrede zij u!

De eerste sprak: uw zonden zijn u vergeven.

De tweede trok hem de lompen uit, waarin hij gekleed was, en deed hem nieuwe kleren aan.

De derde plaatste een merkteken op zijn voorhoofd en gaf hem een verzegelde rol, waarvan hij zeide, dat hij daar zorgvuldig op moest passen, en hem bij de hemelpoort moest afgeven.

Toen vertrokken de drie weer.

Driemaal juichte Christen van vreugde, en hij begon te zingen:

Tot hiertoe ging ‘k gebukt onder mijn schuld,
Geen redding van de smart, die ‘k heb geduld,
Tot hier, hier keerde ’t zonlicht tot mij terug,
Hier valt de loden last der zonde van mijn rug.
Gezegend kruis, gezegend graf, gezegend Hij
Die kruis en graf verdragen heeft voor mij.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *