Komt, want het is nu gereed


Lukas 14, 17b

Laatste avondmaalDe oosterling beschouwt de gastvrijheid als één van de hoogste deugden. Dit was vroeger zo, in de tijd van de Bijbel, en het is nog zo. Dat hebben wij zelf ervaren, toen we 5 jaar geleden in Marokko waren. Ik had mijn scootmobiel meegenomen en oogstte veel bewondering, maar ik kon, omdat op- en afritjes ontbraken,  vaak niet het trottoir op. Dat was ook zo in Marrakech, toen ik de beroemde markt wilde gaan bezoeken. Daar stond ik dan! Toen kwamen direct vier mannen aan gelopen om me het trottoir op te helpen. Ik voelde me als de verlamde man, die door zijn vrienden het dak werd opgedragen, zoals Jezus ons in één van Zijn gelijkenissen vertelt. Gastvrij en behulpzaam zijn, we hebben dáár gezien wat dat nóg betekent! Misschien heeft het te maken met de onafzienbare woestijnen, waardoor reizigers wel op elkaar waren aangewezen. De gastheer van vandaag zou morgen misschien zelf om onderdak moeten vragen. Des te erger is het dat in het Kerstverhaal de deuren voor Maria en Jozef gesloten bleven.

Toch – denk ik – is het niet alleen uit berekening, dat men in het Oosten zo gastvrij is. Zou het niet ook te maken hebben met het diepere Godsbesef van de Oosterling? De Gast zou wel eens door God gestuurd kunnen zijn! Zoals de drie mannen die bij Abraham kwamen, het waren engelen! De gast wordt altijd gezien, onbewust, als een representant van God. In hem doet God Zelf een beroep op ons. Daarom kun je niet gul genoeg zijn en is het beste nog niet goed genoeg voor de gast. Dat zie je in het bijzonder, wanneer er een feest gegeven wordt. Paal noch perk wordt er gesteld aan het aantal gasten. Niet alleen familie en vrienden zijn welkom, maar ook vrienden van de vrienden, de hele buurt-, ja zelfs dorpsgemeenschap. Ook toevallig voorbij komende toeristen. Hoe meer mensen hoe meer vreugd en hoe eervoller het is voor de gastheer. Hier in Rotterdam en Barendrecht, waar wij wonen, zie je hoe op een mooie zomerse dag hele Marokkaanse en  Turkse families in de parken en recreatiegebieden bij elkaar komen om te gaan picknicken. Ben je daar toevallig ook – en dat doen we wel eens met de kleinkinderen-  dan word je hartelijk uitgenodigd aan te schuiven!

We begrijpen nu ook hoe pijnlijk de situatie van de gastheer uit onze gelijkenis is. Wat was er namelijk gebeurd? Jezus was uitgenodigd op een maaltijd bij de Farizeeën. Het was een eenvoudige broederschapmaaltijd, zoals de Farizeeën die om beurten bij elkaar aan huis hielden. Mooi toch, dat ze Jezus als één van de hunnen beschouwden! Maar er heerst een geladen sfeer, als Jezus daar binnenkomt om “brood te eten”. En dat wordt er niet beter op, als Jezus direct bij het begin van de maaltijd ook nog een zieke geneest. Het is nota bene Sabbath! Van Zijn kant doet Jezus ook geen moeite de stemming te verbeteren. Integendeel, Hij durft het ook nog te bestaan kritiek uit te oefenen op de eerzucht van de Farizeeën, die allemaal de voornaamste plaatsen willen innemen. Hij zegt: “Niet op de voorste plaatsen moet je gaan zitten, maar op de achterste. Want een ieder die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden, maar een ieder die zich zelf vernedert, zal verhoogd worden”. Ook keurt Hij af, dat de broeders alleen elkaar fuiven. “Wanneer gij een gastmaal aanricht, nodigt dan bedelaars, misvormden, lammen en blinden, en gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen”. Niet uit berekening dus, maar uit liefde en echte gastvrijheid! Dan krijg je het terug straks in de hemel. Ja, dat klinkt heel mooi! We horen het dan ook één van de aanwezigen bevestigen: “Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk van God!”.

Daarop spreekt Jezus de gelijkenis van  de verontschuldigingen, ook wel genoemd die van het Grote Avondmaal. Dat spreekt ons meer aan , denk ik, omdat wij vandaag het Avondmaal vieren. U kent het verhaal: de “high society” laat het afweten en de sloebers van de straat worden binnen genodigd. Er moet gezocht worden  tot ver buiten de stad, want het huis moet vol worden. “Dwingt ze om binnen te gaan…”.

Die sloebers van de straat, dat zijn bedelaars, misvormden, lammen en blinden, dezelfde mensen die Jezus daarnet al had genoemd. Voor de Farizeeërs was dat “uitschot”, maar Jezus laat horen dat die er juist bij horen, bij de Grote Maaltijd van de Heer, in Gods Koninkrijk. Het zijn de “verloren kinderen van het huis van Israël”. Zij worden neergezet op de door de genodigden opengelaten plaatsen. En als er dan nog plaats over is, worden de knechten gezonden op de wegen en paden buiten de stad om de “heidenen” binnen  te halen. Op een andere plaats heeft Jezus gezegd: “Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het Koninkrijk van God”.

Er is nog zo’n gelijkenis, die Matthëus ons overlevert: het koninklijk bruiloftsmaal. Een feest dat de koning geeft voor zijn zoon. Ook nu komen de genodigden niet opdagen en worden de dienaars er op uitgestuurd om links en rechts mensen van de straat bijeen te brengen in de bruiloftszaal, zowel goeden als kwaden. Maar dan heeft er een pijnlijk incident plaats: er is iemand, die geen bruiloftskleed aan heeft. De koning zei tot zijn dienaren: “Grijpt hem en werpt hem in de buitenste duisternis, daar zal luid geween zijn en tandengeknars”. U vraagt zich misschien af: “Moest dat nou zó? Die man was toch zo maar van de straat geplukt. Misschien verkocht hij wel de straatkrant. Kon hij het helpen dat ie niet op z’n zondags was?” Nee, het was niet de schuld van die man, dat hij geen betere kleren aan had. Maar daar gaat ’t ook niet om! Hier wordt iets anders bedoeld. En de toehoorders van Jezus begrepen dat wel, zonder nadere uitleg.  Je kreeg namelijk altijd door de gastheer een zogenaamd. “wisselkleed” aangeboden, dat de gast vaak als geschenk mocht houden. Het was eervol voor de gastheer om dat aan te trekken en aan te nemen. Dat dit niet gebeurd was, betekent dus, dat de betreffende man het kleed geweigerd heeft en dat is een erge belediging! Waarschijnlijk heeft ie zich ook niet gewassen, omdat ie maling had aan de hele boel. Misschien had ie wel een hekel aan die rijke stinkerds! Hoe dan ook, we zijn gewaarschuwd. God laat niet met Zich spotten.

Wanneer we beide gelijkenissen tot ons laten doordringen, wordt de bedoeling ervan duidelijk. Niet alleen voor de Farizeeën, maar ook voor ons! Het zal in de eindtijd anders toegaan dan de Farizeeën dachten en velen van ons nóg denken. De wereld op z’n kop! De eersten worden de laatsten en de laatsten de eersten. Precies zoals de oude dichter Wil Barnard in Gezang 482 heeft verwoord:

De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop,
zij moeten zich niet haasten,
die leven van de hoop.

Veracht dan niet de kleinen
en die verloren zijn,
want God noemt hen de Zijnen
die laatstgeboren zijn.

De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop!
kiest dan de goede plaatsen
en geeft uw hart aan God!

Kiest dan de goede plaatsen…Ja, Gemeente, daar komt het dus op aan! En hoe moeten we dat doen? We horen het de dichter zeggen: en geeft uw hart aan God! Dus door aan God ons hart te geven…

“Komt, want het is nu gereed!” Ook wij worden genodigd, u en ik, o wij arme zondaars, bedelaars onrein… De Heer biedt Zich Zelf tot spijze aan. Een Oosterse gastheer zal in het uiterste geval z’n eigen rijdier slachten… Jezus gaat nog verder: Hij biedt Zich Zelf ten offer aan, voor u en voor mij, misvormde mensen, komend van de hoeken van straten en kruispunten van wegen, van vier polders, in een goddeloze wereld.

Maar willen  we wel komen? Op Gods feest voor ons? Geven we Hem ons hart? En zijn we ook bereid daarvoor het boetekleed te dragen? Een boetekleed, dat een betoverend wit wisselkleed mag worden, ons door de Heiland Zelf aangereikt? Een kleed, dat al onze zonden bedekt? Of schamen  we ons er voor dit kleed aan te nemen, een stapje terug te doen, ons hoofd te buigen?

Nóg klinkt de uitnodiging van de Heer: “Komt, want het is nu gereed!”

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *