Hoe lang nog?


Mensen op het strand bij zonsondergang.

Psalm 13

“Hoe lang, Heere, zult Gij mij voortdurend vergeten?
Hoe lang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?
Hoe lang zal ik plannen koesteren in mijn ziel des nachts?
Kommer in mijn hart des daags?
Hoe lang zal mijn vijand over mij triomferen?
Aanschouw, antwoord mij, Heere, mijn God:
Doe mijn ogen lichten, opdat ik niet in de dood ontslape;
opdat mijn vijand niet zegge: ik heb hem overmocht;
mijn tegenstanders juichen, wanneer ik wankel.
Maar ik vertrouw op Uwe goedgunstigheid,
Mijn hart zal juichen over Uw heil;
Ik zal de Heere zingen,
Omdat Hij aan mij welgedaan zal hebben.”

Een mens heeft dikwijls veel te zuchten en te klagen, ook als hij of zij een gelovig mens is. Hierin zijn alle mensen gelijk. Daarom is de klacht in onze Psalm ook heel begrijpelijk. Het is een verzuchting die wij ook zelf dikwijls slaken. De Psalmdichter weet te leven in een vijandige wereld. Twee maal heeft hij het over zijn vijanden en eenmaal over zijn tegenstanders. Wie dat zijn, wordt niet direct duidelijk. Ik denk, dat u mag invullen wie en wat u zelf als “vijandig” ervaart. Er zit nogal eens wat “tegen”. Niet alleen mensen, maar ook omstandigheden, zoals de gezondheid of een verlies, verdriet. Mensen kunnen ons treiteren, dwars liggen, waardoor je onzeker wordt en teruggeworpen. Erger nog is, wanneer er ziekte gekomen is in je leven, waar niet meer tegen te vechten is. Allerlei handicaps kunnen je leven verzuren. Relatieproblemen. Of een groot verlies, als je partner overlijdt of één van de kinderen of kleinkinderen.

Je wordt er moedeloos onder en vraagt steeds maar weer “Hoe lang nog?” Daar komen ook nog bij je eigen tekortkomingen, de schuld die je meedraagt, de duivel die je in zijn greep heeft. En de laatste vijand, satans grootste wapen: de dood, die aan alle levenskansen radicaal een einde maakt.

Dat alles kan in onze Psalm ingevuld worden bij de woorden “Vijanden” en “Tegenstanders”. Daarom zijn de Psalmen ook tijdloos en actueel voor alle tijden, ook voor de onze. En ze zijn voor alle mensen, toen en nu, gelijk! Het leed waaraan de dichter denkt bestaat al lang. Roept hij niet uit “Hoe lang nog?”

Het duurt al zo lang. Komt er dan nooit een einde aan? Zou God hem misschien vergeten zijn? Een verschrikkelijke gedachte! “Hoe lang zult Gij uw aangezicht voor mij verbergen?” En we weten: in de Bijbel is Gods Aangezicht God Zelf. De mens hier heeft dus het gevoel, dat hij God kwijt is. Kent u dat gevoel ook?

Ik weet, dat er mensen zijn, die daaronder vreselijk lijden. Het is inderdaad het ergste, wat een mens overkomen kan. Het is dan van binnen net een dor en dood huis. Het licht is gedoofd, je gevoel verlamd, alle blijdschap is weg. Dat zijn verschrikkelijke tijden voor een gelovig mens, die anders zo innig met zijn God kon leven. “Hoe lang nog?” God geeft geen antwoord, Hij is zo ver weg!

Toch blijft onze dichter roepen: “Aanschouw, antwoord mij, Heere, mijn God!”

Hij haalt God hel dicht naar zich toe, hij zegt: mijn God. Als hij maar even naar mij wil omzien, dan zal het weer goed worden! Wat een geloofsvertrouwen! Later in de Psalm spreekt hij dit vertrouwen opnieuw uit:

Maar ik vertrouw op Uw goedgunstigheid,
Mijn hart zal juichen over Uw heil;
Ik zal de Heere zingen,
Omdat Hij aan mij welgedaan zal hebben.

Laat ons daarin zijn voorbeeld navolgen! Al schijnt alles ons tegen te zitten, al wankelt onze ziel, al hebben we in ons leven nog zo fel te lijden, al zijn we levensmoe en moedeloos, laat nooit het vertrouwen los! Het geloof, de zekerheid dat wij en God in de hemel hebben, Die op ons neerziet, Die we aan mogen roepen, tot Wie we mogen klagen… Die ons heil is en daarom ook ons heil bewerken zal. Hoe kan de dichter zo’n vertrouwen hebben, temidden van al zijn tegenstanders en vijanden? Je zou zeggen: het leven moet er toch ook een beetje naar zijn? Hij kan het, omdat hij vasthoudt aan Gods goedgunstigheid. Wat is dat precies? Het Hebreeuwse woord, dat daar achter zit, betekent zo veel als “trouw”. God blijft trouw aan Zijn beloften, Die Gij in Zijn verbond gegeven heeft, Hij zal die stellig vervullen! Op die verbondstrouw van Zijn God waagt de dichter het met al zijn kracht! Op grond van die trouw is de biddende dichter overtuigd, dat het heil ook eenmaal voor hem dagen zal. Ook wij mogen daarvan overtuigd zijn: dat die trouw van God ons allen geldt, en dat het heil daarom eens ten volle ons deel zal zijn, als wij het met Hem gewaagd hebben!

Gods goedgunstigheid is ons betoond in Jezus Christus. Het is Zijn genade “waarin wij staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods” (Rom.5,2). Wij mogen klagen tot God, maar laten we ook niet vergeten te roemen tot God! De lof te zingen van Hem, Die zoveel uitreddingen gedaan heeft, ook in ons leven! Laat ons toch wat meer de lof des Heren zingen! Al kunnen we het misschien niet meer zo met onze lippen, als we ’t dan maar met ons hart doen! Zingen, tegen de druk in, is het beste van God gegeven genademiddel om het vertrouwen weer te voeden.

Hoe lang nog?

Het ligt alles in Gods hand…

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *