Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw


Schriftlezing: Marcus 5, 21-43 (Mattheüs 9, 18-26, Lukas 8, 40-56)

Helende handenHet is met die genezing van de bloedvloeiende vrouw toch eigenlijk wat vreemd gesteld. Ik denk toch niet dat Markus het ons overlevert bij wijze van “nu zal ik eens een sterk staaltje van Jezus gaan vertellen”. Alle genezingen, waarover het Evangelie vertelt, zijn een moedwillige daad van Jezus, maar hier is dat niet het geval. De genezing gaat als ’t ware buiten Jezus om. De vrouw profiteert clandestien van de genezende kracht, die van Jezus uitstraalt.

Het gebeurde aan de overkant van het meer van Galilea, waarschijnlijk in Kapernaüm, zoals Markus ons vertelt. Ook de andere Evangeliën, Mattheüs en Lukas, hebben dit verhaal. We kunnen dus mooi vergelijken. Daar, bij het meer van Galilea, was Hij nauwelijks aangekomen of er verzamelde zich al weer een grote “schare” bij Hem, een geweldige menigte van mensen.

(vs.22) “En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neer aan Zijn voeten, en hij deed een beroep op Hem, dringend: “Mijn dochtertje is zo ziek, het loopt af, komt u toch en leg haar de handen op, dat zij nog wordt gered en blijft leven.”

Jaïrus is een lid van het synagogenbestuur in Kapernaüm, echt een man van aanzien, maar voor de dood is iedereen gelijk, zeggen we wel eens, en dat zien we ook hier. Zijn dochtertje is zo ernstig ziek, dat het gaat sterven. In het verhaal van Mattheüs is het al gestorven, bij Lukas heet ze “stervende”. Ook Markus vertelt, dat het met haar afloopt. Jaïrus vraagt van Jezus een handoplegging, zoals dat in de Joodse Gemeente en ook later in de Kerk gebruikelijk was. Er ging van die handoplegging een zegenende kracht uit. Wij zouden dat ook eens bij zieken moeten doen! De handoplegging met de Bijbelse zegen: “De Heer zegene u en behoede u”, precies zoals dat op het einde van de kerkdienst gebeurt. Vader Jaïrus zou zo graag willen dat zijn kind “behouden” werd. Behouden heeft hier duidelijk een dubbele betekenis: gered te worden uit de dood, maar ook het behouden worden door God, gered van zonde en schuld. Hier zal blijken, dat Jezus de grote Redder en Behouder is. Daar draait het eigenlijk in beide geschiedenissen om. Hij gaat ook inderdaad met Jaïrus mee, bereid om de Redder te zijn, zodat het profetische woord vervuld wordt “dat de Messias zal zijn de Redder er armen” (Ps.72, 4).

Maar dan gebeurt er weer iets. De schare mensen laat niet af, maar dringt op Jezus aan. Het is een grote kluwen van mensen, die zich daar voortbeweegt.

“En een vrouw, die al heel lang aan bloedingen leed – al twaalf jaar – en die heel wat had afgetobd met telkens weer andere dokters en zich arm had betaald en er niets mee was opgeschoten, integendeel: het was steeds maar erger geworden – nu, die vrouw, die veel over Jezus had gehoord, die kwam tussen al dat volk naderbij, achter Hem, en zij raakte zijn mantel aan. Want ze dacht: al gelukt het mij maar dat ik enkel zijn kleren aanraak, dan komt het met mij in orde.”

Die vrouw is er inderdaad slecht aan toe. Zij is niet alleen ziek, en iedereen die wel eens zulke bloedingen heeft gehad weet hoe ondermijnend dat is voor de krachten van het lichaam en ook van de geest. Zij is niet alleen ernstig ziek, maar ook voor de gemeenschap een uitgestotene. Volgens de Levietische wetten was zij immers onrein en mocht niemand haar aanraken en zij mocht anderen ook niet aanraken. Zou ze daarom zo stiekem, onopgemerkt in het gewoel van de mensen, Jezus als ’t ware “beslopen” hebben? Ik denk het wel, zij had geen andere keus. Zij heeft van Jezus gehoord en denkt: dit is mijn laatste kans, die moet ik pakken!

“En meteen was het over, het bloeden, en zij werd gewaard aan haar lichaam dat zij van haar kwaal was genezen. Maar Jezus, Zich onmiddellijk bewust dat er kracht van Hem was uitgegaan, wendde Zich tussen al dat volk om en zei: Wie raakte daar aan mijn kleren? Waarop Zijn leerlingen zeiden: U ziet hoe het volk zich om U verdringt, en dan zegt U: Wie raakt Mij daar aan? Maar Hij bleef rondzien om degene te vinden, die dit gedaan had. En de vrouw, bang geworden en bevend, maar beseffend wat er met haar was gebeurd, kwam naar voren, wierp zich voor Hem neer en vertelde Hem alles naar waarheid. Toen sprak Hij tot haar: Mijn dochter, dit geloof van u, dat is uw redding geweest. Ga nu, in vrede, wees gezond en vrij van uw kwaal.”

Eigenlijk was het geloof van die vrouw anders dan wat wij echt geloof noemen. Het was wel wat primitief: zij zag in Jezus een wonderdoener. Toch had zij zoveel vertrouwen in Hem, dat Hij het was, Die haar alleen nog redden kon, dat zij door de massa heen -ondanks het kerkelijke verbod- tot Jezus kwam. Niets kon haar daarvan weerhouden. En dat ziet Jezus, en daarom is het toch geloof! Precies zoals het ging met die vier mannen, die met hun verlamde vriend tot Jezus kwamen. Ook daar staat: “En Jezus hun geloof ziende…” Het “dat” van het komen is voor Jezus blijkbaar belangrijker dan het “hoe”. Daar moesten wij ook maar eens meer aan denken! Wij binden het geloof aan allerlei normen, vastgelegd in belijdenissen. En we zijn zo gefocust op de belijdenis, dat alleen al daarom kerken uit elkaar gaan. De belijdenis van woorden wordt dan belangrijker dan de geloofsdaad, het “hoe” belangrijker dan het “dat”. Anders is het geen echt geloof, zeggen we dan. Maar Jezus doet dat niet. Daar staat een vrouw voor Hem en die legt Hem haar nood voor, zij gaat voor Hem aan Zijn voeten liggen, zij beeft als een riet. Ze hoeft eigenlijk niet eens iets te zeggen, iedereen kon zien hoe erg ze er aan toe is. En toch zijn daar de discipelen, die Hem proberen af te houden. Jezus voelde dat iemand Hem nodig had, Hij zocht in de schare. Jezus weet dat ook van ons en Hij zoekt ons. Hij weet hoe u en wie u bent. Laat u niet van de wijs brengen door mensen, die net als de discipelen het allemaal zo goed weten. Misschien zeggen ze wel: och, het zijn er zo veel, daar is toch geen beginnen aan! Nee, voor Jezus is er op dat moment maar één, en dat is die ellendige vrouw, en dat bent u als u door de nood gedreven zich tot Hem om hulp begeeft. Dan zegt Jezus niet tot u:  “Nee, m’n goeie mens, zo gaat dat niet, je hebt er blijkbaar nog niets van begrepen.” Maar Hij heeft medelijden, zo dat Hij alleen maar troosten en helpen wil. Hij is niet boos om haar vrijpostigheid, Hij ziet haar ellende en haar vertrouwen in Hem, Die helpen kan. Daarom: “UW GELOOF HEEFT U BEHOUDEN!” Toch geloof, hoe vreemd het ons mag lijken. Want, stel nou eens dat zij Jezus voorbij had laten gaan, dan was ze ziek gebleven!

Intussen staat Jaïrus daar maar zielig en alleen tussen al die mensen. Hij voelde zich misschien ook wel in de steek gelaten. Daar heeft hij in het aller-uiterste moment de man ontmoet, die zijn kind nog zal kunnen redden. En die is ook bereid onmiddellijk met hem mee te gaan. En dan nu dit oponthoud! En tot overmaat van ramp kwamen daar ook al mensen vanuit zijn huis hem vertellen, dat zijn dochtertje inmiddels gestorven is en dat hij de Meester verder maar niet moest lastig vallen. Door dat oponthoud met dat mens is nu zijn kind gestorven! Wat moet er niet door Jaïrus heengegaan zijn? Met welke gevoelens moet Jaïrus er bij gestaan hebben, terwijl Jezus alle aandacht had voor die vrouw en blijkbaar zijn kind vergeten was? Zijn kind was nota bene in direct levensgevaar, en dat was die vrouw toch niet!

Was Jezus dat kind vergeten en die vader, die zich steeds ongelukkiger ging voelen? Nee, zo werkt dat niet bij God en bij de Zoon van God en de Zoon des mensen. Bij Hem is alle aandacht voor iedereen, die aandacht behoeft. Maar alles op zijn tijd. God kan wachten, Hij laat ons ook wel eens wachten. Alleen: wij zijn zo ongeduldig, wij hebben geen tijd om rustig af te wachten. Jaïrus moet nog leren, dat God nooit laat varen de werken van Zijn handen. Zult u ook een beetje geduld hebben met Gods genade? Het komt echt wel! Misschien worden we nog een beetje op de proef gesteld, misschien hebben we nog wat uitstel nodig om tot bekering te komen? Misschien ook heeft God eerst wat anders te doen? Zeker ook moet Hij zo doorgaan om de werken van God openbaar te maken, zoals hier in beide verhalen gebeurt. Zodat echt zal blijken, dat Hij is de Redder der armen, niet alleen van ziekte maar ook van de dood!

“Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zei tegen de synagogenbestuurder: Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen. En Hij wilde geen mens mee hebben dan alleen Petrus en Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus. Zo komen ze aan bij het huis van de synagogenbestuurder en daar ziet Hij het: rouwmisbaar, een groot gehuil en geweeklaag. En Hij gaat naar binnen en zegt: Wat moet hier dat rouwmisbaar. Wat valt er te huilen? Het kind is niet gestorven, het slaapt. Maar de mensen lachten om Hem. Maar Hij, Hij werkte ze allen de straat op. Die mee mochten waren: de vader van het meisje, de moeder, en die Hij had meegebracht. En zo trad Hij daar binnen, waar het meisje lag.”

Het zal je toch maar gezegd worden, als net je kind gestorven is: Vrees niet, geloof alleen. Wie zal in staat zijn, in zulke omstandigheden, dat bevel op te volgen? Wie kan nog geloven, bij de dood van je kind? En wat moet ik dan geloven? Dat God dit gedaan heeft? Nee toch zeker! Maar zo staat het er ook niet. Wij moeten hier geen bevel van maken. De oorspronkelijke Griekse woorden maken duidelijk, dat het geen bevel is, maar meer een bemoediging, dat werkelijk nog niet alles verloren is, al heeft het daar, menselijk gezien, alle schijn van. “Wees niet bang, heb alleen maar vertrouwen”.

Dan neem de Heer Petrus, Jakobus en Johannes mee, dezelfde discipelen die straks waardig zullen worden gekeurd om bij de verheerlijking op de berg aanwezig te zijn. Alles wijst er op, dat er grote dingen staan te gebeuren. Maar de mensen hadden dat weer helemaal niet in de gaten. Integendeel: zij lachten om Hem, zij lachten Hem uit! Het is de satan in de mens, die niet voor waar wil hebben, dat Jezus is de Machtige, ook over hem. Daar staat er met zoveel nadruk: maar Hij, Hij “ekballei”, Hij werpt ze uit! Er uit jullie! Waar de Zoon van God optreedt, is geen plaats meer voor jullie, satansgebroed. Zij er uit en Hij er in! Hij schrijdt als ’t ware met Zijn gevolg naar binnen, hier doet het leven intocht in de kamer, waar de dood zich had verschanst. Hij houdt intocht om satan en de dood te verslaan.

“Daarop pakte Hij de hand van het kind en zegt tot haar: Talitha koem: kom kindje, sta op! Meteen kwam zij overeind, het meisje, en ze liep al weer rond, ja, een meisje van twaalf jaar. Die mensen, meteen, waren buiten zichzelf, opgetogen. Maar Hij zei hun, heel duidelijk, dat niemand hiervan mocht weten. En Hij zei, dat het kind iets te eten moest hebben.”

In de doodskamer staat Jezus en Hij stak Zijn hand uit naar het dode meisje. Hij pakt haar hand vast. Doden mocht je niet aanraken volgens de reinigingswet uit Levieticus. Maar Jezus is de Heer over de dood en dat laat Hij hier al zien met die aanraking. Zo is het ook gebeurd met die jongen uit Naïn, de enige zoon van een weduwe, toen Jezus de baar liet stil staan en de jongen aanraakte. Aanraking is heel belangrijk, dat geeft contact, daardoor stroomt er iets van jou in die ander over. Kracht, liefde, zorg, aanwezigheid, aandacht vooral. Laten we elkaar meer aanraken om te laten zien dat je er voor elkaar bent. Zeker moeten we dat doen bij zieken en gehandicapten, die misschien zelf niet meer in staat zijn hun handen uit te steken om u aan te raken.

“Kom kindje, sta op!” Het is een dubbele opstanding. Zij kwam weer ter been en zij stond op uit de dood. Ze is 12, toevallig of niet staat hier hetzelfde getal als bij die bloedvloeiende vrouw. In ieder geval kan zij al lopen en daarmee bewijst zij de realiteit van haar opstanding.

De mensen raken opgetogen, zijn in extase, in vervoering. Zoiets zal je toch maar gebeuren! Dat hebben ze nog nooit meegemaakt! Ze zouden het kind daardoor bijna vergeten, maar zo niet Jezus. Hij blijft bij het kind, Hij maakt Zijn werk helemaal af en zegt doodgewoon: “Geef haar iets te eten”. Daarmee, ook tot ons, zeggend, dat het leven doorgaat. De zorg, die we aan elkaar hebben en geven, mag gericht zijn op het leven, dat komt. Ligt hier misschien ook de diepere betekenis van het broodjes eten na de begrafenis? Met Jezus er bij hoeven we niet stil te blijven staan bij de dood en de doden, wij worden tot leven opgewekt en wij moeten het leven in stand houden. GEEFT ELKAAR IETS TE ETEN!

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

7 gedachten over “Het dochtertje van Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw

  • W. P. M. Tollenaar

    Een keramisch mozaïek door Levinus Tollenaar (1918-1970) van ca 3 bij 5 m in gebakken en geglazuurde klei, met de voorstelling van de opwekking door Christus van het dochtertje van Jaïrus (Marcus V, 21-43), was in Haarlem in het ziekenhuis St. Joannes de Deo tot dit werd gesloopt.

  • M. Jansen

    Kent u het gedicht van Ed Hoornik over het dochtertje van Jairus?
    Het is echt prachtig en benadert het uitzien naar de komst van Jezus vanuit het dode
    meisje.
    Ik zag dit gedicht staan boven een overlijdensaankondiging en werd er echt door geroerd.