Heidelbergse Catechismus – Zondag 48


Als wij vandaag denken aan koninkrijken van deze wereld, kunnen dat moeilijk vrolijke gedachten zijn, ook al zijn veel rijken geen koninkrijken meer. We moeten immers direct denken aan haat en nijd, moordzucht en aanslagen. We moeten direct denken aan het politieke steekspel van “leiders” en dictators, waar de arme bevolking de dupe van is. We zien de vluchtelingenkampen in Jordanië, de vele doden in Syrië en Mali en elders in de wereld ten gevolge van zogenaamde opstandelingen. Zij willen de wereld verbeteren door orde op zaken te stellen. Wij zien de auto’s vol chemische stoffen langs de kust van Syrië rijden om afgevoerd te worden in schepen en wij lezen, hoe Iran zijn atoomprogramma heeft verlaagd. Maar hoe zal door moord en doodslag ooit een nieuwe orde geboren kunnen worden? Wie zal dat geven en vanwaar zal dat komen? Toch zeker niet van de koninkrijken der wereld , ook niet van allen tezamen verbonden in de Verenigde Naties, die deze dagen in Montreux samen komen om vrede in Syrië te bewerkstelligen. In deze wereld zijn toch machtsbegeerte en zelfzucht de drijvende krachten. Als er ooit een tijd is geweest, die behoefte heeft aan een andere en hogere orde, aan Gods gerechtigheid en barmhartigheid, aan Zijn heilsbeloften ook, dan toch zeker deze tijd. Ik geloof, dat nu op allerlei manieren maar één bede herhaald en elke keer weer herhaald dient te worden: “Uw Koninkrijk kome”.

Dat is de tweede bede van het Onze Vader. God is onze Vader en wij spreken tot Hem over Zijn Koninkrijk. De Vader is ook Koning, Gods Vaderschap en Koningschap horen bij elkaar. In het Vaderschap ligt het intieme, in het Koningschap het wereldwijde. Het Vaderschap berust op vertrouwen en overgave, het Koningschap is een zaak van gehoorzaamheid en onderwerping. Daarom spreekt de Heidelberger ook het eerst over onderwerping. “Regeer ons alzo door Uw Woord en Uw Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen.” Hier gaat het dus over de gehoorzaamheid. Je moet bereid zijn gehoorzaam ter zijn aan Gods wil, anders kun je niet om Gods Koninkrijk bidden. Zijn Koningschap immers omvat ons hele bestaan, zodat het tot een lof en vreugde wordt de Koning te gehoorzamen. Dat wij dit niet zo maar kunnen en vaak ook niet willen, blijkt dagelijks uit de gang van zaken in de wereld, waarvan wij toch deel uit maken. Natuurlijk ligt dit meestal buiten ons bereik, het zijn de hogere machten die beslissen, maar wij kunnen er toch ook zelf iets aan doen. Niet voor niets zeggen we: “Verbeter de wereld, maar begin bij u zelf!”.  Door gehoorzaam te zijn aan Gods Woord en Gods Geest … Wij bidden God, dat Zijn Koninkrijk kome, dan moeten wij ook naar Hem luisteren en ons Zijn Geest eigen maken!

Vervolgens spreekt de Catechismus over de Kerk: “Bewaar en vermeerder Uw Kerk”. De Kerk moet je hier zien als het nieuwe volk van God, de gemeenschap van Gods kinderen, die God samen roept. De Kerk is het voortgezette werk van Jezus Christus, Die haar regeert door Zijn Geest. Door die Geest gaat zij niet ten onder aan al het menselijke onvermogen, maar blijft zij levend en is zij voortdurend een getuige van Gods genade. Zo is de Kerk een voorbode van het Koninkrijk van God en bidden wij tegelijk om haar behoud, als we God om de komst van Zijn Koninkrijk vragen. Zo lang Gods Rijk nog niet volkomen op aarde is, mag de Kerk plaatsvervangend Gods heerschappij verkondigen en ook zijn.

Ten derde vraag je in je bede om Gods Koninkrijk of God de werken van de duivel wil verstoren en alle heerschappij, die zich tegen God verheft, “mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Gods heilswoord bedacht worden”. Dit klinkt misschien een beetje Middeleeuws, maar het is toch waar. Ga maar eens na: je eigen onwil, de stem van je eigen geweten, hoe vaak heeft die niet tegen jou gesproken? Je eigen opstandigheid ook. Dan hoef je toch de werken van de duivel niet zo ver te zoeken? Alle heerschappij, die zich tegen God verheft. Gaat het niet vaker om ONS koninkrijk dan om Uw Koninkrijk? En dan alle raadslagen, die tegen Gods Woord bedacht worden? Wat wordt er niet gemakkelijk over God gesproken, zelfs over de dood van God. Zoals kinderen tegen hun ouders in redeneren, zo denken en spreken wij maar al te vaak tegen God, zelfs in ons bidden. Zonder eerbied, Godsbesef. Over de tegenwoordigheid van God en de komst van Zijn Koninkrijk moeten wij ons geen romantische al te menselijke en ook idealistische voorstellingen maken. Gemakkelijk is het niet, integendeel, zij is ten volle in strijd! Als wij zeggen: God heerst over mens en wereld, dan betekent dat: God worstelt met de mens en de wereld, en wij moeten mee-worstelen! Dit Koninkrijk van God is in oorlog, het is in het offensief. Daarom bidden wij ook: “Uw Koninkrijk KOME”. Dat wil zeggen: “Het breke door!”. Het breke door, door de frontlijn van de duivelse machten. Het moge met overmacht over ons komen en zich door ons heenzetten, tegen onze boze raadslagen en hoogmoed in! Wij bieden weerstand, maar die weerstand wordt gebroken! Mens en wereld zijn weerbarstig materiaal voor God. Wij zijn opstandelingen, wij verzetten ons voortdurend tegen Hem, tegen de heerschappij van Zijn genade en heerlijkheid van Zijn heil en vreugde. In deze weerbarstigheid en opstandigheid van ons bestaan wil God toch tegenwoordig zijn. En daarom moet onze bede tegelijk ook “daad” zijn . Het is al te goedkoop en te gemakkelijk om te zeggen “Uw Koninkrijk kome”. Je moet dat ook laten zien in je leven, je moet het toelaten en tot uitwerking laten komen. Zó, dat Hij zichtbaar wordt en tot overwinning komt in je leven! Dat betekent, dat je moet opruimen, alles, wat God belet tot jou te komen en wat jou belet tot God te komen. En dat kun je alleen in Christus. Paulus noemt dat: “begraven worden in Christus en opstaan met Hem tot nieuwheid van leven”. Wat begraven moet worden om tot opstanding te komen, doe dat! Begraaf het. Voor de een zal dat zijn een bepaalde ondeugd, een karakterfout misschien; voor een ander zijn gezondheid of juist gebrek aan gezondheid; voor weer een ander zijn rijkdom of juist armoede; zijn werk of juist werkeloosheid en ga zo maar door! Voor veel mensen zijn belemmeringen om tot God te komen: het verstand of het milieu, het verleden, teleurstellingen, bezorgdheid, angst en wantrouwen. Vecht er tegen, strijdend en biddend: Uw Koninkrijk kome, ook in mijn leven! Bid om je eigen nederlaag, de nederlaag van jouw koningschap, dan zullen we herboren worden. Dat is moeilijk, heel moeilijk, voor een mens nagenoeg onmogelijk. Daarom bidden wij er ook om. Wij vragen God het te doen, zodat eigenlijk niet wij plaats inruimen voor God, maar God Zich Zelf ruimte baant in ons en ons van onszelf vrijmaakt.

“Totdat de volkomenheid Uws Rijks kome, waarin Gij zult zijn in allen …” Zonder deze toekomstverwachting zou al ons bidden en werken krachteloos zijn. Wij moeten leren geloven in en vertrouwen op Hem, Die enkeling en gemeenschap, mensen en Kerken, soldaten en Koninkrijken, te boven gaat. Toen Jezus Zijn taak volbracht had, zei Hij tot de Zijnen: “Heb goede moed, Ik heb de wereld overwonnen” (Joh16,33). En Paulus voegt daaraan toe: “Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon Zelf Zich aan Hem onderwerpen, Die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen”. Daar leven wij naar toe! Ons leven, dat van ons persoonlijk, dat van de Kerken, dat van onze aardse koninkrijken, van Israël, Syrië, Tanzania, Mali en al die anderen, ons leven beweegt zich voort tussen twee punten: het ene punt is de voltooide arbeid van Jezus, gekruisigd en opgestaan; het andere punt is het geheim van Gods komend Rijk. Jezus overwon de wereld en Hij gaat voort met de Zijnen, die in de wereld zijn. Hij gaat verder, Zijn werk staat niet stil. Hij is onze weg naar Gods doel. Christus’ rijk is niet van deze wereld, maar is wel IN de wereld. Dit rijk strijdt de grote strijd met de boze. Het gaat door de nacht van zorgbehoeftige mensen, van broedermoord in Syrië en Mali, door de duisternis van het wereldoordeel heen, het Rijk van God tegemoet. Het gaat er mee als met Jezus Zelf, Die over Golgotha heen verheerlijkt is. Eens zal het Pasen worden voor ons allemaal! Op dit allesomvattende Pasen richt zich de hoop van de Kerk en de Christen persoonlijk. Laat elke stap dan moeilijk, onzeker en vol benauwdheid zijn, het is toch een stap dichterbij naar de volkomenheid van Gods Rijk. Daarom bidden wij, op gezag van Jezus, Die het ons leerde, met vast vertrouwen: UW KONINKRIJK KOME.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *