Augustinus VI – De bergrede


Onbekend schilderijAugustinus had net als iedere geestelijke vandaag in zijn werk veel te maken met ethische en zedelijke kwesties. Hij kreeg daarvoor veel inspiratie uit de Bergrede, de woorden van Jezus zoals die opgetekend staan in Matteüs 5 t/m 7. Hij schreef er een boek over: “De sermone Domini in monte”. Onlangs is hiervan een nieuwe vertaling verschenen: “Het huis op de rots”, verzorgd door Leo Wenneker en Hans van Reisen. Waar ik in de loop van mijn beschrijving Augustinus citeer is dit uit dit werk.

Jezus wilde in die “toespraak” vanaf een berg de mensen bij brengen hoe ze moesten leven. De Heer zegt immers: “Ieder, die deze woorden van Mij hoort en doet wat Ik zeg, zal Ik vergelijken met een verstandig man die zijn huis bouwde op de rots. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze sloegen tegen dat huis, en het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest. En ieder, die deze woorden van Mij hoort, en ze niet doet, zal Ik vergelijken met een domme man die zijn huis bouwde op zand. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze sloegen tegen dat huis, en het stortte in: het werd één grote ruïne”.

Jezus houdt de toespraak op een berg. Dat is betekenisvol, want in het geloof van toen had de berg met God te maken. Wij kennen dat gevoel ook wel. Als je wel eens hoog op een berg hebt gestaan, in Oostenrijk of Zwitserland, waan je je dichter bij de hemel. Ik heb dat tenminste wel, en daarom ga ik zo graag met de vakantie naar de Alpen. “Uw gerechtigheid is als de bergen van God”, zegt de Psalmdichter in Psalm 36 (vers7).

De Bergrede begint met de Zaligsprekingen. Jezus zegt:

“Gelukkig, die arm van geest zijn, want hun behoort het Koninkrijk der hemelen”. Het tegenovergestelde van “arm van geest” ziet Augustinus in de mensen, die trots zijn. Zij staan bol door de wind(=geest), opgeblazen, verwaand. Met de armen van geest worden dus zij bedoeld, die nederig en godvrezend zijn. Alle geluk begint met wijsheid, en dat is ontzag voor de Heer. Dat moet een les zijn voor alle hoogmoedigen!

“Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land beërven”. Voor “het land” gaat Augustinus uit van Psalm 142 vers 6: “In het land der levenden bent U mijn hoop en mijn erfdeel”. Het is het land, waar God vrede geeft en rust. De zachtmoedigen komen in dat land, omdat zij geen ruzie maken en geen weerstand bieden aan het kwade, maar het kwade overwinnen door het goede.

“Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen worden getroost”. Het zijn de rouwenden, die geen vreugde meer kennen. Maar wat zij op aarde verliezen winnen ze in de hemel. Zij zullen worden getroost door de Heilige Geest Zo genieten zij, die de tijdelijke blijdschap verliezen, de eeuwige blijdschap.

“Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”. Zij, die altijd op zoek zijn naar het goede, wat recht is voor God, zij zullen gevoed worden. Met het voedsel, waarvan Jezus Zelf zegt: “Mijn voedsel is dat Ik de wil doe van Mijn Vader”(Joh.4, 34).

“Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden”. Als je iemand in nood, die ongelukkig is, te hulp schiet, dan zal ook jij, als je in nood komt, geholpen worden.

“Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien”. Een zuiver hart is een eenvoudig hart. En zoals we het licht om ons heen alleen kunnen zien met zuivere ogen, zo zien wij ook God alleen als het instrument zuiver is, waarmee Hij kan worden gezien, nl. het hart.

“Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden”.  Kinderen lijken op hun vader! Zo zijn ook de vredestichters, want God is een God van vrede. Zij houden hun vleselijke begeerten in bedwang. Hun geest heerst over het zwakke vlees. De macht van het kwaad heeft geen vat op hen. En daarom kan Jezus ook nog zeggen: “Gelukkig die worden vervolgd vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het Koninkrijk der hemelen. Gelukkig bent u, als ze u uitschelden en vervolgen”.

Augustinus ziet in de zeven zaligsprekingen een weg omhoog tot God. Het geluk begint bij de nederigheid. Vervolgens komt men tot de kennis van het Woord van God in de Schriften. Men moet zich dan zachtmoedig en toegewijd betonen. De derde trede is die van het inzicht na groot verlies. Op de vierde trede krijgt de mens het zwaar te verduren: honger en dorst naar de gerechtigheid. Dan is er een uitweg via de barmhartigheid. Om te komen tot het zien van God in een zuiver hart. Tenslotte, op de zevende trap, aanschouwt de mens de wijsheid zelf: de God, Die vrede brengt. Met de achtste uitspraak wordt teruggekeerd naar het begin: wat het volmaakte is, want “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?” (Rom.8, 35).

Bij die zevenvoudige weg omhoog past volgend Augustinus ook de zevenvoudige werking van de Heilige Geest, waarover Jesaja spreekt in hoofdstuk 11: “En op Hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des Heren. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen” (vs.2 en 3). De volgorde hier verschilt wel met die bij Matteüs. Jesaja begint bij het hoogste, daar waar Matteüs eindigt: de wijsheid.

Bij elke trede op de weg naar de volmaaktheid horen we van een passende beloning. Eigenlijk zijn het allemaal aspecten van dat ene, het hoogste goed: het Koninkrijk der hemelen. Dat wordt de armen van geest ook toegezegd. Aan de zachtmoedigen wordt een erfenis geschonken: het land. De bedroefden ontvangen troost. Zij die hongeren en dorsten ontvangen verzadiging, de barmhartigen barmhartigheid, en die zuiver van hart zijn zullen God zien. En tenslotte de vredestichters, zij zullen kinderen van God genoemd worden, omdat zij volmaakt zijn naar het beeld van God.

Dat het geen gemakkelijke weg is laat de achtste zaligspreking zien: zij die worden vervolgd om de gerechtigheid. Dit maakt duidelijk, wat een volmaakt mens is. Het refereert aan het begin: de armen van geest. Augustinus wijst hier ook nog op de achtste dag van de besnijdenis, de achtste dag na Pasen, waarop gevierd werd dat de nieuwe mens was opgestaan, en het getal vijftig: als je zevenmaal zeven optelt en er daarna voor de achtste keer één aan toevoegt, dan krijg je vijftig en keer je eigenlijk weer terug naar het begin. Op de vijftigste dag is de Heilige Geest gezonden. Dan worden wij binnengeleid in het Koninkrijk der hemelen, ontvangen wij onze erfenis, worden wij getroost en verzadigd, ondervinden wij barmhartigheid, worden wij gezuiverd en tot vrede gebracht. Wij zijn volmaakt en voor de waarheid en de gerechtigheid verdragen wij alle ellende die ons van buitenaf wordt aangedaan.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Augustinus VI – De bergrede