Luisteren leren

Een mens kan spreken en luisteren en antwoorden. Toch doet hij dat niet altijd. Gesproken wordt er veel, maar niet altijd de juiste woorden. Antwoorden worden er ook genoeg gegeven, maar niet altijd zijn zij welgemeend en oprecht. Luisteren echter komt bij mensen heel weinig voor. Blijkbaar moet je dat leren. Dat hoor je dan ook wel eens zeggen: “Leer nou toch eens te luisteren!”

Een mens kan spreken en luisteren en antwoorden. Toch doet hij dat niet altijd. Gesproken wordt er veel, maar niet altijd de juiste woorden. Antwoorden worden er ook genoeg gegeven, maar niet altijd zijn zij welgemeend en oprecht. Luisteren echter komt bij mensen heel weinig voor. Blijkbaar moet je dat leren. Dat hoor je dan ook wel eens zeggen: “Leer nou toch eens te luisteren!”

Luisteren is lang niet gemakkelijk. Vooral luisteren naar mensen in een crisis. Luisteren naar mensen, die leven in onzekerheid. Luisteren naar mensen, die lijden en hun verhaal kwijt willen. Dat is heel moeilijk! Je wordt er zelf onzeker van, je wilt dan de stilte opvullen, je zoekt dan maar gauw naar pasklare antwoorden. Vaak zijn dat gemeenplaatsen, dooddoeners als: “Kop op, achter de wolken schijnt de zon” of “Het komt best goed” of “Je moet maar denken: na regen komt zonneschijn”. Om maar niet te spreken van een antwoord als deze: “Je moet maar denken: er zijn er zo veel, die het veel zwaarder hebben dan jij… kijk maar om je heen… “die en die zijn er toch ook doorgekomen en hoe moeilijk hebben zij het niet gehad?!” Als we zulke dingen zeggen, wat hebben we dan toch slecht geluisterd! Meestal zitten we ook al tijdens het luisteren ons af te vragen, wat we straks zullen gaan zeggen.

Echt luisteren is anders. Het geeft meestal geen pasklare antwoorden. Integendeel: het maakt je sprakeloos, het brengt je in verwarring. Het is ook: het aandurven eens géén antwoord te hebben. Er is moed voor nodig om er soms het zwijgen toe te doen. Om evenals die ander vanuit grote onzekerheid op zoek te gaan, een onzekere weg. Maar het geeft dan wel een echte ontmoeting! En het zal die ander goed doen, want hij of zij merkt dan dat je echt bij hem of haar bent, er als ’t ware naast staat. En de woorden komen dan vanzelf, als ze moeten komen. “Maak je dan niet bezorgd, wat je zult zeggen, als het er op aankomt. De Geest zal je de woorden geven die gesproken moeten worden“, zo zegt Jezus in Marcus 13 vers 11.

Leren luisteren… vooral ook naar Hem in de Lijdenstijd. Daar wordt je stil van…

Een paradijs op aarde

Een paradijs op aarde

Genesis 2, 8-25    Psalm 8

Het paradijsEr is een tijd geweest, dat de mens in het licht stond, in het licht van God. Daar spreken in het bijzonder twee teksten over in de Bijbel: het paradijsverhaal uit Genesis 2 en de korte Psalm 8.

Laten we met het laatste beginnen. Psalm 8. Het boek van de Psalmen is voor veel mensen ook vandaag nog het mooiste en aangrijpendste boek van de Bijbel. Het is wel eens het Heilige der Heilige van het Oude Testament genoemd. Het centrum van de Bijbel, zoals in de tempel het Heilige der Heilige de plaats is waar God woont en waar al het andere van uit gaat. Je moet eerst door de voorhoven en dan kom je in het Heilige en van daaruit krijgt een enkeling ook zicht op het Heilige der Heilige. Zo is het ook met de Psalmen, dat is het hart van de Schrift. De andere boeken liggen daar omheen als een soort voorhoven en de profeten zou je het Heilige kunnen noemen. Maar de Psalmen, die vormen samen het Heilige der Heilige, waar God heel duidelijk spreekt. Mensenstemmen worden hier natuurlijk ook nog wel gehoord, maar hier overweegt toch wel de stilte, de blijdschap, de dank, de vertroosting van God, zeg maar de “hoge toon”. Psalm 8 is daar een goed voorbeeld van. Daarom leggen we deze naast het paradijsverhaal uit Genisis 2. Het is er als ’t ware een reflectie op. Ook hier zingen de hemelen, ruisen de zeeën, stralen maan en sterren, vliegen de vogels, zwemmen de vissen, zijn er mensen naast schapen en runderen, worden man en vrouw in liefde aan elkaar verbonden. De dichter leeft met en in de natuur. Hij ziet de wondere wereld om zich heen, maar boven en achter die wereld ziet hij de onzichtbare God. Hij ziet de schoonheid van dat alles, maar favoriet is toch Degene Die dat alles gemaakt heeft. Alles om ons heen spreekt één taal: “Heer, onze Heer, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!” Daar wil onze Psalm in de eerste plaats van getuigen. God is zo groot, dat Hij zelfs aan de kleinste dingen, en zo ook aan de kleine mens, grootheid kan geven. Hij is zo groot, dat Zijn Naam zelfs in het nietigste van het geschapene, het plankton en het stof der aarde en de genen van mens en dier heerlijk is. Dat is ook de gedachte, die achter het wetenschappelijke idee van de Intelligent Design ligt. U weet wel, waar vandaag zo veel discussie over is. Dat sommige wetenschappers zoals onze eigen Prof. C. Dekker de wonderen in de natuur tot in de kleinste details zó verklaren, dat er een Schepper moet zijn, die dat alles zo bedacht heeft. Dat alles kan niet op toeval berusten of alleen op ontwikkeling. Daar moet een scheppende hand bijgekomen zijn. Een mooie en rijke gedachte, die toch ook vanuit theologische hoek veel weerstand ondervindt. Theologen vinden dit te menselijk geredeneerd. Daar komen we later nog wel op.

Ook de mens, op zichzelf een merkwaardig gedrocht, heeft God groot gemaakt. “Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt” zegt de Psalmdichter. Eigenlijk staat er: “Gij hebt het hem slechts weinig aan goddelijkheid doen ontbreken”. We denken dan aan het scheppingsverhaal en vandaag aan het paradijs. Hoe de mens geschapen is naar het beeld Gods, of zoals ook wel wordt gezegd “in het beeld van God”. Ook daar is vandaag een hele discussie over, waarin Prof. v. d. Beek uit Amsterdam een belangrijke rol speelt. Hij vindt namelijk dat je bij “naar het beeld Gods” de mens te gemakkelijk een soort godje laat worden, terwijl toch God zo heel anders is als de mens. Daarom liever “in het beeld van God”, wat betekent dat God aan de mens denkt, dat de mens een speciale plaats in Gods gedachten inneemt. De mens neemt natuurlijk een bijzondere plaats in bij de schepping. En de vrouw heel in het bijzonder. Prof. van Ruler zei vroeger in mijn studententijd in Utrecht: mijne heren, bedenkt wel, dat de vrouw de kroon is van de schepping! Dat wordt denk ik wel eens te vaak vergeten. In de kerk natuurlijk niet, want daar domineren de vrouwen inmiddels de kerkenraad, behalve dan in het meer orthodoxe deel van onze Protestantse Kerk Nederland, onze PKN.

In Genesis 2 lezen we, hoe de mens in het licht komt te staan van Gods bijzondere aandacht, waarmee hij ook een roeping en een taak krijgt toegewezen. Hij werd gesteld over Gods werk, over de natuur en de dieren, om die te beheersen. Hij mag ze namen geven en er de baas over spelen. “Alles hebt Gij hem onder de voeten gelegd”, zegt de Psalmdichter. En waartoe dat geleid heeft zien we dagelijks om ons heen, in de medische wetenschap, de wonderen der techniek, in de macht die mensen kunnen uitoefenen. Waartoe is de mens niet alles in staat? Maar alleen, omdat God hem daartoe in staat heeft gesteld, omdat de mens in het licht van God mag staan. De mens is alleen groot bij de gratie van God. In zich zelf is hij eigenlijk maar een nietig wezen. Daarom wordt hier in de Psalm ook alle eer aan God gegeven: “O Heer, onze Heer, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!” En daarmee is het lied uit. Een heel oud lied. Als dichter wordt David genoemd. Heel aannemelijk ook, als je bedenkt hoe David als kleine jongen al midden in de natuur stond, toen hij de hoede had over zijn vaders schapen. Later had hij benden soldaten onder zijn hoede, zwervend over de Palestijnse velden. Vaak heeft hij ook de eenzaamheid van de woestijn opgezocht om net als Jezus dicht bij God te zijn. Nergens zie je de hemel zo mooi, als juist in die donkere woestijn. Ook in het gevecht met de wilde dieren is God hem dicht nabij geweest. Zó heeft die man de heerlijkheid van God mogen ervaren. Zó is hij de sterke geloofsheld geworden, waarvan zijn psalmliederen getuigen.

Wie is dan die mens in het licht van God? Het is de mens, aan wie God voortdurend denkt en voor wie Hij zorgt. De mens, die één is met de natuur, waar hij goed voor moet zorgen. De mens, die “biologisch” leeft en Fair Trade producten koopt. De mens die liefdevol met zijn medemens omgaat. De mens, aan wie een partner gegeven is om samen één te zijn. Niet voor niets staat daar in Genesis 2, dat de vrouw als een “tegenover” van de mens geschapen is.

“Tegenover” betekent, dat je elkaar aanziet, dat je rekening houdt met elkaar en respect hebt voor elkaar. Precies zoals God dat ook doet met ons. Zó staat de mens in het licht van God. Zó was het in het paradijs. En zó wordt het eens weer in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Al duizenden jaren zijn de mensen op zoek naar het nieuwe paradijs. En de gedachte daaraan, de droom van Genesis 2 en Psalm 8, raken ze nooit kwijt. Ook Jezus heeft daarvan gesproken, zelfs nog aan het kruis, toen Hij tegen één van de moordenaars zei: “Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn”. Het is de droom van Martin Luther King, van Albert Schweitzer, Florence Nightingale , van de mevrouw die dieren uit het abattoir opkoopt om ze een goede oude dag te bezorgen en die andere mevrouw die haar huis verkoopt om er een kinderhuis van te bouwen in één van de vele arme landen.

Is het ook úw droom?

Amen.

Mensen in het licht

In de kerk, waar ik zondag de dienst mag leiden, hebben ze in de lijdenstijd een project. Ze zijn begonnen met de eerste drie scheppingsdagen, daarna de vierde tot de zesde scheppingsdag. Vervolgens het paradijs, de eerste zonde, Kaïn en Abel, Jezus kondigt Zijn lijden en sterven aan, het sterven en de begrafenis van Jezus en tenslotte Pasen: de opstanding van Jezus. De volgende zondag staat dus in het teken van het paradijs, met het thema: Mensen in het licht.

In de kerk, waar ik zondag de dienst mag leiden, hebben ze in de lijdenstijd een project. Ze zijn begonnen met de eerste drie scheppingsdagen, daarna de vierde tot de zesde scheppingsdag. Vervolgens het paradijs, de eerste zonde, Kaïn en Abel, Jezus kondigt Zijn lijden en sterven aan, het sterven en de begrafenis van Jezus en tenslotte Pasen: de opstanding van Jezus. De volgende zondag staat dus in het teken van het paradijs, met het thema: Mensen in het licht. De mensen zijn in het licht van God geschapen, ze hebben het goed, mogen leven in een paradijs vol heerlijke natuur en mooie dingen. Zelf zijn ze ook lief voor elkaar. Het is gewoon “toppie” in het paradijs! Zij hebben ook een goede verstandhouding met God en mogen Zijn aarde beheren en ontwikkelen. Daar gaan we ’t over hebben. Tenminste, zo was het gepland in dat project! Aan de dominee om daar iets van te maken. Niet zo eenvoudig! Ik zou wel willen, maar ik denk dat ik ’t niet kan. We leven nu een keer niet meer in het paradijs. En bij al het mooie, dat je daarvan zegt, zie je ook direct weer beelden van de “verwording”. Goed en kwaad zijn nauw met elkaar verweven. Maar ja, het kwade mag pas volgende week aan bod komen! Laten we maar proberen het goede in de mens en zijn scheppingsorde (het paradijs) naar voren te halen. Mooiere tekst hiervoor dan Psalm 8 kon ik niet vinden. Leest u de preek “Een paradijs op aarde” maar.

Een druk weekje

Soms komen een aantal dingen bij elkaar en dan heb je ’t druk!

Dat was deze week met mij het geval. Het begon ’s maandags met een zogenaamd GIPS project op het Johannes Calvijn College hier in Barendrecht. Dit project gaat uit van het Gehandicapten Platform in onze plaats (het PGB) en bedoelt de scholieren vertrouwd te maken met alle mogelijke handicaps die een mens kan overkomen. Zo laten we ze rijden in rolstoelen, lopen met een blindenstok, eten met aangepast bestek enzovoort. We doen dit ook met de leerlingen van groepen 7 en 8 op de Basisschool.

Soms komen een aantal dingen bij elkaar en dan heb je ’t druk!

Dat was deze week met mij het geval. Het begon ’s maandags met een zogenaamd GIPS project op het Johannes Calvijn College hier in Barendrecht. Dit project gaat uit van het Gehandicapten Platform in onze plaats (het PGB) en bedoelt de scholieren vertrouwd te maken met alle mogelijke handicaps die een mens kan overkomen. Zo laten we ze rijden in rolstoelen, lopen met een blindenstok, eten met aangepast bestek enzovoort. We doen dit ook met de leerlingen van groepen 7 en 8 op de Basisschool. Het is altijd een geweldige belevenis om te zien hoe enthousiast en belangstellend (leergierig!) de kinderen zijn. Deze keer waren we dus op een Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs, jongens en meisjes van 14 à 15 jaar. Eén van de lesvakken is daar “verzorging”. Daar konden we dus mooi op inspelen: de “patiënt” in de rolstoel zetten, met hem of haar naar de WC enzovoort. Het werd lachen, maar met een serieuze ondertoon! Al met al een kostelijke dag.

Dan moest ik me bezig houden met de voorbereiding van de Nationale Reuma collecte, die van 12-19 maart gehouden wordt. Jarenlang ben ik één van de wijkhoofden in het zich als maar uitbreidende Barendrecht. Ik regel de collecte in 3 wijken, onderverdeeld in 26 wijkjes, waar m’n collectanten lopen. Het is elk jaar weer een grote zorg om de wijkjes bemand (bevrouwd!) te krijgen. Maar ook nu is het weer gelukt, dank zij een groot aantal trouwe medewerkers, op wie je altijd kunt rekenen. Dan worden de bussen van zolder gehaald en klaar gemaakt met legitimatiebewijs, routebeschrijving en wat spulletjes van het Reuma Fonds, zoals ballonnen voor de kinderen. Alles gaat in een Reuma-zak om eind van de week afgeleverd te worden bij de mensen. Als u dit leest, wordt er dus in Barendrecht druk gelopen! En nu maar hopen, dat het flink wat oplevert!

Tenslotte had ik op woensdagmiddag de maandelijkse PCOB-middag, die ik mocht leiden. Onze afdeling is behoorlijk gegroeid, zeker ook door de collectieve ziekteverzekering, die de PCOB aanbiedt. Wij tellen op dit moment 403 leden. Enkele jaren geleden waren dat er nog maar goed 200! Ons dorp is rijk aan “ouderen”. Die willen ook allemaal graag hier blijven, dicht bij het winkelcentrum. De Gemeente is nu een woonvisie aan ’t ontwikkelen om dat mogelijk te maken. Dan moet Barendrecht wel “de hoogte in”. En daarover wordt flink gediscussieerd, want tot nog toe kenmerkt ons dorp zich door uitsluitend laagbouw. Enfin, vol op werk voor de nieuwe Gemeenteraad! Op de PCOB-bijeenkomst kwam een notaris ons vertellen over het nieuwe erfrecht. En de meditatie stond uiteraard in het teken van de Lijdenstijd. ’s Avonds nam ik nog deel aan een groot huisbezoek van onze kerk. Het ging over de vraag: “Wat geloof je nog?” Die vraag bleek heel wat moeilijker te beantwoorden dan vroeger. Waar kun je je tegenwoordig nog aan vast houden?

Al met al een druk weekje. Tussen de bedrijven door ben ik ook bezig geweest met de website, ben ik naar de tandarts geweest en heb ik de preek voor zondag geschreven. En dan zeggen ze dat ik reuma heb en een beetje rust moet houden…

Roeping

Roeping

Jeremia 1, 4-19   Marcus 1, 14-20  Matteüs 10, 32

Vijf discipelen

“Een ieder dan die mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor Mijn Vader Die in de hemelen is.”

We hebben vandaag drie Schriftlezingen, die allemaal gaan over het roepen van mensen. Wel te verstaan: dat zij door God of Jezus geroepen worden. In de kerk noemen ze dat dan wel “roeping”. Er wordt vandaag wel over geklaagd, dat er weinig “roeping ” meer is. Als je vroeger aan een dominee of zendeling zou vragen: waarom doe je dat nou, dat werk in de kerk en op het zendingsveld of in het werelddiaconaat, steevast kreeg je dan het antwoord: “uit roeping”. Vandaag zal men dat zo gauw niet meer zeggen. Het is ook een groot woord, een “hoog” woord, want het zegt iets over jouw bijzondere relatie met God. En hoevelen hebben zo’n relatie nog, vandaag? Kunnen we God nog wel plaatsen in ons leven? Niet voor niets zeggen de meeste mensen: ik geloof wel dat er “iets” is, maar God?? We leven in het tijdperk van het “ietsisme”.

Toch willen we het vanmorgen hebben over “roeping”. En we horen, hoe Jeremia geroepen werd tot profeet en de discipelen tot discipelen en later apostelen om de wereld in te gaan en de boodschap van God te verkondigen in woord en daad. Die twee horen ook bij elkaar: woord en daad. Niet toevallig heet het hulpprogramma van de EO ook “woord en daad”. Bij God zijn woord en daad één. Dat zie je al in Genesis 1, waar staat “God sprak en het was er”. Alles is voortgekomen uit de woorden van God, die daden werden. Een mens wordt ook door God geroepen om iets te gaan doen! Kijk maar naar Jeremia: wat een hectisch leven heeft die man gehad, als profeet in de dienst van God.

En bij de discipelen is het niet anders. Van Petrus wordt zelfs overgeleverd, dat hij gekruisigd is net als de Heer Jezus, maar dan met het hoofd naar beneden. Wie Jezus navolgt staat heel wat te wachten! Die moet ook heel wat doen. Daar gaan we het vandaag over hebben.

Als de Heer Zijn discipelen de wereld in zendt, zegt Hij: “Ik zend jullie als schapen midden onder de wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven(Matth.10, 16). Het zal niet gemakkelijk voor jullie worden, want jullie zullen overgeleverd worden aan gerechtshoven en martelingen; maar maak je dan niet bezorgd, hoe of wat je spreken zult; want het zal je op dat moment worden ingegeven, want niet jij bent het die spreekt, maar het is de Geest van je Vader die in je spreekt…het zal niet gemakkelijk zijn, jullie zullen allemaal gehaat worden ter wille van Mij, maar wie volhardt, die zal behouden worden…” En dan komen we bij ons tekstwoord: Een ieder dan die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook Ik belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.

U hoort het: het gaat om twee dingen, belijden en verloochenen. Belijden is “ja” zeggen tot God. En dat is niet vrijblijvend, in de trant van “ik geloof wel in God”, wat vaak verwordt tot “ik geloof het wel”. Nee, het is een zich gewonnen geven aan God, met hart en ziel, met have en goed, met lichaam en geest, tot de dood toe. Het Christen zijn kost je echt wat en mag je ook wat kosten. Wij in ons vrije Nederlandje merken daar niet zo veel van. Maar zou u in Noord Korea, Saoedi-Arabië of Iran wonen, werd u daar elke dag mee geconfronteerd. Een Christen wordt daar gediscrimineerd. Hij komt niet in aanmerking voor betere banen. Hij leeft in armoede, letterlijk “voorzichtig als slangen en argeloos als duiven”. Toch geven ze hun geloof er niet aan! En wat ze hebben delen ze met elkaar. Als we willen weten wat diaconaat betekent, moeten we daar eens een kijkje nemen. Belijden is in de voetstappen van Jezus treden en doen wat Hij deed. Hij riep de lammen en de blinden, de armen en hulpbehoevenden, tot Zich. En zó is de Kerk begonnen als diaconale instelling, een soort Leger des Heils. In de tijd van Jezus was er ook veel armoede en sociale ellende. Het is van de eerste Gemeente in Jeruzalem bekend, dat zij samen kwamen om met elkaar te eten en te delen. Voor armen en rijken was er plaats. En daar ging een enorme aantrekkingskracht van uit. Vele armen en mensen, die er slecht aan toe waren, wisten zo de weg naar de Gemeente van Jezus te vinden. Zou dat vandaag nog zo zijn? Ik heb wel gelezen, dat de Diaconieën meer hulpaanvragen krijgen en zodoende slechter bij kas komen te zitten. Maar toch? Armen in onze Kerken? Worden onze Kerken geen “middenstandskerken” genoemd? We zouden weer terug moeten naar het begin, toen het belijden nog echt wat kostte en woorden ook daden waren, daden van liefde en hulpbetoon.

Belijden en verloochenen. Belijden van de Heer is verloochenen van je zelf. Hij moet groot worden, ik moet minder worden. En waar dit niet gebeurt, moesten we ons schamen. Schamen voor onszelf! Dat we ons schamen voor de Heer, dat is bekend. En dat we ons schamen voor ons geloof, dat is helaas ook bekend. Wie durft er nog echt uit te komen voor zijn of haar geloof? Praat u er over met andere mensen? Nee dus. Zó wordt het geloof en dus ook de Kerk op afstand gehouden, het wordt meer een zaak voor de binnenkamer. Wordt er in het onderwijs nog wel over gesproken? Heeft het nog betekenis in de politiek? Gelukkig zijn er nog enkelen, die openlijk durven te belijden dat zij door het geloof gedreven worden. Toch horen we in de Bijbel, dat Jezus beleden wil worden “voor de mensen”!

Hoe doe je dat nou in de praktijk van het leven? De Heer belijden? Ik heb al gezegd, dat heeft alles met je daden te maken. Het zijn woorden én daden. Op je werk, en dat mag ook vrijwilligerswerk zijn, op school, in de vriendenkring, thuis. Vanuit je geloof probeer je voor andere op te komen. In het sociale werk, de vakbond, met je collega’s, ook als die een andere mening of een ander geloof zijn toegedaan. Misschien moet u ook eens een tekst uit de Koran gaan lezen of met je allochtone buren Turks of Marokkaans gaan eten. Je zult je in de buurt moeten inzetten voor betere verhoudingen: een speeltuin voor de kinderen, oog hebben ook voor kindermishandeling, bezoek aan de eenzame ouderen, een beetje sociale controle ten behoeve van een leefbare gemeenschap. Dat alles is diaconaal bezig zijn, vanuit de roeping van God om Hem te belijden voor de mensen. Ook als je directeur bent van een bedrijf, kun je die roeping hebben en van daaruit werken. Zo heb ik eens gehoord van een aannemer met wel 50 personeelsleden. Hij probeerde ook Christen te zijn in zijn werk. En telkens kwam hij met zijn geweten in de knoei met het gesjoemel bij de aanbesteding in de aannemerswereld. U weet wel, dat zij onderlinge prijsafspraken maken en er geld bovenop zetten om dat later uit te keren aan degenen, die het werk niet gegund werd. De directeur vond, dat de klanten daardoor bedrogen werden en dat – als hij zijn portie kreeg- het eindelijk oneerlijk verdiend geld was. Op een gegeven dag kon hij het niet meer aan en hij besloot niet meer mee te doen. U begrijpt wat er toen gebeurde. Onze aannemer werd uit de Bond gezet en kreeg voortaan alleen maar kleine werkjes. Meer dan de helft van het personeel kwam op straat te staan. Toch was hij van toen af aan een blij en gelukkig mens, want hij hoefde zijn christelijke geweten geen geweld meer aan te doen.

Ziet u? Dat kan het gevolg zijn van ons Christen-zijn, als je uit roeping leeft. Belijden geeft vaak lijden, om Jezus’ wil. Maar het lijden voert wel tot innerlijke rust. Het wordt gedragen in het perspectief van Jezus’ lijden, dat is ook in het perspectief op een betere wereld: de toekomst, als de Heer daar zal zijn.

Jeremia, de discipelen, u en ik, werden en worden gezonden. Wij krijgen een roeping.

Gezonden-zijn is altijd maar weer risico’s nemen
Om werkelijk mens-voor-een-ander te worden!
Doen zoals Jezus deed!
Gezonden zijn is nooit: buiten-spel-blijven-staan
Maar wel altijd: je zelf op het spel zetten.
Gezonden zijn is op weg gaan van waar je bent
Naar waar je eigenlijk moet zijn.
Gezonden zijn is feestmaaltijden bereiden
Op gloeiende kooltjes van hoop en verwachting!
Gezonden zijn  is koppig weigeren om een overlijdensbericht
Van Gods goede aarde te aanvaarden en te verspreiden!
Gezonden zijn is onder woorden en daden brengen
Dat de Heer in je leeft:
Wie Mij belijden zal voor de mensen,
Zal ook Ik belijden voor God!

Amen.

Caravanverdriet

Hebt u dat ook wel eens, dat je verdriet hebt om iets wat je moet afstaan?

Ik heb dat deze dagen, omdat ik afscheid moet nemen van de caravan!

“Caravan” betekende voor mij: leuke vakanties, vrijheid blijheid, avontuur, gezelligheid met mijn lieve vrouw, interessante mensen ontmoeten, mooie streken bereizen, vertoeven in de bergen en nog zo veel meer. Hoeveel dierbare herinneringen bewaren wij niet aan “vroeger”, toen de kinderen nog mee gingen en de hond… Naar Italië en Oostenrijk en Frankrijk, met z’n allen, en dat minstens vier weken!

Hebt u dat ook wel eens, dat je verdriet hebt om iets wat je moet afstaan?

Onze caravan

Ik heb dat deze dagen, omdat ik afscheid moet nemen van de caravan!

“Caravan” betekende voor mij: leuke vakanties, vrijheid blijheid, avontuur, gezelligheid met mijn lieve vrouw, interessante mensen ontmoeten, mooie streken bereizen, vertoeven in de bergen en nog zo veel meer. Hoeveel dierbare herinneringen bewaren wij niet aan “vroeger”, toen de kinderen nog mee gingen en de hond… Naar Italië en Oostenrijk en Frankrijk, met z’n allen, en dat minstens vier weken! De mooiste kerken hebben we gezien, vooral kathedralen en oude kloosters. We kregen er gewoon een “kerkenkop” van, zuchten de kinderen nu, als we ’t daar over hebben. In 2002 hebben we een herstart gemaakt. Mooie caravan, alles er opnieuw bijgekocht, schitterend Mepal servies en een nieuwe voortent met scheidingswand en kidscabine. Enfin: toppie! Maar ja, wat wil het geval. De gezondheid van het lichaam houdt niet altijd gelijke tred met die van de geest. Ik kon nog wel m’n scootmobiel meenemen en lekker rondrijden op de camping…maar op den duur kon ik niet meer de caravan in, ik kon gewoon het trapje niet meer op. Dus hebben we nu maar besloten het hele spul van de hand te doen. Hopelijk heeft een ander, een jong gezinnetje of zo, er nog jaren plezier aan. Maar het kost wel moeite! Marktplaats op Internet is wel geduldig, maar zelf heb je er veel verdriet van. Zo is ’t leven, je bouwt wat op en je moet er even zo “vrolijk” weer afstand van doen! Bij het ouder worden is het laatste meestal het geval. Enfin, we kunnen nog wel in vrolijkheid omzien! En dat is ook wat waard.

Onze caravan

Lijdenstijd

Droefheid en blijdschap. De lente komt er aan, al is het ook nog met veel regen en sneeuw en stormwind. De dagen lengen en overal om ons heen zien we de natuur ontkiemen: zij gaat de weg van duisternis naar licht, van dood naar leven. Zo herdenkt de kerk in deze dagen de gang van onze Heer Jezus Christus van lijden en dood naar opstanding en nieuw leven. Na de diepste neergang in de lijdenstijd komt de stralende verhoging met Pasen. Het is goed om daar veertig dagen per jaar bij stil te staan.

LijdenstijdDroefheid en blijdschap. De lente komt er aan, al is het ook nog met veel regen en sneeuw en stormwind. De dagen lengen en overal om ons heen zien we de natuur ontkiemen: zij gaat de weg van duisternis naar licht, van dood naar leven. Zo herdenkt de kerk in deze dagen de gang van onze Heer Jezus Christus van lijden en dood naar opstanding en nieuw leven. Na de diepste neergang in de lijdenstijd komt de stralende verhoging met Pasen. Het is goed om daar veertig dagen per jaar bij stil te staan.

Omdat de Heer deze gang heeft gemaakt, een bittere gang, mogen wij weten, dat God met ons in onze lijdenstijd een nieuw begin gaat maken: opstanding tot nieuw leven! In de lente van dit jaar en in het voorportaal van ons leven mogen wij daar heel persoonlijk naar uitzien. Wij gaan op naar Pasen: naar de dag van de Heer, die een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal brengen. In onze duisternis, in al het lijden van “deze eeuw”, dit tijdsgewricht, mogen we gericht staan naar Gods heerlijkheid en licht, waarin geen lijden meer zal zijn. Blijdschap temidden van droefheid. “Zie, wij gaan op naar Jeruzalem…” Voor Jezus was dat het aardse Jeruzalem, dat de profeten doodt. Voor ons is het ’t hemelse Jeruzalem, de stad met de gouden poorten. Jezus Zelf heeft de sleutels van die stad. Gaat dan tot Hem, die redding u biedt!

Meer lezen?

Lijdenstijd – Gave en opgave

Op weg naar pasen

Mensen in het licht

Waarom vieren we pasen eigenlijk?

Lijdenstijd

Bij de mensen is dit onmogelijk…

Bij de mensen is dit onmogelijk…

…maar bij God zijn alle dingen mogelijk!

O grote God,
Ik weet niet hoe U er uit ziet,
Ik weet ook niet waar U bent.
Maar toch weet ik heel zeker,
Dat U bij mij bent.
En dat ik alles tegen U kan zeggen.
Ik weet ook heel zeker
Dat U van me houdt
En alles voor  mij over hebt.
En daar ben ik zo blij om, God,
Want ik voel me vaak zo slecht
En ik ben ook vaak zo bang.
Er gebeuren zulke erge dingen in de wereld
En de mensen zijn vaak zo gemeen
Tegen elkaar en  tegen U!
En er zijn zo veel mensen en dieren
Die pijn moeten lijden.
O God, helpt U ze toch
En maak deze wereld weer heel mooi
Zoals hij vroeger geweest moet zijn
In het paradijs.
God, geeft U ons een goede dienst
Met elkaar
En laat ons alstublieft merken
Dat U bij ons bent.

Amen.

Schriftlezing Mattheüs 19, 26

Kerk DongenIemand, die Jezus als schriftgeleerde beschouwt, vraagt wat voor goeds hij moet doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven. Voor een Jood klonk deze vraag heel gewoon. Het eeuwige leven was immers voor hem een werkelijkheid, waar je naar toe leefde. God had het beloofd aan alle mensen, die goed en rechtvaardig waren. En dat waren dus de mensen, die Gods geboden nauwgezet onderhielden. Zij zouden vast en zeker de “olaam habba” ontvangen, dat is het leven van de toekomende eeuw, het heerlijke leven van Gods Koninkrijk. Het zou komen, wanneer de Messias Zijn werk op aarde volbracht zou hebben. Elke rechtgeaarde Jood keek daar naar uit!

Zo gek was die vraag dus nog niet van die man die Jezus vroeg: “Wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?”  Welke maatstaf moet ik daarbij aanleggen? Wat moet ik minstens doen? De man dacht, dat hij daar zelf voor moest zorgen, een soort optelsom van goed en kwaad. Maar zo is het niet, wij weten dat wel. “Het is voor een mens moeilijker uit zichzelf het Koninkrijk binnen te gaan dan het voor een kameel is om door het oog van een naald heen te gaan!” Zo heeft Jezus ons ergens anders voorgehouden. Hij zal de man dan ook wel meewarig aangekeken hebben. “Tjonge, wat praat je toch over goeds, over je eigen goede daden! Er is er maar EEN, die werkelijk goed  en rechtvaardig is, en die ENE is God Zelf!”

En dan gaat Jezus verder. Hij is toch wel begaan met die man, die zo z’n best doet om bij God in een goed blaadje te komen. “Kom, laten we nu niet praten over het goede in een mens, want u weet toch wel dat u de geboden van God moet onderhouden om het leven in te gaan?”

Gebod is in het Hebreeuws “Mitswah” en het aardige is dat dit woord hetzelfde betekent als wat de vraagsteller met het “goede” aanduidde: aalmoezen geven en zo. Jezus gebruikt hier dus een woordspeling. De man vroeg naar het goede van de mens, Jezus wijst op het gebod van God, het goede van God. Voelt u de fijne nuance? Alsof de Heer er de man heel fijntjes op ,wil wijzen dat het niet gaat om eigen werk, maar om dat van God. Doe gewoon wat God van je vraagt!

Hiermee kon het gesprek afgelopen zijn. Maar de man in kwestie voelt zich natuurlijk een beetje neergezet door zo’n terechtwijzing van Jezus. Daarom reageert hij kortaf: “Welke? Welke geboden?” Alsof ie dat nog niet wist! Jezus houdt hem dan natuurlijk de tien geboden voor, vooral de laatste, die gaan over de intermenselijke verhoudingen. Hoe je als mensen met elkaar om dient te gaan: je ouders eren, niet stelen, niet liegen en geen overspel plegen, kortom je naaste liefhebben als jezelf. “Ja maar, natuurlijk, dat heb ik allemaal gedaan, wat denkt u wel? Wat ontbreekt er dan nog aan om het eeuwige leven binnen te gaan?”

Hierop gaat Jezus een beetje ironisch in: “Nou, dan  is ’t dus allemaal in orde met u, maar uw wilt nog meer? U wilt volmaakt zijn net als God? U meent het dus werkelijk, als u spreekt over het “goede”, u wilt even goed zijn als God? Welnu, dan ontbreekt u nog maar één ding: alles ter verkopen en het geld aan de armen te geven en Mij te volgen!”

Gemeente, dat is nogal wat! De man moet alles er aan geven. Heel z’n hebben en houden, zijn zo zorgvuldig opgebouwde status. Al z’n zekerheden ook! En dan –arm en naakt- Jezus volgen. “Volgen” heeft hier een bijzondere betekenis. Het is niet –zoals wij zeggen- met iemand meegaan, iemand volgen. Nee, het betekent veelmeer letterlijk “in iemands voetstappen treden”. Je identificeren met de persoon, achter wie je aangaat. Begrijpt u? Een mens die Jezus volgt doet net als Hij, lijdt ook net als Hij en wordt verheerlijkt net als Hij. Dat laatste willen we wel. Die rijke man ook, hij wilde graag het eeuwige leven beërven. Maar wat daaraan voorafgaat…dat je jezelf ten offer geeft en lijden moet voor God en de mensen en van alles afstand moet doen, dat is heel moeilijk, dat is wel erg veel gevraagd!

Onze rijke man gaat verdrietig weg, Want hij was rijk. Zou Jezus dat geweten hebben? Vast wel, het was de man aan te zien: goed verzorgd, rijk in de kleren, gouden ringen, u kent dat wel. Hij gaat weg. Het offer, dat Jezus van hem vraagt, kan hij niet opbrengen. Het is een te grote opgave. En toch eigenlijk ook zo gemakkelijk: weg die boel en achter Jezus aan! Maar ja, zouden wij dat kunnen? Als je net als die man was: jong, gezond en rijk? De opoffering is voor hem die veel bezit het grootst. Daarom is het ook voor een rijke zo moeilijk het Koninkrijk van God binnen te gaan, net zo moeilijk als voor een kameel om door het oog van een naald heen te kruipen, zo heeft Jezus gezegd.

Dan slaat de discipelen de schrik om het hart. Ze hadden altijd gedacht, dat de rijke het gemakkelijk had. Die kon immers veel geven, veel goeds doen, liefdadigheid en aalmoezen en zo. Zo’n rijke hoefde ook niet te werken en had daardoor alle tijd om te gaan bidden en over Gods Woord na te denken. Als ’t voor een rijke al zo moeilijk was, wie kon er dan behouden worden?

Jezus zag hen aan en sprak: “Bij mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk!”  Mensen kunnen dit niet, het blijft allemaal stukwerk, al doe je nog zo goed je best. Maar gelukkig, wat bij mensen niet kan, kan gelukkig nog wel bij God! Bij God zijn alle dingen mogelijk! Wij denken zo gauw veel te menselijk, maar we moeten meer onze harten opheffen tot God, Die zo veel hoger en zoveel anders is dan wij mensen. Prof. v. d. Beek heeft deze week in het Nederlands Dagblad ook uitgelegd, dat het daar precies om gaat, waarom hij niet aanvaarden kan dat de mens letterlijk “naar het beeld Gods” geschapen is. De mens zou dan te gauw goddelijke trekken krijgen! Maar dat is de mens niet, een godje. De mens is mens en God is God, en dat is een wereld van verschil!

Bij mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

De Heer kijkt naar de mens vanuit het perspectief van God. Bij God zijn alle dingen mogelijk, daarom is ook jullie zaligheid bij Hem in goede handen. Zelf kan de mens dat niet, zorgen voor z’n redding, Maar God kan dat wel en doet het voor hem. Het eeuwige leven beërven is pure genade, een geschenk van God. God schenkt  ‘t  aan Zijn mensen, niet omdat ze zoveel goeds gedaan hebben, maar omdat Hij zo goed is en zoveel van ons houdt.

“Ja”, zegt Petrus, “dat begrijp ik”. Welnee, hij begreep er nog niets van! Hoor maar: “Wij hebben toch alles prijs gegeven, wat staat óns nu te wachten?” Tjonge, Petrus, heb je ’t nou nog niet begrepen? Hij draait nog rond in het kringetje van het ikke ikke en  nog eens ikke. Wat zijn zij toch goed geweest, die discipelen! Zij hebben tenminste alles losgelaten en zijn Jezus gevolgd, terwijl die rijke jonge man… “Niet omdat je alles prijsgegeven hebt, Petrus, niet om het offer dat jij gebracht hebt, zul je zalig worden, maar alleen omdat je Mij gevolgd bent… breng Ik Mijn levensoffer voor jou en daarin zul je behouden worden!” Niet de daad van het eigen prijsgeven geldt, maar de daad van Gods prijsgeven van Zijn Zoon. Wat Petrus en de anderen prijsgegeven hadden was niet meer dan het opruimen van wat hindernissen!

“Voorwaar, Ik zeg u, jullie die Mij gevolgd zijn, zullen in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon van Zijn heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten…”

En zo krijgen de discipelen toch nog een heerlijk vooruitzicht. En dat valt ook ons ten deel, als wij Hem maar volgen!

Kerk DongenDe rijke jongeling is iemand die we zo goed kunnen begrijpen, in wie we best ons zelf kunnen herkennen. Ook wij vragen ons zo dikwijls af: wat moet ik toch doen om een goed Christen te zijn? Hoe kom ik in de hemel? E daarom is het zo fijn dat we vandaag deze boodschap mochten horen. Dat we niet ongerust hoeven te zijn, als ons leven soms een puinhoop leek. Dat ons behoud gelukkig niet in onze handen ligt, in wat wij gedaan hebben, maar in Gods handen. Waar wij struikelen of vallen, daar richt Hij ons weer op. Waar wij niet een offer kunnen brengen, daar brengt God Zijn offer. Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Wie kan dan behouden worden? U, ik? Ook wij horen Jezus’ stem vandaag en Hij ziet ons daarbij aan: “Bij de mensen is dit onmogelijk, maar wees gerust: bij God zijn alle dingen mogelijk, ook het behoud van uw leven!”

Tenslotte: alles weggeven? Ik denk niet, dat God dit van ons vraagt. Maar we moeten wel met alles wat we hebben zó leven, dat we er afstand van kunnen doen, als het nodig mocht zijn om God te dienen of er de naaste mee te helpen. En dat is al moeilijk genoeg! Rijkdom op zichzelf is niet kwaad, maar dat mensen het verkeerd gebruiken, alleen maar voor zichzelf. De rijke jonge man kon ik er niet los van komen. U en ik wel?

Amen.

Heer, onze God, dank U wel
Dat we hier mochten zijn
In de kerk
Om te zingen en te bidden
En te luisteren
Naar wat U ons te zeggen had.
Dank U wel, God,
Voor ons leven en
Voor alles fijne dingen
Die we mogen beleven
En ook  mogen bezitten.
Geef, Heer,dat we ’t niet
voor ons zelf houden,
maar het kunnen delen met anderen
die niet zo veel hebben als wij.
Wij bidden U om Uw hulp
Voor al die mensen in de wereld
Die arm zijn:
Dat zij door U getroost mogen worden.
Ook voor de rijken bidden wij U:
Dat zij hun rijkdom zo beheren
En gebruiken,
Dat anderen er door geholpen worden.
Wij weten het, o God,
Dat U alles kunt
En dat tenslotte alle dingen
In Uw handen liggen.
Dank U!

Amen.

De actualiteit van het Evangelie

Zo’n preek als “Bij de mensen is dit onmogelijk…”, wat moeten we daar nu mee? De situatie van de rijke jongeling en zijn vraag aan Jezus zijn heel actueel. We spreken de laatste tijd weer veel over “de arme kant van Nederland”. Rijkdom is blijkbaar een probleem en armoede nog meer! En het verschil tussen rijk en arm wordt steeds groter en  schrijnender. Hier in Nederland is dat al zo, laat staan elders in de wereld.

Zo’n preek als “Bij de mensen is dit onmogelijk…“, wat moeten we daar nu mee? De situatie van de rijke jongeling en zijn vraag aan Jezus zijn heel actueel. We spreken de laatste tijd weer veel over “de arme kant van Nederland”. Rijkdom is blijkbaar een probleem en armoede nog meer! En het verschil tussen rijk en arm wordt steeds groter en  schrijnender. Hier in Nederland is dat al zo, laat staan elders in de wereld. Wereldhandelconferenties tussen de zogenaamde rijke en zogenaamde arme landen kunnen daar maar geen verbetering in brengen. De arme landen met hun grote bevolkingsaantallen krijgen het steeds zwaarder te verduren. Nog steeds klinkt de aanklacht van Berthold Brecht (70 jaar geleden!): “Zou ik niet arm zijn, was jij niet rijk!”.

Ook de vraag van de jonge man “Hoe kom ik in de hemel?” is erg actueel. Velen stellen zich vandaag dezelfde vraag: “Hoe word ik een beetje gelukkig? Wat heb ik in dit leven en daarná nog te verwachten?” Men zoekt een stukje levensvervulling en zekerheid, maar waar vind je dat? Bij mensen? Nee toch! Bij sekten en religieuze bewegingen? Misschien. Bij kerken? Een vraagteken: waarom lopen ze dan leeg? Bij God? Ja, maar waar moet ik dan zoeken?

Misschien dat het Evangelie van vandaag ons wat verder kan  brengen. Laten we ’t hopen. Wat bedoelt Jezus dan? Moet je alles weggeven? Of gaat het er om dat je aan anderen denkt? Mag je nog wel leuke dingen voor je zelf kopen en daar van genieten? Zo’n dure auto bijvoorbeeld?

Als je arm bent, ben je dan soms beter af? Is het geen vernedering om naar de voedselbank te moeten? Allemaal vragen die op de mens van nú afkomen.

Jezus zegt: “Bij de mensen is dit onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.” Kunnen we daar wat mee? Kunnen we daar misschien een beetje moed en hoop uit putten?

Kleinkinderen in huis

Ouderen prijzen zich gelukkig als de kleinkinderen op bezoek komen. Als ze komen logeren, dan is dat heel bijzonder. Het zet de hele boel op z’n kop!

Ouderen prijzen zich gelukkig als de kleinkinderen op bezoek komen.

Als ze komen logeren, dan is dat heel bijzonder. Het zet de hele boel op z’n kop!

Bij ons is dat regelmatig het geval, vooral in de schoolvakanties. Alles wordt daarop ingesteld. Je agenda wordt aangepast: geen vergaderingen en vaste afspraken, alle ruimte voor de kids! Opeens verandert er van alles. De TV is bezet, net als jij wilt kijken, behalve dan wanneer er schaatsen is of ijshockey (kleindochter is een enthousiast hockeyster!). De computer is in gebruik, net als jij hem nodig hebt. En  ga zo maar door! Het eten is anders dan jij gewend bent (pasta’s, gekruld, pijpjes, sliertjes enz.). Bij de boodschappen wordt er rekening gehouden met de kinderen. Liefst zijn zij er zelf bij om uit te kiezen. Ja, alles draait om die kleine gasten! En dat hoort ook zo. Althans, dat vindt Oma! Opa sputtert nogal eens tegen, maar dat helpt natuurlijk helemaal niets.

En als de kleinste van de zeven kleinkinderen komt, een manneke van nauwelijks twee, dan staat binnen de kortste keren de hele tent op z’n kop! Het is alsof zijne Majesteit binnenkomt! Alle speelgoed wordt uit de studeerkamer gehaald en op de vloer van de huiskamer uitgestald. Daar wordt nauwelijks mee gespeeld en ’t moet straks allemaal weer worden opgeruimd. Maar dat geeft allemaal niets. Het is een gekoesterd ritueel! Wat ben je niet gelukkig met zo’n lief klein manneke?

Het kindergenot vindt niet alleen binnen plaats, maar strekt zich ook uit tot buiten. Opa – op z’n scootmobiel- heeft ze allemaal wel mee gehad, totdat ze te groot en te zwaar werden. Het was altijd feest om met zo’n kind door Barendrecht of Bleiswijk of Amersfoort en de contreien te rijden. Naar de ezeltjes kijken of kastanjes rapen of een speeltuin bezoeken. Bij ons in Barendrecht is een speeltuin met een kabelbaan en een huisje, dat vonden ze wel het mooiste plekje in de wereld! Tegenover ons huis stond ook een grote gele wereldbol, waar de kinderen in konden hangen. Maar op een gegeven moment heeft de Gemeente die weggehaald (te gevaarlijk) en in geruild voor een  klim-gedrocht, waar geen kind meer plezier aan beleeft!

En oma en Opa maar zorgen! Vooral Oma natuurlijk. Hadden ze slecht gedroomd, dan kropen ze bij ons in bed, midden in de nacht. Het is één groot feest, de kleinkinderen in huis! Nu is de voorjaarsvakantie weer voorbij en hebben we even rust. Maar we zien al weer uit naar de volgende vakantie. Dan is het vast weer feest!

Komt, want het is nu gereed

Komt, want het is nu gereed

Lukas 14, 17b

Laatste avondmaalDe oosterling beschouwt de gastvrijheid als één van de hoogste deugden. Dit was vroeger zo, in de tijd van de Bijbel, en het is nog zo. Dat hebben wij zelf ervaren, toen we 5 jaar geleden in Marokko waren. Ik had mijn scootmobiel meegenomen en oogstte veel bewondering, maar ik kon, omdat op- en afritjes ontbraken,  vaak niet het trottoir op. Dat was ook zo in Marrakech, toen ik de beroemde markt wilde gaan bezoeken. Daar stond ik dan! Toen kwamen direct vier mannen aan gelopen om me het trottoir op te helpen. Ik voelde me als de verlamde man, die door zijn vrienden het dak werd opgedragen, zoals Jezus ons in één van Zijn gelijkenissen vertelt. Gastvrij en behulpzaam zijn, we hebben dáár gezien wat dat nóg betekent! Misschien heeft het te maken met de onafzienbare woestijnen, waardoor reizigers wel op elkaar waren aangewezen. De gastheer van vandaag zou morgen misschien zelf om onderdak moeten vragen. Des te erger is het dat in het Kerstverhaal de deuren voor Maria en Jozef gesloten bleven.

Toch – denk ik – is het niet alleen uit berekening, dat men in het Oosten zo gastvrij is. Zou het niet ook te maken hebben met het diepere Godsbesef van de Oosterling? De Gast zou wel eens door God gestuurd kunnen zijn! Zoals de drie mannen die bij Abraham kwamen, het waren engelen! De gast wordt altijd gezien, onbewust, als een representant van God. In hem doet God Zelf een beroep op ons. Daarom kun je niet gul genoeg zijn en is het beste nog niet goed genoeg voor de gast. Dat zie je in het bijzonder, wanneer er een feest gegeven wordt. Paal noch perk wordt er gesteld aan het aantal gasten. Niet alleen familie en vrienden zijn welkom, maar ook vrienden van de vrienden, de hele buurt-, ja zelfs dorpsgemeenschap. Ook toevallig voorbij komende toeristen. Hoe meer mensen hoe meer vreugd en hoe eervoller het is voor de gastheer. Hier in Rotterdam en Barendrecht, waar wij wonen, zie je hoe op een mooie zomerse dag hele Marokkaanse en  Turkse families in de parken en recreatiegebieden bij elkaar komen om te gaan picknicken. Ben je daar toevallig ook – en dat doen we wel eens met de kleinkinderen-  dan word je hartelijk uitgenodigd aan te schuiven!

We begrijpen nu ook hoe pijnlijk de situatie van de gastheer uit onze gelijkenis is. Wat was er namelijk gebeurd? Jezus was uitgenodigd op een maaltijd bij de Farizeeën. Het was een eenvoudige broederschapmaaltijd, zoals de Farizeeën die om beurten bij elkaar aan huis hielden. Mooi toch, dat ze Jezus als één van de hunnen beschouwden! Maar er heerst een geladen sfeer, als Jezus daar binnenkomt om “brood te eten”. En dat wordt er niet beter op, als Jezus direct bij het begin van de maaltijd ook nog een zieke geneest. Het is nota bene Sabbath! Van Zijn kant doet Jezus ook geen moeite de stemming te verbeteren. Integendeel, Hij durft het ook nog te bestaan kritiek uit te oefenen op de eerzucht van de Farizeeën, die allemaal de voornaamste plaatsen willen innemen. Hij zegt: “Niet op de voorste plaatsen moet je gaan zitten, maar op de achterste. Want een ieder die zich zelf verhoogt, zal vernederd worden, maar een ieder die zich zelf vernedert, zal verhoogd worden”. Ook keurt Hij af, dat de broeders alleen elkaar fuiven. “Wanneer gij een gastmaal aanricht, nodigt dan bedelaars, misvormden, lammen en blinden, en gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen”. Niet uit berekening dus, maar uit liefde en echte gastvrijheid! Dan krijg je het terug straks in de hemel. Ja, dat klinkt heel mooi! We horen het dan ook één van de aanwezigen bevestigen: “Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk van God!”.

Daarop spreekt Jezus de gelijkenis van  de verontschuldigingen, ook wel genoemd die van het Grote Avondmaal. Dat spreekt ons meer aan , denk ik, omdat wij vandaag het Avondmaal vieren. U kent het verhaal: de “high society” laat het afweten en de sloebers van de straat worden binnen genodigd. Er moet gezocht worden  tot ver buiten de stad, want het huis moet vol worden. “Dwingt ze om binnen te gaan…”.

Die sloebers van de straat, dat zijn bedelaars, misvormden, lammen en blinden, dezelfde mensen die Jezus daarnet al had genoemd. Voor de Farizeeërs was dat “uitschot”, maar Jezus laat horen dat die er juist bij horen, bij de Grote Maaltijd van de Heer, in Gods Koninkrijk. Het zijn de “verloren kinderen van het huis van Israël”. Zij worden neergezet op de door de genodigden opengelaten plaatsen. En als er dan nog plaats over is, worden de knechten gezonden op de wegen en paden buiten de stad om de “heidenen” binnen  te halen. Op een andere plaats heeft Jezus gezegd: “Hoeren en tollenaren zullen u voorgaan in het Koninkrijk van God”.

Er is nog zo’n gelijkenis, die Matthëus ons overlevert: het koninklijk bruiloftsmaal. Een feest dat de koning geeft voor zijn zoon. Ook nu komen de genodigden niet opdagen en worden de dienaars er op uitgestuurd om links en rechts mensen van de straat bijeen te brengen in de bruiloftszaal, zowel goeden als kwaden. Maar dan heeft er een pijnlijk incident plaats: er is iemand, die geen bruiloftskleed aan heeft. De koning zei tot zijn dienaren: “Grijpt hem en werpt hem in de buitenste duisternis, daar zal luid geween zijn en tandengeknars”. U vraagt zich misschien af: “Moest dat nou zó? Die man was toch zo maar van de straat geplukt. Misschien verkocht hij wel de straatkrant. Kon hij het helpen dat ie niet op z’n zondags was?” Nee, het was niet de schuld van die man, dat hij geen betere kleren aan had. Maar daar gaat ’t ook niet om! Hier wordt iets anders bedoeld. En de toehoorders van Jezus begrepen dat wel, zonder nadere uitleg.  Je kreeg namelijk altijd door de gastheer een zogenaamd. “wisselkleed” aangeboden, dat de gast vaak als geschenk mocht houden. Het was eervol voor de gastheer om dat aan te trekken en aan te nemen. Dat dit niet gebeurd was, betekent dus, dat de betreffende man het kleed geweigerd heeft en dat is een erge belediging! Waarschijnlijk heeft ie zich ook niet gewassen, omdat ie maling had aan de hele boel. Misschien had ie wel een hekel aan die rijke stinkerds! Hoe dan ook, we zijn gewaarschuwd. God laat niet met Zich spotten.

Wanneer we beide gelijkenissen tot ons laten doordringen, wordt de bedoeling ervan duidelijk. Niet alleen voor de Farizeeën, maar ook voor ons! Het zal in de eindtijd anders toegaan dan de Farizeeën dachten en velen van ons nóg denken. De wereld op z’n kop! De eersten worden de laatsten en de laatsten de eersten. Precies zoals de oude dichter Wil Barnard in Gezang 482 heeft verwoord:

De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop,
zij moeten zich niet haasten,
die leven van de hoop.

Veracht dan niet de kleinen
en die verloren zijn,
want God noemt hen de Zijnen
die laatstgeboren zijn.

De eersten zijn de laatsten,
wie nakomt gaat voorop!
kiest dan de goede plaatsen
en geeft uw hart aan God!

Kiest dan de goede plaatsen…Ja, Gemeente, daar komt het dus op aan! En hoe moeten we dat doen? We horen het de dichter zeggen: en geeft uw hart aan God! Dus door aan God ons hart te geven…

“Komt, want het is nu gereed!” Ook wij worden genodigd, u en ik, o wij arme zondaars, bedelaars onrein… De Heer biedt Zich Zelf tot spijze aan. Een Oosterse gastheer zal in het uiterste geval z’n eigen rijdier slachten… Jezus gaat nog verder: Hij biedt Zich Zelf ten offer aan, voor u en voor mij, misvormde mensen, komend van de hoeken van straten en kruispunten van wegen, van vier polders, in een goddeloze wereld.

Maar willen  we wel komen? Op Gods feest voor ons? Geven we Hem ons hart? En zijn we ook bereid daarvoor het boetekleed te dragen? Een boetekleed, dat een betoverend wit wisselkleed mag worden, ons door de Heiland Zelf aangereikt? Een kleed, dat al onze zonden bedekt? Of schamen  we ons er voor dit kleed aan te nemen, een stapje terug te doen, ons hoofd te buigen?

Nóg klinkt de uitnodiging van de Heer: “Komt, want het is nu gereed!”

Amen.

Bijkomen in de Achterhoek

Mijn vrouw en ik zijn enkele dagen in de Achterhoek geweest, in Laren, bij mijn broer Wim, die daar met zijn vrouw Corrie riant woont aan het “Pieterpad”. Zij bewonen “De Oude School” naast de vroegere pastorie. Natuurlijk is dat gebouw destijds helemaal aangepast om er een geriefelijke woning van te maken en een -niet minder geriefelijke- kennel voor hun poedels.

Hond AlexanderMijn vrouw en ik zijn enkele dagen in de Achterhoek geweest, in Laren, bij mijn broer Wim, die daar met zijn vrouw Corrie riant woont aan het “Pieterpad”. Zij bewonen “De Oude School” naast de vroegere pastorie. Natuurlijk is dat gebouw destijds helemaal aangepast om er een geriefelijke woning van te maken en een -niet minder geriefelijke- kennel voor hun poedels. Want Wim en Corrie houden en houden van poedels! U weet wel: die zwarte roetmoppen! Zij fokken ze zelf en staan daarmee aan de top van het poedelras, niet alleen in Nederland, maar wereldwijd! Vroeger woonden ze in Apeldoorn en daar werd, meer dan veertig jaar geleden, de “Curlfinch” kennel al een begrip. Nu ze wat ouder zijn geworden delen ze de kennel met alle verplichtingen die daar bij horen (zoals tentoonstellingen bezoeken) met hun dochter Carla, die verderop woont, midden in het land, in een mooie boerderij. Carla fokt grote poedels, oftewel “koningspoedels”, terwijl Corrie en Wim het altijd gehouden hebben bij de zogenaamde “middenslag” poedels. Als u meer van hen wilt weten, moet u hun website http://www.curlfinch.nl/ eens bezoeken.

Kind met hondEnfin, wij gingen daar dus op bezoek. Van het drukke Barendrecht naar het stille Laren. Van de auto’s en de huizen naar de bomen en landweggetjes. Van de mensen naar de paarden en honden… Dat is een hele overgang! Niet voor niets is de Achterhoek zo in trek bij mensen, die het wat rustiger aan willen doen. De gepensioneerden vind je niet alleen in Spanje (de pensionado’s!), maar ook daar, meer en meer. En ze hebben gelijk! Het is een eldorado van rust en ruimte. Het geval wil, dat het huis van mijn broer, omdat het vroeger een school was, ook helemaal is aangepast voor rolstoelgebruik. En dat is voor mij natuurlijk heel plezierig, ik rijd er zo naar binnen in mijn rolstoel en het is daar zo ruim, dat je er naar alle kanten toe kunt bewegen, al rollend… Dat is een bijkomend iets, waar ze vroeger ook niet aan gedacht hadden, toen ze daar gingen wonen! Maar nu blijkt, hoe goed het was, want mijn broer is twee jaar geleden na een rugoperatie verlamd geraakt en totaal rolstoelafhankelijk geworden. Wij reden daar dus “in file” rond met twee rolstoelen! Tot groot plezier van de poedelschare, die tegen ons opklommen en een graag een rondje meereden. Ja, het is goed toeven in onze Achterhoek! Ook voor rolstoelers. En vanzelfsprekend voor fietsers en wandelaars! Nederland kan trots zijn op zo’n mooi stukje ongerepte natuur met hartelijke gastvrije mensen. Wij komen beslist gauw eens terug. U ook?

Meedoen met Jezus

Meedoen met Jezus

Mattheüs 25, 31-46

De laatste toespraak van de Heer Jezus, die Mattheüs voor ons bewaard heeft, laat ons de Heer zien als de rechter over alle volken, die met alle engelen voor Zijn troon zijn samengebracht. De rechtertroon wordt hier “troon van Zijn heerlijkheid” genoemd. Hij spreekt recht over alle volken en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals de herder de schapen scheidt van de bokken. Met “alle volken” zullen wel bedoeld zijn alle in die tijd levende heidense volken. Van de doden wordt niet gesproken. Rechts van Hem worden gebracht de rechtvaardigen, die goede werken hebben verricht. Links van Hem staan de verdoemden. Precies zoals het wordt afgebeeld boven het portaal van middeleeuwse kerken. De vraag rijst: kunnen mensen zalig worden alleen uit werken? Moet daar dan geen geloof bijkomen? Is het dan zo, dat ook mensen die nog nooit van Jezus gehoord hebben, zalig worden? Alleen omdat ze liefde hebben betoond? Zeg maar, omdat ze sociaal en humaan bezig zijn geweest?  Dat is een moeilijke vraag, die hier niet beantwoord wordt. Wel kunnen we stellen, dat de Mensenzoon iedereen vergelden zal naar zijn handel en wandel. Zo heeft de Heer het ons ook al voorgehouden in Mattheüs 16, 27b. Dit principe geldt zowel voor de Christen-gelovige als ook voor de heiden, die de Schrift nog niet kent. Beide mensengroepen worden naar een en dezelfde goddelijke gerechtigheid geoordeeld. Het komt dus aan op de innerlijke houding van de mens!

We moeten hier denken aan de gelijkenis van de boze wijngaardeniers in Mattheüs 20. De arbeiders van de eerste uren waren boos op de heer van de wijngaard, omdat hij de arbeiders van de laatste uren hetzelfde uitbetaalde als zij kregen. Dat is niet eerlijk! Zeiden zij. Wij hebben de hele dag geploeterd, terwijl zij…  Jezus zou geantwoord hebben: weten jullie dan niet dat de eersten de laatsten zullen zijn? Wanneer het jullie te min is de noodlijdende te voeden en te kleden, dan zijn jullie het hemelrijk niet waard! Het gaat de Heer om de mens, die achterop komt, die niet vooraan in de rij kunnen staan, om allerlei redenen – vult u zelf maar in. U mag hierbij ook gerust denken aan de asielzoeker, die uitgeprocedeerd is en op straat komt te staan en in de illegaliteit moet onderduiken. “Waarom kijken jullie scheel, omdat ik zo goed ben?” Jaloezie, harteloosheid, ik-zucht kunnen de mens nooit in het Koninkrijk van God brengen! Nogmaals: hier worden de eersten de laatsten en de laatsten de eersten.

“Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.” En het gaat daarbij niet om spectaculaire daden, maar om gewone kleine dingen, die eigenlijk in geen enkele verhouding tot de beloning staan. Wat is een beker water, een stuk brood, een overnachting of een bezoekje nou helemaal tegenover de erfenis van het Koninkrijk van God? Niets toch! Er wordt hier zelfs niet gezegd: een hulp aan de zuster of broeder in Christus, aan de geloofsgenoten, de mensen naast je in de kerk, je naasten.

Er wordt zelfs helemaal niet over geloof gesproken, ook niet staat er bij wat we bij Markus wel vaak zien “in Christus”, “in Mijn naam”, dus omdat jullie Christenen zijn. Nee, dat is kennelijk allemaal van ondergeschikt belang. Waarom doen mensen goede dingen aan elkaar, waarom zijn mensen aardig tegen elkaar, omdat ze een beloning verwachten? Nee toch! Gewoon, omdat sommige mensen niet anders kunnen, omdat -als het goed is – de barmhartige niet weet van zijn eigen barmhartigheid. Het is gewoon een levenshouding. Het zit in de genen, zouden we tegenwoordig zeggen. “Doe goed en kijk niet om!” “Laat de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet!” Niet om in de hemel te komen, doe je iets goeds, maar omdat je door je geweten -en ik denk dat dat liefde voor Jezus is – daartoe gedrongen wordt. Je kunt gewoon niet anders.

Dat is het eerste, wat we voor ogen moeten houden. De echte liefdedaden gaan zo maar, omdat je niet anders kunt. En ze zitten in de kleine dingen van het gewone leven. Niet een getuigenis in het groot, voor de massa, een girobiljet van duizend Euro of zo, een optreden en een verhaal voor de televisie, de dingen waarin vaak zo veel zelfzucht en verheerlijking van de mensen zit, tellen in het laatste oordeel, maar het kleine waaruit de echte liefde spreekt.

Nu komt het tweede punt: als de mensen aan de rechterkant van de koning vragen: “Wanneer hebben wij U gevoed, en wanneer hebben wij U gehuisvest en gekleed? En wanneer hebben wij U als zieke of gevangene bezocht?” Dan zegt Jezus: “Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van  deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan.” Vindt u het niet vreemd, dat zij dat zelf niet eens wisten? Je zou toch denken, als je voor Jezus moet verschijnen in het oordeel, dat je dan wel wat te zeggen hebt. Je zegt misschien: “Nou, Heer, ik bent altijd trouw naar de kerk gegaan, en ik heb keurig opgepast in mijn leven, iedereen altijd het zijne gegeven, dat is toch mooi hé?” Ik denk, dat de Heer helemaal niet naar ons zou luisteren! Heel gek. Ik denk, dat we dan helemaal aan de verkeerde kant zouden staan, niet rechts maar links! Want hier spreekt de hoogmoedige mens, die zichzelf op de borst slaat. Nee, de dingen waarvan je zelf niet eens weet, dat je ze gedaan hebt, die spreken voor jou, en die zijn voor Hem belangrijk! Het goede, wat je in heel kleine dingen aan heel kleine armzalige mensen gedaan hebt, die tellen in het Koninkrijk. Nou, dat mogen we ons vandaag wel eens laten gezeggen!

En dan is er nog een derde punt: de mensen, aan wie wij -in onze onwetendheid- goed doen, zijn hulpbehoevende mensen, voor wie wij in de eerste plaats “naaste” zijn, omdat zij een beroep op ons doen. Niet misschien met zo veel woorden, maar toch…  zij confronteren ons met ons zelf en met God, die ook hen geschapen heeft. Die andere mens is een schepsel van God als wij! Niet anders, maar hetzelfde. Er is voor God geen verschil in rassen en standen en geloven. Moslim en Hindoe zijn net zo goed Gods schepselen als de Christenen! En het is daarom een schande, dat de joodse priester en leviet de beroofde en geslagen mens aan de kant van de weg lieten liggen en de Samaritaan het werk lieten doen. En zo is het ook een schande, dat vandaag nog de een zich boven de ander verheft, Jood en Palestijn, Moslim en Christen en ga zo maar door. Wie is dan wel onze naaste, aan wie wij goed moeten doen? De mensen die niets terug kunnen doen, waaraan op menselijke wijze geen eer te behalen valt. Wat we aan die mensen doen , doen we aan Hem! Dat zijn de daden die tellen in het eindoordeel, daden die voor ons spreken zullen, omdat zij onze echte liefde laten zien.
Ik moet denken aan een schilderij, dat ik eens gezien heb: daar stonden allemaal gezichten op, huilende gezichten, verdrietige gezichten, geschonden gezichten, vertrokken gezichten, ingevallen en met zweren overdekte gezichten, en temidden van al die ellendige gezichten, als ‘t waren er uit te voorschijn komende, ontwaarde ik een ander gezicht: een blij en heerlijk, een goddelijk gezicht, het gezicht van Christus! Heel ontroerend: in al die hulpeloze mensen komt Christus tot ons!

Tenslotte, Gemeente, de waarschuwing in onze Evangelietekst: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkaar liefhebt… ” In alle spontaneïteit, zonder je zelf af te vragen: moet dat nou? Zon der ook zelf te weten, wat je doet, gericht op al die hulpelozen om je heen, zo moeten we elkaar liefhebben en vanuit deze liefde worden wij geoordeeld. Dat betekent echter ook, dat als je zo niet doet en bent, je dan veroordeeld wordt. Wat we niet aan een van deze geringste broeders van de Heer gedaan hebben, dat zal tegen ons spreken. Ook als we het nu nog niet weten, het allemaal straks geopenbaard worden, als Jezus terugkomt. Wat we wel gedaan hebben en wat we niet gedaan hebben, we weten het nu nog niet, maar Jezus zal het ons straks zeggen…  Het kan ons leven onzeker maken, maar het hoeft niet, want we mogen rekenen op Jezus’ liefde voor ons… Hij heeft ons wel lief gehad, tot aan de dood toe. Wat hebben we Hem en Zijn liefde nodig! Ook wij zijn toch die minste broeders van Hem? En Hij Zelf schenkt ons de beker met water, het levende water – dat Hij Zelf is – en brood – “Ik ben het brood des levens”, dat is Zijn lichaam, en Hij schenkt ons Zijn kleed: de mantel van Zijn liefde. Daarop kunnen we vertrouwen en zo mogen we -ondanks alles – met een gerust hart uitzien naar Zijn komst, ondertussen levend uit Zijn aan ons geschonken liefde. Zijn liefde dringt ons , als we maar dicht bij Hem blijven en onze ogen op Hem gericht houden. Kinderen kunnen het soms zo raak zeggen. Er is een boekje “kinderen schrijven aan God”. Bert is aan het woord. “Ik doe ook mee, uw vriend Bert.” Doet u ook mee? Doen we allemaal mee? Dat is toch ten diepste waar het om gaat in ons mens-zijn: dat we meedoen met Jezus, doen als Hij in het spel der liefde.

Amen.

Samen is niet alleen

Twee katten samen.Als je wilt troosten, is het heel belangrijk, dat je de ander niet alleen laat. Het franse woord “consolation” laat dat ook heel goed zien. Het betekent zoiets als “zorgen, dat iemand niet alleen is”.

Iemand, die in de rouw is of ander leed met zich mee draagt, voelt zich vaak zo alleen, zo verlaten en verworpen, uitgesloten, helemaal op jezelf teruggeworpen. “Je staat er toch eigenlijk helemaal alleen voor, je moet ’t toch allemaal zelf verwerken”, hoor je dan iemand zeggen. Natuurlijk, er komen best veel mensen bij je op bezoek, maar je kunt je dan toch nog erg alleen voelen. Al heb je een hele kamer vol mensen… is er wel één bij die echt naar je luistert, die invoelt wat jij moet doormaken?

Hoeveel mensen laten we eigenlijk niet in de steek? Ook als je zeggen kunt: “Ik ben er toch geweest?” Echt bij iemand zijn is een moeilijke opgave. Je moet je zelf wegcijferen, oor en oog hebben voor die ander, mee-huilen, mee-lijden. Ook gewoon samen stil zijn hoort daarbij. En zeker niet komen met je eigen verhaal! Dat kan altijd nog, als de ander er naar vraagt. Eerst moeten we bij die ander blijven en luisteren naar zijn of haar verhaal. Vaak gebeurt dit niet, is men te druk bezig met zichzelf, met eigen problemen. Is het dan een wonder, dat die ander zich niet gehoord en begrepen voelt? Een  echt gesprek komt dan niet tot stand, integendeel: het gesprek strandt en je gaat met een kater naar huis.

Het is soms ook niet gemakkelijk om te horen wat die ander zegt. Iemand, die verdriet heeft of pijn, komt daar vaak niet recht voor uit. Hij zegt dan : “’t Gaat wel”. Soms moet je er doorheen horen en alleen maar knikken of met een vraagje de ander uitnodigen verder te vertellen, bijvoorbeeld “Gaat het een beetje…”  Je gezicht is dan denk ik belangrijker dan je woorden. Je drukt er mee uit, dat je met aandacht luistert. Je zit zelfs iets voorovergebogen naar die ander toe, om maar geen enkel woord te hoeven missen…

Luisteren en nog eens luisteren! Niet bang zijn als ’t gesprek stil valt. De stilten spreken soms boekdelen. In het samen-stil-zijn sta je wellicht dichter bij elkaar dan wanneer je samen honderduit spreekt. De vrienden van Job hielden, toen ze bij Job op bezoek kwamen, zeven dagen hun mond. Als ze toen weggegaan waren, zouden ze voortreffelijke troosters geweest zijn. Ze hadden Job de gelegenheid gegeven uit te razen tegen God. De boosheid om het onrecht, je aangedaan, het gemis dat je niet dragen kunt, de ellende die je niet verdient… Heel de agressie om je bittere lot moet er soms uit, vóór je verder kunt. En de stroom van bittere tranen…

Wanneer iemand getroffen wordt door een groot verlies, dan overkomt hem een ijzige kilte. Hij slaat dicht, leeft in een soort verdoving, net alsof z’n gevoelens zijn uitgedoofd. Omstanders begrijpen dat soms niet. “Wat gek, dat vader (moeder) er zo koud onder blijft, hij (zij) huilt helemaal niet, net alsof het allemaal langs hem (haar) heengaat”. Zo hoor je kinderen wel eens zeggen bij de begrafenis van een van de ouders.

Tenslotte: kan een mens in diep leed wel getroost worden? Wil hij dat eigenlijk wel? Soms wil je liever bij je verdriet blijven. En ben je bang dat het je afgenomen wordt. Mensen praten het zo gemakkelijk weg of kleineren  het. Zou het niet daardoor komen, dat mensen zich soms toesluiten voor troost? Maar waar mensen echt mee-lijden en proberen het verdriet sámen te dragen, daar kan getroost worden. Sámen is niet alleen! Een trooster zal vooral met warmte en tederheid moeten komen, met een lieve mond, een zachte hand, een kloppend hart. En met respect voor die ander, zodat hij of zij toch ook zichzelf kan zijn en  bij zijn of haar verdriet kan blijven. Het verdriet moet je niet afgenomen worden, maar je moet geholpen worden het te dragen, er doorheen te komen, het te verwerken, het een plaats te geven in je leven, waardoor je met je leven weer verder kunt, de toekomst tegemoet.

Zomaar een pakje

Laatst ontving ik een pakje over de post. Het bleek een boekje te zijn met de intrigerende naam “Nederlandse Wind”. Het was mij toegezonden door onze ex-schoonzoon. Nieuwsgierig als ik ben, ging ik lezen. En ik viel van de ene verbazing in de andere!

Laatst ontving ik een pakje over de post. Het bleek een boekje te zijn met de intrigerende naam “Nederlandse Wind”. Het was mij toegezonden door onze ex-schoonzoon. Nieuwsgierig als ik ben, ging ik lezen. En ik viel van de ene verbazing in de andere!

Het boekje beschreef de werking van zogenaamde ‘opstellingen’ in ‘systemisch werk’. Ik had daar eigenlijk nog nooit van gehoord. Alhoewel, de achtergrond waar het over gaat was mij natuurlijk al lang bekend: dat de mens niet alleen staat, dat hij in zekere zin een product is van zijn genen, sociale ontwikkeling en plek in de maatschappij. Ieder mens behoort tot een systeem. Velen willen daar ook inzicht in krijgen, in dat systeem. Dat verklaart, waarom mensen op zoek zijn naar hun voorouders (genealogisch onderzoek) en hun ‘roots’ (programma’s als ‘opsporing verzocht’). De Duitse psychotherapeut Bert Hellinger gebruikt dit gegeven om mensen met persoonlijke problemen te helpen. Hij spreekt dan van “Systemische Familietherapie” oftewel “systemisch werk”. Het is een methode om verstoorde verhoudingen binnen de familie op te sporen. Zoals wij nu zijn heeft immers alles te maken met wie wij vroeger waren, waar we vandaan komen enzovoort. En waren er in het verleden verstoringen, dan werken die door naar het heden. En dat kan soms verklaren, waarom iemand niet goed in zijn vel zit of ergens een probleem mee heeft. Men maakt dan gebruik van zogenaamde “opstellingen”. Om te laten zien wat daarmee bedoeld wordt, laat ik het boekje aan het woord:

Opstellingen, een opmerkelijk verschijnsel.

Veel mensen in Nederland hebben de afgelopen jaren kennis gemaakt met familie- en organisatieopstellingen. Ze zijn naar seminars gekomen.
Via mond op mond reclame. Omdat iets hen daar bracht, soms onbenoembaar. En daar is dan een kring van mensen (de cursisten), en een begeleider of soms twee.
En terwijl in de kring van deelnemers de een na de ander kort zegt wat hem of haar hier brengt, wat hij of zij meer wil van het leven, bouwt de energie zich op. Wat is hier aan de hand? Soms is het net alsof, wanneer iemand spreekt, de mensen in de buurt de wind kunnen voelen die er waait in het systeem van de ander. En dan ontrolt zich een opstelling.
Degene die zijn of haar vraagstuk inbrengt kiest uit de overige deelnemers mensen die zijn familieleden representeren. “Wil jij mijn vader zijn?” “Wil jij mijn oudste zus zijn?”
En vervolgens worden de representanten door de cliënt (de vraagsteller) opgesteld, in de ruimte, naar een innerlijk beeld (zoals hij/zij ze ziet). En na enige momenten gebeurt er iets bijzonders: de representanten krijgen toegang, lijkt het, tot wat er werkelijk in het systeem van de cliënt speelt.
Ze voelen dingen die ze niet eerder hebben gevoeld: warmte, een koude arm, kracht, achterover getrokken worden, soms trillen. Ze voelen zich soms groot of hebben meer de neiging om te verdwijnen. En dat terwijl de representanten niets weten over het systeem en degene, die zij representeren. Wat is hier aan de hand? We kunnen dit fenomeen niet verklaren… Men spreekt wel van “wetende velden”, of “morfische velden”, “energievelden” of “systemische velden”. Wat het ook is, en hoe het ook werkt, het heeft er veel van weg  dat met behulp van deze velden naar voren kan komen wat er in het familiesysteem speelt.
Een dieper begrip van hoe we ingebonden zijn in ons familiesysteem, van de krachten die daar werken, buiten ons om, of we dat nu leuk vinden of niet. En voor deelnemers aan seminars is het idee alleen al een bevrijding, dat de worsteling in hun leven of relatie niet alleen te maken heeft met hun karakter of persoonlijk onvermogen, maar wellicht met iets dat ze overgenomen hebben uit hun familiesysteem. Uit liefde, vanuit een diepe verbondenheid met de familie en een behoefte het systeem in evenwicht te houden.

Aldus het boekje.

Toen ik dat zo las, dacht ik: zouden er in de Kerken ook zulke morfische velden liggen? Zou het zinvol zijn om ook eens een opstelling te maken tussen representanten van de vroegere Hervormde, de Gereformeerde, de Rooms-Katholieke, de Christelijk Gereformeerde, de Vrijgemaakten, de Evangelischen, de Luthersen, de Dopersen en gaat u maar door! Wat gaat er dan gebeuren? Welke gevoelens komen dan los? En hoe kunnen begeleiders de representanten zó neerzetten, dat spanningen minder worden? Iedere gelovige zit ook vast in zijn eigen systeem en reageert op andere gelovigen vanuit dat systeem. Wat zou het goed zijn, wanneer we daar wat meer inzicht in zouden krijgen! Veel problemen tussen Christenen onderling zouden dan tot een “oecumenische” oplossing komen. Wie weet? Ik wil mijn ex-schoonzoon dan ook van harte bedanken voor deze eye-opener!

Barmhartigheid, vrede en liefde

Het kleinste boek van de Bijbel, Judas, slechts één hoofdstuk, begint met een drietal woorden die de Bijbellezer niet onbekend zijn. Eerst is daar barmhartigheid, dat is Gods trouw, waarmee Hij voor ons opkomt in onze nood. Als God onze nood ziet, denkt Hij niet: dat heb je er nu van, dat heb je je zelf aangedaan, eigen schuld, red je dan ook maar zelf. Nee, zó zouden mensen denken, maar –gelukkig- God niet.

Judas 1, 2

“Barmhartigheid, vrede en liefde worden u vermenigvuldigd.”

Het kleinste boek van de Bijbel, Judas, slechts één hoofdstuk, begint met een drietal woorden die de Bijbellezer niet onbekend zijn.

Eerst is daar “barmhartigheid”, dat is Gods trouw, waarmee Hij voor ons opkomt in onze nood. Als God onze nood ziet, denkt Hij niet: dat heb je er nu van, dat heb je je zelf aangedaan, eigen schuld, red je dan ook maar zelf. Nee, zó zouden mensen denken, maar –gelukkig- God niet. Integendeel: Hij helpt ons uit de nood, Hij springt er middenin, Hij redt. Daarvoor is Jezus op aarde gekomen, om dát te laten zien! Jezus’ naam betekent ook “God redt”, dat is veelbetekenend: God is een-en-al meelevend, meelijdend met ons. In deze zin spreken we van Gods barmhartigheid en wensen we ook elkaar – zoals Judas dat doet – barmhartigheid toe.

En dan “vrede”, sjaloom. Dat is het heil, wat God aan de mensen schenken wil en dat alles omvat, de mens in al zijn doen en laten. Het gaat er om, dat de mens in de goede verhoudingen gaat leven met God, de wereld en zich zelf. Heb je ’t goed met God, dan heb je ’t ook goed met je medemensen en met je zelf. Dat wordt in de Bijbel “vrede” genoemd. Het betekent ten diepste, dat de mens opgenomen mag zijn in de gemeenschap van God.

En tenslotte “liefde”. Lees Philippenzen 2. We lezen daar hoe God Zich neerbuigt naar de mens, hoe Jezus de hemel verlaat om aan ons mensen gelijk te worden. Daarmee wordt alles weggedaan, wat ons nog van God scheidt. Zó groot is Gods liefde. Hij doet weg, vergeeft en zuivert, wat er verkeerd is. Hij ziet ons als ándere (lees: betere!) mensen. De liefde bedekt alles. Lees 1 Korinthe 13!

Wat bij God zó is, wat Zijn wezen uitmaakt, waarin wij Zijn genade mogen ontvangen: barmhartigheid, vrede en liefde, dat bidt de apostel Judas ook ons toe. In Christus zijn zij al ons deel, dat is zeker, maar Judas wil, dat het ook in de praktijk van ons leven “barmhartig, vredig en liefdevol” zal toegaan. Laten we daar dan ook voor onszelf en voor elkaar om bidden en daarin Gods zegen ontvangen!

Paulus en Ananias

Paulus en Ananias

Handelingen 9, 10-17

Handelingen 9 beschrijft de bekering van Paulus. Daarin neemt de persoon van Ananias een bijzondere plaats in. Eigenlijk komen we hem maar éven tegen. Hij valt nauwelijks op in die dramatische geschiedenis van Paulus’ bekering. Toch neemt hij er een eervolle plaats in. Heel anders dan zijn naamgenoot in Handelingen 5. U weet wel, die man die samen met zijn vrouw Saffira zo’n droevige rol heeft gespeeld in de eerste Gemeente door geld achter te houden na de verkoop van een stuk grond.

Maar de Ananias in Damaskus wordt heel eervol vermeld in onze Schriftlezing. Hij mag de beroemde Paulus in zijn huis opnemen. Ja, zelfs in de Gemeente van Damaskus! En God gebruikt hem om Paulus -zeg maar- te bekeren. Want dat is nog een heel proces geweest, die bekering van Paulus, gelooft u dat maar. Een mens draait niet zo gauw 180 graden om! Daar moet toch heel wat voor gebeuren. Maar dat gebeurde er ook met Paulus. Hij was onderweg naar Damaskus om de Gemeente daar te vervolgen. Toen verscheen Christus hem in een lichtende gestalte….. en opeens wist ie dat ie fout zat met de vervolging van de Christenen. Hij was op de verkeerde weg en moest zijn leven gaan veranderen. De EO had daar ook een programma over: God verandert mensen. Maar dat is niet zo eenvoudig. Paulus heeft daar gerust mee gezeten. Hij voelde zich een  gebroken man, gekweld door berouw en schuldgevoelens, onzekerheid en herinneringen aan het leven dat achter hem lag. Drie dagen zat hij zo, hij zag niets, hij at niet en hij dronk niet, echt een gekwelde geest.

KattendijkeToen kwam Ananias en legde hem de handen op en sprak de vertroostende woorden: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op de weg, waarlangs gij gekomen zijt, opdat gij weer zoudt zien en met de Heilige Geest vervuld zou worden.” Toen vielen hem de schellen van de ogen en hij stond op en werd gedoopt. Hij begon weer te eten en werd gesterkt. De apostel was over het dode punt heen. Het leven lachte hem weer toe. Hij wist dat Jezus hem vergeven had. Het oude was voorbij. Ananias riep hem tot een nieuw leven in Gods Naam.

Daarom is deze man, die zo maar uit het niets te voorschijn komt, toch een  heel bijzondere en kleurrijke bijbelse figuur. Hij was waarschijnlijk maar een eenvoudig Gemeentelid, net als u en ik, maar God wilde hem wel gebruiken. Dat is voor ons, denk ik, ook heel bemoedigend. God verandert niet alleen mensen, maar Hij gebruikt ook mensen, eenvoudige gewone mensen. God gebruikt ze voor Zijn dienstwerk. Dat deed Hij vroeger en dat doet Hij nog! Wij kunnen daardoor elkaar tot zegen zijn, de een de ander, zoals Ananias en Paulus. Wij kunnen elkaar niet bekeren, dat kan God alleen . Maar we kunnen elkaar wel de weg effenen…We kunnen elkaar helpen over moeilijke momenten in het leven heen te komen. Dat laat onze geschiedenis duidelijk zien.

En, Gemeente, daarin zit iets bemoedigends. Ook iets ontroerends. Dat dát nog kan in deze wereld, waarin iedereen zijn eigen weg lijkt te gaan. Want zeg nou eens eerlijk: wij denken vaak zo weinig aan elkaar. Wij hebben het wel over mantelzorgers, maar we moeten er niet aan denken ook zelf zo’n mantelzorger te worden. We leven zo gemakkelijk langs elkaar heen. Dat zou anders moeten! We weten ‘t, maar hoe? Kijken we naar Ananias!

DamascusAnanias gaat naar het huis, waar Paulus zich ophoudt. Hij doet dat niet uit zichzelf, maar hij kreeg een opdracht van de Meester: “Ga naar de straat genaamd de Rechte en vraag in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd Saulus”. Eerst zag Ananias dat helemaal niet zo zitten. Hij had van die Saulus gehoord en begreep natuurlijk helemaal niet, dat God die man wilde gebruiken. Maar als hij hoort dat Saulus aan het bidden is en voor de Heer een uitnemend werktuig zal zijn om Diens naam te brengen voor heidenen en koningen en de kinderen van  Israël, dan buigt Ananias het hoofd en hij gáát. Als de Heer Zelf het zegt, dan moet je toch wel? Of je ’t leuk vindt of niet, je gehoorzaamt. Natuurlijk zag hij er tegen op. De Gemeente van Damaskus had gesidderd, toen zij hoorde dat die Saulus naar hen onderweg was. Zij hadden wel gehoord, dat die verschrikkelijke vijand als ’t ware door God Zelf voor de poorten van de stad was neergeveld, maar de angst was toch nog niet over. Je weet maar nooit met zulke mensen! En nu moet hij, Ananias die gevaarlijke man gaan opzoeken! Toch gaat hij, want de Heer had hem geroepen. De Heer zei: “Ananias” en hij zei “Zie, hier ben ik, Here!”
Dat is het eerste, wat wij van Ananias kunnen leren. Als de Heer ons roept, antwoorden wij dan ook zó? Horen wij Zijn roepstem  wel? En zeggen wij dan ook “Zie, hier ben ik, Here”?

Of zou dat vandaag niet meer gebeuren? Ik denk eerder, dat onze oren er niet naar staan. Wij hadden  het zo druk met vele dingen, er waren zo veel stemmen in ons hoofd… dat die ene stem van de Heer er helemaal niet doorheen kon komen. Maar als u aandachtig had geluisterd, als er stilte was in uw leven en aandacht voor God, dan had u die stem zeker ook gehoord!  De stem die tot u sprak: “Ga eens naar die en die toe………” Zou u dan ook niet geantwoord hebben: “Zie, hier ben ik, Here. Ik ga al”?
We weten het wel: er zijn zoveel mensen, die hulp nodig hebben en wij voelen ons zo machteloos om voor al die mensen iets te betekenen. We kunnen ze toch niet allemaal helpen?
 
Prof. Hoekendijk zei indertijd tegen me, toen ik bij hem in Utrecht examen deed en getuigde van mijn motivatie om predikant te worden (namelijk om mensen te helpen): “Denk er aan, je kunt niet de lasten van heel de wereld op je nemen, je bent geen atlas, dat is er maar EEN”. Dat heb ik ervaren ook in het leven dat achter mij ligt. Maar je kunt misschien wel voor één van al die hulpbehoevende mensen iets betekenen, een hulpje, een wegwijzer, een beetje troost, En als we ons daarvoor openstellen, zal God ons vast en zeker wel iemand aanwijzen. Luisteren en gehoorzamen, daar kom ’t op aan, ook in ons leven. Dat laat Ananias ons hier duidelijk zien!

Er is nog meer, dat we kunnen leren. Als Ananias bij Saulus komt, is zijn angst opeens verdwenen. Want hij weet ‘t: de Heer zal mij helpen om de juiste woorden te vinden. Ik kom immers niet uit mijzelf, maar in opdracht. En dat maakt een groot verschil! Als we uit onszelf moesten komen, zouden we ’t denk ik niet kunnen. Wat moet ik zeggen? Wat moet ik doen? Ik heb zelf maar zo’n klein geloof! Mensen, die zieken en eenzamen en rouwenden opzoeken, hebben daar allemaal last van. Je voelt je zo machteloos. Ananias had dat vast en zeker ook. Maar toen het er op aan kwam, was de angst verdwenen. Er was zekerheid voor in de plaats gekomen, overtuigingskracht. Hoor ‘m spreken: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden”.

DamascusAls je met zo’n opdracht van God komt, dan mag je ook vertrouwen hebben in een goede afloop van de zaak. Waarom kunnen wij vaak zo weinig helpen? Omdat dit vertrouwen ons ontbreekt. We komen niet namens God, maar veel te veel namens onszelf. En dan blijkt onze eigen armoede. We staan niet in Gods kracht, maar in onze eigen machteloosheid. Misschien hebben we van tevoren wel gedacht: het helpt toch niets! Dat is onze zwakte! Maar als wij komen als gezanten van de Meester, die ons roept en stuurt, dan valt die armoede en dat verlammende gevoel van machteloosheid weg. Wij weten dan wát wij te brengen hebben…

Natuurlijk hebben wij niet direct dat allerhoogste te geven, wat Ananias aan Saulus geeft. Niet ieder heeft ook nodig, wat Saulus nodig had. Maar wij kunnen wel een beetje meeleven en blijdschap uit de Heilige Geest schenken en niet te vergeten: helpende handen! En natuurlijk een liefdevol hart. Zegt het spreekwoord niet: “Een blijde mond maakt het hart gezond”?

Dat zat er bij Ananias ook. Als hij alleen maar gezegd had: “Saulus, God heeft mij gestuurd….” Het zou niet geholpen hebben. Maar hij laat zijn warme hart zien: “Saul, broeder…” Hij verwijt hem niet dat hij de Christenen zo had vevolgd, hij is niet haatdragend, maar warm en vergevingsgezind. Dit had de Heer er niet bij gezegd, dat hij zó moest spreken. Maar hij deed het uit zich zelf, omdat hij de Heer liefhad….. Daarom was hij ook zo’n goed instrument in Gods zaak, waarom de Heer juist hem uitgekozen had.

KattendijkeAls die er niet is, de spontane hartelijke genegenheid, dan bederven wij er alles aan. Gehoorzaamheid, dat is één ding, maar liefde moet daar bij komen, dat is het tweede ding! “Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad”. We weten ’t wel, maar doen we ’t ook? Kúnnen we ’t ook? “Saul broeder…..”Zo echt gemeend, “broeder, zuster, m’n kind”, dat opent het hart van de ander. Maar als het alleen maar formeel is, dan sluit dat hart zich toe, dan voelt die ander zich niet begrepen en eigenlijk in de steek gelaten. Daar moeten we wel voor oppassen, als we naar iemand toe gaan, die onze hulp nodig heeft. Als God ons naar iemand toe stuurt, laat het dan écht zijn, spontaan en welgemeend. En vooral van harte! Alleen zó ben je geloofwaardig. Je komt met je zelf, maar namens de Ander. Je cijfert je zelf eigenlijk weg en laat die Ander spreken. Geen eigen roem dus. Ananias, van hem horen we verder ook niets meer. Saulus had hem niet meer nodig. Dat is een les, die wij ook leren moeten: dat je niet meer nodig bent! Er is een tijd om te helpen, er is ook een tijd om afstand te nemen, als je taak is volbracht.

In dit alles, Gemeente, schikken we ons naar Gods wil. Hij moet het maar zeggen in ons leven. En wij? Gehoorzaamheid,  liefde, zelfverloochening en bescheidenheid, daar kunnen we ’t mee doen. Dat moet ons antwoord zijn op Gods roepstem. Dat is het voorbeeld, dat Ananias ons gegeven heeft.

Amen

Troost van God

1 Tessalonicenzen 4, 13

Rouwen is een proces waarin de emoties los komen. Verlies roept heel diepe gevoelens op: pijn, woede, teleurstelling, verlatenheid. Die gevoelens moet je leren kennen en onder ogen durven te zien. Je mag ze ook uiten. Pas dan leer je je verlies te aanvaarden. Je kunt er verder mee leven. Pas dan kun je ook weer aan  de toekomst denken en nieuwe relaties aangaan. De Kerk heeft daar niet altijd oog voor. Misschien wordt al te gemakkelijk gesuggereerd, dat je niet zo verdrietig hoeft te zijn, vanuit je geloof. We hebben toch Gods belofte van het eeuwige leven? De doden hebben ’t nu toch beter, in Gods paradijs? Waarom dan zo getreurd? En dan wordt wel eens bovengenoemde tekst aangehaald:

“Jullie moeten niet bedroefd zijn als andere mensen die geen hoop hebben.”

Alsof je in het geloof geen verdriet hoeft te hebben! Een heel ongelukkige tegenstelling. Rouw en geloof kun je zo niet tegenover elkaar plaatsen. Dat bedoelt onze tekst ook helemaal niet. Het gaat daar niet om rouwen en niet rouwen (=geloven). Maar de schrijver spreekt over “rouwen in de hoop en rouwen zonder hoop”. Als wij rouwen, dan doen wij dat in de hoop op de opstanding! ’t Is niet hopeloos, maar daarom niet minder erg. Je lijdt er net zo onder, het is hartverscheurend. Dat dát zo is, wordt in de Bijbel ook nergens ontkend. Integendeel. Jezus rouwde om zijn vriend Lazarus en Hij weende over Jeruzalem. En hoor hoe Job bitter klaagt en lees de Klaagliederen van Jeremia. Weeklagen over een verlies. God zelfs verwijten maken. Dat alles is niet on-Bijbels, maar juist echt Bijbels. De Psalmen en de profeten staan er vol van. Dat alles is zo heel menselijk. Net zoals bij ons.

Tegen wie richt zich de klacht in ons eigen leven? Vaak reageren wij af op degenen, die naast ons staan: man, vrouw, kinderen, ouders… Zo reageren de gelovigen af op hun God. Zo erg, dat ze van God helemaal niets meer willen weten. Zij zijn hun geloof kwijt, de God op Wie zij altijd zo gesteund hebben. Ja, dat is ook een manier van afreageren.

Psychologisch heel begrijpelijk. ’t Zou eerder gek zijn als dat anders was. Zulke gevoelens van bitterheid, agressie, ontkenning en van-God-verlaten-zijn passen echt bij het rouwproces. We hebben vanuit de Griekse cultuur meegekregen, dat je je gevoelens beheersen moet. De zgn. Stoïcijnse levenshouding. In alles matigheid en beheersing. En dat speelt ons vaak parten bij de rouwverwerking. Ons is altijd geleerd dat je flink moet zijn. En dat hoor je dan ook wel eens in een situatie van rouw en verdriet: “Hij (zij) is nog zo flink!” Het zou beter zijn, wanneer een verdrietig mens zich niet zo flink hield, maar het verdriet kon laten zien.

Gelovige mensen moeten vanuit de Bijbel opnieuw leren, wat het betekent rouw te dragen en in rouw elkaar troostend nabij te zijn. We hebben geen klaagzangen meer in de kerk, jammer eigenlijk. Maar we hebben nog wel tranen, die we mee kunnen vergieten met degenen die lijden aan een groot verlies. Condoleren betekent “meelijden”. Met de ander bewogen zijn, de diepte ingaan. En dat kan soms een hele moeilijke en lange weg zijn.

De diepste troost mag je van God verlangen. Daarom mag een mens ook zijn klacht tegen God uiten: “Wat doet u nu met me? Waaraan heb ik dat nou verdiend?” Dat is geen teken van ongeloof, maar juist van geloof! Want het laat zien, dat je een relatie met God hebt. Soms moet je met Hem vechten net als Jacob bij de Jabbok. Maar de hoop overwint: dat niets ons kan scheiden van de liefde Gods in Jezus Christus. Het is die hoop, die de verdrietige mens troost geeft en aan de menselijke troosters de kracht om vol te houden.

 

Wees getroost

Vader en God van alle troost,
Verleen ons door Uw heilig Woord en Uw Geest,
Een vast, opgewekt en dankbaar geloof,
Opdat wij deze en alle nood,
Zalig kunnen overwinnen.
Laat ons eindelijk proeven en ervaren,
Dat het de waarheid is,
Wanneer Uw lieve Zoon Christus Zelf spreekt:
“Wees getroost, Ik heb de wereld overwonnen.”

Vader en God van alle troost,
Verleen ons door Uw heilig Woord en Uw Geest
Een vast, opgewekt en dankbaar geloof
Opdat wij deze en alle nood
Zalig kunnen overwinnen.
Laat ons eindelijk proeven en ervaren
Dat het de waarheid is,
Wanneer Uw lieve Zoon Christus Zelf spreekt:
“Wees getroost, Ik heb de wereld overwonnen.”

Een gebed van Maarten Luther. Het wijst ons op God, Die de grote Trooster is. Mensen mogen dat soms ook zijn. Dr.D.Lissenburg zegt in zijn boekje “Troost voor mensen  in rouw”, dat troost een teken is dat heenwijst naar de Trooster. Maar dan moet het wel echt uit het hart gegrepen zijn! Geen clichés alstublieft. Het helpt zeker niet, als je troost met “je bent niet de enige, die er slecht aan toe
is”. Gedeelde smart is halve smart…, o ja, maar dan alleen als ook echt gedeeld wordt.

Het helpt niet als gezegd wordt (en hoe vaak hoor je dat niet?): “het zal wel ergens goed voor zijn, wie weet waarvoor hij of zij gespaard is, het had nog erger kunnen zijn…” Dat is echt schrale troost!

Vaak is de enige troost die mensen elkaar aanbieden: dat zij geduld moeten hebben, dat het allemaal wel goed komt. Daar heb je echt niets aan! Maarten Luther wijst dan ook niet op mensen, maar op Christus Zelf, Die de mensen troost met het feit dat Hij de wereld heeft overwonnen. In Johannes 14, 16 staat dat Hij de Trooster zal geven: de Heilige Geest. In het Grieks heet Trooster ‘Parakletos’, dat is ‘Degene die er bij geroepen wordt’. Het Latijnse ‘advocatus’ betekent hetzelfde. We hebben soms een advocaat nodig! Iemand die ons bijstaat. De discipelen hadden het erg moeilijk, toen Jezus van hen was weggegaan. Zij voelden zich als ‘wezen’, zo eenzaam en verlaten, zonder vader en moeder. Maar zegt Jezus: het zal niet zo blijven, er komt een Bijstand, een Trooster. Zo mag het ook met onze troost zijn: hulp, bijstand, steun!

Als we bij een rouwende komen, zeggen we zo gemakkelijk: ik condoleer u, om aan te geven dat je met die persoon meeleeft. Maar ‘condoleren’ betekent eigenlijk ‘meelijden’. Dan gaat het niet zo zeer om meeléven, maar om meelijden. Dat gaat veel dieper! Dan zijn ‘t  niet alleen woorden, maar je biedt je  hulp en steun aan, je zelf met wie je bent en wat je hebt. Wij worden er bij geroepen om zó te helpen!

Vasthouden

Als je ouder wordt heb je de neiging om steeds meer over vroeger te gaan nadenken. En als je nog een partner hebt, kun je met haar of hem oude herinneringen ophalen. Ik betrap me er ook zelf op. Noem het een “hang naar het oude”. Wat is het een zegen, wanneer je dat nog met iemand kan delen! Wat heb je elkaar daarbij ook nodig!

Als je ouder wordt heb je de neiging om steeds meer over vroeger te gaan nadenken. En als je nog een partner hebt, kun je met haar of hem oude herinneringen ophalen. Ik betrap me er ook zelf op. Noem het een “hang naar het oude”. Wat is het een zegen, wanneer je dat nog met iemand kan delen! Wat heb je elkaar daarbij ook nodig!

Laatst hoorde ik van iemand een stukje levensverhaal, waarin we zeker ook iets van onze eigen ervaringen kunnen herkennen.Wanneer je in de put zit of verdriet hebt, heb je behoefte aan mensen bij wie je kunt uitpraten, schelden misschien of uithuilen. Je beseft dan des te beter dat je het niet alleen kunt, dat je mensen nodig hebt die je kunt vertrouwen en bij wie je je kunt laten gaan. Vaak is het moeilijk om dat toe te geven. Je wilt niet afhankelijk zijn. Maar als je zo iemand gevonden hebt, wat is het dan fijn dat je je aan hem (haar) kunt optrekken! Na verloop van tijd ga je dan ook merken, dat je het weer zelf kunt en die ander gelukkig niet meer zo nodig hebt. Maar je weet, dat je altijd bij iemand terecht kunt. Want leven blijft altijd “leven met vallen en opstaan”.

In het geloof vinden we die IEMAND bij God en de Heer Jezus. En wie HEM gevonden heeft, mag zich gelukkig prijzen. Maar veel mensen hebben Hem nog niet gevonden of zijn Hem kwijt geraakt. God is vaak zo ver weg, en je verdriet is zo heel dicht bij. Wat is het dan fijn, wanneer je iemand hebt, die je daarbij helpt, om Hem te vinden. Het kan een buurman zijn of een vriendin of een familielid of misschien wel de dominee.

Elkaar vasthouden en op weg helpen. Mensen hebben elkaar zo nodig. Ook u mag worden gebruikt en ook u mag op een ander een beroep doen. U hoeft zich daarvoor niet te schamen.

Soms kan het ook anoniem, met iemand die je op een website ontmoet hebt b.v. Zo heb ik verschillende contacten gekregen via de e-mail, naar aanleiding van deze site.

Zie ook de artikelen over rouw en troost in de rubriek ‘rouw en rouwverwerking’.

Danklied na uitredding

Danklied na uitredding

Psalm 30

Nicolaaskerk BrouwershavenPsalm 30 is een lied van dankbaarheid, na het ontvangen van hulp en troost van Boven. Een danklied van iemand, die na een zware ziekte hersteld is, die op ’t kantje van de dood gelegen heeft. Zo’n Psalm is wel heel actueel. Immers ook vandaag worden velen door ziekte en dood getroffen.

De Psalm is echt een lied uit het oude oosten. We vinden daar gedachten, die we wel vaker in het Oude Testament tegenkomen. Zoals dit: dat ziekte en handicap gezien moeten worden in  het licht van Gods toorn. Dat God ook uit liefde Zijn volk langs een diepe weg kan leiden, daar had de dichter nog geen oog voor. Ziekte als bestraffing van God wordt zo voor de vijanden een reden tot triomf! Zeker, als deze met de dood eindigt. Van meeleven en meelijden horen we hier niets. Alleen van leedvermaak is er sprake. Gelukkig denken we daar vandaag wat anders over!

De dichter bidt wel tot God, toen hij in nood was. Dat is heel mooi. Maar wat hij tegen God zei, dat zouden wij nooit doen, denk ik. Hij herinnerde er God aan, dat God er niets aan zou hebben, wanneer de dichter dood ging. Doden immers kunnen God niet meer loven en prijzen! Het zou voor God verlies betekenen, wanneer er weer één minder op aarde zou zijn, die Gods lof kon verkondigen.

In de Psalm horen we niets over een leven na de dood. Voor de dichter is de dood een laatste verschrikking: het totale niets, het eeuwige zwijgen. Dat er iets na de dood komt, iets moois, iets van God, daar had de dichter nog nooit van gehoord. Dat de doden tot leven komen om mooier dan ooit God de lof toe te zingen, dat was hem nog verborgen.

Nicolaaskerk BrouwershavenZo zijn er heel wat dingen, die wij in de Psalm missen. Toch heeft het lied ons heel veel te zeggen. En dat komt, omdat het zo echt doorleefd is, zo echt menselijk. Hoe duidelijk herinnert zich hier een mens die lange bange nacht, toen zijn ziekte het hoogtepunt bereikt had. Hij gaf niets meer om zijn leven. En zijn familie was gekomen om afscheid van hem te nemen. De nacht van de crisis… en toen de nieuwe dag, waarop duidelijk werd dat de crisis voorbij was en de zieke gered. Wat was hij toen blij! Hij kon niet anders dan God daarvoor danken, want God had daarvoor gezorgd. Zijn gebed was verhoord.

In de avond komt de nacht met geween,
Tegen de ochtend is er gejuich!
U veranderde mijn rouwklacht voor mij in een reidans,
Scheurde mijn treurkleed open,
Met vreugde hebt gij mij omgord!
   (Naardense Bijbel)

Maar dan voelt de mens zich ook verplicht om God daarvoor te loven en te danken in een lied. Want echt Israëliet als de dichter is beseft hij ten volle, dat het God in die redding niet zo zeer gaat om de mens in nood, maar veeleer om Zich Zelf. Zijn naam moet daardoor groot gemaakt worden! Hij moet er door verheerlijkt worden!

Zodat voor u zal musiceren: glorie,
En niet zwijgen:
Ene mijn God,
Ik zal u eeuwig danken!

Misschien heeft u ook wel eens zoiets meegemaakt, dat je op ’t nippertje van de dood gered bent als door een wonder. Mag ik u vragen, wat u toen gedaan hebt? Toen u in die nood verkeerde en daarna, toen de nood over was? Hebt u toen ook gebeden om uitkomst? En daarna: gedankt? Gedankt met een lied en met uw leven, dat u als ’t ware had teruggekregen? Voor mensen, die bijvoorbeeld een hartinfarct hebben gekregen, ziet het leven daarna er heel anders uit. Je bent dankbaarder, maakt je niet meer zo druk om vele dingen. Je gaat meer relativeren: zo veel zaken zijn o zo betrekkelijk, als je eens de dood in ogen hebt gezien.

Maar zeg eens eerlijk:  was het zo ook bij u, die dankbaarheid en het zingen van een danklied? Of is dat ver een beetje bij in geschoten? Gebeden zult u wel hebben. Het spreekwoord zegt niet voor niets: “Nood leert bidden”. Maar wat daarna had moeten komen… Ach, een  mens heeft goede voornemens, maar er komt zo weinig van terecht, de nood is weer gauw vergeten niet waar?  Zo gauw je ’t zelf allemaal weer kunt, heb je God niet meer nodig! Dat is heel erg. Dat moet God wel pijn doen.

Kijk, zó was onze dichter niet! En wij kunnen ’t van hem leren, hoe het moet, hoe het anders kan.

Want een oogwenk gaat er in zijn toorn,
Maar een leven in zijn welbehagen.

Nicolaaskerk BrouwershavenIk denk, dat de dichter hiermee wil zeggen, dat de mens, op wie Gods toorn rust, slechts een ogenblik heeft, ’t is gauw met hem afgelopen! Maar wie leeft uit Gods welbehagen, die heeft het échte leven te pakken! Het is duidelijk, dat wij ogenblik en leven niet moeten meten met onze tijdsmeter, want dan komen we er nooit klaar mee. We moeten ze meten naar Gods maatstaven. Bij Hem geldt als kort, wat wij een lange tijd achten, en omgekeerd kan een ogenblik in Zijn gemeenschap een eeuwigheid van zaligheid zijn. Het zijn dus geen chronologische, maar kwalitatieve begrippen.

Kijken we nog eens naar de hele Psalm, dan wordt ons wel zoveel duidelijk, dat hier een man aan het woord is, die zijn lesje geleerd heeft. De zware ziekte, waaruit hij gered is, heeft hem dit geleerd: dat ons leven toebehoort aan God, of -zoals de Naardense Bijbel vertaalt- de Ene.

En dat dit te weten je verdere leven in een geheel ander perspectief zet! Als we dat eens van elke ziekte en bij elke zieke konden zeggen, wat zou dat heerlijk zijn. Elke ziekte mag als een roepstem van God ervaren worden, om je te bezinnen op een ander leven, meer aan God gewijd: een leven in Zijn welbehagen!  Maar wordt die roepstem ook gehoord en verstaan? En worden mensen daardoor veranderd?

De dichter heeft die roepstem wel verstaan. En dat was nodig ook, want het zou hem vergaan zijn als de meeste mensen. Toen alles hem voor de wind ging, dacht hij niet aan God. Hoort u zelf maar:

Ik heb zelfverzekerd gezegd:
Ik wankel in eeuwigheid niet!

Hij dacht dat het geluk niet op kon en dat hij alles zelf goed in handen had, zelfverzekerd, en hij vergat wat hij later wel leerde inzien:

Ene,
In uw welbehagen
Gaf u mijn berg een sterke bijstand,
U verborg uw aanschijn
En ik was verbijsterd!

Dat is zo echt menselijk: in voorspoed denkt de mens God niet nodig te hebben. Je zit als ’t ware op een berg en voelt je onoverwinnelijk. Mij kan niets gebeuren! Maar o wee, als de nood aan de deur klopt, er komt ziekte of handicap of zelfs dood, waar blijft die mens dan?

God keert Zich van je af, zo voelt het, en je bent verbijsterd!

Als je dan nog bidden kunt, ben je goed af. Nood leert bidden, ik zei het al. Maar het omgekeerde is ook waar: bidden leert ook onze eigenlijke nood. Toen de dichter tot de Ene bad, besefte hij opeens ook hoezeer hij Hem vergeten had. Hij had gelukkig thuis nog bidden geleerd. Voor veel mensen vandaag is dat niet meer het geval. Waar moeten zij hun troost zoeken, als er tegenslag en verdriet komt? Tot wie kunnen zij zich nog om redding wenden? Tot doctoren? Professionele hulpverleners? Instanties? Mantelzorgers? Best goede en bekwame mensen, maar het zijn ménsen, het is mensenwerk. Zouden we niet een Hogere Instantie nodig hebben?

Nicolaaskerk BrouwershavenOok zijn er nog mensen, die het bidden wel in hun jeugd geleerd hebben, maar in de loop van het leven weer afgeleerd. Mensen die door de tegenslagen van het leven te verbitterd zijn geworden om nog te kúnnen bidden. Wat jammer toch! Want in de nood is er toch maar Een, die redden kan: de Ene! En wie dat ervaren heeft, die wordt een ander mens, dat kan niet anders. Soms is er een ziekte nodig om ons te doen veranderen, om ons aan God te herinneren. Achteraf bleek de dichter, dat zijn ziekte toch eigenlijk geen blijk was van Gods toorn, zoals hij zelf eerst dacht, maar juist een uiting van Gods zoekende liefde. Zou dat met ons ook niet zo kunnen zijn? “Degene, die God liefhebben, werken alle dingen mee ten goede” (Romeinen 8, 28).En ook degenen, die God niet liefhebben, moeten weten dat hun tegenspoed in het leven kan meewerken ten goede. Als hun ogen maar open gaan voor God en Diens leiding in hun leven.

Kijk, niet voor eeuwig verstoot hij,
mijn Heer;
Kijk, als hij iemand bedroefd heeft
zal hij zich weer ontfermen,
zo groot is zijn vriendschap;
Kijk, niet van harte verdrukt hij
en bedroeft hij de zonen van een man.
(Klaagliederen van Jeremia 3, 31-33 in de vertaling van de Naardense Bijbel)

Laten we dat in ons eigen leven ook gaan toepassen!

We moeten ons afkeren van eigen kracht en toewenden naar Gods kracht.

Ene mijn God
Ik zal u eeuwig danken!

Amen.                             

Troost van God en troost van mensen

Troost van God is het beste wat een mens kan overkomen, als hij het moeilijk heeft. Toch is het niet zo gemakkelijk daarover te spreken.

Kopje koffie (bakkie troost)Troost van God is het beste wat een mens kan overkomen, als hij het moeilijk heeft. Toch is het niet zo gemakkelijk daarover te spreken. Het wordt gauw een beetje goedkoop, als je tot een rouwende zegt: “Kop op, hoop op God, het hart naar boven…” Je hebt gemakkelijk spreken met zulke “grote” woorden, maar het moest je zelf maar eens overkomen!

Wanneer mensen soms zo spreken, staan ze Gods troost meer in de weg dan dat ze die brengen. Meestal kunnen mensen beter zwijgen, wanneer ze bij iemand komen die verdriet heeft. Woorden zijn vaak te veel, want echt verdriet… daar zijn geen woorden voor. Het is wel van belang, dat mensen komen en trouw zijn in hun bezoek, in het aanbieden van hulp. Dat op zich al geeft troost.

In het woord “troost” zit, heel diep verborgen, het woordje “trouw”. Je troost iemand door hem of haar niet in de steek te laten. Dit wordt wel eens al te gemakkelijk vergeten, vooral door gezonde mensen. Ze blijven dan bij  zieken en weduwen en weduwnaren weg. Ze vinden het dikwijls ook eng om naar het ziekenhuis of verpleeghuis te gaan of iemand op te zoeken, die net een man of vrouw verloren heeft. Ook best te begrijpen, dat ze er tegen op zien. Je weet immers niet, wat je moet zeggen, het is allemaal ook heel bedreigend voor je zelf. Maar je hoeft toch ook niet altijd wat te zeggen? Dat zal niemand van u vragen. Als je er maar bent en  luistert en misschien samen bidt. Samen kun je dat verdriet beter aan. Je hebt elkaar zo nodig!

Ik noemde net, dat een zieke en rouwende ook bedreigend kan zijn. Je wordt met iets geconfronteerd, dat je liever uit de weg gaat, waaraan je niet herinnerd wenst te worden. Dat je zelf ook wel eens ziek zou kunnen worden of iemand zou kunnen verliezen, van wie je veel houdt. Daarom voel je je niet op je gemak. Soms heb je dan als zieke het gevoel, dat je zelf moet gaan troosten in plaats van getroost te worden! Doe dat dan ook maar en stel de bezoeker op zijn gemak. Zeg hem hoe zeer je ’t waardeert dat hij of zij toch gekomen is en dat je ’t begrijpt hoe moeilijk het voor die ander is. Dan kan ziekenbezoek, wat zo moeilijk leek, voor de bezoeker tot troost worden.

Troost heeft te maken met trouw. Trouw zijn in de kleine dingen. Geen grote woorden alstublieft, maar gewoon er zijn voor die ander en je hulp aanbieden en dingen uit handen nemen. Vooral ook aandacht geven aan het verhaal, dat die ander misschien al zo dikwijls verteld heeft. Het zitten ‘m in kleine dingen, een bloemetje, een fles zelf gemaakt sap, een kaart, een welgemeende handdruk. Het zijn de kleine dingen, die ’t hem doen. Niet voor niets noemen we een kopje koffie een “bakkie troost”. En wat is nu een kopje koffie helemaal? Toch niets! Ja wel, het is een teken, dat je zorg hebt voor elkaar, dat je tijd neemt voor die ander, dat je even niet alleen aan je zelf denkt! En doe het op je gemak, neem er ook de tijd voor. Het is niets frusterender voor iemand, die jouw hulp nodig heeft, te moeten merken, dat je eigenlijk op hete kolen zit. En als je dan tenslotte zegt “ik kom nog wel eens langs”, doe het dan ook!

In het engelse “comfort”, wat wij vertalen met “troost”, zit de gedachte aan ondersteuning en hulpbetoon. Degene, die getroost wordt, zal dit ook echt als steun en hulp moeten ervaren. Anders heeft het geen zin gehad. Vraagt u zich dat ook gerust af, als u bij een zieke of rouwende bent geweest: “heeft die er ook iets aan gehad?” Als je bij je zelf twijfelt, ga dan gauw weer eens terug en probeer het beter te doen! Zeg het ook maar gewoon, dat je daarom terug gekomen bent. Dat zal helpen om tot meer openheid te komen en de twijfels bij jou weg te nemen. Misschien houd je er zelfs een voldaan en dankbaar gevoel aan over. Dat zou het mooiste zijn, voor degene die je bezocht hebt en voor je zelf.

De volgende keer schrijven we meer over de troost van God.

Uw wil geschiede

Wij hebben wat moeite met de wil van God. Die is soms raadselachtig, vinden wij. Meestal denken we er ook pas aan op hoogtepunten en vooral dieptepunten van  ons leven.

Mattheüs 6, 10

Wij hebben wat moeite met de wil van God. Die is soms raadselachtig, vinden wij. Meestal denken we er ook pas aan op hoogtepunten en vooral dieptepunten van  ons leven. Als er een kindje geboren wordt of als twee mensen gaan trouwen of als iemand ernstig ziek of overleden is. Dan wordt wel eens -al te gemakkelijk- gezegd: het moest zo gebeuren. En dan denken we aan God.

Alsof de wil van God een fatum is, een noodlot, dat geheel buiten ons omgaat. Maar is dat wel zo? Natuurlijk, we belijden Gods soevereiniteit. Dat Zijn wil altijd moet gebeuren. Maar daarnaast heeft God ook nog een andere kant: dat Hij rekening houdt met ons mensen. Wij moeten dan ook rekening houden met Hem en vragen naar Zijn wil.

“Uw wil geschiede, hier op aarde, door ons mensen…”

Als we een zieke ontmoeten of in een of andere nood kunnen uithelpen, Uw wil geschiede! Bij alles in ons leven hebben we steeds weer Gods wil te zoeken en te doen.

Laten we de ogen de kost geven om te zien waarmee we Gods wil kunnen laten geschieden. Iemand heeft eens gezegd: “De wil van God is dagelijks onder ons, als een bedelaar die om brood vraagt.” Als we hem maar willen zien! Als we ons maar niet uit de voeten maken, als die wil van God op ons afkomt. Deze wil van God komt immers vaak op de meest ongelegen momenten, juist als wij onze eigen wil laten  gelden. Zou de Heer Zelf daar ook moeite mee hebben gehad, in Gethsémané? Toen Hij bad: “Niet Mijn wil, doch Uw wil geschiede…”

Maar door het volbrengen van Gods wil geeft Hij ook ons de kracht Gods wil te doen. Laten we dat in gedachtenis houden! Daarom bidden wij steeds weer: “Uw wil geschiede, gelijk in de hemel,waar de Heiland is, alzo ook op de aarde, waar wij nog zijn.”

Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis

Want de mens gaat naar zijn eeuwig huis

Prediker 12, 5

Moeten we wel over zulke ernstige dingen spreken? Ja wel, want zij behoren bij het leven. De Prediker heeft dat ook zo
ervaren. Hij weet, dat het leven aftakelt in de ouderdom, totdat de mens “naar zijn eeuwige huis gaat”.

Waarom zegt de dichter niet gewoon “totdat de mens sterft”? Zou hij soms iets vermoeden van wat er na het leven gebeurt, wat ons daar te wachten staat? Dat daar een eeuwig huis is? Ja, ik denk van wel. Dat het met dit leven niet is afgelopen, als je kaarsje is opgebrand. Gelukkig, ook in het Oude Testament heeft men daar al weet van! De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Dat is niet alleen: dat de mens in een graf wordt gelegd. Maar: hij gaat ergens heen, waar een plek voor hem is, bij God. Het is een eeuwig huis. De mens gaat het eeuwige leven in. Ik weet, dat vandaag velen niet willen horen van de hemel en de eeuwigheid. Toch kan ik ’t als gelovige niet anders belijden: dat het eeuwige huis de hemel van God is. Hoe dat precies is, weet ik niet, maar ik geloof er in! En ik belijd het ook vandaag: Daar bij God is ook mijn eeuwig huis. Daar mag ik straks heen gaan.

Johannes de Heer heeft dat zo mooi verwoord:

Eens breek in mij het zilv’ren koord
Dan wordt mijn aardse zang verstoord,
Maar op volmaakter schoner wijs
Klinkt dan mijn lied in ’t paradijs.

Straks breekt de gulden lamp aan stuk,
Voorbij is dan al ’t aards geluk –
Maar halleluja! Dan begint
Eerst ’t ware leven voor Gods kind!

O, wat zal ’t zijn, volmaakt en rein
Voor eeuwig met de Heer te zijn.
Als ook mijn lied Hem hulde biedt.
Neen, zulk een sterven vrees ik niet!

Maar kunnen we dit zo wel zingen? Wie kan dat zeggen? Zijn we dan niet bang voor de dood? Zeg maar gerust: veel bang! De innerlijke onzekerheid, het schuldgevoel… Wie kan God recht in de ogen zien?

Bij een begrafenis hoor je nog wel eens van familie, dat de overledene zo’n goed en gelovig mens is geweest. Nee, kerkgang was er niet bij, daar niet van. Maar daar komt het toch niet op aan.

Enfin, u kent dat wel. We doen daar zelf ook wel aan mee. Dat sust onze gevoelens van angst en onzekerheid wat. We mogen er natuurlijk ook niet over oordelen. Het oordeel komt alleen God toe. Maar, als je zoiets hoort, vraag je je toch wel eens af: hoe moet dat nou? We trekken op zo’n manier toch wel een erg grote wissel op Gods genade!

Wie kan recht doen gelden op God’s eeuwig huis? Een vraag om mee bezig te zijn, voor je zelf, midden in de wintertijd. Wintertijd kan ook een tijd van bezinning zijn. Wie mag op God’s eeuwig huis rekenen?  Van de mens uit: zeer weinigen. Maar van God uit: Zeer velen. De mens, die met lege handen tot God komt en zegt “Heer, wees mij arme zondaar genadig…” Zou die niet op weg zijn naar het eeuwig huis ?  Ja toch?

Zulk een mens mag u wezen. Met vallen en opstaan, met de twijfels die nu en dan de kop op steken, maar ook met de zekerheid dat Gods genade u genoeg is.

Goede reis!

Amen.                             

Lijden aan een verlies

BegrafenisHet meeste leed in de mens komt voort uit het afstand moeten doen van allerlei dingen in je leven, waaraan je gehecht bent. Vooral het moeten verliezen van mensen, die je lief en dierbaar zijn, veroorzaakt veel verdriet. Het verlies van een huwelijkspartner, met wie je zovele jaren lief en leed hebt mogen delen, of het verlies van je ouders of van een kind… Het veroorzaakt schrijnende wonden, die wellicht nooit meer zullen helen. In het verpleeghuis te Goes, waar ik 16 jaar als geestelijk verzorger gewerkt heb, heb ik het vaak van bewoners, die een kind verloren hebben, gehoord: “Waarom mijn kind, waarom niet ik?”

Een mens hecht zich aan mensen en dingen. Een mens is geboren om lief te hebben en te verzorgen en samen bezig te zijn. Dat zie je bij kinderen, die de dingen naar zich toe halen en koesteren. Mijn kleinzoon, die net twee jaar geworden is, sjouwt de hele dag met zijn Pandy (een Pandabeertje) en Lala (van Teletubbies). Je ziet het ook bij volwassenen, die scheppend, zorgend en ordenend bezig zijn. Het verlangen om lief te hebben en datgene, wat je lief hebt, te koesteren en vast te houden is de mens zó eigen. Trouwens, het omgekeerde is ook het geval: je wilt ook gekoesterd worden. En dat brengt altijd verlies met zich mee. De dreiging om iets te moeten afstaan is altijd aanwezig. En dat brengt mensen in paniek, maakt mensen boos en verdrietig. Precies datgene, wat gebeurt, als mensen in de rouw zijn.

Wat kan een kind verdrietig zijn, als ze zijn/haar troetelbeest kwijt is of wanneer de poes of het konijn gestorven is. Moederpoes gaat van ellende ook overal zoeken, als er één  van haar kleintjes uit het nest gepakt is. Lijden aan een verlies is heel erg en moeilijk te troosten, tenzij je zo’n verlies zelf hebt meegemaakt of nóg meemaakt.

Als je materiële zaken verliest, een baan of een huis, dan kan dat hard aankomen. Maar zo’n verlies is niet onherstelbaar, je kunt gaan werken aan een nieuw huis, op zoek gaan naar een nieuwe baan. Wanneer je de relatie verliest met iemand die je lief was geworden, dan is dat heel pijnlijk. Er is onder de mensen veel scheidingspijn. Het meeste treft dat de kinderen, die hun veilige tehuis met twee ouders kwijt zijn. Gescheiden mensen en hun kinderen dragen daarvan nog heel lang de sporen. Maar het kan overgaan, al is het ook na zeer lange tijd. Het verlies van een vriend of vriendin, een huisdier dat zoek is geraakt, een verslechterende gezondheid, dat alles kan een groot verlies zijn, dat veel pijn doet. Maar het ergste is, als de dood je geliefde wegneemt. Dat is onherstelbaar. Die ander komt nooit meer terug, en het leven zal nooit meer zijn als voorheen. Geen wonder, dat de achterblijvende partner soms boos en opstandig is!

Een andere vorm van verlies is, dat je iets van je zelf verliest. Dat noemen we ‘intrapsychisch’ verlies. Je raakt b.v. een ideaal kwijt, waaraan je je zo lang had opgetrokken. Iemand, die je bewonderde en van wie je veel verwachtte, heeft je bijvoorbeeld diep teleurgesteld. Een droom, die je voor jezelf of voor je kinderen hebt gekoesterd, is in rook opgegaan. Je werk, je functie in het leven is afgelopen, je bent uitgeschakeld, je kunt ‘oprotten’. Daarmee raak je iets van jezelf kwijt, zeg maar je ‘identiteit’: wie je bent en wat je voorstelt. En dat doet van binnen pijn. Datzelfde gevoel heb je ook, wanneer je gehandicapt raakt, een of meer ledematen moet missen, je lichaam je eigenlijk in de steek laat. Bejaarde mensen hebben daar veel last van. Je kunt niet meer uit de voeten, je handen willen niet meer zo, je gaat trillen en laat alles vallen, soms ga je ook zelf vallen. Je gehoor neemt af en je kunt niet meer zo goed zien. Het ergste is nog, wanneer je gedachten verward raken en je heel onzeker wordt. Soms raakt een mens halfzijdig of helemaal verlamd door een ongeluk of slopende tumor, een hersenbloeding. Dan kan het zijn dat je helemaal niet meer kunt spreken of je gedachten kunt formuleren. Wat betekent zo’n verlies veel in iemands leven, ja zeg maar gerust: alles. Je bent alles kwijt wat je vroeger had, soms ben je ook God kwijt. In het verpleeghuis zei eens een oude vrouw, die er werkelijk erg aan toe was, tegen mij: “Dominee, het ergst vind ik nog dat ik niet meer kan zingen, het zingt ook niet meer in mij, ik ben God ook nog kwijt.”

Je lichaam, je relaties, je zelf verliezen. Een mens, die dat moet meemaken, is diep in de rouw. Wie kan hier nog troosten? Ik denk: EEN alleen!

De volgende keer zullen we daar over spreken: troost van God en troost van mensen.

Lijden aan een verlies

Veel mensen lijden aan een verlies. Dat is best heftig. Het kan je hele leven bepalen.

Veel mensen lijden aan een verlies. Dat is best heftig. Het kan je hele leven bepalen. Daarom is het goed om daar eens wat over te praten. Je merkt dan dat je niet alleen staat, in je verlies.

Ik wil proberen de komende maanden daar wat over te schrijven. In een nieuwe rubriek, die ik samenvattend ‘Rouw en rouwverwerking’ wil gaan noemen. Daarin kunnen –denk ik – de volgende onderwerpen en vragen besproken worden:

Lijden aan een verlies, troost van God en troost van mensen, Bijbelteksten, samen is niet alleen, helpende handen, een leeg huis, het laatste afscheid, hoe moet het nu verder?, het stervensproces, begraven of cremeren, thuis of in het ziekenhuis?, de rouwdienst, de begrafenis, rouwgebruiken, rouwverwerking… Daar is heel wat om over na te denken. Misschien kunnen we elkaar daarbij helpen. U mag daarop ook reageren. Het zou goed zijn, wanneer we met elkaar in gesprek kwamen. Vandaag al vast het eerste artikel: Lijden aan een verlies, in de nieuwe rubriek ‘rouw en rouwverwerking’.

U bent gewaarschuwd

U bent gewaarschuwd

Handelingen 28, 11-31

Kaart van de reis van PaulusNa een verblijf op het eiland Malta van drie maanden vertrokken wij vandaar met een Alexandrijns schip dat op het eiland overwinterd had. Het heette ‘Castor en Pollux’, dat zijn de tweelingzonen van de oppergod Zeus die golden als de redders op zee, wanneer een schip in nood was. Wij deden Syracuse aan en bleven daar drie dagen, waarschijnlijk om lading te lossen en nieuwe vracht aan boord te nemen. Toen zeilden wij verder langs de kust naar Regium, de eerste stad in Italië zelf, en toen de wind zuid werd, konden wij al een dag later naar Puteoli. Daar troffen wij geloofsgenoten aan, die ons uitnodigden een week lang bij hen te blijven. Hoe die broeders en ik neem aan ook zusters daar waren, vertelt Lukas ons niet. Ze waren er opeens. Misschien hadden ze al bericht gekregen? Paulus zelf kon niets doen, want die was gevangen. Maar zijn begeleiders zoals Lukas hadden wel de mogelijkheid van het schip af te gaan en met mensen te spreken. En zo was de komst van Paulus waarschijnlijk als een lopend vuurtje verspreid. Trouwens, zo streng was de bewaking van Paulus nu ook weer niet, want hem werd toegestaan een week lang bij de zusters en broeders te verblijven. Dat moet voor hem een hele opsteker zijn geweest!

Van Puteoli gaat regelrecht een lange weg naar Rome, de beroemde ‘via Appia’. Over die weg moest men lopend de hele afstand afleggen. Misschien was er een ezelskar, waarop Paulus kon meerijden. Hoe dan ook,toen zij Rome naderden, kwamen Gemeenteleden hem al tegemoet. Want in Rome was al een christelijke Gemeente ontstaan. Daar had Paulus immers zijn Romeinenbrief aan geschreven, ook wel het testament van Paulus genoemd. Het gerucht van Paulus’ komst had Rome al bereikt. Al ver voor Rome, kwamen ze elkaar tegen, Paulus en de mensen uit Rome. Daar leefde de apostel helemaal van op. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed. Zo schrijft Lukas daarover.

Nu is dan Paulus eindelijk in Rome en dan zou je denken, dat we iets gaan horen over de voortgang van zijn proces en de afloop ervan. Is de apostel terechtgesteld? Of is hij vrijgesproken en daarna verder getrokken naar Spanje? Daar horen we allemaal niets van, jammer genoeg. Wist Lukas dat dan niet? Natuurlijk wel! Maar hij vindt het niet belangrijk genoeg om te vertellen. Het gaat hem namelijk in het hele boek Handelingen  niet om de belevenissen van Paulus , om die door te geven, maar het is ‘m begonnen om het Evangelie van Jezus Christus, om te vertellen hoe dat Evangelie door Paulus gebracht is naar Rome, als het centrum van de toenmalige wereld. Wat Paulus daarbij overkomen is, is eigenlijk maar bijzaak! Alleen wat in betrekking staat tot de verkondiging van het Evangelie, dat vertelt hij. Daarom horen we niets van het proces, maar wel dat de apostel op zich zelf mocht gaan wonen om in alle vrijheid het Evangelie uit te dragen. Wat zullen daar een hoop mensen over de vloer gekomen zijn! Want niemand kon zo vurig over het Evangelie vertellen als Paulus. Drie dagen had hij nodig om zich in te richten en toen riep hij de vooraanstaande Joden bij zich. Tot hen zei hij: “Landgenoten! Hoewel ik nooit iets tegen het volk en de gewoonten van onze vaderen heb  gedaan, werd ik toch aan de Romeinen overgeleverd en zo kom ik hier als gevangene uit Jeruzalem. De Romeinen hebben mij verhoord, zij wilden mij vrijlaten, omdat ik in geen enkel opzicht de dood schuldig ben, maar toen de Joden daartegen protesteerden, heb ik geëist de zaak aan de keizer voor te leggen. Maar nogmaals wil ik benadrukken, dat ik van mijn kant niets tegen mijn volk heb. Daarom ben ik dus hier en heb ik u uitgenodigd bij mij te komen, om u te begroeten en u toe te spreken. Om Israëls geloof in de Messias draag ik deze boeien!” Zij antwoordden hem: “Niemand heeft ons uit Jeruzalem over u geschreven. Er is ook geen enkele landgenoot tot ons gekomen, die ons iets ten nadele over u heeft bericht. Maar nu wilden wij wel eens van u zelf horen, waar uw verkondiging op neer komt, want wat die partij betreft waar u toe behoort, weten wij wel zo veel, dat er aan alle kanten tegen geprotesteerd wordt.”

Zo maakten zij voor een bepaalde dag een afspraak met elkaar en op die dag kwamen er heel veel mensen in Paulus’ huis om naar hem te luisteren. Van heel vroeg in de ochtend tot laat in de avond gaf de apostel uitleg over het Koninkrijk van God en alles wat Jezus daarover verteld heeft en waarom hij gekruisigd werd en al die dingen, die ons ook verteld worden in de Kerk. Hij probeerde aan de Joden vooral ook te bewijzen, dat Jezus de Messias is, die zij eeuwen lang verwachten en over wie de profeten zo veel gezegd hadden. Sommige toehoorders werden door het woord van Paulus aangeraakt, zodat zij tot geloof kwamen, anderen lieten zich door hem niet overtuigen. Precies zoals dat nu nog is: de één komt tot geloof, een ander haalt er zijn schouders voor op.  “Zij gelooft en zij gelooft niet”, zo heette een programma van de EO. In onderlinge onenigheid gingen zij weer naar huis. Maar Paulus riep hen nog na: “Weten jullie nog van Jesaja, hoe die door de Geest van God moest zeggen:

Zie, ik schonk u een hart en ogen en oren,
maar gij wilt niet verstaan, niet zien en niet horen.
Verhard is uw hart en uw oren en ogen
houdt gij gesloten en leeft slechts uit logen (dat zijn leugens).
Hindert gij God u te helpen, te helen,
weet, dat gij dan slechts uw heil zult verspelen.”

Ja, beseft dat goed, dat jullie je heil, dat is je levensgeluk, zult verspelen! Aan de ongelovigen wordt dat nu geschonken, zij zijn het die het woord van Gods heil nu zullen horen!”. 

En zo is het ook gebeurd. Twee jaar lang heeft Paulus nog het Evangelie mogen verkondigen in alle vrijheid, in zijn huis te Rome. Wat er daarna met hem  is gebeurd, weten  we niet. Maar we weten wel, wat er daarna met het Evangelie is gebeurd: die is als een echte blijde boodschap vanuit Rome de wereld ingegaan om ook hier te landen, bij jullie.

De gelovigen zijn vaak afgestompt. Zij hebben er geen oren meer naar, naar dat heil, precies zoals Jesaja gezegd heeft. Daarom wordt het geschonken aan ongelovigen. Zou dat vandaag ook niet zo zijn?  De kerken zoeken op alle mogelijke manieren wegen om de ongelovigen te bereiken, en dat is goed. Want daar is het Evangelie voor! Als de gelovigen het af laten weten, dan moeten ongelovigen ons opnieuw laten zien wat Evangelie is! In de zogenaamde achtergebleven landen is dit volop aan de gang. Daar groeien de kerken, spectaculair, omdat die mensen begrijpen wat het Evangelie betekent. Zo gaan de armen ons rijken vóór! Wij hebben nog heel veel te leren, Gemeente…

“Hindert gij God u te helpen, te helen,
Weet, dat gij dan slechts uw heil zult verspelen.”

Amen.                             

Levende stenen

De apostel Petrus schrijft aan ons dat Jezus Christus de hoeksteen is waar alles op rust. Iedereen die wel eens met kinderen of kleinkinderen Lego gespeeld heeft…

“Laat u als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis…” (1 Petrus 2, 5)

De apostel Petrus schrijft aan ons dat Jezus Christus de hoeksteen is waar alles op rust. Zij die wel eens met kinderen of kleinkinderen Lego gespeeld hebben, weten uit ervaring hoe belangrijk de hoekstenen zijn om een hecht fundament aan het bouwsel te geven. Petrus had dat ook om zich heen gezien in de steden waar hij doorheen trok om het Evangelie te verkondigen, in de bouwkundige bedrijvigheid. Want ook in die tijd werd er al heel wat gebouwd. De mensen die nu vakantie vieren in Turkije kunnen al die bouwwerken bewonderen: tempels, zuilengalerijen, amfitheaters en nog veel meer, wat na 2000 jaar nog recht overeind staat!

Welnu, zegt Petrus, zo’n hoeksteen is Jezus. Die zorgt er voor, dat het geloof goed gesteund wordt en zelfs na 2000 jaar nog overeind blijft. Hij is ook de hoeksteen bij uitstek om het bouwwerk van ons persoonlijke leven te schragen. En wij, die in Hem, geloven, worden dan “levende stenen” genoemd. Tezamen vormen wij het “geestelijke huis” , je zou dat de kerk kunnen noemen. Kijken we eens naar een groot gebouw: alle stenen, met elkaar opgestapeld en samengevoegd, rustend op de hoekstenen, geven het gebouw de vorm. Bij een kerkgebouw is dat meestal een kruisvorm.

Het is heel zinvol, zo’n vergelijking van de kerk met een bouwwerk. Het leert ons, hoe we als Gemeente (Kerk) eigenlijk zouden moeten zijn. Met elkaar, samengeraapt en opgestapeld en elkaar steunend vormen we de Kerk (Gemeente). Jong en oud, vuil en schoon, arm en rijk, ziek en gezond, sámen zijn we de Gemeente. Een geestelijk huis noemt Petrus dat. Want het is de bedoeling, dat al die stenen gaan leven met de levende Heer. Samen met Hem, als de grote hoeksteen, die het hele gebouw z’n fundament geeft. Je kunt niet op je eentje Christen zijn. Geloven is altijd met-anderen-zijn, met-de-Heer-zijn.

Lévende stenen zijn in één bouwwerk. Je gelooft met elkaar, met de Kerk van alle eeuwen, de Gemeente van vroeger, van nú en van straks!

Petrus, de “steenrots” van Matth.16,18, heeft het zó bedoeld, ook voor ons gelovige mensen van vandaag. Gaan we dat ook in praktijk brengen? Door met elkaar mee te leven, elkaars noden te dragen, met elkaar Gemeente te zijn, samen naar de kerk te gaan… Dan worden in de dorpen en steden van Nederland en over heel de wereld niet alleen mooie huizen gevonden van steen, kerken, basilieken, kathedralen, wonderschone Godshuizen, maar ook –en dat is veel belangrijker!- geestelijke huizen, waar de Heer in woont. Want u weet het toch nog wel wat ze vroeger zeiden: “Als de Heere het huis niet bouwt, vergeefs…” Maar wij mogen wel meedoen met Hem, lévende stenen zijn mét Hem!

De doop van Jezus

Ook tot Nazareth kwam het gerucht van de opwekkingsbeweging van Johannes. Jezus werd er door aangesproken.

Lukas 3, 21-22 en Matteüs 3, 13-17

Uit de eenzaamheid van de woestijn was hij plotseling opgedoken, Johannes. Jarenlang had hij daar geleefd. Nu zoekt hij de mensen op. Hij heeft een boodschap voor ze: het Koninkrijk van God is nabij gekomen, want de Messias is gekomen, Hij is onder jullie. Daar wisten ze van, dat was hun al eeuwen lang verteld. De Messias zou het oordeel brengen over de zondige wereld. Je kon er maar op één manier aan ontkomen: door je te bekeren en als teken daarvan je te laten dopen. De mensen reageerden daarop met een schok en massaal. Een hele volksbeweging kwam op gang. Duizenden verzamelden zich bij de Jordaan om te luisteren naar de donderpreken van Johannes en zich daar te laten dopen door hem.

Ook tot Nazareth kwam het gerucht van de opwekkingsbeweging van Johannes.  Jezus werd er door aangesproken. Stel je voor, daar is een beweging aan de gang van mensen, die het Koninkrijk van God verwachten! Daar moest Hij bij zijn, want daar ging het Hem toch ook om! En zo gaat Hij op reis, een heel stuk. Dan ziet  en hoort Hij Johannes. Hij ziet ook al die mensen, die zich laten dopen. Wat gaat Jezus doen? Blijft Hij op afstand staan? Verwonderd en blij om al die mensen? Of knielt Hij neer bij de Jordaan om God er v oor te danken? Gaat Hij soms naast Johannes staan om zijn neef een handje te helpen? We zouden dat kunnen begrijpen. Maar Jezus doet dit alles niet. Luister maar naar Mattheüs: “Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen.”

Eigenlijk een beetje vreemd. Dat vond Johannes ook, want hij wist dat Hij de Messias was en Hij had de mensen al op Hem gewezen: “Die na mij komt is sterker dan ik en ik ben niet waard Hem de schoenriem los te maken.” Daarom is het voor hem een raadsel dat Jezus Zich door hem laat dopen. Het zou eerder omgekeerd moeten zijn! En dat zegt hij dan ook: “Ik heb nodig door U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?”

Gaat Jezus het hem uitleggen? Nee, dat doet Hij niet. Veel uitleg hebben de mensen nooit van Hem gekregen, ook niet toen hij sprak over Zijn lijden en sterven. Jezus is geen uitlegger, maar een doener. En nu zijn veel mensen in de weer om uit te leggen wat Hij gedaan heeft!  Jezus zegt alleen maar: “Laat Mij het nu maar doen, want zó wordt alle gerechtigheid vervult.” Je zou ook kunnen zeggen: “Laat mij nu maar doen, dit is nu eenmaal mijn roeping. Ieder heeft zijn eigen plicht in de wereld en moet die ook volbrengen. Jij, Johannes, bent er om te dopen, Ik om gedoopt te worden…” Johannes zag het toen ook, als in een flits, dat dit Gods bedoeling was. En hij doopte Hem.

Is het niet raadselachtig en wonderlijk, Gemeente? Toch ligt hier de grondslag van het Evangelie. Hele groepen mensen heeft Johannes al gedoopt, wekenlang, en het zal voorlopig ook nog wel zo doorgaan, wie weet maanden lang, tot Herodes de profeet op het schavot brengt. En nu wordt met al dat volk ook Jezus gedoopt. Tussen al die mensen, hoog en laag, rijk en arm, schriftgeleerden en soldaten, huismoeders en kinderen, zieken en gezonden, staat Hij daar. Je zou Hem niet herkennen. Hij is als één van al die anderen! Maar heeft Jezus dan ook zonde te belijden? Moest Hij Zich dan ook bekeren? Nee toch? Hij heeft bij de doop geen enkele gedachte aan zonde en bekering, integendeel: Hij denkt aan heel andere dingen, Hij denkt aan God en aan wie Hij is, en dat wordt Hem ook duidelijk, opeens, als Hij Gods stem hoort: “Deze is Mijn geliefde Zoon”. Jezus voelt Zich niet een zondaar, die bekeerd moest worden en daarom naast de mensen is gaan staan. Maar Hij voelde wel de behoefte om bij de mensen te zijn en uit solidariteit naast hen te gaan staan. Hij maakt Zich als ’t ware aan de zondaren gelijk… Hij laat Zich dopen, niet voor Zijn zonden, maar voor die van hén.

Ziet u wat Jezus hier doet? Dat wordt ons nog duidelijker, als we Hem naast Johannes zetten. Johannes staat eigenlijk tegenover het volk en preekt oordeel. Dat was zijn profetische opdracht. Hij moest de aankondiger zijn, de wegbereider. En alleen zó zou hij zijn gerechtigheid vervullen, dwz alleen zó zou hij recht staan tegenover God. Ook Jezus erkende dat bij Johannes, dat  hij de grote voorloper was, de laatste van de Oudtestamentische profeten, die de Messias zou aankondigen. Tegelijk echter vindt in dit gebeuren de omslag plaats van oud naar nieuw. Johannes sluit het Oude Testament af en geeft het stokje over aan Jezus, met Wie het Nieuwe Testament begint! Zo zal Jezus het later ook Zelf betuigen, dat Johannes weliswaar de grootste der profeten was, maar kleiner dan de kleinste in het Nieuwe Verbond. Het Oude en het Nieuwe Verbond staan hier tegenover elkaar, de oude en de nieuwe tijd, de oude en de nieuwe wereld. De houding van Johannes is die van de heilige toorn over de zonde, de houding van Jezus is die van de heilige liefde. De houding van Johannes is die van straf en oordeel, de houding van Jezus is die van vergeving en solidariteit. Natuurlijk is zo’n tegenstelling niet absoluut. Bij Johannes is de liefde ook best te vinden. Spoorde hij de mensen niet aan hun kleren en eten  te delen met de armen? En bij Jezus ontbreekt het ook niet aan toorn. Gooide Hij de tafels van de geldwisselaars niet om in de tempel? Maar er is een verschil in accent, wat bepalend is voor hun houding. Johannes staat tegenover de mensen, Jezus staat naast hen. Johannes staat vóór de mensen, Jezus staat achter hen. Johannes preekt het oordeel, Jezus buigt Zich onder het oordeel. Johannes houdt de anderen hun zonden voor, Jezus neemt de zonden van de anderen  op Zich.

Voor Johannes was dit eerst een raadsel. Later heeft ook hij het begrepen, toen hij tegen zijn discipelen zei: “Zie, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.” De mensen om Johannes en Jezus heen zagen het trouwens ook gebeuren, toen de duif op Jezus neerdaalde. De duif, dat is de Heilige Geest. En als ze het nog niet begrepen, dan horen ze ook nog de stem van God, Die zei: “Gij zijt Mijn Zoon, Mijn geliefde, in U heb ik Mijn welbehagen.”

In dit nieuwe genadeverbond zijn wij gedoopt, Gemeente. In dit nieuwe genadeverbond beginnen wij ook een nieuw jaar. Wij behoren de nieuwe aeon toe, het Koninkrijk van God, dat onherroepelijk komt. Laten wij dan ook die nieuwe houding van Jezus aannemen en tonen: solidariteit met een zondige wereld, genade en barmhartigheid, nederigheid en zelfopoffering.

Gij armen en verdrukten,
Ziet uit naar Hem, die u bevrijdt;
Gebeukten en gebukten,
In zijn rijk is gerechtigheid.
Gij, die, u zelf tot schade,
Des Heren weg verliet,
De Heer is vol genade,
Voor eeuwig toornt Hij niet,-
Hij die voor u blijft zorgen,
De zonde van u doet
Als de avond van de morgen,
Ja, kwaad vergeldt met goed.
                                Gezang 15, 2

Amen.

De laatste appelflappen

Heeft u dat nou ook? Dat ze steeds lekkerder gaan smaken? Die bollen en flappen? Wij zijn er bijna doorheen. Enkelen liggen er nog te wachten op onze jongste dochter met gezin, maar dan in de vriezer.

Heeft u dat nou ook? Dat ze steeds lekkerder gaan smaken? Die bollen en flappen? Wij zijn er bijna doorheen. Enkelen liggen er nog te wachten op onze jongste dochter met gezin, maar dan in de vriezer. Het was weer feest in huize ‘Pastorale’. Donderdag vóór Oud & Nieuw. We hadden al een paar dagen tegen elkaar gezegd, mijn vrouw en ik: “Zullen we ’t dit jaar nog wel doen? Het is toch een heel gedoe!” Maar ja, de kinderen en de buren, ze rekenen er toch eigenlijk een beetje op. En het is altijd weer een feest, als je de kleinkinderen ziet smullen. Dus toch maar weer overstag gegaan. Voor de 45e keer in ons ‘prille’ huwelijk!

De benodigde ingrediënten hadden  we al uitgerekend, met behulp van een briefje dat we al jaren lang in het kookboek hebben liggen. Met de scootmobiel was alles snel in huis gehaald bij onze buurtsuper en de plaatselijke warme bakker (gist). Toen brak het moment aan voor het klaar maken van het beslag. Gauw werden nog enkele citroenen geperst en de schillen in de vriezer gedaan om die later te gaan raspen (voor de appelflappen). Meestal hebben we citroenschillen voorradig, maar om de een of andere reden waren die nu op. Gelukkig kwamen de flappen pas ’s middags aan de beurt, dus hadden de verse schillen nog even tijd om hard te worden. Na enkele uren rijzen kon de eerste emmer gebakken worden. De auto hadden we buiten laten staan, zodat er in de garage ruimte was. Maar het was daar wel verschrikkelijk koud! Toen Tilly bijna bevroren was kwam er redding opdagen. Onze oudste kleinzoon Salim, een flinke gozer van 13, kwam vragen of die kon helpen. Nou, hij kwam als geroepen. Eerst de kunst van Oma afgekeken en toen aan de gang! En hij bleef aan de gang tot beide emmers beslag leeg waren. Hij had veel bekijks, want twee andere kleinkinderen, Loïs en Robin uit De Bilt, die bij ons in de Kerstvakantie logeerden, vonden het natuurlijk geweldig hun grote neef zo bezig te zien. Elke oliebol werd geteld. En als zij niet aan het smullen geslagen waren, waren het er precies honderd geweest!

 

Inmiddels had Opa al zo’n 25 Jonagolds geschild, uitgeboord en op maat in de rondte gesneden. Het beslag was klaar, citroenrasp erin en rozijnen en krenten en sukade. Toen kon er gebakken worden, een heel werk, 4 á
5 in de oliepan, wentelen en kijken of de kleur goed wordt. Uithalen, laten uitlekken op keukenpapier en keurig in slagorde leggen op een grote schaal. Eindelijk, het was al half vijf, waren we klaar. Bij de dierenwinkel, waar ik nog wat pindanetjes en vetbollen ging halen voor de vogeltjes, opdat die ook een gelukkig Kerstfeest zouden hebben, vroeg één van de klanten: “Bah, wie stinkt er zo naar oliebollen!” Dat was ik dus (zonder dat ik dat in de gaten had!). Al met al was het toch nog een groot succes geworden, en dat niet alleen voor de kleinkinderen. Het zal morgen wel gedaan zijn met de flappen, want de schaal begint onheilspellend leeg te worden!

Vallen en opstaan

Vallen en Opstaan

Lukas 2, 34

Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël

We hebben Kerstfeest gevierd en veel van de daarbij behorende opsmuk is al weer verdwenen. De rest zal binnenkort ook wel  naar zolder verdwijnen of bij het oude vuil worden gezet. Voor velen is het leven weer even leeg en zinloos als tevoren. Je blijft zitten met een kater. Tot volgend jaar dan maar weer. Herkent u dat gevoel? De leegte bij alle drukte, het geestdodende bij al het geestelijke van Kerstmis is opvallend, en in die stille leegte ligt alleen de overlevering van een goed bericht:

’t Is geboren het godd’lijk Kind,
dat ons allen zo teer bemint.

Een goed bericht, ja wel, het mooiste bericht dat we ons kunnen indenken, maar ook een bericht dat schaduwen trekt over deze aarde, grote diepzwarte schaduwen op de achtergrond van dat felle licht. “Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël…” Licht en donker, vallen en opstaan. Waar worden we dat sterker gewaar dan juist in deze tijd, nu de boodschappen van vrede over de wereld zijn gegaan en in landen als de Verenigde Staten, Irak en Israël men zich tegelijkertijd zorgen maakt over wat het nieuwe jaar weer zal brengen aan oorlogsdreiging en terreuraanslagen.

Kerstmis 2005, tot een val en opstanding van velen, en dat niet alleen in Israël, over heel de wereld. Deze profetische uitspraak van de oude Simeon staat wel in lijnrechte tegenspraak tot het hoerageroep van de engelen in Efrata’s velden: Hoera, de Heiland is geboren! Vrede op aarde voor de mensen van Gods welbehagen, of -zoals u wilt- voor alle mensen van goede wille!

Voor vallen en opstaan is Hij gekomen. Hij zal aanstoot geven en verdeeldheid en ergernis en weerstand…Vallen en opstaan, Gemeente, daar zal dat mooie Kerstfeest van ons op uitdraaien! Aan de ene kant verzet en ongeloof en afwijzing, aan de andere kant “ja en amen zeggen”, een blij geloof voor een wereld verloren in schuld… Waar de grens ligt, wordt ons niet verteld. Om welke mensen het gaat, evenmin. Maar duidelijk is wel in onze tekst, dat het Evangelie alle mogelijke weerstanden zal oproepen, bij de Joden, toen en nu, maar ook onder ons. Daardoor heeft men Hem aan het kruis gebracht, daardoor zijn er talloze martelaren geweest in de Kerkgeschiedenis, daardoor is het in sommige landen nog gevaarlijk om je Christen te noemen. Hoe komt dat toch? Het Evangelie, het mooiste wat er is, waarom sluit dat niet van nature aan bij onze verlangens? Waarom wordt het eerder gevoeld als iets minderwaardigs, iets kinderachtigs, een geloof van bange mensen, een zoethoudertje, een zielig gedoe, al dat gepreek over achteruitgezette en verdrukte mensen, dat benadrukken van de schuld en de zonde van mensen, en dan die schuldvergeving van God en de verzoening door de kruisdood van Christus en dat huichelachtige “stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw!” Nee, het is waardiger en manlijker fier en gedurfd te leven, je eigen beslissingen te nemen en verantwoordelijkheid te dragen voor je eigen daden, echt modern: ieder voor zich, en vooral voor je zelf opkomen en morgen gezond weer op !

Jezus is eigenlijk een storend element voor dat heel gewone en vanzelfsprekende van het leven naar onze natuur,  zoals de spreekwoorden het treffend uitdrukken: “Voor wat hoort wat; wie zijn billen verbrandt, moet op de blaren zitten; door scha en schande wordt men wijs; als je niet luistert, moet je maar voelen.” Jezus met zijn boodschap van liefde en zelfverloochening en offer is een belemmering voor onze vrijheid, waarbij wij ons kunnen uitleven naar ons believen. Voor velen is zo de helpende en reddende God een aanstoot, een ergernis… Zoals Paulus het al 2000 jaar geleden vaststelde: “de Joden een ergernis, de Grieken een dwaasheid.”

Wij hebben die God helemaal niet nodig. Mensen van de 21e eeuw, die wij zijn, zelfbewuste mensen, die het allemaal best zelf wel kunnen. Het is nu de tijd, waarin niet God ons helpt, maar wij God een handje kunnen helpen. Wij moeten zelf het heft in handen nemen, want als je ’t van God moet verwachten, kun je lang wachten. Normen en waarden, verbeter de wereld, begin bij je zelf! Beginnen bij God? Met die sombere voorstellingen over zonde en schuld? Kom, laat me niet lachen!

Tot een val en opstanding…

Er zijn vele mogelijkheden om te vallen. De mens staat God in de weg, de mens staat zichzelf in de weg, de mens staat de ander in de weg. De mens is een egotripper. Hij valt, en niemand raapt hem op. De eenzame mens ten voeten uit. Het beeld van onze maatschappij. Wie zich hoog verheven acht, kan heel diep vallen. Maar ook het omgekeerde heeft de geschiedenis ons geleerd: de mens die zich vernedert, kan hoog stijgen. Jezus is niet alleen gesteld tot een val van velen, maar ook tot een opstanding van velen. Het Evangelie wordt aangenomen, met blijdschap wordt het geloofd en het gaat als een lopend vuurtje de wereld rond. Eindelijk goed nieuws! Niet de mens heeft het voor het zeggen, maar God! Aan de tirannie van mensen komt een eind, eens zal het alom vrede zijn en krijgt iedereen z’n eigen plek. Wat een geweldige boodschap. Jezus krijgt macht over mensen. Mensen, die zich niet kunnen onttrekken aan dat wonderlijke gezag van Hem… een man naar wie men moet luisteren! Simeon begreep dat en de oude Anna en Johannes de Doper, die zei: na mij komt iemand die groter is dan ik! En Petrus, die beleed: Gij hebt woorden van eeuwig leven! En Maria Magdalena, een vrouw met een verleden, en Martha en Maria en Lazarus en de vrouw aan de waterput en de lammen en blinden… Het zijn de eenvoudigen, die de Messias herkennen: wat voor wijzen en verstandigen verborgen is, zal aan de kinderen geopenbaard worden. Hoe moeilijk is het daarom om verstandelijk ingestelde mensen tot geloof te brengen. Maar Zacheüs kreeg ‘t, dat geloof, zo maar. Hij komt tot opstanding, als hij aangrijpt wat Jezus hem aanbiedt: Hem te volgen! Dan klimt hij écht uit de boom!

Inderdaad, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël, en Israël staat hier plaatsvervangend voor heel de wereld. “Gesteld tot”, dat is: door God bestemd. Het is Gods bedoeling, dat voor velen het kritieke moment zal aanbreken om te kiezen: voor of tegen Jezus! De mens moet ontmaskerd worden, de echte mens moet opstaan. Niet de mens zoals die zich naar buiten voordoet, met z’n schijnvroomheid en zelfverheffing en domme ikzucht. O wee, als we bevonden zullen worden als de Farizeeën, van buiten o zo fatsoenlijk en godvruchtig en sociaal, maar naar binnen… niet eerlijk en eerbiedig tegenover God. Allemaal schijnheiligheid! Zo zou het bij ons ook wel eens kunnen zijn. Heel dat Kerstgebeuren, niets dan schijnheiligheid! Of bent u echt in de stal geweest en heeft u dat kind heel diep in de ogen gekeken, en zag u daarin alle ellende van de wereld, de 50 miljoen mensen in Afrika, die van de honger dreigen om te komen, en al die duizenden kinderen overal in de wereld, die zo dol gelukkig zijn gemaakt met een schoenendoos, gevuld door kinderhanden. Bent u echt in de stal geweest om het kindeke eer te bewijzen samen met die domme wijzen, die daar  een paar duizend kilometers woestijnreis op een schommelende kameel voor  over hadden? Wat hadden wij er voor over? En wat zullen wij er voor over blijven hebben?

Kerstmis 2005, tot een val en opstanding van velen. Het plaatst ons allen opnieuw in de crisis, voor de uiteindelijke beslissing van ons leven: val of opstanding. Bidden wij God, dat Hij ons de ogen opent om te zien wat Simeon zag en dat wij zo tot opstanding mogen komen. Want je moet het echt gaan zien, wie Jezus was, in de stal en op Zijn levensweg naar het kruis toe en daarna Zijn opstanding en hemelvaart. Uit je zelf zie je dat niet. Uit je zelf zie je alleen maar oorlogsdreiging en moeders die huilen bij het sterven van haar kinderen en duistere wolken rondom… Simeon zag het heil van de Almachtige in dat kind van Maria, dat hij in zijn handen hield. Hij zag het, omdat de Heilige Geest zijn ogen verlichtte. Dat staat er uitdrukkelijk bij! Omdat hij leefde bij de profetie, het Woord van God, omdat hij daarin geloofde! Maar is dat geloof er nog? Leeft het nog in u en in mij? Wordt onze generatie niet genoemd de eerste generatie op aarde zonder toekomst? Wat een triest beeld! Het is de gevallen wereld ten voeten uit.

Gelukkig is dat niet het laatste wat we mogen horen. Er is God lof ook sprake van opstanding. En daar houden we ons aan vast, daar trekken we ons aan op. Was Paulus het niet, die zei: het heil is ons nu meer nabij dan in de dagen van Simeon? Hoe kon die man dat nou zeggen? In die slechte wereld waarin hij leefde? Want de grieks-romeinse wereld was geen haar beter dan de onze! Hij kon dat zeggen, omdat hij weet had van de Heilige Geest, die was uitgestort, de Geest, die de ogen van mensen opent en ze de goede beslissing laat nemen: voor opstanding en niet voor val. Voor Simeon was het alleen nog toekomstmuziek, maar voor Paulus was het al realiteit. In de kracht van de Geest kan een mens tot opstanding komen. En alle mensen, die om de Geest bidden, zullen die Geest ook ontvangen, zo is ons beloofd. Deze Geest alleen is het die ons dorre hart kan omtoveren tot een levende fontein. Moge die Geest ons vergezellen het oude jaar 2005 uit , het nieuwe jaar 2006 in !

Amen.                             

Bij een nieuw jaar

Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht… Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen!”   (Psalm 90)

Wij zijn het nieuwe jaar ingegaan met een bede op onze lippen, met een toekomst voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen voor ogen. “Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” Dat was de belijdenis van Mozes, dat mag ook onze belijdenis zijn met het oog op onze toekomst. Zoals de Here een toevlucht geweest is in ons leven, zo zal Hij het ook straks zijn in het toekomstige leven. Zonder die toevlucht zou ons leven alleen maar doelloos zijn, een zwerftocht, we zouden nergens echt thuis zijn. Toch hebben we een woning nodig, anders staan we weerloos in het leven. Wie geen thuis heeft is een zwerver en staat alleen in het lege donker. Mozes kende dat maar al te goed, die vergankelijkheid en verlorenheid van het leven. “Wie kent de sterkte van Gods toorn en de kracht van Gods verborgenheid?”

Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht… Leer ons zo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen!”   (Psalm 90)

Wij zijn het nieuwe jaar ingegaan met een bede op onze lippen, met een toekomst voor onszelf, onze kinderen en kleinkinderen voor ogen. “Here, Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht.” Dat was de belijdenis van Mozes, dat mag ook onze belijdenis zijn met het oog op onze toekomst. Zoals de Here een toevlucht geweest is in ons leven, zo zal Hij het ook straks zijn in het toekomstige leven. Zonder die toevlucht zou ons leven alleen maar doelloos zijn, een zwerftocht, we zouden nergens echt thuis zijn. Toch hebben we een woning nodig, anders staan we weerloos in het leven. Wie geen thuis heeft is een zwerver en staat alleen in het lege donker. Mozes kende dat maar al te goed, die vergankelijkheid en verlorenheid van het leven. “Wie kent de sterkte van Gods toorn en de kracht van Gods verborgenheid?” Hier kunnen we alleen maar bidden:

O God die droeg ons voorgeslacht
in nacht en stormgebruis,
bewijs ook ons Uw trouw en macht,
wees eeuwig ons tehuis!

Bij het bidden mogen we ook antwoord ontvangen. Gij zijt ons een Toevlucht geweest van geslacht tot geslacht… In Jezus Christus is het waar, dat God voor eeuwig onze toevlucht is, een rots, een sterke veste, een woning door de eeuwen heen.

Zo willen we tenslotte, met het oog op 2006, met Mozes bidden:

Leer ons zo onze dagen tellen,
dat wij een wijs hart bekomen.

Met een goed verstand kan ik verloren gaan, met een wijs hart onmogelijk. Wijsheid komt van boven, van God. “De vreze des Heren is het beginsel van alle wijsheid”. Zelf ben ik niets dan dwaasheid, klein van kracht, levend in drijfzand, onzeker en uitzichtloos. Zelf word ik geleefd door de dwaasheid van mijn zonden. Maar aangeraakt door Gods wijsheid leer ik Hem kennen in Zijn grootheid en heiligheid (en ik vrees!), maar ook in Zijn genade en barmhartigheid en ik durf te vertrouwen! En ik leer mij zelf kennen als een klein en o zo afhankelijk mensenkind… maar toch ook met goede hoop op Gods genade.

Laten we daarom aan het begin van het jaar bidden om wijsheid, goddelijke wijsheid. Wat hebben we die nodig! Ook voor onze kinderen  en kleinkinderen. Er is zoveel dwaasheid in de wereld. Er zijn zoveel stenen harten. Er is zoveel hoogmoed en ongerechtigheid. Wat anders hebben we voor de toekomst te verwachten dan dat de wereld ten  onder gaat? Deze dwaze wereld!

Leer ons zo onze dagen tellen, dat we een wijs hart bekomen. We kunnen maar één ding doen: ons dwaze hart aan God kwijt raken en Hem vragen of Hij in de plaats daarvan ons een wijs hart geve.

Dan zal 2006 opnieuw een jaar worden van Gods heerlijkheid!

Met stomheid geslagen

Met stomheid geslagen…

Lukas 1, 20

En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken,
tot die dag toe, dat deze dingen geschieden,
omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt,
die op hun tijd in vervulling zullen gaan.

Door de spectaculaire viering van de geboorte van de Heiland met Kerst zou je bijna vergeten dat er in die dagen van Augustus nog een ander kind geboren werd, ook heel bijzonder. Want ook van hem hebben de profeten gesproken en als wegbereider van de Messias neemt ook hij een voorname plaats in het Evangelie in. Het nieuwe dat er gloort in de wereld van God en mensen is met hem begonnen, met zijn geboorte. Wij willen er vandaag alsnog bij stil staan. Juist hierom, omdat in deze wondere geschiedenis van twee oude mensen en een jong kind zo duidelijk naar voren komt, dat het oude voorbij gaat en God alles nieuw maakt.

Lukas tekent ons die oude wereld in enkele figuren: Zacharias en Elisabeth. Zij vertegenwoordigen als ’t ware het joodse volk van die dagen. Het geloof was uitgeblust. Ze hadden al zo lang op de Messias gewacht, vergeefs. Twee oude mensen, Elisabeth en Zacharias. Met slepende voeten schrijden hun dagen, hun jaren voort. De hoop op het wonder hebben zij al lang opgegeven. Een enkeling kan dat nog opbrengen, een Simeon en een Anna, ook twee oude mensen. Maar de rest leeft vanuit het principe: laten we eten, drinken en vrolijk zijn.

Het bejaarde priestersechtpaar Zacharias en Elisabeth zijn zeker niet de slechtste vertegenwoordigers van het volk. Zij zijn van goede komaf. Elisabeth is zelfs afkomstig van de dochters van Aäron. Het zijn ook gedegen mensen en godsdienstig tot en met. Lukas beschrijft hen als rechtvaardig, onberispelijk, wandelend in al de geboden en rechten van de Heer. Beiden zijn op hoge leeftijd gekomen, maar hun gezinsleven zelf schijnt een teken van wat Israël geworden is: het bestaat wel, maar er gebeurt niets. Ach, wat heb je als oude mensen ook nog voor nieuws te verwachten? Of gebeurt er nu toch wat? Het lot is de oude priester gunstig. Het bepaalt dat hij in de beurt van zijn afdeling de dienst in de tempel mocht verrichten. Dat was een buitengewone gebeurtenis in het leven van een priester. Iedereen wilde dit wel eens in zijn leven, maar men kwam zelden aan de beurt.

Zacharias en Elisabeth hadden geen kinderen, geen één. Zij hadden er samen lang naar uit gezien, maar het was niet gekomen. Wat een spanning moeten die twee hebben meegemaakt, wat een teleurstelling keer op keer. In die tijd was dat een zwaar lot, want kinderen hebben -en zeker het hebben van zonen- gold als een zegen van God. Het betekende ook garantie voor de oude dag: dat je geslacht in takt bleef en dat je in de ouderdom verzorgd zou worden. Vandaag liggen deze dingen genuanceerder.

Maar zeker is, dat voor velen ook vandaag een kinderloos gebleven huwelijk een groot verdriet is, waaraan dikwijls door mensen met kinderen al te gemakkelijk voorbij wordt gegaan.

Men spreekt in dit verband wel van ‘verborgen rouw’. Er is veel stilte, er wordt veel gezwegen en er heerst vaak onbegrip vanuit de omgeving rondom een miskraam, een doodgeboren kind, een kinderloos huwelijk. Net of er gewoon geen woorden gevonden worden. En zo krijgen de mensen, die het treft, vaak onvoldoende mogelijkheden om hun verlies en gemis te uiten en te verwerken. Terwijl het toch ook hier om rouw gaat… verborgen rouw. Ook van kerkelijke zijde wordt er veelal gezwegen. Er is niet eens een pastorale handreiking op dit gebied.

Het wordt verzwegen, verwaarloosd, alsof het er niet mag zijn, dit verdriet. Het kan natuurlijk zijn, dat we er geen raad mee weten. Zo is het vaak ook met de gang naar het ziekenhuis en zeer zeker de gang naar het verpleeghuis. Daar zijn hoge drempels, waar we tegen op zien en die we dan ook maar liever vermijden. We willen niet graag andere mensen kwetsen, en daarom hebben we ’t er maar niet over, over dat verdriet. We willen die ander sparen. Maar, Gemeente, iemand heeft eens treffend gezegd: “De ander sparen is die ander verwaarlozen!”

Hoe dikwijls in hun lange leven zullen Elisabeth en Zacharias daar niet tegenop gelopen zijn? Zeker in die oude tijd werd er nog wel eens meewarig op kinderloze echtparen neergekeken, en helaas, misschien gebeurt dit nog wel eens. Dat moest niet zo zijn, want huwelijken zonder kinderen dragen in zich dezelfde huwelijkszegen en huwelijksvolheid, die aan huwelijken met kinderen beschoren is. Misschien, ja zeker, is de band en liefdevolle genegenheid tussen man en vrouw daar nog veel sterker.

Bij Zacharias en Elisabeth was dat zeker ook het geval. In de loop der jaren waren ze naar elkaar toegegroeid. En met Gods hulp hadden zij hun eenzame lot gedragen. Zij waren er niet door verbitterd geraakt, er was zelfs nog een gebed in hun hart gebleven, getuige het woord van de engel: “Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord.”

In hun oude bijna uitgebluste leven valt opeens de engel binnen en belooft dat hun vurige wens in vervulling zal gaan. Maar ja, wat is een mens? Hij staat altijd klaar met zijn logica. Geen wonder dat ook Zacharias zegt: ja, maar dat kan toch niet, daarvoor is mijn vrouw nu toch te oud geworden!

In plaats van dat we tegenover God nou eens onze mond zouden houden! Maar dat doet die mens niet, u en ik ook niet. Daarom doet God het: Zacharias wordt het zwijgen opgelegd. Hij wordt met stomheid geslagen. Een zinvolle bestraffing, vindt u ook niet? Want hoezeer er ook door hem trouw gebeden was, er lag toch geen echt vertrouwen in! De omstandigheden waren er ook niet naar, een oude vrouw, en dan een kind…

Zacharias is hier inderdaad de verpersoonlijking van heel Israël en ik denk ook van heel onze huidige wereld. “Ik ben oud en mijn vrouw is verre op haar dagen!” Het gebed en de eredienst gaan wel door, zoals een nachtkaars, die bijna is uitgegaan. Zij flakkert nog wel, een beetje bleek en op een heel laag pitje. Je bidt nog wel, maar houdt er toch eigenlijk geen rekening mee  dat je gebed ook verhoord zal worden.

Is ’t met ons ook niet zo gesteld, op het eind van weer een jaar? Wat heb je nog te verwachten? Het leven is oud, al tweeduizend na Christus, en nog is er niets nieuws gekomen. Wij gaan voort op platgetreden paden. Het heden, de nieuwe tijd, ligt als ’t ware verlammend om ons heen. De tijden gaan hun machteloos eendere gang. L’histoire se répète’, de geschiedenis herhaalt zich. Ook God kan het gebeuren blijkbaar niet doorbreken.

Wie zo denkt, Gemeente, wordt met verstarring geslagen, die moet maar eens een poosje stom zijn en zijn mond niet open kunnen doen! Een terecht vonnis! God bevestigt daarmee eigenlijk wat er van binnen bij ons is: daar spreekt niets meer, daar klopt geen hart meer, geloof, hoop en liefde zijn daar weg. Daar binnen in ons is het helemaal leeg. Wij zijn al lang sprakeloos, net als Israël dat was. Met al onze mooie woorden en dikke boeken zijn wij met niets anders bezig dan God dood te zwijgen en onszelf in de put te werken. Wij zijn innerlijk geblokkeerd, stom. Wij leven net als de Joden in de tijd van Jezus alleen bij wat plichten, normen en fatsoen, als dat er al is. Wij leven bij de gratie van wat er geweest is en dat nooit meer terug zal komen. Ook onze kerken zijn op hoge leeftijd, voor een jonge en nieuwe aanpak zijn de organen te strak geworden. Veel jongeren verkiezen dan ook maar liever het buiten de kerk te zoeken.

Als de grote stomheid over de mensen, over de maatschappij en de kerken valt, dan spreekt de engel opnieuw: u geschiede naar uw geloof!

Het is goed om een poosje het zwijgen opgelegd te krijgen, het biedt je de gelegenheid om tot inkeer te komen. Zo was het ook voor Zacharias en zijn vrouw: een geweldig teken! Elisabeth verborg zich 5 maanden lang, dat was haar voorbereidingstijd op de geboorte van haar kind. Meestal maakt de vrouw alleen zo’n incubatietijd door, de man voelt zich daarbij vergeleken een beetje buitenstaander, toeschouwer. Bij Zacharias ligt dat anders: hij moet er ook doorheen, door die tijd van voorbereiding en beproeving, zijn tijd van inkeer. Zacharias’ geloof zal ook een soort bevruchting en dracht verwerken. Hij moet in zelfonderzoek. Hij moet de zwakte in zijn geestelijk leven gaan ontdekken. Hij is een priester van het heden en voor de toekomst, maar zijn God was een God van het verleden. Hij weet van de God der vaderen, maar niet van de God der kinderen. Hij stond eigenlijk nauwelijks nog in dienst van de God, die gisteren en heden en morgen Dezelfde is en tot in eeuwigheid!

Een God, Die niet laat varen de werken van Zijn handen.

Hoe is ’t wat dat betreft met ons Gemeente? Zijn wij zwijgend en luisterend het nieuwe millennium binnengegaan? Hebben wij een pas op de plaats gemaakt? En ruimte gemaakt voor de God, die alleen ons veilig leiden zal door de nieuwe aangebroken tijd?

Als het zwijgen voorbij is, komt het spreken. Zacharias kan weer spreken. Maar nu zijn het geen woorden meer van ontkenning en twijfel: hoe kan dat nou? Maar hij spreekt woorden van belijden, van instemmen in het koor der engelen, om God lof toe te zingen: de lofzang van Zacharias! Gaan wij dat ook doen? Vandaag en morgen en al de dagen van ons leven? Onze onvolprezen dichter Schulte Nordholt heeft het in het nieuwjaarslied gez.398 zo treffend onder woorden gebracht:

Valt om ons heen steeds meer het diepe zwijgen,
de eenzaamheid, die nergens uitkomst ziet,
laat ons dan allerwege horen stijgen
tot lof van U het wereldwijde lied.

In goede machten liefderijk geborgen
verwachten wij getroost wat komen mag.
God is met ons des avonds en des morgens,
is zeker met ons elke nieuwe dag.

Amen.                             

Kerstmis, geboortedag van de hoop!

Het Kerstgebeuren is geen sprookje! Wij kunnen een landkaart nemen en zeggen: Kijk, daar ligt Bethlehem waar Hij is geboren. We kunnen oude annalen opslaan en daar lezen dat keizer Augustus bevolen had een volkstelling te houden en dat die volkstelling plaatsvond voordat Quirinius landvoogd van Syrië was. Allemaal waar gebeurd en na te trekken.

Nee, Kerstmis is geen fantasieverhaal, geen sprookje! Het tijdperk van koning Herodes en keizer Augustus en landvoogd Quirinius behoort werkelijk tot de geschiedenis. Zou dat niet het wonder van Kerstmis zijn, dat het ECHT gebeurd is?

Anton PieckHet Kerstgebeuren is geen sprookje! Wij kunnen een landkaart nemen en zeggen: Kijk, daar ligt Bethlehem waar Hij is geboren. We kunnen oude annalen opslaan en daar lezen dat keizer Augustus bevolen had een volkstelling te houden en dat die volkstelling plaatsvond voordat Quirinius landvoogd van Syrië was. Allemaal waar gebeurd en na te trekken.

Nee, Kerstmis is geen fantasieverhaal, geen sprookje! Het tijdperk van koning Herodes en keizer Augustus en landvoogd Quirinius behoort werkelijk tot de geschiedenis. Zou dat niet het wonder van Kerstmis zijn, dat het ECHT gebeurd is? God is werkelijk onze menselijke geschiedenis binnengegaan, als een mensenkind. Hij heeft als mens geleefd en gewerkt, gestreden en geleden, en is als mens gestorven. Lukas zegt het ook tot drie keer in Lukas 2: En het geschiedde…

Maar het is niet gemakkelijk voor mensen van vandaag om dit onvoorstelbare te geloven. Het lijkt inderdaad op een sprookje. Als God Zich in een geweldige bliksemflits vanuit de hemel had geopenbaard was gemakkelijker geweest, in ieder geval duidelijker. Maar dat God op aarde heeft geleefd, gewoon als een opgroeiend kind, ergens in een vergeten uithoek van de wereld, dat valt moeilijk voor waar aan te nemen. En toch is dit het wonder van Kerst: God is in onze menselijke geschiedenis binnengekomen, als ’t ware ingedaald. We kunnen ons dat niet concreet genoeg voorstellen. Daar is ook een zekere durf voor nodig! Schilders in vroegere eeuwen beeldden Jezus meestal af als een oud mannetje met een wijs gezicht en grote handen die de wereld zegenden. Zij legden daarin al hun geloof, dat Hij de Koning der koningen was. Wij moesten dit maar niet zo doen. Laten we Hem gewoon zien als een kind, dat zijn moeder nodig heeft, dat ook moest leren lopen en leren spreken en heel die lange weg naar de volwassenheid moest doormaken en daarna met vallen en opstaan zich moest handhaven in het menselijke bestaan. Zó komt Hij heel dicht bij ons. Te meer kunnen we ons verwonderen, dat God zó naar ons toegekomen is, zó ontroerend gewoon en menselijk. Want zou dit niet betekenen, dat Hij ons kent net zo goed als wij ons zelf kennen en dat Hij bij ons is onder handbereik, zodat we elkaar bij de hand kunnen nemen en kunnen vasthouden?

Kerstmis is geboortedag van de hoop, want God is mens geworden en heeft onder ons gewoond. Wij mogen daardoor weten dat ons menselijke bestaan zin moet hebben, want God weet er alles van. Ik las in mijn krant (het Nederlands Dagblad), dat veel mensen na de tsunami zich daaraan opgetrokken hebben. Het is nu precies een jaar geleden, dat het water kwam. Het was op eerste Kerstdag ’s morgens vroeg, toen de Christenen in hun kerken bijeengekomen waren om Kerstfeest te vieren. Ik las, dat de dominee net zou beginnen met zijn preek, toen er lawaai van buiten kwam. Zij gingen naar buiten en liepen regelrecht het opstormende water tegemoet. De vrouw van de dominee met hun jonge dochtertje werden weldra verzwolgen. De Gemeente wist zich veilig te stellen achter de gesloten deuren van de kerk. Als Kerstfeest niet het feest van de hoop was, zou die dominee het niet hebben kunnen dragen, zo veel verdriet. En met hem vele anderen. De dominee vertelde nooit meer te zullen trouwen, maar uit te zien naar het grote weerzien met zijn vrouw en kind… Dat is leven uit de hoop! Van het weten, dat God bij ons is, juist ook in al dat lijden dat over de wereld gaat, omdat Hij er ook Zelf midden in heeft gestaan. Die dominee in Sri Lanka gelooft vast en zeker, dat God ook met zijn vrouw en kind het diepe is ingegaan. Gelukkig zijn er ook nog mensen, die worden genomineerd tot held van het jaar, die hetzelfde hebben gedaan. Zó is God onder ons gekomen, aan de mensen gelijk geworden.

Er IS hoop voor de wereld! Laten we aan die hoop vasthouden. Hoop doet leven. Wij kunnen verder met Zijn hulp. En dat gaan we deze Kerstdagen vieren, We gaan dat ook ieder op z’n  eigen wijze in de praktijk brengen. Want als er  hoop is, moeten we dat ook laten zien, moeten we die hoop doorgeven, zou ’t niet? We gaan op zoek naar anderen, die best een beetje hoop gebruiken kunnen, Niet maar veilig aan de kant blijven staan…maar er in springen, precies zoals Jezus dat gedaan heeft. Jezus is ook voor u in het diepe gegaan. Het diepe is daar, waar nood is en  onrecht gebeurt, waar eenzaamheid is en honger wordt geleden. Als we daar met z’n allen eens wat aan deden , dan wordt Kerstmis echt feest van de hoop, ook voor mensen voor wie het leven hopeloos is. OP HOOP VAN ZEGEN!

Wat moeten wij dan doen?

Wat moeten wij dan doen?

Lukas 3, 10-14

Johannes de DoperAdvent is tijd van bezinning. Eigenlijk precies zo als toen Jezus begon op te treden. Daar was ook bezinning voor nodig. Dat gebeurde in de woestijn waar Jezus verzocht werd door de satan, tot drie keer toe. Het is zoals het oude spreekwoord zegt: bezint eer gij begint. Bezinning houdt ook in, dat je je overgeeft aan God en dat je boete doet. In zo’n tijd van bezinning wordt de mens opgeroepen een nieuw leven te beginnen. Dan kom je als vanzelf voor de vraag te staan: wat moeten wij dan doen

De mensen om Johannes heen hadden dat ook. Zij werden opgeroepen tot bezinning en gingen zich afvragen: wat moeten wij dan doen? Johannes de Doper, in zijn kamelenharen jas en met sandalen aan zijn voeten, moet wel veel geleken hebben op een oude boeteprofeet. Zij kenden de verhalen wel van Jesaja en Jeremia en Elia en Elisa en al die anderen in de joodse geschiedenis. Maar niet alleen van buiten, ook in zijn gedrag en wat hij sprak leek hij veel op die oude boeteprofeten. Hij vermaande de mensen om zich te bekeren en boete te doen van hun zonden, want –zo zei hij- het Koninkrijk van God is nabij gekomen en de beloofde Messias is al midden onder jullie. En de mensen die dat hoorden werden er door geraakt en zij spraken er over met elkaar. En zij vroegen aan Johannes: wat moeten wij dan doen?

Dit is DE existentiële levensvraag! Het is wel allemaal mooi, advent en het naderende Kerstfeest, de menselijke gezelligheid en de vredesboodschappen, maar na het feest komt de ontnuchtering en blijf je met de vraag zitten: wat doe ik er nou mee? Wat doe ik er aan? En wat moet ik dan doen?

Johannes heeft daar een heel eenvoudig antwoord op. Hij zegt niet: jullie moeten mij maar volgen. Of, met de Farizeërs: onderhoudt maar goed de geboden van God, trouw naar de kerk gaan, de zondag heiligen enzovoort. Ook geeft hij niet het antwoord van de ondergrondse, de Zeloten, in hun strijd tegen de Romeinen: neem het zwaard op en vecht tegen de onderdrukkers. Zelfs antwoordt hij niet met de Essenen, dat zijn heel gelovige mensen die zich teruggetrokken hebben in de woestijn om daar een heilig bestaan te leiden. Zij zouden beslist gezegd hebben: verzaak de wereld met al zijn verleidingen, weg met de steden, weg met al die kerken, weg met de zogenaamde welvaart, maar kom bij ons in onze eenvoudige gemeenschap. Al die antwoorden waren mogelijk geweest. En dan hebben we ’t nog niet eens over wat wij moderne mensen hadden  kunnen antwoorden. Het socialistische antwoord bijvoorbeeld: afstand doen van je privé-bezittingen. Of het pacifistische antwoord: alle wapens het land uit! Of het groene antwoord: terug naar de natuur! Of de bekende vuistregels: geen alcohol, geen vet, geen stress enz. Niets van dat alles roert Johannes aan.

Zijn antwoord is anders, eenvoudiger, zou je zeggen, maar ook radicaler. Die er wat beter bij zit moet straks delen met zijn arme buurman. En dan kan het om kleding gaan of om proviand of om een slaapplaats. Gewoon de ander laten meedelen, heel gewoon, een kind zou het gezegd kunnen hebben. Van de tollenaar wordt niet gevraagd onmiddellijk te breken met zijn goddeloze beroep. Van de soldaat wordt niet gevraagd onmiddellijk de dienst te verlaten. De winkelier hoeft zijn winkeltje niet op te geven en  de moeder van 6 kinderen kan gewoon voor haar gezin blijven zorgen. Nee, maar àls je tollenaar bent, vraag dan niet te veel aan de voorbijganger. En als je soldaat bent dan ga dan niet plunderen en mensen afpersen. Wees tevreden met je soldij en doe gewoon je werk goed. En als je huismoeder bent, zorg dan goed voor je man en kinderen.

Wat moeten we dan doen?

In de antwoorden die Johannes aan de verschillende mensen om hem heen geeft wordt ons direct één ding duidelijk: al die mensen worden herinnerd aan hun medemensen. En we moeten  even aan het woord van Jezus denken: wat je aan je naaste hebt gedaan, hebt ge Mij gedaan en mijn Vader in de hemel. Dit is de centrale gedachte die we overal in het Nieuwe Testament tegenkomen: dat onze verhouding tot God menselijk vertaald wordt in onze verhouding tot onze medemensen. Dit is trouwens niet alleen in het Nieuwe Testament zo, maar ook bij Israëls oude profeten zoals Amos en Micha en Jeremia. Ook in de joodse wetten vinden we terug dat wees en weduwe beschermd worden en mensen die wat aan lager wal geraakt zijn een nieuwe start mogen maken in bepaalde feestjaren. Godsdienst wordt zo ook mensendienst.

En dat kan eigenlijk ook niet anders. Want achter deze gedachte om elkaar bij te staan staat toch niemand minder dan God Zelf. Van Hem wordt getuigd dat Hij het verlorene achternagaat en het verdrevene zoekt. Bij de Psalmen en  profeten kom je dit herhaaldelijk tegen. “Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven.” (Jesaja 42, 3) En nog een bekende tekst (Jesaja 61, 1): “Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening van de gevangenis.” Het is steeds weer de God niet van de rijken en sterken – zij die gezond zijn hebben geen geneesheer nodig. Het is de God van de zwakken, de armen, de zieken, de underdogs, de eenzamen en geslagenen. Omdat God zó onze God wil zijn, hebben zijn profeten ook zó geprofeteerd: denk in de eerste plaats aan je medemens, dan weet je wat je te doen staat, dan hoef je je niet steeds weer af te vragen “Wat moet ik nu doen?”

In deze lijn staat Johannes de Doper en de mensen om hem heen zullen het ook
zonder twijfel goed begrepen hebben. Hier sprak de stem van de oude profetie! Een nieuwe Godstijd was aangebroken! Zouden wij ook  niet moeten luisteren? Naar die stem? Daarom worden wij in de Advent ook altijd weer opgeroepen tot een nieuwe levenshouding, die God zoekt dicht in de buurt van  de mensen, voor wie wij op de een of andere manier iets betekenen kunnen. Kerstfeest is het feest van het machteloze, DE machteloze. Niet voor niets wordt Hij geboren als een machteloos Kind en sterft Hij weerloos aan het kruis. Pas wie de machteloosheid van Jezus ontdekt zal ervaren dat zijn naam Immanuël is: God-met-ons. Wat moeten wij dan doen? Leven met en delen met de machtelozen, laten zien dat je zelf ook machteloos bent en dat je je daarvoor niet schaamt. Wij zijn dan wel niet de rijken die hun slaapplaatsen moeten delen met de minder bedeelden en wij zijn ook geen  tollenaars die teveel belasting vragen (eerder betalen!) en wij zijn ook geen soldaten die op rooftocht gaan. Maar omgezet naar onze tijd en onze leefomstandigheden hebben wij van alle drie wel wat. Wij hangen erg aan ons bezit en kunnen maar moeilijk iets afstaan, wij vragen als het om geld gaat eerder te veel dan te weinig en plunderen kunnen wij ook, al is het op een andere manier dan de soldaten deden. Laten we daar alstublieft oog voor hebben en de hand in eigen boezem steken. Dan wordt het pas goed Advent: tijd van bezinning, van nadering tot God.

Geen ander teken ons gegeven
geen licht in deze duisternis
dan deze mens om mee te leven
een God die onze broeder is.
Zingt voor uw God, Hij openbaarde
in Jezus zijn menslievendheid.
Zo wordt de wereld nieuwe aarde
en alle vrees aanschouwt het heil.
                                Gezang 160, 2

Amen.

Kerstkaart maken

Al in oktober wordt je voor de keuze gesteld: zal ik dit jaar de Kerstkaarten gaan kopen of zal ik er zelf eentje maken. De winkels beginnen al vol te lopen met stapels kerstkaarten en je weet dat je er vroeg bij moet zijn want dan heb je nog de eerste keus. Onze jongste dochter had net besloten een eigen kaart te maken. Ze had de verschillende mogelijkheden van een fotokaart bekeken en de aanbieders met elkaar vergeleken. Ze was zo enthousiast dat ze mij ook heeft overgehaald.

Verdwaald? Op zoek naar een pagina over zelf kerstkaarten maken? Probeer eens https://www.mamaliefde.nl/kerstkaarten-maken/

Al in oktober wordt je voor de keuze gesteld: zal ik dit jaar de Kerstkaarten gaan kopen of zal ik er zelf eentje maken. De winkels beginnen al vol te lopen met stapels kerstkaarten en je weet dat je er vroeg bij moet zijn want dan heb je nog de eerste keus. Onze jongste dochter had net besloten een eigen kaart te maken. Ze had de verschillende mogelijkheden van een fotokaart bekeken en de aanbieders met elkaar vergeleken. Ze was zo enthousiast dat ze mij ook heeft overgehaald. Een bijkomend voordeel: dan zou de pas aangeschafte digitale camera ook eens zijn nut bewijzen! Nou dat moest dan maar. Dus ik op zoek naar mijn foto’s op de computer. Welke zou ik nemen? Echte winterse foto’s had ik nog niet. Dus: wat dan wel?

Toen viel mijn oog op een tweetal moedereendjes met een hele schare kroost. Ik had die foto genomen op het erf van een oude boerderij die in het voorjaar was afgebrand. Dat gaf veel commotie hier in Barendrecht want het was niet alleen één van de oudste boerderijen maar er werden ook paarden gestald die allemaal zijn omgekomen. Alleen een schuur en een bungalowtje waar de boerenfamilie in woonde was gespaard gebleven. Toen ik daar deze zomer langs snorde (op mijn scootmobiel) zag ik een bordje met ‘uien te koop’. Die hadden we net nodig. Dus ik er op af. De boerin kwam aanlopen en om haar heen een gekrioel van allemaal kleine eendjes met enkele volwassen eenden die de boel bij elkaar hielden. Het was zo’n leuk gezicht en tegelijk ook gaf het zo’n warm gevoel om juist hier op deze plek, waar de dood zo huis gehouden had, weer zo veel nieuw leven te ontmoeten. Ik pakte mijn cameraatje die ik altijd bij me heb in m’n tasje en maakte enkele foto’s. Wel, dat leek me wel wat voor de Kerstkaart: nieuw leven op oude grond… De tijd vergaat, maar God blijft zorgen. Ook in het nieuwe jaar. Zoiets, ja, dat zou goed zijn. Dat heb ik toen maar gedaan en zie hier het resultaat:

De Heer regeert, de aarde verheuge zich

De heer regeert, de aarde verheuge zich!

Psalm 97

Zó begint Psalm 97 en daarmee wordt ons gewezen op Advent; uitzien naar Gods machtige daden. Het is een belijdenis dat Hij regeert en niet wij. En dat Hij Zijn plan met de wereld gaat voltrekken. Zijn heilsplan, zó noemen we dat.

De komst van Jezus hier op aarde heeft daar ook alles mee te maken. Je zou het Gods machtigste daad kunnen noemen om de mensen weer tot Hem terug te brengen. Met een deftig woord noemen we dat ‘verzoening’, goedmaken. Het moet weer goed gaan komen tussen de mensen en God. Tussen God en de mensen is het al goed, maar andersom…

“De Heer regeert, de aarde verheuge zich.”

We weten niet wie de dichter was van Psalm 97. Ook de tijd van zijn ontstaan blijft in het duister. De inhoud van de Psalm geeft hierover ook geen duidelijkheid. Maar één ding is wel duidelijk, het was een slechte tijd waarin de dichter leefde. Heeft hij het niet over tegenstanders, bliksemen die de wereld verlichten, bergen die smelten als was, de aarde die beeft? Het zijn allemaal aanduidingen van geweldadige gebeurtenissen. De wereld is in beroering. Wie weet zijn er oorlogen gaande en wordt het volk onderdrukt. Ook in zijn persoonlijke leven is er misschien veel aan de hand: teleurstellingen, angst, stress. Het is een duistere wereld waarin wij leven en dat zeker niet alleen in de donkere dagen vóór Kerst!

De Psalmdichter begint zijn lied met een juichtoon en hij eindigt er mee. Alsof hij wil zeggen: de wereld mag dan wel donker zijn en vol raadselen, maar God blijft Dezelfde, de Koning die ’t al regeert. “De Heer regeert”, zo begint hij. Je kunt ook zeggen “de Heer is Koning”. En de psalm eindigt met: “Gij rechtvaardigen, verheugt u in de Heer!” In dagelijkse taal zeg je dan: “Jullie, gelovige mensen, wees nou maar blij in je God.” De psalm begint met iets te zeggen over het geloof en hij eindigt daarmee. En daar tussenin wordt in allerlei beelden gesproken over de noden van de wereld. Wat hier gebeurt is belangrijk ook voor ons. Ook wij moeten beginnen en eindigen met “geloof”. Dan staat alles wat we meemaken in het goede perspectief. Ook wat je meemaakt in je persoonlijke leven. De Fransman zegt “C’est le ton qui fait la musique”, de toon maakt de muziek. In de Adventstijd merk je dat ook direct, de Sinterklaasliedjes zijn over, de Kerstliedjes klinken weer overal door. Toch is dit alleen maar de buitenkant. Wat ik bedoel met ‘toon’ is wat een mens ‘van binnen’ mag voelen: het vooruitzicht van de grote dingen die God aan ons doet. De toon van het geloofsvertrouwen. De dichter gaat niet met zijn verstand te werk om alles wat er in de wereld gebeurt te verklaren, nee, hij gelooft dat de Heer regeert en van daaruit laat hij licht vallen op wat op aarde gebeurt.

Je moet het wel gelóven -soms zelfs tegen je verstand in- dat de Heer regeert. Met redeneren kom je niet ver. Dan blijf je steken in het “hoe kan dat nou als God regeert?” Bij zoveel dingen die niet te verklaren zijn. Als kind kon je nog zingen met volle overgave:

“God, die alles maakte, de lucht en ’t zonlicht blij,
 De hemel, zee en aarde, zorgt ook voor mij”.

Nú moet je constateren dat God het wel erg druk moet hebben met al die 6 miljard mensen op onze planeet en wie weet hoeveel planeten er nog meer zijn waarop menselijk leven mogelijk is.  En dan “God die alles maakte…” Ook weer zo moeilijk. Zou God het hier laten plenzen terwijl elders op aarde de droogte gruwelijk toeslaat? Allemaal zo onlogisch en zeker van een almachtige God niet te begrijpen.

De dichter van Psalm 97 heeft daar geen last van, van dat verstand met z’n vele vraagtekens. Hem kan dat ook niet overkomen. Omdat hij niet bij een vraagteken begonnen is en er ook niet mee eindigt. Hij begint met een statement van het geloof en van daaruit kijkt hij naar de dingen die gebeurd zijn en om hem heen gebeuren. Zó staat hij van meet af aan op vaste bodem. Je zou anders denken dat hij toch wel eens aan het wankelen gebracht moet zijn. Met alles wat die man heeft meegemaakt in zijn  leven. Hij spreekt van bliksemen, vuur, bergen die smelten, en geeft daarmee in beelden aan hoe het er met hem en met deze wereld voorstaat. Wij zijn in een strijd betrokken van de machten die over ons heersen: die van licht tegen duisternis. Het lijkt er op, dat God toch hierin de hand niet kan hebben, en dat Hij veeleer de wereld aan haar eigen dwaasheid heeft prijsgegeven. Het kan een mens behoorlijk van stuk brengen. Maar de Psalmdichter schijnt daar geen last van te hebben. Hij weet waar hij ’t zoeken moet en plaatst zich op de hoogte, waar de verschrikking hem niet kan bereiken: De Heer regeert!

Niet dat hij ’t begrijpt, hoe… Hij zegt het nadrukkelijk: rondom hem zijn wolken en donkerheid. Zou hij niet daarmee bedoeld hebben dat ook hij het niet weet wat er van komt en hoe het komt en wanneer het komt, maar wat hij wel weet is dat de Heer regeert! Hij regeert in wolken en donkerheid, voor mensen ogen onzichtbaar, voor mensen verstand onvatbaar, maar daar in de donkerheid zijn recht en gerechtigheid de vastheid van Zijn troon. Dat wil zeggen: hoe het ook gaan zal, het gaat in ieder geval langs de lijn van recht en gerechtigheid.
Dat is het éne zekere van onze dichter en ik hoop ook van u. Dat het wereldbestuur in Gods hand is, dat is hem voldoende. God zal tenslotte alles volbrengen, wat Hij Zich voorgenomen heeft. Hier zijn geen blinde noodlotskrachten aan het werk en geen toeval, maar het gaat recht af op Gods doel. Hier geldt het ‘nochtans’ als de kern van ons geloof: al ziet ’t er ook niet naar uit… nochtans de Heer regeert en ik mag de weg gaan zoals Hij het wil en bepaald heeft. Wat voor kromme sporen ik ook trekken moet!

Laat Hem besturen, waken,
’t is wijsheid wat Hij doet.
Zo zal Hij alles maken
dat g’ u verwond’ren moet.

Op het eind van zijn lied spreekt de Psalmdichter de gelovigen toe. “Gij rechtvaardigen”, jullie gelovige mensen, weest blij in de Heer! Nu wordt het iets persoonlijks. Het gaat ook u aan. “Hij, die de zielen van zijn gunstgenoten  bewaart, redt hen uit de hand van de goddelozen.” Waar in de Bijbel ‘ziel’ staat, wordt de mens zelf bedoeld. Wij zeiden dat vroeger ook wel als een schip met zoveel zielen was vergaan.

Gij rechtvaardigen, weest blij! Verheugt u!  “Het licht is voor de rechtvaardige gezaaid, en vreugde voor de oprechten van hart” (vers 11). Daarmee wordt het Advent: het licht is gezaaid. Wij gaan het Licht tegemoet. We zingen straks weer: 

“En onder miljoenen heeft Hij ook mij op ‘t oog.”

Wat een onbegrijpelijk wonder!

“Looft Zijn heilige naam!”

Amen.                             

Preek werd gehouden op zondag 11 December 2005 in de Hervormde kerk te Waarde.

Pupil van de week

Een knappe voetballer. De trots van een opa.

Bij de Barendrechtse Voetval Vereniging BVV was mijn kleinzoon Chadi de ‘pupil van de week’.

Op hun website verscheen het volgende bericht:

Afgelopen zaterdag speelde Barendrecht 1 tegen het eerste elftal van Spijkenisse. Bij deze wedstrijd was Chadi Salmi de Pupil van De Week. Chadi is 10 jaar, speelt in E9 van de BVV en had een collega dit weekend, hoe zat dat?

BVV Pupil van de week Chadi Salmi wordt geinterviewd voor de radio.Chadi:”Er was ook nog een Pupil van de Week van Spijkenisse en we hebben samen de aftrap genomen. Het was heel leuk, ik mocht eerst in de kleedkamer en meedoen met de warming up”. En wat doe je op de foto? Chadi:”Toen mocht ik op de radio de uitslag voorspellen, ik zei 2-1 en het werd 3-2. En na afloop kreeg ik in de bestuurskamer ook nog een bal en twee zaklampen en nog veel meer!”. Verder nog? Chadi:”Mijn vader was er ook bij en die vond het ook heel leuk!”

Opa is hartstikke trots op je, Chadi!

 

Sterren op glas

Je kunt ook in huis zien dat Kerst nadert. De kleuren rood en groen nemen toe in het interieur. Mijn vrouw Tilly heeft alle Kerstspullen van zolder naar beneden gehaald, behalve dan de boom en het optuigsel, dat komt volgende week. Daar zijn veel dingetjes bij waar je kaarsen in kunt doen. Tilly houdt van rood. En zij maakt van de restanten van vroegere stukjes weer een leuk geheel. Zo kwamen er vandaag…

Je kunt ook in huis zien dat Kerst nadert. De kleuren rood en groen nemen toe in het interieur. Mijn vrouw Tilly heeft alle Kerstspullen van zolder naar beneden gehaald, behalve dan de boom en het optuigsel, dat komt volgende week. Daar zijn veel dingetjes bij waar je kaarsen in kunt doen. Tilly houdt van rood. En zij maakt van de restanten van vroegere stukjes weer een leuk geheel.

Zo kwamen er vandaag twee kleine Kerststerren op onze glazen tafel, ingepakt in mooie zilveren houdertjes op een gedecoreerde glazen schaal met ‘robijntjes’. Dat had ze nog ergens van over gehouden vorig jaar. En die Kertststerretjes kon ze nog te pakken krijgen op de Middenbaan. Zo heet de winkelstraat hier in Barendrecht. Raar toch dat het aankomende Kerstfeest mensen zo in beweging brengt! Het huis wordt gezellig gemaakt, de feestdagen worden al vast ingevuld met kinderen en kleinkinderen en feestelijke hapjes. Maar ook gemeenschappen van mensen buitenshuis krijgen de kriebels om iets gezelligs te gaan doen, bijvoorbeeld de vrouwenverenigingen (HVD en zo) en de ouderenbonden en niet te vergeten de Kerken. Een mens kan het er maar druk mee hebben. Toch blijft het mooiste: die sterren op glas.

Gaaf Vet Lauw Cool

Gaaf, vet, lauw, cool

Johannes 15, 5

“Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken.
Wie in Mij blijft gelijk Ik in hem,
die draagt veel vrucht,
want zonder Mij kunt gij niets doen.”

Wij hebben vandaag een bijzondere dag. Niet alleen omdat het 2e Advent is, maar ook omdat iemand in ons midden wordt bevestigd in een bediening. En dat is denk ik heel bijzonder. Bevestiging in een ambt zoals dat van predikant, ouderling of diaken komt wel vaker voor. Maar in een bediening, dat is bijzonder. Misschien dat het in de toekomst wel meer zal gebeuren, want de Kerk verandert en daarmee ook haar ambtelijke structuur.

Wat is een bediening eigenlijk? Dat je een taak krijgt opgedragen in de kerkelijke gemeenschap, bijvoorbeeld om pastoraat te doen of het jeugdwerk te gaan leiden of zieken te verzorgen. Allerlei bezigheden waartoe mensen in de Kerk zich geroepen voelen. Om ze toe te rusten tot zo’n functie worden ze in het midden van de Gemeente opgedragen aan God met de bede, of God hun werk mag zegenen. Het is dus ook een soort inzegening. Precies zoals dat met een huwelijk gebeurt. Je weet dat je die zegen van God nodig hebt, wil je in je werk vruchtbaar zijn. Het is ook daarom dat Masineke die mooie tekst uit Johannes 15 heeft uitgekozen voor de preek: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft gelijk ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen.” U hoort het: zonder Hem zal het niet lukken! Al doe je nog zo goed je best. En ik ben er van overtuigd dat Masineke dat doet en altijd zal doen: haar best. Dat heeft ze niet alleen geleerd in haar opleiding, maar zo is ze grootgebracht. In je opleiding krijg je bagage mee om je werk te kunnen uitvoeren. Maar de motivatie en inspiratie krijg je van huis mee. Dat je als Christen dienstbaar en sociaal moet zijn. En dan komt het er niet meer zo op aan in welke gemeenschap je dat doet, in welke Kerk, in welk verband van mensen. Dat geldt dan net zo goed voor de kerkelijke Gemeente van Vierpolders als voor het meer randkerkelijke oecumenische werk in de Havenkerk van de Schilderswijk in den Haag. Je hebt daarvoor een Leidsman nodig, iemand die naast je gaat en  je leidt, tegen wie je ook aan kunt leunen, van wie je afhankelijk bent, en dat niet omdat het zo nodig moet, maar omdat je dat fijn vindt, omdat je je daarin geborgen en veilig voelt. Zouden we dat niet allemaal wel willen? Jonge mensen zouden zeggen: dat is gaaf, vet, lauw, cool! Dat is gewoon “te gek”! Te weten dat er Iemand bij je is op wie je vertrouwen kunt door dik en dun en voor wie je dan ook alles over hebt. Sommige jongeren gaan daarvoor het klooster in. Anderen zoeken het meer buitenshuis, in een bediening bijvoorbeeld.  Zo iemand is Masineke. Zij wil graag iets voor God betekenen en voor de mensen. En zij krijgt daartoe vandaag een officiële opdracht.

Hoe kan een mens zo’n nieuwe taak vervullen? In een wereld die in veel dingen niets meer van God en mensen moet weten? Alleen door dichtbij God te blijven en dichtbij de mensen.

Zoals Jezus ons dat heeft voorgedaan. In verbondenheid met Hem krijgt zo’n opdracht kans van slagen. Zoals de Heer Zelf het ons heeft voorgehouden: “Wie in Mij blijft gelijk Ik in hem en in haar, die draagt veel vrucht.” En Hij gebruikt hierbij het beeld van de wijnstok en de ranken. Zonder ranken is de wijnstok niets, en evenzo: zonder wijnstok heb je ook niets aan de ranken. Die beiden horen bij elkaar en bevruchten elkaar. Zo alleen krijg je veel vruchten. En als u eens langs de wijngaarden in Zuid Frankrijk bent gereden dan heeft u met eigen ogen kunnen zien hoe waar dat is! “Want zonder Mij kunt gij niets doen. Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad. Het zo bij elkaar horen en door elkaar vrucht gaan dragen wordt gevoed door de liefde. De liefde is de bindende kracht! “Waar liefde woont, gebiedt de Heer Zijn zegen” is een heel oud spreekwoord, maar nog steeds actueel. De mensen in Nederland  krijgen vandaag meer en  meer het gevoel dat die liefde ontbreekt nu onze regering steeds meer mensen letterlijk in de kou laat staan. Maar er is gelukkig ook een andere kant: hierdoor krijgen kerken en gemeenschappen van mensen en ook mensen individueel een kans om hun liefde voor de naaste in nood te bewijzen. En dat gebeurt ook, op grote schaal. Er ontstaan voedselbanken en gratis winkels waar mensen die niet meer rond kunnen komen van hun uitkering tenminste het benodigde voedsel kunnen gaan halen. En ik lees in mijn krant het Nederlands Dagblad hoe vele Diaconieën en Rooms Katholieke armenverenigingen  geld bijeenrapen om gezinnen in nood bij te staan. Dat komt Masineke zeker ook volop tegen in haar werk in de Schilderswijk van Den Haag, de armste stadswijk van Nederland. Wat mensen het meest nodig hebben is liefde en aandacht, dat iemand aan je denkt. Dat je jouw ellende met iemand kan delen. Dat zijn de vruchten waar Jezus op doelt. Wij moeten allemaal tonen dat wij ranken zijn van die éne wijnstok, onze Heer. Voor Masineke geldt dat zij hierin een bijzondere taak en opdracht krijgt. Zij mag letterlijk werken in de wijngaard des Heren.

Aan de vruchten kent men de boom. “Ik heb u uitgekozen en aangewezen , opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam.” Een  bediening is een soort uitverkiezing. Dat schept grote verantwoordelijkheid. God ziet iets in je. En als het soms moeilijk is in je werk, misschien zelfs ondragelijk, als je krachten tekort schieten en je denkt: hoe kan ik zo’n opdracht nou volbrengen? Blijf dan tegen jezelf zeggen: “En toch, en toch ziet God iets in me en heeft Hij me geroepen en uitverkozen….” Zoals Maarten Luther dat steeds weer tegen zich zelf moest zeggen als hij het moeilijk had: “En toch, en toch ik ben gedoopt….” Als je dan terug mag kijken naar de dag van vandaag, zeg dan gerust: “En toch en toch Hij heeft mij in deze bediening bevestigd, Zijn zegen vergezelt mij.” En dan zul je merken hoe God u alles geven zal, waarom je bidt, in Jezus’ naam. “Vraagt wat gij maar wilt en het zal u geworden.” Heeft de Heer het Zelf niet zo aan ons gezegd? Deze zekerheid mag u -Masineke- ook in uw werk meenemen en uitdragen.

Het is vandaag ook tweede Adventszondag. Wij zijn al een stukje op weg om de geboorte van de Heiland te vieren. En dan moeten we denken aan de Psalmen en Profeten, waar zo vaak gesproken wordt over Iemand die in de toekomst zou komen om mensen gelukkig te maken. Ik denk aan Psalm 72:

Hij zal de Redder zijn der armen,
Hij hoort hun hulpgeschrei.
Hij is met koninklijk erbarmen
hun eenzaamheid nabij.
Hij helpt,  met hun bestaan bewogen,
die zijn in vrees verward.
Hun bloed is kostbaar in zijn ogen.
Hij draagt hen in zijn hart.

Hebben wij zo Iemand nodig? De Psalmdichter denkt van wel. Ik denk ’t ook. En Masineke weet het ook wel zeker. Wij voelen ons vaak zo hulpeloos en eenzaam en angstig, precies zoals de Psalmdichter het zegt: in vrees verward. Daarom hebben we de Helper nodig! God weet dat ook van ons. Hij zendt ons die Helper. Wij zien naar Hem uit! Vandaag en elke dag van ons leven. In je persoonlijke leven is dat zo, Masineke, maar ook in het werk waartoe je geroepen bent. Hoeveel mensen zul je niet mogen helpen  met die boodschap van Kerst: dat de Helper gekomen is, voor arme mensen, die zijn in vrees verward. Ga met Hem! Wie in Mij blijft gelijk ik in hem of haar, die draagt veel vrucht.

Amen.                             

Preek gehouden in de dienst van 4 December 2005 in de Dorpskerk van Vierpolders, waar mevr. Masineke de Jong werd bevestigd in de bediening van het pastoraat.

Advent 2005

Advent 2005

Lukas 1, 30

“Wees niet bevreesd, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.”

Advent MariaHet ene woordje ‘genade’ is de Adventsboodschap bij uitstek.
Dat was het toch, wat de engel aan Maria te zeggen had: dat zij genade
gevonden had bij God. Zou het daar niet ook in ons leven op aankomen?
Paulus schrijft daar een hele brief over: de Galatenbrief (toelichting). Niet door eigen
toedoen, zegt hij, niet door eigen toedoen komt de mens bij God in Zijn
Koninkrijk, maar alleen wanneer die mens genade gevonden heeft bij God!
Zo is het Maria vergaan en Maarten Luther en al die anderen, die tot geloof
gekomen waren. Genade gevonden bij God… dat kan niet anders zijn dan
dat God u vindt! Niet dat u op zoek bent naar Hem en alles wat daarmee te
maken heeft in uw leven, is het belangrijkste, maar dat Hij op zoek is naar u!
En dat Hij u vindt! En als Hij u gevonden heeft, dan hebt u genade gevonden
bij Hem. Zo zit dat in elkaar! Alles gaat van God uit, alleen van Hem. ’t Is
alles genade!

Dat heeft de beroemde engelse schrijver John Bunyan ook zo getroffen,
toen hij de Galatenbrief las. Bunyan leefde in het midden van de zeventiende
eeuw in het door de godsdienst verdeelde Engeland. Na jaren als soldaat gediend te hebben, met alle vreselijke ervaringen vandien, maakte hij een geestelijke strijd door. Hij dacht zelfs aan zelfmoord. Toen kreeg hij Luther’s commentaar op de Galatenbrief in handen. Luistert u maar naar wat Bunyan zelf
daarvan zegt:

“Het boek was zo oud, dat het bijna uit elkaar viel, als ik er in bladerde. Zo
oud als het was, beviel mij dit boek geheel goed. Want, zodra ik het had opengeslagen, vond ik mijn eigen toestand zo breed en uitvoerig behandeld, alsof het
boek uit mijn eigen hart geschreven ware…”

In 1655 werd Bunyan Baptisten-predikant. Toen kwam er een nieuw bewind in
Engeland. Karel II kwam op de troon en deze legde de geestelijke stroming van
de puriteinse (=zuivere) leer, waartoe ook Bunyan zich rekende, aan banden. De
puriteinen, die veel kritiek hadden op de goddeloze toestanden in Engeland, werden toen vervolgd en hun voorgangers, ook Bunyan, belandden in ’t gevang.
Twaalf jaar – van 1660 tot 1672 – moest Bunyan toen geisoleerd van de buitenwereld leven, doch niet van zijn God! Integendeel, in deze periode is hem steeds
duidelijker geworden, wat genade betekent. Toen is ook dat prachtige boekje
ontstaan, dat naderhand de wereld heeft veroverd. Misschien heeft u het ook wel
in de kast, of anders staat het wel op internet te lezen: ‘Een Christenreis naar de eeuwigheid‘.

Het was al genade wat Christen op zijn levensreis ondervond, tot in eeuwigheid!
En is het dat ook niet voor ons? Daar begint Advent mee: wees niet bevreesd,
u hebt genade gevonden bij God. Dat overkwam Maria en Paulus en Luther en
Bunyan. Moge het u en mij ook overkomen!

Amen.                             

Kerstboodschap 

Middenin de onrust van het leven,

middenin de kou van het bestaan,

komt een Kind ons vrede en warmte geven,

komt een Man, die met ons mee wil gaan;

komt een hand, die wonden kan genezen;

komt een licht op onze donk’re baan;

komt een stem: Ik wil je Vader wezen,

middenin de kou van je bestaan.

(Jelly Verwaal, uit: Beloofd is beloofd)

Eeuwigheidszondag

Eeuwigheidszondag is de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Het is traditie dat dan de doden worden herdacht. Soms doet men dit ook op de laatste zondag van het jaar, op 31 december. In ieder geval staat de prediking vandaag sinds onheuglijke tijden in het teken van de “laatste dingen”: Gods Koninkrijk, het oordeel, de opstanding, de hemel.

Johannes 11, 31

Hervormde Kerk Piershil“De Joden dan, die met haar in het huis waren en haar troostten, zagen Maria ijlings opstaan en naar buiten gaan en zij volgden haar, vermoedende dat zij naar het graf ging om daar te wenen.”

Vandaag is de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Het is traditie dat dan de doden worden herdacht. Soms doet men dit ook op de laatste zondag van het jaar, op 31 december. In ieder geval staat de prediking vandaag sinds onheuglijke tijden in het teken van de “laatste dingen”: Gods Koninkrijk, het oordeel, de opstanding, de hemel. Ik heb hiervoor de geschiedenis van de opstanding van Lazarus genomen en als tekst eigenlijk dat wat aan de opstanding van Lazarus voorafgaat: het verdriet van Martha en Maria en ook van Jezus. Het staat er zo nadrukkelijk, midden in het verhaal, dat Maria naar buiten ging en dat de mensen dachten dat zij naar het graf ging om daar te huilen. Waarom doen mensen dat? Huilen bij het graf? Uit sentimentaliteit of zelfmedelijden? Nee, uit verdriet, uit eenzaamheid en zich verlaten voelen, er niet meer tegen op kunnen, tegen het leven met z’n grote zorgen. Huilen laat de echte mens zien in zijn angsten en verlorenheid. Huilen mag ook weer gelukkig. Je ziet het zelfs op de televisie. Grote en sterke mannen en vrouwen laten daar soms hun tranen de vrije loop. We moeten ons gevoel ook niet wegstoppen of kleineren alsof het maar zenuwachtig gedoe is. Nee, het is een aparte dimensie in de mens waarin de echte mens naar voren komt. Tranen zijn het beste dat de mens te bieden heeft.

Daarom is het ook zo goed dat we vandaag op Maria gewezen worden die wellicht naar het graf ging om daar te huilen. De mensen vonden dat heel vanzelfsprekend. Als er iemand gestorven is dan ga je huilen. En in de Arabische landen is dat helemaal zo: iedereen huilt mee en het geweeklaag is niet van de lucht. Huilen bij de dood. De eerste Christenen vonden dat dat eigenlijk niet kon, want de dode zou opstaan. “Wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken…” Soms lieten ze in de vroege Gemeente op de grafzerk beitelen: “Spaar uw tranen”. Een gedachte die past bij het Evangelie van opstanding en blijdschap. Velen van ons geloven dat ook nog, gelukkig maar. En toch zijn we verdrietig als iemand die ons dierbaar is van ons wegvalt. Dat is zo heel menselijk. Trouwens, dieren  hebben dat ook. Soms loopt een hond of poes dagen lang te zoeken naar een maatje of een kind dat hen is weggenomen. Ze eten en drinken niet, zo verdrietig zijn ze.

Zou Maria zo iets ook niet gevoeld hebben toen haar lieve broer Lazarus van haar werd weggenomen? Je wilt dan elk moment wel naar het graf om bij de geliefde te zijn. Onze zusters en broeders van de Rooms Katholieke Kerk doen dat ook, 1 keer per jaar, op Allerzielen, 2 november. Dan bidden ze voor de rust van de overledenen. Ze gaan naar het kerkhof en verzorgen de graven en pinken nu en dan een traantje weg. Misschien doen wij dat niet zo, als Protestanten. Wij hebben daar geen ritueel voor. Jammer eigenlijk. Want het is toch een rijke gedachte om 1 keer per jaar op één bepaalde dag de herinnering aan de ontslapenen wakker te roepen. Laten wij daarom vandaag op de laatste zondag van het kerkelijk jaar aan onze doden denken, eenvoudig, stil en eerbiedig. Met de bede in ons hart, dat we allemaal eens zullen worden opgewekt tot het eeuwige leven in Gods Koninkrijk.
Keren we terug tot Johannes 11, dat diepe ontroerende ingrijpen van Jezus in de dood. Maria was eerst thuis gebleven om de mensen te ontvangen die hun rouwbeklag kwamen doen. Want het leven gaat door. De mensen moeten ook koffie krijgen en een broodje. Toen had Martha haar ingefluisterd: “De Meester is daar en Hij roept u.” En zij ging direct naar Jezus toe. Maar de mensen die bij haar waren begrepen ’t niet: “Zij gaat natuurlijk naar het graf om te huilen.” Waarschijnlijk deed zij dat telkens weer. Ook heel logisch. Zoals wij van haar gehoord hebben in het Evangelie is zij een zachte liefhebbende vrouw die erg veel van haar broer hield en daarom naar de grafspelonk ging om er te huilen en te peinzen over alles wat haar overkomen was.

Ik wil u aansporen het voorbeeld van Maria te volgen. Het is goed om zo nu en dan aan onze doden te denken. Niemand kan zeggen: wat gaat mij dat aan! Want we zijn er allemaal bij betrokken. Elke dag worden we met de dood geconfronteerd. En hoe ouder je wordt, hoe erger dat wordt. Hoe vaak hoor je mensen niet verzuchten : ik loop van de ene begrafenis naar de andere, ’t wordt zo stil om me heen. We hebben allemaal onze doden. De weduwen denken aan hun mannen van wie zij zo veel steun en liefde ondervonden. Weduwnaars denken terug aan de tijd van vroeger toen zij er nog was, hun geliefde vrouw. Een moeder denkt aan haar kind dat spelend in de huiskamer ziek werd, zó ziek dat zij ’t moesten afgeven. En u, die hier voor me zit, denkt misschien aan uw vader of moeder of beide. Je kunt ze toch niet missen… al die mensen van wie je zo gehouden hebt. Zo dragen we allemaal onze doden  mee in het diepste van ons hart.

Of zou dit vandaag niet meer zo zijn? Soms heb ik wel eens de indruk dat het minder is dan vroeger. Door het jachtige leven wordt men gauw ontrouw aan de dingen die tijd en aandacht kosten. In een van de mooiste werken van Charles Dickens vinden we een gesprek tussen de doodgraver en een kind dat bij het gedolven graf loopt te spelen. Het kind vraagt de oude man: “Waarom verwelken de bloemen toch zo gauw op een kerkhof?” Hij keek naar al die dode neerhangende bloemen overal om hem heen. De doodgraver antwoordde: “Dat komt omdat zij die er onder liggen zo gauw worden vergeten. Eerst komen de mensen nog wel en de bloemen worden begoten en verzorgd, maar dan wordt het zoetjesaan minder en tenslotte blijven ze helemaal weg.” Wat vindt u daarvan? Had de doodgraver het zo mis? Hoe vaak hebben ook wij het niet gezegd: “We moeten nodig eens naar het kerkhof.” Tenslotte zeg je ook dat niet meer, maar je blijft gewoon weg. Het is een teken van deze tijd dat we het leven najagen en  alles wat daarbij hoort. Laten we eten en drinken en vrolijk zijn en morgen weer gezond op! Denken aan de dood staat daar haaks op. Als we ons zelf op dat punt eens zouden bevragen, we zouden schrikken. Wat zitten we toch vast aan het leven! En wat zijn we toch bang voor de dood! Vele kerkhoven liggen  er verwaarloosd bij. Het is maar goed dat de meeste gemeenten daar een verordening voor hebben, waardoor je voor het grafonderhoud betalen moet en de graven door gemeentewerkers worden verzorgd.
Bij de Hindoes doen ze dat anders. Daar denken ze wel aan de doden. Die tellen nog gewoon mee in het leven. Ik heb gelezen dat ze op het graf een kooitje zetten met een zangvogeltje er in. Dan fluisteren ze dat vogeltje allerlei lieve woordjes in, boodschappen van de liefde. Ze openen de kooi en het vogeltje vliegt uit, naar de hemel, om die liefdeboodschappen over te brengen aan de geliefde doden. Zouden zo ook niet onze gedachten en gebeden zo nu en dan moeten opstijgen tot hen die ons wachten bij God in de hemel? In Oostenrijk doen ze dat met lantarentjes die op Allerzielen worden aangestoken als gedachtenis aan de overledenen. Indrukwekkend, hoe dan  alle familieleden bij de graven verwijlen.

Hoe zou Maria teruggekeerd zijn van het graf? Zou ze daar troost gevonden hebben? Ik denk het niet. Het graf op zich biedt geen troost. Maar wel het denken aan de dode die daar ligt, aan alles wat je met elkaar hebt meegemaakt, al die mooie lieve herinneringen. En de ontmoeting met Jezus die het graf voor Lazarus opent als een voorbode van al die graven die eens ook geopend zullen worden. De doden worden opgewekt, zij zullen opstaan ten eeuwige leven. Dat geeft troost. De dood is niet het laatste dat we te verwachten hebben. De dood heeft niet het laatste woord… gelukkig maar. God blijft bij ons ook in de dood. Hij bewaart ons daarin. Hij houdt ons wel de rekening voor, dat noemen we het laatste oordeel. Alles wordt bij elkaar opgeteld, je goede dingen en verkeerde dingen. Alles hebben we te verantwoorden. Maar ons geloof in Christus telt ook mee, zo kan het saldo toch nog gunstig uitvallen. Een batig saldo noemen  we dat. Daar vertrouwen we op. En dat geeft heel veel troost. We hoeven niet bang te zijn voor de dood. We moeten er wel bij stil staan, het in gedachtenis houden, er op berekend zijn, er niet voor weglopen.

Het is een ernstige dag, die dag vandaag, de laatste dag van het kerkelijk jaar. Ook een blijde dag, want we zien Maria huilen en Lazarus opstaan en Jezus die de tranen van Maria afdroogt.

Amen.

Vals of echt?

Vals of echt?

Jeremia 7

“Echt of vals?” is een actuele vraag. Het heeft te maken met normen en waarden waar we ons in deze tijd  terecht weer op gaan bezinnen. “Echt of vals?” je vraagt je dat soms af in de politiek, in de omgang met elkaar op het werk, op school, in de kerk en thuis. Mijn kleinzoon zei ’t vroeger vaak: “Maar dat is vals!” als ’t er op leek dat zijn grotere broer meer gekregen had dan hij. Dat is oneerlijk! Dat is gemeen! Zo is er veel oneerlijk en gemeen in de wereld. Bijvoorbeeld dat de rijken steeds rijker worden en de armen steeds armen. En dat rijke en belangrijke mensen meer rechten hebben dan de gewone man. In ieder geval kunnen zij veel makkelijker tot hun recht komen dan arme mensen. En dat is bij ons ook zo. Kijk maar naar de zwervers op straat en naar al die mensen die hun hand moeten ophouden om wat bijstand te krijgen. Het is zeker niet eerlijk, het is gemeen. En dat geldt niet alleen voor mensen, dat is ook ’t geval met dieren. Zij kunnen al helemaal hun mond niet opendoen, als ze gekweld en afgeslacht worden. Gelukkig – zo heb ik gelezen- komt er nu een rechtbank voor dieren, waar de mensen die slecht omgaan met dieren in het strafbankje zitten. Het vervoer van dieren is soms ook gruwelijk. Daar mogen we zeker ook wel wat meer aandacht aan geven!  “Vals of echt?”

Houden we wel echt van dieren, als we soms zo slecht met hen omgaan?

Hervormde kerk BoskoopIn de kerk is dat niet anders. Veel kerkmensen worden door de buitenwacht voor ‘schijnheilig’ verklaard. Gelovige mensen, ach wat: mooi van buiten, maar lelijk van binnen. En daar heb je voor op te passen, ook wij hier vanmorgen in de kerk. Want zo gemakkelijk ontaardt geloof in valse schijn. De profeet Jeremia wist daar alles van en waarschuwt er voor keer op keer. En ook de Heer Jezus heeft die valse godsdienst hevig aan de kaak gesteld. We hebben het gehoord: Hij dreef die mensen de tempel uit en smeet de tafels van hun handel om! Zij lijken ook op elkaar, Jeremia en de Here Jezus. Als Jezus eens aan zijn discipelen vraagt: wie zeggen de mensen dat ik ben? Dan antwoorden zij: Johannes de Doper, Elia en ook Jeremia. Jeremia was ook zo’n mens, die eigenlijk alleen stond en het altijd aan de stok had met zijn medemensen, vooral met de toenmalige ‘high society’: de rijken die de armen verdrukten, de leiding van de kerk die macht uitoefende over de machtelozen. Wees en weduwe en armen werden daar het slachtoffer van. Jeremia wilde het volk terugbrengen tot de normen en waarden van God Zelf. Hij werd daardoor een martelaar. Want de mensen tegen wie hij zich keerde pikten dat niet. Net zoals bij Jezus. De waarheid mag niet gezegd worden. En zo werd Jeremia een man van smarten, die geslagen wordt, veracht, onschuldig, gedood… net als Jezus later.

Het is ook daarom, Gemeente, dat we beide Schriftlezingen naast elkaar hebben gezet. In Jeremia 7 lezen we, hoe Jeremia de opdracht krijgt te gaan staan in de tempelpoort en zich te richten tot de tempelbezoekers. Dit doet ons direct denken aan Jezus die de tempel van al die onwaardige handel bevrijdde. Ze hadden van de echte godsdienst een valse godsdienst gemaakt. Ook een figuur als Johannes de Doper leek op Jeremia. Ook hij kwam op voor het recht der armen en moest dat met de dood bekopen. Zijn hoofd werd op een zilveren schotel de feestzaal van de wereld binnen gedragen… Jeremia en Jezus en Johannes, zij allen richtten zich tegen de toenmalige schijnheilige valse godsdienst. En zij verkondigden de levende dienst aan God door echt met God om te gaan in handel en wandel en Hem trouw en gehoorzaam te zijn en dat te doen wat God Zijn volk geboden had. Mensen moesten terugkeren tot de normen en waarden, door God Zelf vastgesteld. Daar ging het om en daar gaat het nu nog om, denk ik. Natuurlijk, het is niet allemaal fout in de maatschappij en in de kerk. Soms kan de bestaande godsdienst wel goed en zuiver zijn en het geloof van de mensen ook. In Israël zijn er ook best tijden geweest waarin dat het geval was. Maar, Gemeente, vaak is het anders, dan treedt er verval op, het geloof verwatert, het wordt onecht, vals, meer een sleur dan levend en actueel. De godsdienst die in vaste banen is gekomen gaat vaak een eigen leven leiden. Het wordt meer gewoonte dan actief met God bezig zijn. Het wordt allemaal zo vanzelfsprekend, de verwondering is er uit en ook de beweging. Men zit vastgeroest in eigen opvattingen en gebruiken. En “Samen op Weg” is geen uitdaging meer, maar wordt een gevecht waarin ieder z’n stellingen betrekt. Wat is echt en wat is vals?

De gevaren waar een gelovig mens voor moet oppassen, kennen we allemaal wel.

Hooglandse kerk in LeidenDaar is in de eerste plaats de zelfgenoegzaamheid dat je gelukkig en tevreden bent met je zelf en je geloof. De Joden in de tijd van Jeremia dachten ook dat hen niets kon gebeuren, want zij geloofden toch? Maar Jeremia waarschuwt ze in onze tekst: Stelt uw vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: “Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel is hier!” Het toppunt van zelfgenoegzaamheid: wij hebben de tempel, dat is God, dus kan ons niets gebeuren. Hoort u dat uzelf ook zeggen? “Ik ben gelovig, ik ga naar de Kerk, ik lees in de Bijbel, wat kan er mij dan nog gebeuren?” Daar moeten we echt voor oppassen. Want dat is hoogmoed en verwaandheid, daarmee denken we dat we beter zijn dan een ander.

Er is nog een ander gevaar in ons geloof: de dubbele moraal, het verschil tussen leer en leven, met de mond belijden we God maar in het dagelijkse leven is daar niets van te zien. Op zondag zijn we ó zo gelovig, maar in de week… ho maar! De mensen in Jeremia’s tijd deden ook met alles mee. Wij kennen dat wel: van twee walletjes eten! Luister maar in vers 10:

“Stelen, doodslaan, echtbreken, vals zweren. Baäls achterna lopen… en dan -op sabbat- komen jullie staan voor Mijn aangezicht in dit huis, waarover Mijn naam is uitgroepen, en jullie zeggen: wij zijn geborgen! Terwijl jullie al die gruwelen bedrijven?!”

“Op zondag de geest, door de week een beest….”

Kijk eens naar uzelf, of u daar ook iets van heeft. Ik denk van wel. We moesten ons schamen. Dat is nou echt vals geloof. Het is niet eerlijk tegenover God en ook niet eerlijk tegenover elkaar. Laten we echt zijn, op God letten en op elkaar letten door er voor elkaar te zijn. Want dat is de wil van God!

Een laatste gevaar voor ons geloof zou ik willen noemen: de verstarring. Godsdienst is een systeem geworden. Je trekt een laatje open en je weet van tevoren wat er komt. Woorden, allemaal mooiklinkende frasen. De naam des Heren is een vanzelfsprekendheid geworden, genade is een goed, waar men recht op heeft… de toekomst is vast en zeker!

Augustijnenkerk in DordrechtHiertegenover, Gemeente, preekt de profeet de levende dienst aan de levende God. Hierin is geen valsheid en schijnheiligheid meer, maar heilig ontzag, de vreze des Heren, en bekering, dat is dat je je omkeert van je zondige leven af naar God toe, respect en eerlijkheid tegenover God en je medemens en ook tegenover jezelf, dankbaarheid en blijdschap, en bovenal: geloof, hoop en liefde. En dat je openstaat voor het wonder: dat God je hebben wil en dat Hij je daarom vergeeft, wat je ook misdaan hebt. Wij kunnen dat niet begrijpen. Geloof is niet: een plus een is twee, zo werkt God niet. Het is altijd anders dan je denkt… God gaat met ons Zijn ongekende gang. Dat is een mysterie, waarvan alleen Hij de sleutel heeft. Niemand kan dit natrekken, wat denken wij mensen wel? Waar iedereen denkt, dat God is, daar is Hij niet; en waar niemand Hem verwacht, laat Hij zich vinden.

Als mensen zo doen, zo vals zijn en helemaal niet echt, dan moet daar straf op volgen. Anders leren de mensen het nooit! En zo kondigt Jeremia het volk de straf van God aan. Zo doet Jezus later ook. “Gij hebt het huis van mijn Vader tot een rovershol gemaakt!” Wij hebben het geloof in God tot een farce gemaakt waarover mensen lachen. Jezus keert zich net als Jeremia tegen de vanzelfsprekendheid, de vastgeroestheid en gemakzucht van de gelovigen, de verstarring van de vormen in de kerk, het zelfbedrog en de dubbele moraal, waaraan zoveel Christen lijden. In al die dingen is de echte verering van God zoekgeraakt. In de plaats daarvoor zijn gekomen allerlei menselijke motieven en winstbejag en eerzucht, hoogmoed en eigen belangen, schijnheiligheid. Toe maar, ga zo maar door, breek deze tempel maar af….. “En Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen” zegt Jezus. Hij bedoelt daarmee de nieuwe tempel, de nieuwe godsdienst, die Hij brengt als Hij opstaat uit het graf. Echt geloof, Gemeente, werkelijke verering van God zal alleen daar zijn waar we Christus kennen – dat is met Hem omgaan en naar Hem luisteren, waar ons geloof voortkomt uit de opstanding van Christus en het opnieuw geboren wordt uit de Heilige Geest.

Hervormde Kerk BoskoopBetekent dit nu dat we de kerk maar overboord moeten gooien? Veel stemmen gaan tegenwoordig die richting op. De kerk heeft afgedaan en God heeft ook afgedaan. Maar ik denk dat we zo niet mogen spreken. Je kunt niet zo maar aan de kant zetten waarin mensen twee duizend jaar hun houvast in gevonden hebben. Want als je de tempel en alles wat daarmee samenhangt overboord gooit, heb je nog geen nieuw geloof, geen nieuwe houvast. Nee, je houdt helemaal niets meer over. Je komt in een vacuüm, een luchtledig terecht. Veel mensen is dit vandaag de dag overkomen. Ze zijn stuurloos geworden. Met het geloof zijn ook alle normen en waarden verdwenen. We zien het om ons heen: de verloedering, hoe mensen met elkaar omgaan, alles kan maar en alles mag… Nee, overboord gooien helpt niets. We moeten hervormen, luisteren naar de boeteprofeet, ons stellen onder de kritische boodschap van God. Het is nodig dat daardoor bestaande vormen worden doorbroken, dat er een nieuw elan ontstaat om God te zoeken en elkaar als mensen terug te vinden. Nieuwe wegen om tot God te komen, nieuwe belijdenissen zullen ontstaan. Prima. Maar ook dan liggen de gevaren waartegen Jeremia ons waarschuwt op de loer. Daar moeten we oog voor krijgen, ook in ons persoonlijke geloofsleven. Volmaakt zal het nooit worden, als we dan ook maar niet de schone schijn ophouden. ’t Zit hem niet in uiterlijke dingen, een kerk, een dominee en zo, ’t komt aan op de geest die er van binnen waait.

Echt of vals?  Voor ons een vraag, voor God een weet.

Amen.                             

Armoedebestrijding

Armoedebestrijding

Mattheüs 5, 13

Gij zijt het zout der Aarde.

koptisch vriendschapsicoonJezus gebruikt voor de positie waarin de discipelen en de Kerk zich bevinden twee beelden: zout en licht. Twee voor de hand liggende dingen. Elke dag kom je ze tegen: zout en licht.

Zout werd al lang voor Jezus in het oude Israël veel gebruikt, voor allerlei zaken. Het is dan ook een van de weinige natuurproducten van eigen bodem. We denken aan de Dode Zee, waarin verschillende zoutwaterbronnen uitvloeien waardoor na verdamping onder de felle oosterse zon het zout vanzelf achterblijft. We denken ook aan de vrouw van Lot, die werd tot een zoutpilaar toen zij omkeek naar de verdorven stad Sodom. En we denken aan de befaamde zoutmijnen van koning Salomo. Geen wonder, dat zout een dagelijks gebruiksartikel was in Israël.

In het oude wetboek Leviticus beveelt God de offers te zouten: “Elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten; bij al uw offergaven zult gij zout toevoegen; gij zult het zout van het verbond uws Gods niet laten ontbreken” (Leviticus 2,13). Het wordt dus zelfs iets goddelijks, een teken van het Verbond dat God met Zijn volk gesloten had. Dat heeft -denk ik- te maken met de eigenschap van zout dat het  zuivert en tegen bederf bewaart. Zout wordt dan ook veel in de tempel gebruikt. Je had er speciale plaatsen om de offers te laten zouten. Daarnaast kwam het natuurlijk in elk huis voor, net als bij ons. We herinneren ons nog wel de tijd dat we de boontjes in grote Keulse potten gingen inzouten.
Nog eten we zoute haring en zuurkool uit de pot en zoute ham.

Preekstoel in 'de Stek' te BoskoopZout heeft een zuiverende, kruidende en behoudende kracht. In Jezus’ tijd hadden de mensen daar ook spreekwoorden over. Zoals: “Het zout van het geld is het gebrek”, wat -denk ik- betekent: alleen wie het gebrek, de armoede, gekend heeft, weet het geld te waarderen. Het werd ook wel anders geformuleerd: “Het zout van het geld is de barmhartigheid” wat betekent: alleen wanneer je barmhartig bent en je geld kunt delen met anderen, ben je goed bezig; dan heeft je rijkdom pas echt zin!

En daarmee zitten we midden in ons onderwerp van vanmorgen: armoede-bestrijding. Heeft dat niet alles te maken met ‘barmhartigheid’ en ‘delen’?

Zou Jezus het niet zo bedoeld hebben, toen Hij -ook tot ons vanmorgen- zei: Jullie zijn het zout der aarde? Waarom? Omdat jullie het Evangelie van God in jullie harten hebt, de blijde boodschap van Gods barmhartigheid, die de mensen reinigt en voor bederf bewaart, die mensen gelukkig maakt, niet in de laatste plaats door armoede tegen te gaan en alle mensen een menswaardig bestaan te geven.

Symbolisch bloemwerk SOW 'de Stek' te BoskoopWe moeten oppassen, dat ‘armoede’ niet een ‘hot item’ wordt, waar wel veel over gesproken wordt, in talkshows voor de TV en ook in de Kerken en zelfs in de Tweede Kamer, maar waartegen nog steeds niet veel gedaan wordt. Als ’t er echt om spant, krijgt armoede-bestrijding niet de prioriteit, maar zal ’t altijd in de eerste plaats gaan om economisch gewin. Soms krijg je hoop, wanneer politici laten zien dat zij moeite hebben met de huidige bezuinigingspolitiek, die met name de mensen met lage inkomens treft. De aankondiging van een nieuwe partij die gerechtigheid en opkomen voor de armen propageert, geeft wellicht ook een beetje moed. Laat de aandacht toch niet verslappen!

Heel denigrerend wordt wel gesproken over ‘minima’ en de ‘onderkant van onze samenleving’. Je zou daar maar toe gerekend worden en het stempel van armoede met je mee moeten dragen. Geen wonder dat velen er niet voor uit durven komen dat zij bepaalde uitgaven niet kunnen doen en zich er voor schamen om daarvoor bij de Bijstand aan te kloppen. Ook in ons uiterlijk zo welvarende Nederland is er bij velen een bittere armoede, des te schrijnender omdat anderen zo rijk zijn dat zij hun oodschappenkarretjes overvol kunnen laden en soms aan één niet genoeg hebben.

SOW 'de Stek' te Boskoop“Het zout van het geld is de barmhartigheid”. Daar ligt de kern van armoedebestrijding: barmhartigheid. Dat is in arme landen net zo als in het meer welvarende Nederland. Maar soms is het makkelijker om ver weg wat te doen of te laten doen dan dichtbij. Hoe kun je mensen bij je in de buurt helpen, mensen, die het niet zo breed hebben? Je kunt natuurlijk je schouders ophalen en denken: daar hebben we toch de Bijstand voor, die zullen er wel voor zorgen, dat is mijn pakkie-an niet. Maar misschien weten die het niet? Misschien moet u ze er eens op wijzen? Misschien moet u -op een heel tactvolle manier natuurlijk- de nood van die ander eens hier en daar ter sprake brengen, bij instanties die financieel kunnen bijspringen zoals bij de diakenen in de kerk? Ja, en zelf, wat kunt u er zelf aan doen? ‘Barmhartigheid’, wat houdt dat voor u in? Toch zeker ook dat je naar die ander toe gaat en waar mogelijk hem probeert te helpen. ‘Delen met elkaar’ noemen we dat. Je hebt een kist appels gekregen of een ander meevallertje, geef er van mee. Maar altijd zo, dat het niet kwetsend is. Ik weet wel, we zijn daar een beetje bang van. Vroeger, toen niemand wat had, of iedereen hetzelfde, was het heel gewoon dat je met elkaar deelde en ook van elkaar leende. Nu schaam je je daar voor, zo is het toch vaak?  Laat zien, dat je ’t niet uit de hoogte doet, in de trant van “ik heb meer, dus kan ik weggeven”. Veeleer moet het zijn, dat je uit de laagte komt, uit nederigheid tegenover God, uit dankbaarheid dat Hij je zoveel gegeven heeft, zeg maar uit ‘onverdiende genade’. Uit het van God gekregen ‘rentmeesterschap’. Niets behoort immers onszelf toe, maar alles is van Hem, en wij… wij mogen het gebruiken ten goede, om goede rentmeesters te zijn van Gods genade.

Symbolisch bloemwerk SOW 'de Stek' te BoskoopArmoedebestrijding en rentmeesterschap van Gods genade horen bij elkaar. Een rentmeester is niet de eigenaar zelf die heer en meester is over zijn goed, maar hij is de vertrouwensman aan wie het beheer is toevertrouwd. Een beheer dat zich niet beperkt tot de zorgvuldige bewaring en verzorging van het goed, maar dat ook kan bestaan in het gebruik en zelfs uitdelen van deze goederen, voor zover de dienst aan de eigenaar dit toelaat. Zo is de mens ook niet de volstrekte eigenaar van zijn leven. Hij kan eigenlijk niet spreken van zijn kracht en zijn tijd en zijn geld, want het is alles van God die ons als rentmeesters over dat alles heeft aangesteld. Wij mogen het leven gebruiken en er ook van genieten. En we mogen er anderen mee helpen en ondersteunen. En eens zal er aan ons gevraagd worden: “Wat heb je er mee gedaan? Met je leven, met je gezondheid, met je geld?” Een rentmeester heeft rekenschap te geven van zijn beheer.  Vergeet dat nooit!

Paulus zegt, dat wij rentmeesters zijn van de velerlei genadegaven Gods. Gods genade is velerlei! En wij zijn rentmeesters, een ieder naar de genadegave(n) die hij of zij ontvangen heeft. Misschien denkt u wel: ik een rentmeester? Ik voel me zo arm en ik heb zo weinig, en op geestelijk gebied kan ik niets opbrengen. Toch noemt de apostel het uitdrukkelijk: een ieder naar de genadegave die hij ontvangen heeft. Wij hebben allemaal iets van Gods genade ontvangen! Geestelijke rijkdommen, geloof, hoop en liefde, en aardse rijkdommen, have, geld en goed. Als we dat ons eens goed realiseerden zouden we vast wel meer oog krijgen voor de ‘armoede’ bij anderen en voor de mogelijkheden en middelen ook om daar iets aan te doen. Wie weet van Gods genadegaven in zijn eigen leven verdraagt de armoede van anderen niet, maar doet er iets aan. Dat is het rentmeesterschap, waartoe we geroepen zijn.

Symbolisch bloemwerk SOW 'de Stek' te BoskoopNogmaals: het zout van het geld is de barmhartigheid. En Jezus roept ons toe: Gij zijt het zout der aarde! Hij stelt ons rentmeesterschap in wereldwijd perspectief. We denken vandaag aan die vele vele armen overal in de wereld en we voelen ons schuldig, omdat ze er zijn, terwijl dat niet zou hoeven als de rijken maar wat meer zout waren, als ook wij op onze beurt maar wat meer ons best zouden doen. We worden vandaag door God Zelf aangesproken op ons rentmeesterschap, wat we er van gemaakt hebben en of ‘armen’ daar ook iets van gemerkt hebben. Wij ondersteunen het werelddiaconaat en de hulp aan de slachtoffers van aardbevingen en watersnoodramp, maar mensen dicht bij ons kunnen een beetje hulp van ons ook best gebruiken in hun ‘armoede-bestrijding’.

Kom op, we laten ze toch niet in de steek?!

Gij zijt het zout der aarde!

Amen.    

Deze preek werd gehouden op zondag 6 november 2005 in de SOW ‘de Stek’ te Boskoop.

Pastoraat op internet

Nu veel mensen niet meer zo direct de weg naar een kerk kunnen vinden, is het zinnig om via andere wegen mensen in aanraking met het Evangelie te brengen. Dat kan bijvoorbeeld via de dagelijkse krant. Alleen, welke krant schrijft er nog over het Evangelie? Vroeger was dat Trouw, een krant die veel gelezen werd om z’n inhoudelijke berichtgeving. Maar tegenwoordig moet je ook in deze krant (misschien wel de beste van Nederland??) naar een stukje evangelische verdieping zoeken. Ik lees…

Nu veel mensen niet meer zo direct de weg naar een kerk kunnen vinden, is het zinnig om via andere wegen mensen in aanraking met het Evangelie te brengen. Dat kan bijvoorbeeld via de dagelijkse krant. Alleen, welke krant schrijft er nog over het Evangelie? Vroeger was dat Trouw, een krant die veel gelezen werd om z’n inhoudelijke berichtgeving. Maar tegenwoordig moet je ook in deze krant (misschien wel de beste van Nederland??) naar een stukje evangelische verdieping zoeken. Ik lees de dagelijkse bijlage van de Verdieping nog wel, doch vind er dikwijls niets meer echt lezenswaardigs in. Gelukkig zijn er ook nog andere kranten zoals het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad. Mijn vrouw en ik zijn dankbare lezers van de laatst genoemde krant. Veel artikelen pakken dagelijks onze aandacht.

Niet alleen de berichtgeving van het wel en wee der grote en vooral ook kleine kerken worden gelezen, maar ook de vele artikelen die gaan over het gewone dagelijkse leven. De krant is gelukkig gespeend van hoogdravende artikelen, waar geen doorkomen aan is. En de bezorging is altijd prompt op tijd. Slechts één keer in de afgelopen twee jaar is het gebeurd, dat we ’s morgens vroeg de krant niet in de bus vonden. Naast de krant heb je ook nog het Internet, waar veel mensen het nieuws vandaag halen. Ook kerken maken daar tegenwoordig gelukkig gebruik van. Zo vind je daar websites met enkel preken. Dit bracht mij op de gedachte om ook mijn preken op de website te zetten. De mensen die ’s zondags bij mij in de kerk waren, kunnen de preek dan nog eens nalezen en andere mensen, die de gang naar de kerk niet meer maken maar toch behoefte hebben aan een geestelijk woord, kan ik er (hoop ik) mee helpen. Moge zo www.pastoralekroes.nl een beetje hulp en troost brengen aan zoekende mensen!

Waar is God?

“Zijt Gij niet de God in de hemel en woont Uw naam niet in dit huis?”

2 Kronieken 20, 6 + 9

Kerk KattendijkeJosafat is de geschiedenis ingegaan als een groot en machtig koning. Niet dat hij rijk en machtig was zoals zijn voorvaderen David en Salomo, maar omdat hij gezegend en sterk was doordat God met hem was. Dat zien we ook duidelijk in 2 Kronieken 20. Josafat mag als een tweede Mozes zijn volk leiden tot de overwinning, waarbij Jahweh Zelf voor hen strijdt. De koning –zo staat er– wandelde in de vroegere paden van zijn voorvader David en dat maakte hem sterk.

De koning van het noordelijke rijk, Achab, had dat niet zo. Die was van de oude paden  afgeweken en afgoden gaan dienen. Daarom bevestigde God het koningschap van Josafat over het kleine zuidelijke rijk Juda, omdat die Hem trouw gebleven was. Dat zien we ook in de oorlog met de naburige volken. Toen die Juda waren binnengevallen dwars door de woestijn van Juda, roept Josafat het volk niet op om de wapens op te nemen, maar om te gaan vasten en te bidden in de tempel. De koning zelf stond daar in de tempel temidden van zijn volk en hij spreekt de gedenkwaardige woorden:

“Here, God onzer vaderen, zijt Gij niet God in de hemel, heerst Gij niet over alle koninkrijken der volken?… Indien ons onheil overkomt, dan zullen wij ons voor dit huis en voor Uw aangezicht stellen, want Uw naam is in dit huis; wanneer wij in onze benauwdheid tot U roepen, zult Gij horen en helpen.”

Een indrukwekkend gebed van een man en een volk in grote nood. Wij kunnen hierin zo goed zien, hoe ’t land en het volk en de belofte van God en Zijn aanwezigheid in het heiligdom bij elkaar horen. Géén ramp kan en mag dit verstoren! God zal horen en helpen, dat is wis en zeker!

“Zijt Gij niet de God in de hemel en woont Uw naam niet in dit huis?”

Het zijn eigenlijk deze twee dingen die Josafat’s geloof bepalen: God in de hemel en Zijn naam in dit huis. Deze zelfde elementen hebben later ook een grote rol gespeeld bij de Hervorming. Dat God in de hemel woont, komen we overal in het Oude Testament tegen. Maar God woont niet alleen in de hemel, we horen ook dat God woont op de Sinaï, in de ark, in de tempel, Hij gaat voorbij in het suizen van de wind en is aanwezig in de wolk- en vuurkolom. Misschien kunnen we ook het onderscheid maken tussen woontempels en verschijningstempels.  In Babylonië had je bijvoorbeeld de beroemde tempeltorens als vaste woonplaats van een godheid. In Israël verbleef Jahweh in de Ark, eigenlijk een lege troon: tussen 2 cherubs in, lichtende engelen, was de aanwezigheid van God gedacht. Je zou het een tijdelijke verblijfplaats van God kunnen noemen. Zijn vaste woonplaats is de hemel als Gods troon. Dit wordt later ook de algemene opvatting, dat God in de hemel woont en van daaruit regeert over hemel en aarde. Zijn plaats wordt ook nog hoger dan de hemel gedacht,

“want de hemel der hemelen, de mooiste hemel, vermag Hem zelfs niet te bevatten”

zo lezen we in 1 Koningen 8. De hemel zal ook later net als de aarde bij het laatste oordeel worden vernietigd en dan  komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Hoe moeten we ’t dus verstaan, als Josafat bidt: “Zijt Gij niet de God in de hemel?” Zou het niet zo zijn: dat Hij alles in handen heeft, heel de geschapen werkelijkheid? Laten we bij ‘hemel’ dus niet zo zeer denken aan de plaats waar God woont, als een soort geografische werkelijkheid. Maar denken we veeleer aan de aard van Gods aanwezig zijn: dat Hij de Machtige is, die alles bestuurt.

Later, in de tijd van Jezus, is men de hemel wel gaan zien als een plaats, waar het heil gevestigd is, een soort tweede paradijs, waar de gerechtvaardigden, de gelovigen, komen te wonen: Gods huis, het huis met de vele woningen. Maar ook dan is de hemel niet zo zeer een geografisch begrip als wel een kwalitatief begrip. Op weg naar de hemel betekent dat je op weg bent naar God, naar Zijn heerlijkheid.

En dan  het tweede element van Josafat’s geloof: Zijn naam woont in dit huis. De Naam heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in de godsdienst. Vanouds heeft de mens gevoeld dat in de naam macht besloten ligt. Wanneer je iemands naam kon uitspreken, had je macht over hem. De naam geeft ook weer, wie en hoe iemand is, zeg maar: zijn wezen  en karakter. Zoals je heet, zó ben je! Zo wordt Abram Abraham en Sara wordt Sarai, toen ze een andere bestemming kregen. Het kennen van  de naam van God is dus ook heel belangrijk. Jakob verlangde die Naam te kennen en ook Mozes. En als God tenslotte Zijn naam openbaar maakt, dan wordt het volk ook aangespoord die Naam aan  te roepen. En het wordt verboden de Naam van God te ontheiligen. Tenslotte kan de Naam van God plaatsvervangend voor Hem gebruikt worden. Jahweh woont in de hemel, maar Hij kiest een plaats op aarde om Zijn naam daar te doen wonen, zo lezen we herhaaldelijk in Deuteronomium. Josafat staat helemaal in die traditie, als hij bidt: “want Uw naam is in dit huis”. God in de hemel, ja, maar Zijn naam is dicht bij ons: in dit huis!

Voor de Hervormers is dit laatste van groot belang geweest. Dat God in de hemel is, dat wisten de gelovigen van toen wel. Zij vierden de feesten van Maria-hemelvaart en natuurlijk ook de Hemelvaartsdag van Christus. God ziet van Boven af op ons neer. Hij is het alziend oog en bepaalt al onze wegen. Dat was hen en ook ons van jongsafaan geleerd. Maar, dachten de Hervormers, wat hebben we aan een God die zo hoog en superieur is, maar in feite voor mijzelf zo veraf, zo ongrijpbaar? Veel mensen hebben vandaag ook moeite daarmee. Zij geloven wel in een hemelse God en dat er meer is tussen hemel en aarde. Maar wat heb ik daar nu persoonlijk aan? De theorie is mooi, maar wat betekent het in de praktijk? God spreekt tot ons Zijn Woord, vanuit de hoogte van Zijn goddelijke majesteit tot de diepte van onze menselijke ellende. Maar het is zo ver weg…

Toen bedachten de Hervormers net als Josafat: zo moet het niet. God in de hemel -da’s prachtig en mooi-, maar Zijn naam in dit huis, zo komt God ècht bij ons. Zij wilden God weer de eer geven die Hem alleen toekwam en zij wilden Hem dicht bij de mensen  brengen, of andersom: de mensen dicht bij God. En dat was in die tijd hard nodig ook want de christelijke godsdienst was in  de Middeleeuwen zo vermenselijkt en verzakelijkt dat God omlaag was gehaald naar ons niveau. Je kon over God beschikken in de eucharistie, de hostie, ’t kerkgebouw, gewijde voorwerpen, gewijde aarde, beelden en altaren, het hele rijke roomse leven. Geweldige uitingen van  vroomheid, dat wel natuurlijk, maar ó zó vermenselijkt. God was omlaag gehaald. Dat was de Hervormers een doorn in het oog. Zij wilden de majesteitelijke God weer op Zijn troon plaatsen:

“Here God onzer vaderen, zijt Gij niet de God in de hemel?”

Maar toch is ook God bij ons, in ons midden. De Kroniekschrijver laat ons vandaag horen hoe Josafat dit dilemma van “God ver weg en toch dicht bij” had overwonnen: God in de hemel, ja, maar Zijn naam bij ons op de aarde, in dit huis. Maar waar is dat huis dan nu? Josafat dacht aan de tempel, Gods huis. Maar wij? Is het ons mooie oude kerkje hier? Of is het thuis, waar wij wonen? Of thuis in mijn binnenste, mijn hart? Is het in ons Gemeente-zijn, in ons persoonlijke geloofsleven? Het was ook de gewetensvraag van Maarten Luther: “Hoe krijg ik een genadige God?” Hij kreeg tenslotte een antwoord van God Zelf: “Mijn genade is u genoeg”, en in de Romeinenbrief las hij: “De rechtvaardige zal uit geloof leven”. Toen begreep hij, dat de Naam ons geopenbaard is in  Jezus Christus en dat deze Naam op ons is gelegd en onder ons woont.

“Vraagt gij Zijn naam, zo weet, dat Hij de Christus heet”.

In het aanroepen van deze Naam, mogen ook wij God heel nabij weten. Deze Naam is in dit huis, deze Naam is in uw hart, op uw gedoopte hoofd en biddende lippen. Deze Naam waait mee overal waar de Heilige Geest u brengt, waar mensen uit de Naam leven en in de Naam werken.

Hervormingsdag doet ons er aan herinneren dat we in Jezus’ Naam mogen leven en werken, liefhebben en dienen, lijden en sterven.

“Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen, men loov’ Hem vroeg en spa”.

Zo zongen we vroeger. Waar God is? Is dat nu nog een vraag?

Amen.

Deze preek werd gehouden op zondag 30 oktober 2005 in de Hervormde Kerk te Kattendijke.

Melk bij het avondmaal

Melk bij het avondmaal…

1 Petrus 2, 2

“en verlangt als pasgeboren kinderen  naar de geestelijke, onvervalste melk…”

Kerk BruinisseHet is nog steeds de vraag of de Petrusbrieven ook echt door de apostel Petrus zijn geschreven. Waarschijnlijk niet. Men gebruikte vroeger wel meer beroemde namen om eigen producten te promoten! Maar het is wel zeker dat de Oude Kerk in die brieven het Evangelie heeft gehoord. En daar ging het toch om. En daarom werden die brieven in de Bijbel opgenomen.

De schrijver vertelt zelf op het einde van zijn brief welke bedoeling hij met zijn brief heeft: de lezers sterk maken in de overtuiging dat het Christelijk geloof een geschenk is van Gods genade. En Petrus wil hen en ons dan ook aansporen om volgens die genade te leven. Onze tekst zegt dat ook duidelijk:

“en verlangt als pasgeboren kinderen  naar de geestelijke, onvervalste melk…”

Een Christen moet een leven leiden dat de heilige God waardig is! Dat ook waardig is aan Jezus, het zuivere lam, de Verlosser, en tenslotte ook waardig aan het Woord van God, waardoor wij het nieuwe leven ontvangen, als we tenminste dat Woord aanvaarden. En als de Christen zo verbonden is met God, in een nieuw aan God gewijd leven, dan mag de gelovige zich verheugen over de hoogste uitverkiezingen. Petrus zegt het zo:

“Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige stam, een volk dat Zijn eigendom geworden is, opdat gij de grote daden zoudt verkondigen van Hem, die u uit de duisternis naar Zijn wonderbaar licht heeft geroepen…..”

Nou, als je zo verkoren bent, dan moet je er ook naar leven, dan heb je je er ook naar te gedragen. Je bent ‘t, maar dan moet je ’t ook laten zien! Wees wie je bent!

“Legt dus af alle boosheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst van elke soort en lasterpraat, en verlangt als pasgeboren kinderen maar de geestelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor naar het heil moogt groeien, omdat gij geproefd hebt, dat de Heer vol goedheid is.”

De briefschrijver gebruikt hier een drietal plastische beelden voor het geestelijk leven: melk, groei en proeven. Ik denk dat het daarom ook gaat in de viering van het Heilig Avondmaal. Pasgeboren kinderen hebben voor hun groei melk nodig. Dat hebben de nieuwelingen in het geloof ook, zoals de jonge Gemeente, aan wie Petrus schrijft. Zij moet verlangen naar geestelijke en onvervalste melk om op te groeien en tot rijpheid te komen. Maar niet alleen nieuwelingen, ook de gevorderden hebben voedsel nodig om uit te groeien tot volwassenheid. Ook wij, die al een poosje onderweg zijn, moeten in het geloof gevoed worden.

Dat gebeurt vandaag bij het Heilig Avondmaal, in de tekenen van brood en wijn. Het is Gods voedsel voor ons, die onderweg zijn. Een rantsoen voor onderweg! Wij krijgen vandaag ons rantsoen, ons driemaandelijks rantsoen, zodat we er weer even tegen kunnen.

Zou dat niet met die “geestelijke onvervalste melk” bedoeld zijn? De blijde boodschap van God Zelf, het Evangelie dat Jezus Zijn leven gegeven heeft tot een verzoening van al onze zonden. Het is voedsel, dat onze zintuigen te boven gaat: geestelijk en onvervalst. Het kan nooit schaden, want er zitten geen schadelijke stoffen in. Het is zuiver brood en zuivere wijn. Daar wordt ook op toegezien bij het bakken van het Avondmaalsbrood en de wijn, die men bijvoorbeeld in de Rooms Katholieke Kerk als miswijn gebruikt is ook heel speciaal, zonder dat daar chemische stoffen aan toe zijn gevoegd of dat het met water is aangelengd. Het zijn immers de tekenen van de hemelse boodschap: Gods heil voor een verloren mensenwereld. Een zuivere en blijde boodschap! Daar moeten we naar verlangen, net als pasgeboren baby’s verlangen naar kostelijke onvervalste moedermelk. En aan dat verlangen komt God vandaag tegemoet: Hij schenkt ons die melk, wij ontvangen het straks uit Zijn hand. Wij mogen eten het brood van Zijn lichaam en wij mogen drinken de wijn van Zijn bloed.

Het beeld van “melk” komen we in een andere betekenis ook nog bij Paulus tegen in 1 Korintiërs 3 en Hebreeën 4 vers 12. Daar staat ‘melk’ tegenover het vaste voedsel. De melkdrinkers zijn dus Gemeenteleden –zegt Paulus– die wat het geloof betreft nog in de kinderschoenen staan. Maar hier bij Petrus is dat niet zo! Hij wil met het beeld van de ‘melk’ de gelovigen alleen maar aansporen dóór te groeien in hun geloof om zo het eeuwige heil te bereiken. Later is dit beeld van de melk verder ontwikkeld in de Oude Kerk. Al in de tweede eeuw horen we van een gebruik om de dopeling na de doop een drank van melk en honing te geven. Dit wordt gezien als een bevestiging van wat de Doop betekent: voedzame melk en honing voor de gelovige op weg naar de volwassenheid. Zo mogen we ook het Avondmaal ervaren als melk en honing, kostelijke voeding voor ons geloof. Daarom:

“verlangt als pasgeboren kinderen naar de geestelijke, onvervalste melk … omdat gij geproefd hebt, dat de Heer vol goedheid is.”

Dit laatste is een aanhaling uit Psalm 34, het negende vers. “Omdat gij geproefd hebt, dat de Heer vol goedheid is.” Proeven is smaken, zoals wij wel zeggen “de vreugde smaken”. Het is een zintuiglijke ervaring. Je proeft iets en je vindt het lekker of vies… “Zoals gij geproefd hebt, dat de Here vol goedheid is.” Jullie hebben Gods goedheid als ervaren, zegt de apostel. Jullie hebben de smaak er al van te pakken, en het smaakt naar meer! Daarom nogmaals: “Verlangt als pasgeboren baby’s naar de geestelijke en onvervalste melk…” Wilt u ook proeven, Gemeente? Gods goedheid, Zijn genade ook over u? Hebt u ’t al geproefd in het leven dat achter u ligt? Zoals wij straks zullen zingen:

Gods goedheid is te groot
Voor het geluk alleen,
Zij gaat in alle nood
Door heel het leven heen.
(Gezang 223, 2)

Zien, proeven, smaken, hoe groot Gods goedheid is. Wij mogen aan Zijn tafel zitten om voedsel te ontvangen, dat we zo nodig hebben voor onze geestelijke groei. “Opdat gij daardoor naar het heil, dat is het eeuwige heil, moogt groeien”, zegt de apostel. Verlangen we daar ook naar? Om naar het eeuwige heil te groeien? Willen we ook werkelijk verder komen op de weg van onze geestelijke groei? Voelen wij ons wat het geloof betreft ook nog een beetje als een baby? Nog lang niet volgroeid! Wat zijn we toch nog klein en onvolwassen in ons geloof, en wat hebben we dus die geestelijke onvervalste melk hard nodig! Wat heerlijk, dat God ons vandaag in Zijn goedheid deze melk schenken wil. Hij voedt en laaft ons met Zijn goedheid. “Opdat gij daardoor naar het heil moogt groeien…” Er zit groei in! En dat hebben we nodig. Wij zijn nog in de groei, niet volwassen, niet volkomen, niet volmaakt. Als u dan ook soms somber bent over uw geloof, dat u er niet veel van terecht brengt en zo, laat dit dan u tot troost zijn: we zijn nog maar in de groei! Maar eens zullen we ’t heil bereiken!

Laten we dan ook eten en drinken. Gods goedheid kent geen grenzen, die is er voor u allemaal. In vreugde en verdriet, in ziekte en gezondheid, in rijkdom en armoede… daarom:

Al gij die God bemint
En op Zijn goedheid wacht,
De oogst ruist in de wind
Als Psalmen in de nacht.
(Gezang 223, 7)

Amen.

Deze preek werd gehouden in de Avondmaalsdienst op zondag 16 oktober
2005 in de Gereformeerde Kerk te Bruinisse.

Wie weet?

Wie weet ?

Jona 3

Hervormde Kerk YersekeDe mensen in Ninivé zijn opgevoed in de leer dat er een noodlot bestaat waarvoor zij maar te bukken hebben. Het staat in de sterren geschreven – wat zou je er dan nog aan veranderen? Toen Jona met zijn onheilsboodschap kwam, was dat dan ook voor de Ninivieten een duidelijke zaak: zo was dat van hogerhand over hen beslist. Over 40 dagen wordt de stad verwoest, verschrikkelijk, maar niets aan te doen: ” ’t Staat in de agenda van de hemel, we moeten er maar in berusten! ’t Wordt ons niet door mensen aangedaan.”

Maar nu is het verrassende in deze geschiedenis, dat zij hun oude gewoonten doorbreken en de sprong wagen naar iets totaal nieuws: naar een God, Die berouw zou kunnen hebben, Die een streep zou kunnen halen door Zijn eigen plan, Die een blaadje uit Zijn agenda zou kunnen scheuren. Ze zeggen: wie weet? God zou zich kunnen omkeren, tot andere gedachten komen, het lot van Ninivé veranderen! Dat was een hele gewaagde gedachte. Daar was best wel moed voor nodig. En een  sterk vertrouwen in God, Die niet laat varen het werk van Zijn handen. Dat je niet kunt geloven, dat God op de verwoesting van de wereld en  op dat van een mens persoonlijk  uit is. Heeft u daar ook zo’n moeite mee? De heidense Ninivieten gingen u daarin voor, zo’n tweeëneenhalf duizend jaar geleden!

Gemeente, twee levenshoudingen worden ons hier getekend: de houding van de mens, die zijn handen in de schoot legt en gelaten zegt: “We moeten maar afwachten, wat God over ons beschikt heeft.” En de houding van de mens, die heen en weer loopt, handenwringend, en zegt: “Wie weet? Misschien komt het toch anders, want God kon nog wel eens op andere gedachten komen!” Twee soorten mensen: de mensen van het vraagteken, “Och, wat weten wij ervan?”,  en  de mensen van het uitroepteken, “Wie weet?” Het scheelt maar één  kronkeltje, maar ’t is een hemelsbreed verschil, want de hemel ligt er tussen…

Wat moeten wij daar nu mee?

Als u met ziekte te maken krijgt of teleurstelling en tegenslag te verwerken hebt, hoe gaat u daar dan mee om? Hebt u zich daar bij neergelegd, met het hoofd in de schoot, weggekropen in de berusting: er is toch niets aan te doen? Het vraagteken. Of trekt u zich op aan  het uitroepteken: wie weet?! Het heeft veel te maken met uw Godsgeloof: welke kijk heeft u op God? Is God voor u een starre Persoon, die onbeweeglijk voltrekt wat in Zijn eeuwig besluit vaststaat? Zoals Jona geloofde? Die ging er immers van uit, dat het oordeel over Ninivé moest losbreken, omdat hij het nu eenmaal namens God heeft aangekondigd.

Interieur Hervormde Kerk YersekeOf is God voor u zó, zoals de mensen in Ninevé plotseling wagen te denken: dat God Zijn besluit terugneemt en de stad genadig zal zijn? Zoals een mens ook wel eens heeft, als hij een hard oordeel geveld heeft: daarover nadenkend ziet hij opeens de verschrikkelijke gevolgen ervan en hij keert op zijn schreden terug, het kwaad zou erger zijn dan het recht. Daar hopen de mensen in Ninevé op: “Wie weet, God mocht toch nog tot andere gedachten komen!” Dat mensen zó over God kunnen denken, is eigenlijk een groot wonder. In de eerste plaats al dat je iets met God hebt. Zelfs de Ninivieten hadden dat. Het geloof in God is oeroud. Een persoonlijke God, bedoel ik. Het is daarom zo erg, dat een bekend theoloog als Kuitert in zijn laatste boek verklaart niets meer met een persoonlijke God te kunnen hebben en zodoende God niet meer met een hoofdletter, maar met een kleine letter schrijft. Het geloven in een persoonlijke God is de mens van ’t begin af aan gegeven, het is als ’t ware ingebakken toen de mens geschapen werd. De mens draagt het stempel van zijn Schepper. En dan ook nog dat de Bijbel zo echt menselijk over God spreekt, ik vind het een wonder.

Dat mensen God kunnen zien als iemand die niet star en onbeweeglijk is, maar bewogen kan worden door andermans verdriet. “Wie weet, God mocht Zich omkeren?” Dat dat bestaat bij God! Dat is het wonder van de Bijbel. Daar wordt niet alleen gesproken van mensen die zich moeten bekeren – maar ook van een God, Die Zich omkeert! Ja, werkelijk hetzelfde woord waarmee de profeten roepen: “Bekeert u!”, roept Mozes naar God: “Bekeert U en kom tot inkeer! Heb toch berouw!” En God zegt: “Mozes, je hebt gelijk”. En Hij gaat staan met Zijn rug naar Zijn eigen plan, het plan om Israël uit te roeien. Precies zoals Hij lang geleden berouw had gekregen om de zondvloed.

Laten we daarom toch ook oppassen met één twee drie te zeggen “Het is Gods wil” Wat weten wij daar immers van? En als ’t Gods wil is, wie weet? God mocht Zich eens omkeren! God laat Zijn plan wel eens varen omwille van de mensen, om hun gebeden, hun angsten en zorgen. Gods plan is nooit een gesloten systeem, want Hij opent Zich voor onze gebeden en noden. Daarom bidden wij ook “door Christus, onze Heer. Amen”, want Hij is onze opening, onze toegang tot God.

Flentrop-orgel Hervormde Kerk YersekeGemeente, de God van de Bijbel is allereerst de God, Die Zich laat verbidden. Die heidenen van Ninivé hadden dat beter begrepen dan Gods eigen profeet Jona. God is een God van verrassingen, van nieuwe wegen. Je kunt nooit zeggen waar Gods weg met u uitkomt, want wie weet? Vandaag gaat God deze kant met u op, morgen misschien een andere, wellicht keert Hij Zich zelfs om! En ook u! Dat geeft ons de moed om ‘ja’ te zeggen tegen het leven, onder alle omstandigheden, al zijn nog zo belabberd. Niet berusten, maar positief ‘ja’ zeggen met de gedachte “wie weet, morgen is het anders! Want God is er bij, bij mij in dit leven. Hij is met mij begaan en hoort mijn gebeden.” We moeten dus niet berusten, want dat is “ja” met een diepe zucht, we komen ook niet in opstand, want dat is “ja” met een gebalde vuist en misschien wel vloek, maar we hebben het geloof dat Hij bij ons is, en daarom “wie weet”.

Er wordt veel gediscussieerd over de vraag van het “waarom ?” Wil God al die ellende in de wereld? Zoals nu weer die verschrikkelijke aardbeving in Pakistan en omgeving? Nadat we dit jaar al die Tsunami en verwoestende orkanen hebben gehad. Ja, zegt de één, anders zou het er niet zijn. Zo staat het toch ook in  de Heidelberger: dat alles ons uit Zijn vaderlijke hand toekomt. Nee, zegt de ander, God wil onze ellende niet, Jezus bestraft de koorts en de demonen en Hij geneest de zieken en maakt de mensen gelukkig en gezond. Wie heeft er nou gelijk?

Koorzijde Hervormde Kerk YersekeZe kunnen allebei gelijk hebben of allebei ongelijk. God ziet “met andere ogen”. Als wij bidden “Uw wil geschiede”, zou dat dan niet betekenen: “Heer, laat ons die ziekte en zorg van ons toch zien zoals U ze ziet”? En dus niet: “Laten we ons er maar bij neerleggen zoals wij ze zien en ervaren.” Zou het niet veeleer betekenen: laat deze ziekte en nood van ons iets anders zijn dan wij er van gemaakt hebben! Laten we in opstand komen tegen deze ellende, zoals die in onze agenda staat. Maar laten wij het aanvaarden zoals die in Uw boek geschreven staat. En wie weet? God kan straks die bladzijde wel omslaan, misschien wel overslaan om helemaal opnieuw met ons te beginnen!

Misschien kunt u dit moeilijk voor uzelf geloven, omdat u net als Jona vastzit aan een God die vastzit… Jona werd boos omdat God anders was dan hij gedacht had. God is niet consequent, dacht Jona – Jona zelf was dat wel. Hij was zó consequent dat hij God niet meer wilde zien. Misschien is dat bij Kuitert en de zijnen ook wel het geval. Wat heb je immers aan een God Die niet doet wat Hij gezegd heeft? Denkt u dat ook wel eens? Een God Die zo anders is dan wij gedacht hadden! Anders dan de God die wij van Hem gemaakt hadden! Gelukkig maar, dat God zo heel anders is!

Daarom: zeg altijd “wie weet?” Houdt dat maar vast! God moge ons de ogen openen net als bij de mensen in Ninivé.

Amen.

Deze preek werd gehouden op zondag 23 oktober 2005 in de Hervormde Kerk te Yerseke.

Wie weet ?

De preek “Wie weet?” heeft een actueel onderwerp: Gods leiding in de wereld en ook in ons persoonlijke leven. Veel mensen maken zich niet meer zo druk om de wereld en hun eigen bestaan. Dat helpt toch niets, zeggen ze. Het komt toch zoals het komt. Je moet je er maar bij neerleggen. ‘Berusten’ noemen ze dat. Je kunt boffen of pech hebben, daar kunnen we toch niets aan doen. Zo is het  nu eenmaal. De Fransman zegt: “c’est la vie!”

De preek “Wie weet?” heeft een actueel onderwerp: Gods leiding in de wereld en ook in ons persoonlijke leven. Veel mensen maken zich niet meer zo druk om de wereld en hun eigen bestaan. Dat helpt toch niets, zeggen ze. Het komt toch zoals het komt. Je moet je er maar bij neerleggen. ‘Berusten’ noemen ze dat. Je kunt boffen of pech hebben, daar kunnen we toch niets aan doen. Zo is het  nu eenmaal. De Fransman zegt: “c’est la vie!”

Ook Christenen hebben daar een handje van. Ze denken zelfs dat dit het eigene van het geloof is. God bepaalt nu eenmaal wat er gebeurt. Over dit ‘noodlotsdenken’ gaat de preek. Het is niet zo zeer Bijbels. Berusten komen we in de Bijbel niet tegen. Het is veeleer overgenomen uit het Griekse denken van de Stoïcijnen. Om zich tegen het leven te verharden leerden ze dat het leven een eindeloze cirkelgang is, waarin het lot van de mens vastlegt als een noodlot, waar je niets tegen kunt doen.

Maar wat Christus ons voorhoudt in Zijn spreken en doen heeft niets met noodlot te maken, maar juist met een heerlijke toekomstvisie. Ons lot is daardoor bestemd, daarom altijd: “wie weet ?”

Een brief van Christus

Een brief van Christus

2 Korintiërs 3, 3

De apostel Paulus noem zijn Gemeente in Korinthe “een brief van Christus”.

“Daar gij toont een brief van Christus te zijn.” (2 Korintiërs 3, 3).

Dat is me nogal wat. Zo positief kunnen wij van onszelf en van onze Gemeente, denk ik, niet spreken. Daarvoor is er te veel wat niet goed is, wat niet “van Christus” is. We doen natuurlijk wel ons best. Tenminste dat mag ik hopen!

Preekstoel ColijnsplaatWe worstelen om het te pakken te krijgen: dat leven “in Christus”, in vallen en opstaan. Met de vele twijfels, die het geloof vandaag met zich meebrengt. We houden ook krampachtig vast aan de ‘oude’ zekerheden. Vooral aan onszelf, want je wilt je zelf niet verliezen. Maar dan merk je, dat je toch je zelf uit handen moet geven, wil je Christus toebehoren. Dan kun je gelukkig weer opademen uit al dat krampachtige gedoe. Dat is bevrijding. Ik behoor niet mezelf toe, gelukkig maar, want dan zou het er slecht voor me uitzien. Ik ben van de Heer en ik mag in alle dingen op Hem vertrouwen. En Hij zal mijn leven maken en richten naar Zijn wil, als ik me maar op Hem verlaat. Zo word ik “brief van Christus”.

Die gedachten moet Paulus gehad hebben, toen hij zo optimistisch aan de Korinthiërs schreef: “daar gij toont een brief van Christus te zijn”. Hij heeft het daarbij ook over zichzelf. Hoor maar:

“Gaan wij onszelf aanprijzen? Of hebben wij soms aanbevelingsbrieven bij u of van u nodig? Onze brief zijt gij, geschreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst opgesteld, niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten.”

De Gemeente is een brief van Christus. Daarom houdt Paulus ook zo van zijn Gemeenten. Herhaaldelijk lezen we, dat hij naar hen verlangt. Bijvoorbeeld in Philippenzen 3, waar hij zo hard de wereldse gezindheid van de Gemeente aan de kaak stelt, zegt hij tenslotte:

“mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon!”

Hoe kan de apostel die Gemeente van Korinthe, waarin zoveel onchristelijke dingen gebeuren, toch nog zo positief waarderen als “brief van Christus”? Een Gemeente, waarin zoals we horen de liefde en nederigheid nogal eens ontbreken, waar veel losbandigheid en egoïsme de boventoon voeren…

Orgel ColijnsplaatJa, zegt Paulus, dat is zo, maar toch ondanks het zo gebrekkige vlees is de Geest van de levende God in de Gemeente aanwezig. En dat is bepalend dat de Geest in de Gemeente z’n werk doet! De Gemeente is niet “brief van Christus” omdat zij Christelijk heet of Protestants Christelijk en een dikke Kerkorde heeft en een ingewikkelde landelijke structuur en de opgeschreven geboden van God in de Bijbel, maar omdat de Geest van de levende God daar in de harten van Gemeenteleden aanwezig is: niet met inkt geschreven op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten. Wat is het fijn, dat de apostel dit onderscheid maakt. Wat hebben we ’t ook nodig ons zo te laten bemoedigen: jullie zijn net als de Korinthiërs een brief van Christus! Ja, Hijzelf schrijft in jullie harten. Hijzelf maakt jullie bekwaam om God te dienen. Hijzelf brengt jullie steeds weer samen om Gemeente te zijn. Een brief van Christus, geschreven met de Geest van de levende God in de harten, precies zoals de oude Jeremia het geprofeteerd had, toen hij zei: “Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven” (31,33).

Gemeente, wat betekent het nu vandaag voor ons, dat we brief van Christus mogen zijn?
Ten eerste: Christus heeft aan Zijn Gemeente het leven toegezegd. En Hij is vandaag in die Gemeente aan het werk om het nieuwe leven te brengen, ook hier. En dan mag ik denken aan alles wat er gedaan wordt om elkaar te helpen. Ik denk aan de zieken en eenzamen, stervenden en ongelukkigen, die troost mogen ontvangen en een helpende hand. Ik denk ook aan het diaconaat, waardoor wereldwijd mensen de liefde van Christus mogen ervaren, Kerk in aktie – zoals dat tegenwoordig genoemd wordt. We horen van voedselbanken en weggeefwinkels in de grote steden en hul-acties voor de aardbevingsslachtoffers in Pakistan. Ik denk aan de vele jonge mensen, die in hun moderne muziek en praise-liederen het Evangelie uitdragen. En zo kan ik wel doorgaan. Allemaal letters in die brief van Christus, geschreven door de levende Geest Zelf.

Dat is het eerste, waaraan we moeten denken: dat de Geest in de Gemeente aan het werk is en dat wij Hem de ruimte moeten geven, door onszelf in dienst te laten stellen van die Geest en ons door Hem te laten aanwakkeren!

Een tweede ding, wat opvalt in de tekst van Paulus is dit: het tot leven brengen van de Gemeente gebeurt niet door het geschrevene of voorgeschrevene. Al te lang is de kerk een instituut van voorschriften geweest. Dit mag je niet en dat moet je wel. Regels te over, allemaal goed bedoeld, maar het heeft velen de Kerk uitgejaagd. Het Levende Woord is achter die regels verdwenen. Daarin schuilt een groot gevaar, als Gods Woord wordt ingeblikt… Het Leven wordt er aan ontnomen, het wordt eigenlijk dood gemaakt. Velen, die de Kerk verlaten hebben, spreken daarvan, hoe ’t vroeger bij hen thuis was en in de Kerk. In heel veel boeken kom je dit ook tegen. Die verstarring in het kerkelijke leven. Soms zie je dat nog om je heen, hopelijk niet hier. In ieder geval moeten we daar op bedacht zijn. De Gemeente komt niet tot leven door wat er geschreven is, op tafelen van steen, maar alleen door de Geest van God, Die werkt in ons hart.

Kerk ColijnsplaatTenslotte nog dit: ondanks het gevaar van de verstarring en het zo gebrekkige functioneren van de Gemeente heeft het werken van de levende Heer toch nooit opgehouden. Jullie zijn mijn brief, zegt Paulus, ja zelfs brief van Christus. Hij is de afzender van de Gemeente. En daarom komt een Gemeente pas echt tot leven, als zij bereid is te luisteren naar wat Jezus te zeggen heeft. Als zij, zeg maar, in Zijn spoor komt. Als de woorden van Jezus, en dat zijn woorden van God Zelf, in ons leven tot levende werkelijkheid worden. Daar hebben we Zijn Geest ook bij nodig, anders blijft het alleen maar mensen werk. We hebben dus altijd te luisteren naar wat de Geest ons in Jezus’ woord te zeggen heeft, niet wat wij er zelf in menen te horen of wat wij er zelf van gemaakt hebben ! Dat betekent ook, Gemeente, dat we bereid moeten zijn van dode platgetreden paden terug te keren en nieuwe wegen te begaan. Het is ten enenmale onvoldoende je alleen tevreden te stellen met het bewaren van het oude, zonder uit te zien naar en oog te hebben voor nieuwe en grotere wonderen, die we van de Heer mogen verwachten. Zo zal er ook plaats gegeven moeten aan de jonge generatie, die vaak op een andere eigentijdse manier het Evangelie willen uitdragen. Geef ze een kans om op hun manier een levende bouwsteen van de Gemeente te zijn, letters van de brief van Christus.

Jullie zijn een brief van Christus, zegt Paulus. Een brief zegt iets over de Afzender, een brief laat ook iets horen van degene(n), tot wie hij gericht is. Willen we zo’n brief zijn? Getuigend van de Schrijver, de lévende Heer? En willen we zo’n brief zijn: echt gericht op de ontvanger, wij zelf, oud en jong, gericht ook op de wereld met zijn angstige hopen en zuchten en grote verdeeldheden? Een brief van Christus, voor de wereld, want Hij is gekomen om de wereld te redden. Waar blijft U met uw wonderen? Brief van Christus!

Amen.                             

Mobiel per Scootmobiel

Wel en wee met een karretje.

BatricarIn 1994 kreeg ik mijn eerste scootmobiel, een rode Batricar.  Het was wel een 2e-handsje, maar hij deed ’t nog prima. Daar reed ik mee over de dijk van Wilhelminadorp naar Goes, geweldig. Je schokte wel flink door elkaar, want vering ho maar! Maar het was een feest om er met je eerste kleinkind mee door de polder te rijden. Al gauw was ik in de weer om  te proberen die wagen ook mee te kunnen nemen, als we naar de kinderen gingen of op vakantie. Alle mogelijke opties werden onderzocht, totdat ik hoorde van de Gidding Magic Car: een aanhanger met kunststof huif en een elektrisch motortje, die de wagen omlaag bracht voor het inrijden van de scootmobiel en omhoog om er mee weg te rijden. Maar daar hing ook wel een prijskaartje aan: 9000 gulden. En van de GGD, waar je het toen nog moest aanvragen, kreeg ik geen wagen in bruikleen. Wel hadden ze een aanbod:
ik kon een gebruikte Magic Car kopen voor 3000 gulden. Dat heb ik toen gedaan. En ik heb er vreselijk veel plezier van gehad. Jaren lang zijn we er mee met vakantie geweest naar Zwitserland. En nu nog funktioneert hij, maar niet meer als vervoermiddel, maar als stalling achter ons huis. Daar heb ik een buitenstopcontact aan laten leggen en zo kan de scootmobiel worden gestald en opgeladen, zonder dat het woonhuis er mee belast wordt.

Na de Batricar kreeg ik in Barendrecht een grijze Deltacar, in 1997. Omdat deze wagen veel gebreken vertoonde, kwam ik het jaar daarop te zitten in de nieuwste Bac Sterling: een Diplomate. Als die liep, was het een fantastische car. Maar ik denk dat ie meer bij de leverancier en fabriek was dan bij mij thuis. En al die lekke banden! De constructie van de wielen was zodanig, dat een wiel bij de geringste aanraking uit elkaar sprong met als gevolg een lekke band. Toch een fijne geriefelijke wagen om in te rijden. Even zo goed was ik blij, toen in 2001 besloten werd voor mij een andere wagen aan te schaffen. Hopelijk eentje, die minder onderhoudsgevoelig zou blijken te zijn.

Het werd een Moover Delta: sterk, met veel beenruimte en hoog afstelbaar. Ik zat er op als een vorst. Nooit kapot, altijd klaar om dienst te doen, met een hoge actieradius. Alleen had ie één gebrek: het stuur. Je moest gas geven door een lipje in te drukken met één vinger. En dat brak me op. Die vinger ging ontsteken en werd heel dik. Ik dacht dat het van de reuma kwam, maar later is vastgesteld dat het een soort artrose is door overbelasting. De vinger is dik en pijnlijk gebleven. Wel moesten we daardoor uitkijken naar een andere wagen.

Ik had al veel van de Solo gehoord en er ook over gelezen, o.a.dat twee mensen uit Delft een tocht met de Solo hadden gemaakt van Maastricht naar Delft. Op de beurs in Utrecht kon ik hem uitproberen en ik was gelijk verkocht! Nog nooit zo’n vering gevoeld! Zo”n fantastische wagen zou ik willen hebben. Ik wist dus wat ik wilde, toen de vraag kwam: wat nu? Daar moest uiteraard nog wel even wat over gedelibereerd kworden, want de Solo is wat prijzig. Gelukkig heb ik hem gekregen en zo ben ik nog steeds de enige en eerste Solorijder in Barendrecht. Ik hoor nog wel eens de opmerking: ben je nou niet bang dat je uit de bocht vliegt? Omdat ie zo veert en dan overhangt. Waarop ik antwoord: altijd op tijd gas terug nemen. Zo is het in het leven, en ook op de Solo!

De scootmobiel brengt me overal waar ik heen wil. Een paar jaar geleden hebben we een nieuwe auto gekocht, waarin de scoot meegenomen kon worden. Dat was nog een hele uitzoekerij. Je komt dan bij een zgn MPV terecht met een hoge zit en veel achter-ruimte. Het punt is, dat de achterklep hoog genoeg moest zijn om de scootmobiel door te laten. Sommige MPV’s hebben een drempel en dan gaat ’t natuurlijk niet. Je moet dus zoeken naar een MPV met een gladde ingang en in mijn geval minstens 105 cm hoog. Ik heb zo’n auto gevonden in de Ford Galaxy. Ik had ook de Seat Alhambra of de VW Sharan konnen nemen, want die hebben hetzelfde chassis. Dan krijg je het probleem: hoe krijg ik nou de scoot binnen? Een lift vonden we te duur, de keuze was toen gauw gemaakt: oprijplaten. Van aluminium, maar toch nog zwaar. Gelukkig is mijn vrouw nog sterk! 

Leven met reuma

Pijn, pijn, pijn…

Toen ik in 1978 een beroep aannam naar Wilhelminadorp en Ter Valcke in Goes, had ik er nog geen idee van dat reuma op de loer lag.  Ik kreeg wel pijn in m’n rechter enkel, waardoor ik slecht ging lopen. In het ziekenhuis in Haarlem constateerde men jicht. Hiervoor kreeg ik medicijnen. Maar het ging niet over. Na de verhuizing naar Goes liet ik me onderzoeken in het ziekenhuis aldaar. De orthopaedisch chirurg stelde voor een incisie te doen in de rechter enkel en het weefsel op reuma te laten onderzoeken. De uitslag wees inderdaad reumatoïde artritis aan. Omdat er in Goes geen reumatoloog was, heb ik mij gewend tot het Acad.Ziekenhuis in Leiden, waar ik tot 1999 in behandeling ben geweest. Daarna heb ik een reumatoloog gevonden in het ziekenhuis van Rotterdam-Zuid (MCRZ).

Door deze ontwikkeling kreeg ik wel een probleem in het verpleeghuis, waar ik net begonnen was. Mij werd WAO in het vooruitzicht gesteld, maar dat wilde ik niet. Een andere optie was: in een elektrische rolstoel mijn werk gaan doen. Dit leek me niet zo vreemd voor een verpleeghuis. De rolstoel bracht je letterlijk en figuurlijk heel dicht bij de bewoners. Tot m’n pensioenleeftijd (60) in 1994 heb ik zo kunnen funktioneren. In het kerkenwerk lag dat wel anders. Daar ging mijn gebrek aan mobiliteit mij parten spelen. Als ik in het ziekenhuis Gemeenteleden ging opzoeken, moest Tilly met mij mee om de rolstoel te duwen. Ik heb toen bij de Kerk invaliditeitspensioen aangevraagd en werd zo in 1990 emeritus.

Reumatoïde artritis is een sloper. Het ene gewricht na het andere wordt aangetast. Door de ontstekingen wordt het kraakbeen vernietigd, waardoor elke beweging wordt bemoeilijkt en stekende pijnen het gevolg zijn. Je wordt aangewezen op krukken, rolstoelen, een traplift, een hoog bed met instelbaar hoofd- en voeteneind en niet te vergeten een grote automaat met oprijplaten teneinde je scootmobiel mee te kunnen nemen. Je bent eigenlijk voortdurend in de weer om nog een beetje te kunnen funktioneren. Zo heb ik onlangs een trippelstoel gekregen voor binnen ’s huis en de studeerkamer. De studeerkamer hebben we gelukkig beneden, aansluitend aan de woonkamer. Toen we in 1996 ons nieuwe huis in Barendrecht betrokken hebben we van de grote living een stuk afgehaald voor de studeerkamer. Zo heb ik maar een viertal stappen te ‘lopen’ om van de sta-op-stoel in de woonkamer naar de bureaustoel achter te computer te komen. Met de trippelstoel, die elektrisch omhoog/omlaag verstelbaar is, kan ik zittend een boek pakken zelfs van de bovenste plank in de boekenkast.

’s Zondags, als ik uitga ‘preken’, nemen we een hoge kruk mee in de auto. Daar ligt ook altijd een duw-rolstoel  en een handkruk in. Bij de kerk rijdt Tilly me naar de consistorie. Als de dienst begint, duwt een ouderling of diaken me de kerk binnen achter de Avondmaalstafel, waar ik plaats neem op mijn kruk. Twee jaar geleden kon ik nog ‘met kunst en vliegwerk’ de trap van de preekstoel op. Het is ook voor de Gemeente een hele beleving, je hoort de mensen duidelijk zuchten, maar ik word toch nog steeds weer teruggevraagd.

Ben je al twaalf?

Ben je al twaalf?

Lukas 8, 40-56

Het is druk aan het meer. Het staat er vol met mensen, als Jezus in een bootje komt aanvaren en aanlegt aan de oever. De mensen hadden hem zien aankomen en stonden geduldig te wachten, want ze hadden iets met Jezus. Wat? Ze konden het waarschijnlijk zelf niet eens zeggen. Jezus trok de mensen aan. En zij voelden, dat Hij heel veel voor hen betekende.

Onder al die mensen was ook een verdrietige vader. Wie weet van hoever hij gekomen was. Maar hij zou naar Jezus toe. Want zijn dochtertje, zijn enige kind, was ernstig ziek. Zo erg, dat zij misschien wel dood ging. En als hij Jezus ziet, rent hij naar voren en valt voor de voeten van Jezus neer. Smekend kijkt hij naar Hem op en schreeuwt het uit: “Kom mee, Heer, naar mijn huis, want mijn dochtertje ligt op sterven! Zij is mijn enige kind en ze is twaalf. Kom tocht! Gauw! Als U uw handen op haar legt, kan ze nog gered worden!”

En Jezus ging met hem mee. Maar de weg was lang en er waren natuurlijk ook nog andere mensen die graag door Jezus geholpen wilden worden. Dus duurde het wel even, voor zij bij het huis van de vader aankwamen. Jaïrus heette die ongelukkige vader. Wat ging er al die tijd niet door hem heen? Jezus kon voor hem niet vlug genoeg opschieten. Maar ja, Hij was er ook voor anderen, natuurlijk. En toch: zou Hij zijn kind vergeten zijn? Wat duurt dat allemaal toch lang, veel te lang! Soms moet een mens leren wachten en niet zo ongeduldig zijn. God heeft echt wel aandacht voor jou. Hij heeft aandacht voor iedereen die Zijn hulp nodig heeft. Maar alles op zijn tijd. God kan wachten, en Hij laat ons ook wel eens wachten. Alleen, wij zijn zo ongeduldig, wij willen altijd alles direct. Ook Jaïrus, en dat is heel goed te begrijpen als je kind zo ziek is. En toch zal ook hij moeten leren dat God nooit laat varen de werken van Zijn handen. Dat is een tekst uit het Psalmboek. En het betekent zoveel als: dat God niet in de steek laat wat Hij een keer begonnen is: het werk van Zijn handen. Wij zijn ook een stukje werk van Hem, Hij heeft ons gemaakt, en daarom mogen wij geloven dat Hij ons nooit in de steek zal laten. Jaïrus moest daar ook vertrouwen in hebben. Maar ja, je moet ’t maar kunnen, als je kind op sterven ligt. Geduld hebben met Gods genade, dat is het. Het komt echt wel. Op Gods tijd. Misschien is ’t nodig dat God ons nog even laat wachten om tot een sterker geloof te komen of zo, misschien ook heeft God eerst nog wat anders te doen. Misschien is het wel dit: dat God er een bedoeling mee had om straks het dode kind tot leven op te wekken. Ja zeker, dat zal ’t geweest zijn: de mensen moesten zien, dat Jezus is de Redder, die niet alleen zieken geneest, maar zelfs doden opnieuw tot leven brengt.

Ondertussen waren zij bij het huis van Jaïrus aangeland, en kijk, daar heb je ’t al: er komt iemand aanlopen uit het huis met de boodschap dat het kind al gestorven is. Waar Jaïrus zo bang voor was geweest, is nu gebeurd. Dat is me toch wat! En het gekke is, dat Jezus deed alsof hij het niet hoorde. En dan zegt hij ook nog tot die angstige vader: “Wees niet bang. Heb vertrouwen!” En Hij wilde geen mens mee naar binnen hebben dan alleen Petrus en Jakobus en Johannes, de beide broers. Als zij naar binnen gaan komt het verdriet hen tegemoet: allemaal huilende mensen en ook al klaagmuziek voor de doden. En Jezus roept: “Wat moet dat hier, al dat gehuil en geklaag. Het kind is niet dood, het slaapt alleen maar. De mensen lachten hem vierkant uit, zij wisten immers wel beter! Maar Hij, Hij werkte ze allemaal de straat op. Weg jullie! Alleen de vader en de moeder en zijn drie discipelen mochten mee naar boven. En zo ging hij de kamer in, waar het kind lag.

Ja, Gemeente, dat zal je toch maar gezegd worden, als net je kind gestorven is: “Wees maar niet bang, geloof alleen.” Kunnen wij dat nog wel, onder zulke moeilijke en beangstigende omstandigheden? Wie kan nog geloven bij de dood van zijn kind? En wat moet ik dan geloven? Dat God mij troosten zal? Ik weet het niet. Ik denk niet dat het een bevel is om maar altijd hoe moeilijk ook te blijven geloven. Wat Jezus hier tot de vader zegt is denk ik geen bevel, veeleer een bemoediging, dat werkelijk nog niet alles verloren is. Al heeft het daar -menselijk gesproken- alle schijn van. “Wees maar niet bang, heb toch vertrouwen, want Ik ben bij jullie.”

Maar de mensen lachten hem uit. Mensen moeten het altijd beter weten! Nog beter dan Jezus en dan God! Zij willen het niet voor waar hebben, dat Jezus is de Machtige ook over de de macht van de dood. Daarom staat er met zoveel nadruk in onze geschiedenis: maar Hij, Hij “ekballei”, dat is: Hij werpt ze er uit. Al die betweterige mensen, precies zoals Jezus dat deed met kwade geesten en demonen die soms in mensen huizen. “Eruit jullie!” Waar de Zoon van God optreedt is geen plaats meer voor jullie kwaadsprekerij. Zij er uit en Hij er in. Hier wordt een drempel overschreden. De ziekte en het kwaad moet wijken als Jezus binnenkomt.

Hij nam de hand van het kind en zei tegen haar: “Talitha koem!” D.w.z. “Meisje, sta op!” En meteen kwam zij overeind, het meisje, en ze liep al weer rond; ja, een meisje van twaalf jaar. En je begrijpt, hoe sprakeloos en blij die vader en moeder waren, en al die mensen die ze het gauw gingen vertellen.

Mensen die elkaar aanrakenIn de doodskamer staat Jezus en Hij strekt Zijn hand uit naar het dode kind. Hij pakt haar hand vast. Doden mocht je eigenlijk niet aanraken volgens het joodse geloof. Maar Jezus is de Heer over de dood en dat laat Hij hier duidelijk zien. Hij raakt een dode aan. Zo is het ook gegaan met die jongen uit Nain, de enige zoon van een weduwe, toen Jezus de baar waarop de dode jongen lag, liet stil staan en de jongen aanraakte. Dat je elkaar aanraakt is heel belangrijk, Gemeente. Dat geeft lijfelijk contact. Daardoor stroomt er iets van jou in die ander over. Iets van jouw lichaamswarmte, je voelt het hart van die ander kloppen. Letterlijk, maar ook figuurlijk: je deelt elkaars zorg en liefde en kracht. We zouden dat meer moeten doen: elkaar aanraken om te laten zien dat je er voor elkaar bent. Zeker moeten we dat doen bij zieken en hulpbehoevenden, die misschien zelf niet meer de handen kunnen uitsteken om u aan te raken.

“Kom kindje, sta op”. Een dubbele opstanding eigenlijk. Zij stond op uit haar bed en zij stond op uit de dood. Ze is 12, toevallig of misschien ook niet staat daar het getel, dat we zo vaak in de Bijbel tegen komen. TWAALF. Hier betekent het dat zij al groot is en natuurlijk kan lopen. Waardoor zij in werkelijkheid kan laten zien dat zij weer tot leven gekomen is. Maar TWAALF zou ook iets anders kunnen betekenen. Het is het getal van de goddelijke volheid. Het betekent dan dat iets af is, voltooid. Het meisje heeft dan het eerste deel van haar leven volbracht, het is klaar. De twaalf jaren zitten er op en zij begint aan de tweede 12 jaar. Het is dus een soort overgang van oud naar nieuw. Met twaalf jaar ben je kind af en groot gegroeid. Je begint dan aan de overgang naar de volwassenheid, wat we ook wel puberteit noemen. Je kunt al lopen, dat wil dan ook zoiets zeggen als dat je al een beetje op eigen benen kunt staan. Je hebt je ouders niet bij alles meer nodig. Ouders willen dat wel eens niet begrijpen en dan krijg je ruzie. Je mag ook nooit iets zelf doen of zelf weten. Jullie kennen dat wel. Met 12 jaar sluit je een deel van je leven af en begin je aan het volgende deel. Je verlaat de lagere school en de kinderkerk en je gaat naar het vervolgonderwijs, ook in de kerk, dat noemen we dan catechisatie. Je voelt je al heel wat. Je bent misschien al eens verliefd, en je wilt in alles meespreken thuis. Je hebt geheimen met je vriendjes en je denkt na over de toekomst. Het nieuwe leven lacht je toe!

Met het dochtertje van Jaïrus is dat ook zo gegaan. Maar dan letterlijk: zij was dood geweest en kwam tot leven. Zij was twaalf. Dat geeft aan het ”12 jaar zijn” een diepere zin. Het wordt het getal van Gods belofte: dat je altijd opnieuw mag beginnen, het oude heeft afgedaan, het nieuwe is gekomen. En Jezus raakt je aan, Hij duwt je het nieuwe leven in. De mensen raken opgetogen. Zoiets hadden ze nog nooit meegemaakt. Ze zouden het meisje daardoor bijna vergeten, maar zo niet Jezus. Hij blijft bij haar en maakt Zijn werk helemaal af en zegt doodgewoon: “Geef haar iets te eten”. Want als je een nieuw leven begint, moet je ook kracht krijgen, voedsel voor onderweg. Je zult het nodig hebben. Ook jullie zullen dat nodig hebben. Want een nieuw leven na je twaalfde kost veel inspanning. Je hebt zoveel te leren, zoveel nieuwe dingen ook, je zult ook vaak teleurgesteld worden, als ’t op school niet meezit of als je vrienden je in de steek laten, het leven kan soms heel erg hard zijn, misschien zul je iemand verliezen van wie je veel hield. Daar heb je voedsel voor nodig, letterlijk en figuurlijk. Vooral ook steun van je ouders, van God. Ben je al twaalf? Dan krijg je te eten, om ook dertien te worden en veertien, zo oud als God wil. Hij Zelf zal daarvoor zorgen.

Amen.                             

Mijmeringen

Mijmeringen bij ons vijfenveertigjarig huwelijksfeest op 19 April 2005.

Mijmeringen bij ons vijfenveertigjarig huwelijksfeest op 19 April 2005

Vijfenveertig jaar getrouwd te zijn, dat is geen sinecure, alhoewel het gaat vanzelf.

’t Is voorbij voordat je ’t weet! Daar zit van je zelf niet veel verdienste in, of het moet zijn dat je er altijd aan gewerkt hebt de boel op de rails te houden. Maar het meeste is je gegeven: een cadeautje uit de hemel.

Het begon in Apeldoorn, in 1956. Twee jonge mensen werden op elkaar verliefd. De één droeg een hoed en woonde aan de Soerenseweg, de ander liet de mooie blonde lokken wapperen en woonde aan de Mheenweg. Zij waren niet van elkaar weg te slaan en traden na vier jaar verkering in het huwelijksbootje, dat hen bracht in het Brabantse Dongen, waar een riante pastorie hen omhelsde. Het nestje werd warm gehouden door 4 kachels, en na de eerste winter diende zich jong leven aan: Lucy. Een stoere kater, Brammetje genaamd, werd haar speelgenoot.

Na twee jaar vertrokken we naar Geleen, om onze intrek te nemen in een appartement boven het AMVJ-hostel. Het was daar een gezellige boel, al ras woog ik 115 kilo! We werden verblijd met de geboorte van Alice. Met volle buik haalde Tilly haar rijbewijs en het eerste autootje kon worden aangeschaft: een oranjerode DKW-Junior, waarmee de dominee Zuid-Limburg onveilig maakte, vooral op zondagochtend, als er her en der moest worden gepreekt, zodat er alras gefluisterd werd van het “vliegend Evangelie”.

In 1966 maakte Tilly een grote pan boerengroentesoep met veel vlees, want er kwam een hoorcommissie uit Waalwijk. Blijkbaar smaakte die soep zo lekker, dat ze gelijk Tilly met mij er bij naar Waalwijk hebben beroepen. Toen Philippien 2 maanden was, zijn we naar Waalwijk verhuisd. We hadden daar een heerlijk vrij huis met grote tuin, waar we zo menig kinderfeest gegeven hebben. Ik denk aan de gezellige verjaardagen van Lucy in mei en Pien in augustus. Alice’s verjaardagsfeesten werden gegeven in de grote hal van het huis, waar met gemak zo’n twintig kinderen in de kring konden staan. Al gauw kregen we in Waalwijk een trouwe huisgenoot, een zwarte roetmop, Edgar geheten. Wat die ons een werk heeft bezorgd, ongehoorzaam als hij was. Voor beide was er veel werk te doen, maar we hadden er een prachtige tijd, zeven vette jaren.

Toen kwam het beroep naar Haarlem. We gingen, mede omdat we dachten dat het goed was voor de kinderen en Lucy moest toen net de overgang maken naar de Middelbare School. In Haarlem-Noord kregen we te maken met diepgelovige serieuze mensen, waar we de kerk mee konden opbouwen. We hielden Allemansdiensten met coryfeeën als Marco Bakker en Teke Bijlsma. En de meisjes kregen vele vriendinnen. Zelf behaalde ik het doctoraal theologie aan de kersverse universiteit te Tilburg.

Na bijna 5 jaar kwam de reuma om de hoek kijken. We waren toen net in gesprek met Zeeland, waar mij een leuke gecombineerde functie van dominee in  de Gemeente en geestelijk verzorger in een verpleeghuis werd aangeboden. Het was een hachelijke onderneming om eigenlijk ziek zo’n nieuwe taak te aanvaarden. Toch deden we ‘t. Zo belandden we in Goes, in ons eerste eigen huis. Omdat de reuma zich doorzette, leek het ons goed om uit te zien naar een meer aan gepaste woning.

De gelegenheid bood zich in mijn Gemeente Wilhelminadorp, waar een stuk grond te koop was, groot genoeg voor een aangepaste bungalow en flinke tuin. We hebben ’t van de Gemeente gekocht en konden niet meer terug, toen ons huis maar niet verkocht werd en de rentestand was opgelopen tot 13%! Lucy heeft toen een eigen bordje in de tuin gemaakt en zo waar, daar kwam een koopster… en kon het huis in Wilhelminadorp gebouwd worden met alle gemakken van dien. Vijftien jaren hebben we daar genoten. Ons kleinkind Salim heeft daar nog in zijn eerste levensjaren bij Opa op het karretje rondgereden door de polder. Gelijk was hij er ook een beetje de oorzaak van, dat we dit paradijs in 1996 ingeruild hebben tegen een  stadse woning in Barendrecht, waar we overigens nu al weer 9 jaar tot groot genoegen wonen.

In al die jaren hebben we er met z’n tweeën voorgestaan. In het huwelijk en ook in het werk als predikant. De goede zorg van Tilly was onmisbaar en heeft me altijd de nodige stimulansen gegeven, tot op de dag van vandaag. Zeker ook nu bij mijn tanende gezondheid is dit een reden tot grote dankbaarheid.

Flip en Tilly 40 jaar getrouwd

Het is in ons leven niet altijd gelopen zoals wij dachten en hoopten. Het komt zo vaak anders dan je denkt en gepland had. Wie van te voren ons gezegd had dat we van Dongen naar Geleen via Waalwijk en Haarlem en Goes en Wilhelminadorp tenslotte in Barendrecht zouden belanden, die hadden we bepaaldelijk niet geloofd. Dat we drie dochters zouden krijgen en zeven kleinkinderen, idem dito. Dat ik in een verpleeghuis zou gaan werken en reuma zou krijgen, nu al weer 27 jaar… het is maar goed dat je niet alles van tevoren weet. Maar terugkijkend geeft dit ons wel een gevoel van innige dankbaarheid, dat we een periode van 45 jaar mogen volmaken, sámen. Een geweldig lange periode, waarin veel gebeurd is, ook verdrietige dingen. We missen node degenen die ons ontvallen zijn, onze ouders en familieleden en vrienden.  We gaan moedig voorwaarts en verheugen ons nog op spannende dingen. In de overtuiging, dat Hij die ons zo ver gebracht geeft ons ook verder zal helpen.

Wie zal vertoeven in uw tent?

Psalm 15

Psalmen 15

Here, wie zal vertoeven in uw tent,
Wie zal wonen op uw heilige berg?
Wie onberispelijk wandelt en gerechtigheid werkt,
Wie waarheid spreekt in zijn hart,
Wie geen lastering draagt op zijn tong.
Hij doet zijn vriend geen kwaad,
Hij draagt geen hoon tegen zijn naaste;
In zijn ogen is de verworpene verachtelijk,
Maar hij eert die de Heer vrezen;
Heeft hij tot zijn nadeel gezworen, toch verandert hij niet
Hij geeft zijn geld niet op rente,
En een geschenk neemt hij tegen de onschuldige niet aan.
Wie dat doet, zal niet wankelen, voor altoos.

De Psalmdichter is een gelovig mens en hij houdt van zijn “Kerk”.
Dat wordt al direct aan het begin duidelijk, waar hij zegt:

“Here, wie zal vertoeven in uw tent?
Wie zal wonen op uw heilige berg?”

Hij gaat er van uit, dat er mensen zijn, die dat graag zouden willen doen. En ik denk, dat hij ook van zichzelf spreekt. Wij zouden zeggen: “Heerlijk om bij God te mogen zijn!” Met de tent wordt de tabernakel in de woestijn bedoeld, en later ook heel dichterlijk de tempel op de heilige berg Zion. De heilige berg, die hier genoemd wordt, heeft dan ook
betrekking op de berg Zion.

Er zijn dus mensen, die tempelwaarts willen gaan en daartoe de heilige berg beklimmen. Om daar voor Gods aangezicht te zingen en te bidden en te getuigen van dankbaarheid door het brengen van offers. Om ook vandaar mee te nemen naar hun woonsteden de priesterlijke zegen! Eigenlijk precies datgene, waarom wij ook naar onze kerken gaan… Verlangen naar God, kent u dat ook? Ik weet wel: onze kerkdiensten halen niet bij de rijke eredienst van oud-Israël, toch kan ook een mens vandaag een sterke behoefte hebben “dicht bij God” zijn. Een fijne dienst, een goede preek, een heerlijk lied, het gevoel van saamhorigheid, bovenal het ontvangen van het Evangelie en de zegen van God stemmen de kerkgangers nu nog tot grote vreugde en dankbaarheid.

Iemand zei eens na een fijne dienst: “Nu kan ik er weer even tegen, ik heb teerkost voor onderweg ontvangen.”

Als de Israëliet naar de tempel ging, dan was hij in de tegenwoordigheid God, want God woonde daar en openbaarde Zich daar aan de mensen. In het Heilige der Heilige stond immers Gods troon: de ark met de cherubs aan beide zijden…..Verlangen naar de tempel was dus verlangen naar God zelf. Kennen wij ook dat verlangen? Gemeenschap met God is het hoogste, dat zich laat denken. Het is een zaligheid, die niet van de aarde is, die niet van mensen komt, maar die God ons als Zijn genadegave schenkt. Wat kan een mens daar naar verlangen!

Maar nu rijst de vraag: “Komen wij ook in die gemeenschap met God?” De Psalmdichter wist, dat er ook mensen waren, die er niet mochten komen. Anders zou hij de vraag niet gesteld hebben: “Wie zal vertoeven in uw tent?”

That is the question! Een vraag, die ook wij stellen en die ons benauwt. Want als ’t van mij moest komen, ben ik bang dat ik er nooit kwam! Maar wie mogen dan wel van het heil genieten? Wie zullen het ervaren? Laten we voorop stellen, dat Gods tent er is en ook zijn heilige berg, zonder toedoen van de mensen. God heeft ons daarbij echt niet nodig. God kan goed zorgen voor zijn eigen scheppings- en openbaringswerk. Tent en berg zijn er. Het heil in Christus is er ook en het geldt iedereen. Maar geldt het ook mij? Op deze prangende vraag van ons, geeft onze psalm een antwoord. Misschien een ander antwoord dan men verwachten zou.

Welk antwoord geeft de Psalmdichter? Wellicht had u gedacht: de
priester en de Leviet, die in Gods dienst staan. Nee, dat zegt de dichter
niet! Ook niet worden hier mensen genoemd, die heel veel offeren (dus
veel voor de Kerk over hebben) en voor Gods zaak in de weer zijn
(hoe belangrijk dat ook is!).

Nee, de Psalmist noemt mensen, die met een goede ‘intentie’ in het leven
staan, waaruit de liefde voor God en de naaste blijkt:

“Wie onberispelijk wandelt en gerechtigheid werkt, wie waarheid spreekt
in zijn hart, wie geen lastering draagt op zijn tong. Hij doet zijn vriend
geen kwaad, hij draagt geen hoon tegen zijn naaste; heeft hij tot zijn nadeel gezworen, toch verandert hij niet; hij geeft zijn geld niet op rente,
en een geschenk neemt hij tegen de onschuldige niet aan (omkoperij bij
de rechtspraak!).”

In de levensinstelling, de handelingen die je doet, je houding tegenover
elkaar, daaruit blijkt hoe je tegenover God staat: of je de Heer vreest.
Daarom is het zo belangrijk, dat je Gods geboden gehoorzaamt in je leven.
Niet om daarmee een plaatsje in de hemel te kopen, want dat lukt u niet.
Maar om daarmee van je liefde voor God en je medemens te getuigen. Het
Gehoorzamen van God is een stuk der dankbaarheid! Het gebod staat ook
(net als het gebed) in de Heidelberger onder het stuk der dankbaarheid.
Voorop in de christelijke levenshouding staat duidelijk de waarachtigheid:
De waarheid spreken, geen lastering, het gestand doen van de eed, recht
doen aan de onschuldige. Zeg niet, dat dit toch vanzelf spreekt. Was ’t maar
zo! Helaas is er veel onwaarachtigheid in de wereld, ook in ’t wereldje van
Christenen en christelijke kerken. Onwaarachtigheid is de grootste ondeugd
onder de mensen. Er is geen gebod, waartegen zo fel gezondigd wordt als
juist het negende: “Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.”
Welnu, onze Psalm zegt duidelijk en onomwonden, dat zulke onwaarachtige
mensen één ding moeten doen: buiten Gods tent blijven en geen voet zetten
op Gods heilige berg. Dat is wat! Voor hen is de gemeenschap met God niet
weggelegd. En het gaat daarbij niet alleen om het spreken van waarheid,
maar ook om het denken (“wie waarheid spreekt in zijn hart”).

Het is precies zoals de Heer Jezus later zou zeggen in de Bergrede: Een ieder
die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk
met haar gepleegd (Matteüs 5:28). Toch geldt ook hier: Wie zal dan zalig worden?
En Jezus antwoordt: Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk!
Het is ook niet zo, dat in de Psalm gezegd wordt, dat alleen zondeloze mensen
tot God mogen naderen. Zou dat het geval zijn, dan mocht niemand tot Hem
komen, omdat wij allemaal gezondigd hebben en Gods heerlijkheid derven
(Romeinen 3:23). God roept in Christus juist zondaars tot Zich: Hij spreekt hen vrij
en rechtvaardigt hen. Alleen wij mensen sluiten ons dikwijls zo toe…
U bent gerechtvaardigd, laat dit dan ook zien!
U staat in het nieuwe leven, geef daar dan ook blijk van!
U staat in de “Waarheid”, leef dan ook waarachtig!
Luister wat Petrus zegt in 1 Petrus 1,15:
“Gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gij zelf heilig in al
uw wandel!”

Leven met Spina Bifida

De laatste tijd wordt er druk gediscussieerd over het laten sterven van baby’s, die geen levenskansen zouden hebben, met name baby’s met een ernstig open ruggetje. Er zijn de laatste jaren 20 aangiften gedaan van…

De laatste tijd wordt er druk gediscussieerd over het laten sterven van baby’s, die geen levenskansen zouden hebben, met name baby’s met een ernstig open ruggetje. Er zijn de laatste jaren 20 aangiften gedaan van zulke ingrepen, aldus een rapport, dat nu openbaar gemaakt is. Nu zijn er in Groningen enkele hoogleraren, die daar tegenop komen. Een van hen, met een langdurige praktijk op dat gebied, zegt zelfs dat het nog nooit bij al die baby’s die hij behandeld heeft bij hem is opgekomen, dat één van hen geen levenskansen zou hebben! Dat heeft me diep geraakt.

Denn die einen sind im Dunkeln
 Und die andern sind im Licht.
 Und man siehet die im Lichte,
 Die im Dunkeln sieht man nicht.

Want ik was ook eens zo’n baby, 71 jaar geleden. Gelukkig niet in een heel ernstige vorm, en laag in de rug. De rug was nog wel gesloten, maar toch: er waren 5 wervels onvolgroeid en gedeeltelijk zonder kraakbeen. De behandelende arts zag het direct, omdat er een grote bos haar groeide op die plek. Tegenwoordig zou men snel gaan opereren, maar in die tijd had men daar de kennis en de middelen nog niet toe. Dat was dus maar gewoon afwachten. In alle dingen moest voorzichtig met mij omgegaan worden. De prognoses waren niet best: als ik de puberteit zou doorkomen, zou ik een klein manneke blijven, en ik kon maar beter niet trouwen… Ik mocht zeker niet aan sport doen en zware lasten tillen. Alle grote inspanningen moest ik vermijden enz.

Het duurde lang, eer ik liep, en ik was beslist niet sloom, eerder een wildebras. Op het Gymnasium liet ik mij bij het hockeyen tussen de doelpalen zetten, omdat ik eigenlijk niet mocht sporten en best wel een stevig postuur bezat. Daar heb ik eens mijn rug zo zeer mee belast, dat ik drie maanden plat moest liggen. Daarna heb ik nog jaren met een korset gelopen. M’n leven lang heeft de rug me parten gespeeld. Toen ik reuma kreeg ging het beter met de rug, omdat ik vanwege de reuma en de pijn die dat veroorzaakte de rugpijn minder voelde. Ik ging daardoor ook “rustiger” leven. En ziedaar: ik ben er 71 jaar mee geworden en heb 3 kinderen en 7 kleinkinderen gekregen!. De drie dochters moesten tijdens de zwangerschap extra “gevolgd” worden, omdat Pa een open rug had! Ik vond dit ergerlijk. En gelukkig zijn er velen met mij, die zich daaraan storen, getuige de vele ingezonden brieven die over bovengenoemde kwestie in de kranten verschenen zijn. Alsof gehandicapten geen levenskansen zouden hebben! Wie weet, maken ze wel meer van hun leven dan de zgn. “gezonde mensen”.

Pasen en Pinksteren op één dag

Pasen en Pinksteren op één dag

Schriftlezingen Psalmen 102, 1-12 en 24-29, Genesis 32, 22-31, Romeinen 6, 1-8

“Indien wij dan met Christus gestorven zijn,
Geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven!”
Romeinen 6: 8

Pasen en Pinksteren op één dag, dat kan toch niet! Niet in werkelijkheid natuurlijk, maar wel in je geloofsbeleving. Neem nou onze tekst. Daarin klinkt het Paasgebeuren nog na en tegelijk klinkt er ook al iets door van Pinksteren. De oude mens sterft en de nieuwe mens staat op.

Paasgeloof opent voor ons de hemel: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken! Wij wachten op het Leven, en de Heilige Geest brengt dat Leven. Dat alles is als ’t ware één gebeurtenis. Zo mogen we toch ons geloof beleven. Ja, dan bedoel ik ook echt beleven, er naar leven. Leer en leven moeten in elkaar overgaan, een eenheid worden. En niet zoals het bij ons vaak is: je weet wel wat het geloof leert, maar je doet er niet naar. Leer en leven liggen bij ons soms mijlen ver uit elkaar! Geloven met de mond, maar de daden… ho maar! Zó kan en mag het toch niet. Mensen zeiden vroeger: als het erts blijft liggen naast de smeltkroes wordt het nooit tot zuiver goud, het wordt eigenlijk nooit wat, zelfs geen doublé! Als wij niet heengaan door het proces van afsterving van de oude mens wordt de nieuwe mens nooit geboren. Pasen en Pinksteren moeten bij ons gaan samenvallen!

Dat zien we heel duidelijk bij Jakob in Genesis 32. Daar zien we een man sterven en opstaan. Jakob (‘bedrieger’) heet hij. Als hij opstaat is hij zulk een ander mens geworden dat de oude naam niet meer voor hem past en God hem een nieuwe naam moet geven: Israël, strijder Gods. Dat past voortaan beter bij hem!

De geschiedenis van Jakob kan ons iets leren, als we maar de moed hebben om in de spiegel te kijken. Nu gaat dat niet zo één twee drie. Een mens is niet ineens waar God hem brengen wil. Dit is vaak een lange en moeizame weg omdat wij zo hardleers zijn. Wij willen liever niet veranderen maar blijven graag zoals we zijn, zoals anderen zijn. We gaan mee met de anderen en willen geen uitzondering zijn. Maar soms worden wij tot de orde geroepen, door God, die ons examineert. En dan zakken we als een baksteen. Net zoals dat bij Jakob ging. Hij heette vroeger ‘hielenlichter’. Niet zo’n beste naam. De Bijbel verklaart het nog wel door te vertellen dat toen hij geboren werd als tweeling met zijn broer Ezau, hij toen de hiel van zijn broer vasthield. Later blijkt dat dat ‘hielenlichten’ ook met zijn karakter te maken had. Als je iemand bij de hiel pakt dan doe je dat om die ander te laten struikelen. Een beetje gemeen dus. Pootje lichten noemen we dat. Nou, daar had Jakob best aanleg voor, want dat blijkt uit verschillende verhalen die van hem zijn overgeleverd. Onze aanleg berokkent ons vaak moeilijkheden. Dat was bij Jakob ook zo. Hij zal er dikwijls ook zelf een hekel aan hebben gehad. Het merkwaardige is nu dat dat nou juist de punten en momenten zijn waarop God Jakob aangreep. Bij ons gebeurt dat ook. Je zou kunnen zeggen dat God van onze zwakheden een dankbaar gebruik maakt om ons te heropvoeden.

Jakob bedriegt zijn broer. Dat is nog tot daar aan toe. Die beer van een kerel, Ezau, kan immers best voor zichzelf opkomen. Maar later ziet hij er niet tegen op om ook zijn oude blinde vader te bedriegen. Dat is veel erger! Wat als een komedie begon eindigt dan als een tragedie! Ezau is vreselijk boos als hij merkt dat hij bedrogen is. Het eerstgeboorterecht is hem ontfutseld, een echt minne streek. En Jakob? Hij kan niet anders dan vluchten… Onderweg slaapt hij onder de blote hemel. Daar krijgt hij een wonderlijk visioen. God spreekt met hem, nog vriendelijk ook. Hij krijgt zelfs de belofte dat God hem niet zal verlaten. Een hele bemoediging voor onze vluchteling. Maar zou hij daardoor ook iets geleerd hebben? Heeft hij berouw gekregen? Belooft hij God dat hij zijn leven zal gaan beteren? Ik denk het niet. Natuurlijk, hij richt een gedenksteen op. Maar dat is alleen maar uiterlijk vertoon. Hij spreekt ook tot God en daarin klinkt zijn ware egoïstische aard door: “Als U mij bewaart en brood en vooruitgang geeft, dan zal ik U dienen…” Niet “ik, arme zondaar” maar “ik, flinke stoere kerel”. Jakob handhaaft zichzelf en gebruikt daarvoor God. Is dat bidden, is dat tot bekering komen?

Hardleerse man, die Jakob, en dat zal zo blijven. God heeft heel wat met hem te stellen! Naar buiten toe wordt zijn leven een groot succes: rijkdom, vrouwen, kinderen, niet te kort. Daar kun je jaloers op zijn ! Maar wat is de binnenkant? Eigenlijk alleen maar angst om zichzelf te verliezen. Daarom was hij er altijd op uit om zichzelf te handhaven. Zijn wij niet ook zo? En als we er God bijhalen, dan toch alleen dan als wij zelf niet verder kunnen. Hij mag wel met ons gaan, maar alleen om ons te helpen en te zegenen… De vraag is echter: zijn wij ook bereid met Hem te gaan?

Dan is het 20 jaar later. In zo’n lange tijd heeft een mens toch heel wat kunnen leren, zou je zeggen. Bij Jakob zien we dat niet, tenminste niet datgene wat God hem had willen bijbrengen. Bij Ome Laban was het leven goed. Toch moest het volgens Jakob nog beter, steeds maar weer beter… Zo was hij altijd druk in de weer om plannetjes te smeden voor zichzelf. Tenslotte kreeg hij heimwee naar huis. Alles werd bij elkaar gepakt, karavanen vol. Hij is best ook wel een beetje bang: hoe Ezau hem zou ontvangen. De spookbeelden van het verleden. Die kunnen een mens behoorlijk in de war maken. Misschien had hij ook last van een midlifecrisis: wat is er van mijn leven geworden? Wat is er uitgekomen van al die idealen? Het verleden grijnst Jakob aan…

Nu komt hij bij de beek Jabbok. Iedereen is er over, hij blijft alleen achter. Hij zoekt de eenzaamheid. En in die eenzame nacht waarin Jakob vecht met zichzelf, vindt de worsteling plaats met God. Hier maakt Jakob die geestelijke ervaring door die duizenden na hem gemaakt hebben. God houdt zich alsof Hij verder wil gaan. “Laat Mij gaan, Jakob, laat Mij gaan, want de dageraad is gekomen.” Maar Jakob kon God toch niet laten gaan zolang de dageraad hem zelf het licht niet had gebracht. Het licht waar zijn hart naar schreeuwde! Een genadige God. Zoals Luther zich later ook afpijnigde in zijn zoektocht naar een genadige God.

Er komen ogenblikken in ons leven waarin God doet alsof Hij ons prijsgeeft. Denk aan Jezus in de storm op zee. De discipelen waren in doodsangst, maar Jezus sliep. Jakob had aan zichzelf altijd genoeg gehad. Wij ook, altijd met ons zelf bezig. De handhaving van ons zelf, van die oude mens in ons. En dan komt God en zegt: doe ’t dan maar met die oude mens, red je zelf! Je kunt het toch zo goed? Je bent toch zo’n slimmerd, Jakob? Doe ’t maar zonder Mij. En dan blijkt hoe hopeloos je er voor staat en dat het niet gaat zonder Hem.

“Willen jullie ook maar niet liever weggaan?’ vraagt Jezus aan Zijn discipelen als iedereen Hem verlaat. En dan komt de bezinning, eerst bij Petrus: “Tot wie anders zouden wij gaan?” Wat is het leven zonder Jezus? ’t Is een schreeuw uit de diepte! Ik hoor ’t Jakob uitschreeuwen: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!” Zonder Hem is ons leven echt een zinkend schip. Maar vaak moet er veel gebeuren in ’s mensen leven eer hij dat bekennen wil. Eer je die oude mens in je kan prijsgeven om God aan te grijpen. Hem nooit meer loslaten, wat er ook gebeurt, al zou je ook met Hem moeten lijden en sterven… In Zijn dood vinden wij het leven.

Toen werd het voor Jakob Pasen en Pinksteren ligt voor hem in het verschiet. Nee, eigenlijk is het voor hem ook al Pinksteren: het nieuwe leven gaat beginnen! Hij krijgt een nieuwe naam en wordt een nieuw mens. En de geschiedenis eindigt zo mooi: “En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was.” Pniël: aangezicht van God. Jezus. Hij zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.”

Voor Jakob was toen de duisternis voorbij. Na die donkere nacht kwam voor hem echt de dageraad, als voorbode van de nieuwe dag, voor nieuwe mensen, die leven met en voor God. Dan mag je hinkend achterblijven, dat geeft niet. Het is Pasen en Pinksteren geweest, op éénzelfde dag, in één zelfde nacht. Aan God heb je dan genoeg.

Een man die hinkend zijn weg gaat, zoals Paulus een doorn in z’n vlees had, en u en ik weer wat anders hebben. Een man die hinkend zijn weg gaat, maar die aan God genoeg heeft.

Amen.                             

Herinneringen aan de Julianakerk in Haarlem

De Julianakerk in Haarlem – Schoten functioneert al lang niet meer. Al in 1978 was er sprake van dat de kerk moest worden afgestoten. Jaren later heb ik wel eens gedacht: als ik in Haarlem was gebleven, was het misschien niet gebeurd. Toch denk ik dat ook ik het niet had kunnen tegenhouden: de financiële noodzaak was te groot. Het gebouw is toen opgekocht door een projectontwikkelaar die er woningen in heeft gemaakt. Zelf heb ik dat nooit meer gezien.

JulianakerkDe Julianakerk in Haarlem – Schoten functioneert al lang niet meer. Al bij mijn afscheid in 1978 was er sprake van dat de kerk moest worden afgestoten. Jaren later heb ik wel eens gedacht: als ik in Haarlem was gebleven, was het misschien niet gebeurd. Toch denk ik dat ook ik het niet had kunnen tegenhouden: de financiële noodzaak was te groot. Het gebouw is toen opgekocht door een projectontwikkelaar die er woningen in heeft gemaakt. Zelf heb ik dat nooit meer gezien.

Toch mag hij – vind ik – niet in vergetelheid geraken! Vele Haarlemmers en oud-Haarlemmers zijn met de Julianakerk opgegroeid. Zij zijn daar gedoopt en hebben er Belijdenis gedaan en zijn misschien ook wel van daaruit begraven. Zelf heb ik er ook 5 mooie jaren in beleefd: van 1973 tot 1978. Daarom ga ik nu een aantal prachtig gedichten weergeven die ouderling Bergsma heeft gemaakt. Een aantal daarvan heeft hij bij mijn afscheid voorgedragen.

De Julianakerk
De tijd gaat snel;
dat weet u wel.

Zo is ’t al weer tien jaar geleden
dat we hier het jubileum deden
van ’t ons vertrouwde kerkgebouw,
gesticht door onze pastor Blauw
in jaren van een wereldbrand,
toen hij als Schotens predikant
met anderen van mening was,
dat op de plaats van ’t groene gras
een plaats van vrede mocht gesticht,
opdat ook hier Gods aangezicht
zou zichtbaar worden door het Woord
voor heel het volk van Haarlem-Noord.

De luidklok
Nu al sinds zestig lange jaren,
of wij er wel of nee niet waren,
werd elke zondag hallef tien,
men kon dat op d’eigen klok wel zien,
het bim-bam, kom-dan, fors onttrokken
aan ’t klinkende metaal der klokken,
die boven in de toren hangen.
heel vroeger kon men niet verlangen
dat ’t klokgelui vanzelf ging komen.
Men greep het touw en ging maar dromen
van neer en op en op en neer.
zo hoorde ieder telkens weer:
bim-bam, kom-dan, toef toch niet langer,
zeg eind’lijk ja tot deze zanger.

Dit geldt nog elke men en vrouw,
al is ’t niet meer een klokketouw
waaraan getrokken worden moet;
’t Is nu de koster, die het doet
doormiddel van een schakelaar:
’t Is in een oogwenk voor mekaar;
hij draait de knop slechts even om,
het bim-bam, kom-dan, bim-bam, kom
gaat bei’ren over daken heen,
’t Slaat niemand over, echt, geen één.

De honden
Het lijkt wel of de lieve hondjes
Het spul bewaren in hun kontjes
Tot daar is onze zondagmorgen,
Om er dan hoopvol voor te zorgen,
Dat prompt voor beide kerkdeuren,
Verzeild van fijne hondengeuren,
de hoop er mooi wordt neergelegd:
Misschien bedoeld als voorgerecht?
Zo moet dan op de zondagmorgen
De koster met een bezem zorgen,
Dat onze kerkgangers niet lopen
In andermans hondenhopen.

Nóg beter zou het zeker wezen,
Als de hondekens het konden lezen:
“Mijdt alstublieft de kerkenstoep,
Als je kwijt moet je hondenpoep;
Doe ’t liever, als ’t dan tóch moet,
Maar thuis, in de baas z’n hoed.”

En tóch, het is maar van de honden,
Stel je voor, dat w’eens wat anders vonden!

Solisten
We hebben hier ook wel genoten
Van veel geroemde tijdgenoten.
‘k Herinner u aan Wim Ravelli,
Die naast het orgel de rebellie
Van ’t eerste mensenpaar bezong,
Omdat het tussen hen al wrong.

’t Was op een avond, drie november,
In zevenenzestig, vóór december,
Dat Aafje Heynis ons vergastte
Op schone zang, onder de vaste
Begeleiding van de organist,
Die met zijn spel van wanten wist.
En deze kerk, van vloer tot piek,
Herbergt een fijne akoestiek.

Het kerkkoor
Het is beslist ’t vermelden waard,
Dat ’t koor, al werd het wel bejaard,
Geboren is in oorlog-twee,
Om samen, ondanks wereldwee,
Gods grote goedheid te bezingen,
Te danken voor Zijn zegeningen.

Het koor zong beurt’lings ginds en hier,
Meestal eens in de week of vier.
Ook treedt het op in ’t ziekenhuis,
Maar ’t kwam tot nu toe niet op de buis.
Dat zal nog wel eens gaan gebeuren,
Als we er maar niet te veel om zeuren.

Van Mech’len was de sterke man
Tot Harmen Klaver ’t overnam.
’t Koor is nu aan verjonging toe:
Wanneer zal dochter met haar moe
En zoonlief met z’n flinke pa
Zich melden in de school-aula
In d’Overtonstraat bij het koor,
Dat ’s woensdagsavonds, altijd door
De liederen goed instudeert?
Bij Harmen Klaver wordt geléérd!

Het orgel

Het uiterlijk van ’t instrument?
We zijn er nu wel aan gewend.
Maar wat ons altijd erg bekoort
Is de muziek die je er uit hoort.
’t Maakt wel verschil wie ’t moet bespelen
Ter begeleiding van ons kwelen;
Maar één ding moeten we niet vergeten:
Dit orgel is nog niet versleten.

De organisten doen hun best;
Elk één van hen komt uit een nest
Van meer of minder maatgevoel,
Maar dienen allen ’t zelfde doel:
“Laat iedereen Gods goedheid prijzen,
Zijn lof gestaag ten hemel rijzen.”

Wat kan het ons dan verder schelen
Wie op dit orgel zit te spelen.
De één zal ’t hevig laten kreunen,
De ander laat het liever steunen,
De derde lust het te doen zingen
Als was het één der hemelingen.

Ze dienen allen ’t groot bedoelen,
Als wij dat ook maar willen voelen.

De gesloopte spits van de Julianakerk in Haarlem
De gesloopte spits van de Julianakerk in Haarlem

Het haantje van de toren
Het wachten is op hem of haar
Die, als ’t even kan , nog in dit jaar
De haan bij ieder ochtendgloren
Kan horen kraaien van de toren:
“Ku-klu, heb dank voor ’t gulle geven
Van zoveel poen voor draaiend leven.”

Als u wilt weten van de kosten,
Die wij destijds betalen mosten
Voor ’t van de toren af te halen
Van haan en de verrotte palen:
Ruim drie en twintig honderd gulden,
Die eens de kerkekas nog vulden.

En zal de haan weer koning kraaien,
Dan moet u maar eens gaan rajen,
Wat u mag geven voor dat werk.
Wat let u toch? ’t Is voor de kerk.

Eén stille wens heeft haan nog wel,
’t Geeft u misschien wel kippevel:
“Zet naast mij, boven op de stip,
’n Vergulde en goedlegse kip.
Die legt dan na het klokkebeieren
Uw kerkvoogdij vergulde eieren.”

De banken en de stoelen
’t Is zowat zestig jaar geleden,
Dat Blauw en wie het met hem deden
De kerk voorzagen van de banken,
Waarop voortaan de mens zou danken
Voor vele véle zegeningen,
En ook Gods lof er op zou zingen
Met tien-, met twintig-, honderdtallen
Van hen die kwamen binnenvallen.

Maar toen de banken niet voldeden
Aan wensen van de overheden
Van deze kerk, werd tijdens Scheers
De zaag gezet in iets heel teers.
De lange banken in het midden
Werden gekortwiekt, want het bidden
En zingen en luist’ren en danken
Kon net zo goed in korte banken.

’t Werd allemaal wel veel gemakker,
En eind’lijk was het voor de bakker.
Er kwam zo véél verandering,
Maar ’t was voor velen een goed ding,
Dat de korte banken links en rechts
Hun stand verlieten, zodat slechts
Maar weinig mensen bleven klagen ,
Dat men ze niet had moeten zagen.

Het zat nóg Veenendaal niet goed:
Hij wil wel zeggen hoe het moet.
“Als we de banken doen verdwijnen,
Verdwijnen ook die nare pijnen
Van ’t zitten op de harde bank,
Een uur na ’t opstaan van die plank”.
Hij had een plan: “we kopen stoelen,
Die trouwens ook naar mijn gevoelen
Kans geven tot meer moog’lijkheden
En….dán is alle leed geleden”.

Zo sprak dominee Veenendaal;
Maar hij ging heerlijk aan de haal
Naar Vorden in de Achterhoek,
Dus raakte ’t stoelenplan weer zoek.
Tot na de komst van pastor Kroes
De werkgroep na gekonk’lefoes
Naar plan van Veenendaal’s bedoelen
Aanschafte honderdzestig stoelen.

We hebben nu een ratjetoe,
Maar niemand zeggen: “ik word moe
Van ’t zitten op een bank of stoel”.
We zijn hier immers met een doel?
Het toeven in de kerk is fijn,
De stoel of bank doet ons geen pijn,
Als van de kansel klinkt de stem
Van dominee die namens Hem
Die in de hoge hemel troont
Tot u die hier de aard bewoont
Zegt: “zoek Mij, omdat Mijn groot geduld
U zoekt tot gij Mij vinden zult”.

De klok
Een toren zonder klok is kreupel,
een onding voor het gans gepeupel.
Wat is een klok, die niet de tijd
vertelt aan hem, die loopt of rijdt?
Op zondag of ook in de week
Rond deze straat of in de streek?

Het was niet immer zo gesteld;
de klok heeft steeds de tijd vermeld.
Maar sinds de kerkvoogdij is blut,
is ’t klokkewerk maar ingedut.

Wie brengt de wijzers weer op gang?
Wie voelt van binnen zware drang
z’n geld te off’ren voor de kerk:
’t herstel van ’t mooie klokkenwerk?

Intussen is de fout gevonden:
De klok moest worden opgewonden!

De oude tijd
Tracht u eens voor de geest te halen,
u hoeft niet zo ver af te dalen,
dat Schoten als een randgemeente
misschien wel rust op het gebeente
van vriend en vijand uit de tijd
van tachtig jaren haat en nijd.

’t Was toch wel drie vier eeuwen later,
dat tot de rand van ’t Spaarnewater
het vee van talloos vele boeren
het groene gras zich hier liet voeren.

Ook kwam een tijd van and’re aard:
de tram, getrokken door een paard,
moest van de rails, omdat de stoom
haar intree deed en niet zo loom
als eens het paard met de koetsier,
de wagens trok van ginds naar hier.

En nog veel later kwam de bus,
de tram was toen al zestig plus.
De bussen zie je overal
behalve langs de Spaarnewal.

De dominee
Een maand na pastor Veenendaal
Kwam uit een Wijk, diet aan de Waal,
De dominee met zijn gezin
Van man en vrouw en hun gewin.
Hoewel in Waalwijk goed geboerd
En in ’t rayon flink rondgetoerd
In een mooi’ en snelle wagen,
Kwam Schoten het beroep aandragen,
Nadat acht man in tweemaal vier
Hun licht verstrekten in ’t vizier
Van pastor Kroes en ook zijn vrouw,
Die na beraad, het was al gauw,
Liet weten, dat ze zouden komen
Van Brabant naar de Spaarnezomen.

En dat ging zo:

Het was, nog geen vier jaar geleden,
Dat vier van ons naar Baardwijk reden.
Wat zegt u? Waalwijk? Ja, dat dacht ge,
Maar die Zondagmorgen bracht ge
De Boodschap in de kleine kerk
Van Baardwijk, waar uw kerk’lijk werk
Ook lag, naar ‘k meen, als consulent,
Dat weet ik niet zo pertinent.
U zou daar een’ge kind’ren dopen;
Dat moest ons vieren dus wel nopen
Een plaats te zoeken in een bank,
Waarin we, tegen wil en dank,
Wel nauw en zeer verlegen zaten,
Maar… we hielden u goed in de gaten.
We waren immers hier gekomen
Om u, vergeef, te horen bomen.

Er kwam aan deze dienst een einde,
Wij zelf kwamen van ver en heinde.
Dus togen wij door ’t hek naar buiten
Om daar wat later af te stuiten
Op dominee, die met zijn koffer
Toen wel al dacht: ik word een boffer;
Al bijna zeven jaren hier,
’t wil ook wel eens wat meer plezier.
Ik hoop maar, dat ze mij gaan roepen,
Waarom toch anders die hoorgroepen?

“Bent u ’t gespuis uit Haarlem-Schoten?
En… hebt u van mijn preek genoten?
Zo ja, rij mij dan achterna,
Misschien zeg ik meteen wel “ja”.

Enfin,’t was niet zo heel veel later,
Dat dominee, zo vlug als water,
In Schoten al kwam kennismaken,
Om goed met ons bekend te raken.
Hij heeft het toen wel goed bekeken,
’t hier met een circus vergeleken,
Want zei hij (’t klonk niet zo vroom):
De kerk lijkt wel een hippodroom!

’t Is sedertdien wel uitgekomen:
’t Is hier geen kerk alleen voor vromen.
Dit klonk niet erg serieus,
We namen u maar bij de neus.

De predikanten
‘K Wil u nog wel de namen geven
Van hen, die met hun werk verweven,
Hier van de hoge ruime kansel,
Uitpakten wat eerst in hun ransel
Tevoren goed was ingepakt,
Opdat, wie waren ingezakt,
Door ’t prediken van Gods genade
Hun accu weer óp konden laden.

Dat was dan eerst met pastor Blauw,
Ja, Van der Voet, die hier al gauw
Bemind was in de hele wijk;
Dan volgde Drost, de rederijk;
Al mocht u hem ook nog zo graag,
Hij was op doorreis naar Den Haag.
In de oorlog kwam Henk van der Loos,
Hij had figúúr als destijds Moos.
Een luttel aantal jaren later
Kwam Gradus Koch, belust op water,
Want hij was dol op hengelvissen,
Maar kon z’n kerkvolk toch niet missen.
We kregen ook hier doctor Scheers;
’t Beginsel van verdeel en heers
Was verre van z’n aards bestaan;
Hij had het ook niet graag gedaan.
Jan Veenendaal kwam op de proppen,
Om hier z’n boontjes te gaan doppen.
Na tien jaar trok hij weg naar Vorden,
Om daar de toga aan te gorden.
We hadden ook nog Bas Vermaat
Daar ginds in de Van Egmondstraat.
Na hem trok Monshouwer hier heen;
Of hem dat nu al spijt? Welneen!
Tenslotte kregen we Philip Kroes
Met vrouw en kind’ren, hond en poes.

Zo daad’lijk ziet u ze allemaal:
Dit is het slot van het verhaal.

En nu?
Ondanks ’t bestaan van zestig jaren,
Die niet altijd zo vruchtbaar waren,
Is Schoten op het punt gekomen
(besluiten zijn nog niet genomen),
Dat binnen niet te lange tijd,
Tenzij de kerk opnieuw gedijt,
Een kerkgebouw moet zijn gesloten,
Ook wel genoemd: werd afgestoten.

Welk kerkgebouw zal dat dan zijn?
Denk er goed om, dit is geen gein!
De Gemeente heeft twee Godsgebouwen,
Maar ’t zou ons werkelijk benauwen,
Als hier of in de Egmondstraat,
Een kerkgebouw verloren gaat.
De Kerkvoogdij doet goed haar best:
De wal; keert toch ’t schip op ’t lest!

Tenslotte
En nu, na al deez’ referaten
(erg flauw, hebt u dat in de gaten),
Zou ik nog wel iets willen zeggen,
Om dat voor állen neer te leggen:

“Met krant en kauwgum, rommelmarkten,
Waar we veel geld mee samenharkten,
Blijft onze kerk nog niet in stand.
Dát doet de grote Commandant,
Die wil, dat wij met allen samen
Hem eren, dienen, ik zeg: Amen.”

In het archief vond ik nog enkele krantenknipsels die ik u bij deze graag wil doorgeven:

julianakerk_haarlem_10_th

img486 - kopie

img488 - kopie

 

Zeventig maal zeven maal

Zeventig maal zeven maal

Mattheüs 18 21-35

Hoeveel keer moet ik vergeven, Heer? Zeven maal? Dat is toch best heel veel!

dorpskerk VierpoldersDe meeste mensen kunnen nog niet één keer vergeven. Moet dat nou echt, zeven keer? Als U eens wist, wat ze me hebben aangedaan, wat een verdriet… O God, zeven maal vergeven? Wat zegt U? Niet zeven maal? Nog meer? Zeventig maal zeven maal? Dat kan toch nooit, daar is toch geen beginnen aan! ALTIJD vergeven. Dat houdt een mens toch niet vol! Er komt toch eens een einde aan je geduld. En de liefde kan toch niet altijd van één kant komen…

Gemeente, Jezus zegt: “Wie veel vergeven is, heeft veel liefde.” Dat slaat op God, die veel vergeeft aan ons mensen. Waarom wij veel liefde moeten hebben! De liefde komt dus inderdaad van één kant. In de eerste plaats van Gods kant, maar dan ook van ónze kant. Zo zou het moeten zijn. En dan kan een mens ook vergeven.

Om dit duidelijk te maken vertelt Jezus van een koning die afrekening houdt met zijn slaven. Er is er één bij die een machtige positie innam in het koninkrijk. Hij was als ’t ware de bedrijfsleider, de manager. Hij had de organisatie in handen en runde ook de financiële kant van het bedrijf. Dat het geld goed werd besteed en dat het bedrijf winst maakte. Maar dat was niet goed gegaan. Miljoenen waren besteed aan zaken die niets hadden opgebracht. Hij had niet voorzien dat de aandelen zouden instorten en de conjunctuur zou instorten. En zo had die slaaf opeens een schuld van 10 duizend talenten aan zijn meester. Dat is een heleboel geld. Omgerekend naar de huidige maatstaven wel een miljard Euro.

Wat gebeurt er nu met die man die zoveel schuld heeft? Hij moet terug betalen, natuurlijk. Maar daartoe is hij niet in staat. Als ze alles zouden verkopen dat hij bezat, zouden ze toch niet verder komen dan een paar honderd duizend Euro. Blijft hem maar één ding over: z’n excuus aanbieden en om vergeving vragen. Hij valt op de knieën voor de koning en zegt: “Heer, heb toch geduld met mij, ik zal m’n uiterste best doen om veel geld te verdienen en u later alles terug te betalen!”

En de koning krijgt medelijden. Hij weet dat er maar één oplossing is: dat hij de schuld overneemt. Hij is de enige die zo’n groot verlies kan dragen zonder er aan te gronde te gaan. De slaaf mag opstaan en als een vrij man heengaan.

Een mooi verhaal, vindt u niet? Ja, maar toch… Je schrikt wel even. Het is geen vrijblijvend verhaal. Als Jezus het vertelt, kijkt hij daarbij ook ons aan. Ben jij soms die manager, die ’t allemaal zo goed dacht te kunnen maar ondertussen schuld op schuld laadde? Bent u ’t soms, die zo verschrikkelijk door de mand valt bij de afrekening voor de grote Baas? Wat dunkt u dat we hem schuldig zijn?

Voor ons egoïsme en onze ondankbaarheid? Vele miljoenen. Voor onze schijnheiligheid, voor ons kleine geloof, dat we ons schamen over ons geloof, voor onze liefdeloosheid en ga zo maar door. Vele vele miljoenen. Een sterk oplopende reeks! Voor de verkeersdoden, de martelingen van mensen en dieren, overal in de wereld, het onrecht dat gedaan wordt, de aanslagen die gepleegd worden, de hulp die te laat kwam in New Orleans, de onvrede tussen Joden en Palestijnen, de genocides in Afrikaanse landen, en weer kunnen we doorgaan, een eindeloze reeks! Allemaal miljoenen schuld. Bij elkaar wel meer dan een miljard.

En dan hebben we ’t nog niet eens over je persoonlijke zonden, familieruzies, relatieproblemen, onderdrukking, hoogmoed en alles wat daaruit voortkomt. Misschien dat u zegt: ja, maar, ik toch niet? Ik heb nooit ruzie gemaakt, nooit een dier of mens tekort gedaan, altijd netjes gereden in het verkeer, ik rook niet, ik drink niet, altijd keurig opgepast, m’n bijdrage gegeven in de collectes enz.

Dat zal zeker wel. Maar stelt dat nou echt iets voor? Dat is toch peanuts tegenover al die rampen die over de wereld gaan en waar mensen schuldig aan zijn, ook jij! Wij ontkomen niet aan de grote schuld, die als een vloek op de wereld ligt. Ieder heeft daar z’n deel aan. De 10 duizend talenten van de bedrijfsleider zijn opgebouwd uit allerlei kleine beetjes, ook die van mij en van u.

Hoe onvoorstelbaar is het dat de koning alles zo maar kwijt scheldt?

Wat een schitterend verhaal! Ja, als ’t hier stopte. Maar het verhaal gaat verder. De mensen gaan de kerk uit, verzadigd en verkwikt… Alle zonden vergeven, de Heilige Geest gaat met je mee, alles lacht je toe. Maar dan kom je die buurman tegen aan wie je zo’n geweldige hekel hebt. Of je krijgt woorden met je kinderen of ouders. Je ziet op tegen de dag van morgen, omdat je weer moet samenwerken met vervelende mensen.

Net als die manager die buiten iemand tegen komt die hem nog geld schuldig is. Wie weet hoe lang al! Maar nu zal ie hem eens daarover aanspreken. Dat is toch geen manier om iemand zo lang op z’n geld te laten wachten! Hij pakt hem bij z’n schouder en zegt: “Nu betalen, anders…” Gelukkig hoort de koning daarvan en hij roept z’n manager tot de orde. “Slechte slaaf, al die schuld heb ik u kwijt gescholden, daar gij het mij dringend had gevraagd. Had ook gij geen medelijden moeten hebben met uw medeslaaf, zoals ook ik medelijden had met u?” En zijn meester werd toornig en gaf hem in handen van de folteraars, totdat hij hem al het verschuldigde zou betaald hebben. Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broeder, van harte vergeeft. (vers 35)

Het vergevingswerk is over en weer. Daar zit een wederzijdse verplichting in. Als wij er van mogen uitgaan dat God ons de zonden vergeeft, moeten wij elkaar dan ook niet vergeven? Zoals wij bidden in het Onze Vader: “zoals ook wij vergeven onze schuldenaren”. Gods vergeving heeft alles te maken met de gang van Jezus naar Golgotha, met zijn kruis. Hij stierf voor onze zonden. Hij zei toen: “Het is volbracht”. De grote wijsgeer Pascal heeft daarbij aangetekend: dat Jezus in doodsnood zou zijn tot aan het einde der wereld. “Het is volbracht”, dat is dat God onder ongelooflijk lijden is ingedaald in deze gebroken wereld tot waar Hij blijvend -deze hele wereld lang- genadige en vergevende gemeenschap kan hebben met zondige mensen. “Het is volbracht” betekent: het grote vergevingswerk kan voortgang vinden; mensen worden geroepen om dat goddelijke werk onder Gods leiding en zegen voort te zetten. In zondaren kan de Heilige Geest worden uitgestort, mensen worden nieuw, de grote man speelt niet meer mooi weer met meneer’s centen en de kleine man wordt niet meer uitgeperst, mensen hoeven niet meer te leven in het “oog om oog, tand om tand”, leer om leer… Want ze mogen leven in Christus, dat is in de voortdurende gemeenschap met de vergevende God. En wij mogen met Hem uitzien naar de nieuwe wereld, waarin mensen anders met elkaar zullen omgaan, en waarin God zal zijn alles in allen.

Dan zal er niets meer te vergeven zijn!

Maar zo lang die nieuwe wereld er nog niet is, blijft het antwoord van Jezus: “Ik zeg u: niet 7 maal, maar zeventig maal zeven maal”. Zeven is het heilige getal van de goddelijke volheid, zeventig gaat daar nog boven uit! Dat wil dus zeggen, dat zeventig maal zeven maal de meest overtreffende trap is van ‘vol’. Dus, zeggen wij: ALTIJD.

Doen we dat niet, dan zal het donker worden in ons leven. Want vergeven kunnen is de kracht- en warmtebron van onze levenslamp. Vergeven we niet, dan komt er pas ook goed pijn in ons leven, onverwerkte brokstukken van iets dat zo goed had kunnen zijn maar dat voorgoed kapot is… Noem het de handen van de folteraars, de eeuwige kwelling die ons niet met rust laat.

Laat dat een waarschuwing voor ons zijn. Een waarschuwing die nooit te vroeg, maar wel eens te laat zou kunnen komen. “WANT ALZO ZAL OOK MIJN HEMELSE VADER U DOEN, INDIEN GIJ NIET, EEN IEDER ZIJN BROEDER, VAN HARTE VERGEEFT.”

Amen.

Preek gehouden in Vierpolders op 11 september 2005

Jezus en de Wet II

Allereerst heeft Jezus het oorspronkelijke karakter van de Wet als ‘aanwijzing’ hersteld. In de Bergrede stelt Hij het ethische ideaal zo hoog, dat niemand er aan kan beantwoorden. “Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe.” Wie speelt dat klaar?

Allereerst heeft Jezus het oorspronkelijke karakter van de Wet als ‘aanwijzing’ hersteld. In de Bergrede stelt Hij het ethische ideaal zo hoog, dat niemand er aan kan beantwoorden. “Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de andere toe.” Wie speelt dat klaar?

Jezus zelf in elk geval niet blijkens Joh.18,23. Maar dit is ook niet de bedoeling van deze woorden. Nergens geeft Jezus concrete, handzame ethische voorschriften. Hij geeft alleen de richting aan…

(uit “Het verlossende Woord” van Gijs Bouwman)

Mijn herinneringen aan de Noorderkerk in Haarlem – Noord

Mijn contact met en dus ook herinnering aan de Noorderkerk begon in 1959 toen ik daar als leervicaris stage mocht lopen van januari tot april. Mentor was de wijkpredikant ds. Bijl. In de eerste week van mijn stage heb ik zelfs nog gelogeerd in de pastorie aan de Verspronckweg. Er was een plaatsje voor me gemaakt op de gang. Want het was druk in het huis, er was een grote dochter die mooi zingen kon en de bekende organist Klaas Bolt woonde er toen ook.

NoorderkerkMijn contact met en dus ook herinnering aan de Noorderkerk begon in 1959 toen ik daar als leervicaris stage mocht lopen van januari tot april. Mentor was de wijkpredikant ds. Bijl. In de eerste week van mijn stage heb ik zelfs nog gelogeerd in de pastorie aan de Verspronckweg. Er was een plaatsje voor me gemaakt op de gang. Want het was druk in het huis, er was een grote dochter die mooi zingen kon en de bekende organist Klaas Bolt woonde er toen ook. Ik kan me nog goed herinneren wat een indruk ’t op me gemaakt heeft toen Klaas mij het orgel in de St. Bavo liet zien en een fuga van Bach ten gehore bracht. Ik was toen al een groot bewonderaar van Bach! Allemaal heel gezellig. Toch was ik blij dat er na een week een allerliefste dame gevonden werd op de Engelszstraat die zich over mij wilde ontfermen. Bij deze mevr. Fredriks ben ik 3 maanden gebleven. Als afscheid kreeg ik een schilderij van haar man, een bekende schilder, die in de oorlogstijd is omgekomen. Het hangt nog als pronkstuk bij ons aan de muur: een prachtig stilleven. Aan die tijd bewaar ik -bewaren wij, want mijn vrouw is er ook vaak geweest- dierbare herinneringen. Mevr. Fredriks kon geweldig koken en was zo gastvrij dat we er vergaderingen van jonge lidmaten en catechisanten konden houden, uiteraard met koffie en zelf gebakken cake of appeltaart. We hadden toen een jonge lidmatenkring opgericht met de veelzeggende naam KLINK = Kring LIdmaten Noorder Kerk. Je kon daarbij natuurlijk ook denken aan een deurklink waarmee (kerkelijke!) deuren geopend werden. Vooral de deur tot geloof en de Kerk had onze belangstelling. Maandelijks gaven we een eigen contactblad uit, eigenhandig gedrukt op zo’n ouderwetse stencildoos waarop ik beslag had weten te leggen. De Noorderkerk was toen een florerende wijkgemeente met stijl. Je voelde het als een eer als je daar mocht preken! Vaak gingen er beroemde predikers voor zoals Professor Rasker. Zelf mocht ik er de Openbare Belijdenisdienst leiden.

In 1973 kwam ik weer in aanraking met de Noorderkerk omdat ik toen predikant werd in de aangrenzende wijkgemeente van de Julianakerk. Dat was een wereld van verschil! Kon je de Noorderkerk nog in zekere zin een deftige wijk noemen (het Kleverpark!) en ook een beetje elitair met zijn liturgische stijl van viering, de Julianakerk was maar heel gewoontjes. Die stond ook in het midden van de Indische buurt, waar het ‘gewone’ volk woonde. Dat had best nog wat voeten in de aarde toen in 1976 het plan ontstond beide wijken samen te voegen, uit financiële noodzaak. Er was ook een verschil in mentaliteit. In de Julianakerk werd kauwgom gepeld om het hoofd boven water te kunnen houden. Maandelijks werden daar ook zgn. Allemansdiensten gehouden met Teke Bijlsma, de organist en prachtige koren en solisten. Ik noem enkele namen: Marco Bakker, Gerrit van Slooten, Wim Sevinga, Anton Kiel en Harmen Klaver. Na afloop ruimde de kosteres dan op blote voeten de rommel op. Zoiets kon je je in de Noorderkerk gewoon niet voorstellen! Toch hadden we van meet af aan een goede samenwerking. In de jaren 1977/8 mocht ik zo’n veertig maal voorgaan in de diensten.

Het was voor mij ook gedeeltelijk oude herinneringen ophalen. We hadden een actieve kring medewerkers, waaronder het kosterspaar, kerkenraadsleden en de organist Anton Kiel.

Het was ook een tijd dat er openheid kwam naar andere kerken . Zo bewaar ik goede herinneringen aan de machtige ‘Klopper‘ die enkele jaren geleden zo dramatisch is afgebrand waarbij enkele brandweermensen zijn omgekomen. Door kanselruil ging ik daar wel eens voor. Ik denk ook aan die ene keer dat wij in de wijk bij onze katholieke zusters en broeders te gast waren om samen het Heilige Avondmaal (de Eucharistie) te vieren. Laat bisschop Punt ’t maar niet horen! Het leek wel de gelijkenis van Jezus: de wijn raakte op. Toen ik dat zag aankomen zei ik tegen de koster: “Toe, vul nog eens bij!” Waarop de koster verschrikt antwoordde: “Maar dat gaat zo maar niet, dominee.” Ik weer: “ja wel, want ik heb nog zeker 10 flessen in de consistorie zien staan.” De koster: “Ja, dat is waar, maar die zijn niet geconsacreerd.” We hebben het toen maar verder zonder wijn gedaan.

De laatste keer dat ik in de Noorderkerk voorging, was in 1999.

Nu kerken er andere mensen, van de Pinkstergemeente, gelukkig maar.

Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed

Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed

2 Korintiërs 5

Je hebt optimisten en pessimisten in het leven. De één ziet altijd alles even rooskleurig,
de ander maakt van elke mug een olifant, ’t is altijd zuchten en klagen en doffe
ellende. De één jubelt en ziet altijd de zonzij… de ander klaagt en ziet zelfs bij het helderste
zonnetje nog donkere wolken.

In de Bijbel kom je dit verschil in levensinstelling ook tegen. De Prediker lijkt
op een pessimist, als hij zijn boek begint met: “IJdelheid der ijdelheden! Alles
is ijdelheid! Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich
aftobt onder de zon?” En de dichter van Psalm 103 is een grote optimist, als hij ’t uitzingt: “Loof de
Here, mijn ziel, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel
verzadigt met het goede.” Zo lijkt Job op een pessimist, als hij de dag vervloekt, waarop hij geboren werd.
En de dichter van Psalm 8 is een echte optimist, als hij de mens bijna goddelijk
noemt.

In de werkelijkheid van het dagelijkse leven kennen we dat ook allemaal: soms zit
je in de put, soms lacht alles je toe. Net naar de omstandigheden. Wij worden wat
heen en weer geschommeld. Toch zou het niet goed zijn, als we ons door de omstandigheden
lieten leiden, tenminste dat vindt de apostel Paulus! Een vaste houding, daar komt
het op aan in het leven. De tekst uit 2 Kor.5 maant ons daartoe: “Daarom
zijn wij te allen tijde vol goede moed!”

Vol goede moed, wandelend door de bergenKan het zelfverzekerder?

Wij zijn vol goede moed, zegt de apostel. Wij durven het leven aan met al zijn schommelingen,
zijn beslommeringen en zorgen, zijn raadsels en moeiten. En wij laten het niet toe,
dat onze blijdschap en geluk ons ontnomen wordt door wie en wat dan ook. Wij durven
de strijd aan, tegen leed en onrecht, teleurstellingen en
tegenvallers. Wij durven het op te nemen tegen onszelf, ons twijfelende geloof
en ook slechte eigenschappen als egoïsme en
jaloezie. Ja, we hebben goede moed tegen alles, wat het ook mag wezen, dat ons verdrietig
of boos of ontevreden of ongelukkig zou kunnen maken.

En dan zegt Paulus het nog sterker: “ALTIJD”,
zegt ie. Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed! Daar moet het leven
toch ook naar zijn, zouden we zeggen. Het maakt nogal wat uit, of je ziek bent of
gezond, met z’n tweeën of alleen, of je tot de minima wordt gerekend of tot de welgestelden… En
dan hebben we ’t nog niet eens over al die slachtoffers van Katrina aan de kust
van Amerika, over de duizend doden en hun rouwende familie op en bij de brug in
Bagdad, de velen die deze week rouwend stilstonden bij de omgebrachte kinderen van
Beslan en de slachtoffers van zo veel andere rampen, door natuur of mensen veroorzaakt.
Het maakt zelfs veel uit, in ons eigen kleine menselijke leventje, of je goed geslapen
hebt of niet, of de zon schijnt of dat het regent. Dat alles maakt voor ons nog
veel uit, in wat voor een stemming je geraakt. Wij zijn nog lang niet zo ver, dat
we ’t Paulus kunnen nazeggen: “Daarom hebben
wij altijd goede moed!”

Maar de apostel heeft het – denk ik – ook moeten
leren, door scha en schande, in vallen en
opstaan. En wat heeft die man
een zwaar leven gehad, als apostel in dienst van de Heer. Het zou ons niet verbaasd
hebben als die man er gedrukt en terneergeslagen onder was geworden.

Om de hele toenmalige wereld door te moeten crossen, zonder iets anders bij je dan
het getuigenis van het Evangelie en enkele vrienden die ook zo dwaas waren! Van
hot naar her gestuurd te moeten worden, zonder vast onderkomen zonder vast inkomen
ook, geheel afhankelijk van de goedwillendheid van andere mensen en van ’t geluk
dat je af en toe een opdracht kreeg om een
tent te maken. Zelf vertelt hij over al die gevaren, waaraan hij onderworpen was,
in 2 Kor.11: gevaren te land en ter zee, in stokslagen, gevangenissen, doordsgevaar,
tot 3 maal toe gegeseld, 1 keer zelfs gestenigd, 3 maal schipbreuk geleden, een
hele dag en nacht eens in de diepte doorgebracht, honger, dorst, koude, naaktheid,
in de steek gelaten door valse broeders, ontrouw van mensen, helemaal aan zichzelf
overgelaten…… En dat alles met een
gezondheid, die veel te wensen overliet. Hij leed aan “een doorn in het vlees”,
die hem eigenlijk eerder tot rust dan tot noeste arbeid dwong. Tot drie keer toe
heeft hij de Heer gebeden, of hij er mee op mocht houden. Maar God zei: “Mijn genade
is u genoeg”. Daar moet je ’t dan mee doen! Nee, als je alles mee zit, kun je gemakkelijk
optimist zijn. Maar zo was ’t met Paulus zeker niet, in tegendeel! En toch horen
we hem zeggen: “Daarom zijn wij te allen tijd
vol goede moed!”

Waar haalt hij die kracht vandaan? In een leven dat zo zwaar was en waarin de moed
toch zó op de proef werd gesteld?

Een mens bezwijkt zo gemakkelijk onder
de druk der omstandigheden. Laten we nooit zeggen: “dat zal mij niet overkomen”.
Als b.v. de dood in je leven komt, heb je dan nog moed? Als de dokter tegen je zegt
als toen tegen Hizkia: “Bereid uw huis, want gij gaat sterven……”. Hoe machteloos
ben je dan? Waar haal je dan nog moed vandaan?

Of als een mens gebukt gaat onder grote schuld, gewetenswroeging, een stem die je
voortdurend aanklaagt: “Jij…..jij hebt het gedaan!” Kun je dan nog moedig zijn?

Of als er spanningen zijn met andere mensen. Je relatie gaat kapot. Een Gemeente
valt uiteen, soms uit geloofsovertuiging zoals bij de PKN-ers en de Hersteld Hervormden.
Soms ook, omdat in de Gemeente een aanvechtbaar beleid gevoerd wordt, waardoor mensen
van elkaar verwijderd geraken en zich tekort gedaan voelen. Blijf daar maar eens
moedig onder! Je zou ’t liefst de hele boel er bij neergooien!

Maar Paulus heeft dat alles toch ook gekend, spanningen in de Gemeente, de mensen
vonden Apollos veel beter dan hem. Daar heeft hij onder geleden, reken maar. Het
is niet leuk, wanneer je om een of andere reden afgeserveerd wordt, terwijl je toch
altijd zo je best hebt gedaan. Hij zal vaak vertwijfeld zijn geweest, verbitterd,
moedeloos. En toch zegt hij: Daarom zijn wij
te allen tijde vol goede moed!

Kansel Dorpskerk BarendrechtHoe zou dat toch komen? Waar haalt hij die moed vandaan? Dat zegt hij in wat aan
onze tekst voorafgaat: “Want wij weten, dat wij, indien de aardse tent waarin wij
wonen, wordt afgebroken, een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen
gemaakt, een eeuwig huis”. DAAROM kan hij moed hebben, tegenover de dood, tegenover
de mensen, in alle omstandigheden. “Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten
bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden”. Hij weet ’t van
het leven: het is soms een en al afzien, ontluistering. “Ontkleding” noemt hij het.
Het één na het ander valt je af…. En de mens zucht bezwaard. Dat is de harde werkelijkheid
van ons bestaan. Toch weet de apostel ook van een andere werkelijkheid, en daar
getuigt hij van: dat het sterfelijke door het echte leven wordt verslonden, en dat
God ons juist daartoe bereid heeft en ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.
Begrijpt u? Juist DAAROM is de apostel vol goede moed. En zo is het ook de zonde,
die ons aanklaagt. Wat heeft Pauslus ook niet daaronder geleden! Dat hij de Gemeente
van Christus had vervolgd. Ieder mens is voor zijn daden verantwoordelijk. “Want
wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder
wegdrage wat hij in zijn leven verricht heeft, naardat hij gedaan
heeft, hetzij goed hetzij kwaad”. Wat kan een mens daar last van hebben?
Hoe kom ik van mijn zonde af, hoe krijg
ik een genadige God? Maarten Luther heeft met deze vraag geworsteld en velen met
hem. Totdat zijn ogen en hart opengingen en hij bevrijd werd in het vertrouwen,
dat Jezus Christus gestorven is voor onze zonden en dat wij mogen leven
dóór Hem en met Hem. Daardoor vatte Luther weer moed. En dat mogen wij ook
doen. Tegen alle machten in, tegen de dood in, tegen de zonde in, tegen het soms
harde leven in! Niets kan ons nu meer
klein krijgen. Om het met opnieuw met Paulus te zeggen, met het beroemde woord
uit Rom.8: “Daarom zijn wij in dit alles meer dan overwinnaars, door Hem die ons
heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch
machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch
enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Chistus
Jezus, onze Heer”.

Het is de overwinning van Pasen. Die overwinning mag ook u ten deel vallen. Want
ook voor u is Christus gestorven en opgestaan .
Daarom zijn wij ten allen tijde vol goede moed. Wat hebben we die moed nodig,
in ons persoonlijke leven, in onze Gemeente en in die grote wereld van God. Hij
alleen is de moed waaruit wij leven mogen. Hij is onze kracht, Hij alleen, die bij
Zijn afscheid gezegd heeft: “In de wereld zult
gij verdrukking lijden, maar hebt goede moed: IK HEB DE WERELD OVERWONNEN”.

Amen.            

Preek gehouden in de dorpskerk in Barendrecht op 4 september 2005. Deze preek is ook te beluisteren via de website van http://www.audioserver.nl.

Jezus en de Wet

Tegen al deze mistoestanden (het formalisme van de uitleg van de Wet), die geleidelijk aan gegroeid waren, is Jezus in verzet gekomen. Hij werd daarbij allereerst gedreven door…

Tegen al deze mistoestanden (het formalisme van de uitleg van de Wet), die geleidelijk aan gegroeid waren, is Jezus in verzet gekomen. Hij werd daarbij allereerst gedreven door medelijden met de grote groep mensen, die waren als schapen zonder
herder (Matth.6,34). In de ogen van de religieuze leiders, maar helaas ook in hun eigen ogen, waren deze mensen een “massa damnata”: dat volk, dat de Wet niet kent, vervloekt
zijn ze! (Joh.7,49). Welke arme had de tijd en de middelen om de Wet en de tradities te bestuderen? En zo ze dat al konden, dan waren ze alleen al vanwege hun werk niet in staat die wet te onderhouden.
Er bestonden hele lijsten van beroepen, die onrein waren en die iemand ongewild tot zondaar maakten: herders, wevers, slagers, barbiers enz. Dat gold nog weer heel bijzonder voor de bewoners van het “Galilea van de heidenen” (Matt.4,15),
waar contacten met “onreinen” onvermijdelijk waren. Geen wonder, dat Petrus die Wet een juk noemt, “dat noch onze vaderen noch wij in staat waren te dragen” (Hand.15,10).
Ook Jezus gebruikt dit beeld: “zijn juk echter is zacht en zijn last is licht” (Math.11,30).

(gelezen in Gijs Bouwman, Het verlossende Woord)

Vergeet niet één van Zijn weldaden

U mag ze niet vergeten, want u heeft ze zo nodig. Want zij zijn tekenen,dat God bij u blijft.

Niet vergeten! Dat is een opdracht en een opgave tegelijk. Want voor velen is het een zegen, dat de mens vergeten kan. Ik denk aan al die mensen, die dikwijls in zorgvolle lichamelijke of geestelijke omstandigheden hun oude dag slijten. Wat goed om dan te kunnen vergeten, wat je allemaal moet missen in het leven.


Psalm 103: 2

Toch zijn er dingen die je nooit vergeten mag, zoals de Psalmdichter ons toeroept: Vergeet nooit één van zijn weldaden! Misschien waren we ze kwijt, die weldaden. Denk nou nog eens goed na. Hoe vaak gebeurt het niet dat wij zo maar vergeten, vaak door een tekort aan liefde en dankbaarheid. Het leven gaat verder…….. Maar laten die weldaden toch bij U blijven! U mag ze niet vergeten, want u heeft ze zo nodig. Want zij zijn tekenen,dat God bij u blijft.

Familie geschiedenis

Over mijn ouders, Tilly en de kinderen.

We woonden in Apeldoorn, op de Maduralaan hoek Soerenseweg. Ons huis heette dan ook “’t Hoekje”. Mijn moeder hield daar pension.

Ze hadden altijd een slagerij gehad, mijn ouders. Na hun huwelijk in 1930 begonnen ze in Apeldoorn, op Korenstraat 2. Daar is mijn broer Wim geboren. Omdat de tijden slecht waren, probeerden ze ’t in Zwolle. Na een poosje gingen ze weer terug naar Apeldoorn (Badhuisweg), om vervolgens ’t nog eens te proberen in Deventer, waar ik geboren werd. Toen werd m’n vader ziek, hij kon niet meer lopen: ruggemergziekte (Multiple Sclerose). Hij kon toen niet meer werken en van arrenmoede zijn ze toen een pension begonnen in Apeldoorn, omdat Apeldoorn toen al toeristen trok. In de schoolvakanties hielp ik m’n moeder met het bedienen van de gasten, inkopen doen, aardappels schillen enz.

De familie Kroes kwam van Nieuw-Vennep, waar ze sedert 1890 een Rund- en Varkensslachterij bezaten. Bij genealogisch onderzoek is gebleken, dat de stamvaders oorspronkelijk uit Groningen kwamen.

Mijn moeder was van duitse afkomst. Zij is geboren in Bielefeld (Westfalen).

Slagerij 't Hoekje in Apeldoorn

Slagerij ’t Hoekje in Apeldoorn

Julianakerk in ApeldoornToen ik 22 was ontmoette ik Tilly Hanschke, een meisje van 17, op een busreis van de Kerk naar Drente. Daar op een hunnebed vloog de eerste vonk over! Beide waren we van Lutherse huize, maar door omstandigheden Hervormd geworden. Ik ben in Deventer gedoopt door de latere Prof. Dr. W.J. Kooiman. In Apeldoorn kerkten we meestal bij ds. Berkel in de Julianakerk. Die heeft ons in 1960 ook getrouwd, met de trouwtekst: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openbaring 21,5)”.

De naam Hanschke komt uit Oost-Duitsland, en nog verder terug uit Rusland. Ik ben bezig met de genealogie, maar dat lukt nog niet erg. De Hanschkes in Oost-Duitsland zijn wat angstig om te reageren. De moeder van Tilly is een Lunstroo. Haar familie is afkomstig uit Duitsland (Westfalen), indertijd in de 18e eeuw meegekomen in een stroom van emigranten, waardoor in Amsterdam een sterke Lutherse Gemeente is ontstaan. Dat heeft een interessante genealogie Lunstroo opgeleverd…

Tilly en ik kregen 3 dochters: Lucy, Alice en Philippien. Alle drie speelden ze fluit en piano. Lucy is later in Amsterdam aan de VU afgestudeerd in de Bewegingswetenschappen, Alice heeft de HBOV gedaan en werkt nu in Jeugd- en Gezondheidszorg, Philippien is laborante geworden. De twee kinderen van Lucy heten Loïs en Robin, die van Alice heten Salim, Chadi en Rayan, en  de kids van Pien heten Dieni en Chris. Het is een geweldig zevental, het licht in onze ogen! Zij wonen in Utrecht, Barendrecht en Bleiswijk.

Pluk de dag

Wanneer je gehandicapt bent en niet meer zoals anderen kunt fietsen en wandelen en sporten en wat niet meer, wat doe je dan zo’n hele dag? Niets?

Wanneer je gehandicapt bent en niet meer zoals anderen kunt fietsen en wandelen en sporten en wat niet meer, wat doe je dan zo’n hele dag? Niets? Je vervelen? Slapen? Nee toch! Daar is de dag te mooi voor. Je moet hem plukken. Aan een struik of boom zitten veel bloemen. Daar zijn er vast ook bij, die jij kunt plukken. In je eigen huis is nog van alles te beleven: lezen, computeren, bezig zijn met je verzamelingen (postzegels, munten, kaarten , Anton Pieck, het koninklijk huis en nog wat meer). Je kunt ook in je gemaksstoel wegdromen over vroeger of later: een plannetje maken ov er zoveel dingen. Je kunt bezig zijn met je kinderen en kleinkinderen. De foto’s, die je gemaakt heb met je digitale camera of camcorder, moeten nodig bewerkt en afgedrukt worden. Correspondentie moet een beurt krijgen, net als de financiële administratie en ga zo maar door. Dan is daar het vorbereiden van de zondagse dienst en meditaties schrijven
voor de PCOB-bijeenkomsten. Een mens kan altijd bezig zijn. Twee kranten om te lezen: het Nederlands Dagblad en Trouw, en dan nog het Centraal Weekblad en alle mogelijke tijdschriften uit de gehandicapten-map, die we elkaar toesturen vanuit het Gehandicapten Platform Barendrecht, en de lectuur die het Bestuurslidmaatschap van de PCOB met zich meebrengt, de ouderenbladen van de drie bonden.

Buiten ’s huis is ook genoeg te doen. Bezigheden en vergaderingen vanuit de PCOB, het Platform Gehandicapten, de emeritikring Rotterdam e.o., waarvoor ik de financiën mag beheren. En niet vergeten: boodschappen doen, een dagelijks werk!

In de vakanties caravanden we de laatste jaren. Daarvoor zijn we  zo’n 15 jaar in een chalet in Zwitserland geweest. Dat ligt in Wallis boven Sion op 1100 meter. Vroeger, toen de kinderen nog mee gingen, hadden we ook een caravan. Het ziet er naar uit, dat het caravannen voor de toekomst niet meer mogelijk zal zijn, want ik kan niet eens meer het trapje op! Misschien moeten we ons nu meer gaan richten op aangepaste hotels.

Het laatste boek, dat ik gelezen heb is: Jan Siebelink, Knielen op een bed violen. Een aanrader van Leo Jacobs, die altijd een stukje schrijft in het Centraal Weekblad onder de titel “God in Frankrijk”, echt de moeite waard om te lezen . Veel boeken in mijn drie boekenkasten zijn nog ongelezen. Mogen er nog vele dagen komen om te plukken!

Icarus

Waarom ik van J.S. Bach houd

Er gaat geen dag voorbij, of Bach komt op het muzikale menu.

Al van jongsaf aan ben ik met Bach vertrouwd. Op het Gymnasium had ik een vriend, die heel mooi Bach speelde. En samen gingen we naar de Mattheüs-Passion. In Apeldoorn had je ook een Bach-koor, waar ik een poos op geweest ben. In Utrecht was ’t natuurlijk helemaal raak met het USKO van de grote Bach-kenner Hans Brandts Buys. Met het USKO mocht ik verschillende malen de Mattheüs en Johannes zingen. We trokken daarmee zelfs het land in! En we hadden studie-weekenden in het Maarten Maartenshuis in Doorn, waar ik hele goede herinneringen aan bewaar.

Toen, in Utrecht, kreeg ik ook  mijn eerste geluidsinstallatie en platen. De platenspeler was een Garrard, destijds de top. Ik was er erg trots op. En de eerste platen waren natuurlijk van Bach. Dat was toen nog mono. De eerste echte uitbouw van mijn discotheek begon in Geleen, waar een goede klassieke muziekwinkel was en ik over wat meer pecunia kon beschikken. Veel platen begon ik ook toen al via het Centraal Missie Commissariaat (tegen “inkoopsprijs”) aan te schaffen. Toen we naar Waalwijk gingen werd het helemaal een rage, omdat enkele vrienden (die over meer geld beschikten!) dat ook deden. We zaten elkaar op te jutten. Van mijn moeder kreeg ik toen een nieuwe geluidsinstallatie, die helemaal professioneel was. De platenspeler van  toen en de boxen en de tuner functioneren nu nog (na bijna 40 jaar!) in de studeerkamer. Het betrof een Thorens TD 125 met Shure arm en Stanton 681 EEE element, Bower en Wilkins DM 3 boxen en de Sony ST-80W tuner, een heel klein tunertje, die op de boekenplank past! Al die onderdelen werden nauwgezet bij elkaar geplozen, op grond van de informatie, die Jan Kool in “Luister” op zo’n indringende wijze wist te geven. Trouwens, ook de platen werden gekocht  “op voorspraak” van Luister, mijn lijfblad. In de woonkamer staat nu al weer geruime tijd een nieuwere installatie. maar ook met B & W geluidsboxen.

J.S. BachIn de platencollectie nam der alte Johann Sebastian een prominente plaats in, dat laat zich begrijpen. En dat is zo gebleven, ook in het tijdperk van de bandjes en CD’s. Om dat alles te kunnen overzien heb ik al gauw een kaartenbak aangelegd, die in de jaren 90 is overgegaan in een computerbestand. Hiervoor heb ik het bestaande PC-File gebruikt, heel geschikt om adressenbestanden en zo aan te maken. Ik heb het geschikt gemaakt voor mijn muziekcollectie, het prekenbestand, adressen, boeken en oude ansichtskaarten, die ik spaar. Inmiddels is het onderdeel muziek opgelopen tot zo’n 11600 databaserecords, waarvan meer dan 3000 alleen van Bach!

Er gaat geen dag voorbij, of  Bach komt op het muzikale menu. De Kruidvat-collectie wordt ook regelmatig aangeboord. Maar favoriet blijven toch Koopman en Herreweghe. En ik hoor ook nog graag onze eigen Ameling en Spoorenberg. Om niet te vergeten Fischer-Dieskau. En zo kan ik wel doorgaan, maar dan ben ik morgen nog niet klaar!

Spina Bifida, daar wordt je niet vrolijk van!

Spina bifida betekent letterlijk: in tweeën gespleten wervelkolom. Het gaat dan om een ‘gat’ in de rug, omdat één of meerdere wervels onvolgroeid zijn. Het vaste been is hooguit nog kraakbeen en soms zelfs dat niet eens. Het is dus een hele zwakke plek! In de medische wetenschap maakt men bij spina bifida een onderscheid tussen ‘aperta’ (open) en ‘occulta’ (verborgen).

Spina bifida betekent letterlijk: in tweeën gespleten wervelkolom. Het gaat dan om een ‘gat’ in de rug, omdat één of meerdere wervels onvolgroeid zijn. Het vaste been is hooguit nog kraakbeen en soms zelfs dat niet eens. Het is dus een hele zwakke plek! In de medische wetenschap maakt men bij spina bifida een onderscheid tussen ‘aperta’ (open) en ‘occulta’ (verborgen). Aperta, in het geval de wervelkolom daar open is, zonder huid. Occulta, in het geval die plek wordt afgesloten door de huid, die intact gebleven is. Ook maakt men verschil tussen een ‘hoge’ en  een ‘lage’ spina, al naar gelang waar de plek zich bevindt in de wervelkolom. ‘Laag’ schijnt gunstiger te zijn. Bij mij ligt de plek vlak onder het centrum en het gaat daar om een drietal wervels. Het is een ‘occulta’, maar zichtbaar door een grote bobbel van spierweefsel, als ’t ware een natuurlijke bescherming.

Zo’n spina bifida beheerst van jongsaf aan je leven. Je moet met alles uitkijken: oppassen met kou vatten op die plek, overbelasten (niet zwaar tillen), vermoeidheid en ga zo maar door. Bij alles wat je te veel doet, wordt je gelijk afgestraft met hevige rugpijn. Eigenlijk staat die ‘open rug’ bij heel je levenspatroon in de weg. Tegen de rugpijn heb ik jaren lang Brufen geslikt, later ook tegen de last die reuma mij bezorgde. De laatste twee jaar slik ik geen pijnstillers meer, omdat deze een ernstige belasting vormen voor de nieren, die bij mij door het veelvuldige medicijngebruik in de loop der jaren toch al heel erg zijn achteruitgegaan (nierfunktie nog maar 40%!). Gelukkig is de pijn door het gebruik van een nieuw Reuma-medicijn ‘Enbrel’ de laatste tijd behoorlijk afgenomen. Toch blijft die rug zeer doen, b.v.als je geen  gemakkelijke stoel hebt of geen goed bed, als je te lang in dezelfde houding moet zitten (over staan spreken we maar helemaal niet!) of liggen. Thuis heb je alles aangepast: een sta-op-stoel en een hoog bed met stevig matras, maar bij de kinderen b.v. of op vakantie is het soms afzien.

Nee, spina bifida, daar wordt je niet vrolijk van!