Waar blijft de tijd V – Het tijdsprobleem in de Griekse filosofie


Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Typerend voor het Griekse denken is niet zo zeer het tijds- als wel het ruimte-aspect. Het Griekse denken is immers niet zo zeer op het “worden” gericht, maar op het “zijn”. Het gaat daarbij niet om de “geschiedenis” van de dingen, maar om de logica van de eeuwige dingen.

Vanuit de praktische levenservaring werd de tijd al heel vroeg als vorm van beweging gezien. Reeds Thales, 624-546 v.C., hanteerde het water in zijn bewegelijkheid als oerprincipe van het al, een idee, dat door Heraclitus, 540-484 v.C., verder zou worden uitgewerkt. En Anaximander, die iets later leefde, werd getroffen door de “kinosis” in de natuurelementen, waardoor hij tot de filosofische grondstelling kwam, dat er een oerstof moest bestaan, waarin de door de beweging veroorzaakte tegenstellingen ongescheiden dooreen liggen: het “apeiron”. Met behulp van dit “apeiron” wordt derhalve aan het eeuwig ontstaan en vergaan in het reversibele natuurproces een rationele metafysische oorzaak gegeven. Liefde en haat veroorzaken zo een soort vooruitgaande en achteruitlopende beweging van het al, waardoor de verschillende wereldperioden ontstaan.

Het was aan de grote filosofen voorbehouden de in deze beginperiode gerezen vragen te beantwoorden:
– Is de tijd oneindig of onbegrensd?
– Is met de denkbare vergankelijkheid van het al ook de vergankelijkheid van de tijd gegeven?
– Is de tijd ook aan de beweging van het al gebonden?
– Is de tijd eigenlijk wel een werkelijk gegeven of is hij alleen maar schijnwerkelijkheid?

1. PLATO

Was tot dusver het uitgangspunt van het denken over de tijd “de bewegelijkheid van de materie”, bij Plato (427-348 v.C.) zien we een beslissende wending optreden. Uitgaande van het beginsel “denken is zijn” bedacht hij de hoogste werkelijkheid in de “idea”, de goddelijke wereld van de ideeën. Elke realiteit heeft als oerbeginsel het idee, waarvan het een zwakke afbeelding is, en het wekt ook herinneringen op aan dat idee, gezien vóór dit leven. Zo is ook de tijd slechts een afbeelding van de eeuwigheid, waarbij “eeuwigheid”voor Plato niet de oneindig astronomische tijd is, maar de levensvorm van de goddelijke wereld der ideeën. In Timaeüs 37d en 38, de klassieke tekst van Plato’s tijdsbeschouwing, lezen we hoe de goddelijke “logos” bij de schepping van de wereld tegelijkertijd de tijd maakte als een in getal voortgaand beeld van de eeuwigheid, te verdelen in dagen en nachten, maanden en jaren. De goddelijke eeuwigheid, zelf onbewegelijk en in volkomen rust, geeft in deze natuurwereld het bewegelijke beeld van de tijd, die in een vast cyclisch patroon steeds weer dezelfde “meetbare”elementen van dagen en nachten, maanden en jaren, voortbrengt. Verleden, heden en toekomst kunnen in dit licht slechts als “subjectieve”vormen van de tijd beschouwd worden. In deze Platonische visie op de tijd komen een aantal uitgangspunten voor, welke in vergelijking met andere tijdsbeschouwingen, zeker met die van de Bijbel, als zeer typerend aangemerkt kunnen worden. Typisch voor deze zogenaamde “idealistische” tijdsbeschouwing zijn:

a. Het onderscheid tussen fysische en psychologische tijd, oftewel tussen objectieve en subjectieve tijd. De deelbare tijd, die “objectief” in het natuurgebeuren waargenomen kan worden, de indeling in dag en nacht, maand en jaar, wordt geplaatst tegenover de subjectief-psychologische tijdsbevindingen van verleden, heden en toekomst.

b. Het verschil in tijdskwaliteiten: het goddelijke oerbeeld van de eeuwigheid is superieur aan het aardse afgietsel van de tijd.

c. Het ruimtelijke aspect van het Platonische denken: de categorieën van tijd en eeuwigheid zijn ruimtelijk gedacht, in zoverre zij strikt gebonden zijn aan de beide werelden van de ideeën en de natuur, waartoe zij behoren. De tijd is daardoor even onbegrensd als de wereld, maar ook even eindig als deze.

d. Het ordeningsprincipe van deze fysische wereld: de tijd, volgens de maatstaf van het getal voortgaande, eeuwige, altijddurende afbeelding van de “mundus intelligibilis”, houdt al het wordende in de eenheid met de wereldrede. Zo zorgt de tijd, als volstrekt ordeningsprincipe , voor de eenheid van goddelijk-zijn en aards-worden. Deze tijd is met getallen meetbaar, omdat zij verloopt in de cyclus van de kosmische beweging. Maar het oerbeeld is eeuwig-zijnd en ongrijpbaar.

2. ARISTOTELES

De bekendste leerling van Plato, Aristoteles (384-322 v.C.), is wat zijn tijdsvisie betreft niet in het spoor van zijn meester gebleven. Alleen zijn stelling, dat de vorm de expressie is van de in de stof werkzame idee, herinnert nog aan Plato. Maar dit is al niet relevant meer voor zijn tijdsbegrip, omdat hij zich ter beoordeling van de tijd uitsluitend richt op de natuur. Hij filosofeert niet over de goddelijke eeuwigheid, maar probeert weer te geven wat hij ziet, en dat is: een stoffelijke wereld in beweging. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles dan tot een viertal metafysische principes: de stof, de vorm, de bewegende oorzaak en het doel. Er moet aan dat alles een “onbewogen” beweger vooraf gaan.Deze wordt door Aristoteles “God”genoemd: Hij is het de orde van het heelal vóórdenkende, zichzelf denkende verstand. Maar voor de rest houdt Aristoteles zich aan het zichtbare en fysisch-grijpbare. Dit bepaalt ook zijn definitie van tijd als “getal der beweging in betrekking tot vroeger en later”.

Beweging, ruimte en tijd, zij behoren bij elkaar en definiëren wederkerig elkaar. Tijd is ook meetbaar en deelbaar, maar als een continuüm, niet als een optelsom van tijdspunten. In dit continuüm is het tijdstip van het heden de grens tussen nog-niet en niet-meer in de steeds voortgaande tijdstroom. Tijdsduur kan dan ook niets anders zijn dan “duur van beweging”. Vanuit deze praktische ervaring komt Aristoteles er toe de tijdsmaat neer te leggen in de steeds terugkerende omwenteling van de hemel, voor de mens zichtbaar in jaren, dagen en uren. Eigenlijk heeft het tijdsbegrip van Aristoteles hierdoor iets mistroostigs: alle dingen zijn in beweging en zij vergaan. Alles wordt oud onder de dwang van de tijd, maar niets wordt mooi en vol. Dat wat eeuwig existeert, zoals de geometrische stellingen, behoort dan ook niet tot de tijd. Evenals bij Plato zien wij ook bij Aristoteles, dat de ruimte prevaleert boven de tijd. Tijd immers betekent vergankelijkheid en verandering, zichtbaar aan de ruimtelijke vormen, terwijl de “goddelijke wereld” in principe onvergankelijk en onveranderlijk is, eeuwig “in ruste” blijft. Maar wat de Aristotelische visie ten diepste van de Platonische opvatting onderscheidt is de negatieve zin, die hier aan het tijdsfenomeen gegeven wordt. Konden we bij Plato nog een positief spreken over de tijd als weliswaar aards spiegelbeeld van de goddelijke eeuwigheid ontdekken, bij Aristoteles resteert niets anders dan een zekere geringschatting voor de tijd als aan het stof gebonden vergankelijkheid.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *