Waar blijft de tijd XIII – De verschijning van Christus


Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

ChristusKoningHoewel het begrip zelf, de verschijning (parousia) van Christus slechts enkele malen in de oerchristelijke geschriften voorkomt (Matth.24, 3,27; 1 Kor.15,23; 1 Thess.2,2,8,9; Jak.5,7; 2 Petr.1,16; 3,4,12; 1 Joh.2,28), heeft de (weder)komst van Christus toch een centrale plaats ingenomen in de prediking en het leven en denken van de eerste Christenen. De parousieverwachting is zo sterk geweest, dat het uitblijven er van nog een generatie na Jezus’ dood de mensen verbijsterde. Het is dan ook vanzelfsprekend, dat de tijdservaring van de oerverkondiging sterk hierdoor is bepaald.

De tijdsvraag

De vraag naar de tijd, waarop de Heer zal wederkomen, wordt in de oerverkondiging op tweeërlei wijze beantwoord:

1. Door er op te wijzen, dat het niet aan ons is de tijden en de uren te weten, welke de Vader in Zijn volmacht bepaald heeft (Hand.1,7; Marc.13,32 par; 2 Petr.3, 3,10; Openb.3,3). Het enige, wat wij over de tijd van de parousie mogen weten, is dat hij:

  1. na het intreden van tekenen geschieden zal (Marc.13, 4par; 28vv par; Joh.16,17). Op deze tekenen heeft men acht te geven (Marc.13, 28vv par). De komst zal zijn na een tijd van nood als de geboorte na de weeën (Joh.16,21v en 1 Thess.5,3).
  2. spoedig aanwezig zal zijn (Joh.16, 16; Phil. 4, 5; 1 Petr.4, 7; Openb.1, 1; 2, 16; 3, 11; 22, 6v;, 10, 12, 20).
  3. plotseling als een dief in de nacht, overal heen schijnend als een bliksem, zal intreden (Matth.24, 43; Luk.12, 39; 1 Thyess.5, 2; 2 Petr.3, 10; Openb.3, 3; 16, 15).

2. door de komst van Gods Koningsheerschappij als zeer nabij aan te kondigen (Marc.13,30 p[ar; Matth.10, 23; Marc.9, 1).

De parousia in de synoptici en Johannes

De parousiegedachte heeft een sterke weerklank gekregen in de synoptische Evangeliën, met name – zoals te verwachten – in de apocalyptische hoofdstukken (vgl.Marc.8,38 par; 14, 62 par; Matth.25; Luk.13, 25-38; 22, 29v; Marc.13 par). Het is de voorstellingsstructuur van de apocalytische schatologie: IN en dan ook RONDOM Jezus is de verwachte “aiôn mellôn“, de komst van het Koninkrijk Gods werkelijkheid geworden. Enkele typische kenmerken hiervoor zijn: de liturgische aanspreektitel “Onze vader”, de Koninkrijksgelijkenissen, het autoritaire “Ik zeg u” van Jezus, het “belijden” van Jezus in Matth.10, 32v/ Luk.12, 8v; de roepstem “komt achter Mij” en het proleptisch-eschatologische vervullingskarakter: in de omgeving van Jezus gebeurt, wat de verkondiging van het nabij zijnde Koninkrijk zegt. De discipelen, hier en nu, de armen, ontvangen Hem. Vergelijk ook de Zaligsprekingen!

In het Johan nes-Evangelie vormt de parousie niet zo’n immanent bestanddeel van de verkondiging als in de Synoptici. Toch doen ook hier enkele uitspraken sterk aan de Synoptische prediking herinneren, zoals Joh.1, 51; 14, 19 en 16,22. Het “komende uur” wordt meer als reeds present beleefd (zie de markante betekenis van “hora” en ook het nadrukkelijke “nun” in 12, 31; 13,31; 16,5; 17,5, 7, 13), omdat het onlosmakelijk verbonden is met de heerlijkheid van het kruis. Zo volstrekt zich de crisis in het Johannes-Evangelie “reeds nu”. In het innerlijk van de mens (4,23; 5,24v; 3,18; 12,31; 9, 39).

De spanning in de parousiebeleving

Uit de visie van Johannes op de parousie werd reeds duidelijk, hoe er in het oudchristelijke kerugma een spanning bestaat over de wederkomstgedachte: enerzijds wordt Christuskomst als aanstaande verkondigd, anderzijds moeten nog vele tekenen daaraan voorafgaan. De parousie wordt vaak ook voorgesteld als een dief in de nacht, waarnaast de nadruk wordt gelegd op de reeds aanwezige overwinning van Christus over de machten en het daardoor voor ons verkregen heil. Dit spanningsveld wordt nog problematischer doordat niet meer met zekerheid valt uit te maken in hoeverre Jezus Zelf een onderscheid heeft gemaakt tussen Zijn opstanding en wederkomst. De Oergemeente heeft beide al spoedig met elkaar verbonden. In de Gemeente krijgt deze gedachte gestalte in de viering van het Heilig Avondmaal: de verkondiging van de dood des Heren “totdat Hij komt”(1 Kor.11,26). Voor Paulus staat deze verkondiging van de dood des Heren in het Avondmaal dan ook centraal in het geheel van zijn gedachten over opstanding en parousie.

Wel merken we steeds weer het eschatologisch-soteriologische verband op, dat ligt in de betrekking van de mens tot Jezus: wie zich nu aan Jezus overgeeft, zal straks ook Gods heil ontvangen. Hieraan is elke tijdsvaststelling, zelfs in de simpele vorm van “vroeger”of “later”, ondergeschikt. Maar de komst van dat heil is wel zeker, zo zeker, dat Jezus de eschatologische gebeurtenissen in de naastbije toekomst verwacht, ja ze zelfs als reeds in Zijn tijd verwerkelijkt aankondigt. De benadrukking van het “spoedig”, “nu”, “heden”, is daardoor in Zijn prediking nog sterker dan bij de profeten van het oude Testament. Hierin proeven wij duidelijk het tijdsgevoelen van de Oergemeente: Jezus wordt direct vanuit de Oudtestamentische profetie gezien als Degene, Die het beloofde “eschaton” brengt. Zijn tijd moet als de door de profeten voorzegde eindtijd, Zijn dagen moeten als de dagen van de Messias, Zijn dag moet als de “Jôm Jahweh” (Dag des Heren) , de “laatste dag” verstaan worden (vgl Hand.3, 24; 13, 32).

Dat is het geheel nieuwe in de verkondiging van Jezus, dat deze “profetische” dag in Zijn leven nabij is gekomen (Marc.1, 15 par). Het Koninkrijk moet nog verwacht worden, maar het is al “nabij”. “Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbij gaan, voordat dit alles is geschied”(Marc.13, 30). Dat deze tekst mogelijk als vaticinium ex eventu (terugblikkend op de val van Jeruzalem!) beschouwd dient te worden, is voor het geheel van het oerchristelijke kerugma ten aanzien van Jezus’ parousieverwachting in korte nabijheid niet van belang. Duidelijk is immers ook daarin, hoe zeer het oudchristelijk kerugma in de beleving van zijn tijdspatroon rekening hield met een zeer nabij keerpunt: de “parousia” van Christus, de komst van Gods Koninkrijk. “Het is nabij, voor de deur” (Marc.13, 29. Hoe moeilijk de Gemeente het kreeg, toen deze verwachte parousie uitbleef, zien wij nog aan de weerklank daarvan in die teksten, die sterk benadrukken dat het ogenblijk van de “grote dag”volledig onbekend is (vg. Luk 17,24; Matth.25,13; Marc.13,32).

Hoe Paulus met deze spanning in de parousiebeleving klaar komt, zullen we in het volgende hoofdstuk nader bezien. Nu reeds kan het vermoeden uitgesproken worden, dat dit dilemma ook bij hem van sterke invloed is geweest op zijn tijdservaring en het daaruit voortkomende tijdskader, waarin zijn theologische gedachten geplaatst worden.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *