Waar blijft de tijd LI – Paulinische toekomst-uitspraken


In Rom.11, 25vv, de afsluitende verzen van Rom.9-11, dat in de Heilsgeschichtliche hypothese van het Paulinische denken zo’n belangrijke plaats inneemt, gaat het niet in de eerste plaats om de toekomst van Israël, maar om de redding van Israël.

bc311073cb5992de5b28b3e21ca103ca

Toekomst-uitspraken zijn in al deze pericopen niet anders dan soteriologische uitspraken. Uiteraard wordt daarin het tijdsaspect niet uitgesloten, maar gerelativeerd, doordat het door het hoofdaspect van het “heil in Christus” secundair wordt gemaakt. De aangehaalde teksten lieten zien, dat Paulus, ook voor zijn eigen leven, rekening hield met de wederkomst van de Heer. In hoeverre deze verwachting een ontwikkeling heeft doorgemaakt, laat zich moeilijk zeggen. De hoofdbrieven zijn in een tijdsbestek van slechts vijf jaren geschreven, en zij vertonen alle vier, evenals de oudste brieven 1 Thessalonicenzen (4, 13-18), 2 Thessalonicenzen en Philippenzen (hoofdstuk 3), het beeld van het naderende einde. Hoewel het lijkt alsof Paulus met de mogelijkheid gerekend heeft de parousie nog voor zijn dood te beleven (1 Thess., 13-18 en 1 Kor.15), doch deze mogelijkheid later heeft opgegeven (2 Kor.5) en zelfs met de gedachte is gaan spelen dit leven maar spoedig te verlaten (Phil.1, 23), zou het toch te ver voeren in deze uit hun samenhang gerukte losse teksten en gedachten een “ontwikkeling” van Paulus te zien.

“Toekomst” betekent voor Paulus: verzekering van Christus’ heil voor aangevochten mensen, voor een lijdende wereld. Het is dan ook geen wonder, dat “sôîzein” (redden), in de meeste plaatsen in het futurum staat, en dat Paulus’ spreken in termen van “hoop en verwachting” dit Christologische heil betreft. Hierin vindt tegelijk heel de spanning van het “reeds” en het “nog niet” z’n uitdrukking!

Vragen we ons nu nogmaals af: hoe ziet Paulus de toekomst? Dan kunnen we alleen maar wijzen op die stukken, waar Paulus het toekomstige heil in Christus en alles wat daarmee in verband staat ter sprake brengt. Het centrale gebeuren van dit toekomst-perspectief is de opstanding uit de dood. Immers wij weten, dat Hij, Die de Here Jezus opgewekt heeft, ook ons met Hem zal opwekken… (2 Kor.4, 14). In Rom.8, 18 noemt Paulus dit de “heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden”. Elders heet het “delen in Zijn verheerlijking” (Rom.5, 17); “Behouden worden doordat Hij leeft” (Rom.5, 10); “het ontvangen van gerechtigheid” (Gal.5, 5); “het levendmaken van de sterfelijke lichamen door Zijn Geest” (Rom.8, 11); “het veranderd worden van de lichamen” (1 Kor.15, 2); “het Zoonschap en de verlossing van ons lichaam” (Rom.8, 23).

In dit perspectief ziet Paulus ook de verlossing van de schepping van zijn “oneigenlijkheid”, van dood en zonde. Niet van de wereld zelf hoeven wij verlost te worden, dat zou gnosticisme zijn! Maar met de schepping moeten alle elementen der wereld, ook wij zelf dus, verlost worden van de verwording der schepping. Ook niet van het lichaam en de lichamelijkheid moeten wij verlost worden, dat zou weer
gnosticisme betekenen! Maar de verlossing betreft de mens “kata sarka” (naar het vlees), de mens die ten onder ligt aan de doodsmacht in het vlees (Rom.8, 23).

Heel dit toekomst-perspectief, dat naar voren komt in het spreken over “de dag des Heren” cq. “de komst des Heren”, ”de opstanding uit de dood” en ”de verlossing van de schepping”, vindt zijn soteriologische grondslag in “Jezus Christus en Die gekruisigd” (1 Kor.2, 2). Zijn theologische spits krijgt het in het doxologische eindvisioen “dat God zij alles in allen” (1 Kor.15, 28).

Conclusie
Het spreken van Paulus over de toekomst staat in het teken van de heilsverkondiging. Het grote goddelijke gebeuren, dat de Heilige God tot de zondige mens komt met Zijn genade-aanbod, staat hierbij centraal. In wezen is de Paulinische eschatologie derhalve soteriologie, actualisering van het kerugma. Dat deze eschatologie geen gesloten systeem vormt, eerder brokkelig als stukwerk naar aanleiding van vragen uit de Gemeenten of voortkomend uit de verdediging van het Evangelie tegenover misvattingen en wildgroei gezien moet worden, onder gebruikmaking van het tijds- en beeldraam van het apocalyptische vewachtingspatroon, doet aan dit soteriologische en theocentrsiche karakter geen afbreuk. Integendeel: de bonte scala van toekomstbeelden wordt door Paulus slechts opgevoerd onder het ene oogmerk: dienstbaar te zijn aan de heilsverkondiging in de actuele nood van mens en wereld.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *