Petra


“En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen.” (Matth.16, 18).

Jezus antwoordt hiermee op de belijdenis van Petrus: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!” Jezus zegt hier op: “Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.”

Petrus’ belijdenis, zijn geloof, komt dus niet uit hem zelf, maar is een gave van zijn hemelse Vader. Als de Heer dat heeft vastgesteld, spreekt Hij vervolgens de beroemde woorden over de “rots”, de “petra”. Het gaat daarbij om het bouwen van de Gemeente. Zijn gemeenschap zal een gemeente van gelovigen zijn. Gemeente, “ekklesia”, samengekomen gemeenschap, het Engelse “meeting”, komt welgeteld 114 keer in het Nieuwe Testament voor. Het begrip stoelt op het Oudtestamentische “Kahal Jahwe”: de volksgemeenschap van God, door Hem samengebracht. God Zelf is daarom Heer en Koning van die gemeenschap. Daarom mocht Israël aanvankelijk ook geen koning hebben. De 12 patriarchen, de zonen van Jacob, de aartsvaders, krijgen dan in het Nieuwe Testament hun tegenpolen in de 12 discipelen (apostelen). Zo zien we de Nieuwtestamentische gemeente echt in het verlengde liggen van de Oudtestamentische “kahal”.

“Voorwaar, Ik zeg u, bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon (daar duidt Jezus Zichzelf mee aan) zal zetelen op de troon van Zijn majesteit, dan zult ook gij, die Mij gevolgd zijt, op 12 tronen gezeten zijn en de 12 stammen van Israël oordelen” (Matth. 19, 27-28). Met “oordelen” wordt niet bedoeld, wat wij er meestal in horen: veroordelen, maar het betekent veeleer: “rechten”, recht doen, dat is “tot heil strekken”. De nieuwe gemeenschap van Jezus begint bij de discipelen, de “twaalven”. Zij worden uit hun dagelijkse leven weggeroepen om “Hem te volgen”. Jezus noemt ze apostelen, gezanten, getuigen, gevolmachtigde vertegenwoordigers, die de Heer gaan vertegenwoordigen op plaatsen, waar Hij Zelf niet op lichamelijke wijze aanwezig is, in ’t bijzonder na Hemelvaart. Zij krijgen die volmacht ook rechtstreeks van de Heer.

Matth.18: 18 “Voorwaar, Ik zeg u: alles wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel.” Het gaat hier om het recht en de plicht personen uit te sluiten of weer op te nemen in de gemeenschap van tempel of synagoge. Ook wordt de uitdrukking “binden en ontbinden” toegepast op leerstellige en rechtskundige kwesties. Het betekent dan “gezagvol verklaren”, dus toelaten, of “voor onjuist verklaren”, dus verbieden. Zo worden dus de 12 gezagvolle leiders van de nieuwe Godsgemeente, die door leerstellige en disciplinaire beslissingen de Gemeente rondom Jezus bijeen moeten houden en naar buiten toe moeten afgrenzen. In 1 Kor.12 wordt over de verscheidenheid van gaven gesproken en dat er slechts één Geest is, één God, Die alles in allen werkt. Zo is het dus nu nog in de Kerk:  wij worden door de apostelen en de Geest geleid. Hoe dat samenspel precies tot stand komt, daarover wordt in de Kerken verschillend gedacht. Van belang daarbij is, hoe je de draagwijdte van het apostolische ambt ziet: heeft hun gezag (en opdracht van de Heer) alleen betrekking op de apostelen zelf of ook op hun opvolgers.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *