Avondrood


ZolderEr staat een tafel tegen de brede vensterbank, het kleed er op is gebloemd. Op de tafel ligt het Nieuwe Testament in de Willibrordvertaling en een oud nummer van het Benedictijns Tijdschrift. Verder is er een boek met informatie over kasteel ‘Slangenburg’; het dagrooster van het kasteel en de gebedstijden van de nabij gelegen Willibrordsabdij staan harmonieus op één bladzijde. Dan is er nog een handige tafellamp, zodat ogen niet hebben te lijden. Het glossyblad voor winkelend Gelderland leg ik na een vluchtige blik haastig terzijde. De spaarzaam geklede dames met groen omrande ogen zijn met fonkelende bijouterieën behangen en lijken van een andere planeet.

Het raam, verdeeld in kleine ruiten, is opgeschoven. Een hor zorgt voor een mugvrije kamer. Oudroze gordijnen omlijsten het venster. Vanuit het raam zie ik neer op een fraaie boomgaard met ouderwetse appel- en perenrassen. Rond de stammen is het gras weggestoken in keurige vierkantjes. Vóór de tafel staat een stoeltje bekleed met grijs bewerkt fluweel, het patroon op de armleuningen is weggesleten. In de hoek noodt een geriefelijke rookstoel uit tot verpozing. Er is een staande leeslamp met een te kort snoer, een kruis zonder corpus en een schilderijtje van de ‘Lange Jan’ in Amersfoort anno 1916. Over het houten rek naast de wastafel hangen rulle baddoeken. Het bed staat in de dode hoek naast de klerenkast. Het ligt gerieflijk. Vanaf dat bed kan ik de rest van de kamer goed opnemen. Er is een spannend spel tussen doorleefde balken en gladde buizen. Dan weer lopen ze evenwijdig met elkaar, dan weer gaan ze uiteen, soms ook lopen ze over elkaar heen, dan toch vinden ze elkaar weer in het evenwijdige. De loop is onvoorspelbaar en intrigeert. Maar de brede donkergroene planken van het plafond zijn een rustpunt, evenals de donkergrijze vloerbedekking. ‘Avondrood’ is de naam van dit vertrek.

Af en toe ga ik op stap over de zolder, de tocht begint bij de buurman. Hij woont in de ‘Schuilkerk’. Eigenlijk ben ik heel nieuwsgierig naar zijn kamer, maar ik durf niet aan te kloppen voor een blik om de deur. Op deze verdieping is alle ruimte benut voor het creëren van gastenkamers, vormen en afmetingen zijn verschillend, evenals de inrichting en de sfeer. Op de deuren staan veelbetekenende namen: ‘Klokkekamer’, ‘Zuiderkruis’, ‘Schouw’ en iets verder ‘Morgenlicht’ en ‘Noordeinde’. Soms scheert er een vleermuis rakelings langs mijn hoofd, dan verstijf ik. De tocht voert langs prachtige kasten, fraai bewerkte tafeltjes en voorname stoelen en banken, ze doen de laatste slotbewoners herleven. Hun lief en leed proef ik. De rode loper eindigt op een knusse plek: een kleine ruimte vol boeken. Vanuit de wegzakstoel is het hele voorplein van het kasteel te overzien.

Maar ‘Avondrood’ is mijn plek, daar volg ik vanaf bed de onverwachte wendingen van buizen en balken, elk met een eigen koers in naderen en wijken, in alleen voortgaan en dan toch weer elkaar vinden in evenwijdigheid. Balken en buizen, ze zijn als mensen…

Aly Brug.

(Eerder gepubliceerd in Centraal Weekblad.)

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *