Augustinus

Artikelen over het leven en de geschriften van Augustinus van Hippo


Augustinus VIII – Een zuiver hart

Een toegewijd hart, een aandachtige geest, een zuivere liefde en oprechte genegenheid, dat wil God van ons hebben. Waarom is dan nog een gebed nodig? Omdat het ons hart zuivert, verheldert en verruimt. Het gebed is nodig, omdat wij God zo gauw vergeten in ons leven. Bij het gebed keert het hart zich tot de Heer, Die altijd bereid is om te geven. Maar wij moeten wel openstaan voor wat Hij geeft! Daarom moeten wij bidden.


Augustinus VII – De wet

De gerechtigheid van hen die het Koninkrijk der hemelen zullen binnengaan, is dat zij niet zonder reden kwaad worden. Het geringste niet doden. En wie dat gebod opheft, zal de geringste worden genoemd in het Koninkrijk der hemelen. Volmaakt is degene, die niet alleen niet doodt, maar ook niet zonder reden kwaad wordt.


Augustinus VI – De bergrede

Bij elke trede op de weg naar de volmaaktheid horen we van een passende beloning. Het Koninkrijk der hemelen wordt aan de armen van geest toegezegd. Aan de zachtmoedigen wordt een erfenis geschonken: het land. De bedroefden ontvangen troost. Zij die hongeren en dorsten ontvangen verzadiging, de barmhartigen barmhartigheid, en die zuiver van hart zijn zullen God zien. En tenslotte de vredestichters, zij zullen kinderen van God genoemd worden, omdat zij volmaakt zijn naar het beeld van God.


Augustinus V – De val van Rome

Toen Rome in 410 viel zeiden de heidenen: Kijk, dat gebeurt er nu, als je de goden verlaat! En de Christenen zeiden net zo iets: Wat heeft het Rome geholpen Petrus en Paulus te bezitten? Augustinus heeft veel moeite gedaan deze negatieve stemming de kop in te drukken.


Augustinus IV – Hippo Regius

Augustinus preekt na een sterfgeval: “Als de dode begraven is, dan zijn ook die gedachten begraven. Ze gaan terug naar hun bedriegerijen, hun diefstallen, hun meineden, hun wijn drinken, naar de ontelbare lusten van het lichaam die vergaan. En, wat nog verderfelijker is, juist de pasbegravene wordt dan  een argument voor het begraven van hun gezonde verstand: laat ons eten en drinken – zeggen zij immers – want morgen gaan ook wij dood.”


Augustinus III – Terug in Afrika

Volgens Augustinus ligt de oorzaak van het kwaad niet in een zelfstandige substantie, maar uitsluitend in de vrije wil van de mens. De “goede wil” kan de mens voor het kwaad behoeden. Waar het kwaad vandaan komt, weet hij niet, het is een “privatio”, een gebrek, een niet-zijn, dat zich aan elke redelijke verklaring onttrekt. Maar hij weet wel, dat, wanneer wij het kwade niet willen, het er ook niet is.


Augustinus II – Milaan

“Ik riep de klagende woorden uit: Hoe lang nog, hoe lang nog zal het zijn: morgen, altijd door morgen? Waarom niet nu? Waarom niet in dit uur het einde van mijn smaadheid? Zo sprak ik en ik weende in de bitterste verbrijzeling van mijn hart. En zie, daar hoor ik een stem uit de naburige woning, alsof een knaap of een meisje, dat weet ik niet, op zingende toon zei en steeds weer herhaalde: “Neem, lees, neem, lees”. Ik begreep, dat ik het boek moest openen, dat voor mij lag.


Augustinus I – Noord-Afrika

Augustinus werd geboren in 354 in Noord-Afrika, dat indertijd door de Romeinen was bezet. Oorspronkelijk woonden daar Berbers, maar het was nu een Romeinse provincie geworden: Africa Proconsularis. Zijn vader, Patricius, was lid van het stadsbestuur van Thagaste, waar zij een landgoed bezaten. Heidendom en Christendom bestonden toen nog naast elkaar. Zo was vader Patricius een heiden en moeder Monica een oprecht Christen. De jonge Augustinus behoorde tot de kerk, hoewel hij niet gedoopt was.