Worstelen met of sámen met God


Biddende handenOp een dag loop je vast. Wij hebben allemaal eens ervaren dat God op een beslissend moment Zijn engelen uitzendt om ons te helpen (Ps.91). Alsof we Hem ná konden rekenen. Net zovaak hebben we meegemaakt dat wij dingen niet op een rijtje krijgen. God verhoort niet of grijpt niet in. Zeker, alle gebrokenheid, onvolmaaktheid en kwaad komt niet van God én straks komt de volmaaktheid. Dat staat als een huis! Wij leven nu in een wereld waar geldt: ‘Wie bidt ontvangt’ én waar blijkbaar tegelijk momenten niks gedaan kan(?) worden om het kruisoffer van Jezus tegen te houden en dat mensen waarom dan ook sterven, oud én jong.

Wat kunnen we erover worstelen mét God. Maar worstelen met God verlies je en maakt verder van God los, verbittert! Jacob worstelde er ook zo mee (Gen. 32-33). Hij moet zijn broer Esau ontmoeten en heeft alle reden om daar als een berg tegen op te zien. En voordat hij zijn broer zal ontmoeten raakt hij ook nog in gevecht met God. Bijzonder is dat dit gevecht van Gód uitgaat. Ik denk dat dát typerend is voor al onze worstelingen. Niet wij worstelen met God, maar vanuit de kant van God komt er een gevecht. Dingen worden plotseling anders dan dat je eerder van God ervaren hebt. Zoals je met God was opgevoed, zoals je Hem zag: het begint je aan te vallen, te knokken in je, mét je zelfs. Er komt een kloof. Je godsbeeld valt je aan. Dat gevecht kan zo heftig worden dat de Here er nb Zijn hand vol aan heeft; vol aan jou.

Duidelijk in de worsteling van Jacob is dat de Here Jacob tegen zijn verstand en gevoel in ermee te hulp wil komen. Dit blijkt dus niet een worsteling van Jacob mét God te zijn of tégen God, maar een worsteling om samen mét God Esau tegemoet te gaan. Jacob wil dan ook uit die worsteling, aanvechting de zegen van de Here verkrijgen: Ik staak dit gevecht pas als U mij zegent. Dat doet hij door de Here in plaats van tegenstander tot zijn bondgenoot te maken ín zijn strijd met zijn broer.

Dit is een les voor ons: De Here tot je bondgenoot maken tegenover je pijn, verdriet en gemis. In mijn ogen is dat ook Jezus’ missie geweest en door de Heilige Geest is Hij – doet Hij zo nóg. De Here maakt zich één met ons tégenover ons probleem. Hij vereenzelvigt Zich met ons in zo’n situatie. Hij zegt: in jouw ziek, eenzaam en verdrietig zijn, ben Ik dat óók (Matth. 25). Daarom moeten we onze strijd met onze moeiten niet tégen God uitvechten, alsof God het probleem is, maar samen mét God, met de Here Jezus die strijd te lijf gaan. Hem ervoor inschakelen; laat Hém dat gevecht maar doen! Er is niks waarin Hij ons niet aanvoelt, meevoelt en Hij laat er ons ook nooit mee zitten. Hij trekt ons lot Zich aan. Hij lijdt er Zelf óók onder. Ds. Geert Boogaard die drie kinderen moest verliezen én zijn vrouw schrijft dan: ‘Wie heeft haar leven ingekort en van haar jaren afgedaan? Ik weet het niet, ik zeg niet: God; ik spreek Hem liever vragend aan: Vond U het ook zo’n zware dag, toen zij te sterven lag?’ In die strijd krijgen wij de Heilige Geest en Die geeft ons vrede in onze situatie; een vrede die alle verstand te boven gaat. Voor mij is dit de juiste houding in ons omgaan met zorgen. Niet knokken mét God over je berg van zorgen, maar sámen met God die berg tegemoet gaan. Zoals iemand zei: ‘Als ik al die ellende zie, zeg ik nooit: Waarom doet God daar niks aan. Ik zeg altijd: Gelukkig is God er ook, als Die er niet was, dan zou het nog veel erger, moeilijker zijn.’

Zo hebben ook die ‘geloofdshelden’ geleefd uit Hebreeën 11. Van deze mensen staat dat ze in het geloof gestorven zijn en géén van Gods beloften in vervulling zagen gaan. Blijkbaar wisten deze mensen dat het net zo goed kan dat God pas vervulling van Zijn beloften gaat geven op de nieuwe aarde (13-16). Toch haakten deze mensen niet af. Die belofte was voldoende voor hen. Ze zijn ermee doormidden gezaagd, voor de wilde dieren gegooid (17-40), God greep niet in en soms gingen ze die weg zelfs zingende. Zoals vrienden van ons die lichamelijk erg weinig kunnen en hebben, maar bruisen van geloof, hoop en liefde en de karrentrekkers zijn van hun kerk. Toen ze wat te vieren hadden zeiden ze: ‘Wij willen vandaag niet denken aan wat we niet kunnen en niet hebben.’ Met God springen ze over hun muur van zorgen (David). Gods kracht wordt in hun zwakheid volbracht (Paulus).

Hoe je tot zo’n visie komt? Door ons gesprek mét God, ons gebed: Ik laat U niet gaan tenzij U mij zegent. Tegen de berg zeggen hoe groot God is en tegen God hoe groot de berg is! Ons gebed is de kracht om verder te kunnen. Niet dat de situatie dan altijd anders wordt. Er is geen enkele garantie dat ik krijg wat ik vraag. Soms komt dat pas op de nieuwe aarde. Maar ík word anders in die situatie. Er tekent zich een regenboog af in de wolken. Die staat altijd tégen het noorden: juist waar de kou vandaan komt en ’t donker is. En als er geen engel komt om uit de narigheid te halen, komt een engel je er dwars doorheen leiden: een geleide-engel. Toon Hermans bidt dan: ‘Heer, toen ik in het diepe dal zat en geen spatje meer zag van het licht op de top, heb ik U aangeroepen en het werd lichter. Het licht kwam in het dal, en langs het licht klauterde ik weer omhoog, moeizaam, maar eenmaal aan de top zag ik het licht in volle glorie. Het leed was geleden, en dankbaar heb ik Uw licht omhelsd. Nu weet ik zeker: U bent het stralende licht aan de top van de berg, maar ook de schittering van het vonkje in het dal.

Ds W. van Herwijnen

(Ds. van Herwijnen is PKN-predikant in Zwijndrecht. Dit artikel is in verkorte vorm als column gepubliceerd in het Nederlands Dagblad, n.a.v. de brand in Kampen, waarbij vier kinderen om het leven kwamen. Van zijn hand verschenen verschillende werken, o.a. ‘Als je het moeilijk geloven kunt’ en ‘Op Gods weg blijven’.)

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *