Wij hebben Zijn Heerlijkheid aanschouwd


Johannes 1, 14

Kind op strobedjeZou het voor de herders niet een geweldige ontnuchtering geweest zijn, toen zij na de wonderbaarlijke gebeurtenissen in de nacht het kind in de kribbe zagen? De aankondiging van de engelen dat de Zaligmaker geboren was en het zien van zo’n gewoon kind in een armelijke omgeving lijken niet bij elkaar te horen. In het veld van Efratha is daar de hemelse heerlijkheid van de engelen van God, waar ze wel even van schrikken. Dat God ’s heerlijkheid zo maar openbaar wordt aan de nederigsten van de mensen, want zo voelden de herders zich toch en zo zagen de mensen ook op hen neer: randfiguren van de maatschappij. Geen wonder dat ze vreesden met grote vreze!

En als dan de engel gaat spreken van grote blijdschap, “die heel het volk ten deel zal vallen”, omdat de Christus geboren is in Davids stad, dan maakt hun schrik plaats voor ontzag, vreugde, verbazing, aarzeling, een mengeling van gevoelens, die nog sterker wordt, als zich bij de engel een menigte van hemelse legerscharen voegt, zeggende:

“Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde
 Bij mensen des welbehagens”
(Lukas 1, 14)

We kunnen ons voorstellen met hoeveel overstelpende gevoelens deze eenvoudige mensen tot elkaar zeggen: “Laten we gaan kijken! Kom, we gaan!”

Dat zij ineens volop die boodschap geloven is eigenlijk ongelofelijk. Maar bij de kudde blijven kan toch ook niet meer, als je zo iets gehoord hebt. En dan gaan ze, wat schuchter en aarzelend, op weg, in de richting van de stad, een goed half uur verderop westwaarts. En ze komen bij de kribbe en zien het kind. Een heel gewoon kind. Een armeluis kind zelfs. Zonder stralenkrans of enig uitwendig teken van heerlijkheid. Niets bijzonders eigenlijk. Dat was dus het kind, waarvan de engel had gesproken en waarover de hemelse legerscharen hadden gezongen! Dat moest dan de Heiland der wereld zijn! Het kan wel niet anders, of de scherpe tegenstelling tussen dit doodgewone toneel en de wonderbare openbaring in het veld moet de herders hebben getroffen, en het treft ons vandaag nog. Zij hadden stellig wat anders verwacht dan wat zij hier zagen. Iets indrukwekkends, iets bijzonders, iets dat, eer lag in de sfeer van wat zij ’s nachts beleefd hadden. Zijn ze niet teleurgesteld? Een beetje wel, denk ik. Ook aan de ouders is niets bijzonders te zien, zeker niet iets goddelijks. Alles is zo gewoontjes, zo alledaags. Wat zou er in hun hart omgegaan zijn, bij die herders? Dat zou ik wel eens willen weten, u niet?

Maar het Evangelieverhaal rept er met geen woord over. Het zegt alleen: “En toen zij het zagen, maakten zij alom bekend het woord dat van dit kind tot hen gezegd was”. Zij verkondigen niet wat zij gezien hebben, maar wat zij gehoord hebben. Zouden we hieruit niet mogen opmalen, dat de indruk van het Kind niet zo geweldig was, maar wat zij over Hem gehoord hebben wel. En daar raken ze niet over uitgepraat! Dat engelenwoord en dat gezicht van al die engelen had een bijstere indruk op hen gemaakt! En toch is dat Kind in de kribbe meer bijzonder dan al die engelenverschijningen! Dat Kind in de kribbe, dat Zich uiterlijk in niets onderscheidt van welk ander kind ook, dat is Gods grote daad jegens de wereld, Zijn geschenk aan de wereld. Dat Kind in de krib is de vervulling van de hele Oudtestamentische heilsverwachting. Naar dat Kind hadden zo vele geslachten uitgezien, en van dat Kind hebben de profeten vol verwachting gesproken. De engelen en hun lied zijn niets anders dan het voorspel, ze zijn er alleen ter wille van dat Kind.

Daar kunnen we iets van leren, namelijk om bescheiden te zijn en in alle bescheidenheid ook kerstfeest te vieren. Wij doen de dingen graag met veel ophef van woorden en opsmuk van de dingen. Hoe meer drukte, hoe meer grootsigheid, hoe belangrijker en indrukwekkender wij er door worden. Wij doen dat, denk ik, omdat wij zelf zo klein en onbeduidend zijn. Maar God is groot. Hij heeft die opmaak niet nodig. Hij kan schijnbaar kleine dingen doen zonder dat Zijn grootheid er door wordt aangetast. Gods grootste werk is het zenden van Zijn Zoon in deze wereld, zó dat niemand merkt wat er gebeurt, behalve het groepje herders dat wordt verwaardigd het uit de engelenmond te horen.

Zo is het eigenlijk Jezus’ gehele leven geweest. Toen Hij optrad in het openbaar, kwam Hij uit de timmermanswerkplaats in Nazareth. Niets wees er op, dat Hij iets bijzonders was. Wij zijn gewend het de Farizeeën en Sadduceeën kwalijk nemen, dat zij Jezus niet direct als de Messias hebben erkend en begroet. Maar eigenlijk moeten we ons er over verwonderen dat er nog mensen zijn geweest, enkelen slechts, die Jezus wel als Messias zijn nagevolgd. Het was immers zo gewoon, zo natuurlijk. In de tijd van Jezus hadden de mensen best wel een idee, hoe de Messias er uit zou zien. En Jezus had daar helemaal niets van weg! Ze zagen niet de wan in Zijn hand en de bijl aan de wortel van de boom, zij merkten niets van de “roede van Zijn mond”, waarmee Hij de heidenen zou slaan, zoals de profeten hadden voorzegd. Aan de Mensenzoon op de wolken van de hemel beantwoordde Hij al helemaal niet! De geestelijke leiders van hun volk liet Hij links liggen. Alleen een stelletje geminachte Galileeërs volgde Hem. En de wonderen, die Hij deed? Ach, wonderdoeners waren er in die oosterse wereld altijd al geweest.

Als wij toen hadden geleefd, zouden we in Jezus waarschijnlijk ook niets bijzonders ontdekt hebben. Toch waren er mensen, die in Zijn verschijnen “heerlijkheid” hebben gezien. Johannes zegt vooraan in zijn Evangelie: “En wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Maar daarmee is vast niet Zijn uiterlijke verschijning bedoeld, maar iets dat veel dieper lag. Die herders hadden er ook iets van geproefd, vandaar hun grote blijdschap, en die Galileïsche vissers, en de belangrijke heer Nikodemus en de Samaritaanse vrouw en die rijke juffrouw van lichte zeden Maria Magdalena, zij allen hebben ieder op hun eigen manier iets van Jezus’ heerlijkheid gezien. “Vol van genade en waarheid”, zegt Johannes er bij. Zou het dat niet zijn, wat God door Hem aan de wereld te brengen had? Genade en waarheid! Dat zijn geen dingen, die de natuurlijke mens kan verstaan. Het zijn vreemde zaken in deze zondige wereld. Alleen de geestelijke mens, die met andere ogen kijkt, die het Koninkrijk van God verwacht, die kan dat zien. Genade en waarheid, dat heeft het Kindeke Jezus ons gebracht. Genade van God jegens een in zonde weggezonken wereld; en waarheid, dat is wat bij God vast staat, in deze onwaarachtige schijnheilige wereld, dat is: dat Hij er Zijn Koninkrijk op vestigt. Jezus’ leven was één aaneenschakeling van getuigenissen van die genade en waarheid van God. Zo zelfs, dat zij die voor deze goddelijke dingen geen oog hadden Hem uitscholden voor een valse Messias. Maar ook, dat wie de heerlijkheid van Hem gezien hadden, voor Hem neervielen en Hem aanbaden, net als Thomas, de ongelovige Thomas, die na Pasen tot de bevrijdende ontdekking kwam van Jezus’ messiasschap en neerviel voor Zijn voeten, vol verbazing uitroepend: “Mijn Here en mijn God!” Dat was Zijn heerlijkheid, waarvoor Thomas ‘ ogen opengingen. Je ogen moeten daarvoor opengaan, anders gaat het niet. Sommigen overkwam dit. Maar wie niet door het zo gewone uiterlijk van Jezus heen kon kijken, merkte helemaal niets van die heerlijkheid. God opende het oog van de herders door de engelenboodschap. Zelfs de Emmaüsgangers zagen het niet, voordat hun ogen er voor geopend werden.

Voor ons, die achter de feiten staan, is het zoveel gemakkelijker de heerlijkheid van Jezus te zien dan Zijn tijdgenoten. Wij hebben de Schriften, wij kennen de Evangelieverhalen. Wij weten welk leven er volgde op de die armelijke kribbe, wij weten ook met welke dood dat leven eindigde. Gelukkig mogen wij ook weten hoe de opstanding en de Hemelvaart daarop volgden. Als wij in de geest bij de kribbe staan, hebben wij geen afzonderlijke boodschap van engelen meer nodig om ons te zeggen wat dat Kind betekent. Wij mogen de heerlijkheid van Jezus aanschouwen, vol genade en waarheid.

Maar juist daarom mag het kerstfeest voor ons niet zo maar een vrolijk feest zijn, gezellig, maar oppervlakkig. Daarvoor is de boodschap van Kerst te ernstig. Als God ons Zijn genade en waarheid toont, dan past het ons dat wij ons schuldig hoofd buigen, dat wij stil worden, dat ons schuldbesef wakker wordt, dat wij voelen deze genade van God niet waard te zijn. Bij de kribbe verstomt alle menselijke geredeneer. Daar kan een mens alleen maar stil zijn en zonder wil zijn, aanbidden Gods eindeloos erbarmen, zoals Nel Benschop zo prachtig gedicht heeft. En zij gaat verder met “Als Gij Heer ons hart wil verwarmen, zal de aarde niet langer zo kil zijn”. Dat zet Kerst in het goede perspectief. Het geeft ons een opdracht: warmte te brengen op deze zo kille aarde en te laten zien, wat Gods heerlijkheid in de praktijk is. Hoe het van binnenuit in de harten van mensen moet komen. Niet dat, wat wij misschien voor heerlijkheid hebben gehouden: gezondheid, welvaart, voorspoed, carrière, werelds vermaak en al die zo mooie aardse zegeningen, is het. Dat alles is o zo tijdelijk, breekbaar en bedrieglijk. Nee, het moet gaan om de heerlijkheid, die God ons schenkt, waarvoor Hij ons de ogen wil openen: dat een mens verzoend wordt met God en dus ook met het leven zoals het gaat en komt, ook als dat lijden en verdriet betekent. Een mens wordt verzoend! Zo willen wij het kerstfeest vieren .Niet met veel opsmuk en vermaak, maar ootmoedig en dankbaar, diep in ons hart, omdat God ons Zij genade en waarheid heeft gebracht en omdat ook wij Gods heerlijkheid mogen aanschouwen.

Nu kan ik alleen nog maar blij zijn
En zingen met nieuwe gezangen.
Geen duisternis houdt mij gevangen,
Ik mag tot in eeuwigheid vrij zijn.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *