Wat niet beschreven is


“Jezus heeft nog wel veel andere tekenen voor de ogen van zijn discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam” (Joh.20, 30).
“Er zijn echter nog veel andere dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan zou naar ik meen de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten” (Joh.21, 25).

Opengeslagen bijbel met vergrotglasHet Evangelie van Johannes neemt naast de drie andere Evangeliën een geheel eigen plaats in. Dit blijkt al direct uit de woordkeus en de manier van beschrijven, maar vooral ook uit de bijzondere dingen die alleen in het Johannes-Evangelie te vinden zijn. Johannes plaats Jezus van meet af aan in Zijn heerlijkheid als Zoon van God. Daarom is er ook niets geheimzinnigs rondom de persoon van Jezus, wat bij de andere Evangeliën nog wel het geval is. Bijvoorbeeld als Jezus de discipelen gebiedt hun mond te houden over de wondere dingen die zij gezien hebben. Johannes ziet Jezus als de Godsgezant, die gekomen is om Gods macht en heerlijkheid aan de mensen bekend te maken. Tegelijk is Jezus ook de Zoon van God, Die één is met de Vader en daarom ook alleen maar de werken van Zijn Vader doet. “Ik ben het licht der wereld, het brood des levens, de weg, de waarheid en het leven, de ware wijnstok….” Dat Jezus het zó openbaar maakt, wie Hij is en wat Zijn opdracht is, dat is typisch voor het Johannes-Evangelie. Zo zijn er ook bijzonderheden in dat Evangelie, die wij vanuit onze tijd niet zo gemakkelijk meer kunnen plaatsen. Toch zit er in dit Evangelie een strakke lijn en weten we precies, waarom Johannes het Evangelie geschreven heeft: “opdat gij gelooft, dat Jezus is de Zoon van God en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam”. We noemen dit het eerste slot van het Johannes-Evangelie, omdat er daarna nog een hoofdstuk komt: hoofdstuk 21. Dit hoofdstuk, wat later is toegevoegd, is een grote rol gaan spelen in de prediking na Pasen. Johannes is immers daarmee de enige Evangelist, die aan het eigenlijke Paasverhaal nog iets toevoegt. Daarmee wordt te kennen gegeven, dat het leven met Pasen niet ophoudt, maar dat Gods zorg voor ons doorgaat, alle tijden door, juist omdat het Pasen geweest is.

Dit merkt als één van de eersten Petrus. Hij is bezig aan het meer van Galilea, in de buurt van Tiberias. Hij is druk doende met andere discipelen het oude beroep weer op te vatten. Ze zijn met hun zevenen. Vast niet toevallig, dit getal zeven. Vijf worden bij naam genoemd, twee blijven ongenoemd. Wij denken aan de vijf broden en twee vissen. Het getal zeven is een Bijbels getal, het geeft de goddelijke volheid aan. Die zeven discipelen staan voor het geheel van de discipelen. Allemaal zijn ze weer met hun normale werk en bezigheden begonnen. Die zeven gingen weer vissen, ’s nachts, als de vissen boven komen, maar zij vangen niets. Dan staat daar een man aan de oever, die zegt, dat zij de netten aan de rechterkant moeten uitzetten, heel ongewoon. Maar als zij het toch doen zijn de netten barstensvol van vissen. Als ze geteld worden zijn het er 153. Weer zo’n intrigerend getal! Wat zou dat betekend hebben? De oude kerkvader Hiëronymus heeft het al in de vierde eeuw na Christus zó uitgelegd: het zijn het aantal vissoorten, dat de mensen in zijn tijd kenden. Het getal duidt dan op volledigheid. Het wijst op de christelijke zending, die de hele wereld moet omvatten. Andere geleerden hebben uitgevonden, dat het getal 153 een driehoeksgetal is met als basiscijfer 17. Een driehoeksgetal is de optelsom van een reeks, bijvoorbeeld 1-2-3-4 enz. Als je doorgaat tot 17 en dan al die cijfers bij elkaar optelt, krijg je 153. Ook het befaamde getal 666 uit de Openbaring is zo’n driehoeksgetal, met als basis 36. In de kringen van de getallenmystiek wordt daar veel over gespeculeerd. Maar voor onze uitleg van Johannes 21 heeft het niet veel zin. Het belangrijkst is, dat we moeten geloven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en zó gelovende het leven hebben in Zijn naam.

Het geheimzinnige tweede einde van het Johannes-Evangelie vertelt weer iets over Petrus. Hij heeft zijn Heer drie maal verloochend tijdens het proces van Jezus. Mattheüs vertelt nog, dat het Petrus berouwde en dat hij bitter weende. Maar verder is het niet tot een oplossing gekomen. Petrus droeg het nog met zich mee als een steen op het hart. Op het einde van het eenentwintigste hoofdstuk van het Johannes-Evangelie wordt nu verteld, dat Jezus daar iets aan doet. Het moet tot een verzoening komen tussen Hem en Petrus! Tegenover de drievoudige verloochening stelt de Heer drie vragen aan de discipel: Heb jij me lief? Jezus verwijt Petrus niets, de vraag is ook geen uiting van teleurstelling of verdriet. Wij zouden dat logisch hebben gevonden, wanneer ons zo iets was aangedaan. Maar Jezus leeft niet uit verwijt of medelijden, de Heer leeft uit liefde en Hij verwacht ook die liefde bij Petrus en bij ons.

Hebt gij Mij lief?” Petrus antwoordt tot drie keer toe met een krachtig “Ja, Heer, ik heb U lief!” Daarop krijgt hij de opdracht om de Gemeente te hoeden, waarbij een profetie aansluit, die een donker vermoeden geeft van Petrus’ marteldood: hij zal, als hij oud is geworden, zijn handen moeten uitstrekken en dan omgord worden door een ander en gebracht worden naar de plaats, die hij zelf niet gekozen heeft. Dit duidt de gevangenneming aan en het wegvoeren naar de plaats van de terechtstelling. Volgens een latere traditie is Petrus de marteldood gestorven tijdens de grote Christenvervolging onder keizer Nero. Hij is net als zijn Heer gekruisigd, maar met het hoofd naar beneden.

En zo kon Johannes na het eerherstel van Petrus en de aankondiging van diens levenseinde het slot van zijn Evangelie schrijven, waarbij hij nogmaals benadrukt hoe onvolledig zijn berichtgeving is. Als alles opgeschreven zou worden, wat Jezus gedaan heeft, zou de wereld de boeken niet kunnen omvatten.

Het is goed, dat Johannes hier nog even de nadruk oplegt, want wij zouden ook veel meer over Jezus willen weten, zeker ook over wat Hij gedaan heeft in de tijd na Pasen. Het Nieuwe Testament is maar een dun boekje. De vier Evangeliën tellen samen129 bladzijden. Dat is zoiets als een Boekenweekgeschenk! Over Jezus’ jeugd weten we praktisch niets. Uit de korte tijd van Jezus’ openbare optreden weten we zo weinig, dat dit eigenlijk in enkele maanden had kunnen gebeuren. Ongeveer de helft daarvan heeft dan nog plaats in de laatste week, in ’t bijzonder de laatste nacht en dag van Jezus’ leven. Afgemeten naar de huidige stand van de romanliteratuur zijn de Evangeliën amper meer dan eenvoudige kinderlijke opstellen. Hoe komt dat nou? Was er niet meer te vertellen geweest? Natuurlijk wel! Maar Johannes zegt ons vandaag, dat het nodige verteld is: wat wij nodig hebben om te kunnen geloven! De Evangeliën zijn in de eerste plaats geloofsgetuigenissen. Zij beogen geloof te wekken en dit geloof te voeden. En Daarom is er door de schrijvers Mattheüs, Marcus, Lucas en Johannes een keuze gemaakt uit de dingen, die zij wisten en waaruit zij leefden. Daar komt bij, dat deze geloofsgetuigenissen bestemd waren om in de Gemeente voorgelezen te worden. Zij zijn als ’t ware instrumenten in Gods hand om het geloof te voeden en de Gemeente op te bouwen. Ze laten ons zien, dat God er bij is, in de Gemeente, waar twee of drie gelovigen samen zijn. Hij is het fundament van de Gemeente! Daartoe lezen we elke zondag uit de Schrift. Wij moeten er bij bepaald worden, dat het leven ons niet toebehoort, maar Hem. En dan mag het Nieuwe Testament maar een dun boekje zijn, toch staat daar alles in, wat we voor het leven nodig hebben. God woont er in en is er voor iedereen te vinden!

Dit maakt het tweede slot van het Johannes-Evangelie ons duidelijk: ons onvermogen om Gods rijkdom onder woorden te brengen. Alle boeken, die mensen kunnen schrijven, blijven immers mensenboeken en zij kunnen juist daarom Hem niet bevatten, die meer is dan een mens. En als zij het wel konden, dan zou de wereld te klein zijn om al die boeken te bevatten, zo veel zou er immers over Jezus te vertellen zijn. Maar het eerste slot van het Johannes-Evangelie laat ons gelukkig zien, dat ’t ook helemaal niet nodig is. Immers wat geschreven is, is voor ons genoeg, meer dan genoeg: om te geloven en gelovende leven te hebben in zijn naam. Hij is het, Die het leven schenkt: aan Petrus en aan een ieder van ons.

Gelooft dan ook dit Evangelie en leeft in Jezus’ naam!

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *