Waar blijft U met Uw wonderen?


Lukas 1, 1-4 Lukas 4, 31-41 Handelingen 5, 12-16

Lukas. Byzantijnse schildering uit de 10de eeuwWij geloven tegenwoordig niet meer zo gauw in wonderen. Voor velen lijkt het een sprookje, als Lucas vertelt: door de handen van de apostelen geschiedden veel tekenen en wonderen onder het volk. Dat staat beschreven in het boek Handelingen, het vervolg van het Evangelie, dat Lucas schreef. Je zou kunnen zeggen: “Hoe het met het Evangelie verder ging”. Jezus was niet meer op aarde, maar de wonderen bleven en getuigden van Hem. Wat zouden we graag willen, dat het nu nog zo was! Hoe geweldig zou het niet zijn, als we vanmorgen hier in Kattendijke getuigen konden zijn van zo’n wonder!

Soms hoor je er wel eens van, dat er zo’n wonder is gebeurd, bijvoorbeeld van die vrouw die in de Alblasserwaard genezen werd van een ernstige ziekte, of van mensen die in een genezingsdienst in Leiderdorp zijn geweest. Het is dus best een actuele vraag: waar blijft U met Uw wonderen? Als ik hierop ga antwoorden, wil ik bij drie dingen stil staan. Ten eerste is daar de vraag: Zijn deze wonderen er ooit wel geweest en is het waar wat er soms ook nu nog verteld wordt? Ten tweede: Als dat waar is, waarom merk ik er dan niets van? En ten derde: Hoe kan ik zelf een wonder meemaken?

Ik probeer op deze vragen een antwoord te geven. “Zijn de wonderen, waarover Lucas verteld, er ooit wel geweest?” Ja, zult u zeggen, dat staat toch in de Bijbel? De Psalmen spreken er van en de Evangelisten en de Apostelen. Toch is dit voor velen een vraag, omdat ze niet alles in de Bijbel serieus nemen. Het kunnen toch ook fabeltjes zijn?! Gedachtespinsels, mooimakerij. Het hoorde gewoonweg bij die wereld. De mensen wisten toen nog niet beter. Zij geloofden in geesten en tovenarij. Als iemand bijvoorbeeld leed aan epilepsie, dan was hij gehekst. Hoe vaak wordt er niet verteld, hoe Jezus bij zieke mensen boze geesten uitdreef?

Laten we eerst eens gaan kijken, wat de Bijbel hier zelf over zegt. Lucas bijvoorbeeld, hij schrijft een boekje, niet als een soort boekenweekgeschenk, om er een prijs mee te winnen of zo. Dat blijkt al direct uit de lange inleiding. In vier lange zinnen vertelt hij waarom. Veel mensen hebben al een verslag geschreven over alles wat er met Jezus gebeurd was. Maar volgens Lucas niet nauwkeurig genoeg. “Daarom heb ik besloten, na alles van meet af aan nauwkeurig te hebben nagegaan, dit in geregelde orde voor u te boek te stellen, hoogedele Teofilus, opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waarvan gij onderricht zijt.” Wie zou dat geweest zijn, die Teofilus? Even later zien wij hem in zijn werkkamer zitten, gebogen over de boekrol van Lucas. Hij is de eerste van al die miljoenen die dit Evangelie geboeid zouden gaan lezen! Vast een ontwikkeld persoon, die geen genoegen nam met praatjes van de straat. Er werd al zo veel over Jezus en zijn volgelingen verteld! Nee, hij moest het getuigenis uit de eerste hand hebben. En dat had hij nu! “Hoogedele Teofilus!” schrijft Lucas. Blijkbaar is hij een hooggeplaatst ambtenaar in het grote Grieks Romeinse Rijk. Waarschijnlijk woonde hij in Caesarea, de Romeinse hoofdstad van Palestina, in een groot deftig huis, zoals daar wel opgegraven zijn. Daar in Caesarea waren al heel wat mensen tot geloof gekomen, door de activiteiten van Philippus en zijn dochters. Ook Paulus was daar geweest en in zijn gezelschap Lucas. En de mensen, die daar woonden, waaronder veel Romeinen, wilden er wel iets meer van weten, zeker of het wel waar was wat men van Hem vertelde, al die wonderen en genezingen. Zo iemand was Teofilus ook. Je zou in hem zo’n modern ongelovig mens van onze wereld kunnen zien. Een mens, vol met vragen en onzekerheden. Je zou hem regelrecht naast ons op de kerkbank kunnen zetten! Wat is er allemaal van wat de mensen zeggen? Mensen kletsen zo veel! De één vertelde dit over Jezus, de ander dat. En de verhalen werden steeds mooier! Hoe kon je dat nou nog geloven? Aan de andere kant: als het nou toch eens waar was… dat zou toch wat zijn! Dan zou God op aarde gekomen zijn, en daar zou je dan toch wel bij willen zijn!

Zou het niet daarom zijn, dat Lucas zijn boekje geschreven heeft? Om aan al die onzekerheid onder de mensen een einde te maken. Hij schuift als ’t ware ook bij ons aan en vertelt maar, één uur, twee uur, drie uren lang. Over Jezus, hoe het geweest is, wie Hij was, wat Hij gezegd en gedaan heeft. Altijd maar doorvertellen wat de mensen, die Jezus gezien en gekend hebben, met Hem hebben meegemaakt. Van stap tot stap neemt Lucas ons mee, We worden met de neus op de feiten gedrukt. De hele Bijbel neemt Lucas met ons door! En al luisterend gaat er bij Teofilus een lampje branden, een eerste vonkje van geloof. Luisteren is ook voor ons de eerste voorwaarde om tot geloof te komen. Gewoon luisteren naar wat deze man, Lucas, ook ons te zeggen heeft!

Natuurlijk, dan nog zou je kunnen zeggen: maar is het wel waar, wat die man allemaal over het leven van Jezus weet te vertellen, al die wonderbaarlijke verhalen en genezingen? Nou, dat is niet zo’n vreemde vraag. Alleen voor Lucas is dit een vraag buiten de orde! Omdat hij geen fantast is, omdat hij een wetenschapper is, een arts, die alleen maar conclusies trekt, als hij een goede diagnose gesteld heeft. Ik wil maar zeggen: hij is erg betrouwbaar, je kunt gerust van hem op aan. Hij gaat niet af op wat men vertelt. Als gestudeerd man gelooft hij niet in fabeltjes, nee hij moet alles zeker weten. Zo zegt hij het ook in die eerste lange zinnen van zijn boek: dat hij alles nauwkeurig van meet af aan is nagegaan. En dat kon hij ook, omdat hij als lijfarts van de apostel Paulus naar Palestina was gekomen. U weet waarschijnlijk wel, dat Paulus een collecte had gehouden in zijn nieuw gestichte Gemeenten in Turkije en Griekenland, voor de armlastige moedergemeente in Jeruzalem. Het was een eerste actie in het kader van wat wij later “werelddiaconaat” zouden gaan noemen. Om dat geld naar Jeruzalem te brengen kwamen zij door Caesarea. Daar hebben de Romeinen Paulus gevangen genomen, op aanstoken van sommige Joden. Twee jaar zat hij daar gevangen en had Lucas de tijd om navraag te doen naar Jezus. Zo heeft hij nog veel mensen gesproken, die Jezus nog persoonlijk gekend hadden, o.a. Maria de moeder van Jezus. Zo komt het ook, dat Lucas veel bijzonderheden weet te vertellen over het gezin van Jozef en Maria, het Kerstverhaal en de 12-jarige Jezus in de tempel. Hij weet van die dingen meer dan Matteüs, Marcus en Johannes. Waarmee ik maar wil zeggen: wat die Lucas heeft opgeschreven, moet wel waar zijn! Hij was een precieze speurder en God heeft hem willen gebruiken om ons de waarheid te vertellen. We moeten dan ook niet te gauw zeggen, dat het Evangelie alleen maar voor eenvoudige en domme mensen is. Lucas en Teofilus bewijzen het tegendeel! Zij mogen de wonderen van God doorgeven aan de anderen, om mensen tot geloof te brengen.

Waar blijft U met Uw wonderen? Nu moeten we nog spreken over de tweede en derde vraag. Waarom zien we die wonderen vandaag niet meer? Of zijn ze er nog wel? Waarom merk ik er dan zo weinig van? Ons antwoord kan kort zijn. God gaf Zijn wonderen om mensen tot geloof te brengen. Het grote wonder is Jezus Zelf. In Hem is Gods liefde voor ons geopenbaard. Gods liefde voor ons, zondige mensen, is dat niet het grootste wonder? Dat mensen die liefde willen ontvangen? Maar dat moet je ook willen zien, die liefde van God, dat wonder in jouw leven. Ik bedoel dit: wij sluiten onze ogen er vaak voor toe.

Toen ik afgelopen zondag op tv de kerkdienst opzocht, kwam ik terecht bij een R.K. viering uit België, een prachtige dienst, waarin ik mij als rechtgeaarde Protestant goed kon vinden. De pastoor preekte over de rijke man en de arme Lazarus. Hij begon zijn preek met een toepasselijk verhaal.

Er was ergens watersnood en de mensen werden veilig ondergebracht. Maar er bleef nog een boer achter. Er werd een bootje naar toe gestuurd, maar de man zei: “Ik vertrouw op God, Hij zal me wel redden, ik blijf hier.” Het water steeg, hoger en hoger. En weer werd er een vlot met mensen naar die man toegestuurd, met hetzelfde resultaat. De boer weigerde om mee te gaan. Toen zakte de boerderij in het water en de boer verdronk. Toen hij daarna boven bij God kwam, deed hij z’n beklag: “Waarom heeft U mij niet gered, God? Ik heb zó op U vertrouwd!” God antwoordde: “Maar man toch, Ik heb een boot naar je toe gestuurd en daarna nog een vlot en je hebt Mijn reddende hand niet gegrepen!”

Heel treffend, zó gaat het vaak. Wij willen het wonder van God niet eens zien! Hoe kunnen we dan zeggen: “Waar blijft U met Uw wonderen?” Ik ben er van overtuigd, dat wonderen nog steeds gebeuren. En dan hoeft het niet zo spectaculair te zijn als met die vrouw uit Bleskensgraaf of met de andere mensen die genezen uit Leiderdorp terugkeren, nadat ds. Jan Zijlstra hen de handen had opgelegd. Het kunnen ook hele kleine wondertjes zijn, zoals een medicijn dat opeens aanslaat. Als we er maar oog voor hebben! Om daarvan te vertellen heeft Lucas die boekrol geschreven, ook voor u en mij. Om ons tot geloof te brengen en ons geloof te versterken! Zullen we ook luisteren? En ons openstellen? Je gaat pas wonderen zien en beleven, wanneer je je aan de Heer hebt gegeven. Dat kunnen we nu doen aan het Heilig Avondmaal. Want ook dat te mogen vieren, mag een wonder heten. Jezus, Die Zich aan ons geeft: “Dit is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed, voor u gegeven tot een verzoening van al uw zonden.”

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

2 gedachten over “Waar blijft U met Uw wonderen?

  • jan van helden

    Geachte en zeer gewaarde Ds. Kroes ,
    Vanmorgen mocht ik de dienst in Kattendijke mee maken , een bijzondere Gemeente ; dan ook zo een avondsmaalviering.
    Uw onderwerp was aktueel en boeiend ; ons geloof is heel onsleven een groot wonder, als we daar bij stil staan…maar ons geloof is zo klein(mosterdzaadje). Zeker was de Heilige Geest in ons midden vanmorgen , daar ben ik wel zeker van , dat wonder was er beslist . Hopenlijk bent U met minder mist(wonder)thuis gekomen ;
    vr gr jan van helden , yerseke

  • Ds.Kroes

    Geachte heer Van Helden, de mist was over, toen we terugreden. We hebben samen koffie gedronken, toch weet ik niet wie u bent! Ik bedoel: bij welk gezicht uw naam hoort! De volgende keer moet u zich maar eens aan mij bekend maken hoor! In Yerseke kom ik dit jaar niet meer, maar nog wel in Kattendijke, op 9 december. Wie weet? Met hartelijke groeten, ga met God, Ds.Kroes.