Roepen tot God (Psalm 4)


Bloemen onder de zonBij mijn roepen antwoord mij,
O God mijner gerechtigheid.
In de benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt,
Wees mij genadig en hoor mijn gebed.

O mannen. Hoe lang zal mijn eer tot schande zijn,
Daar gij ijdelheid liefhebt, leugen zoekt.
Weet toch, dat de Heere Zijn goedgunstigheid aan mij
Wonderlijk bewezen heeft;
De Heere hoort, als ik tot Hem roep.
Weest verschrikt en zondigt niet,
Spreekt in uw hart op uw leger en weest stil.
Brengt offers der gerechtigheid,
En vertrouwt op de Heere.

Velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien?
Verhef over ons het licht Uws Aanschijns, o Heere!
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven,
Meer dan wanneer hun koren en hun most veelvuldig waren.
In vrede zal ik en nederliggen en slapen,
Want Gij alleen zijt de Heere,
Gij zult mij veilig doen wonen.

In deze psalm is een koning aan het woord en wel: een zeer teleurgestelde koning. Volgens het opschrift is het koning David. De koning heeft te lijden onder de verguizing van zijn volk. Hij is bij zijn onderdanen tot schande geworden. In vertwijfeling vraagt hij zich af, hoe lang dat nog zal duren.

Tegenover de koning staan mensen, die volgens de koning “de ijdelheid liefhebben en de leugen zoeken”. Dat zijn dus mensen, die met allerlei intriges proberen de koning van de troon te stoten. Waarom zij dat doen? Omdat zij teleurgesteld zijn in de koning. Zij hadden van hem meer verwacht, namelijk het goede. Velen zeggen daarom: “Wie zal ons het goede doen zien?” Wat zij daarmee bedoelen wordt duidelijk in het volgende vers: “Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan wanneer hun koren en hun most veelvuldig waren.”

Het “goede” bestond dus volgens die mannen uit overvloed van most en koren.

Wanneer er eenmaal materiële overvloed zou zijn, dan zou het “heil” er zijn en de koning zou een echte “heilskoning” zijn geweest, een “messiaanse” koning!

Het ging die mannen niet zo zeer om de geestelijke zegeningen van de Messias, de gemeenschap met God, de vergeving van de zonden, Gods koningschap, maar veeleer om het aardse en stoffelijke welzijn. Het was hun te doen om er zelf beter van te worden, eten, drinken en vrolijk zijn!

Nu waren die mensen teleurgesteld, want de koning had niet gebracht, wat zij verwacht en gehoopt hadden. Daarom haalden zij zijn naam door het slijk.

Dit moet voor de koning vreselijk geweest zijn! Begrijpt zijn volk er dan niets van? “Weet toch, dat de Heere Zijn goedgunstigheid aan mij wonderlijk bewezen heeft.” Met “goedgunstigheid” bedoelt hij: Gods trouw, dat Hij niet laat varen het werk van Zijn handen. Heeft de koning die trouw niet meermalen gemerkt, in zijn regering en ook in zijn persoonlijke leven? “Wonderlijk” zegt hij. Ja, het is een wonder, ook als wij zelf in ons leven terugkijken. Daarom kan hij ook bidden: “De Heere hoort, als ik tot Hem roep.”

De psalm begint ook met dit bidden: “Bij mijn roepen antwoord mij, o God mijner gerechtigheid. In de benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt, wees mij genadig en hoor mijn gebed.”  Hij vraagt om antwoord, wetend dat God hem nooit in de steek zal laten (dat is Zijn goedgunstigheid!). De koning wil, dat zijn volk dit ook weet en dat het zich meer tot God zal wenden. Het volk moet zich minder met aardse zaken bezig houden, maar veel meer met God. Het is daarom, dat hij zich in het tweede gedeelte van de psalm richt tot het volk:

“Weest verschrikt en zondigt niet, brengt offers der gerechtigheid en vertrouwt op de Heere.” De koning weet waarover hij spreekt. Hij zelf heeft Gods genade mogen ervaren: “Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven….. In vrede zal ik en nederliggen en slapen, want Gij alleen zijt de Here, Gij zult mij veilig doen wonen.”

Het is een psalm voor u en voor mij. Zijn ook wij niet vaak teleurgesteld? Je had van het leven zo veel verwacht! Het zou ons “het goede” doen zien, het geluk, welvaart, voorspoed… Hoe vaak hebben wij ’t elkaar niet toegewenst, als er weer een nieuw jaar begon? Maar het leven heeft dit dikwijls niet gebracht! En zo werden we teleurgesteld. Het leven kan zo wreed zijn, zo meedogenloos hard, het breekt onze mooiste dromen en plannen stuk. Het knakt de sterkste gezondheid, het rooft ons de dierbaarste geliefden. In de plaats daarvan krijgen we een zwaar kruis te dragen.

Ga met uw teleurstelling niet naar mensen, zij kunnen het toch niet helemaal invoelen, wat u doormaakt. Ga er mee tot God: spreekt in uw hart op uw leger (=bed) en weest stil. Ga er mee in de stilte, lig er desnoods maar eens een nacht over wakker en denk na over al de zegeningen, die u van Godswege óók ontvangen mocht. Ik wens u toe, dat het dan ook in u gaat zingen, net als bij koning David:

Vertrouw op Hem. O volk in smart,
Stort voor Hem uit uw ganse hart;
God is een toevlucht ’t allen tijde!

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Roepen tot God (Psalm 4)