Paulus en Ananias


Handelingen 9, 10-17

ZeelandbrugHandelingen 9 beschrijft de bekering van Paulus. Daarin neemt de persoon van Ananias een bijzondere plaats in. Eigenlijk komen we hem maar éven tegen. Hij valt nauwelijks op in die dramatische geschiedenis van Paulus’ bekering. Toch neemt hij er een eervolle plaats in. Heel anders dan zijn naamgenoot in Handelingen 5. U weet wel, die man die samen met zijn vrouw Saffira zo’n droevige rol heeft gespeeld in de eerste Gemeente door geld achter te houden na de verkoop van een stuk grond.

Maar de Ananias in Damaskus wordt heel eervol vermeld in onze Schriftlezing. Hij mag de beroemde Paulus in zijn huis opnemen. Ja, zelfs in de Gemeente van Damaskus! En God gebruikt hem om Paulus -zeg maar- te bekeren. Want dat is nog een heel proces geweest, die bekering van Paulus, gelooft u dat maar. Een mens draait niet zo gauw 180 graden om! Daar moet toch heel wat voor gebeuren. Maar dat gebeurde er ook met Paulus. Hij was onderweg naar Damaskus om de Gemeente daar te vervolgen. Toen verscheen Christus hem in een lichtende gestalte….. en opeens wist ie dat ie fout zat met de vervolging van de Christenen. Hij was op de verkeerde weg en moest zijn leven gaan veranderen. De EO had daar ook een programma over: God verandert mensen. Maar dat is niet zo eenvoudig. Paulus heeft daar gerust mee gezeten. Hij voelde zich een  gebroken man, gekweld door berouw en schuldgevoelens, onzekerheid en herinneringen aan het leven dat achter hem lag. Drie dagen zat hij zo, hij zag niets, hij at niet en hij dronk niet, echt een gekwelde geest.

KattendijkeToen kwam Ananias en legde hem de handen op en sprak de vertroostende woorden: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, die u verschenen is op de weg, waarlangs gij gekomen zijt, opdat gij weer zoudt zien en met de Heilige Geest vervuld zou worden.” Toen vielen hem de schellen van de ogen en hij stond op en werd gedoopt. Hij begon weer te eten en werd gesterkt. De apostel was over het dode punt heen. Het leven lachte hem weer toe. Hij wist dat Jezus hem vergeven had. Het oude was voorbij. Ananias riep hem tot een nieuw leven in Gods Naam.

Daarom is deze man, die zo maar uit het niets te voorschijn komt, toch een  heel bijzondere en kleurrijke bijbelse figuur. Hij was waarschijnlijk maar een eenvoudig Gemeentelid, net als u en ik, maar God wilde hem wel gebruiken. Dat is voor ons, denk ik, ook heel bemoedigend. God verandert niet alleen mensen, maar Hij gebruikt ook mensen, eenvoudige gewone mensen. God gebruikt ze voor Zijn dienstwerk. Dat deed Hij vroeger en dat doet Hij nog! Wij kunnen daardoor elkaar tot zegen zijn, de een de ander, zoals Ananias en Paulus. Wij kunnen elkaar niet bekeren, dat kan God alleen . Maar we kunnen elkaar wel de weg effenen…We kunnen elkaar helpen over moeilijke momenten in het leven heen te komen. Dat laat onze geschiedenis duidelijk zien.

En, Gemeente, daarin zit iets bemoedigends. Ook iets ontroerends. Dat dát nog kan in deze wereld, waarin iedereen zijn eigen weg lijkt te gaan. Want zeg nou eens eerlijk: wij denken vaak zo weinig aan elkaar. Wij hebben het wel over mantelzorgers, maar we moeten er niet aan denken ook zelf zo’n mantelzorger te worden. We leven zo gemakkelijk langs elkaar heen. Dat zou anders moeten! We weten ‘t, maar hoe? Kijken we naar Ananias!

DamascusAnanias gaat naar het huis, waar Paulus zich ophoudt. Hij doet dat niet uit zichzelf, maar hij kreeg een opdracht van de Meester: “Ga naar de straat genaamd de Rechte en vraag in het huis van Judas naar iemand uit Tarsus, genaamd Saulus”. Eerst zag Ananias dat helemaal niet zo zitten. Hij had van die Saulus gehoord en begreep natuurlijk helemaal niet, dat God die man wilde gebruiken. Maar als hij hoort dat Saulus aan het bidden is en voor de Heer een uitnemend werktuig zal zijn om Diens naam te brengen voor heidenen en koningen en de kinderen van  Israël, dan buigt Ananias het hoofd en hij gáát. Als de Heer Zelf het zegt, dan moet je toch wel? Of je ’t leuk vindt of niet, je gehoorzaamt. Natuurlijk zag hij er tegen op. De Gemeente van Damaskus had gesidderd, toen zij hoorde dat die Saulus naar hen onderweg was. Zij hadden wel gehoord, dat die verschrikkelijke vijand als ’t ware door God Zelf voor de poorten van de stad was neergeveld, maar de angst was toch nog niet over. Je weet maar nooit met zulke mensen! En nu moet hij, Ananias die gevaarlijke man gaan opzoeken! Toch gaat hij, want de Heer had hem geroepen. De Heer zei: “Ananias” en hij zei “Zie, hier ben ik, Here!”
Dat is het eerste, wat wij van Ananias kunnen leren. Als de Heer ons roept, antwoorden wij dan ook zó? Horen wij Zijn roepstem  wel? En zeggen wij dan ook “Zie, hier ben ik, Here”?

Of zou dat vandaag niet meer gebeuren? Ik denk eerder, dat onze oren er niet naar staan. Wij hadden  het zo druk met vele dingen, er waren zo veel stemmen in ons hoofd… dat die ene stem van de Heer er helemaal niet doorheen kon komen. Maar als u aandachtig had geluisterd, als er stilte was in uw leven en aandacht voor God, dan had u die stem zeker ook gehoord!  De stem die tot u sprak: “Ga eens naar die en die toe………” Zou u dan ook niet geantwoord hebben: “Zie, hier ben ik, Here. Ik ga al”?
We weten het wel: er zijn zoveel mensen, die hulp nodig hebben en wij voelen ons zo machteloos om voor al die mensen iets te betekenen. We kunnen ze toch niet allemaal helpen?
 
Prof. Hoekendijk zei indertijd tegen me, toen ik bij hem in Utrecht examen deed en getuigde van mijn motivatie om predikant te worden (namelijk om mensen te helpen): “Denk er aan, je kunt niet de lasten van heel de wereld op je nemen, je bent geen atlas, dat is er maar EEN”. Dat heb ik ervaren ook in het leven dat achter mij ligt. Maar je kunt misschien wel voor één van al die hulpbehoevende mensen iets betekenen, een hulpje, een wegwijzer, een beetje troost, En als we ons daarvoor openstellen, zal God ons vast en zeker wel iemand aanwijzen. Luisteren en gehoorzamen, daar kom ’t op aan, ook in ons leven. Dat laat Ananias ons hier duidelijk zien!

Er is nog meer, dat we kunnen leren. Als Ananias bij Saulus komt, is zijn angst opeens verdwenen. Want hij weet ‘t: de Heer zal mij helpen om de juiste woorden te vinden. Ik kom immers niet uit mijzelf, maar in opdracht. En dat maakt een groot verschil! Als we uit onszelf moesten komen, zouden we ’t denk ik niet kunnen. Wat moet ik zeggen? Wat moet ik doen? Ik heb zelf maar zo’n klein geloof! Mensen, die zieken en eenzamen en rouwenden opzoeken, hebben daar allemaal last van. Je voelt je zo machteloos. Ananias had dat vast en zeker ook. Maar toen het er op aan kwam, was de angst verdwenen. Er was zekerheid voor in de plaats gekomen, overtuigingskracht. Hoor ‘m spreken: “Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden”.

DamascusAls je met zo’n opdracht van God komt, dan mag je ook vertrouwen hebben in een goede afloop van de zaak. Waarom kunnen wij vaak zo weinig helpen? Omdat dit vertrouwen ons ontbreekt. We komen niet namens God, maar veel te veel namens onszelf. En dan blijkt onze eigen armoede. We staan niet in Gods kracht, maar in onze eigen machteloosheid. Misschien hebben we van tevoren wel gedacht: het helpt toch niets! Dat is onze zwakte! Maar als wij komen als gezanten van de Meester, die ons roept en stuurt, dan valt die armoede en dat verlammende gevoel van machteloosheid weg. Wij weten dan wát wij te brengen hebben…

Natuurlijk hebben wij niet direct dat allerhoogste te geven, wat Ananias aan Saulus geeft. Niet ieder heeft ook nodig, wat Saulus nodig had. Maar wij kunnen wel een beetje meeleven en blijdschap uit de Heilige Geest schenken en niet te vergeten: helpende handen! En natuurlijk een liefdevol hart. Zegt het spreekwoord niet: “Een blijde mond maakt het hart gezond”?

Dat zat er bij Ananias ook. Als hij alleen maar gezegd had: “Saulus, God heeft mij gestuurd….” Het zou niet geholpen hebben. Maar hij laat zijn warme hart zien: “Saul, broeder…” Hij verwijt hem niet dat hij de Christenen zo had vevolgd, hij is niet haatdragend, maar warm en vergevingsgezind. Dit had de Heer er niet bij gezegd, dat hij zó moest spreken. Maar hij deed het uit zich zelf, omdat hij de Heer liefhad….. Daarom was hij ook zo’n goed instrument in Gods zaak, waarom de Heer juist hem uitgekozen had.

KattendijkeAls die er niet is, de spontane hartelijke genegenheid, dan bederven wij er alles aan. Gehoorzaamheid, dat is één ding, maar liefde moet daar bij komen, dat is het tweede ding! “Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad”. We weten ’t wel, maar doen we ’t ook? Kúnnen we ’t ook? “Saul broeder…..”Zo echt gemeend, “broeder, zuster, m’n kind”, dat opent het hart van de ander. Maar als het alleen maar formeel is, dan sluit dat hart zich toe, dan voelt die ander zich niet begrepen en eigenlijk in de steek gelaten. Daar moeten we wel voor oppassen, als we naar iemand toe gaan, die onze hulp nodig heeft. Als God ons naar iemand toe stuurt, laat het dan écht zijn, spontaan en welgemeend. En vooral van harte! Alleen zó ben je geloofwaardig. Je komt met je zelf, maar namens de Ander. Je cijfert je zelf eigenlijk weg en laat die Ander spreken. Geen eigen roem dus. Ananias, van hem horen we verder ook niets meer. Saulus had hem niet meer nodig. Dat is een les, die wij ook leren moeten: dat je niet meer nodig bent! Er is een tijd om te helpen, er is ook een tijd om afstand te nemen, als je taak is volbracht.

In dit alles, Gemeente, schikken we ons naar Gods wil. Hij moet het maar zeggen in ons leven. En wij? Gehoorzaamheid,  liefde, zelfverloochening en bescheidenheid, daar kunnen we ’t mee doen. Dat moet ons antwoord zijn op Gods roepstem. Dat is het voorbeeld, dat Ananias ons gegeven heeft.

Amen

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *