Pasen en Pinksteren op één dag


Schriftlezingen Psalmen 102, 1-12 en 24-29, Genesis 32, 22-31, Romeinen 6, 1-8

“Indien wij dan met Christus gestorven zijn,
Geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven!”
Romeinen 6: 8

Pasen en Pinksteren op één dag, dat kan toch niet! Niet in werkelijkheid natuurlijk, maar wel in je geloofsbeleving. Neem nou onze tekst. Daarin klinkt het Paasgebeuren nog na en tegelijk klinkt er ook al iets door van Pinksteren. De oude mens sterft en de nieuwe mens staat op.

PaleispoortPaasgeloof opent voor ons de hemel: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken! Wij wachten op het Leven, en de Heilige Geest brengt dat Leven. Dat alles is als ’t ware één gebeurtenis. Zo mogen we toch ons geloof beleven. Ja, dan bedoel ik ook echt beleven, er naar leven. Leer en leven moeten in elkaar overgaan, een eenheid worden. En niet zoals het bij ons vaak is: je weet wel wat het geloof leert, maar je doet er niet naar. Leer en leven liggen bij ons soms mijlen ver uit elkaar! Geloven met de mond, maar de daden… ho maar! Zó kan en mag het toch niet. Mensen zeiden vroeger: als het erts blijft liggen naast de smeltkroes wordt het nooit tot zuiver goud, het wordt eigenlijk nooit wat, zelfs geen doublé! Als wij niet heengaan door het proces van afsterving van de oude mens wordt de nieuwe mens nooit geboren. Pasen en Pinksteren moeten bij ons gaan samenvallen!

Dat zien we heel duidelijk bij Jakob in Genesis 32. Daar zien we een man sterven en opstaan. Jakob (‘bedrieger’) heet hij. Als hij opstaat is hij zulk een ander mens geworden dat de oude naam niet meer voor hem past en God hem een nieuwe naam moet geven: Israël, strijder Gods. Dat past voortaan beter bij hem!

De geschiedenis van Jakob kan ons iets leren, als we maar de moed hebben om in de spiegel te kijken. Nu gaat dat niet zo één twee drie. Een mens is niet ineens waar God hem brengen wil. Dit is vaak een lange en moeizame weg omdat wij zo hardleers zijn. Wij willen liever niet veranderen maar blijven graag zoals we zijn, zoals anderen zijn. We gaan mee met de anderen en willen geen uitzondering zijn. Maar soms worden wij tot de orde geroepen, door God, die ons examineert. En dan zakken we als een baksteen. Net zoals dat bij Jakob ging. Hij heette vroeger ‘hielenlichter’. Niet zo’n beste naam. De Bijbel verklaart het nog wel door te vertellen dat toen hij geboren werd als tweeling met zijn broer Ezau, hij toen de hiel van zijn broer vasthield. Later blijkt dat dat ‘hielenlichten’ ook met zijn karakter te maken had. Als je iemand bij de hiel pakt dan doe je dat om die ander te laten struikelen. Een beetje gemeen dus. Pootje lichten noemen we dat. Nou, daar had Jakob best aanleg voor, want dat blijkt uit verschillende verhalen die van hem zijn overgeleverd. Onze aanleg berokkent ons vaak moeilijkheden. Dat was bij Jakob ook zo. Hij zal er dikwijls ook zelf een hekel aan hebben gehad. Het merkwaardige is nu dat dat nou juist de punten en momenten zijn waarop God Jakob aangreep. Bij ons gebeurt dat ook. Je zou kunnen zeggen dat God van onze zwakheden een dankbaar gebruik maakt om ons te heropvoeden.

Kijken over de schouderJakob bedriegt zijn broer. Dat is nog tot daar aan toe. Die beer van een kerel, Ezau, kan immers best voor zichzelf opkomen. Maar later ziet hij er niet tegen op om ook zijn oude blinde vader te bedriegen. Dat is veel erger! Wat als een komedie begon eindigt dan als een tragedie! Ezau is vreselijk boos als hij merkt dat hij bedrogen is. Het eerstgeboorterecht is hem ontfutseld, een echt minne streek. En Jakob? Hij kan niet anders dan vluchten… Onderweg slaapt hij onder de blote hemel. Daar krijgt hij een wonderlijk visioen. God spreekt met hem, nog vriendelijk ook. Hij krijgt zelfs de belofte dat God hem niet zal verlaten. Een hele bemoediging voor onze vluchteling. Maar zou hij daardoor ook iets geleerd hebben? Heeft hij berouw gekregen? Belooft hij God dat hij zijn leven zal gaan beteren? Ik denk het niet. Natuurlijk, hij richt een gedenksteen op. Maar dat is alleen maar uiterlijk vertoon. Hij spreekt ook tot God en daarin klinkt zijn ware egoïstische aard door: “Als U mij bewaart en brood en vooruitgang geeft, dan zal ik U dienen…” Niet “ik, arme zondaar” maar “ik, flinke stoere kerel”. Jakob handhaaft zichzelf en gebruikt daarvoor God. Is dat bidden, is dat tot bekering komen?

Hardleerse man, die Jakob, en dat zal zo blijven. God heeft heel wat met hem te stellen! Naar buiten toe wordt zijn leven een groot succes: rijkdom, vrouwen, kinderen, niet te kort. Daar kun je jaloers op zijn ! Maar wat is de binnenkant? Eigenlijk alleen maar angst om zichzelf te verliezen. Daarom was hij er altijd op uit om zichzelf te handhaven. Zijn wij niet ook zo? En als we er God bijhalen, dan toch alleen dan als wij zelf niet verder kunnen. Hij mag wel met ons gaan, maar alleen om ons te helpen en te zegenen… De vraag is echter: zijn wij ook bereid met Hem te gaan?

Dan is het 20 jaar later. In zo’n lange tijd heeft een mens toch heel wat kunnen leren, zou je zeggen. Bij Jakob zien we dat niet, tenminste niet datgene wat God hem had willen bijbrengen. Bij Ome Laban was het leven goed. Toch moest het volgens Jakob nog beter, steeds maar weer beter… Zo was hij altijd druk in de weer om plannetjes te smeden voor zichzelf. Tenslotte kreeg hij heimwee naar huis. Alles werd bij elkaar gepakt, karavanen vol. Hij is best ook wel een beetje bang: hoe Ezau hem zou ontvangen. De spookbeelden van het verleden. Die kunnen een mens behoorlijk in de war maken. Misschien had hij ook last van een midlifecrisis: wat is er van mijn leven geworden? Wat is er uitgekomen van al die idealen? Het verleden grijnst Jakob aan…

Eenzaam bij een vuurNu komt hij bij de beek Jabbok. Iedereen is er over, hij blijft alleen achter. Hij zoekt de eenzaamheid. En in die eenzame nacht waarin Jakob vecht met zichzelf, vindt de worsteling plaats met God. Hier maakt Jakob die geestelijke ervaring door die duizenden na hem gemaakt hebben. God houdt zich alsof Hij verder wil gaan. “Laat Mij gaan, Jakob, laat Mij gaan, want de dageraad is gekomen.” Maar Jakob kon God toch niet laten gaan zolang de dageraad hem zelf het licht niet had gebracht. Het licht waar zijn hart naar schreeuwde! Een genadige God. Zoals Luther zich later ook afpijnigde in zijn zoektocht naar een genadige God.

Er komen ogenblikken in ons leven waarin God doet alsof Hij ons prijsgeeft. Denk aan Jezus in de storm op zee. De discipelen waren in doodsangst, maar Jezus sliep. Jakob had aan zichzelf altijd genoeg gehad. Wij ook, altijd met ons zelf bezig. De handhaving van ons zelf, van die oude mens in ons. En dan komt God en zegt: doe ’t dan maar met die oude mens, red je zelf! Je kunt het toch zo goed? Je bent toch zo’n slimmerd, Jakob? Doe ’t maar zonder Mij. En dan blijkt hoe hopeloos je er voor staat en dat het niet gaat zonder Hem.

“Willen jullie ook maar niet liever weggaan?’ vraagt Jezus aan Zijn discipelen als iedereen Hem verlaat. En dan komt de bezinning, eerst bij Petrus: “Tot wie anders zouden wij gaan?” Wat is het leven zonder Jezus? ’t Is een schreeuw uit de diepte! Ik hoor ’t Jakob uitschreeuwen: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!” Zonder Hem is ons leven echt een zinkend schip. Maar vaak moet er veel gebeuren in ’s mensen leven eer hij dat bekennen wil. Eer je die oude mens in je kan prijsgeven om God aan te grijpen. Hem nooit meer loslaten, wat er ook gebeurt, al zou je ook met Hem moeten lijden en sterven… In Zijn dood vinden wij het leven.

Toen werd het voor Jakob Pasen en Pinksteren ligt voor hem in het verschiet. Nee, eigenlijk is het voor hem ook al Pinksteren: het nieuwe leven gaat beginnen! Hij krijgt een nieuwe naam en wordt een nieuw mens. En de geschiedenis eindigt zo mooi: “En de zon ging over hem op, toen hij door Pniël getrokken was.” Pniël: aangezicht van God. Jezus. Hij zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.”

Voor Jakob was toen de duisternis voorbij. Na die donkere nacht kwam voor hem echt de dageraad, als voorbode van de nieuwe dag, voor nieuwe mensen, die leven met en voor God. Dan mag je hinkend achterblijven, dat geeft niet. Het is Pasen en Pinksteren geweest, op éénzelfde dag, in één zelfde nacht. Aan God heb je dan genoeg.

Een man die hinkend zijn weg gaat, zoals Paulus een doorn in z’n vlees had, en u en ik weer wat anders hebben. Een man die hinkend zijn weg gaat, maar die aan God genoeg heeft.

Amen.                             

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *