Op weg naar hemelvaart


Johannes 14, 30

“Niet veel zal ik meer met u spreken,
Want de overste der wereld komt
En heeft aan mij niets …”

Wij zijn op weg naar hemelvaartsdag. En weer rijst de vraag: “Waarom is Christus eigenlijk op de aarde gekomen, als Hij ons zo gauw al weer verlaten moest? Was het niet beter, wanneer Hij bij de mensen was gebleven en later gewoon was gestorven?”

HemelvaartWat moeten we daar nu op antwoorden? Natuurlijk had Hij ’t niet hoeven doen. Hij had ook bij Zijn Vader in de hemel kunnen blijven! Ik denk, dat Hij er Zelf voor gekozen heeft om bij ons op aarde te komen. Het was geen dwang, geen noodlot, niet de beslissing van een ander, maar eigen keuze. Ook alles wat Hem in Zijn leven overkomen is, dat heeft Hij Zelf zo gewild. Hij wist wat Hem te wachten stond. We denken dan zoiets als dat Hij dat met Zijn Vader had afgesproken. Hij zou naar de aarde gaan om daar de mensen te redden, te verlossen van zonde en dood. Daarom heeft Hij Zich ook al aan het begin van Zijn optreden door Johannes laten dopen. Want de Doop zoals Johannes dat bedoelde was een belijdenis van je zonde en een bekering tot God. Dat had Jezus niet nodig, maar Hij deed het om naast de mensen te gaan staan, uit solidariteit. De Bijbel zegt het zo: Hij heeft Zich voor ons tot zonde laten maken! Dat heeft Hij Zelf zó gewild. Ook in de woestijn zien we datzelfde. Satan houdt hem alle heerlijkheden van de wereld voor, als Hij hem maar wilde volgen. Maar Jezus doet het niet. Hij kiest voor de minste weg, om martelaar te worden voor Gods zaak. Zo krijgt u vandaag antwoord op uw vraag: “Waarom is Hij eigenlijk op aarde gekomen?”

“En waarom al zo snel weer vertrokken?” Misschien kunnen we het antwoord op die vraag horen in onze tekst. Jezus spreekt Zijn afscheidswoord en zegt dan: “De overste der wereld komt en heeft aan Mij niets.” Het echte lijden moest toen nog komen, maar Hij voelde het toen al aan. Hij hield al rekening met Zijn afgang, met de bittere gang naar het kruis, met het gejoel van de mensen. Het is allemaal Satans werk, dat wist Hij. Hij wist dat Satan onderweg was, Hij komt… .maar het zal Hem niet lukken, Hij heeft aan Mij niets! Jezus weet van de overwinning aan het kruis, van de weg terug naar God de Vader, het Hemelvaartsgebeuren.

Als Zijn taak hier op aarde volbracht is, dan hebben de mensen Hem hier niet meer nodig, Daarom zou Hij de mensen gaan verlaten. Hij wilde Zijn discipelen al daarop voorbereiden. Daarom legt Hij het uit: “De Satan komt en heeft aan Mij niets.”

Dat gebeurde bij de laatste maaltijd voor Zijn dood. Mattheüs vertelt, dat daarbij de lofzang gezongen werd, zoals het nú nog gebruikelijk is in Joodsorthodoxe gezinnen op de vrijdagavond. Met de “lofzang” worden de Psalmen 113 t/m 118 bedoeld. Het zijn Psalmen, die – wist Hij – ook van Hem spreken. In de oude berijming horen we bijvoorbeeld Ps.118 vers.11 zo:

De steen, die door de tempelbouwers
Verachtlijk was een plaats ontzegd,
Is tot verbazing der beschouwers
Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Op ’t moment dat Jezus dát zong, stonden de tempelbouwers al klaar om de hoeksteen als onbruikbaar te vernietigen. Wat moet de Heer geleden hebben, toen de gedachte daaraan door Hem heenging. En toch, Hij wist het: Satan komt wel, maar zal tenslotte toch moeten wijken, Hij heeft aan Mij niets! Wat Hem nog te wachten stond kon Hij aan, omdat Hij het kruis innerlijk al had overwonnen. Bij Zijn Doop, in de woestijn, en in zoveel verzoekingen, waarin Hij geconfronteerd werd met Satans werk. Hij was steeds de sterkste gebleken, met Gods hulp en kracht, en zo kon Hij ook het kruis onder ogen zien. Hij kon het kruis dragen, omdat Hij Satan innerlijk al had overwonnen.

Wij, die Hemelvaart tegemoet gaan, zien daarop terug, op Goede Vrijdag en Pasen. En we vragen ons nog eens af: “Hoe heeft Hij dat toch alles kunnen doorstaan?” Omdat Hij al overwinnaar was, vóórdat Hij overwon!

Waarom is dat bij ons vaak zo anders? Waarom zien wij zo tegen de dingen op? Vooral tegen ernstige zaken zoals ziekte en dood? Hoe komt het toch, dat wij in de levensstrijd vaak onderliggen? Terwijl we toch wel geloven en op Gods hulp vertrouwen? Wij overwinnen niet, omdat we niet vals overwinnaars de strijd ingaan. Wij zijn van meet af aan verliezers. Wij zijn zo, omdat we ons toch niet helemaal aan Christus en Zijn kracht gewonnen kunnen geven. We houden nog te veel aan onszelf vast en zoeken de kracht in onszelf. Daarom kunnen we niet overwinnen. Wij worden alleen overwinnaars “door Hem, Die ons heeft liefgehad”, in Zijn kracht! Maar als wij ons niet eerst aan Hem gewonnen geven, komt die kracht niet in ons en staan wij machteloos tegenover Satan en de machten van de boze. Jezus zegt: Satan heeft niets aan Mij. Maar wij moeten helaas constateren: Satan heeft veel aan ons. Wij zijn zulke zwakke mensen. En het ergste is, dat we vaak al van tevoren overtuigd zijn, dat we ’t zullen verliezen. Eigenlijk onbegonnen werk, een hopeloze strijd. We geven van tevoren al op. We zeggen misschien nog wel: Heer, ik zal U volgen, waar Gij ook heen gaat… Maar als ’t er echt op aan komt, geven we ’t op. Het is eigenlijk alleen uit angst, dat we Hem nog aanroepen.

Maar zó mag het toch in het geloof niet zijn?! Geloof is volledige overgave, zonder voorbehoud. Je vertrouwt volledig op Hem, die de overste der wereld overwonnen heeft en als voltooiing van Zijn werk naar de hemel van God is gegaan om daar Zijn hulp aan ons voort te zetten. Zijn kracht moet in ons komen. Hij zelf moet in ons komen, zegt Paulus. “Ik vermag alle dingen in Hem.” Het is niet voldoende om te zeggen: Ik zal U volgen, Heer. Je moet Hem ook echt toelaten in je leven, zodat Hij de leiding in je leven kan overnemen. Dat kan soms een heel moeilijke gang zijn. Daarom waarschuwt Jezus ons bij voorbaat: “Zou je ’t wel doen, Mij volgen, want weet wel: de vossen hebben holen… maar de Zoon des Mensen heeft geen steen om Z’n hoofd op te laten rusten.”

De zegevierende kracht, die Hij uitstraalt in de feestdagen die achter ons liggen en die op komst zijn, Hemelvaart en Pinksteren, alleen die kracht kan ons ook werkelijk tot overwinnaars maken. Om nogmaals met Paulus te spreken: “Ik vermag alle dingen door Christus, want Christus vermag alle dingen door mij.” Dan zal ’t ook voor ons zo worden, dat we kunnen zeggen: “De overste der wereld heeft aan mij niets”. Meer dan overwinnaars zijn we dan door Hem Die ons heeft liefgehad (Rom.8,37).

Al heeft Hij ons verlaten,
Hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten
Is altijd om ons heen
Als zonlicht om de bloemen
Een moeder om haar kind.
Te veel om op te noemen
Zijn wij door Hem bemind.

Amen

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *