Kaïn en Abel


Genesis 4

Eva kreeg twee zonen. De oudste heette Kaïn en de jongste Abel. Kaïn werd landbouwer en Abel schaapherder.

Op een keer wilde Kain God een geschenk aanbieden, hij verzamelde vruchten van het land en de wijngaard om deze aan God te offeren. Ook Abel wilde een offer aan God brengen en slachtte daarvoor een paar van zijn mooiste lammetjes. Toen nam God het offer van Abel aan, maar voor het offer van Kaïn had Hij helemaal geen aandacht. Daarom werd Kaïn heel boos. Hij was jaloers en let het hoofd hangen. God zag dit en zei tot hem: “Waarom ben je boos, Kaïn, en laat je het hoofd hangen? Je mag gerust het hoofd omhoog houden, als je iets goeds doet. Als je het laat hangen, voer je zeker iets kwaads in je schild.” Maar Kaïn trek zich niets van Gods waarschuwing aan. Hij zei tot zijn broer Abel: “Laten we naar het veld gaan en een eindje omwandelen.” Maar toen zij daar in het open veld waren gekomen, greep Kaïn zijn broer beet en sloeg hem dood.

Toen zei God tot Kaïn: “Waar is je broer Abel?” En Kaïn antwoordde: “Weet ik veel? Moet ik soms op mijn broer passen? Ben ik mijns broeders hoeder?” Maar God zei: “Wat heb je gedaan? Je hebt je broer vermoord en daarom vervloek Ik je en verbied je te leven, waar het bloed van je broer gevloeid heeft door jouw schuld. Ga weg uit Mijn ogen, als een zwerver zul je voortaan ronddolen over de aarde”.

Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno, ca. 1084.

Kain en Abel, ivoren paneel uit de kathedraal van Salerno Italië, ca. 1084.

Kaïn kreeg berouw en diep terneer geslagen zei hij tot God: “Wat heb ik gedaan? Mijn straf is te zwaar om te dragen. U wilt mij niet meer zien en verdrijft mij uit dit land; ik moet zwerven over de aarde en wie mij vindt zal mij zeker doodslaan.” Maar God zei: “Zeker niet! Wie Kaïn doodt, die zal het zevenvoudig boeten. Ik zal je aanraken, je een teken geven, en dan zal een ieder, die je tegenkomt, aan je zien, dat hij je niet mag doden.” Toen ging Kaïn zwerven over de aarde, maar later ging hij wonen in het land Nod, ten Oosten van het paradijs Eden.

Kaïn en Abel, een oeroude geschiedenis, maar nog steeds nieuw, boeiend en aangrijpend. Twee broers, die met elkaar ruzie krijgen en de een slaat de ander dood. “Eindelijk rust”, denkt hij, “die lastpost heef zijn verdiende loon”. Maar dan blijkt, dat juist nu de rust ver te zoeken is. Zijn daad achtervolgt hem. Steeds weer ziet hij zijn broer voor hem, met een bloedend hoofd, achterover gevallen op de grond. En hij is bang, slaat op de vlucht, wordt een eenzame zwerver en vindt geen rust meer. Dat is een oud verhaal, maar ook telkens weer nieuw. Deze geschiedenis herhaalt zich elke dag. Messentrekkerij, slaande ruzie, moord en doodslag. Kinderen, die elkaar in het water duwen en met stenen begooien. Elke dag kun je wel een paar van zulke verhalen op de beeldbuis zien: varianten op de eeuwenoude geschiedenis van Kaïn en Abel.

Nauwelijks had God de mensen geschapen, of zij sloegen elkaar dood. En waarom? Omdat ze jaloers op elkaar waren en zichzelf beter vonden dan de ander. Abel, de schaapherder, en Kaïn, de agrariër. Hun namen zijn veelbetekenend. Abel betekent zo veel als “niet, ijdelheid, damp”. En dat zou zijn leven zeker zijn: vluchtig, kort, het was zo voorbij. En Kaïn betekent “smid”. De smeden in de steppe vormden een volk zonder vaste woonplaats; zwervend als zigeuners, trokken zij van oase naar oase. Kaïn had zich voorgenomen een landbouwer te worden met een vaste stek, maar hij werd een zwerver.

Wij weten niet waarom God het offer van Abel aanvaardde en dat van Kaïn niet. Hoe het allemaal precies gegaan is, blijft ons ook duister. Paulus schrijft in zijn Hebreeënbrief: “Door het geloof heeft Abel God een beter offer gebracht dan Kaïn”. Het kan zijn, dat Kaïn God met andere gedachten geofferd heeft dan Abel. Misschien waren zijn gedachten toen helemaal niet bij God, misschien was hij alleen maar met zich zelf bezig en dacht hij: “Ik zal Abel eens laten zien, dat mijn sappige vruchten van het land veel beter zijn dan die magere lammetjes van hem, wat denkt ie wel!” Het komt er bij alles op aan, hoe je tegenover God staat, met welke bedoeling (intentie) je iets doet. Je kunt alle twee hetzelfde doen, en toch kan het van de één goed zijn en van de ander slecht. Kaïn dacht alleen maar aan zichzelf, hoe hij er beter van kon worden. Zo zijn er nog veel mensen, die heel veel goed doen, royaal en liefdadig, maar wel om er mee te pronken en zich er op te verheffen. Een heel verkeerde instelling! Jezus zegt: “Laat de rechterhand niet weten wat de linkerhand doet!”. Maar Abel bracht zijn offer uit dankbaarheid, om er God mee te eren, om te laten zien hoe lief hij God had.

En dan merkt Kaïn, dat zijn offer niet is aan genomen. Weer is zijn broertje voorgetrokken! En met een ijzig chagrijnig gezicht loopt hij rond, als een donderwolk, die nog maar een kleine vonk nodig heeft om te ontploffen. En die kleine vonk wordt ontstoken! God spreekt Kaïn toe en als een vader waarschuwt Hij hem: “Kaïn, wat doe je toch? Waarom is je gezicht zo betrokken? Denk er om, als je slechte gedachten hebt, dan moet je je niet laten gaan, want de zonde is sterk en hij ligt op de loer; wees toch flink, Kaïn, en beheers je zondige gedachten!”. Dat is de druppel, die de emmer doet overlopen! Wat denkt God wel? En de haat groeit en vergiftigt de man, die eens als een Gods geschenk door Eva was ontvangen. Hij roept Abel en op het veld houdt hij hem staande, Bevreemd kijkt deze hem aan, hij ziet de vreemde gloed in Kaïns ogen, hij hoort de wilde woordenstroom en dan… dan mokert Kaïn Abel neer met één slag… een zucht… en aan Kaïns voeten ligt zijn broer… Dood. Kaïn ontspant zich en over de dode buigt hij zich neer. Ook in Kaïn is iets kapot gegaan. De dode Abel klaagt hem aan, al kan hij dan ook niet meer spreken. Kaïn raakt op drift, het is uit met zijn rust. Eén is er, die het voor Abel opneemt: God, de Heer. “Waar is Abel, je broer?” Keihard is het antwoord: “Ben ik mijns broeders hoeder?”. Raakt hij die broer dan nooit kwijt? Maar ook in zijn eigen binnenste is er een stem, die hem aanklaagt: “Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan? Het bloed van Abel schreeuwt naar de hemel en de hemel antwoordt: je hebt een vloek over je afgeroepen, Kaïn, en het zal je geen rust meer brengen, een zwerver zul je zijn, je leven lang”. Kaïn krijgt het benauwd onder het strenge oordeel van God, het angstzweet breekt hem aan alle kanten uit: “O, wat heb ik toch gedaan, ik ben een uitgestotene, een vogelvrije, nu zal men mij zoeken en proberen te doden.”

Maar dan gebeurt het wonder, nu blijkt dat God zo heel anders is dan de mensen. Hij straft heel hard, maar Hij is ook genadig, ongelofelijk genadig. Zoals Hij met Adam had gedaan, doet Hij ook met Kaïn. Alle twee hebben ze de dood verdiend, maar God spaart hun leven. De ene moord zal de andere niet uithalen, tot in een oneindige reeks. God geeft de mens steeds weer een nieuwe kans om zijn leven te beteren. Kaïn ontvangt uit de handen van God een genadeteken. Zijn leven is God nog dierbaar, en ook de andere mensen zullen geen vinger naar Kaïns leven uitsteken, of zij zullen er zevenvoudig voor moeten boeten.

Dat is de boodschap van een van de oudste geschiedenissen van de Bijbel. De details van het verhaal zijn in vele opzichten niet meer duidelijk. De contouren zijn door de tand des tijds vervaagd, als het beeld van een film uit de oude doos. Maar de boodschap, die de Israëlitische vaders aan hun kinderen hebben doorverteld, van geslacht op geslacht, door de eeuwen heen, die boodschap is glashelder en kan ook niet geschonden worden, zelfs niet door de tand des tijds, want het is Gods boodschap van gerechtigheid, straf en vergeving, en God staat boven de tijd. Deze boodschap mag ik u vandaag doorgeven.

De Bijbel vertelt ernstige dingen, maar ook heel blijde dingen, en meestal gebeuren die dingen naast elkaar. Kaïn slaat zijn jongere broer dood en God spaart het leven van Kaïn, neemt hem zelfs nog in bescherming tegenover andere mensen. God straft en is tegelijk genadig, Hij spaart en vergeeft. Is dat niet prachtig? Ook voor ons? Want zijn ook wij vaak niet net zo bezig als Kain. Natuurlijk, wij doden ons broertje of zusje niet, zo ver gaan we niet. Maar zijn we niet vaak jaloers en gemeen? Juist ook op en tegenover mensen, die dicht bij ons leven? En maken we niet vaak ruzie en denken we niet vaak kwaad van een ander? In ons hart zouden we graag sommige mensen mores willen leren! Zelfs dood wensen! Natuurlijk, we doen het niet, we blijven zo veel mogelijk beschaafd en fatsoenlijk. Maar de instelling tegenover onze medemensen is toch vaak niet zuiver, net zo min als bij Kaïn. Veel mensen zouden we liever uit de weg willen gaan. Ook God zouden we wel uit de weg willen gaan, want Die kijkt ons ook te veel op onze vingers. En al dat bemoeien, daar houden we niet van! Maar gelukkig: God laat Zich zo maar niet aan de kant zetten. Hij ziet alles en gaat door Zich met ons mensen te bemoeien. En wat nog mooier is? Hij waarschuwt en straft niet alleen, Hij is ook nog genadig en hulpvaardig. Hij is zelfs een Borg voor ons. Als wij elkaar dreigen dood te slaan, gaat Hij midden tussen ons staan. Hij zegt: “Laat die ander met rust, neem Mij maar”. En de mensen hebben Hem genomen in Zijn Zoon Jezus Christus. Op Hem heeft zich heel de haat en de jaloezie van de mensheid uitgeleefd, Hij is er HET slachtoffer van geworden. Maar tegelijk heeft Hij met dit offer alle Kaïns op de wereld gered. Zijn dood is het teken geworden, dat Kaïn en zijn navolgdelingen tegen hun ondergang in bescherming neemt. Bij ons als Christenen is bij de Doop op onze hoofden dit teken aangebracht, het Kaïnsteken. Wij zijn als Kaïn, broedermoordenaars, maar mogen tegelijk door dit Christusteken het hoofd opheffen naar Hem, die niet wil dat wij dood gaan, maar dat wij leven tot Zijn eer. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

AMEN.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *