Heidelbergse Catechismus – Zondag 49


Wij komen nu bij wat wel eens de moeilijkste bede uit het Onze Vader genoemd wordt: “Uw wil geschiede”. Wij weten, dat ook de Here Jezus, in de hof van Getsemane, staande voor de benauwenis van het naderende einde, deze woorden gebeden heeft: “Vader, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan, doch niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede …” Door dit gebed wordt Jezus getroost en versterkt. Maar deze vertroosting is er niet onmiddellijk en deze versterking laat dikwijls even op zich wachten. Als wij namelijk die bede bidden, dan voelen we eerst de strijd, de botsing, de ellende. Er is een andere wil dan de onze. En die andere wil is op andere dingen gericht. Naast elkaar en heel vaak tegenover elkaar vinden we de wil van God en de wil van ons. Gods weg en onze weg, Gods gedachten en onze gedachten. Ieder van ons heeft dat ervaren en duizenden anderen met ons.

Je staat hier direct voor de vraag: waarom is het nodig dat wij bidden: Uw wil geschiede. Is het dan nog een vraag of de wil van God geschiedt? Is er dan nog een andere mogelijkheid? Zou iemand de wil van God kunnen dwarsbomen? Zou iemand die wil kunnen verhinderen, zodat er zelfs sprake van kan zijn, dat die wil niet gebeurt? Ik geloof, dat we hier goed moeten onderscheiden tussen de wil van God en wat wij noemen de Raad van God, het raadsplan van God, het wereldplan. De Raad van God wordt vervuld. Immers wat God wil, wat Hij besloten heeft, dat zal gebeuren, geen twijfel aan! Wie zal het immers tegen kunnen houden? Mensen kunnen dat niet, en ook de schepping, de natuur, kan dat niet. Zelfs waar zij nee zeggen, zelfs waar ze vierkant ingaan tegen Zijn wil, werken ze toch mee aan de vervulling van Gods Raadsbesluit. Op een gegeven ogenblik in Israëls geschiedenis stond heel de Assyrische wereldmacht voor Jeruzalems poorten. Het kon niet anders, nu was het spel verloren. Die geweldige legers voorspellen ondergang en vernieling. Maar terwijl heel Jeruzalem siddert, komt Jesaja en zegt: Zo zegt de Heere Heere,’t zal niet bestaan en niet geschieden. En dan gebeurt het niet. De dreiging van de vijanden vergaat als het geluid van een echo. Want Gods wil is wet! Is zo heel de wereld niet vol getuigenis, dat Gods wil geschiedt? Zijn plan en raad houden stand in eeuwigheid! In dit opzicht is er geen houden aan. Waar we spreken van Gods wil en we bedoelen Zijn Raadsplan, daar is Gods wil niet te stuiten. Maar als we bij Gods wil denken aan Zijn wensen en geboden ten aan aanzien van mensen in hun persoonlijke leven, daar ligt het heel anders. Het plan van God ten aanzien van de wereld en de mensen is immers geheel anders dan de wereldloop en de loop van de mensen. In de wereldloop wordt de wil van God nooit volkomen volbracht, idem dito in de levensloop van iedere mens. Elk ogenblik van ons leven en van het wereldgebeuren is er een tweesprong. Elk ogenblik is vol van allerlei mogelijkheden. En in elk van die gelegenheden werkt God. Maar God werkt niet in alle dingen en gelegenheden en mensen op dezelfde wijze. God is bijvoorbeeld anders tegenwoordig in Jezus dan in Judas. Toch werken beide mee aan de volbrenging van Gods Raad en Zijn plan met de wereld. Maar Judas zal wel niet gebeden hebben, toen hij er op uitging om Jezus te verraden: Uw wil geschiede. Dat verraad was niet de wil van God. Dat bloedgeld, dat bedrog, was niet de wil van God. En zo gaat het gedurig. Zo is het ook nu, in ons leven en in onze wereld. Wat is er veel, waarin niet de wil van God geschiedt. De mensenmoord in Syrië, terreuraanslagen, rassenhaat, honger, drankzucht, ontucht enz. Gij zult niet doden, Gij zult niet begeren enz. Dat is de wil van God! Zo eenvoudig en duidelijk als men het zich maar denken kan. Dat men toch tegen deze duidelijke wil van God ingaat, komt omdat de mens leeft naar zijn eigen hoogmoedige zondige wil. Het komt, omdat men het met Gods wil op aan akkoordje gooit en het dwingend absolute er uit haalt, zodat er een compromis overblijft, een zwak afgietsel, waarbij het zich gemakkelijk leven laat. Maar wanneer men zo de wil van God stelselmatig negeert en tegenover Zijn wil komedie speelt, dan gaat God anders doen. Hij gaat zwijgen. Hij trekt Zich terug. Dat zijn momenten waarin het kwaad rijpt en het van kwaad tot erger gaat. Toch blijkt steeds weer -achteraf- dat in al die chaos van ellende, verwarring en verbijstering, de zwijgende God toch de wakende God is, en de wakende God is de genezende God. Hij groepeert alle gebeuren zo, dat Zijn Koninkrijk er doorheen breekt en Zijn plan er door voltooid wordt.

Wat moeten wij doen? Als eerste God bidden: Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op aarde. Als men zich op aarde maar gedroeg jegens Gods wil zoals men dat in de hemel doet, dan zou de aarde een stukje hemel worden! Dan zou er geen tegenstelling meer bestaan tussen hemel en aarde als het licht, dat staat tegenover de duisternis. Want in de hemel is het doen van de wil van God geen dwang maar heerlijkheid, vanzelfsprekendheid, dankbaarheid. Daar is immers alleen maar gehoorzaamheid en helemaal geen ergernis of ontstemming, daar is elk lied een lofzang en dankzegging, daar zijn geen verloren idealen en gebroken mensenharten. Want de wil van God is daar gekend als bron van het leven en enkel heerlijk licht!

Daarmee heb ik meteen al gezegd, hoe moeilijk het voor ons is om het hier en nu te brengen tot het doen van Gods wil “gelijk in de hemel”. Die moeilijkheid ligt in een fout, die we telkens maken. Meestal bewaren we namelijk dit gebed totdat er verbijsterende dingen gebeuren in ons leven. We hadden onze plannen, en als het zo was gegaan als we ons hadden voorgesteld, dan was er weinig meer te wensen overgebleven. Dan was ons geluk volkomen geweest. Maar er is niets van gekomen! Het is allemaal voorgoed onmogelijk geworden. En ons leven is er anders door geworden, aangeslagen, beroerd, en nu buigen wij ons hoofd en zeggen: Uw wil geschiede. Iemand, die ons dierbaar was, is ons weggenomen. Geen enkele dag kunnen wij dat vergeten. Of zelf hebben we een ongeluk gehad of een handicap gekregen. Het is heel moeilijk om daarmee te leven. Uiteindelijk is het ons toch gelukt, ondanks al het verdriet, te stamelen: Uw wil geschiede! We kennen dat allemaal. Als wij geen uitkomst meer zien, dan is het tijd om te bidden. We denken dan, dat we er zijn. Als we het maar een keer zo ver gebracht hebben! Maar weten we wel, dat het dan pas begint? Weten we wel, dat alles er van af hangt of we “Uw wil geschiede” bidden? Aan het begin van de strijd of aan het einde van de strijd? We staan aan de puinhopen van al onze plannen, van ons leven, van onze leegte, en dan komen we tot bidden. Moeten we God nu aanbieden dat puin, die leegte, die scherven van ons leven? Misschien ook nog met stil verwijt: Kijk God, dat is nou Uw wil geweest!

Nee, we moeten beginnen bij het begin. God wil erkend worden niet alleen aan het einde van ons kunnen, maar altijd. Zijn wil moet recht worden gedaan, bij het begin, bij het maken van al onze plannen, bij onze voornemens, bij het uitvoeren ervan en bij de uitkomst van die plannen, of die nu negatief of positief is. Dat dit niet eenvoudig is, weten we allemaal. Het is niet zo dat we kunnen zeggen: dat zullen we nu eens fijn gaan doen, Gods wil volbrengen. Want als we het goede willen doen, is ’t kwade ons nabij, zegt de apostel Paulus. Er is een overmacht van kwaad in ons. Daar worstelen we mee, maar we delven altijd het onderspit. En daarom kunnen we eigenlijk alleen maar zeggen, ja smeken: Geef, o God, dat we Uw wil mogen doen, helpt U ons daarbij. Dat betekent tegelijkertijd, dat we dwars tegen onszelf in moeten gaan. We vragen in dit gebed ook om onze eigen teleurstelling, nederlaag, afbraak en ondergang.

De wil van God kan alleen geschieden, als wij onze eigen wil verzaken. Want die twee staan tegenover elkaar! Daarom komt alles in het heilsproces ook aan op de verbrijzeling van het hart, de verslagenheid van de geest, de verbreking van onze wil. Onze wil, waar we zo trots op zijn, is een macht, die toch gebroken moet worden door de overmacht van Gods wil. Dan pas is er ruimte voor de liefde, die in het hart geboren wordt. Dat is een schrikwekkende werkelijkheid, waar de mens doorheen moet. Om deze verschrikking bidden we in de derde bede van het Onze Vader: Uw wil geschiede. We zien het: zo glorieus is het allemaal niet, het is meer een zaak van ergernis en strijd, dikwijls levenslang.

Tenslotte nog één ding. Wij bidden voor de aarde. Uw wil geschiede gelijk in de hemel zo ook op de aarde. Dat is de bestemming van de aarde: dat op haar Gods wil geschiedt. Hiervan spreken de profeten al in hun bewoordingen van vrede en gerechtigheid. Hiervan getuigt ook een man als Paulus, als hij zegt dat eens God alles in allen zal zijn. Wij bidden, dat God trouw zal zijn aan Zijn aarde, opdat zij aan haar bestemming mag beantwoorden. Hieraan heeft iedereen mee te werken, ook u en ik: “opdat alzo ieder zijn ambt en beroep zo gewillig en trouw moge bedienen en uitvoeren als de engelen in de hemel doen.” Iedereen heeft in zijn beroep, zijn werk, al zijn bezigheden, Gods wil te volbrengen voor de aarde, samen met de anderen, in de gemeenschap van de hele schepping, zoals de engelen dat ook doen in de hemel. Het proces van verbrijzeling van de eigen wil om Gods wil te zoeken is niet eenvoudig. Soms gaat het diep, door merg en been. Het valt niet mee om mens te zijn, om Christen te zijn. Maar laten we toch om Gods wil boven alles uit het leven op aarde liefhebben! Want wij bederven er wel veel aan, maar God heeft er nog veel meer mee voor! Zijn Zoon gaf er Zijn leven voor, voor ons en deze aarde.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *