Heidelbergse Catechismus – Zondag 47


We gaan aan het begin van het nieuwe jaar verder met de Heidelbergse Catechismus, waar we vorig jaar gebleven waren: bij zondag 47.

De eerste bede van het Onze Vader gaat over de naam van God. De Catechismus behandelt die bede in twee gedeelten: het eerste deel heeft betrekking op de verhouding tussen God en de mensen, het tweede deel gaat over de verhouding tussen de mensen onderling.

Uw Naam worde geheiligd. De Naam en het heiligen, wat bedoelt de Bijbel daarmee? Met de Naam wordt de persoon zelf bedoeld, en wel de betekenis er van. Zoals bij de naamgeving van een kind uitgegaan wordt van wat dit jonge leven betekent en zou gaan worden. Neem bijvoorbeeld Mozes, die door zijn zuster Mirjam in een biezenmandje in de Nijl was gezet en gevonden werd door de dochter van de Farao. Zij was het die hem de naam Mozes (“hij die optilt, uittrekt” ) gaf, “want” zei ze, “ik heb hem uit het water getrokken” (Exodus 2:10). Elke Bijbelse naam heeft dus een betekenis. Zelf hecht ik daar ook grote waarde aan. Zo is mijn eigen naam Philippus, vertaald uit het Latijn: “paardenvriend”. Niet voor niets houd ik dus van dieren, paarden in ’t bijzonder! Daar zit iets moois in, in die betekenisvolle naamgeving. Ik weet wel: wij gaan daar tegenwoordig heel anders mee om. Wij kiezen een naam voor een pasgeboren kind vanuit het boekje of omdat het mooi klinkt of omdat het de naam van een popster is.

De Naam van God moeten wij “heiligen”. “Heilig” is wat door God tot iets bijzonders is gemaakt, iets wat Hij voor Zich apart stelt. Wij denken meestal, als we het over “heilig” hebben, aan heilig in morele zin, om aan te geven dat iets goed is, vaak in overdreven zin als het “heilig boontje”. En als dit goede onwaarachtig is, noemen we het schijnheilig. Maar dat heeft met het Bijbelse begrip niets te maken. In de Bijbel wordt met “heilig” het bijzondere, het aparte, aangegeven. Het is een bijzondere gave van God, dat we Hem met de Vadernaam mogen aanspreken. Erkennen wij dit ten volle, dan wordt Gods Naam geheiligd. Het komt overeen met het derde gebod: “Gij zult de Naam des Heren niet ijdel gebruiken”. En als er in de Bijbel sprake is van de Naam van God, dan moeten we niet alleen denken aan de Naam God of andere namen, waarmee Hij wordt aangeduid. Er is veel meer mee bedoeld. De Naam van God is alles van wat er van God op de aarde is en wat van Hem bekend is. De Naam van God is God Zelf, zoals Hij op de aarde tegenwoordig is. Het volk Israël is bijvoorbeeld een stukje van die Naam van God. Het is immers uitverkoren en gezet in de lichtkring van Zijn heilzame tegenwoordigheid. De Bijbel is ook een stukje van die Naam. En de Kerk, de prediking en de sacramenten zijn het eveneens. Zo kunnen we doorgaan. De Naam van God bestaat uit al die dingen, die door Hem zijn uitverkoren en geheiligd (apart gesteld), door middel waarvan Hij op aarde woont. Deze Naam moet geheiligd worden, mag niet ijdel gebruikt worden. Letterlijk staat er in de 10 geboden: die Naam mogen wij niet opnemen en in onze ijdelheid steken. Daar zit deze gedachte achter: ons leven, ons mens zijn en onze werkelijkheid zijn ijdel, dat is leeg en luchtig. De prediker zegt: niets dan ijdelheid, ijdelheid der ijdelheden, dat is zoveel als niets, leeg, zonder inhoud, zinloos en verloren. In onszelf is geen heil, geen houvast. Maar de Naam van de Heer is niet ijdel, Hij is vol en de overvloed zelf. Wanneer de heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dit niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van ons verloren leven – aanwezig is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden en al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Dat is het wezen van Gods Naam. En die Naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel gebruiken.

Wanneer de Heer God op aarde tegenwoordig is, dan betekent dat niet alleen, dat Hij daar – midden in de chaos van verloren leven – AANWEZIG is, maar dat Hij daar ook BEZIG is. Hij is bezig ons te redden, de schuld van al onze zonden te verzoenen en de macht van de dood te verbreken. Hij geeft ons het eeuwige leven, daar is Hij mee bezig! Zo is het wezen van Gods Naam! En die naam moeten wij heiligen, mogen wij niet ijdel (zo maar voor niets) gebruiken. Wij mogen niet net doen alsof Gods openbaring en tegenwoordigheid even “ijdel” zijn als ons hele mens-zijn. Vandaar dat de Heidelberger het zo belangrijk vindt eerst God goed te leren kennen. Dat wordt uitgelegd in Antwoord 122: “Uw Naam worde geheiligd”, dat is: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen.” De echte kennis van God is hier ook weer in Bijbelse zin bedoeld. Dat is: niet kennen met je verstand, maar met je hart, je ervaring. Ervaringskennis is heel belangrijk. Ervaring met het omgaan met God, het wandelen met God, zoals in Genesis beschreven wordt dat Noach wandelde met God. Dat betekent ook, dat je beseft, hoe God er is in je leven, hoe Hij je leidt en dagelijks leven geeft en de mogelijkheden om van dat leven iets moois en goeds te maken. God kennen is met Hem omgaan als een kind met zijn vader en moeder. “Onze Vader, Die in de hemelen zijt , Uw Naam worde geheiligd”. Wij moeten dus in de eerste plaats de Vadernaam kennen, en met die Vader moeten wij omgaan in ons leven. Hoe doen we dat dan precies? Daar geeft de Heidelberger dit antwoord op: “Geef ons ten eerste dat we U recht kennen en U in al Uw werken, in welke Uw almachtigheid, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen, roemen en prijzen.” God recht kennen betekent dus: God heiligen, roemen en prijzen. God heiligen is Hem Zijn plaats geven, niet doen alsof Hij er niet is; niet meer leven alsof het leven niet door Hem gered is. Wij kunnen niet meer in zwaarmoedigheid en vertwijfeling te gronde gaan. Wij kunnen ons alleen maar over ons bestaan verheugen! God is immers tegenwoordig in de chaos van onze zonde en dood, van onze schuld en leed, van onze verdorvenheid en verlorenheid. En deze gerichtheid op God, deze zonnige en blijde gerichtheid op God doordringt ons hele leven. De bijzondere plaats van de verhouding tot God doordringt alles wat ons leven vervult. Nu moeten wij er onmiddellijk bijvoegen: dit is (helaas) in onze werkelijkheid niet zo, wij zijn zo niet! Maar juist daarom moeten wij erom bidden, telkens weer, want dat is de weg, waarop God ons leiden wil om het waar te maken.

Naast het heiligen spreekt ons leerboek van roemen en prijzen. Dat zit eigenlijk allemaal in het heiligen opgesloten. Als je met God omgaat, dan kun je niet anders dan Hem roemen en prijzen. Dat wordt een soort levenshouding. Niet alleen in woorden, maar in heel je manier van leven, heilig en roem en prijs je God, in grote blijdschap. In dat roemen en prijzen zit geen chagrijn en pessimisme meer, het is een en al vreugde, vrede en geluk. Daarin wordt al de heerlijkheid van Gods Naam openbaar. Dat zit hem ook in wat de Catechismus Gods werken noemt, Gods handelen, dat zo heerlijk en apart is, dat je niet anders dan blij en gelukkig kunt zijn. De Catechismus noemt bij die werken een reeks van eigenschappen op, waarbij vooral in het oog springen Zijn gerechtigheid en barmhartigheid. Natuurlijk zijn er ook situaties in ons leven, waarin Gods almacht ons helemaal beweegt. Op andere ogenblikken, als we er geen gat meer in zien, zullen we meer een beroep doen op Gods wijsheid. Als we echt gelukkig zijn, denken we aan Gods goedheid. En als we bij onrecht bepaald worden, roepen we om Gods gerechtigheid. Schamen we ons diep over ons zelf, dan bidden we om Gods barmhartigheid. Ons leerboek noemt nog een eigenschap meer, waar we in ons leven maar al te weinig aan denken: Gods waarheid. En toch is dat het grootste wonder van God: Zijn waarheid. En wel waarheid in Bijbelse zin: dat iets vast staat, onwrikbaar, als een paal boven water.

Hoe kan dit alles, de uitstraling van al die werken en eigenschappen van God in ons heiligen, roemen en prijzen, in ons gebed handen en voeten krijgen? Dat is niet zo eenvoudig, eigenlijk onmogelijk. Daar zou je boekdelen vol over kunnen schrijven, maar God wil – denk ik – niet, dat we prachtig en helemaal volledig zijn in ons gebed. En daarom spreken we heel eenvoudig en tegelijk ook eerbiedig onze Vader Hem en vragen Hem Zijn Naam te heiligen in al die rijkdom van Zijn werken ook in ons leven. Als u voortaan bidt: “Uw Naam worde geheiligd …”, stelt u zich dan iets voor van die veelvuldige rijkdom, waarmee God Zijn Naam aan de wereld bekend heeft gemaakt. En probeert u dan met uw heiliging, roemen en prijzen, die rijkdom te onderstrepen, opdat aan Gods eer recht wordt gedaan.

In de tweede plaats spreekt de Catechismus over de bede in de intermenselijke verhoudingen. “Dat wij al ons leven, onze gedachten, woorden en werken, alzo schikken en richten, dat Uw Naam om onzentwil niet gelasterd, maar geëerd en geprezen worde.” We weten er wel iets van, al is dat vermoedelijk nog maar heel weinig, hoe vaak vanwege ons leven, denken en spreken en handelen Gods Naam gelasterd wordt. Zijn wij er ook beschaamd over? Of houden wij ons er liever doof voor? Die lastering is heel reëel, het is het volstrekte tegendeel van heiliging! We hebben er eigenlijk geen goed woord voor, zo arm zijn wij en is ook onze taal. We praten er ook liever niet over. Toch is het er, levensecht. Denk maar eens aan die derde slaaf in de gelijkenis van de talenten. Hij begroef zijn talent, waarmee hij Gods Naam niet heiligde in het bezit dat hij persoonlijk van de heer ontvangen had. Een vraag op de man (vrouw) af : kunnen wij zo leven, denken, spreken en handelen, dat de Naam van God niet om onzentwil gelasterd wordt? En nu moet u niet eens denken aan die ander, die zo goddeloos leeft, maar alleen aan u zelf! En is het u een zorg om die Godslastering in uw leven te voorkomen? En bent u er bedroefd om, als u aan de lastering van Gods Naam toch niet ontkomt? Als we echt bidden, dan moeten we daarmee ernst maken! Aan mensen, zoals wij zijn, zo ontrouw, zo bevreesd voor wat anderen ervan zullen zeggen, zo bang ook voor ons zelf en voor ons eigen hachje, zo hoogmoedig en geneigd tot eigen gerechtigheid, aan deze mensen draagt God op om in de wereld Zijn Naam uit te spreken en Zijn getuigen te zijn. Wanneer we ons dit indenken gaan we pas echt dit Woord uit het Onze Vader bidden. En wanneer we het ootmoedig en geregeld voor God uitspreken, begint er al iets van verhoring te komen. Misschien zullen we zelf niet eens merken, dat Gods Naam om onzentwil in ons leven en denken en handelen geprezen en geëerd wordt. Het zou voor onze ijdelheid ook niet goed zijn, wanneer we het merkten. Maar het kan gebeuren, als we er God eerbiedig om vragen. U moet geloven, dat het voor God mogelijk is om ons ootmoedig gebed zo te verhoren, dat Zijn Naam in ons leven niet gelasterd, maar geprezen wordt. Dit gebeurt door ons leven te schikken en te richten, twee veelbetekenende woorden, die een bepaalde orde aangeven. De orde van het gebed is, dat God de Vader in het middelpunt staat, en niet wij zelf. Wij horen er wel bij als de Zijnen, maar Hij staat in het middelpunt, en wij hebben heel ons leven en denken en spreken en handelen op Hem te richten. Dat is de SCHIKKING van de dingen, dat het gaat om Zijn eer, om de heiliging van Zijn Naam, Zijn openbaring op aarde, Zijn Koninkrijk. Zo is ook de RICHTING. Niet meer WIJ stellen het doel in het leven, maar wij bidden er de Vader om, dat Hij ons de richting zal wijzen, naar Zijn doel. En wat IS het doel van ons leven? Het eenvoudige antwoord van de Heidelberger zegt het zo: GOD TE KENNEN OM HEM TE VERHEERLIJKEN.

Vader, dat zo Uw Naam geheiligd worde …  ook in ons leven!

AMEN.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *