De Kananese vrouw


Mattheüs 15, 21-28

Kananese vrouwIn onze Schriftlezing staat de aanvechting van het geloof centraal. Veel mensen herkennen dat in hun leven. Het is een grote beproeving, door allerlei oorzaken: ziekte, teleurstelling, tegenslag, twijfel, ruzie, eenzaamheid en verlatenheid. Hier, in onze tekst, is het de ziekte van een dochter, die de vrouw tot Jezus doet komen. “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten”.

Maarten Luther zag in deze vrouw een voorbeeld, hoe het geloof de aanvechting kan overwinnen. Die vrouw staat hier voor al die mensen, die in hun aanvechting God toch niet loslaten. “Want”, zo zei Luther, “zoals het deze vrouw gebeurt, zó zal het gaan met allen, die in het geloof volharden.” Ja, dat is mooi gezegd. Maar we weten allemaal ook, dat het niet zo maar gaat! Het moet vaak door veel beproevingen heen! Het leven is soms een kruis, dat moeilijk te dragen is. En kruisdrager te zijn is een hard bedrijf, waar menig mens onder bezwijkt.

Onze vrouw stond er middenin. Haar kind was ziek, zelfs “deerlijk bezeten”. Heel ernstig. Wat moeten we daar onder verstaan? Dat zij zwakzinnig was? Ja, misschien wel dubbel gehandicapt, met epileptische toevallen. We weten het niet precies. Het was voor de moeder een vreselijk kruis, een grote zorg, zoals ouders dat ook vandaag nog meemaken. En wat doe je dan al niet om je kind te helpen? Je bent er altijd op gespitst of er niet ergens een dokter is of een nieuw medicijn of een alternatieve geneeswijze, waardoor er misschien nog hoop is voor je kind.

De vrouw had van Jezus gehoord, hoewel de Heer Zich verborgen had in een huis, zoals Marcus in hoofdstuk 7 vertelt. Hij was dus eigenlijk niet te spreken. Hij had geen spreekuur, zeg maar. Toch had de vrouw al van Hem gehoord en dat Hij daar was. En voor een moeder, die opkomt voor haar kind, telt een spreekuur niet! Opeens staat zij daar voor Hem en schreeuwt het uit: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David, mijn dochter is deerlijk bezeten!” Zij heeft over Jezus gehoord, wie Hij is en wat Hij kan. Maar wat heb ik daar aan, als het aan mij niet gebeurt? Ik heb die Jezus nodig, mij moet Hij helpen! Geloven is een persoonlijk iets, het raakt mij in hart en nieren. Mij persoonlijk, in mijn nood en aanvechting, in mijn twijfel en hoop.

Dan staat zij daar en zij schreeuwt het uit alsof ze zeggen wil: “Hier ben ik dan, Heer, help mij toch, U kunt toch zo veel? Ik heb U nu zo nodig!” Het gaat om Hem en om mij in het geloof. “Mijn Heer en mijn God!” Als je dat niet kunt zeggen, blijf je toch een buitenstaander en zal het geloof je niet veel te bieden hebben. Alleen in persoonlijke ontmoeting met de Heer wordt geloof zichtbaar. Maar het gaat wel door de aanvechting heen! Dat laat het vervolg van onze geschiedenis duidelijk zien. De aanvechting komt niet alleen van buiten af, zoals ziekte en tegenslag. Maar soms gaat het dieper en komt die aanvechting van binnenuit, uit je zelf, uit je wantrouwen en ongeloof. Misschien zelfs vanuit de Heer Zelf, Die niet naar je luistert. Die vrouw moest dat ook ervaren. Daar staat: “Hij echter antwoordde haar geen woord”. Wat erg zeg! Het geloof van die vrouw wordt wel op de proef gesteld. Maar zij geeft niet op! Zij klampt zich aan Jezus vast en blijft roepen. Het irriteert ook de discipelen. Zij zeggen tegen Jezus: “Stuur dat mens toch weg, want zij roept ons na!”

“Hij echter antwoordde en zei: Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël”. Begrijpt u dat nou? Waarom laat de Heer zo’n arme vrouw nou in de kou staan? Dat doe je toch niet! Waarom voelen zo veel mensen zich van God en mens verlaten? Hoe komt het toch, dat God vaak zo ver weg lijkt? Waarom hoort hij dat schreeuwen en om hulp roepen van arme mensen niet? De vrouw had nog zo geroepen: “Zoon van David”. Zij wist, wie Hij was: de Messias, volgens de oude profeten “Zoon van David” genoemd. Zij is maar een heidense vrouw, dat weet zij maar al te goed, toch komt zij tot Hem, omdat Hij de Messias is! Ook dat weet zij. Hij zal het Koninkrijk van God brengen, dat in de Messiaanse tijd niet alleen Israël zou omvatten, maar dat ook vanuit Israël tot de heidenen zou komen. Hier staat een heidense vrouw, die zich daarvan heel goed bewust was. Dat betekent toch ook, dat de God van Israël er voor haar was? Zij had dat, denk ik, beter begrepen dan de discipelen, die alleen maar dachten dat Israël was uitverkoren en de heidenen verworpen. Daardoor stond die vrouw er bij de discipelen slecht op: zij was maar een heidense vrouw! Ach, die mannenbroeders hadden beter moeten weten! Maar is het niet vaak in de kerk nog zo? Kerkmensen denken het soms beter te weten dan God Zelf! In ieder geval is dit al de eerste aanvechting, waartegen die vrouw moet opboksen: het vooroordeel van de mensen, dat zij tegen heeft.

Dan volgt al snel de tweede aanvechting. Jezus geeft “niet thuis”. Hij antwoordt niet. Het zwijgen van God is de grote aanvechting van iedereen, die bidt. Ook in de Psalmen horen we dit: “Tot U roep ik, Here, mijn rots, wend U niet zwijgend van mij af…” (Ps.28) en Psalm 83: “O God, houd U niet stil, zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God!” Het zwijgen van God is iets vreselijks. Je kunt het niet verdragen. Zoals het horen en verhoren van God voor ons redding betekent, zo is het zwijgen van God voor ons verwerping. De mens voelt zich dan buiten gesloten. Dat is het ook ergste tussen mensen die om elkaar geven, als er soms gezwegen moet worden, als men soms in een ruzie dagen lang geen woord tegen elkaar zegt. Dit stommetje spelen is moordend, is de dood zelf, elkaar doodzwijgen De dichter van Psalm 28 zegt het heel duidelijk: “Als U blijft zwijgen, o God, word ik als iemand die in de groeve neerdaalt, dan ben ik dood.”

Wat moet die vrouw zich ellendig gevoeld hebben! Buiten gesloten door de mensen en nu ook door Hem, de Zoon van David, op Wie ze zo gerekend had! De kerkvader Augustinus tekent hierbij aan: “Zo handelt God met allen, die tot Hem komen, niet opdat de barmhartigheid wordt genegeerd, maar opdat het verlangen wordt vermeerderd!” We zien dat ook bij de vrouw. Zij laat zich niet wegsturen, zij blijft roepen en vragen! In haar isolement, in die grote aanvechting van haar geloof, blijft ze toch de Heer zoeken. De volhouder wint! Daar gaat het om in het geloof! Dat wil de Evangelist Mattheüs ons hier leren.

Eerst zegt Jezus nog “nee”. Nadat Hij gezwegen heeft komt de afwijzing: “Nee!”. Dat is de derde beproeving en aanvechting van het geloof van de vrouw. Jij bent Mij niet waard! Jij bent maar een zondige heidense vrouw, wat denk je wel! Er zijn mensen, die het juist met deze laatste aanvechting heel moeilijk hebben. Ze weten het immers zelf ook maar al te goed, hoe en wat ze zijn: zondige mensen. Zij ervaren hun schuld als onoverbrugbaar. Gelukkig is God bij machte die schuld toch te overbruggen. God kent u dieper dan u zich zelf kent, niets blijft voor Hem verborgen, daarom weet Hij er ook raad mee. Hij kan het overbruggen, het wegdoen.

Dat mocht de Kananese vrouw ervaren. Zij had een ontmoeting met Jezus. Maar Jezus zei “nee”. Toch laat de vrouw zich niet afschrikken. Des te sterker wordt haar verlangen naar Hem. Zij loopt niet meer achter Hem aan, maar werpt zich voor Zijn voeten! Alles, wat zij nog te zeggen heeft is één lange schreeuw: “Heer, help mij toch!” Hoe groter de nood, hoe korter het gebed. Dan is er alleen nog maar die ene kreet, recht uit het hart: “Here, help mij!” Dat is het antwoord van het geloof op het “nee” van Jezus.

Nu komt het ergste nog. De vrouw moet door de diepste diepte van de beproeving heen. Jezus antwoordde en zeide:  “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het de honden toe te werpen…” Het brood, misschien wordt hiermee het levensbrood bedoeld. Na deze geschiedenis verhaalt de Evangelist immers de tweede wonderbare spijziging. Het levensbrood is niet voor de honden, maar voor de kinderen! Hiermee wordt de vrouw gelijkgesteld aan die schurftige straathonden, die elke dag moeten vechten om iets te eten te krijgen. Het is je reinste discriminatie! Zij is verworpen door God, zij is maar een hond! Wat erg. Daar staat ze nu: verbijsterd, diepongelukkig, vernederd, afgewezen, verworpen. Zij zou het kunnen uitschreeuwen, net als Jezus aan het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?”

Maar dan gebeurt het wonder. Juist in die verlating blijkt Gods liefde het dichts nabij. De vrouw krijgt de kracht om in die diepte van de verlating en aanvechting overeind te blijven en God te houden aan Zijn Woord. Zij vangt Jezus in Zijn eigen woorden: “Zeker, Here, maar ook de honden eten van de kruimels…” In dit “Ja, Heer, maar toch…” ligt de grote kracht van haar geloof  Zij buigt zich onder Gods oordeel, zij wordt niet boos en gaat niet met God de discussie aan, nee, zij geeft zich over: “Zeker, Heer, maar toch…”  Maar zij laat Hem niet los! Zij blijft “ja” zeggen tegen het “nee” van Jezus. En toch, en toch… In alle beproeving blijft het geloof overeind. Daarin ligt tenslotte de verhoring van het gebed. Nooit kan het geloof te veel verwachten (gez.291).

“O vrouw, groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wenst.”

En haar dochter was genezen van dat ogenblik af.

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

5 gedachten over “De Kananese vrouw

  • SB

    Geachte heer Kroes,

    Dit verhaal uit de bijbel is prachtig door u beschreven. U legt alle facetten uit over de betekenis van dit hoofdstuk.

    Tranen van liefde voor mijn Almachtige Vader liepen zachtjes over mijn wangen.

    Dank u voor dit verhaal dat u op internet heeft geplaatst.

    Met Gods zegen,
    SB

  • Dirk van Beurden

    Wat een slap verhaal. Hier wordt een vrouw grof gediscrimineerd om haar afkomst. Zeer slechte beurt van Jezus. Bizar dat er mensen zijn die deze rare snuiter aanbidden als een god. Hoe praat je wat krom is recht, dat lees ik hierboven.