Luther I – Monnik


LutherVijf honderd jaar geleden zat Luther in een klooster te Erfurt. Hij worstelde met veel problemen. Vooral de vraag, hoe een mens de genade van God kan ontvangen, hield hem bezig. Hij was monnik geworden, omdat dit in de Middeleeuwen als de koninklijke weg gold om in de hemel te komen. Dat was in het jaar 1505 gebeurd. Hij studeerde toen aan de universiteit van Erfurt. Hij was geleerd in de rechten (magister artium) en ging een mooie toekomst tegemoet. Maar opeens besloot hij in de orde van de Augustijner Eremieten te worden opgenomen. Waarom doet een mens zo iets? Waarom deed Luther dat, tegen de wil van zijn vader en al zijn vrienden?

Later heeft hij daarover verteld in één van zijn befaamde “tafel-gesprekken”. Hij was bang voor de dood, waarmee hij al verschillende keren te maken had gehad. In zijn tijd stond de dood midden in het leven. Niet alleen oudere mensen gingen dood, maar vooral ook kinderen. De gemiddelde leeftijd lag toen ongeveer op 35 á 40 jaar. Het verhaal wil, dat Luther eens onderweg naar Erfurt door een bliksemstraal zó geschrokken was, dat hij uitriep: “Heilige Anna, help, ik wil monnik worden!” Toen is hij het klooster ingegaan, in Erfurt. “Niemals dachte ich das Kloster zu verlassen. Ich war der Welt ganz abgestorben.”

Op zich zelf is de doodsangst bij Luther te verklaren uit het algemene gevoel, waarin de mensen toen leefden. Men was er niet gerust op, hoe het leven ná de dood zou zijn. Boven de portalen van alle Middeleeuwse kerken zie je nog het “laatste oordeel” afgebeeld. Christus zit in het midden op de rechterstoel en de mensen, die het goed gedaan hebben, gaan naar rechts, de hemel in, maar de mensen, die om hun zonden veroordeeld zijn tot de hel, gaan naar links het vagevuur in. Met de meest mogelijke verschrikkingen wordt dat laatst afgebeeld. Geen wonder, dat de mensen daar bang voor waren! De mensen waren dus erg bezorgd voor hun zielenheil. Wat zij daarvoor nodig hadden was door de sacramenten van de kerk te verkrijgen. Christus Zelf bleef daarbij eigenlijk ver weg. Tussen de mens en Christus was eerst Maria geschoven en later ook nog de moeder van Maria, moeder Anna. Tot deze Anna bad dus Luther in die schrikwekkende nacht.

Luther had het gevoel, als rechtenstudent van 21 jaar, dat hij er beslist nog niet “was”. God moest hem wel veroordelen! Daarom trad hij het klooster in. Om van daaruit goede werken te doen. Want dat was erg belangrijk! De mens is immers een zondig wezen, maar kan door goede werken de gerechtigheid van God “verdienen”. De gedachten over de zonde van de mens en de genade van God waren door de eeuwen heen overgeleverd en afkomstig van Augustinus, een bisschop die in de vierde eeuw leefde. Augustinus had geleerd, dat Adam goed was geschapen, maar door de zonde de gemeenschap met God had verloren. Daardoor was hij slaaf van zijn eigen zonde geworden en ten dode opgeschreven, niet meer in staat tot eng goed. In Adam hebben alle nakomelingen gezondigd, volgens een onjuiste weergave van Rom.5, 12: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnen gekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben.” Augustinus haalt hier uit, dat alle mensen in Adam gezondigd hebben. Ieder mens is daardoor met de erfzonde belast, waardoor de hele wereld een “massa perditionis” (een poel van verderf) is geworden. De mens heeft nog wel een vrije wil, maar die is waardeloos zonder de genade van God, God schenkt wel Zijn genade, maar niet aan iedereen. Er zijn maar weinig mensen daarvoor uitverkoren. Dat zijn de “praedestinati ad gratiam”, de rest is “damnatione preaedesinati” (uitverkoren tot de vervloeking). In deze leer is ook Luther groot gebracht. Het is daarom ook geen wonder, dat hij zwaar tilde aan het leven!

Nadat Luther in 1505 tot Magister Artium was gepromoveerd en in het klooster was toegetreden, werd hij in 1507 tot priester gewijd, waarna hij begon aan zijn eigenlijke theologische studie. Bijbelstudie had beslist zijn voorliefde. Hij bestudeerde de Schrift met grote nauwgezetheid. Daarnaast hadden ook toenmalig bekende theologen en vooral ook Augustinus zijn aandacht. Er is één theoloog, die hem bijzonder inspireerde: Wilhelm von Occam. Dat was een Engelse Franciscaner monnik, later hoogleraar in Parijs (+1347). Hij was de meeste briljante vertegenwoordiger van de nieuwe richting, die men ook wel “via moderna” (de moderne weg) noemde. Zij waren in die zin “modern”, omdat men niets meer wilde weten van de klassieke opvatting van Thomas van Aquino, die had geleerd dat in de natuur God te vinden was. Verstand en goddelijke openbaring horen bij elkaar, zij vormen samen een harmonisch geheel. We spreken daarom van een “natuurlijke theologie”. Wetenschap en geloof zijn op elkaar betrokken, natuur en boven-natuur, onderbouw en bovenbouw, God en mens, Schepper en schepsel. De mens kan op die manier met natuurlijke middelen tot geloof worde gebracht. Het “bovennatuurlijke” was zodoende voorwerp geworden van rationeel inzicht. De “modernen” moesten hiervan niets hebben! En ook Luther vond dit maar niets. Occam leerde, dat uitsluitend de goddelijke openbaring tot het geloof kon brengen. Niet de natuur en het verstand waren bepalend voor het geloof, maar alleen de goddelijke openbaring in de Heilige Schrift. Alles is afhankelijk van Gods genade en liefde, die alle verstand te boven gaat! Maar een mens kan wel op die genade rekenen, als hij goede werken doet, zoals aalmoezen geven, pelgrimstochten ondernemen, relikwieën vereren, de rozenkrans bidden, de vasten houden enzovoort. Heel belangrijk was ook, dat je het klooster in ging om daar alleen voor God te leven. Als monnik sloot je je af van de “boze” wereld en deed je als vanzelf nog meer goede werken, zoals waken, vasten, armoede lijden, zwijgen, zich verootmoedigen, bedelen, zeven maal daags het urengebed bidden, slapen in het doodshemd, in het klooster als ’t waren begraven zijn. Luther heeft dit moeilijke leven later zelf eens beschreven: “Het is waar, ik ben een vrome monnik geweest en ben mijn verplichtingen zo streng nagekomen, dat ik zeggen durf: als er ooit een monnik in de hemel gekomen is door monnik te zijn en alles wat daarbij hoort, dan zou ik zeker daar gekomen zijn. Da zullen al mijn kloosterbroeders kunnen betuigen. Want ik had mij, als het nog langer geduurd had, dood gemarteld met waken, bidden, lezen en andere arbeid.”

De volgende keer gaan we wat nader in op de ontwikkeling van Luther en zijn geloofsleer.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

3 gedachten over “Luther I – Monnik