Waar blijft de tijd XXVI – Het eschaton in de apostolische prediking


JezusHoe zag het Evangelie er uit, dat Paulus in onderscheiding van andere Evangelies “MIJN” Evangelie noemt (Rom.2, 16 en 16, 25)? Hiervoor kunnen we de volgende teksten, waar Paulus zijn Evangelie ter sprake brengt, nader bekijken: 1 Kor.15, 1vv; ook 1, 23 en 2, 2-6; ; Rom.10, 8-9; Gal.1, 11-18 en 3, 10. Ook de gedeelten, wier formuleachtige vorm verraden dat zij van reeds geconsolideerde Gemeentetraditie afkomstig moeten zijn, moeten nader onderzocht worden (Rom.1, 1-4; 8, 31-34; 1 Kor.15 1 vv.). Hierdoor krijgen we de volgende reconstructie:

  • De profetieën zijn vervuld en de nieuwe aeon is aangebroken door de komst van Christus.
  • Hij werd geboren uit het geslacht van David.
  • Hij stierf naar de Schriften om ons uit de tegenwoordige boze aeon te verlossen.
  • Hij werd begraven.
  • Hij stond ten derden dage op naar de Schriften.
  • Hij zit in heerlijkheid ter rechterhand van God, als Zoon van God en als Heer van de levenden en doden.
  • Hij zal wederkomen als Rechter en verlosser van mensen.

 

De toespraken in Handelingen, waarin veel oude overleveringen door Lukas worden bijeengebracht, leveren nagenoeg hetzelfde beeld op: 2, 14-36.38.39; 3, 12-26; 4, 8-12; 5, 17-40 en 10, 34-43. Het is een nadere uitwerking van Jezus’ eschatologische prediking in de Synoptici (=Matheüs, Markus en Lukas). Zoals deze bijvoorbeeld in Markus 1, 14v gevonden wordt: ‘14 Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar Hij Gods goede nieuws verkondigde. 15 Dit was wat Hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’ Hetzij de apostolische prediking nu teruggaat op die van Jezus in de Synoptische Evangeliën, hetzij we omgekeerd de Synoptische Jezus’ prediking vanuit de apostolische moeten verstaan, beide zijn naar hun strekking identiek.

Er zijn evenwel een drietal punten in het kerugma van Paulus, die in het Jeruzalemse kerugma van Petrus’ toespraken niet teruggevonden worden:

  1. Jezus wordt in het Jeruzalemse kerugma niet “Zoon van God” genoemd, hoewel de intentie van deze titel wel aanwezig is en zeker ook in de Synoptische Evangeliën diep geworteld is. De eerste, die in Handelingen verkondigt, dat Jezus de Zoon van God is, is Paulus (in 9, 20).
  2. Het Jeruzalemse kerugma stelt niet, dat Jezus stierf voor onze zonden.
  3. In het Jeruzalemse kerugma wordt niet geleerd, dat de verheerlijkte Heer voor ons intreedt.

Er is wel een belangrijk ander punt in dit kerugma, dat in de brieven van Paulus terugkeert zonder dat het uitdrukkelijk genoemd wordt bij de weergave van ZIJN Evangelie: de werking van de Heilige Geest als het teken, dat de nieuwe aeon is aangebroken (Gal.3, 1; 2 Kor. 1, 22; 5, 5 e.a.). Ook de redevoeringen in Handelingen, die Paulus zou hebben uitgesproken, komen kerugmatisch in hoofdzaak met die van Petrus overeen. Dat is ook niet te verwonderen, als we bedenken dat al deze toespraken – hoewel veel traditioneel materiaal bevattend – als composities van Lukas van één hand komen. De eigen compositorisch arbeid zowel van Lukas in Handelingen als van Paulus in zijn brieven, elk met een eigen “spits” en “tendentieuze” werkwijze, is waarschijnlijk ook de oorzaak van het vergelijkenderwijs met elkaar overeenkomende beeld van leven en werk van Jezus. Een samenvattend overzicht van de feiten van leven en werk van Jezus, zoals we geregeld in de “preken” van Handelingen tegenkomen, geeft Paulus in zijn brieven immers niet, uitgezonderd de twee specifieke heilsfeiten van Jezus’ dood en opstanding, die dikwijls gecombineerd voorkomen. De grondstructuur van het oer-kerugma, die zowel in Handlingen als bij Paulus in hoofdlijnen eenstemmig is, wordt hierdoor echter niet aangetast. Uit het “stilzwijgen” der brieven ten aanzien van feiten uit Jezus’ leven en werken kan ook niet met zekerheid geconstateerd worden, dat Paulus nooit naar het leven en werk, zeker de wonderen, van Jezus verwezen zal hebben. Het is goed mogelijk, dat de strekking van zijn brieven, die ons bewaard zijn gebleven, daarom niet vroeg.

898135Slechts in één opzicht heeft het oude kerugma binnen een kort tijdsbestek een gewijzigde spits gekregen: de parousieverwachting (= de verwachting van de wederkomst). Deze moet buitengewone sterke wortels hebben gehad in het geloofsleven van de eerste Christenen. Noch twintig jaren na Jezus’ dood vinden we daarvan de bewijzen in de sterke verbijstering, die ontstond, toen blijkens de brieven aan de Gemeente van Thessalonica de parousie op onverklaarbare wijze was vertraagd. Voor de geloofsinstelling van de eerste Christenen moest Christus spoedig komen “op de wolken van de hemel”. Deze komst en Zijn komst op aarde werden als ’t ware in enen gezien: het was één en dezelfde act, de komst “op de wolken” zou de voltooiing brengen, de afsluiting van Zijn volbrachte werk op aarde. Ook voor het gevoelen van Paulus in het licht van zijn Farizeïsche opleiding moet het zo geweest zijn: de opstanding brengt de verheerlijking, de olâm-ha-bâ, dat is één groot wereldomvattend gebeuren. Maar de komst van de Heer bleef uit, en zo ging men in het Evangelische kerugma hoe langer hoe meer spreken in termen van “de tweede komst”. Hier ligt één van de wortels van de Paulinische tijdsopvatting, waarin naast het futurische aspect meer en meer het “gerealiseerde” aspect op de voorgrond treedt (zie 2 Kor5, 17: de nieuwe schepping, die heeft plaatsgevonden, wanneer een mens in Christus is).

Het uitblijven van de parousie zal zeker van grote invloed zijn geweest op de geloofsbeleving van de eerste Christenen, in deze zin, dat de wederkomende Heer plaats maakt voor de aanwezige Heer in de gemeenschap van de Heilige Geest (vgl 2 Kor.13, 13; Phil.2, 1. Zeker ook 2 Kor.3, 17: De Here nu is de Geest!). Dat de heilstijd present is, de tijd vervuld en de nieuwe aeon aangebroken, daarvan wordt de geest als het onmiskenbare teken ervaren: Hij stelt de Heer inde Gemeente tegenwoordig. Dit komt zeker ook voort uit de apocalyptische traditie t.a.v. de Geest: Jes.4, 3vv; Ez.37, 12-14; Henoch 62, 7v en 14vv.

In hoeverre door het uitblijven van de parousie het perspectief van het Paulinische kerugma veranderingen heeft ondergaan ten opzichte van zijn tijdsopvatting in verband met de verhouding tussen de dood, opstanding en verheerlijking van Christus aan de ene kant en zijn tweede komst aan de andere kant zal in een volgend hoofdstuk nader onderzocht worden. Hier kan reeds gesteld worden, dat op deze vraag moeilijk een antwoord gegeven kan worden, omdat onze Paulinische bronnen, de echte brieven, alle in een kort tijdsbestek geschreven zijn. Over de gedachtegang van Paulus vóór die tijd, dat zijn de ca 20 jaren die er liggen tussen zijn “roeping” en de eerste van de van hem bewaard gebleven brieven, is nagenoeg niets bekend.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *