Waar blijft de tijd XVII – Discussie over het tijdsfenomeen in het oerchristelijk denken (deel 2)


Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

kummel

Anderen, die zich in de discussie mengen, zijn Kümmel en Cullmann.

Kümmel ziet in de eindtijdverkondiging van Jezus twee hoofdmomenten:

  1. Het naast elkaar voorkomen van praesentische en futurische uitspraken;
  2. Het rekening houden met een – al is het ook maar kort- voortbestaan van deze aeon over zijn dood heen.

Uitgaande van de discutabele teksten Matth.10, 23; Marc.9, 1 en 13, 30, die hij voor echt houdt, stelt Kümmel, dat Jezus de nabijheid van het Rijk, Zelfs binnen Zijn eigen generatie, heeft verkondigd. Dit is niet uitgekomen en het heeft daarna in de Kerk ook geen grote rol meer gespeeld, getuige de zeer vele teksten, die de tijd van het komen van God weliswaar als dreigend dichtbij, maar toch als onbekend weergeven. Staan deze teksten nu met elkaar in tegenspraak? Neen. Het is niet “of… of”, maar “en… en”” . De tegenstelling moeten we zo laten staan, want de ineenstrengeling van spanning en uitbreiding van de eindverwachting is de hele Bijbelse eschatologie eigen en derhalve onoplosbaar. De probleemstelling is ook van ondergeschikte aard, omdat het gaat om profetische toekomstverkondiging en niet om apocalyptische tijdsberekening. In de persoon van Jezus is de toekomst “heden”geworden. De verkondiging van dit “heden”der Gods-heerschappij in Jezus’ werken devalueert daarom de toekomstuitspraken van Jezus geenszins, maakt ze veeleer overtuigend en onontkoombaar. Dit is de kracht van het spanningsveld tussen “schon” en “noch nicht”.

Oscar CullmannNaast Kümmel vinden wij op deze lijn de exegetische beschouwingen van Oscar Cullmann staan. Zijn eerste grote werk (Christus und die Zeit) heeft een golf van discussies uitgelokt (vooral van de kant van Bultmann en Fuchs), niet zo zeer omdat het daarin ging om het reeds bij Kümmel gestelde probleem “praesentische oder futurische Eschatologie”, als wel omdat daarin de tegenstelling “existentiaal”of “Heilsgeschichtlich”te interpreteren eschatologie scherp omlijnd naar voren kwam. In hoofdlijnen ziet Cullmanns opvatting er als volgt uit:

  1. Het oerchristelijk tijdsverstaan is niet Grieks-cyclisch, maar lineair;
  2. Van daaruit is eeuwigheid niet tijdloosheid, maar grenzeloze tijd;
  3. Het hele tijdsgebeuren heeft in Christus een feitelijk en zingevend midden;
  4. Op grond daarvan is er in het N.T. geen metaphysisch, maar alleen een temporeel dualisme: de spanning van “reeds vervuld”en “nog niet voltooid”;
  5. Vanuit Christus als centrum wordt het O.T. en de geschiedenis van Israël gezien als voorbereiding op de vervulling. Hetzelfde geldt van de tijd voor de schepping en van de schepping zelf. Maar ook NA de vervulling gaat tijd en Heilsgeschiedenis door tot aan de eindvoltooiing, waarna Heilsgeschiedenis en wereldgeschiedenis, voordien parallel lopend, gaan samenvallen, als “God alles in allen zal zijn”.

Duidelijk zichtbaar is bij Cullmann de lijn: voorbereiding -vervulling/verlossing – eindvoltooiing, in Christus, volgens het principe van uitverkiezing en plaatsvervanging. Eerst langs de weg van de versmalling van de gehele wereld tot “Die ENE”, Christus, om van daaruit, als centrum, via de weg van de verbreding weer uit te waaieren over de gehele wereld.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *