Waar blijft de tijd XLV – Het Paulinische zicht op het verleden


PaulusReeds enkele malen werd door ons benadrukt, dat Paulus ook in zijn tijdsverstaan uitsluitend begrepen kon worden vanuit het Christologisch-soteriologische midden. Vanzelfsprekend rijst dan de vraag: wanneer Paulus zich zo concentreert op Christus en de tijd hem alleen onder het Christologische aspect ter harte gaat, is er bij hem dan nog wel plaats voor een visie op het verleden? Gezien de veelvuldige Schriftaanhalingen en verwijzingen naar gebeurtenissen in Israëls geschiedenis lijkt op deze vraag met “ja” geantwoord te moeten worden. Dat dit onder het nodige voorbehoud en zeker met enige restricties dient te geschieden, heeft de bestudering van het tijdsaspect in Paulus’ omgang met de Tenach reeds uitgewezen. Een nader onderzoek naar Paulus’ kijk op het verleden kan hier alleen maar duidelijkheid verschaffen. Daartoe zullen de Schriftgedeelten, die enig licht op de Paulinische visie op het verleden kunnen doen schijnen, stuk voor stuk in het onderzoek betrokken worden.

1 KOR.10, 1-11 “Israël” als waarschuwing
Dit gedeelte heeft niet direct te maken met een vorm van tijdsvisie, of het moest zijn dat het woestijngeslacht volgens oude Joodse traditie HET voorbeeld is voor het eschatologische heilsvolk. Interessant echter is de perikoop als studieobject voor de omgang van Paulus met de Schrift. De aanleiding voor deze excurs over het woestijn volk zou kunnen zijn geweest, dat er in de Gemeente van Korinthe mensen waren, die meenden op grond van het bezit van Christus reeds nu van alle zondigheid af te zijn. Tegen deze uitwas van het geloof komt Paulus op. Hij vergelijkt daartoe hun situatie met die van Israel in de woestijn: toen werden allen de heilsdaden van God deelachtig, “Allen gingen door de zee, allen lieten zich in Mozes dopen in de wolk en in de zee, allen aten hetzelfde geestelijke voedsel en dronken dezelfde geestelijke drank, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen meeging, en die rots was Christus“. Deze uitleg is door de Joodse traditie, volgens welke het manna eschatologische heilspijze is, voorbereid en wellicht al vóór Paulus in de Christelijke Gemeente gebruikt.

Zo hadden alle Israëlieten aan het heil in Christus deel, maar het hielp hen niet, omdat zij grotendeels van God afvielen. “Deze dingen zijn hun overkomen tot een voorbeeld en werden opgeschreven als waarschuwing voor ons, op wie het hoogtepunt van de eeuwen gekomen is“(vs.11). Dit is de Christenen ter vermaning opgeschreven, meer nog: tot dit doel gebeurd! “Tot een voorbeeld” (tupikôs), met betrekking op de Gemeente. De identiteit van Christus met de rots is meer dan alleen maar exegetisch, het is een dynamisch gebeuren: Christus wordt als ’t ware door de rots mee in het verleden getrokken. Trouwens, alleen wanneer Christus werkelijk in het verleden aanwezig was, kan datgene wat de vaderen overkwam als hun Doop en Avondmaal aangeduid worden.

Hoe kan Paulus zo van dit gebeurde spreken? Omdat hij erkend heeft, dat beide, het oude Israel en de Gemeente samen horen, omdat God aan beide gelijk heil gegeven heeft. Daarom zijn zij ook vergelijkbaar. Het zal dan ook helemaal niet bij Paulus opgekomen zijn, dat juist zijn toepassing van Doop en Avondmaal en de rots Christus op het heil van het woestijnvolk, dit volk en zijn situatie vergelijkbaar heeft gemaakt met de Gemeente en zijn situatie. Hier kan da ook geen sprake zijn van “hinein interpretieren” of onzindelijk denken. Integendeel: vanuit het synthetisch-theocentrische ervaringsdenken van de Jood was dit een heel zinnige en ook logische argumentatie en redenatie. Questieus is alleen de betekenis van “tupikôs”: gewoon “voorbeeldelijk”of reeds in technische zin gebruikt (zoals later bij de typologische exegese). Wij gaan uit van de gewone betekenis “voorbeeld”: wat hun “typisch” overkwam, heeft God ons ter waarschuwing gegeven, want wij lopen des te meer gevaar, omdat wij “over wie het einde der eeuwen gekomen is” in de tijd van de verzoeking leven. Daar hier de nieuwe tijd tegenover de oude gesteld wordt, zoals dat bij de typologie in de vorm van typos en antitypos pleegt te gebeuren, kan hier toch ook in beperkte mate van typologie gesproken worden.

Het is de ene God, die beide volken het heil geeft, in de tekenen van Doop en Avondmaal. Dat er dertien eeuwen afstand tussen de met elkaar vergeleken situaties in ligt, telt niet. Het gaat alleen om het zakelijke verband.

Concluderend kan gesteld worden, dat:

  1. Paulus een voorval uit de geschiedenis van God met Israel in herinnering terugroept, omdat hij weet dat God ook toen in Christus gehandeld heeft;
  2. Paulus in het gebeuren Gods bemoeienis met de mensen van toen, dat is Zijn Woord, Zijn handelen, centraal stelt;
  3. Het heden door zo’n gebeurtenis direct wordt aangesproken, omdat Gods bemoeienis met ons mensen vandaag nog precies eender is;
  4. Verleden tijd voor Paulus daarom niet simpel donkere, slechte, God-vijandige tijd is, maar tijd (en ruimte) waarin God spreekt en handelt. De tegenstelling gramma-pneuma (Schrift-Geest) wordt de achtergrond van menige dialoog in Paulus’ brieven, vgl.Rom.2, 27; 7, 7vv. Van gramma en pneuma spreekt Paulus steeds in het enkelvoud, evenals dat met zonde, gerechtigheid en belofte het geval is. Zij hebben dan ook veel ruimere betekenis dan de woorden op zich zouden doen vermoeden. Zoals “lichaam” bij Paulus de uitgebreidere betekenis heeft van “existentie” wordt ook met pneuma en gramma een situatie beschreven, die door een de mens beheersende macht bepaald wordt. Bij pneuma is dat de macht van God, die de menselijke onmacht tegemoet treedt. Bij gramma is het de macht van de mens, die de wet menselijkerwijs vervult en daarin zijn heilsweg ziet, maar in zijn hoogmoed aan het “tegenover” van God voorbijgaat.
  5. In plaats van de antithese oude-nieuwe aeon nu een andere tegenstelling gaat optreden: die tussen menselijke ongehoorzaamheid en Gods Woord, een levensgrote controverse, die verleden en heden doortrekt.
Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *