Waar blijft de tijd XIX – De Pannenberg-groep


Dit artikel is onderdeel van de artikelenserie Waar blijft de tijd en een bewerking van mijn doctoraalscriptie “Temporalia Paulina” uit 1976. Het gaat dus in het bijzonder over de tijdsbeleving van de apostel Paulus. Ik was de eerste, die in de pas gestarte Theologische Faculteit te Tilburg doctoraal examen in het Nieuwe Testament heb gedaan, onder prof. Gijs Bouman.

Pannenberg
Een opheffing van de tegenstelling tussen Bultmann en Cullmann tracht Pannenberg te bereiken met zijn programma “Offenbarung als Geschichte”, naar de gelijknamige bundel, in 1961 uitgegeven door W.Pannenberg, met bijdragen o.a. van Ulrich Wilckens “Das Offenbarungsverständnis der Geschichte des Urchristentums”. Er zit een reactie in op de existentie-theologie, die de temporele zijde van de verkondiging ten onder laat gaan in de “Geschichtlichkeit” van het moment der beslissing, het existentiële gebeuren. Tegelijk echter zet het zich af tegen de Heilshistorische traditie, die van een boven de concrete werkelijkheid uitgaand heilsgebeuren uitgaat. Het is de centrale overtuiging in het concept van Pannenberg c.s., dat het Christelijk geloof leeft van een reëel historisch gebeuren, dat binnen de geschiedenissamenhang zelf evident is. Van een Zelfopenbaring van God line-recta “van Boven” kan in het oerkerugma geen sprake zijn. De leidende gedachte is een Christologie “von unten”. In het middelpunt staat de boodschap en het lot van Jezus als de openbaring van God “in de geschiedenis”. Hieraan ligt de opwekking uit de doden ten grondslag: het is Gods bevestiging van Jezus’ “vorösterlichen Vollmachtsanspruch”. Als openbaring van God is Jezus van Nazareth tegelijk de openbaring van het menselijk wezen, dat in de “Offenheit für Gott” bestaat. Zij wordt door Jezus actief en passief vervuld, doordat Hij met Zijn “handelen” de Godsgemeenschap bemiddelt en in Zijn “lot” deze gemeenschap exemplarisch voorleeft. Zo bestaat de openbaring van God in Jezus Christus “wesentlich” in de “Aufschliessung der Menschen für Gott”.

Het kerugma, de omgang van de mens met God, leeft van een reëel historisch gebeuren, waar de historicus bij kan komen! Pannenberg toont dit aan met het voorbeeld van Gods openbaring in Israël. Als God aan Israël verschijnt, dan is het om iets bepaalds mee te delen, en niet eenvoudigweg Zich Zelf. Zelfs het bekendmaken van Zijn Naam is geen – zoals Karl Barth veronderstelt – directe Zelfopenbaring. De zin van Exodus is immers niet, dat de Israëlieten nu voortaan het wezen van Jahwe volledig zouden kennen, maar dat zij Jahwe voortaan bij Zijn Naam zouden kunnen aanroepen. Voorwaar een belangrijke gebeurtenis! Want hierdoor ontvangt Israël de mogelijkheid tot omgang met Jahwe. Zo mag men ook niet analoog aan de opvatting van Barth de naam van Jezus Christus als totaliteit van de Nieuwtestamentische openbaring verstaan. Ook “het Woord van God” is in de Bijbelse overleveringsgeschiedenis niet zo’n rechtstreekse “Kundgabe, Selbstkundgabe Gottes”. Waar bij Paulus, in de Deuteropaulinen, bij de Synoptici, vooral ook in het dubbele werk van Lukas (het Evangelie en de Handelingen), van “Woord Gods¨ sprake is, wordt overwegend het apostolisch kerugma bedoeld. Ook hier is dus een concrete, van God Zelf verschillende, inhoud bedoeld. De voorstelling van een directe Zelfontsluiting van God in het Woord moet toegeschreven worden aan gnostische openbaringsvoorstellingen (zie b.v. Hebr.1, 22; 2, 2; Joh.1, 1vv en Kol.1, 25vv). Alleen in het handelen en het lot van Jezus in de geschiedenis wordt deze Zelfopenbaring van God zichtbaar.

WilckensHoe dit gebeurt, heeft in het bijzonder Ulrich Wilckens in het “Offenbarung als Geschichte”-programma nader uiteengezet. Hij gaat daarbij uit van de definitie van openbaring als volle “Selbstenthüllung Gottes”, om vervolgens te vragen of er in deze zin van openbaring sprake kan zijn in het Nieuwe Testament. Wilckens blikt nu eerst terug in het Oude Testament en wijst op de overgang, die bij de profeten, met name bij Ezechiël en Deuterojesaja , plaats vindt. Erkende men aanvankelijk Jahwe’s openbaring in de daden van God uit het verleden, nu wordt deze meer en meer als nog uitstaand gebeuren in het komen van God “ten laatste” verwacht. In de apocalyptiek komt daar nog bij de voorstelling van de verkiezing, waardoor de geschiedenis als complex van het handelen van God tot “Erwählungsgeschichte” wordt, gericht op het einde van deze aeon. Op zich genomen acht Wilckens dit een legitieme ontwikkeling, waarover men niet schamper als “Grause Gebilde” hoeft te spreken (zoals Oepke doet in het Theol.Wörterbuch). De apocalyptische visioenen en audities hebben zuiver het karakter van prolepsiseschatologische “openbaring”. Bij Jezus is dat precies eender, kijk maar naar de Koninkrijksverkondiging, de kenmerken van “haast” en de eschatologische volmacht in Zijn spreken. Alleen is de prolepsiseschatologische verwachting nog sterker en wordt er een dusdanig sterk verband tussen de persoon van Jezus en de naderende Godheerschappij gelegd, dat de verhouding van de mens tot Jezus “nu” eschatologisch-soteriologische kracht heeft. Wilckens merkt terecht op, dat het tijdsverschil tussen het heden van Jezus en de parousie van de Mensenzoon volledig van ondergeschikt belang is, vgl.Marc.8, 38: “Wie zich voor Mij en Mijn woorden schaamt… De Zoon des Mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid van Zijn Vader”. In de omgeving van Jezus gebeurt reeds, wat de verkondiging van de naderende Godheerschappij zegt: de discipelen “hic et nunc”, de “armen” (die “zalig” genoemd worden) ontvangen hem. Deze apocalyptische trek vinden we ook in het nadeende “lot”van Jezus, Zijn lijden, sterven en opstaan. De voorstelling van de eschatologische dodenopwekking, door God bereid, waarna de eindtijd intreedt, is zuiver apocalyptische erfgoed.

Zo maakt Wilckens duidelijk, hoe het Oerkerugma in het optreden en lot van Jezus de zojuist beleefde eschatologische Zelfopenbaring van God gezien en verkondigd heeft, waarbij opstanding en “verhoging ter rechter hand van God” samen gezien worden als één acte, waaraan ook de gelovige reeds deel heeft als “eschatologische Vollendung der Erwähhlungsgeschichte Gottes”.

Pannenberg, Wilckens c.s. proberen zo de samenhang van enerzijds het oude testament en de laatjoodse apocalyptische traditie en anderzijds het handelen en lot van Jezus vast te houden in één groot historisch concept: dat van Erwählungs- of Überlieferungsgeschichte. Deze samenhang ligt ook aan het Oerkerugma ten gronde, dat bij Lukas en Paulus bij voorkeur “Woord van God” genoemd wordt. Dat deze nuchtere visie op het Oerkerugma als “Sprache der Tatsachen” veel kritiek ondervonden heeft, zal niet hoeven te verbazen (met name van Barthiaanse en Bultmanniaanse zijde!).

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Waar blijft de tijd XIX – De Pannenberg-groep

  • w korver

    Misschien heb ik mis, maar ik denk dat het oude testament dient van God om zich aan ons te open baren.
    Hij met een hoofdletter heeft zich geopenbaard om ons duidelijk te maken wie Hij is ,en heeft zijn zoon gegeven tot ons heil.
    Men zegd wel eens tegen mij , het Oude testament hoeft eigenlijk niet.
    Maar dan denk ik , hoe hadden we geweten dat Cristus geboren was , b.v. in Nederland of Frankrijk,of een of ander land. dan had niemand het geweten, maar nu met de keuze van Abraham in zijn woord,en zo het volk Israel
    Israel is Zijn keus, en daarmee heeft Hij bekent gemaakt wat Zijn bedoellng was.met de wereld.