Kruiswoorden


Mattheüs 27, 45-50

Jezus aan het kruisZowel het Evangelie van Mattheüs als dat van Marcus vermelden één en hetzelfde laatste woord van Jezus aan het kruis: “Eli, Eli, lama sabachtani”. Ik ben daar ook uitvoerig op ingegaan in de preek “de stille week”. Maar er zijn nog meer kruiswoorden. Lukas heeft er nog drie en ook Johannes heeft er drie. Ze zijn allemaal verschillend. Zó krijgen we dus zeven kruiswoorden. Is dat toevallig? Of moest het zeven zijn, omdat zeven een heilig getal is?

Volgens Mattheüs en Marcus heeft Jezus Psalm 22 aangehaald, een lied uit de diepte. Het is het begin van de Psalm: “Eli, Eli, lama sabachtani?” Zo luiden de woorden in het Aramees, de taal die men destijds in Galilea sprak. Jezus is er mee opgevoed. Het is een dialect en wijkt af van de taal, die men in Judea en dus ook Jeruzalem sprak. Misschien zei juist wel daarom dat meisje tegen Petrus: “Ook u was bij Hem, want uw spraak verraadt u!” (Mattheüs 26,73).

De Evangelist geeft de aanhaling van Psalm 22 juist in het Aramees om duidelijk te maken, waarom sommigen dachten dat Hij om Elia riep. Die mensen verstonden het “Eli, Eli” (mijn God) verkeerd, zij hoorden er “Elia” in. Niet zo’n rare gedachte overigens. Want het kwam in die dagen vaker voor, dat mensen om Elia riepen. Volgens de profeten immers was Elia niet gestorven, maar op Gods vurige wagen ten hemel gestegen (2 Kon.2, 11). Ook Mozes was in de hemel “opgenomen”. Daarom hadden (hebben) zij een bijzondere plaats in het geloof van de Joden. Het is ook daarom, dat we bij de verheerlijking op de berg naast Jezus ook Elia en Mozes ontmoeten (in Mattheüs 17, 3). Elia is de geschiedenis ingegaan als een machtig profeet, die op het eind der tijden eens zou terugkomen op aarde. Hoor maar: “Zie, ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van de Heer komt, hij zal het hart van de vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart van de kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban” (Maleachi 4, 5-6). Door deze profetie werd Elia beschouwd als de voorloper van de Messias, bij het eind der tijden. Geen wonder dan ook, dat sommigen in Johannes de Doper de weergekeerde Elia zagen (Joh.1, 21). Hetzelfde gebeurde ook met Jezus (Mattheüs 16, 4). In de Joodse gedachtewereld was Elia ook een belangrijke rol gaan spelen als helper in velerlei nood. Een middelaar, een voorspreker bij God. Bij de Christenen is die functie door Maria overgenomen. We denken bijvoorbeeld aan de middeleeuwse legende van Beatrijs, waarin Beatrijs door Maria geholpen werd. Wanneer twee Schriftgeleerden in een discussie gewikkeld waren en ze kwamen er niet uit, dan wilde wel eens een vreemdeling verschijnen, die het probleem moeiteloos oploste. Als die vreemdeling dan weer zo maar verdwenen is, zei men: “Dat was Elia, die ons heeft geholpen!”. Zo dachten de mensen bij het kruis ook, dat Jezus Elia aanriep om Hem te helpen. De Evangelist wist echter beter: niet Elia riep Hij aan, maar Eli, dat is “mijn God”. En Hij deed het met het begin van Psalm 22, een Psalm, die zo volop getuigt van het vertrouwen in God vlak voor de dood. Leest u hem maar eens door! Alles in de Psalm doet denken aan wat er met Jezus gebeurd is. Het is alsof de Psalm een profetie is van Jezus’ lijden en sterven.

Over de andere kruiswoorden zullen we D.V. volgend jaar, wanneer het weer Lijdenstijd zal zijn, spreken. Voor ons is dit éne kruiswoord deze week genoeg, om vast te houden, om net als Jezus God te zoeken en te bidden “Eli, verlaat mij niet, blijf bij mij in het kruis dat ik te dragen heb.”

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *