In Uw handen liggen mijn tijden


KlokMenigeen verzucht: “Waar blijft de tijd?” Nu zitten we al weer in november! De zomer is voorbij en het is al volop herfst. Het verschijnsel “tijd” heeft de mensen altijd al bezig gehouden. Je zou zelfs kunnen spreken van een soort “oer-beleven” van de tijd. Het is een ervaring van de mens van alle tijden, dat de tijd vergaat. Iedereen weet, dat het ogenblik, dat hij nu beleeft, er straks niet meer zal zijn, ja nooit meer zal terugkeren. Elk moment is uniek!

Vroeger gaf men tijd aan met behulp van een zandloper. Onherroepelijk stromen de korrels door de nauwe opening en wie kan ze tegenhouden? Zo vergaat de tijd. Hij glipt als ’t ware door onze handen!

Dit is dan ook voor alle mensen en alle volken altijd als het meest pijnlijke ervaren, dat je de tijd niet tegen kunt houden. De tijd stroomt als maar door: van het nu tot het straks, tot het nog niet van het niet meer. Een oude Griekse filosoof, Heraklitus, verzuchtte al: “Panta rei, oeden menei” (alles stroomt, niets is blijvend). Een bewoner uit het oude Afrika zei het zó, toen hij bij de begrafenis van zijn ouders bad: “O vader, o moeder, we worden allen weggevoerd, de dood voert ons allen weg.” En op oudejaarsavond zingen we in de kerk: “Uren, dagen, maanden jaren, vlieden als een schaduw heen. Ach, wij vinden, waar wij staren, niets bestendigs hier beneên”. In veel spreekwoorden klinkt die ondertoon van het ongrijpbare van de tijd door. Om er enkele te noemen: Waar blijft de tijd? Z’n tijd verdoen. Uit de tijd zijn. Beter te vroeg dan te laat. De tijd is snel, gebruik hem wel. Men dient zijn tijd wel uit te kopen, terwijl dat onze jaren lopen. Rustig zijn tijd afwachten. Komt tijd, komt raad. Er is een tijd van komen en een tijd van gaan.

In al deze spreekwoorden horen we, hoe de mens gevangen zit in de tijd. Je hebt de tijd niet in de hand, je kunt er niet zelf over beschikken. Je loopt eigenlijk altijd achterop en kunt de tijd nooit eens vooruit zijn. Ze zeggen wel eens: hij was z’n tijd vooruit, maar dat is kletspraat.

Zo beleeft de mens de tijd als een harde werkelijkheid, waar je geen vat op hebt. Ook de mens in de Bijbel had dat gevoel. Hij worstelde met de tijd, tot hij ging inzien dat het niet nodig was, omdat God de Heer was ook over de tijd. Meer en meer ging die Bijbelse mens toen inzien, dat God Zelf de tijd maakt en vult met Zijn daden. En dat Hij dat altijd zal blijven doen, totdat de tijd niet meer zal zijn. Want dát is het opmerkelijke, dat zij gingen geloven, dat eens de tijd er niet meer zou zijn!

Tijd wordt in de Bijbel in de eerste plaats “Gods tijd”, door God bepaalde tijd, dat is ook “genade-tijd”. Voor mensen was dit een zeer troostvolle gedachte! We hoeven ons niet meer druk te maken over de tijd als iets van ons, want het is iets van God. En dat betekent, dat Hij er wel voor zorgen zal. Dat neemt het onzekere van de tijd weg. Want, zo zegt de Psalmdichter van Psalm 31: “In Uw hand liggen mijn tijden.” In al die tijden van ons mogen we vasthouden aan God, die onze tijden in de hand heeft, in Zijn hand. Dat zijn de grote daden van God, die geweest zijn, maar ook Gods grote daden die we nog mogen verwachten.

Wij mogen ze vasthouden, koesteren en ons daar aan optrekken . Zo wordt onze tijd geen lege tijd, maar “gevulde” tijd: door God vol gemaakt. Elke dag wordt zo een feestdag, een dag met God. Onze tijden liggen in Zijn hand! Een hele geruststellende gedachte. Nu kunnen we met een gerust gevoel de tijd door onze handen laten glippen. Nu is het ook niet meer zo erg te bedenken, bij het ouder worden, dat de tijd kort wordt. Immers we lopen al vooruit op de eeuwigheid.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *