Ds. Budding


Kerk van UlrumWe verplaatsen ons naar de tijd van de Afscheiding. Tegenover elkaar stonden de gevestigde Hervormde Kerk met zijn mildere opvatting van leer, tucht en belijdenis, en de kerkelijke reglementen die streng moesten worden nageleefd, en de velen in den lande, vaak verenigd in conventikelkringen, die een strenge gebondenheid aan de leer en tucht der vaderen voorstonden.

Met name de door de kerkelijke overheid opgelegde nieuwe berijmde Psalmen, waaraan toegevoegd een aantal gezangen (“Syrenische minneliederen”), waren voor de laatsten niet te verteren.

De Afscheiding, in 1834 in het noordelijke Ulrum begonnen, kreeg al gauw medestanders in Zeeland. Ds.Budding, een jonge predikant in Biggekerke op Walcheren, werd hun woordvoerder. Op 14 december 1834 had hij zijn intrede gedaan met de tekst: “Ik ben de Alpha en de Omega”. Het zou niet lang duren, of ds. Budding voelde zich niet meer thuis in de Hervormde Kerk. Hij werd geplaagd door “geestelijke verlatingen” en kon soms weken achtereen niet preken. Op 13 december 1835, een jaar na zijn intrede, werd door Budding na afloop van de ochtenddienst het gezangenboek van de kansel afgedragen en uit de kerk gebracht. Enkele maanden later maakte hij zich met de ware gelovigen van Biggekerke los van de Hervormde Kerk.

Daarna reisde hij het hele land door, waar hij de voormannen van de Afscheiding bezocht en overal preekte onder toeloop van veel volks.

In 1836 zien wij hem weer in Zeeland, waar hij vooral in het “land ter Goes” en ook op Schouwen verschillende Gemeenten stichtte. Hij preekte daar in boerenschuren en gewoon buiten op het veld. Een bakker in Goes, bakker de Jonge, stelde zijn voorraadschuur in de stad ter beschikking. Deze bakker met zijn vrouw Janna werden Budding’s trouwste volgelingen. Hij zou later de “hemelse bakker” worden genoemd. De overheid kon de samenkomsten, waar ook, niet gedogen en de voorgangers werden keer op keer beboet, zo erg dat Budding en de Jonge verschillende keren vele maanden in de gevangenis moesten doorbrengen. Budding en de zijnen werden uitgescholden voor “Cocksianen, Knikkerianen” en zijn Gemeenten kwamen onder grote druk te staan. Men kon “vrijheid” aanvragen -de koning had daartoe besloten- en zo als “vrije” Gemeente verder gaan, maar dan moest men wel een knieval doen en zich voegen naar de reglementen van de Kerk. Aanvankelijk voelde Budding daar niets voor, maar nadat hij lange tijd in Nijmegen gevangen zat, besloot hij dit toch maar te gaan doen; dit tot groot verdriet van bakker de Jonge, die gelijktijdig in Middelburg gevangen zat.

We zien hierna Budding als predikant van de vrije Gemeente in Groningen, voor slechts korte tijd, want hij had “licht” ontvangen om naar Amerika te gaan en daar een Gemeente te stichten. Toen dit niet zo lukte en Budding ook als boer geen succes had, kwam hij plotsklaps terug in zijn oude trouwe stad Goes. Hij werd de drukst bezochte predikant van Zeeland! Van heinde en ver kwam men om hem te horen.  Hij was een man van tegenstellingen, erg sociaal maar ook erg autoritair. Groot was zijn gezag, van hoog tot laag. Op 16 nov. 1870 werd hij begraven in Goes en de pastoor liep voorop!

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Ds. Budding