Hoe moet het nu verder?


Enkele weken geleden hebben we gesproken over de rouwdienst en de laatste weken stonden we stil bij rouw, wat het betekent in iemands leven. We spraken over de troost van het laatste afscheid. Nu moeten we echt van elkaar afscheid nemen.

KransDat is een heel verdrietig gebeuren. De dood is niet meer te ontkennen: degene, die we niet kunnen missen, is er niet meer. En wij, die achterblijven, zitten boordevol met tegenstrijdige gevoelens. Je hebt een stuk van je zelf verloren, je beste stuk. Je bestaan is tot in de diepste wortels geschokt. Je bent je evenwicht kwijt. Dat alles is beangstigend en het maakt je heel erg onzeker. Je had er misschien helemaal niet op gerekend – wie denkt nou dat het jou zal overkomen? Het is zo plotseling, zo onherroepelijk! Zo onbegrijpelijk ook, zo onrechtvaardig, dat je er boos over bent en opstandig tegen het lot dat je is toebedeeld en tegen God, Die het toch had kunnen verhinderen.

Met al deze gevoelens komen we in de rouwdienst. En als het goed is, worden die gevoelens daar ook vertolkt door de voorganger. Ze worden geuit in de klaagpsalm, de gebeden en de liederen die we zingen. Met tranen in de ogen en een hart vol pijn. Woorden schieten hier tekort. Maar woorden mogen ook gesproken worden uit dankbaarheid voor alles, wat we van onze geliefde ontvingen. We zijn God dankbaar voor het leven dat Hij gaf. Zo kijken we naar het verleden: hoe het was en hoe het ook nu nog had kunnen zijn. De nadruk valt op afscheid, de pijn van het gemis, van het “niet meer”.

Maar er is ook nog een andere zijde aan de rouwdienst. Gelukkig, God zij dank, is er ook nog een méér naast het “niet meer”. Er is ook dienst aan God, hopen en verwachten, waarvan gesproken en gezongen mag worden. Niet alleen het verleden staat ons voor ogen, maar ook het heden en de toekomst, hoewel je daar nog nauwelijks aan durft te denken. Zo’n afscheidsdienst is in de Rooms-katholieke Kerk een dienst voor de overledene. Zij spreken ook van “dodenmis”. Bij de Protestanten is het meer een gebeuren voor de nabestaanden. Het wil hulp geven aan de treurenden en een begin maken met de verwerking van zo’n groot verlies. En dan mag je ook naar de toekomst wijzen. In het vertrouwen, dat we de overledene overdragen in Gods handen, die verder voor hem of haar zorgen zal, en Die dat ook zal doen voor hen die achterblijven.

Hoe nu verder?

Hoe kan ik nog verder zonder haar of hem, die mijn leven was? “Ik wou dat ik ook maar dood was!” Het is heel moeilijk om iemand in een groot verlies een weg te openen naar de toekomst. Wij moeten dat ook maar niet te gauw doen. Wij mensen, bedoel ik. Maar God mag en kan dat wel doen. Hij is ook de Enige, Die het venster naar de toekomst kan openen. Wij mogen de dood van de opgestane Heer verkondigen, totdat Hij komt. Daar ligt onze troost. En dat is hoopgevend voor verdrietige mensen, dit tilt je een beetje op uit het donkere gat, waarin je gevallen bent.

Het kan een begin zijn van rouwverwerking. Dat je dit mag weten: dat er niet alleen een absoluut einde is, dat de dood brengt, maar ook een hoopvol nieuw begin, dat God schenkt. Er is niet alleen het gedenken van wat geweest is, er is ook verwachten van de dingen die nog komen, waaraan je samen deel gaat krijgen: de levenden en de doden. Je mag in die zin ook hopen op een gelukkig weerzien, eens als de bazuinen klinken… Je mag je gedragen weten door het “wat God heeft samengevoegd zal de mens (en ook de dood) niet scheiden”. Of nog beter, met de woorden uit de Romeinenbrief (8,38-39):

“Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen, noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Here.”

In de liefde van Christus bergen we onze geliefde doden, in die liefde krijgen wij die achterblijven ook een kans om verder te kunnen leven, met het grote verlies dat ons getroffen heeft. Immers in die liefde blijven wij met elkaar verbonden over de grens heen. Je zet dan een foto bij het raam en kijkt hem of haar aan en dan door het raam heen in de wijde einder, waar je eens weer samen zult zijn, verenigd bij God.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *