Worden zoals ik


Handelingen 26, 29
“Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.”

Beeld van Paulus voor de basiliek bij het graf van Paulus. Buiten de Muren, Rome. (San Paolo fuori le Mura) Paulus is de gevangene van de Romeinse landvoogd Pan Caesarea Poncius Festus. Hij zit nu al twee jaar in de gevangenis op beschuldiging van ophitserij en oproer in Jeruzalem, uiteraard door zijn vroegere joodse medestanders die nu in Paulus een overloper zagen naar de verkeerde kant!

Hij had eerst terecht gestaan voor stadhouder Felix. Misschien had deze wel gedacht een hoog losgeld voor hem te ontvangen. Daarom hield hij hem in bewaring. Maar de vrienden van de apostel hebben zo’n losgeld niet. En nu, na twee jaren onschuldig gezeten te hebben, is er een andere landvoogd in Caesarea gekomen: Porcius Festus, een man met een edeler inborst en hogere principes dan zijn voorganger. Hij begrijpt zoveel van de godsdienstige discussie tussen de Joden en Paulus, dat hij denkt dat het gaat over een onbekende man, die Paulus nog voor levend houdt en waarvan de anderen zeggen, dat hij gestorven is. Voor hem is dat eigenlijke niet de moeite waard om daar zo’n drukte over te maken. Hij wilde de zaak in der minne schikken en vroeg Paulus of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan en dáár in zijn bijzijn terecht te staan. Daarmee dacht hij de Joden gunstig te stemmen. Maar Paulus wilde niet, hij beriep zich op de keizer.

Hij zei: Ik heb niets misdaan, noch tegen de joodse Wet noch tegen de keizer, ik sta voor de keizerlijke rechtbank, ik beroep mij op de keizer!

Toen kreeg Festus bezoek van de joodse koning Herodes Agrippa. Deze zou hem misschien in het geval van Paulus kunnen helpen, dacht Festus, Agrippa was immers een Jood, die zou het wel beter kunnen begrijpen! En zo kwam de apostel te staan tegenover Festus èn Agrippa. Met pracht en praal wordt de rechtszitting gehouden, alleen Paulus steekt er schril bij af met de zware ketens om enkels en polsen. Hoe moest hij zich voelen? Vastgeketend, en dat al twee jaar, terwijl hij zo graag de wijde wereld in wilde gaan om heel de wereld voor Jezus’ zaak te winnen. Ach, een zekere vrijheid werd hem nog wel gelaten: hij mocht zijn vrienden ontvangen, en menige brief kon hij in zijn gevangenschap dicteren, maar toch: hij mocht zijn taak in de wereld niet volbrengen, en daar leed hij erg onder. Gods wegen zijn wonderbaar… In plaats dat Hij Paulus de vrijheid teruggeeft om Zijn Evangelie te kunnen verkondigen, laat Hij de apostel zuchten in gevangenis. Wij weten vaak niet, waarom het zó moet en niet anders. Gods wegen zijn zoveel hoger dan onze wegen. Soms heeft een mens de verdrukking nodig om tot bezinning en innig vertrouwen in God te komen. De apostel heeft het de psalmdichter na mogen zeggen: ‘Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest’.

Ook hier, in de weerlegging van de beschuldiging, die hij uitspreekt voor de hoge heren, blijkt dat. Hij doet daarin het verhaal van zijn bekering, de tegenspoed en teleurstellingen, die hij daarna moest doormaken maar ook de kracht Gods die hij ervaren heeft, en de goddelijke roeping om de verheerlijking van Christus aan Jood en heidenen te prediken.

Maar op dat punt gekomen, laat Festus hem niet verder spreken. Hij valt hem in de rede met een spottende opmerking: ‘Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war!

Maar hierdoor laat Paulus zich niet van de wijs brengen. Hij richt zich nu tot koning Agrippa en hij hoopt bij hem gehoor te vinden. Die kent immers de geschiedenis van Jezus en de profetieën over de Messias. Maar Agrippa zegt spottend: ‘Gij beweegt mij bijna een Christen te worden!’

Dan spreekt de apostel de woorden van onze tekst: ‘Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij,maar ook allen, die mij heden horen„ok zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien.”

Paulus meent dit! Zó groot is zijn geloof en zijn liefde voor God en de mensen, dat hij ze allemaal gelukkig wil zien, net als hij. Hij zegt eigenlijk: “Ik wilde wel, dat ik u iets van mijn rijkdom kon geven.” Want hij wist het: al die mensen om hem heen in die dure gewaden en met goud behangen armen zijn toch eigenlijk maar stakkerds, vergeleken met de rijkdom van zijn geloof. Natuurlijk zou hij wel vrij willen zijn, daarom zegt hij ook: ‘Uitgezonderd deze boeien’. Paulus is geen wereld ontvluchter, nee hij staat met beide benen op de grond, hij is geen fantast. Hij meent dan ook echt wat ie zegt: waren jullie maar zoals ik, behalve dan die boeien.

Paulus is ook geen opschepper. Wat heeft hij trouwens om over op te scheppen? Alleen maar zijn Heiland, en Die moeten ze niet! Het is vechten tegen de bierkaai, je kunt je geloof meestal niet op anderen overdragen, ze willen het niet, of vertrouwen ze jou niet? ’t Zou ook best kunnen, dat wij niet helemaal geloofwaardig bij de anderen overkomen, want zulke beste gelovigen zijn wij niet! Bij de mensen ontmoet je vaak geen begrip voor je geloof. Paulus deed een beroep op Fedstus, de Romein, die vond hem maar een warhoofd, toen deed hij een beroep op Agrippa, de Jood, die lachte hem in zijn gezicht uit: ‘Wil je van mij soms ook een Christen maken?!’ Wat bleef hem anders over dan zich te beroepen op God? ‘Ik zou God wel willen bidden… Hij kende God, Hij wist dat Die hem nooit in de steek zou laten. Tegenover mensen sta je vaak zo machteloos … maar God laat je niet vallen. En daarom beriep hij zich op God en wilde hij wel dat de mensen ook zo waren als hij, nl. dat zij ook God zouden kennen in hun leven! Het was immers het grote wonder in zijn leven, en dat moet ook het grote wonder in ons leven zijn: Hem te ontmoeten, die ons geheel in bezit neemt, die onze handen met kracht omvat houdt.

Vanuit zijn levensgeluk kon de apostel zó tegenover de hoge overheden getuigen. Het floepte er zo maar bij hem uit! Jullie lachen wel om me, maar ik wou dat jullie net zo waren als ik!

Daarmee laat hij zien, dat hij toch ook veel om hen gaf. Een ander zou kwaad geworden zijn of z’n mond dicht gehouden hebben; die mensen willen toch niet luisteren. Maar Paulus houdt het gesprek open en laat zien, dat hij met hen begaan is en hen wil werven voor de dienst van Jezus. Uit liefde alleen, niet uit hoogmoed, omdat hij zich beter voelt dan die anderen. Nee, beter is ie niet, maar wel gelukkiger in zijn Heer. Vandaar die drang om te getuigen… Hij vindt het zo erg, dat die mensen dat mooie geluk voorbij laten gaan. Waarom kan hij die mensen daar voor hem niet winnen? Dat moet hem pijn gedaan hebben, net zoals hij later in de Romeinenbrief schrijft, dat hij veel smart heeft over zijn broeders, de Israëlieten, die nog van Christus gescheiden blijven. ‘Ik wou maar, dat jullie allemaal net zo waren als ik, zó gelukkig in het geloof…’ Maar zover is het nog lang niet. Wij bidden daar misschien ook wel eens om: dat er wat meer geloof is bij de mensen om je heen, bij je zelf vooral. Dat God geloof mag geven aan je kinderen en vrienden. Je hebt wel eens het gevoel, dat je zelf daarvoor in de weg staat; dat jijzelf de grootste hinderpaal bent voor anderen om tot geloof te komen. Jij zelf en je levenshouding, je ongeloof en liefdeloosheid. Een heel verdrietige zaak! Wij kùnnen het niet, daarom bidden we tot God, dat Hij het doet.

Paulus werd door liefde voor zijn medemensen gedreven. Het was om hun bestwil, dat hij zei: ‘Ik zou God wel willen bidden, dat jullie net zo waren als ik, zo gelovig’. Is dat bij ons ook zo? Bidden wij er ook om, dat die en die en die tot geloof komen? En zo niet, hoe schuldig staan we dan tegenover elkaar! Hoe kun je gelukkig zijn in je geloof, als je weet, dat die ander dit geluk nog niet kent? Gelukkig ben je met-elkaar, dat is iets sociaals. Het grootste geluk zal er dan pas zijn in de wereld, als God zal zijn alles-in-allen. Iets daarvan proeven we, als mensen zijn één in en mèt de ander. Leven met God is niet een individueel, persoonlijk goed: in een hoekje met een boekje, het ‘eenzaam met Jezus gemeenzaam!’. Het is ondenkbaar in een man als Paulus, dat hij gedacht zou hebben: nu ja, jullie tweeën, Festus en Agrippa, daar tegenover mij, blijven jullie er maar buiten staan, Gods heerlijkheid is toch niet voor jullie bestemd, jullie moeten maar in je eigen sop gaar koken’. Nee, Paulus stond op de bodem van de Thora en de Profeten, en hij wist: de GEHELE aarde moet vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren de bodem van de zee bedekken. Dáár verlangt hij naar, dáár leeft hij voor!

‘Ik zou wel God willen bidden, dat jullie allen werden zoals ik.’

Geen vrome, schijnheilige opmerking. Ook geen vrome wens. Hij méénde ‘t, wat ie zei. Hij draagt ook die twee wereldse vorsten op aan zijn God. Hij is met hun levenslot begaan, ook al hebben zij hem in hun tang genomen. Toch is hij niet verbitterd, want hij weet: wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God!

Laten wij dat ook vasthouden in ons leven. Daarom: nooit opgeven de ander in gebed voor God te brengen. Dat is onze bestemming: dat we vechten moeten voor elkaars geluk. Dat is ook de diepste betekenis van het gebod: hebt uw vijanden lief.

En denk niet, dat dat zonde is, vergeefse moeite, verspilde tijd. Want wie weet…

Festus en Agrippa gaan met elkaar in beraad en zij komen tot de conclusie: deze man is geen misdadiger, geen oproerkraaier, hij zou kunnen worden vrijgelaten, als hij zich niet op de keizer had beroepen. Of de grootsheid van Paulus’ getuigenis hun iets gedaan heeft, het staat er niet. Mensen geven zich niet ze gemakkelijk over, zij zijn stoer, zij hebben geen oog voor de kleine dingen. Iemand heeft eens gezegd: “Alle ontwikkeling naar boven begint met verwondering. Grote mensen verwonderen zich niet meer. Zij zijn en blijven dom.” Agrippa en Festus hadden zeker wel de geloofsvraag gehoord, die de apostel in zijn verweer aan hen stelde: ‘en hoe staat het met jullie geloof? Geloven jullie ook in Jezus Christus?’ Maar achteloos gingen zij aan die vraag voorbij, de kans op bekering lieten zij liggen. Doen wij dat ook niet vaak?

Toch is Paulus’ woord niet zinloos geweest, immers: we praten er vandaag nòg over! Van de machtshebbers daar voor hem met al hun pracht en praal is niets meer over, maar Paulus, de kleine man,leeft nog voort, omdat hij van Christus was en Christus in hem.

Amen

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *