Opdat God zij alles in allen


1 Korintiërs 15, 28c

Wat moet ik eigenlijk zeggen: “Christus is opgestaan” of “Christus is opgewekt uit de doden” ?

Droste bloem. (gemaakt op computer)Meestal spreekt men in Protestantse kringen over de opstanding van Christus.Paulus spreekt herhaaldelijk van opwekking. Beide woorden slaan op hetzelfde gebeuren, maar betekenen toch eigenlijk niet hetzelfde. Het is niet toevallig, dat de Evangeliën in de regel van opstanding spreken en de brieven bijna altijd van Christus’ opwekking. Het woord “opstanding” kan een toeschouwer gebruiken, iemand die het gezien heeft. Daar gaat het ook om in de Evangeliën. De mensen waren er bij, toen Jezus rondtrok en zijn woorden sprak, toen hij mensen genas en Lazarus deed opstaan uit de dood. Zij waren ooggetuige en konden het later navertellen. Zó zijn de Evangeliën ontstaan. Daarom spreken ze ook van opstanding. Jezus was opgestaan uit de dood. Zoals Hij gesproken had: “Ik heb macht het leven af te leggen en ik heb macht het weer op te nemen.” Van de opstanding zelf is niemand getuige geweest. Alleen het lege graf hebben mensen gezien. De Evangeliën zijn ooggetuigenverslagen. Net zoals het bij ons gaat, als we over het verleden spreken: toen gebeurde er dit, toen dat enzovoort. We kunnen het vertellen alsof het nóg gebeurde. Maar we kunnen er nu ook een lijn zien, een perspectief. Vroeger keek je alleen maar tegen de dingen aan en was het allemaal heel fragmentarisch, een aaneenschakeling van losse gebeurtenissen. Maar nu, achteraf bekeken, zie ik er een lijn in, een verband.

Zoiets gebeurt ook in de brieven van Paulus en van de andere apostelen. Zij kijken terug en zien het verband in het licht van God. God Zelf had daar een plan mee. Paulus heeft Christus niet bij diens leven gekend, hij staat dus niet vlak voor het feit, maar beschouwt Pasen op een afstand. Daardoor ziet hij het geheel in Gods licht als een heilsgebeuren, ja zelfs als middelpunt van de heilsgeschiedenis van God en mensen. Hij ziet de lange geschiedenis van de eeuwen, die er aan vooraf zijn gegaan en waarin de komst van de Messias werd voorzegd. Dan, in de volheid van de tijd, komt Christus tot ons. Hij wordt geboren, leeft en werkt, lijdt en sterft en wordt opgewekt. Het is bij Paulus dus niet de daad van Christus Zelf, die opstaat uit de dood, maar het is veeleer de daad van God, Die Hem opwekt uit de doden. Het is de bekroning van al Gods vorige daden, het centrale heilsfeit. Zo ziet Paulus de hele geschiedenis tot nu toe in een soort vogelperspectief: het loopt alles uit op Christus en Die opgewekt! Hij zelf, de apostel, de ontijdig geborene (zoals hij zichzelf noemt), die Christus op aarde niet heeft gekend, hij ziet het opstandingsfeit op een afstand en probeert het te verstaan in het geheel van Gods ingrijpen in deze wereld. En daar mogen we Paulus dankbaar voor zijn. Want het laat ons zien, hoe mensen al in de eerste Gemeente op Pasen reageren. En zo doen ze nog! Het is nóg bepalend voor hoe wij tegen Pasen aankijken en tegen de dood en de opstanding uit de dood. Nee, zegt Paulus, wij worden opgewekt! ’t Is niet ónze daad, die opstandig. Niet wij staan op, maar wij worden opgewekt. Het is Gods daad aan ons!

Petrus, die wel het feit van de opstanding van heel dichtbij heeft gezien, spreekt in zijn eerste brief wel van “opstanding”. Bij hem werkt nog na de geweldige indruk, die het feit zelf op hem maakte. Heel begrijpelijk. Daarom, Gemeente, is er een verschil tussen opstanding en opwekking. Bij Petrus zien we dat heel duidelijk: hij heeft de opstanding meegemaakt. Paulus niet, en daarom spreekt Paulus van opwekking: hij ziet er op terug als een daad van God. Paulus ziet de opwekking als een overwinning op de dood, ook voor de mensen die in Christus geloven: zij zullen met Christus opgewekt worden. Dan heerst Christus over al Zijn vijanden en onderwerpt hen allen aan God, want God is het Die Hem over alle dingen deed triomferen. En wanneer dat einde zal zijn bereikt, dat God alle dingen aan de Zoon zal hebben onderworpen, dan zal de Zoon Zich Zelf onderwerpen aan Hem, Die Hem alle dingen onderworpen heeft opdat God zij alles in allen. Dat is het einddoel. Daar gaan we met z’n allen naar toe!

Wij, die Pasen gevierd hebben, mogen naar dat einddoel uitkijken. We mogen er ook aan mee werken. Ook ons eigen leven moeten we in dat licht bezien. Dat God mag zijn alles ook in ons leven! En in heel de wereld! Wat lijkt dat nog ver weg. Vaak is het alsof God niets is in ons leven. Ja, natuurlijk, God zal er wel zijn, maar wij zien niets van Hem terug in ons leven. We zien alleen onszelf en de ellende, waarin wij zitten, de grillen van het lot, of zoals u wilt het noodlot. Daar is immers geen peil op te trekken, op de omstandigheden van ons leven. Dan is het zus, dan weer zó. En bij de één is het zoveel erger dan bij een ander. Ziet u daar enige lijn in? Laat staan leiding van God? Een leven zonder God, een wereld zonder God. Velen kiezen daar ook voor, het lijkt hun het beste toe. Alsof er geen Pasen is geweest!

Paulus kiest een andere weg. Juist in de chaos van het leven is dit zijn enige behoud: dat hij Christus kent en Die opgewekt. Een leven zonder God zou voor hem erger zijn dan de dood. Dat zou zijn het ontbreken van alle vastigheid, van elke bodem om op te staan. Voelt u dat ook zo? Een leven, waarin God niets is, is een leeg en nietig leven. De Heer moge ons daarvoor behoeden! Wij hebben Pasen gevierd, in ons leven wil God iets zijn, ja alles. Veel mensen komen niet verder dan alleen maar iets, het zogenaamde ietsisme. “Ik weet wel, dat er iets is, een hogere macht, die alles bestuurt”, zeggen ze dan. Het zou niet in hun hoofd opkomen, dat God niet bestaat. Wie dat gelooft is goddeloos, een heiden. Nee, dan zijn zij anders! Maar ondertussen gaat toch hun leven langs God heen. God mag er dan wel zijn, maar Hij moet Zich vooral niet met hun leven bemoeien. Leven en werken en sterven, men doet alles op eigen kracht en op eigen tijd. Werkelijke waarde hebben alleen gezondheid, carrière, geld, iets voorstellen in de maatschappij. Maar of zij iets voorstellen voor God of voor de medemens in nood, daar gaat het toch niet om! Alles gaat buiten God om. Maar toch: God is er, en ze gaan ook wel naar de kerk. Ze moeten niets hebben van de goddelozen, God kan alles, natuurlijk, maar Hij krijgt geen gelegenheid om iets te doen. God is overal, zeker wel, maar in jouw leven zie je niets van Hem. Kortom: God staat naast de reële dingen van het leven, mensen hebben Hem daarvoor niet meer nodig. Hij mag er best zijn, maar moet Zich vooral niet met ons bemoeien.

Zeg ik hiermee te veel? Herkent u het ook een beetje in uw eigen leven?

U staat hierin niet alleen. Het is een gevaar, waar wij allemaal aan bloot staan. Nee, het is niet genoeg te erkennen dat God iets is, God wil alles zijn, en daar moeten we heel goed van doordrongen zijn. Als het niet alles is, dan is het niets. Dat inzicht wil Pasen ons schenken.

Wie heb ik nevens U in de hemel?
Nevens U begeer ik niets op aarde.
Al zou mijn vlees en mijn hart bezwijken,
Mijns harten rots en mijn erfdeel is God voor eeuwig,

Zo zingt het in het hart van de dichter van Psalm 73. Zingt het zo ook in ons?

Misschien is het nog maar in een beginstadium. De dichter heeft ’t ook moeten leren, door scha en schande. De ervaring is er niet minder om: naast God heb ik niets in mijn leven, dat wil zeggen Hij is alles in mijn leven! Als ik hier oog voor ga krijgen, dan heb ik Pasen gevierd. Dan ben ik al een stukje opgewekt, omhoog getild uit het aardse bestaan. Als ik mijn leven kan zien als door God geleid, als ik heb begrepen hoe achter alle dingen God staat, hoe ook mijn geloof een werk is van God, dan heb ik Pasen gevierd. Als ik ook mijn innerlijke strijd met de zonde en mijzelf kan zien in het licht van Gods genade, als ik mij geroepen voel door God om op de plek waar ik leven mag Hem te dienen, dan heb ik Pasen gevierd. Opdat God zij alles in allen. Ook in ons persoonlijke leven moet dat z’n beslag krijgen.

God is alles in allen. Dat is de voltooiing. We moeten hier geen dogmatisch systeem van maken, alsof eens alles op z’n pootjes terecht komt. Zo bedoelt Paulus het niet, denk ik. Hij zingt hier een lied, net als de dichter van Ps.73. Het is het lied van het Paasgeloof! Dit zingt hij: eens komt de tijd, dat het met de ellende uit zal zijn, dat het met de zonde over zal zijn, dat het met de macht van de dood gedaan is. Dat de volheid van het leven, van de Levende, doorbreekt. Het is het lied van de machtige God, uit Wie en tot Wie en door Wie alle dingen zijn. God, Die de wereld geschapen heeft zal hem ook eens herscheppen, zo gaat het ook met ons persoonlijke leven en met ons lichaam. Want de dood is verslonden, overwonnen, en God is het die ons ten allen tijde deze overwinning geeft. Daar kunnen wij van op aan! Wij mogen leven uit Pasen! Opgewekt uit de dood tot nieuw leven!

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *