Het is de Heer


Johannes 21, 7 en 12
“Het is de Heer, want zij wisten dat het de heer was.”

Duccio di Buoninsegna, 1282-1339In Johannes 21 hebben we de overlevering van twee verschijningen van Jezus, nadat Hij was opgestaan. We weten, dat de Heiland na Pasen aan verschillende mensen en groepjes van mensen verschenen is. We kennen de verhalen over Thomas en de discipelen, die ’s zondags bijeen kwamen in een bovenzaal – je zou het de eerste kerk kunnen noemen. Maar hier, in Joh.21, zitten de discipelen niet in de kerk, maar ze zijn buiten aan ’t vissen. Zo zie je maar, dat de Heer bij mensen kan komen zo maar op een doordeweekse dag bij dagelijkse bezigheden. Je hoeft er niet speciaal voor in de kerk te zitten.

De discipelen waren naar Galilea gegaan, want Jezus had hun gezegd dat ze daar op Hem moesten wachten. Petrus zei tot de anderen: Ik ga vissen. Heel logisch ook, want ze waren van huis uit vissers. “Wie gaat er mee?” Ze gingen graag met Petrus mee. Zo bleven ze samen en hoefden niet werkeloos af te wachten. Werken kan geen kwaad, zeiden ze vroeger. Het Nederlandse volkje staat ook bekend als een hardwerkend volk. Ze zeggen, dat het door de Calvinistische inslag komt. Dat zal ook best, want werken en niet bij de pakken neer zitten behoort tot de Calvinistische ethiek, waarmee we zijn opgegroeid. Balkenende verwijst daar voortdurend naar (de VOC mentaliteit) om ons volk tot werkzaamheid aan te sporen. Maar ja, soms heeft een mens daar wel eens geen zin in, soms ook zit het helemaal niet mee in het werk, en soms kun je helemaal geen werk krijgen.

Zo verging het ook de discipelen. Het zat hen niet mee en tegen de morgen keerden zij doodmoed terug. En toen gebeurde het! Zij zagen een man staan aan de oever van het meer. Hij vroeg hen: “Kinderen, hebt gij ook enige toespijs?” Wij kunnen ook gewoon vertalen met “Beste mensen, hebben jullie ook wat te eten?” Want het waren natuurlijk al lang geen kinderen meer, integendeel, het waren stoere gebruinde mannen. Jezus zei “kinderen” om te laten horen, hoe dierbaar zij Hem waren, het is een soort koosnaampje. De discipelen antwoordden met een hard “nee”. Zij waren niet in de stemming om aardig en vriendelijk te zijn. Die man zei toen tegen hen: “Werp jullie net uit aan de rechterkant van het schip en dan zullen jullie vangen!” Heel ongewoon, want geen visser doet dat. Aan de rechterkant zit immers de stuurriem, daar zou het net in verstrikt kunnen raken. Maar het advies van die man klonk zo dwingend en overtuigend, dat zij het maar deden. Om nog eens een oud spreekwoord aan te halen: “Niet geschoten is altijd mis geschoten.” En dan kunnen ze hun ogen niet geloven! Het net loopt helemaal vol met vissen. Zoiets hadden ze nog nooit beleefd! En opeens gaan hun ogen ook helemaal open: die man, die man, dat is Jezus! Johannes merkt het ’t eerst. “Het is de Heer”, roept hij Petrus toe. Petrus kijkt op. De Heer? De Meester? Jezus? Ja, Hij is het! Meteen slaat hij zijn jas om en stapt over boord. Met sterke passen waadt hij op Jezus af. De anderen volgen langzaam, vanwege het net dat zwaar is van de vis. Wanneer ze aan land gekomen zijn en gaan tellen, merken ze dat er honderd drie en vijftig vissen in het net zitten, een overvloedige vangst. Ik denk niet dat dit getal iets bijzonders betekent. Het geeft gewoon een grote hoeveelheid aan. Als Jezus iets doet, is het altijd overvloedig. Kijk maar naar de 5000 die Hij eens te eten gaf van 5 broden en 2 vissen in Joh.6, en lees het verhaal van de bruiloft te Kana in Joh.2. Ze leggen een houtvuur aan en gaan er om heen zitten. Er is brood en vis om te eten, net als vroeger deelt Jezus het voedsel uit. Heel raar eigenlijk. Want ze begrijpen natuurlijk heel goed, dat het niet als vroeger kan zijn. Daarvoor is er veel te veel gebeurd. Al die ellende die ze met Jezus hebben meegemaakt, en tenslotte zijn kruisiging. Ze waren toen maar weggelopen, want dat konden ze niet aanzien. Alleen Johannes was bij het kruis gebleven. Daar dachten ze allemaal aan. En zo durfde ook niemand te vragen: “Bent U werkelijk Jezus? Bent U het werkelijk Zelf?” Zij hoefden het ook niet te vragen. Want zij wisten, dat het de Heer was. Ze eten zwijgend, in gepeins verzonken, en wachten af wat Jezus gaat doen. We kunnen ons indenken, hoe Jezus Zijn discipelen aankijkt, met een liefdevolle blik. Allemaal gewone mannen, verschillend in aanleg en karakter. Mannen, die een stukje brood met vis eten en er verder het zwijgen toe doen. Blijkbaar zit het Evangelie in gewone dingen. Het zijn de kleine dingen, die ’t hem doen. Geen spektakelstukken, geen omhaal van woorden. De spontane opwellingen van het hart, dat is voldoende. Een Petrus, die zo maar over boord springt. En Jezus, die gewoon zegt: “Laten we eten” en daarna brood en vis uitdeelt. Zó ontmoet de Heer mensen. Zou het daarom ook niet gaan, als Jezus zegt: “Al wat gij de minste Mijner broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan”? Een stuk brood, een beker water, kleding, geld voor de voedselbank of voor Kerk in Actie? Maar ook een welgemeende handdruk, een schouderklopje, een hartelijke zoen, een vriendelijk woord, belangstelling voor elkaar en stil zijn met elkaar, als iemand verdriet heeft.

Als we al die dingen gewoon maar doen en zó liefdevol met elkaar communiceren, dan hebben ook wij de Heer ontmoet. Dan is het echt Pasen geweest voor ons. En wie weet, komen we Hem dan ineens zelf tegen! Of wij Hem direct zullen herkennen, zoals de discipelen, ik denk het niet. Maar Hij zal Zich Zelf wel kenbaar maken, denk ik. Wat een ontmoeting zal dat zijn!

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *