Heidelbergse Catechismus – Zondag 46


Christus heeft ons geboden God aan te spreken met “Onze Vader”. Wij bidden dus tot Iemand, een Persoon. Bidden is spreken met die Persoon, met God. Het is dus niet een mediteren in je zelf, een soort mijmering, een gedachtespel, een innerlijke gemoedsbeweging of zo. Nee, het is en spreken tot God, een zich uitspreken voor God. Ik sta vóór Hem, alleen of met elkaar. En ik spreek met Hem.

Bidden is altijd een gesprek. Dat is ook hetgeen, wat de mens kenmerkt: dat hij spreken kan. Hij kan luisteren en spreken. Hieruit blijkt, dat hij naar Gods beeld en gelijkenis geschapen is. Zo spreken de mensen met elkaar en dus ook met God. Hij zegt: “Onze Vader“. Alleen maar “Onze Vader, Die in de hemelen zijt“. Heel eenvoudig.  Je hoeft het niet mooier te maken, het moet voor alles ECHT zijn. De soberheid is in het gebed het teken van het ware!  Christus leert ons zo te bidden. Begin maar met de Vadernaam, zegt Hij. “Deze wekt in  ons de kinderlijke vreze tot God”, zegt de Catechismus. “Vreze”, dat is heel wat anders dan “angst”. De Bijbel neemt juist alle angst uit onze verhouding tot God weg en zet daarvoor liefde in de plaats. Het is de liefde van het kind tot vader en moeder. Daarin zit eerbied, geen angst maar “vreze”. Eerbied  is het besef van het niveauverschil tussen God en mens. Het besef ook, dat Hij God is en wij (maar gewoon) mensen zijn. Toch mag er tussen Hem en ons gemeenschap zijn. Dat is het grote wonder! Het bidden brengt die gemeenschap. Bidden gaat van beneden naar boven: “Uit de diepte roep ik tot U, o Heer” (Psalm 130, 1).

Wanneer wij aan God denken, worden wij vanzelf ontroerd door Zijn liefde en ontferming, door Zijn genadige bedoeling met mens en wereld, door Zijn trouw en volharding, Zijn geduld met ons, Zijn heiligheid en majesteit, Zijn onuitsprekelijke heerlijkheid, die Hij over onze dingen wil leggen. Zo is de God, tot ie wij spreken, en daarom kunnen wij niet anders spreken dan met grote eerbied, de “vreze des Heren“. De Catechismus spreekt ook van het “kinderlijke toevoorzicht“. Dat is het zelfde woord  als het Duitse Zuversicht, wat vertrouwen en verwachting betekent. Daarin ligt iets blinds, iets onbewusts, iets onberedeneerd en ook natuurlijks. Alle achterdocht, wantrouwen en twijfel is er uitgesloten. Ook alle bedilzucht en betweterij, en de neiging om zelf het leven in handen te willen nemen. Het kind leeft in een onbewuste en volledige overgave aan de leiding van de ouders. Wij moeten daarom zonder enig voorbehoud al ons vertrouwen alleen op God zetten en alle dingen in het leven alleen van Hem verwachten. Zó bidden wij dus. En niet zoals wij vaak plegen te doen: het ene stukje kunnen we zelf wel opknappen, voor het andere stukje hebben wij God nodig. Bidden moet gebeuren met kinderlijk  vertrouwen,  in alle dingen, zoals ook Jezus zelf het voorbeeld gegeven heeft . U weet wel: de discipelen verwonderden zich daarover en vroegen Hem: leer ons ook zo bidden. Daarvoor hoeven we niet altijd met  “Onze Vader” te beginnen, maar ons gebed dient wel altijd gedompeld te zijn in de geest van het kindschap, van de kinderlijke “vreze”.

Het “Onze Vader” duidt naast die “vreze des Heren” ook nog op iets anders: gemeenschap. Er ligt gemeenschap in, niet alleen gemeenschap met God, maar ook gemeenschap met de naaste, de medemens, met elkaar. We zeggen immers  “ONZE  Vader“. Ik bid tot God, maar zie tegelijkertijd al die andere mensen om me heen staan, mensen die met me mee bidden en met wie ik mee bid. Bidden is nooit een eenzaam gebeuren. Niet de eenzaamheid, maar de gemeenschap is het element waarin wij leven. Eenzaamheid is het element van de dood, gemeenschap dat van het leven! Zelfs in dit meest persoonlijke, het spreken met God, zijn wij opgenomen in de gemeenschap. Daarom is het gezamenlijke bidden, in de Kerk en het gezin, ook van zo grote betekenis. Wij bidden gezamenlijk het “Onze Vader“. Al is de Kerk nog zo verdeeld, wij bidden toch het ene “Onze Vader“. Al zijn er nog zo veel onenigheden onder Christenen over waarheidsvragen en belijdeniskwesties, voor Gods Aangezicht staande kunnen wij alleen maar zeggen “Onze Vader“. In die aanroep zijn wij allen één. Vandaar ook dat het eenvoudiger is in de verschillende Kerken samen te bidden dan te belijden. De oecumene begint bij het gebed! Dit hangt ook daarmee samen, dat wij bidden in Christus’ naam. In Zijn naam toch is God “Onze Vader” geworden. Hoe anders zouden wij God kennen dan juist in Christus’ naam? In alles, wat Hij voor ons over gehad heeft? Door Zijn lijden en sterven heeft Hij Zich aan ons bekend gemaakt als een God van genade en liefde. Daarom moet al ons bidden doortrokken zijn van dankzegging, want in Christus is ons alles geschonken wat wij voor tijd en eeuwigheid nodig hebben. Bidden is danken. Toen wij met ons jonge gezin eens in Zwitserland met vakantie waren, begon onze gastheer steevast met “Wir danken“. Het was in het plaatsje Goldiwil, waarvan Alice (onze middelste dochter) zei dat het goed bij ons paste: God, Die wil! Het gebed zelf is het voornaamste stuk van de dankbaarheid. Het is DE manier om zich aan God dankbaar te tonen: bidden en nog eens bidden, steeds maar weer bidden.

In dit perspectief staat dan ook de verhoring van ons gebed. Omdat God door Christus Onze Vader is ,”zal Hij ons veel minder afslaan hetgeen wij Hem met een recht geloof bidden dan onze vaders ons aardse dingen ontzeggen.”  Zo drukt de Heidelbergse Catechismus zich uit. Als ouders moet je de kinderen wel eens wat “afslaan”. Maar God gaat heel anders te werk. Hij heeft er het leven van Zijn Zoon voor gegeven, het heeft Hem heel veel gekost om dit te doen. Als Hij dat niet heeft afgeslagen, zou Hij dan wel onze bede om hulp afslaan? Gebedsverhoring, daarmee pleegt menigeen erg te zitten. Toch moest het voor ons geen probleem zijn. Ik weet wel: wij willen altijd graag resultaten zien, ook van het bidden. Maar laten we toch vooral bij het bidden niet vergeten, dat het in de eerste plaats  AANBIDDEN  dient te zijn, God de eer geven en in Zijn heiligheid laten. Laat daarom uw gebed niet vastlopen in de vraag van de verhoring, maar laat het zich verliezen in aanbidding.

Daarbij komt ook nog, dat het gebed, zoals ik al zei, DANKZEGGING moet zijn.  Meer dankzegging dan het opsommen van allerlei wensen. Dankzegging voor al die zegeningen, die u hebt ontvangen en steeds weer opnieuw ontvangt in uw leven. Vooral ook voor het eeuwige heil in Christus, waarin we immers nu al alles ontvangen hebben wat maar mogelijk is. In Christus is de vraag van de verhoring van onze gebeden geen vraag meer, want op al onze vragen heeft Hij toch in Zijn lijden en sterven en opstanding een resoluut en definitief antwoord gegeven.

Bidt daarom met een grote vrijmoedigheid tot God: “Onze Vader“.

”Vraag en er zal je gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt ontvangt, en wie zoekt vindt, en voor wie klopt zal worden opengedaan. Is er iemand onder jullie die zijn kind, als het om een brood vraagt, een steen zou geven? Of een slang, als het om een vis vraagt? Als jullie dus, ook al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te meer zal jullie Vader in de hemel dan het goede geven aan wie hem daarom vragen” (Mattheüs 7, 7-11).

Amen.

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *