Geen tempel meer nodig


Openbaring 21, 22

“En ik zag geen tempel in haar; want de Here, de Almachtige God
is haar tempel en het Lam.”
 

Tweede tempelJohannes, de ziener op het eiland Patmos, kijkt in de hemel en vertelt ons wat hij daar ziet. “En ik zag geen tempel in haar.” Hé, dat is vreemd! Wij denken, als we ’t over God en godsdienst hebben altijd aan mooie kerken en vieringen in die kerken. Maar Johannes zag daar helemaal niets van!

Wij hebben zo’n vaag idee over de hemel. Je kunt denk ik beter zeggen wat daar niet is dan wat daar wel is. De beroemde mystieke denker uit de Middeleeuwen Meister Eckehart heeft dat ook al gezegd: we zouden God en de hemel wel willen kennen en zeggen wie Hij is en hoe het daar is, maar eigenlijk komen we niet verder dan te zeggen wie en wat Hij en de hemel NIET is.

In onze tekst zien we dat ook gebeuren. Johannes komt tot vervoering in de geest en ziet het nieuwe Jeruzalem. Hij probeert te vertellen wat hij zag, maar wie kan daaruit wijs worden? Een stad van 12000 stadiën in de lengte en 12000 stadiën in de breedte en 12000 stadiën in de hoogte, met een muur van 12 fundamenten. Dat is de taal van de extase. Alles in een overtreffende trap! Je kunt je er geen voorstelling van maken. Dat is ook wel te begrijpen, want de hemel moet wel heel anders zijn dan onze aarde. De dichters van de Psalmen erkenden dat al in een ver verleden: dat de hemel zo veel hoger is dan de aarde. Het is een heel verschil, als je kijkt naar wat er op aarde is en wat er in de hemel is of liever gezegd: NIET is. Op aarde zijn dood, tranen, ziekte, rouw, geween, moeiten, zon, maan en de tempel. Zo ziet Johannes dat. Maar in de hemel? Daar zijn GEEN tranen, GEEN dood, GEEN ziekte, GEEN rouw, GEEN geween, GEEN moeiten, GEEN zon, GEEN maan, GEEN tempel. Geen tempel? Geen huis van God? Daar moeten we toch wel even aan wennen.

Jeruzalem, stad van goud, we wandelen er door heen en zien met de ogen van de oude apostel: jaspis, saffier, chrysoliet. We wandelen door straten van zuiver goud en doorschijnend glas. Maar de tempel, Johannes, waar is nu de tempel? Dat had toch wel het allermooiste moeten zijn! Johannes kijkt ons aan en zegt: “Ik zag geen tempel in haar, want de Here, de Almachtige God, is haar tempel en het Lam.”

Op het eerste gezicht vinden we dat een verarming. Geen tempel, geen kerk? Geen huis van God meer? Geen huis, waar de Gemeente samenkomt? Wij houden van zulke huizen! We zijn er in gedoopt en hebben er Belijdenis gedaan en zijn er vanuit begraven. Vol overgave hebben we daarnet nog Psalm 84 gezongen:

Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer,
het huis, waar Gij uw naam en eer
hebt laten wonen bij de mensen.
Hoe brand ik van verlangen om
te komen in uw heiligdom.
Wat zou mijn hart nog liever wensen
dan dat het juichend U ontmoet
Die leven zijt en leven doet.

Wat kan kerkgang veel betekenen. Je weet het weer, als je het een poos hebt moeten missen Ik heb een zieke gekend in de tijd, dat ik verpleeghuispastor was in Goes, die op zondagochtend de ramen van zijn kamer liet openzetten, om het klokgelui te kunnen horen. Dan lag hij daar te luisteren, met tranen in zijn ogen.

Natuurlijk, ook de andere kant is waar: dat kerkgang en kerk voor veel mensen niets meer betekent. Maar, gelukkig, er zijn er nog velen voor wie de zondag geen zondag is, als zij niet naar de kerk zijn geweest.

Hoe brand ik van verlangen om
te komen in uw heiligdom!

Wij kunnen de kerk nog niet missen. Het is immers voor ons Gods huis, waar wij de Heer mogen ontmoeten, mogen luisteren naar Zijn Woord en mogen zingen van Zijn genade. Het huis, waar we stil mogen zijn in gebed, waar we het Heilig Avondmaal mogen ontvangen en de Heilige Doop mogen vieren.

Hoe kan Johannes dan zeggen, dat hij in de stad van God geen tempel meer zag? En dat voor een Jood, die helemaal niet buiten de tempel kan! Als hij de tempel kwijt was, dan was hij eigenlijk God kwijt. Denk maar aan de woorden van Ps.42:

Mijn ziel dorst naar God.
Wanneer zal ik komen en voor Gods Aangezicht verschijnen?
Hieraan wil ik denken, hoe ik optrok in dichte drom naar Gods huis, bij jubelklank en lofgezang…

Als een Jood woonde in de verstrooiing, in Klein-Azië bijvoorbeeld, dan zou hij zeker zijn best doen om tenminste één keer per jaar de moeilijke en gevaarlijke reis naar Jeruzalem te maken om in de tempel te kunnen zijn. Dat was met Johannes beslist ook zo geweest! Dan moet er toch wel heel wat met hem gebeurd zijn, dat hij nu kan neerschrijven: ik zag geen tempel in haar. Maar dat is natuurlijk ook zo. Er is ook heel wat in zijn leven gebeurd. Tussen die Johannes, die als jong kind aan de hand van zijn vader Zebedeüs naar de tempel optrok en de zeer bejaarde ziener, een gevangene op Patmos, staat Jezus Christus. En dat maakt het grote verschil! Wie Jezus heeft leren kennen, heeft de tempel niet meer nodig. Wij zullen ook eens zonder tempel, zonder kerk kunnen leven!

Hervormde kerk van 's-GravendeelDe tempel en de kerk zijn maar iets tijdelijks, iets voorlopigs, een hulpmiddel, waar je dankbaar gebruik van kunt maken. Net als bij iemand, die met een rollator loopt of in een scootmobiel rijdt. Je bent blij, dat ze er zijn, maar je bent nog blijer dat je ze straks niet meer nodig zult hebben! Zó is het ook met de tempel en de kerk. Het zijn hulpmiddelen, die het mij mogelijk maken op Gods wegen te wandelen. Nu nog kan ik ze niet missen. Maar er komt een tijd, dat ze overbodig geworden zullen zijn. Nu is het ook allemaal nog gebrekkig en mensenwerk. De kerk is niet altijd een zegen. Soms brengt het mensen uit elkaar in plaats van bij elkaar. Het klinkt dan soms wel hard, als mensen zeggen: ik heb de kerk niet meer nodig. Maar ’t is wel te begrijpen! Er komt een tijd, dat we dat allemaal zullen zeggen. En dan niet uit frustratie, omdat we teleurgesteld zijn in de kerk. Maar uit vreugde, omdat we de Heer mogen aanbidden in Geest en waarheid, van aangezicht tot Aangezicht. Tempel en kerk staan er dan niet meer tussen, tussen u en God. U hebt dan God Zelf gevonden als tempel en het Lam.

Nu hebben we nog het gevoel, dat de ene kerk beter is dan de andere en we gaan daar ook prat op. Zo hebben we kerkscheuringen gehad, telkens weer, alsof het nog wat uitmaakt dat de ene kerk mooier is dan de andere. Ook als kerken samenvoegen in een groter verband, zoals gebeurd is bij de PKN, brokkelt het geheel weer af door afsplitsingen.

“En ik zag geen tempel in haar,
want de Here God, de Almachtige,
is haar tempel en het Lam.”

Het blijft een intrigeren de tekst, zeker ook voor de kerken van vandaag. Want er zit een diepe troost in: dat we de kerken eens niet meer nodig zullen hebben. En dat ’t dan uit is met het geharrewar en onderling gekrakeel. Dat hebben we dan gehad, een prima vooruitzicht!

Er is nog een grotere troost, dat daar staat: want de Here God, de Almachtige, is haar tempel en het Lam. God zal dan altijd aanwezig zijn, bij je zijn! Nu is het nog stukwerk. In de kerk is die aanwezigheid van God soms wel voelbaar, maar dan sta je weer op straat, midden in het gewone leven. Je moet naar een zieke toe, je hebt narigheid met je kinderen, je ziet tegen het werk op. En wat merk je dan nog van God en het Lam?

Bij ons gaat de kerk nog uit, maar eens zal dat over zijn. Dan zal de kerk, Gods aanwezigheid in de wereld, nooit meer uitgaan! Dan zullen we voor altijd met de Heer zijn. Hoe heerlijk zal dat zijn!

Amen.

(De foto is van de hervormde kerk van ‘s-Gravendeel.)

Share

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Een gedachte over “Geen tempel meer nodig

  • ms

    Wat een mooie preek en hoe vertroostend.Met grote aandacht en belangstelling geluisterd. Bovendien, wat een prettige voordracht. Alleen geldt dit toch als we het Lam, dat geslacht is, lief gekregen hebben als onze Zaligmaker?
    Openbaring 20 vers 15, 21 vers 8, 22 vers 15 geeft toch scheiding?
    Er staat ook ” die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Velen wilen niet in dat boek vermeld staan, ja toch?
    Moet je deze waarschuwing ook niet in een preek doorgeven?
    Gauw weer eens tot horens.